Keizer Karel als sprookjesheld

Harlinda Lox

° 1963
is projectmedewerkster bij de vakgroep Duits aan de Universiteit Gent. Ze is auteur van Flämische Märchen (München, 1999) en van het boek Van stropdragers en de pot van Olen. Verhalen over Keizer Karel (verschijnt in september 1999). Ze organiseert het internationaal sprookjescongres Von Königen und Kaisern (Gent, 1-4 juni 2000).

Keizer Karel is een van die zeldzame figuren uit onze geschiedenis van wie men een dubbelportret bezit, een ernstig-historische medaille met een olijk-folkloristische zijde. Op een familiefeest werd aan ons, kinderen, ooit de vraag gesteld: wat gebeurde er in 1500? We antwoordden in koor: toen werd Keizer Karel in Gent geboren. Juist, en wat gebeurde er in 1512? Op die vraag moesten we het antwoord schuldig blijven, omdat we onze vaderlandse geschiedenis dan toch niet zo gedetailleerd kenden. Mijn grootvader wist het: toen deed Keizer Karel zijn plechtige communie...
De vertelcultuur die zich in Vlaanderen om Keizer Karel als populaire kristallisatiegestalte rankt, maakt in grote mate deel uit van een internationaal verspreide en geïnventariseerde volkskundige canon. Achter de schijnbaar eenvoudige verhalen waarin de keizer, meestal incognito, ergens in Vlaanderen de hoofdrol speelt, schuilen complexe processen van - geleerd gezegd - narratieve acculturatie via grensoverschrijdende mondelinge en schriftelijke verspreidingskanalen en een ingewikkelde overleveringsgeschiedenis van vertelpatronen en -motieven. Ook de zeer geloofwaardige bon-mots of scherpzinnige spreuken die Keizer Karel in de mond worden gelegd, werden in de buitenlandse vertelrepertoires door andere beroemde keizers uitgesproken. Zelfs de anekdoten, die op private kwaaltjes of liefhebberijen van Keizer Karel zinspelen, zijn internationaal gemeengoed. Dit artikel geeft een overzicht.


