Harlinda Lox
° 1963
is projectmedewerkster bij de vakgroep Duits aan de
Universiteit Gent. Ze is auteur van Flämische Märchen (München,
1999) en van het boek Van stropdragers en de pot van Olen.
Verhalen over Keizer Karel (verschijnt in september 1999).
Ze organiseert het internationaal sprookjescongres Von
Königen und Kaisern (Gent, 1-4 juni 2000).
Keizer Karel is een
van die zeldzame figuren uit onze geschiedenis van wie men een
dubbelportret bezit, een ernstig-historische medaille met een
olijk-folkloristische zijde. Op een familiefeest werd aan ons,
kinderen, ooit de vraag gesteld: wat gebeurde er in 1500? We
antwoordden in koor: toen werd Keizer Karel in Gent geboren.
Juist, en wat gebeurde er in 1512? Op die vraag moesten we het
antwoord schuldig blijven, omdat we onze vaderlandse geschiedenis
dan toch niet zo gedetailleerd kenden. Mijn grootvader wist het:
toen deed Keizer Karel zijn plechtige communie...
De vertelcultuur die zich in Vlaanderen om Keizer Karel als
populaire kristallisatiegestalte rankt, maakt in grote mate deel
uit van een internationaal verspreide en geïnventariseerde
volkskundige canon. Achter de schijnbaar eenvoudige verhalen
waarin de keizer, meestal incognito, ergens in Vlaanderen de
hoofdrol speelt, schuilen complexe processen van - geleerd gezegd
- narratieve acculturatie via grensoverschrijdende mondelinge en
schriftelijke verspreidingskanalen en een ingewikkelde
overleveringsgeschiedenis van vertelpatronen en -motieven. Ook de
zeer geloofwaardige bon-mots of scherpzinnige spreuken die Keizer
Karel in de mond worden gelegd, werden in de buitenlandse
vertelrepertoires door andere beroemde keizers uitgesproken.
Zelfs de anekdoten, die op private kwaaltjes of liefhebberijen
van Keizer Karel zinspelen, zijn internationaal gemeengoed. Dit
artikel geeft een overzicht.
DE 'VLAAMSE' KEIZER KAREL GERELATIVEERD
De Olenaars gaan er nog altijd prat op dat Keizer Karel ooit
een pot met drie oren liet vervaardigen. Daarbij zou men vlugger
de archieven gaan uitvlooien op zoek naar historische documenten
die de aanwezigheid van de keizer in Olen zouden moeten bewijzen,
dan dat men de echtheid van die verhalen en vooral hun exclusief
Vlaamse karakter in twijfel zou trekken. Dat hangt samen met het
romantische Grimm-gesternte waaronder het Vlaamse volksgoed ooit
verzameld werd. Het optekenen en publiceren van de volksverhalen
gebeurde in de vorige eeuw immers in het kader van het opbouwen
van een echte, eigen 'Vlaamse' identiteit. De teksten die een
eenvoudige verhaallijn hadden en bovendien in een eenvoudige
volkstaal geschreven waren, vormden dankbare instrumenten bij de
volksopvoeding en de taalontvoogding. En Keizer Karel maakt zijn
opwachting als populaire kristallisatiegestalte in anekdoten,
etiologische of verklarende verhalen, gezegden, raadsels,
kinderrijmpjes en schimpdichten, sagen, legenden, diersprookjes,
novellesprookjes en grappige vertelsels. Veel van die teksten
werden juist tijdens de grote verzamelgolf in Vlaanderen tussen
1880 en 1930 opgetekend of opnieuw in een volkskundig en een
literair circuit in omloop gebracht. De belangrijkste
verzamelbundel van allerlei ware en verzonnen verhalen over
Keizer Karel, De heerelycke ende vrolyke daeden van Keyser
Carel den V, was reeds in 1674 te Antwerpen verschenen en
wordt aan Joan de Grieck, een Brussels boekverkoper en
toneelschrijver, toegeschreven. Het werkje kende direct na zijn
verschijnen een aantal herdrukken en werd vrij snel in het Frans
vertaald. Niet toevallig werd het eind van de eeuw juist tijdens
de culturele bezinningstocht van enkele strijdvaardige
flaminganten opnieuw uitgegeven in een reeks volksboeken onder de
redactie van J.F. Willems en F.A. Snellaert. Nog in 1923 gaf
Michel de Ghelderode een (verkorte) herwerking uit onder de titel
L'histoire comique de Keizer Karel telle que la
perpétuèrent jusqu'à nos jours les gens de Brabant et de
Flandre. Met het merkwaardige 'Keizer Karel' in de Franse
titel onderstreepte de auteur nog eens het door en door Vlaamse
karakter van deze histoire comique.
