Reisverslag uit Andalusië (en Gibraltar)

6 maart 2004 (Herman)

Vroem !

Met ware doodsverachting raast de oldtimer over het stationsplein van El Chorro, tussen de wandelaars en spelende kinderen door. Nummer zes.

- Die is gehaast zeg. Die denkt zeker dat hij in een snelheidsrace zit.

Mireille bijt nog eens in haar bocadillo met queso en jamon serrano, en ziet hoe nummer zeven de bergwegjes komt opgevlogen en ook tussen de toeristen slalomt.

Het IS een wedstrijd.

Mireille sluit vermoeid de ogen en denkt aan haar (te) korte nachtrust. Half twaalf in bed, en voor de klok van drie er terug uit. Een piepklein ontbijt van Thomas Cook, en het massaal applaus van de chartertoeristen als de piloot een doodnormale landing maakt. En in de luchthaven van Malaga worden we verwelkomd met de woorden :

- Hi, I'm Thomas, and her name is Cook ...

Met onze gehuurde blauwe Renault Clio langs de afschuwelijk volgebouwde zeelijn, en dan de kronkelende straatjes van het binnenland in. Om dan moe en hongerig in El Chorro te arriveren, waar volgens ons boekje een wandeling naar de Garganta del Chorro moet zijn. Een mooi restaurant boven op de heuvel, maar hoe je aan die kloof moet geraken ? We hebben te veel honger om lang te zoeken, maar het restaurant gaat naar Spaanse gewoonte ... pas om 14 uur open. Gelukkig kunnen we onder een schuchter zonnetje op een terras aan het station bocadillo's veroveren. En dan tegen de stroom racewagens in terug naar beneden. Het is opletten aan elke bocht op de smalle bergwegen. Achteraan de race zien we bompa's en bomma's die om de zoveel bochten stoppen om te kijken of ze nog op de juiste route zitten.

Via de verbluffende Sierra de la Nieves – hier moeten we morgen absoluut komen wandelen – en negen kilometer 4x4-track komen we aan in Ronda. De parador staat bij het binnenrijden 1 keer aangeduid – verder is het trek je plan. We komen er haast toevallig op uit, en hebben dan de hulp van een parkeerwachter nodig om op een illegaal plaatsje vierkant in de weg van iedereen te gaan staan in de ondergrondse parkeergarage. Hij zal hem straks wel verplaatsen, zegt hij (de volgende morgen staat de auto er nog steeds onaangeroerd).

Een prachtige ruime kamer met terras met zicht op de befaamde brug van Ronda. We rapen onze moed en laatste energie bijeen en beginnen aan een verkenning van Ronda. En eindigen bij twee pintjes en tapas mixtas op een terrasje op de Plaza del Socorro. Het is zeven, we gaan slapen. En de wekker blijft in de reiskoffer.

7 maart 2004 (Herman)

Half tien, de zon schijnt en het is vakantie.

Ik rol mijn bed uit en zie Mireille iets later al aan haar eerste zonnekuur van het jaar bezig. Sierra de las Nieves, daar moeten we naartoe. We vinden een wandeling in El Burgo, 24 kilometer van Ronda. Langs dezelfde kronkelweg van gisteren passeren we terug aan de Parque Naturale. Op vier kilometer van El Burgo zien we een parkeerplaats. Misschien kunnen we beter hier gaan wandelen ? Drie kilometer verder draaien we de wagen en gaan er op verkenning. Een uitzichtspunt, met een witgekalkt beeld van een militair met kind. En een mooi zicht op wandelpaden.