DE 'VLAAMSE' KEIZER KAREL GERELATIVEERD

De Olenaars gaan er nog altijd prat op dat Keizer Karel ooit een pot met drie oren liet vervaardigen. Daarbij zou men vlugger de archieven gaan uitvlooien op zoek naar historische documenten die de aanwezigheid van de keizer in Olen zouden moeten bewijzen, dan dat men de echtheid van die verhalen en vooral hun exclusief Vlaamse karakter in twijfel zou trekken. Dat hangt samen met het romantische Grimm-gesternte waaronder het Vlaamse volksgoed ooit verzameld werd. Het optekenen en publiceren van de volksverhalen gebeurde in de vorige eeuw immers in het kader van het opbouwen van een echte, eigen 'Vlaamse' identiteit. De teksten die een eenvoudige verhaallijn hadden en bovendien in een eenvoudige volkstaal geschreven waren, vormden dankbare instrumenten bij de volksopvoeding en de taalontvoogding. En Keizer Karel maakt zijn opwachting als populaire kristallisatiegestalte in anekdoten, etiologische of verklarende verhalen, gezegden, raadsels, kinderrijmpjes en schimpdichten, sagen, legenden, diersprookjes, novellesprookjes en grappige vertelsels. Veel van die teksten werden juist tijdens de grote verzamelgolf in Vlaanderen tussen 1880 en 1930 opgetekend of opnieuw in een volkskundig en een literair circuit in omloop gebracht. De belangrijkste verzamelbundel van allerlei ware en verzonnen verhalen over Keizer Karel, De heerelycke ende vrolyke daeden van Keyser Carel den V, was reeds in 1674 te Antwerpen verschenen en wordt aan Joan de Grieck, een Brussels boekverkoper en toneelschrijver, toegeschreven. Het werkje kende direct na zijn verschijnen een aantal herdrukken en werd vrij snel in het Frans vertaald. Niet toevallig werd het eind van de eeuw juist tijdens de culturele bezinningstocht van enkele strijdvaardige flaminganten opnieuw uitgegeven in een reeks volksboeken onder de redactie van J.F. Willems en F.A. Snellaert. Nog in 1923 gaf Michel de Ghelderode een (verkorte) herwerking uit onder de titel L'histoire comique de Keizer Karel telle que la perpétuèrent jusqu'à nos jours les gens de Brabant et de Flandre. Met het merkwaardige 'Keizer Karel' in de Franse titel onderstreepte de auteur nog eens het door en door Vlaamse karakter van deze histoire comique.
Deze visie kon alleen nog voor het grote publiek volgehouden worden, want op dat moment had al iemand in Vlaanderen, met name Maurits de Meyer, het in talloze kleine bundels en regionale tijdschriften verspreide Vlaamse sprookjesmateriaal volgens het internationale classificatiesysteem Aarne Thompson geordend en ontsloten. De bundel van Joan de Grieck had hij echter voor deze eerste cataloog nog niet uitgevlooid, zodat de mythe rond de 'Vlaamse' Keizer Karel-verhalen misschien ongewild intact bleef, tot de herwerking van de cataloog in 1968. Veel Keizer Karel-verhalen laten zich in dit classificatiesysteem inpassen, dat in vijf hoofdcategorieën zowat 2500 verschillende verteltypen documenteert. Daarnaast zijn er andere verhalen die niet zozeer als een volledig uitgewerkt verteltype maar als een internationaal vertelmotief of als een contaminatie van meerdere vertelmotieven bekend zijn.
Juist door de vergelijkende studie van de varianten van een zelfde verhaal kunnen de processen van narratieve acculturatie zichtbaar worden gemaakt. De volkskundige auteur sensibliseert zijn lezer voor bijzondere motief-complexen of verschuivingen van motieven en voor eigenzinnige variantencontaminaties. De lezer verwerft vooral inzicht in cultuurgeografische eigenheden, etnische stereotypes, regionale en lokale inkleuring van internationale vertelpatronen. Eenvoudiger gezegd: de lezer krijgt een antwoord op de vraag wat er nu typisch Vlaams is aan de Keizer Karel-teksten. Naast de specifieke topografie - de verhalen spelen zich bijna altijd in een duidelijk herkenbare 'Vlaamse' omgeving af (in Olen, Sint-Niklaas, Mechelen, op de Brusselse markt, in het Zoniënwoud enz.) - zijn er herkenbare rituelen, gebruiken en attributen. De lezer krijgt ook voeling met de vertelmechanismen, waardoor anonieme protagonisten zoals een edelman, een rechter, een paus, een koning of keizer, en zelfs een schelm, nar of bedelaar tot een gepersonaliseerd heerser uit Vlaanderen worden gemaakt.

DE RECHTVAARDIGE KEIZER

Zowat alle West-Europese heersers die in de populaire vertelcultuur een rol spelen (en dat is niet alleen Keizer Karel) trekken er in boerenkleren op uit. Volgens een beroemde uitspraak van de Franse koning Lodewijk XI zou een vorst alles eerder te horen krijgen dan de waarheid. Maar de West-Europese heersers volgen vooral het voorbeeld van de beroemde kalief Haroen ar-Rasjied, die in De vertellingen van duizend en één nacht incognito door zijn land reisde om uit de mond van zijn onderdanen te horen wat er in Bagdad gaande was. Deze bundel Oosterse sprookjes werd door een vertaling van de Franse oriëntalist Antoine de Galland in het begin van de 18de eeuw in Europa verspreid, wat niet alleen een ware rage in het literaire Europa veroorzaakte maar ook duidelijke sporen in de verschillende regionale vertelculturen achterliet. Elk volk kon zo wel zijn eigen geliefde heerser naar voren schuiven, die zich net als de Oosterse kalief een zorgzame en rechtvaardige pater patriae zou tonen en zich in eigen persoon ervan zou gaan vergewissen hoe het met de rechtvaardigheid in zijn land gesteld was. Tot de vertelcyclus rond Karel de Grote behoorde een ander didactisch verhaal dat dezelfde deugd van de volkse heerser moest illustreren. Er werd verteld dat hij een zogenaamde rechtvaardigheidsklok liet ophangen. Iedereen die dacht onrechtvaardig behandeld te zijn, kon die klok luiden en zijn zaak zou dan onderzocht worden. Eens werd de klok niet door een mens geluid maar door een slang die om de klepel gekronkeld hing. Karel de Grote begreep dat ook als een noodkreet en liet zijn vier rechtsheren de slang naar haar nest volgen. Ze vonden er een pad die op de eieren van het reptiel lag, en verbrandden de indringster.
Eén Keizer Karel-sprookje, over zijn oude verwaarloosde paard, kan als een afgezwakte variant van dit grondgegeven rond de rechtvaardigheidsklok beschouwd worden, hoewel het paard eerder toevallig een bel aanraakt. Toch maakt het op die manier de heerser op zijn miserabele toestand attent. De knecht gebiedt de eigenaar, de keizer dus, om het dier, dat hem zovele jaren trouwe dienst verricht heeft, nu op zijn beurt tot aan zijn dood te verzorgen.

