In het land dat durfde
Terugblik op de Expo 58
Marcel Van Nieuwenborgh
In de jaren vijftig stond er nog geen hoogbouw in de rand van Brussel die het zicht op de horizon belemmerde. Er waren nog geen files in Affligem want er waren niet eens zoveel auto's. Die zagen er meestal een beetje uit zoals in Kuifje en enkele lange Amerikaanse sleeën leken op die waarin de besnorde booswicht Ricardo zich in Nero-albums placht voort te bewegen. Wie vanuit het dorp op twintig kilometer naar Brussel wou moest een vrij omstandige treinreis maken. Eind de jaren vijftig rukte de industrialisatie op en meer en meer boeren van ons dorp Teralfene gingen in de sigarettenfabriek Saint-Michel of in de chocoladefabriek Côte dOr werken in Brussel. Er is toen veel veranderd. In 1954 was al op de Heizel de eerste steen voor Expo 58 gelegd.
Op Expo 58, ik was toen
twaalf jaar, heb ik de eerste zwarte in levende lijve gezien. Hij
zag er anders uit dan het nikkertje op de toonbank bij Fons, de
slager van mijn dorp, en nog anders dan op de krakende
Congoprenten vol tamtamgeroffel die een pijprokende pater ieder
jaar in het patronaat kwam vertonen ten voordele van de Missiën
van Scheut. De neger die ik op de Heizel zag, droeg een wit
gesteven hemd en had een puntbaardje. Misschien was het wel
Patrice Lumumba die ik toen heb gezien in het uniform van de
blanke beschaver.
Terwijl op de Heizel het carillon op het Franse paviljoen om het
uur Auprès de ma blonde, il fait bon, fait bon...
tingelde, werden even verder negerdansen uit de Belgische kolonie
op een scherm geprojecteerd. Er werd door de inboorlingen niet
meer dagelijks live gedanst zoals op de eerste universele
expositie van Tervuren. De zwarten waren nu evolués
geworden, een term die in de jaren vijftig opgang maakte. Het
kruitvat in Afrika zou pas twee jaar later exploderen.
België kwam op de Expo 58
naar voren als het land dat durft. Het departement
Buitenlandse Handel probeerde de Belgen voorheen in de wereld een
wit pootje te bezorgen met brave brochures, getiteld Land
van vrede en arbeid. Maar nu werd hun risicovol ondernemen
geëtaleerd en hun innovatiekracht onderstreept. Het was
afgelopen met de eikenhouten degelijkheid en de mierachtige
spaarzaamheid van na de oorlog. Eind de jaren vijftig ontstond
een levensgevoel dat als een gezonde nieuwsgezindheid
werd betiteld. Duurzame materialen werden vervangen door
polyester, karton, plexi en aluminium. Nadat voor de
Algemene en Universele Wereldtentoonstelling de
eerste steen was gelegd, werden de meest ingrijpende
urbanistische en wegenwerken uitgevoerd die België ooit had
gekend. Ze zouden van het land het dichtst gebetonneerde land van
Europa maken.
Koning Boudewijn knipte de snelweg
Brussel-Oostende open in de paasweek van 1956. België werd een Big
Spender. De openbare uitgaven overschreden in 1957, voor de
eerste maal in onze geschiedenis, de 100 miljard frank. Paars was
aan de macht. Die socialistisch-liberale regering besloot een
conjunctuurheffing van 5,5 procent op de winsten door te voeren,
wat bij de ondernemers heftige weerstand uitlokte.
De commissaris van Expo 58, baron Moens de Fernig, mocht
voor de gelegenheid van de tentoonstelling het koninklijk kasteel
Belvedere betrekken. "De wereld ligt daar als het ware aan
de voeten van de slotheer", schreef in Het Nieuwsblad een
lichtelijk euforische reporter ter plaatse, die op 17 april 1958
de openingsreceptie bijwoonde en van op het terras in de
schemeravond de lichtjes van de Heizel mocht aanschouwen.
In de fifties had men het gevoel dat de geschiedenis al
een eind was opgeschoten. De pijl was het meest voorkomende
symbool op Expo 58. Pijlen dienden het dynamisme van zowel
gastland België als van de 51 bezoekende naties te illustreren.
In ijzer of gewapend beton verwezen ze naar de toekomst. Aan de
horizon stond geen vraagteken meer maar een uitroepteken. Met
zijn gewaagde architectuur bleef het, dankzij ingenieursvernuft,
overeind.
De Pijl van de Burgerlijke bouwkunde van architect Van
Doosselaere was een staaltje van ingenieurswerk in beton. Het
leek ook een beetje op het steen geworden logo van de expo: de Ster.