In El Burgo (aan het einde van de wegenwerken van gisteren) is het even wat zoeken naar parkeergelegenheid. Enkele honden blaffen wild als we de brug oversteken. Gelukkig slaan we onmiddellijk rechts een pad in langs de oever van de Burgorivier. Een keiig pad kronkelt langs enkele finca's naar rotspartijen. Heerlijk, in bermuda en T-shirt wandelen, wie had dat gedacht. De omgeving ziet er verrassend groen uit, met toch al heel wat – vooral paarse – bloemen. Enkele auto's wagen zich ook op het jeeptrack. Waar gaan die naartoe ? Na een uur komen we aan ruďnes met – volgens onze reisgids – piramides. Het blijken schoorsteenpijpen te zijn. De rivier wordt in toom gehouden door enkele dammen. We passeren een kudde geiten. Aan haast elke boom is een hond vastgeketend. Wat verder vinden we een rots in de zon met zicht op de heuvel met het militaire standbeeld van daarstraks, helderblauw water en een aantal geiten (één met de natuur). Tijd om het stokbrood en de vijf (5 !) soorten kaas boven te halen.

In Ronda halen we onze reserveadem boven en dalen af in een kloof. Wat een zicht op de brug die de twee delen (een nieuw en een Moors gedeelte) verbindt. Enkele toeristen genieten hier van de zon en het schouwspel. Zwermen vogels vliegen van de ene spelonk naar de andere. En de parador staat majestueus op de linkerrots hoog boven de kloof naast de brug. Een stevige klim terug, nog enkele kerken en paleizen opsporen die we gisteren nog niet zagen, en dan een krachtige rioja ontkurken. Het is nog druk in de stad – de dagjestoeristen kloppen overuren ...

8 maart 2004 (Mireille)

Als we dit jaar eens naar Groot-Brittannië gingen ...

Ah, Gibraltar, is dat niet van de Britten ?

Een heel ritueel voor we met de auto kunnen vertrekken. Eerst uitgebreid wringen om de reiskoffers er achteraan in te krijgen, dan antenne terug vastvijzen (kan 's nachts gestolen worden), de radio terug programmeren.

De Spaanse bewegwijzering is allesbehalve duidelijk maar na enig zoeken geraken we toch in de juiste richting. Via een heel bochtige weg, een mooi berglandschap met toefjes witte dorpjes, bereiken we de tolweg. In een mum van tijd staan we in La Linea. Niet direct een hotel te vinden, dus even de "I" binnenwippen voor een stadsplannetje (en een parkeerboete riskeren – onze muntstukken zijn weer eens zoek).

In het Rocamar hotel (een afschuwelijke betonnen toren) zit een dame aan de receptie die uitsluitend Spaans spreekt – en dat op 5 kilometer van de Britse grens. Gelukkig herinnert Herman zich nog voldoende van zijn Spaanse cursus. Een kleine enge lift brengt ons naar de vierde verdieping. Een grote, sfeerloze en muffe kamer, gelukkig maar voor 1 nacht.

We gooien de daypacks over onze schouder en wandelen via de zeepromenade naar de grenspost, de beroemde rots links van ons. Aan de grens gunnen ze ons paspoort nauwelijks een blik. Wat verder staan de dubbeldekbussen reeds te wachten. Met een kaartje van 2 euro kunnen we onbeperkt rijden. We passeren afschuwelijke buildings, enkel de hoofdstraat heeft nog een beetje sfeer. Te voet de rots op. Via trapstraatjes winnen we snel hoogte. Aan een slagboom worden we weer 2 euro per persoon ontfutseld. Vanaf hier gaat de geasfalteerde weg steil omhoog. De zichten zijn allesbehalve spectaculair. Hier en daar staat een kanon, en soms passeren we een bunker, waaruit duidelijk blijkt dat dit een verdedigingsbastion is. We puffen verder, met temperaturen een stuk boven de 20°C. Plots zie ik 2 apen, en een stenen trap met blauwe balustrade, die steil naar de top gaat. Hijgend strompel ik trap per trap op, tot het eindstation van de kabelbaan, waar nog meer aapjes de show stelen.

Terug naar beneden met de kabelbaan, door de hoofdbaan sloffen (de winkels zijn allemaal gesloten !), om dan op het meest gezellige plein uit te komen – de Casemates Square. Terrasjes, winkeltjes met arcades, en volledig verkeersvrij.