Deze visie kon alleen nog voor het grote publiek volgehouden
worden, want op dat moment had al iemand in Vlaanderen, met name
Maurits de Meyer, het in talloze kleine bundels en regionale
tijdschriften verspreide Vlaamse sprookjesmateriaal volgens het
internationale classificatiesysteem Aarne Thompson geordend en
ontsloten. De bundel van Joan de Grieck had hij echter voor deze
eerste cataloog nog niet uitgevlooid, zodat de mythe rond de
'Vlaamse' Keizer Karel-verhalen misschien ongewild intact bleef,
tot de herwerking van de cataloog in 1968. Veel Keizer
Karel-verhalen laten zich in dit classificatiesysteem inpassen,
dat in vijf hoofdcategorieën zowat 2500 verschillende
verteltypen documenteert. Daarnaast zijn er andere verhalen die
niet zozeer als een volledig uitgewerkt verteltype maar als een
internationaal vertelmotief of als een contaminatie van meerdere
vertelmotieven bekend zijn.
Juist door de vergelijkende studie van de varianten van een
zelfde verhaal kunnen de processen van narratieve acculturatie
zichtbaar worden gemaakt. De volkskundige auteur sensibliseert
zijn lezer voor bijzondere motief-complexen of verschuivingen van
motieven en voor eigenzinnige variantencontaminaties. De lezer
verwerft vooral inzicht in cultuurgeografische eigenheden,
etnische stereotypes, regionale en lokale inkleuring van
internationale vertelpatronen. Eenvoudiger gezegd: de lezer
krijgt een antwoord op de vraag wat er nu typisch Vlaams is aan
de Keizer Karel-teksten. Naast de specifieke topografie - de
verhalen spelen zich bijna altijd in een duidelijk herkenbare
'Vlaamse' omgeving af (in Olen, Sint-Niklaas, Mechelen, op de
Brusselse markt, in het Zoniënwoud enz.) - zijn er herkenbare
rituelen, gebruiken en attributen. De lezer krijgt ook voeling
met de vertelmechanismen, waardoor anonieme protagonisten zoals
een edelman, een rechter, een paus, een koning of keizer, en
zelfs een schelm, nar of bedelaar tot een gepersonaliseerd
heerser uit Vlaanderen worden gemaakt.
DE RECHTVAARDIGE KEIZER
Zowat alle West-Europese heersers die in de populaire
vertelcultuur een rol spelen (en dat is niet alleen Keizer Karel)
trekken er in boerenkleren op uit. Volgens een beroemde uitspraak
van de Franse koning Lodewijk XI zou een vorst alles eerder te
horen krijgen dan de waarheid. Maar de West-Europese heersers
volgen vooral het voorbeeld van de beroemde kalief Haroen
ar-Rasjied, die in De vertellingen van duizend en één
nacht incognito door zijn land reisde om uit de mond van zijn
onderdanen te horen wat er in Bagdad gaande was. Deze bundel
Oosterse sprookjes werd door een vertaling van de Franse
oriëntalist Antoine de Galland in het begin van de 18de eeuw in
Europa verspreid, wat niet alleen een ware rage in het literaire
Europa veroorzaakte maar ook duidelijke sporen in de
verschillende regionale vertelculturen achterliet. Elk volk kon
zo wel zijn eigen geliefde heerser naar voren schuiven, die zich
net als de Oosterse kalief een zorgzame en rechtvaardige pater patriae zou tonen en zich in eigen persoon ervan zou gaan
vergewissen hoe het met de rechtvaardigheid in zijn land gesteld
was. Tot de vertelcyclus rond Karel de Grote behoorde een ander
didactisch verhaal dat dezelfde deugd van de volkse heerser moest
illustreren. Er werd verteld dat hij een zogenaamde
rechtvaardigheidsklok liet ophangen. Iedereen die dacht
onrechtvaardig behandeld te zijn, kon die klok luiden en zijn
zaak zou dan onderzocht worden. Eens werd de klok niet door een
mens geluid maar door een slang die om de klepel gekronkeld hing.
