Broeders en zusters,

In het evangelie brengen mensen aan Jezus slecht nieuws.

Soldaten van Pilatus hebben enkele mensen gedood.

En Jezus weet van het instorten van de Siloam toren in Jeruzalem waarbij 18 mensen omkwamen. Elke dag zien we zulk nieuws op televisie en in het dagblad.

Bij anderen denken we al gauw dat het niet ter verwonderen was.

De verongelukte autobestuurder reed te snel of zal wel dronken geweest zijn.

De jonge allochtoon die door een agent werd neergeschoten, zelf gezocht.

Het huis dat afbrandt, weeral onvoorzichtig geweest…

Doch als ons zoiets overkomt vragen we ons af – waar heb ik dat aan verdiend?

Het is alsof lijden gezien wordt als een straf, die men ten onrechte krijgt.

Veel mensen geloven dat goede inzet beloond moet worden, en misstappen bestraft.

Boontje komt om zijn loontje.

Jezus reageert heel verassend op deze gedachte.

Hij prikt het onderliggende vooroordeel dat mensen die tegenslag kennen dit misschien wel verdiend hebben door.

Denk je dat zij de enige zondaars in de stad waren? vraagt Jezus.

Als God alle zondaars zo zou straffen wie zou er dan nog leven???

En dan volgt het verhaal van de onvruchtbare vijgenboom.

In plaats van hem om te hakken reageert de tuinman als iemand met een hart.

Hij stelt twee ingrepen voor: de grond omspitten en bemesten.

Hier zit een diepere betekenis in:

1) omspitten en bemesten is extra werk – om de vijgenboom te redden is inzet noodzakelijk.

2) omspitten betekent naar de diepte gaan, de innerlijke rijkdom van een mens losmaken, de bronnen weer aanboren.

3) bemesten gaat over voedsel voor de geest, inspiratie zoeken, het woord van God zaaien en wortel laten schieten.

Jezus geeft steeds weer kansen, wil telkens opnieuw hoopvol beginnen.

Wat goed denken we, voor de zoveelste vasten zijn we misschien weer niet zeker of we op de juiste weg zijn. Gelukkig krijgen we nog een kans – drie jaren al was de vijgenboom onvruchtbaar.

Doch er is ook de zin “Maar als gij u niet bekeert, zult ge allen omkomen”.

Eens zal er rekenschap van ons gevraagd worden.

Ons leven eindigt met een afrekening.

We leven niet voor spek en bonen. Jezus neemt ons serieus.

In de maatschappij kunnen we een figuranten rol spelen, ondergaan in de massa.

Maar voor God hebben we allen een naam, zelfs in de palm van zijn hand.

Wat kunnen wij, nietige mensen, dan doen – wat betekent bekering echt?

De eerste lezing gaf een richting:

“Ik heb de ellende van mijn volk gezien, ik ken hun smarten”

God hoort de schreeuw van de mensen die onderdrukt worden.

Hij ziet het als de sterke de zwakke onderdrukt.

Hij zal dus wel heel wat zien tegenwoordig want overal in de wereld worden kwetsbare mensen en groepen uitgesloten en ontstaan er arme en rijke samenlevingen.

Bedenk eens bij welke samenleving je hoort - de rijke of de arme?

De boodschap van Jezus is dus geen vrijblijvende zaak. Er horen daden van bevrijding bij.

Ook vandaag zijn er Farao’s en ook vandaag laten deze Farao’s zich niet door één plaag, door één tegenslag uit het lood slaan. Één Seattle is niet voldoende.

Maar solidaire verontwaardiging, zacht weerwerk in ons werk, in onze vriendenkring, bij verkiezingen, kan zand strooien in de machine van winstbejag, in de machine van uitsluiting. Elke opstand begint bij één man, één vrouw, en dan nog één en één tot dat verandering niet meer te vermijden valt.

Is dit ver gezocht?

Is dit veel gevraagd?

Of is het net dat verschil tussen leven alsof en leven als christen?