9 maart 2004 (Mireille)

Minuscuul ontbijt in de ... Ierse pub van het hotel. 1 croissant en 1 geroosterd broodje, voor ons twee. We plunderen de Carrefour, en verorberen ze op het middaguur aan een duinenstrandje voorbij het veel te drukke Tarifa (het meest zuidelijke punt van Spanje). In Vejer de la Frontera is het een immense zoektocht naar een parkeerplaatsje. Een van de mooiste plaatsjes van Andalusië, staat in onze Trotter, maar wij komen er niet echt van in bekoring.

De Spaanse bewegwijzering draait voorbij Cadiz helemaal in de soep. Hoe we het doen is niet duidelijk, maar uiteindelijk komen we via een totaal andere weg toch aan de parador in Carmona (met duidelijke borden ernaartoe). Carmona ziet er prachtig uit. We tellen een zestal kerkjes op onze zwerftocht door de vele steegjes. Het is net of de tijd hier heeft stil gestaan : oude mensen op een bankje, spelende kinderen op de pleintjes.

In de bar van de parador (in Moorse stijl) drinken we enkele sherry's, en bij het avondmaal krijgen we prompt weer een sherry aangeboden ...

10 maart 2004 (Herman)

Juntos vamos a mas.

De besnorde heer in keurig grijs maatpak kijkt ons van op zijn verkiezingsaffiche wat bedrukt aan. Logisch, wij mogen op uitstap naar Sevilla, hij moet hier blijven hangen ...

De bus brengt ons voor een aalmoes (2 euro) van Carmona naar het 30 kilometer verderop gelegen Sevilla. De elektronische thermometer geeft 22 graden aan, T-shirtweer. Daarstraks onttrokken mistflarden nochtans het zicht op het zwembad van de parador.

Vanaf het busstation in Sevilla is het maar een parkje ver tot de Plaza de Espańa. Staat niet in mijn reisgids, geheime tip van Mireille ? Een schitterend overblijfsel van een tentoonstelling uit 1929. Het plein is reuzengroot, met brugjes over een (helaas) leegstaand kanaal, geflankeerd door een imposant, ovale gebouw met uitbundige torens waaronder vijftig paviljoentjes zij aan zij de vijftig Spaanse provincies uitbeelden. Enkele worden gerestaureerd en kunnen enkel door een piepgaatje in een groene zeildoek bewonderd worden. Telkens wordt er een belangrijke historische passage van de provincie in azulejos-steentjes uitgebeeld, terwijl op de vloer een landkaart van die streek getoond wordt. Bovenop staat het wapenschild, en dat wordt nog eens in het plafond van de gaanderij herhaald. Veel afbeeldingen en brugjes zijn aan herstelling toe, en er slingert nogal wat rotzooi rond (terwijl er op straat om de honderd meter een straatveger rondloopt), maar het geheel oogt toch erg fraai.

We lopen nu langs de oever van de Guadalquivir, en passeren de pittoreske Torre del Oro, die vroeger een tweelingbroer had aan de andere oever. Ze waren verbonden met een zware metalen ketting om vijandelijke schepen tegen te houden.

Een afslag op het juiste moment, en we belanden op de Plaza del Triunfo, met de kathedraal en de Giralda-toren. Paard en kar staan uitnodigend te wachten op luie toeristen. Schilders vereeuwigen deze overvloed aan schoonheid, ons fototoestel ook. Daar krijgen we honger van. Een artikel uit een tijdschrift leidt ons naar bar-restaurant Casablanca in de calle Zaragoza. Een onooglijk deurtje brengt ons naar een kleine tapasbar, waarachter zich een restaurantje met 8 tafels bevindt. Het is twee uur, zijn we niet te laat ? Vergeet het maar, de Spanjaarden sijpelen pas een uurtje later binnen. We bestellen een knoflooksoep en een gazpacho, gevolgd door merluza. Een rode riojawijn ? Laat maar aan mij over, zegt de baas. En hij tovert een fles met een beduimeld etiket te voorschijn ... uit 1970. Mireille wordt bleek: wat gaat dat kosten ? De wijn is voortreffelijk, de prijs uiteindelijk ook (14 euro). Een prima adresje. Het buitengaan vraagt heel wat moeite : de minuscule tapasbar is ondertussen volledig volgelopen.