Karel de Grote begreep dat ook als een noodkreet en liet zijn
vier rechtsheren de slang naar haar nest volgen. Ze vonden er een
pad die op de eieren van het reptiel lag, en verbrandden de
indringster.
Eén Keizer Karel-sprookje, over zijn oude verwaarloosde paard,
kan als een afgezwakte variant van dit grondgegeven rond de
rechtvaardigheidsklok beschouwd worden, hoewel het paard eerder
toevallig een bel aanraakt. Toch maakt het op die manier de
heerser op zijn miserabele toestand attent. De knecht gebiedt de
eigenaar, de keizer dus, om het dier, dat hem zovele jaren trouwe
dienst verricht heeft, nu op zijn beurt tot aan zijn dood te
verzorgen.
DE KEIZER INCOGNITO... ZOALS DE DOOD
Het incognito-motief leidt menig Keizer Karel-verhaal in:
onherkend heeft deze volkse keizer contact met de laagste laag
van de bevolking, met bezembinders, kolenbranders, zandleurders,
scheepstrekkers... Dat Keizer Karel met deze onderdanen een
gemoedelijk praatje slaat, strookt - mede door zijn gebrekkige
talenkennis - wellicht niet met de werkelijkheid, maar het beeld
laat zich perfect in zijn volkskundig (narratologisch) profiel
inpassen. Het is diezelfde man die een beschonken boer uit
Berchem welwillend bijlicht als deze moet urineren... Keizer
Karel wordt als een heerser voorgesteld die zelfs bereid is zijn
handen uit de mouwen te steken om zijn onderdanen bij hun zware
dagtaak te helpen. Zo laat hij zich bv. als scheepstrekker
inschakelen. Volgens een andere overlevering zou hij ook geholpen
hebben bij het lossen van schepen op de werven. Een beetje
ironisch wordt het dan wel, wanneer de keizer in zijn eigen
paleis een dief een handje toesteekt bij het stelen van dure
tapijten of waardevolle horloges... Maar ook van keizer
Maximiliaan I wordt verteld dat hij een boer bij het stapelen van
hout geholpen zou hebben. Keizer Jozef II zou zelf eens de ploeg
in de hand genomen hebben en Frederik II de Grote zou 's nachts
met een bezembinder naar de bossen getrokken zijn om zelf
bezemrijs te snijden. Bovendien zou Frederik in diezelfde nacht
nog - toen hij zich met de hoogzwangere vrouw van de bezemboer
alleen in de hut bevond - de taak van vroedvrouw op zich hebben
genomen. Keizer Karel neemt het peterschap van de zoon van Boerke
Naas op zich. Zo gaat hij zelfs een klein beetje deel uitmaken
van het (familie)leven van zijn onderdanen.
Het peterschap van een gewoon mensenkind deelt Keizer Karel
echter niet alleen met Frederik de Grote, maar ook met de
gepersonifieerde Dood. In het grimmse sprookje nr. 44 De dood als
peet kiest een arme boer de Dood als peetoom voor zijn dertiende
kind. Ondanks het feit dat dit sprookje enkele grappige momenten
bevat, blijft de ultieme boodschap toch dat de Dood steeds het
laatste woord behoudt en dat er tegen hem geen kruid is gewassen.
Uit de wonderbaarlijke affiniteit tussen de populaire keizers en
een zo machtig figuur als de Dood mogen we besluiten dat de
onderliggende toon in zulke verhalen er, ondanks de
ogenschijnlijke vertrouwdheid, toch een van angst en ontzag is.
Hoe krijgt een verteller vat op een dergelijk machtig wezen? Door
hem met menselijke, al te menselijke trekjes voor te stellen. Zo
zijn er de vertrouwelijke, bijna vriendschappelijke maar o zo
verraderlijke aanspreekvormen voor de Dood als Pietje, Pieter,
Hein: eufemismen die steeds de ontzaglijke monsterachtigheid van
het naamloze onbekende wezen Dood ontkrachten.
