Broeders en zusters, over het evangelie van vandaag hebben we al vele malen gesproken. Aan de ene kant komt dit omdat het vroeger werd opgevoerd als een mirakel van Jezus. Aan de andere kant is er die dramatische kant aan het verhaal. Jezus heeft net te horen gekregen dat zijn vriend Johannes de doper omwille van een gril van de vrouw van Herodes onthoofd is geworden. Daarom trekt Hij zich terug naar een eenzame plaats aan het grote meer om te bezinnen. Doch de mensen volgden hem. Zo kunnen we ons die duizenden mensen voorstellen, met Jezus die daar tussenin loopt, met hen praat en zieken geneest, terwijl het reeds donkerder wordt.

De apostelen zien het niet meer zitten en vragen Jezus de mensen weg te sturen om eten te kopen in nabijgelegen dorpen. Doch Jezus zegt: geven jullie ze maar te eten. Nu is dit een verhaal dat door alle vier de evangelisten op nagenoeg dezelfde wijze wordt beschreven. Allen schrijven ze over vijfduizend mannen, vijf broden, twee vissen, en twaalf korven met overgebleven voedsel na het eten. Dit gebeuren moet een enorme indruk hebben gemaakt. Dat gevoel wordt nog versterkt doordat Jezus hier ook voor de eerste keer het brood breekt, zoals bij het laatste avondmaal. Hij moet dus zeker hier ook aan zijn eigen gewelddadige dood aan het kruis hebben gedacht.

Daar staan ze dan – die elf vissers – met een blijkbaar onmogelijke opdracht. Hoe geef je nu eten aan duizenden mensen, met slechts vijf broden en twee vissen? Het lijkt onmogelijk, en toch lukt het. We kunnen nu veel fantaseren waarom het lukte – een aantal van de mensen had misschien toch eten bij en ze begonnen te delen met de anderen. Vandaar de uitspraak, als je verdeelt is er voor iedereen genoeg. Misschien was er helemaal geen vermenigvuldiging van wereldlijk voedsel, en kregen de mensen hun sterkte uit het geestelijk voedsel van de boodschap van Jezus? Of misschien was het toch een wonderbaarlijke vermenigvuldiging.

Doch dat is niet de kern van dit verhaal. Later zal Jezus aan zij apostelen opdragen om zijn boodschap naar de wereld te brengen.  Dat moet voor die ongeletterde vissers in een uithoek van het Romeinse rijk belachelijk moeilijk geleken hebben. Jezus wilde aan zijn apostelen duidelijk maken, dat wat onmogelijk lijkt, niet perse onmogelijk is.

‘Ga en overtuig iedereen van mijn boodschap’, en ‘Geef gij de anderen maar te eten’, dat zegt Jezus ook nu tot ons. Hoe moeilijk die opdracht is, ondervinden we elke dag: de meesten van ons slagen er niet eens in onze eigen kinderen en kleinkinderen tot zijn leerlingen te maken; hoe moeten we anderen dan bezielen met zijn boodschap. En hoe kunnen wij die miljoenen in de hoorn van Afrika te eten geven? We weten niet eens hoe we er zouden moeten aan beginnen.

We krijgen hier de duidelijke boodschap dat het excuus van “het haalt toch allemaal niets uit” niet opgaat voor een gelovige christen. We moeten geloven dat God al onze positieve acties zal versterken, zoals gezegd in de eerste lezing. Dat Hij met ons is en met ons meegaat. Dat Hij kleine dingen groot kan maken – van vijf broden en twee vissen naar voedsel voor duizenden.  Als enige vissers in een tijd zonder goede communicatie er in slagen om de wereld te veranderen, waarom zouden wij er dan niets aan kunnen doen.

Of moeten we toch maar weer eerst beginnen met ons zelf te veranderen?