Van zoveel drank komt pipi, en de zoektocht naar een toilet brengt ons in de Reales Alcazares, een paleis in mudejarstijl (combinatie van Moorse en christelijke kenmerken). Een heerlijke doolhof van binnenkoertjes, patio's, paleiskamers en tuintjes, vol met kostbare azulejos-mozaďeken, wandtapijten en rijk versierde plafonds. Daarna dwalen we door de Barrio Santa Cruz, een volkswijk met smalle straatjes, pleintjes, bars en restaurants, heel romantisch maar ook overtoeristisch.

De Calle Sierpes (de Nieuwstraat van Sevilla) vormt een (oninteressante) cultuurshock, en dus vluchten we naar het stierenvechtersplein, om dan via de Guadalquivir tussen de joggers de bushalte te bereiken, beladen met T-shirts, wijn, kaas, brood en olijfolie.

Het is zeven uur en nog steeds 20 graden, dat hadden we thuis nooit durven voorspellen. Hebben de verkiezingen van zondag er misschien iets mee te maken.

11 maart 2004 (Mireille)

Na een heerlijk uitgebreid ontbijt in de parador wordt het tijd om wat actie te ondernemen. We rijden eerst naar Ejica, reeds in de Romeinse tijd bekend voor zijn olijfolie. Wij vinden echter geen enkele fles. We hebben het aanvankelijk zelfs moeilijk om 1 van de 11 torens (eigenlijk kerken) te vinden. Van zodra we er 1 vinden volgt de rest vanzelf. Smalle steegjes, veel autoverkeer en overal bouwwerven. Dat is de samenvatting van de stad. We geven het bezoek snel op en trekken verder richting Granada.

Intussen horen we op de radio over terroristische aanslagen op treinen. ’s Avonds komen we te weten dat er 11 bommen ontploft zijn in Madrid, zo’n 600 kilometer van ons vandaan, met een dodental van zo’n 190 personen en meer dan 1000 gewonden.

De zon laat zich niet zien vandaag. In de buurt van Antequera besluiten we om in La Torcal te gaan wandelen. Dit is een van de bekendste natuurparken uit de streek. We verbazen ons over de massaal aanwezige en correcte bewegwijzering. De weg gaat mooi de bergen in. Op de parking met bezoekerscentrum staan we zeker niet alleen. Bij het uitstappen voelen we de koude schrale wind. We moeten het ook met een grijs wolkendek stellen, gelukkig zonder regen. In onze boeken wordt lyrisch gedaan over de groene wandeling. Wandelschoenen aan en op verkenning. Over glibberige rotsen lopen we afwisselend op en af. Ik neem fraaie foto’s en vind het jammer dat we na goed twintig minuten al terug aan de parking staan. Volgens het officiële bord hadden we er drie kwartier moeten over doen.

Na een picknick trekken we verder naar Granada. We kiezen voor de noordelijke afrit van de autosnelweg. Een goede keuze zo blijkt. Straatnamen zijn niet meteen terug te vinden. In een rustig stadsdeel kunnen we even parkeren en ons stadsplan raadplegen. Enkele minuten later zien we ons hotel Vincci liggen, maar wel langs de andere kant van de brede boulevard. Halve draai maken is onmogelijk en overigens verboden, en dus moeten we heel wat Spaanse toertjes rijden om onze wagen in een ondergrondse parking van het hotel te stallen.

- Die laat ik morgen mooi staan, bromt Herman nog.

Vanuit onze kamer kijken we uit over de besneeuwde toppen van de Sierra Nevada en de hele omwalling van het Alhambra, Generalife en bijhorende gebouwen. Wij wagen ons nog de stad in, dwalen wat rond en belanden er ongepland in een Marokkaans restaurant Sultan in de steegjes rond de kathedraal. Een gemengd slaatje en couscous met 7 groenten en lamsvlees. We zitten op lage stoeltjes en aan een lage tafel met een doordringende wierookgeur. Niet superlekker maar om tien uur zijn we terug op onze kamer en kunnen we aan onze nachtrust beginnen. Want morgen wacht het Alhambra.

12 maart 2004 (Herman)

Oeps, vroeg opstaan. Een hele prestatie in Spanje.