DE KEIZER INCOGNITO... ZOALS DE DOOD

Het incognito-motief leidt menig Keizer Karel-verhaal in: onherkend heeft deze volkse keizer contact met de laagste laag van de bevolking, met bezembinders, kolenbranders, zandleurders, scheepstrekkers... Dat Keizer Karel met deze onderdanen een gemoedelijk praatje slaat, strookt - mede door zijn gebrekkige talenkennis - wellicht niet met de werkelijkheid, maar het beeld laat zich perfect in zijn volkskundig (narratologisch) profiel inpassen. Het is diezelfde man die een beschonken boer uit Berchem welwillend bijlicht als deze moet urineren... Keizer Karel wordt als een heerser voorgesteld die zelfs bereid is zijn handen uit de mouwen te steken om zijn onderdanen bij hun zware dagtaak te helpen. Zo laat hij zich bv. als scheepstrekker inschakelen. Volgens een andere overlevering zou hij ook geholpen hebben bij het lossen van schepen op de werven. Een beetje ironisch wordt het dan wel, wanneer de keizer in zijn eigen paleis een dief een handje toesteekt bij het stelen van dure tapijten of waardevolle horloges... Maar ook van keizer Maximiliaan I wordt verteld dat hij een boer bij het stapelen van hout geholpen zou hebben. Keizer Jozef II zou zelf eens de ploeg in de hand genomen hebben en Frederik II de Grote zou 's nachts met een bezembinder naar de bossen getrokken zijn om zelf bezemrijs te snijden. Bovendien zou Frederik in diezelfde nacht nog - toen hij zich met de hoogzwangere vrouw van de bezemboer alleen in de hut bevond - de taak van vroedvrouw op zich hebben genomen. Keizer Karel neemt het peterschap van de zoon van Boerke Naas op zich. Zo gaat hij zelfs een klein beetje deel uitmaken van het (familie)leven van zijn onderdanen.
Het peterschap van een gewoon mensenkind deelt Keizer Karel echter niet alleen met Frederik de Grote, maar ook met de gepersonifieerde Dood. In het grimmse sprookje nr. 44 De dood als peet kiest een arme boer de Dood als peetoom voor zijn dertiende kind. Ondanks het feit dat dit sprookje enkele grappige momenten bevat, blijft de ultieme boodschap toch dat de Dood steeds het laatste woord behoudt en dat er tegen hem geen kruid is gewassen. Uit de wonderbaarlijke affiniteit tussen de populaire keizers en een zo machtig figuur als de Dood mogen we besluiten dat de onderliggende toon in zulke verhalen er, ondanks de ogenschijnlijke vertrouwdheid, toch een van angst en ontzag is. Hoe krijgt een verteller vat op een dergelijk machtig wezen? Door hem met menselijke, al te menselijke trekjes voor te stellen. Zo zijn er de vertrouwelijke, bijna vriendschappelijke maar o zo verraderlijke aanspreekvormen voor de Dood als Pietje, Pieter, Hein: eufemismen die steeds de ontzaglijke monsterachtigheid van het naamloze onbekende wezen Dood ontkrachten.
Lijkt ons de verschijning van Keizer Karel niet net iets vertrouwder te zijn als er in de verhalen alleen over 'Karel' wordt gesproken? Krijgt hij daardoor niet een beetje de status van Jan, Piet en Klaas, de typische benamingen voor de helden uit de Vlaamse sprookjes, de zogeheten Allerweltsnamen die voor iedereen staan? De verhalen tonen ons doorgaans een wereldlijk heerser ontdaan van al de attributen die naar zijn status, zijn macht en zijn rijkdom verwijzen, een kwetsbare gestalte met menselijke, al te menselijke trekjes. 'Karel' moet zijn avondmaal zelf klaarmaken, en hij eet geen exotische of kostbare spijzen, maar hesp met boterhammen. Voor een schepje mosterd trekt deze man, die over een rijk heerst waar de zon niet ondergaat, door de straten van Gent. Hij is zo verlekkerd op de malse gans die een schoenlappersvrouw op de Brusselse markt koopt, dat hij zichzelf aan de tafel van een arm schoenlappersgezin uitnodigt. Het is diezelfde keizer die door het overmatige nuttigen van jonge bieren of wijnen zulke verschrikkelijke buikkrampen heeft, dat hij 's nachts het bed niet tijdig verlaten kan en zich zo de woede van de herbergierster, die haar keizerlijke gast niet herkent, op de hals haalt.