Die uitgerokken ster was al vier jaar vóór de opening klaar. Ze
was het werk van Lucien De Roeck, een Franstalige leraar
typografie aan de Brusselse Rijkskunstschool La Cambre. De Roeck
kreeg de overheidsopdracht en naar verluidt 25.000 frank,
reprorechten inbegrepen. Later heeft hij nog een proces tegen de
RTBf aangespannen voor oneigenlijk gebruik van het symbool; een
proces dat hij heeft verloren. Officieel verbeeldden de vijf
stralen de vijf continenten. Maar dat klonk wat gezocht, vooral
omdat er een extra wereldbol in de hoek was aan toegevoegd. Je
zag een vlammetje stervormig uitgerekt vonken boven knisperend
kaarsroet. Het expo-logo vond je in alle formaten, op postzegels
maar vooral is het ons bijgebleven op de lucifersdoosjes.
Waarschijnlijk omdat we er onze eerste sigaretten mee hebben
aangestoken.
In Vrolijk België/La Belgique Joyeuse was een soort nostalgische reconstructie opgezet van het land aan het begin van de eeuw. Het kwam in de praktijk hierop neer dat je er bier (25 soorten) in (veel gestolen) grote, Duits aandoende aarden potten kon drinken. Terwijl in het café op de hoek, dat onveranderlijk naar zeepsop geurde, het bier in een pint met wespentaille van Forst werd uitgeschonken. De bedoeling was de Bruegheliaanse facetten van onze cultuur in de verf te zetten. Een van de estaminets in Vrolijk België heette La Saucisse Joyeuse. Het idee was niet nieuw. Het was overgenomen van de wereldtentoonstelling 1913 in Gent, waar een paviljoen Vieille Flandre/Oud Vlaenderen grote successen had geboekt. Cyriel Buysse publiceerde er ooit een ironisch stuk over. En Karel Van de Woestijne was er ronduit tegen. Hij noemde Wereldtentoonstellingen werelduitkramingen. Niet alleen dienden ze in zijn ogen tot niets, al in 1913 was hij de mening toegedaan dat "de vermenging van al die rassen en al die moraliteiten, in een opgejaagde feest-atmosfeer, geen veredelende uitslag hebben kan". De Belgische Bs - Brugge, Brueghel - vormen ook het imago van het land in tal van volgende wereldtentoonstellingen. Het werd het patroon op het inpakpapier, waarin België aan de wereld zou worden verkocht. Een aanhoudende poging om ons land te madurodammen.
De Russen pakten op de Heizel uit met een spoetnik in chocolade, die meer dan vijftig kilo woog. Het kon best dat daarbij de Russische kinderen die al jaren geen reep onder de tand hadden gekregen het water in de mond zou komen. Maar op het Belgische publiek had zulks niet die uitwerking. Bovendien wisten we zeker dat die Russische chocolade niet te vreten was. Het was het soort dat wij niet lustten. Er zat een ideologisch bijsmaakje aan. In het kader van de schoolstrijd was het ons aanbevolen om uitsluitend Côte dOr te smikkelen en niet Victoria, omdat dit een socialistische instelling heette te zijn. Hiermee steunden we een gegarandeerd katholiek bedrijf. Expo 58 was maandenlang dagelijkse kost in de kranten. Ons Brot der frühen Jahre was speciaal Expobrood en Côte dOr pakte uit met de mignonette, het expo-chocolaatje bij de koffie. Leven in dit land was een lekkernij.
Bij de eerste besprekingen over wat het pronkstuk van de Expo moest worden, werd het stoutmoedige idee geopperd: we gaan de Parijse Eiffeltoren op zijn kop te zetten. Het is tenslotte het Atomium geworden. Een uitvergroot ijzerkristal moest de indruk wekken dat wij hier in een ver gevorderd stadium van wetenschappelijke kennis verkeerden. Zoiets als de alchemiekolven met gekleurde vloeistoffen die je in vroege SF-films zag staan overkoken. Normaal moest het tuig, als bijdrage van Fabrimetal, slechts de zes maanden van de tentoonstelling overeind blijven. Daarna zou het onverbiddelijk worden afgebroken. Het Atomium was honderd en twee meter hoog. In een van de bollen kon je ook dineren. Je kwam er via een roltrap. Maar voor de meeste bezoekers was het restaurant daar veel te duur. De uitzonderlijk hoge prijzen binnen de omheining van de Expo deden de pers in binnen- en buitenland schande spreken. De meeste bezoekers namen hun boterhammen mee en aten die op aan de rand van een feestelijk spuitende fontein.
Op Expo 58 kon je als
bezoeker met een kabelbaan boven de Heizel reizen. Je zag van
daarboven bijna de hele wereld liggen. Nepal, San Marino en
Liechtenstein. Een mevrouw in een mantel met astrakankraag en
haar echtgenoot, met hoed en das, kwamen boven je hoofd
voorbijglijden. Ze hielden de stang van de zetellift met beide
handen omklemd. Een vertraagde versie van baron Münchhausen die
op zijn kanonbal door de lucht klieft, tussen het paviljoen van
gloeilampen Philips en dat van tomaten Marie Thumas.