Het rode Alhambra-minibusje met rugnummer 32 brengt ons in een mum van tijd boven op de heuvel. Er stappen meer arbeiders en kantoorbedienden uit dan toeristen. Ons via internet gereserveerd ticket ligt netjes klaar. We zijn nog te vroeg en dus kopen we koffiekoeken die we op een bankje in de zon oppeuzelen.

Volgens ons kaartje mogen we pas van half tien tot tien in de Palacios Nasrides. Gelukkig wijst Mireille me erop dat die wel een eindje achter de ingang liggen …

Via mooie tuinen krijgen we meteen een eerste zicht op het paleis, sober en onopvallend, maar heel elegant. We werpen een jaloerse blik op de parador die midden in het Alhambra ligt en die dubbel zo duur is dan de andere paradores. Een volgende keer misschien …

Tot wanhoop van Mireille spurt ik om 9.20 uur nog het Alcazaba binnen, rush door de middeleeuwse burcht in tien minuten, inclusief uitzicht over de stad van op de Torre de la Vela.

En dan het summum: de paleizen. We wringen ons voorbij enkele toergroepen en komen in de Raadzaal, vol azulejo’s met stermotieven. Wat een prachtig versierde muren, wat een rijke schakeringen, wat een harmonie. Elk paleis ziet er anders uit, en toch weer perfect. De Gouden Kamer, het Salon der Ambassadeurs, … En dan plotsklaps: el Patio de los Leones ! We zijn er zelfs voor een ogenblik helemaal alleen, en ik kan de superfoto van de zuilen en de leeuwenfontein – zonder 1 enkele toerist – nemen. Dit is een wereldwonder: een subtiel evenwicht tussen licht, water en steen. Spijtig dat een moedwillige wolk het zonlicht afschermt, maar het blijft adembenemend. Daar zijn de groepstoeristen weer. We dwalen verder door het doolhof, langs een badhuis en dan plots de tuinen in: het Generalife. Even wat ideeën opdoen voor onze tuin …

Een groep schoolkinderen tracht vol overgave een opdrachtenboekje in te vullen. In onze Trotter is gelukkig al alles ingevuld … We koesteren ons in de zon, lopen daarna nog wat terug de tuin in, en dalen dan via de nauwe straatjes van de bovenstad af naar een aantal kerken. Voor een winkel staat het personeel stokstijf met gekruiste armen. Een kwartier stilte voor de slachtoffers van de aanslagen. Verderop zien we hetzelfde tafereel nog enkele keren.

De namiddag brengen we door op een felbevochten terrasje (vraag veel groter dan het aanbod) onder een zomerzon op een mooi plein: Plaza de Bib-Rambla. Tot na een paar uur de wind plots opkomt en de temperatuur een duik neemt.

Hallucinant om ’s avonds te gaan eten. Meer dan 250.000 mensen zijn de straat opgekomen om te betogen tegen het terrorisme. Wij moeten tegen de stroom opboksen, schuifelend langs de muur, nauwelijks in staat om ons te oriënteren. We moeten zelfs een paar keer oversteken, dwars door de (gelukkig vreedzame) optocht. Hoe we het halen is nog steeds onduidelijk, maar na drie kwartier staan we in de drukke tapasbar van restaurant Chikito We duwen een zware deur open en vinden gelukkig nog een tafeltje vrij. Een rioja en we kunnen er weer tegen …

13 maart 2004 (Mireille)

Naar de smeltkroes van culturen !

Maar geen enkele Spanjaard heeft manchego gegeten van bewegwijzering. 170 kilometer constant zoeken, en bovendien vinden op het hele traject maar 1 enkele parking (heel zeldzaam in Andalucia). En ook het vinden van de parador neemt een heel uur in beslag. De wegwijzers staan altijd pas op het einde vermeld, als we eigenlijk al voorgesorteerd hadden moeten staan.

De parador is minder sfeervol dan de vorige maar even keurig. Snel de kamer rommelig maken en dan op zoek naar de Mezquita. Na lang zoeken staan we plots aan een oude stadspoort die ons meteen bij de Juderawijk en de Mezquita brengt. Sfeervolle stegen vol souvenirwinkels met echte Spaanse brol. In de sinaasappeltuin van de moskee kopen we ons toegangskaartje voor 6,50 euro.