DE KEIZER IN DE KNOEI

Dikwijls gaat het bij het incognito-motief echter niet om een bewuste strategie van de keizer om de noden van zijn onderdanen te leren kennen, wat zijn zin voor rechtvaardigheid en zijn zorg om het wel en wee van zijn onderdanen zou onderstrepen, maar om een situatie die hij als een ietwat hulpeloze figuur zelf gecreëerd heeft: hij verdwaalt namelijk tijdens de jacht. Honger of soms ook zijn onkunde om zichzelf te behelpen drijven hem dan naar een schamele boshut. Als nederige zwerver op zoek naar onderdak vertoont Keizer Karel hier een wonderbaarlijke affiniteit met de vele zwervende heiligen. In de Vlaamse overlevering zijn dit doorgaans Onze-Lieve-Heer en Sint-Pieter of Woen (Wodan) en Laai (Thor), die als arme drommels vermomd bij de stervelingen aankloppen en om een bed voor de nacht vragen. Maar hij blijft steeds ook een machtige figuur, die uit een penibele situatie munt zal slaan of het laatste woord behouden. Hij wil zijn onderdanen bij deze gelegenheid wel eens aan de tand voelen. In de Vlaamse varianten biecht de gastheer, bv. een arme bezembinder, zijn gast nog een pekelzonde op: hij jaagt af en toe op wild en neemt het dus niet zo nauw neemt met het recht op jacht, dat een keizerlijk (koninklijk) voorrecht was. De verhalen eindigen echter niet met de gevreesde represailles voor de overtreding, maar met een beloning voor de verleende gastvrijheid, die ten slotte toch als de hogere deugd wordt gehonoreerd.
In een ander verhaaltype belanden Keizer Karel en een gedeserteerde soldaat in een rovershol. Hoewel ze samen afspreken de rovers uit de weg te ruimen, laat Keizer Karel zich kennen zich als een bange, zelfs ietwat laffe kompaan, die in een klein hoekje van het hol wegkruipt. De soldaat daarentegen handelt zeer koelbloedig en schakelt alle rovers uit. Als laatste wil hij nog zijn laffe 'maat' hard aanpakken. Keizer Karel kan ternauwernood aan de dood ontsnappen doordat hij zijn keizerlijke insignes toont. Hetzelfde wordt van Frederik de Grote verteld: ook hij greep naar dat redmiddel om zich tegen dreigende mishandeling te beschermen. Het novellesprookje kent tenslotte een klassiek happy end, met menselijke (bruid), geestelijke (rehabilitatie) en materiële rijkdom voor de gedeserteerde soldaat.