Lijkt ons de verschijning van Keizer Karel niet net iets
vertrouwder te zijn als er in de verhalen alleen over 'Karel'
wordt gesproken? Krijgt hij daardoor niet een beetje de status
van Jan, Piet en Klaas, de typische benamingen voor de helden uit
de Vlaamse sprookjes, de zogeheten Allerweltsnamen die
voor iedereen staan? De verhalen tonen ons doorgaans een
wereldlijk heerser ontdaan van al de attributen die naar zijn
status, zijn macht en zijn rijkdom verwijzen, een kwetsbare
gestalte met menselijke, al te menselijke trekjes. 'Karel' moet
zijn avondmaal zelf klaarmaken, en hij eet geen exotische of
kostbare spijzen, maar hesp met boterhammen. Voor een schepje
mosterd trekt deze man, die over een rijk heerst waar de zon niet
ondergaat, door de straten van Gent. Hij is zo verlekkerd op de
malse gans die een schoenlappersvrouw op de Brusselse markt
koopt, dat hij zichzelf aan de tafel van een arm
schoenlappersgezin uitnodigt. Het is diezelfde keizer die door
het overmatige nuttigen van jonge bieren of wijnen zulke
verschrikkelijke buikkrampen heeft, dat hij 's nachts het bed
niet tijdig verlaten kan en zich zo de woede van de
herbergierster, die haar keizerlijke gast niet herkent, op de
hals haalt.
DE KEIZER IN DE KNOEI
Dikwijls gaat het bij het incognito-motief echter niet om een
bewuste strategie van de keizer om de noden van zijn onderdanen
te leren kennen, wat zijn zin voor rechtvaardigheid en zijn zorg
om het wel en wee van zijn onderdanen zou onderstrepen, maar om
een situatie die hij als een ietwat hulpeloze figuur zelf
gecreëerd heeft: hij verdwaalt namelijk tijdens de jacht. Honger
of soms ook zijn onkunde om zichzelf te behelpen drijven hem dan
naar een schamele boshut. Als nederige zwerver op zoek naar
onderdak vertoont Keizer Karel hier een wonderbaarlijke
affiniteit met de vele zwervende heiligen. In de Vlaamse
overlevering zijn dit doorgaans Onze-Lieve-Heer en Sint-Pieter of
Woen (Wodan) en Laai (Thor), die als arme drommels vermomd bij de
stervelingen aankloppen en om een bed voor de nacht vragen. Maar
hij blijft steeds ook een machtige figuur, die uit een penibele
situatie munt zal slaan of het laatste woord behouden. Hij wil
zijn onderdanen bij deze gelegenheid wel eens aan de tand voelen.
In de Vlaamse varianten biecht de gastheer, bv. een arme
bezembinder, zijn gast nog een pekelzonde op: hij jaagt af en toe
op wild en neemt het dus niet zo nauw neemt met het recht op
jacht, dat een keizerlijk (koninklijk) voorrecht was. De verhalen
eindigen echter niet met de gevreesde represailles voor de
overtreding, maar met een beloning voor de verleende
gastvrijheid, die ten slotte toch als de hogere deugd wordt
gehonoreerd.
In een ander verhaaltype belanden Keizer Karel en een
gedeserteerde soldaat in een rovershol. Hoewel ze samen afspreken
de rovers uit de weg te ruimen, laat Keizer Karel zich kennen
zich als een bange, zelfs ietwat laffe kompaan, die in een klein
hoekje van het hol wegkruipt. De soldaat daarentegen handelt zeer
koelbloedig en schakelt alle rovers uit. Als laatste wil hij nog
zijn laffe 'maat' hard aanpakken. Keizer Karel kan ternauwernood
aan de dood ontsnappen doordat hij zijn keizerlijke insignes
toont. Hetzelfde wordt van Frederik de Grote verteld: ook hij
greep naar dat redmiddel om zich tegen dreigende mishandeling te
beschermen. Het novellesprookje kent tenslotte een klassiek
happy end, met menselijke (bruid), geestelijke (rehabilitatie) en
materiële rijkdom voor de gedeserteerde soldaat.