Binnen zijn we zwaar onder de indruk van de honderden zuilen en rood-witte dubbele bogen. Echt een woud van zuilen, met in het midden een gedrocht van een kerk. Omdat er weer eens restauratiewerken plaatsvinden kunnen we die bombastische kerk grotendeels vermijden. Jammer genoeg zijn in alle nissen die de moskee rijk is ook kerkelijke attributen en schilderijen neergepoot. Onze voorkeur gaat uit naar het oudste deel van de Mezquita waar we een hele bonte verzameling van zuilen vinden: dik, dun, langer, gecanneleerd, enz.

Tijdens het bezoek begin ik het stilaan duchtig koud te krijgen, maar eenmaal buiten loop ik er helemaal verkleumd bij. Toch vindt Herman dit het uitgelezen moment om een ijsje te gaan kopen. Bij het enige olijfoliewinkeltje dat we tot nu toe op deze reis zijn tegengekomen vind ik zeker mijn gading niet.

Bij een kiosk van de toeristische dienst vragen we nog naar een stadsplan zodat we gemakkelijker de parador kunnen terugvinden. Via de Guadalquivir lopen we terug en een uur later zitten we al gezellig in de bar met een glaasje Montilla Moriles-sherry.

In het restaurant kiezen we een klein rond tafeltje uit maar voor de obers is het blijkbaar veel te klein. Ze poten immers een lompe tafel op wielen naast ons neer. We worden onmiddellijk verwend met twee kleine hapjes: een koude Cordobaanse groentesoep en een toastje met pastei. Een grandioos voorgerecht met vis, garnaaltjes en lasagne gevolgd door een flamenquin (een typisch gerecht van Cordoba – opgerold dun varkensvlees opgevuld met rode paprika en ham en overgoten met een tomatensaus). Herman eet nadien nog een stukje appeltaart en is dan terug in staat om de reis van morgen verder uit te stippelen.

14 maart 2004 (Herman)

- The easiest way to get out of this town to Malaga ?

De Brit zit wanhopig gebogen over een landkaart en tracht van de receptionist een gemakkelijke vluchtroute vast te krijgen. Hij moet morgenvroeg met de wagen naar de luchthaven van Malaga.

De balpen van de receptionist dwaalt echter steevast dwars door de binnenstad.

- No way, zegt de Engelsman, daarbij bijgestaan door zijn reisgenoten. De afstand mag 5 keer langer zijn, als het maar gemakkelijk is.

- Maar dit IS gemakkelijk, zegt de Spanjaard vol verbazing. ‘Everything is very well signposted’.

- Dat heb ik dan toch gemist, repliceert de toerist, die zich reeds nachtelijke dwaaltochten door de nauwe binnenstraatjes voor de geest halt.

- Maar neem dan toch gewoon dezelfde route als je tocht naar hier, oppert de baliebediende slim.

- Maar dat is het ‘m juist. Wij hebben dik twee uur gezocht om deze parador te vinden, en nu ik bijlange niet meer hoe we hier ooit geraakt zijn …

Waarvan akte (bij ons duurde het slechts 1 uur …).

Wij geraken er dank zij het speurwerk van Mireille nog al bij al vlot uit. Het weer oogt nogal somber, en het is bovendien vrij kil (wat zullen we dan in België zeggen: het is daar -7°C !). Ubeda mag dan wat kleiner zijn, ook hier is de parador goed verstopt. Eerst nog enthousiaste wegwijzers en dan plots niets meer. We zoeken ons suf in de middeleeuwse straatjes en vragen een paar keer de weg. Blijkt dat we een straatje in moeten met een bord ‘Verboden toegang’. Maar voor gasten van de paradors telt dat niet, zegt de vrouw …

Weer een prachtige parador, in een oud herenhuis. Binnenin een patio met smeedijzeren tafels en stoelen. Even lang wachten voor we onze habitacion te pakken krijgen en dan weer de auto in richting Sierra de Cazorla. Vanaf Cazorla krijgen we bergwegen onder de wielen, richting Torre del Vinagre. Dat ligt uiteindelijk nog verrassend ver: 70 kilometer of bijna 2 uur rijden (stond niet op onze kaart).