DE KEIZER BEDUVELD

Op zijn tocht door Vlaanderen heeft Keizer Karel niet zelden ontmoetingen met figuren die hem door hun vrijpostigheid of door hun raadselachtige antwoorden irriteren. Een misnoegd kapitein vertrouwt niets vermoedend aan de keizer zelf toe dat hij op weg is naar het keizerlijke paleis om een behoorlijke honorering van zijn bewezen diensten af te dwingen. En mocht de keizer hem het pensioen weigeren, dan zou hij hem antwoorden: "Vol a dios que rese mi mula in culo". Dit betekent zoveel als "Dan wil ik, sakkerloot, dat hij het achterste van mijn muilezel kust." Keizer Karel ontbiedt de kapitein de dag nadien op het paleis. Die schrikt wel even als hij in zijn reisgezel de keizer herkent, maar laat zich niet kisten en nodigt de keizer stoutmoedig uit zich naar zijn muilezel te begeven die aan de poort van het paleis staat. Hier bindt het sociaal superieure personage vlug in en laat hij het niet tot die vernederende daad komen. In een ander zeer populair sprookje leest Keizer Karel bij een klooster een opschrift dat men er zonder zorgen leven zou. De abt in persoon moet voor deze arrogantie drie moeilijke vragen binnen een aantal dagen oplossen, zo niet vallen er zware straffen. (Naast Keizer Karel als vragende instantie in de Vlaamse vertelcultuur, treden zowat 60 persoonlijkheden over de gehele wereld in die rol op.) De abt zelf slaagt er niet in een passend antwoord op de raadselachtige vragen te vinden en wordt op de bewuste dag vervangen door een naamloze herder, molenaar, hovenier die de keizer met zijn gevatte antwoorden voor schut zet. In die rol treedt niet zelden ook een internationaal bekende schelmen- of narrenfiguur aan, zoals Tijl Uilenspiegel. De aantrekkingskracht van dit novellesprookje schuilt gedeeltelijk in de raadselelementen en in de humor, maar ook in de wetenschap dat een onaanzienlijk persoon zich dankzij enige vindingrijkheid kan meten met de groten der aarde. De underdog krijgt om zijn boerenslimheid uiteindelijk waardering, want hij wordt niet zelden door Keizer Karel tot abt benoemd. Toch eindigt het verhaal niet met die sociale rehabilitatie, maar - volledig in de lijn van wat eraan voorafging - met een handige zet, die toont hoe de nieuwbakken geestelijke, die doorgaans niet lezen noch schrijven kan en zeker geen Latijn verstaat, zich uit de slag trekt.
In een ander novellesprookje treft Keizer Karel een knaap aan die alleen thuis is. Hij vraagt de jongen naar het doen en laten van de familieleden, maar krijgt op deze toch vrij eenvoudige vragen slechts raadselachtige antwoorden. Op de eerste vraag, "Waar is uw vader?", is het antwoord: "Hij is aan het jagen en hoe meer hij velt, hoe minder hij heeft." Ook op de vraag "Waar is uw moeder?" krijgt Keizer Karel een antwoord waar hij niet echt veel mee kan aanvangen: "Ze is om schade of schande." De sociaal hogere moet zich in zekere zin vernederen om uitleg te vragen. De mindere blijkt dus in het verbale machtsspel de meerdere te zijn.
Dit sprookje wordt in de West- en Oost-Europese overlevering bijna altijd met een tweede verhaal verbonden: vóór Keizer Karel naar zijn paleis terugkeert doet hij de jongen beloven dat hij aan niemand de antwoorden zal verraden tenzij hij 20 maal (100 maal) het hoofd van de keizer gezien heeft. In zijn paleis aangekomen, legt de keizer de raadselachtige antwoorden van de jongen aan zijn ministers voor met de opdracht ze te ontcijferen. Een hoveling zoekt de knaap in het bos op en krijgt de antwoorden, nadat hij de jongen 20 (100) goudstukken heeft betaald, met het hoofd van Keizer Karel erop afgebeeld. Zo kan de jongen een woedende keizer, die hem ervan beschuldigt zijn belofte gebroken te hebben, nog eens voor schut zetten. Ook dit verhaal heeft, vanuit de middeleeuwse vertelcultuur een lange weg afgelegd.
Als Keizer Karel bij een bezoek aan Ieper aan de burgemeester meedeelt dat hij het stadhuis ten geschenke wil krijgen, staat deze hoogwaardigheidsbekleder echt perplex en hij vraagt 24 uren bedenktijd voor een oplossing. Het is tenslotte de vrouw van de burgemeester die hem een antwoord influistert, waarmee hij de keizer moet afschepen. Hier vertoont Keizer Karel een wonderbaarlijke affiniteit met de domme duivel, die in meerdere verhaaltypes door een listige vrouw schaakmat wordt gezet. Maar in tegenstelling tot de duivel, die meestal vloekend en tierend en met lege handen afdruipt, behoudt de keizer (net als de gepersonifieerde Dood, die weliswaar door de mens wordt bedot maar niet overwonnen kan worden) een laatste troef in handen. Hij beveelt dat de Ieperse magistraten in hun kostuum "een leiband zouden dragen, zoals de kinderen", of dat ze voortaan nog alleen in vrouwenkleren of met een vrouwenmuts op in de gemeenteraad mochten vergaderen. In zijn paleis zelf krijgt Keizer Karel bezoek van notoire bedriegerstypen uit de volksliteratuur zoals astrologen, bedelaars, alchemisten en eenogigen. Uit de pointe blijkt niet zelden dat hij zich dan als de grotere schelm profileert.
Een alchemist die aan de keizer een beloning vraagt omdat hij - zoals hij beweert - de formule om goud te maken gevonden heeft, krijgt van hem een lege beurs, met het antwoord zelf voor het goud te zorgen. Een vrijpostige bedelaar vraagt de keizer wegens de gemeenschappelijke voorouders Adam en Eva om een broederlijke aalmoes. De keizer laat deze stoute vraag niet onbeloond en geeft hem een negenmanneke (een zilveren muntstukje). Die kleine gift van een groot heer en broeder stemt de bedelaar mismoedig. Daarop laat de keizer hem een tweede maal voor hem verschijnen. De bedelaar is ervan overtuigd dat hij nu milder zal behandeld worden, maar Keizer Karel antwoordt hem glimlachend: "Ga de wereld rond, en als al de broers en al de zusters je een dergelijke gunst betonen als ik heb gedaan, zul je mij in rijkdom te boven gaan." De oudste variant van deze vorstenanekdote vinden we in de exempelverzameling van een Franse dominicaan uit de 13de eeuw, die het verhaal toeschreef aan (een) koning Filips, waarschijnlijk zijn tijdgenoot Filips II Augustus (†1223).