DE KEIZER BEDUVELD
Op zijn tocht door Vlaanderen heeft Keizer Karel niet zelden
ontmoetingen met figuren die hem door hun vrijpostigheid of door
hun raadselachtige antwoorden irriteren. Een misnoegd kapitein
vertrouwt niets vermoedend aan de keizer zelf toe dat hij op weg
is naar het keizerlijke paleis om een behoorlijke honorering van
zijn bewezen diensten af te dwingen. En mocht de keizer hem het
pensioen weigeren, dan zou hij hem antwoorden: "Vol a
dios que rese mi mula in culo". Dit betekent zoveel als
"Dan wil ik, sakkerloot, dat hij het achterste van mijn
muilezel kust." Keizer Karel ontbiedt de kapitein de dag
nadien op het paleis. Die schrikt wel even als hij in zijn
reisgezel de keizer herkent, maar laat zich niet kisten en nodigt
de keizer stoutmoedig uit zich naar zijn muilezel te begeven die
aan de poort van het paleis staat. Hier bindt het sociaal
superieure personage vlug in en laat hij het niet tot die
vernederende daad komen. In een ander zeer populair sprookje
leest Keizer Karel bij een klooster een opschrift dat men er
zonder zorgen leven zou. De abt in persoon moet voor deze
arrogantie drie moeilijke vragen binnen een aantal dagen
oplossen, zo niet vallen er zware straffen. (Naast Keizer Karel
als vragende instantie in de Vlaamse vertelcultuur, treden zowat
60 persoonlijkheden over de gehele wereld in die rol op.) De abt
zelf slaagt er niet in een passend antwoord op de raadselachtige
vragen te vinden en wordt op de bewuste dag vervangen door een
naamloze herder, molenaar, hovenier die de keizer met zijn
gevatte antwoorden voor schut zet. In die rol treedt niet zelden
ook een internationaal bekende schelmen- of narrenfiguur aan,
zoals Tijl Uilenspiegel. De aantrekkingskracht van dit
novellesprookje schuilt gedeeltelijk in de raadselelementen en in
de humor, maar ook in de wetenschap dat een onaanzienlijk persoon
zich dankzij enige vindingrijkheid kan meten met de groten der
aarde. De underdog krijgt om zijn boerenslimheid uiteindelijk
waardering, want hij wordt niet zelden door Keizer Karel tot abt
benoemd. Toch eindigt het verhaal niet met die sociale
rehabilitatie, maar - volledig in de lijn van wat eraan
voorafging - met een handige zet, die toont hoe de nieuwbakken
geestelijke, die doorgaans niet lezen noch schrijven kan en zeker
geen Latijn verstaat, zich uit de slag trekt.
In een ander novellesprookje treft Keizer Karel een knaap aan die
alleen thuis is. Hij vraagt de jongen naar het doen en laten van
de familieleden, maar krijgt op deze toch vrij eenvoudige vragen
slechts raadselachtige antwoorden. Op de eerste vraag, "Waar
is uw vader?", is het antwoord: "Hij is aan het jagen
en hoe meer hij velt, hoe minder hij heeft." Ook op de vraag
"Waar is uw moeder?" krijgt Keizer Karel een antwoord
waar hij niet echt veel mee kan aanvangen: "Ze is om schade
of schande." De sociaal hogere moet zich in zekere zin
vernederen om uitleg te vragen. De mindere blijkt dus in het
verbale machtsspel de meerdere te zijn.
Dit sprookje wordt in de West- en Oost-Europese overlevering
bijna altijd met een tweede verhaal verbonden: vóór Keizer
Karel naar zijn paleis terugkeert doet hij de jongen beloven dat
hij aan niemand de antwoorden zal verraden tenzij hij 20 maal
(100 maal) het hoofd van de keizer gezien heeft. In zijn paleis
aangekomen, legt de keizer de raadselachtige antwoorden van de
jongen aan zijn ministers voor met de opdracht ze te ontcijferen.
Een hoveling zoekt de knaap in het bos op en krijgt de
antwoorden, nadat hij de jongen 20 (100) goudstukken heeft
betaald, met het hoofd van Keizer Karel erop afgebeeld. Zo kan de
jongen een woedende keizer, die hem ervan beschuldigt zijn
belofte gebroken te hebben, nog eens voor schut zetten. Ook dit
verhaal heeft, vanuit de middeleeuwse vertelcultuur een lange weg
afgelegd.
Als Keizer Karel bij een bezoek aan Ieper aan de burgemeester
meedeelt dat hij het stadhuis ten geschenke wil krijgen, staat
deze hoogwaardigheidsbekleder echt perplex en hij vraagt 24 uren
bedenktijd voor een oplossing. Het is tenslotte de vrouw van de
burgemeester die hem een antwoord influistert, waarmee hij de
keizer moet afschepen. Hier vertoont Keizer Karel een
wonderbaarlijke affiniteit met de domme duivel, die in meerdere
verhaaltypes door een listige vrouw schaakmat wordt gezet. Maar
in tegenstelling tot de duivel, die meestal vloekend en tierend
en met lege handen afdruipt, behoudt de keizer (net als de
gepersonifieerde Dood, die weliswaar door de mens wordt bedot
maar niet overwonnen kan worden) een laatste troef in handen. Hij
beveelt dat de Ieperse magistraten in hun kostuum "een
leiband zouden dragen, zoals de kinderen", of dat ze
voortaan nog alleen in vrouwenkleren of met een vrouwenmuts op in
de gemeenteraad mochten vergaderen. In zijn paleis zelf krijgt
Keizer Karel bezoek van notoire bedriegerstypen uit de
volksliteratuur zoals astrologen, bedelaars, alchemisten en
eenogigen. Uit de pointe blijkt niet zelden dat hij zich dan als
de grotere schelm profileert.
