Broeders en zusters,
Wat een mooi verhaal hebben we in de eerste lezing gehoord.
Stel je dit even voor - Abraham, een mens, die een ontmoeting heeft met zijn God.
Vreemd genoeg kan Abraham het in deze omstandigheden niet nalaten van te klagen.
Hij heeft geen kinderen en zou er geen meer kunnen krijgen.
Dat is toch wel typisch menselijk - een ontmoeting met een grote macht en toch is het eerste waar we aan denken onszelf, onze problemen, onze klachten.
Dan begint de tekst die we daarnet hebben gehoord.
God beloofde Abraham stevig zaad, met als gevolg een talrijk nageslacht, zoveel nakomelingen als er sterren in de hemel zijn.
Doch Abraham moet er wel voor werken: offerdieren aanslepen en klaarmaken voor het offer,

en daarna uren de offerdieren verdedigen tegen roofvogels en andere dieren.
Tenslotte valt hij uitgeput en vol angst in een diepe slaap.
Wanneer hij wakker wordt na zonsondergang ziet hij een magisch vuur tussen de offerdieren.

De Heer sluit het verbond met Abraham.
Abraham krijgt zijn wens, doch pas nadat hij er hard voor heeft gewerkt.
Daarenboven komt de hulp pas wanneer hij het eigenlijk opgegeven heeft.
Ook in het evangelie gebeurt iets gelijkaardigs.
Ook hier moet gewerkt worden: een stevige beklimming naar de top van de berg.
Daar vallen de leerlingen - zoals Abraham - in slaap.
Wanneer ze wakker worden zien ook zij de macht en heerlijkheid van de Heer.
Ook zij worden angstig wanneer er uit een wolk de stem van God klinkt.
Dus we zien tweemaal dezelfde zaken
Eerst een belofte, daarna werken tot men er bij neervalt, slaap, en na de angst tenslotte het moment met God.
Dit gebeurt ook in de Sahel - de boeren hebben een belofte van voedsel.
Doch eerst moeten ze hard werken, zaaien, met water uit de waterput bevloeien, onkruid verdelgen, enzovoort.

Uiteindelijk zijn ze moe en vallen ze uitgeput in slaap. Ze worden angstig dat het misloopt en ze alles zullen verliezen.
Als dan toch de regen komt, dan is het alsof God zelf tussen beide komt.
Het is het verhaal van de mens, ook dat van ons zelf.
Ook wij hopen dat allerlei dingen goed zullen worden.
In de vasten willen we hopelijk dat het niet alleen voor onszelf beter wordt!
We hopen op een betere wereld voor iedereen, dit keer speciaal voor de mensen in de Sahel.

Doch hopen brengt niet zomaar geluk.
We moeten er ook voor werken, misschien wel tot we er bij neervallen.
En we worden misschien angstig, we vrezen dat het niet zou lukken.
Doch dan moeten we ook geloven dat het uiteindelijk goed komt.
Leven we écht zo?
Of is het eer zoiets van - dit doel moet ik bereiken.
Als het kan zonder al te veel moeite.
Als het niet lukt zijn we niet angstig, doch eer geïrriteerd - waarom lukt dat nu niet?

We hebben dan misschien het gevoel dat God ons in de steek gelaten heeft.
Als we tenminste al aan God denken wanneer we iets trachten te bereiken.
Abraham leefde met zijn geloof.
De leerlingen van Jezus leefden met hun geloof.
Wij leven misschien niet meer genoeg met ons geloof.
We hebben gelukkig nog een groot deel van de vasten om dit recht te zetten.
Want daar dient de vasten voor - om een nieuwe houding te verwerven.
Zodat we met Jezus op Paasdag kunnen stralen als de nieuwe mens.