Het meest ambitieuze paviljoen van de Expo was ongetwijfeld dat
van de gloeilampenfabriek Philips die, los van de nationale
Nederlandse vertegenwoordiging, voor het eerst als multinational
naar buiten trad. Ingenieur C. Kalff, de toenmalige art-director
van het bedrijf, wou zijn allernieuwste snufjes aanwenden in
symbiose met het allernieuwste in de kunst. De architect Le
Corbusier werd aangesproken voor het paviljoen, voor een beeld
dacht men aan Ossip Zadkine en voor muziek aan Benjamin Britten.
Zadkine en Britten vonden echter in Le Corbusiers ogen geen
genade. Hij stelde Edgar Varese voor als componist, terwijl de
meester zelve, dixit Kalff, "zijn eigen merites als
ruimtelijk scheppend plasticus niet onder stoelen of banken
stak".
Vanaf 1956 werkten Le Corbusier en Varese aan wat een
Elektronisch Gedicht voor de 20ste eeuw moest worden. Bij de
opname van het acht minuten durende stuk elektronische
muziek dat Le Corbusiers futuristisch klank- en lichtspel
moest ondersteunen, kreeg Varese het aan de stok met de
klankingenieurs van Philips. Le Corbusier van zijn kant kreeg
ruzie met iedereen. Het gevolg was o.m. dat Vareses eigengereide
muziek nauwelijks accordeerde met wat er te zien was. Het geheel
liet de bezoekers in de grootste verwarring achter. Het
Philips-paviljoen werd dan ook in de herfst van 1958 opgeblazen.
Officieel omdat het niet op een lang leven was berekend.
Expo 58 telde ruim 41 miljoen bezoekers. Houdt men
bovendien rekening met diegenen die uitsluitend Vrolijk
België aandeden - dus alleen een pot bier waren komen
drinken - dan waren het er volgens de statistici 45
miljoen.Volgens de officiële statistieken kregen het Amerikaanse
en het Russische paviljoen net evenveel bezoekers over de vloer:
alle twee op de kop dertig miljoen. Hiermee stonden ze ex aequo
aan de leiding. Het vermoeden rijst evenwel dat - voor de lieve
vrede - de eindstand door de organisatoren lichtjes was
bijgewerkt. Het paviljoen van de Heilige Stoel kreeg maar half
zoveel volk over de gewijde vloer: 15 miljoen. Maar dat was nog
verbluffend veel vergeleken met de grote attractie van de Expo,
het Atomium. Slechts 1,8 miljoen mensen hadden zich in de buis
naar boven gewaagd. Die roltrap zou, wonderlijk genoeg, school
maken. Het Brusselse Atomium heeft de architecten van Beaubourg
in Parijs - het Centre Pompidou dat de sloop van de Hallen
en het openrijten van le ventre de Paris moest doen
vergeten - duidelijk voor ogen gestaan. Maar vijftig jaar moderne
kunst op de Heizel trok slechts 300.000 bezoekers en behoorde tot
de minst gefrequenteerde evenementen van de Expo. Het indijken
van de Zuiderzee in het Nederlandse paviljoen, gecombineerd met
een degustatie van Hollandse kaas, trok tien miljoen bezoekers.
De speciaal voor Expo-bezoekers opgetrokken motels langs de
snelwegen bleven nagenoeg leeg. Het Amerikaanse model was
blindelings gekopieerd, alleen had men in de jaren vijftig uit
het oog verloren wat vandaag op CNN dé slagzin is om het land
aan te prijzen: "Je kunt heel België bezoeken zonder één
keer van hotel te moeten wisselen." Er was in 1958 voldoende
logies in de hoofdstad en omgeving. Bovendien bleven Russische en
Portugese bezoekers vaak in Antwerpen op hun boot overnachten.
(...)
Wij keerden in september van het Expo-jaar terug naar de schoolbanken. Naar 58 vóór Christus, toen volgens Julius Caesar de Belgen de dappersten aller Galliërs waren. Ze waren zo ruig omdat ze minder dan andere stammen in aanraking waren gekomen met de verfijnde beschaving. Het luidt in De bello Gallico "dat de handelaren met hun week makende producten zich niet zover waagden". Maar meer dan tweeduizend jaar later hadden we het gevoel dat de geest voorgoed uit de fles was. Vóór de wereldtentoonstelling had men hier onder parfum ten hoogste het Keuls Water van 4711 verstaan. Maar erna sloeg de verweking toe en verbreidde zich de geur van Jean Patou, L Air de Paris, in kleurrijke flesjes, soms in de vorm van de Eiffeltoren. Het Atomium zagen we terug op de wereldtentoonstelling van 1985, in het Japanse Tsukuba. Het stond in de tuin van het Belgisch paviljoen, was uitgeknipt in een groene haag en had de hoogte van een opgeschoten bonsai.