Een alchemist die aan de keizer een beloning vraagt omdat hij -
zoals hij beweert - de formule om goud te maken gevonden heeft,
krijgt van hem een lege beurs, met het antwoord zelf voor het
goud te zorgen. Een vrijpostige bedelaar vraagt de keizer wegens
de gemeenschappelijke voorouders Adam en Eva om een broederlijke
aalmoes. De keizer laat deze stoute vraag niet onbeloond en geeft
hem een negenmanneke (een zilveren muntstukje). Die kleine gift
van een groot heer en broeder stemt de bedelaar mismoedig. Daarop
laat de keizer hem een tweede maal voor hem verschijnen. De
bedelaar is ervan overtuigd dat hij nu milder zal behandeld
worden, maar Keizer Karel antwoordt hem glimlachend: "Ga de
wereld rond, en als al de broers en al de zusters je een
dergelijke gunst betonen als ik heb gedaan, zul je mij in rijkdom
te boven gaan." De oudste variant van deze vorstenanekdote
vinden we in de exempelverzameling van een Franse dominicaan uit
de 13de eeuw, die het verhaal toeschreef aan (een) koning Filips,
waarschijnlijk zijn tijdgenoot Filips II Augustus (1223).
DE KEIZER ONSTERFELIJK
Geliefde en machtige heersers sterven niet. Nauw verbonden met
dit geloof in de onsterfelijkheid van de keizer (koning) is de
populaire voorstelling dat hij met zijn gevolg in een berg zou
verblijven. De beroemdste berg is de Kyffhäuser. Hij werd door
de geestelijke Johannes Rothe als verblijfplaats van een keizer
genoemd, waarbij Frederik I Barbarossa en Frederik II vaak worden
verwisseld. Maar er doken weldra andere bergen op. Sinds 1529
wordt de Untersberg in de buurt van Salzburg als verblijfplaats
aangeduid waar de keizers Frederik Barbarossa en Keizer Karel
geduldig op het moment wachten om naar de aarde terug te keren.
De keizersage werd steeds weer aan plaatselijke omstandigheden
aangepast. In Denemarken wordt van Holger Danske verteld dat hij
in een heuvel bij Mögeltönder zijn toverslaap houdt en zal
terugkeren wanneer er in Denemarken niet méér mannen zullen
zijn overgebleven dan er op een ton plaats kunnen vinden. Echt
verouderen doen deze keizers in hun onderaardse woonplaatsen
niet. De baardgroei (reeds tweemaal rond de tafel!) bij Frederik
Barbarossa en Keizer Karel fungeert als een barometer die het
verloop van de tijd aangeeft. Ook bij de volkssagenheld
Tannhäuser die door Vrouwe Venus in een berg gelokt werd, is de
baard reeds tweemaal rond de tafel gegroeid.
De grenzen tussen leven en dood zijn bij dergelijke
voorstellingen altijd zeer vaag. Want bij het sagentopos van de
levende lijken wijst o.m. het groeien van de baard erop dat de
doden nog voortleven. De bewegingsvrijheid van de keizers lijkt
hier met de vastgegroeide baard nihil te zijn. Nochtans wordt er
van Keizer Karel verteld dat hij tussendoor, op heilige dagen, de
Untersberg om middernacht verlaat om dan in de domkerk van
Salzburg zingend de spookmetten bij te wonen. Het is een bekend
fenomeen dat de helden uit de sagen het tijdsverschil tussen deze
en gene wereld niet zo probleemloos overbruggen als de
sprookjeshelden; bij hun terugkeer voltrekt het
verouderingsproces zich in een versneld tempo en in een mum van
tijd worden ze tot as. De keizersagen eindigen echter doorgaans
met de bespiegeling van een gelukzalige terugkeer van de keizers,
weliswaar op de dag waarop de wereld ten onder gaat...