Broeders en zusters,

Geloven we echt dat we ooit voor altijd bij God mogen thuiskomen?

Dit is een kernvraag in ons gelovig zijn, want – zoals mijn vader altijd zei: als er geen hemel zou zijn, dan hebben ze me toch behoorlijk liggen gehad.

Het evangelie van vandaag is een van de bekendste teksten die verwijzen naar het thuiskomen bij God. Wat voor Johannes het allerbelangrijkste was in zijn geloof laat hij Jezus vertellen op het moment dat Hij voor de laatste keer samen is met zijn vrienden.

Jezus heeft hen net verteld dat Hij verraden zal worden en zal heengaan.

Dat Jezus uit hun midden zou wegvallen, was voor de leerlingen iets onvoorstelbaars.

We kunnen ons dit voorstellen door te denken aan soortgelijke situaties in ons eigen leven: De onverwachte dood van iemand die ons dierbaar is, of een diepe teleurstelling in de mensen die je meende te kunnen vertrouwen. De apostelen voelden die beide dingen gelijktijdig: een goede vriend die zou verdwijnen en met Hem al het goede dat ze verwachtten.

En dan zegt Jezus: "Laat uw hart niet verontrust worden." Je moet niet ongerust zijn, trek het je niet aan. Jezus spreekt daarna over de hemel, als het huis van de Vader waar er plaats is voor iedereen die aan God de juiste plaats geeft in zijn leven.

Je moet dus niet bang zijn voor de dood, je moet eigenlijk van niets schrik hebben.

Later hebben we met de martelaren gezien hoe diep de gelovigen er toen in geloofden.

Verschillende malen wordt beschreven hoe de martelaren zachtmoedig stierven.

Ze wisten dat er een plaats voor hen was bij de Heer, doodgaan is toch slechts de overgang naar dat beter bestaan.

Wat zijn wij toch anders: we doen ons uiterste best om toch maar zo oud mogelijk te worden. De dood lijkt ons af te schrikken, we durven er niet aan denken dat we op elk moment kunnen sterven.

Zijn we dan toch niet zo zeker dat er een hiernamaals is?

Of – erger nog – zijn we niet zeker dat we daar zullen terechtkomen?

Hoe kunnen we van dat hemelse leven zeker zijn?

Op die vraag geeft Jezus een antwoord door zichzelf voor te stellen als “de weg” naar God.

We kunnen bij God maar thuiskomen als we in de voetsporen van Jezus gaan, als we zijn manier van leven en omgaan met de mensen durven vertalen in ons eigen leven.

En daar zit precies het probleem.

We worden geacht te leven op een manier die totaal tegengesteld lijkt aan wat onze maatschappij ons voor ogen houdt. In onze egoïstische maatschappij vraagt Hij aandacht voor de anderen. In onze comfortabele maatschappij, om alles te delen met de armen. In onze maatschappij waar de machtigste het voor het zeggen heeft, vraagt Hij nederigheid.

De lezing ging over de organisatie van de eerste geloofsgemeenschappen, waar er zeven mensen werden aangesteld om te zorgen dat de goede werken goed werden uitgevoerd.

Daar was het heel wat eenvoudiger om te leven volgens de weg van Jezus.

Tweeduizend jaar “beschaving” hebben onze maatschappij zo vervormd dat het leven volgens Jezus haast onmogelijk lijkt.

We voelen dat allemaal aan.

Persoonlijk geloof ik dat deze tegenstelling tussen onze maatschappij en het beeld van wat  een gelovige gemeenschap eigenlijk zou moeten zijn, een belangrijke reden is voor de kerkvlucht van velen. Want je hebt inderdaad maar twee mogelijkheden: meelopen met de huidige toestanden, of er tegen in gaan.

Hoe staat het met onze voorbereiding op het eeuwige leven?

Lopen we mee in deze maatschappij, of proberen we de fundamentele keuzes van Jezus naar ons eigen leven te vertalen?

Hopelijk kan ook voor ons, Jezus de weg zijn die ons de waarheid toont over ons leven, zodat we eens bij de Vader thuis kunnen komen. Aan ons de keuze.