In een bocht zien we informatiebord staan, doch de aanbevolen wandeling van 1,5 kilometer vinden we wat kort. In Torre del Vinagre vinden we een informatiecentrum: gesloten (siësta). We parkeren de wagen aan een staatsforellenkwekerij en wandelen een licht hellend bospad op naast een rivier die spectaculair zijn weg baant over een rotsachtige bodem. Enkele vissers trachten een forel voor vanavond te bemachtigen. Na veertig minuten komen we aan een nauwe kloof met houten bruggetjes en smalle paden. Dicht tegen de hoge rotswand is een houten wandelplatform gebouwd, zodat we de kloof helemaal kunnen in wandelen. Ondertussen staat Mireille 1 forel voor !

De tijd vliegt en dus keren we met spijt op onze schreden terug. De hele route retour (nu is het informatiecentrum wel open) om dan in Ubeda midden tussen de kerk- en verkiezingsgangers terecht te komen. We slaan een nauw straatje in – afgesloten – terug achteruit. Weer slalommen tussen de voetgangers om dan in het donker bij de parador aan te komen. Nog even een parkeerplaats zoeken (op het plein voor de parador is dit verboden) en dan bekomen bij een sherry’tje in onze stemmige parador.

’s Avonds opteren we voor een vijfgangenstreekmenu. De eetzaal bestaat uit een smalle gang geflankeerd door enkele aparte ruimtes. Heel sfeervol. En we proeven voor het eerst van de rabo de toro, heerlijk in filodeeg. Het menu is spotgoedkoop (23 euro). Kunnen ze geen paradors over de hele wereld bouwen ?

15 maart 2004 (Mireille)

Stilaan afscheid nemen van Spanje. Morgen zit onze vakantie erop.

We genieten voor een laatste keer van het uitgebreide ontbijt in de parador. Nog snel alles wat we nog niet geproefd hebben even uitproberen. Dat leidt natuurlijk tot de vreemdste combinaties. Gebakken zwarte worst met ei en een getoaste boterham met olijfolie, tomaat en gerookte vis. Een driehoekig stukje appelgelei.

De reiskoffers worden terug in de auto gepropt. We lopen nog even een artisanaal winkeltje binnen waar er een ruime keuze aan streekolijfolies te koop is. Twee flessen later rijden we via een smalle weg de stad uit. Op een rotonde worden we net niet aangereden door een wild rijdende jeep. Die Spanjaarden zijn gewoon gek achter het stuur.

Vandaag rijden we terug naar de parador van Cordoba om ons schrijfboekje op te halen dat we vergeten waren. Wanneer we de stad terug uitrijden hebben we weer bijna een aanrijding. De bestuurder van een kleine bestelwagen ligt te suffen en kan maar net blikschade vermijden.

Via een stukje autoweg en veel nationale autoweg rijden we rond 15 uur Antequera binnen. Deze keer is de bewegwijzering naar de parador subliem.

In het toeristenbureau kijkt de dame ons met vreemde ogen aan. Wie komt er hier nu op een maandag toe. Alles is gesloten op 1 kerk na, maar de wandeling op het stadsplan kunnen we zeker doen. En die is de moeite waard, bergopwaarts, enkele trapjes op en puffend verder omhoog. De zon is eindelijk door het wolkendek geraakt en het kwik is tot een 18°C geklommen. We krijgen onderweg een versterkte burcht te zien, thermen uit de eerste eeuw na Christus en enkele renaissancekerken. We eindigen onze wandeling op de plaza de San Sebastian op het terras van het hotel met dezelfde naam. Voor nog geen drie euro drinken we een glaasje witte wijn en genieten van de Spaanse drukte nu de siësta terug achter de rug ligt.

En in de parador is het dan tijd voor een laatste glaasje Jerez.

Morgen vliegen we terug naar het koude België.