DE KEIZER ONSTERFELIJK

Geliefde en machtige heersers sterven niet. Nauw verbonden met dit geloof in de onsterfelijkheid van de keizer (koning) is de populaire voorstelling dat hij met zijn gevolg in een berg zou verblijven. De beroemdste berg is de Kyffhäuser. Hij werd door de geestelijke Johannes Rothe als verblijfplaats van een keizer genoemd, waarbij Frederik I Barbarossa en Frederik II vaak worden verwisseld. Maar er doken weldra andere bergen op. Sinds 1529 wordt de Untersberg in de buurt van Salzburg als verblijfplaats aangeduid waar de keizers Frederik Barbarossa en Keizer Karel geduldig op het moment wachten om naar de aarde terug te keren. De keizersage werd steeds weer aan plaatselijke omstandigheden aangepast. In Denemarken wordt van Holger Danske verteld dat hij in een heuvel bij Mögeltönder zijn toverslaap houdt en zal terugkeren wanneer er in Denemarken niet méér mannen zullen zijn overgebleven dan er op een ton plaats kunnen vinden. Echt verouderen doen deze keizers in hun onderaardse woonplaatsen niet. De baardgroei (reeds tweemaal rond de tafel!) bij Frederik Barbarossa en Keizer Karel fungeert als een barometer die het verloop van de tijd aangeeft. Ook bij de volkssagenheld Tannhäuser die door Vrouwe Venus in een berg gelokt werd, is de baard reeds tweemaal rond de tafel gegroeid.
De grenzen tussen leven en dood zijn bij dergelijke voorstellingen altijd zeer vaag. Want bij het sagentopos van de levende lijken wijst o.m. het groeien van de baard erop dat de doden nog voortleven. De bewegingsvrijheid van de keizers lijkt hier met de vastgegroeide baard nihil te zijn. Nochtans wordt er van Keizer Karel verteld dat hij tussendoor, op heilige dagen, de Untersberg om middernacht verlaat om dan in de domkerk van Salzburg zingend de spookmetten bij te wonen. Het is een bekend fenomeen dat de helden uit de sagen het tijdsverschil tussen deze en gene wereld niet zo probleemloos overbruggen als de sprookjeshelden; bij hun terugkeer voltrekt het verouderingsproces zich in een versneld tempo en in een mum van tijd worden ze tot as. De keizersagen eindigen echter doorgaans met de bespiegeling van een gelukzalige terugkeer van de keizers, weliswaar op de dag waarop de wereld ten onder gaat...

naar inhoud