Australië : reisverslag Tasmanië en West-Australië

Verplaatsing en dag 1 - maandag 18/11 tot woensdag 20/11/2002 (Mireille)

Auto, trein, vliegtuig, bus en te voet, zo geraken we in het Novotel on Collins in Melbourne. De lange vlucht viel enorm goed mee. Hoe afwisselend : eten, slapen, eten, lezen, slapen en eten. Het is zeker niet warm als we in Melbourne uit het vliegtuig stappen. Aan de bagageband worden we verzocht om onze dagrugzakjes op de grond te leggen. Een hond met een officieel pak aan komt even rondsnuffelen. We hebben geen biefstuk bij, dus is hij verder niet geïnteresseerd.

Met de skybus rijden we in een twintigtal minuten tot Melbourne. Het is nog geen zeven uur, en er is bijna nog geen mens op straat. We stappen moedig door tot aan ons hotel. De receptioniste van het Novotel on Collins-hotel is erg behulpzaam en tovert ons een kamer tevoorschijn, op dit vroege uur. Het hotel ligt in een fraaie winkelgalerij, en de kamer en het bed zien er uitnodigend uit.

Maar we willen van die jetlag af, en trekken dus door de verlaten winkelstraten. Bovendien is het frisjes en zwaarbewolkt. We trekken even over de Yarra-rivier en slenteren dan door de Chinese wijk. We vervelen ons al gauw, en om het kwartier werpen we een blik op onze horloge. Het valt ons op dat alle trams hier een andere vorm en kleur hebben. Op een ervan zien we reclame voor Carlsberg, "probably the best beer in the world”. Eronder staat in reuzenletters : "Probably a tram” ...

We duiken de Banana Palm binnen, een Maleisisch restaurant. De tafeltjes raken al snel vol, vooral met ambtenaren op zoek naar een middaghap. Wij doen het rustig aan, en bestellen een aantal schoteltjes. Herman vraagt een "small" portie rijst, doch we krijgen er nog geen tiende van op.

Met ons buikje vol gaan we nog op zoek naar het Rod Laver Stadium, waar Kim en Justine binnenkort de hele wereld komen wegmeppen. En dan nog wat shopping, doch we houden het niet lang meer vol.

Om iets over vieren gaan de gordijnen van kamer 1236 toe. En als ik ... 15 uur later mijn ogen weer opensper voel ik me nog moe en ben ik weer aan slaap toe !

Dag 2 - donderdag 21 november 2002 (Herman) – Op naar Tasmanië

Vanuit het vliegtuig zien we hoe groen Tasmanië is. De glooiende einders zijn bovendien bezaaid met talloze meren in alle formaten. Net Engeland.

De goedlachse Skybus-chauffeur draait lustig toertjes door de eenrichtingsstraten van Launceston om iedereen bij zijn overnachtingsplaats af te zetten : van backpackers tot luxehotel. Wij komen als laatste aan de beurt. De chauffeur komt er zich persoonlijk nog eens van vergewissen dat we wel op de juiste locatie zijn aangekomen, en sleurt dan in een moeite ook onze loodzware reiskoffers de receptie binnen.

SNP heeft het weer voor mekaar gekregen : we logeren in een oude watermolen die in Midden-Tasmanië steen voor steen werd afgebroken en hier minutieus weer werd opgebouwd. Als we de zware houten deur van onze kamer openduwen, wanen we ons meteen in een Engels kasteel : eikenhouten lambriseringen en een oude plankenvloer.

Het lenteweertje knipoogt uitnodigend en dus slaan we de Zig Zag Track in, die meteen steil de Cataract Gorge inkronkelt. Het pad is wel heel aangelegd, met stevige omheiningen langs de zijkant, doch het is wel een adembenemende klim. Diep onder ons zien we de South Esk River, die even verder in de Tamar uitmondt. Langs de zijkant torenen de wanden van de gorge boven ons uit.

We komen na een afdaling uit aan het First Basin, waar naast een Engels gazon een ruim zwembad is aangelegd. Een hangbrug overspant het "Basin" ; naast ons kruipt een betonweg ook naar de andere oever. We zetten door en arriveren na een goed uur aan het voormalige elektriciteitsstation van Ducks Retreat. Een openluchtmuseumpje toont de vroegere bedrijvigheden.

Op de terugweg stoppen we aan de Cliff Grounds, een heerlijke plek met pauwen en een paviljoentje. Hier zou elke rechtgeaarde Engelsman meteen aan afternoon tea denken. Ik denk aan bier maar : no license. Dan maar een cola, en voor Mireille een Tasmaanse appelsap buiten formaat.

Het Italiaanse avondmaal in La Cantina valt tegen : afgekookte groenten, een vettige saus, slechte wijn. Weer die vergelijking met Engeland.

Als we terug aan Penny Royal aankomen zien we dat de nabijgelegen windmolen verlicht is.

Helemaal Eng ... neen Hollands.

Dag 3 - vrijdag 22 november 2002 (Mireille)

Na een uitstekende nachtrust, trek ik de kamerdeur open en vindt 2 kranten op ons matje. Wanneer gaan we daar tijd voor vinden ?

Bij het Hertz-verhuurkantoor staat een witte Hyundai Sonata klaar. Ziet er nogal oubollig uit. Herman draait het stuur richting Freycinet National Park, 180 kilometer verder. Het landschap is lief en afwisselend : golvend, weiden met schapen, dan weer met koeien. De laatste honderd kilometer gaan door een verlaten gebied. Zouden hier geen kangoeroes zitten ? Iets verder zien we inderdaad het eerste "kangoeroe"-bord opduiken.

Even nog in Coles Bay winkelen, dan een Aussie pass kopen in het nationaal park, en onze houten lodge vlak bij het hoofdgebouw lekker rommelig maken. Wat een sublieme ligging : van op ons terras hebben we een heerlijk zicht op de pittoreske baai.

En dan gaat plotseling het alarm af in onze kamer ...

... en dus gaan we snel aan de wandel (na dit eerst te melden aan de receptie). Uit de verschillende mogelijkheden pikken we de Wine Glass Bay, Isthmus Track & Hazards Beach, drie wandelingen voor de prijs van geen. Op het parkeerterrein merken we meteen dat de Wine Glass Bay wel degelijk de klassieker is. Vlak na de start kruist een wallaby ons pad. Dit wordt tellen !

Af en toe komen we op irreëel aandoende plaatsen, zoals een bizarre relaxzetel in hout middenin een rotsige omgeving. Aan de lookout steekt er plots een sterke wind op en gaat de zon zich ook warmen achter de wolken. En dat net nu we de boterhammetjes aan het verorberen zijn. Ja maar !

Na een lange afdaling staan we plots op het strand. Schitterend wit zand, blauwe zee en weinig volk, maar iets te fris om lang te blijven zitten. We doorkruisen het schiereilandje door de bomen om plots terug aan de zee te staan. Langs deze kant schijnt de zon wel, maar de wind is nog steeds van de partij. De golven slaan dan ook woest op het strand, een plezier om naar te kijken. We volgen het strand zowat een kilometer en komen dan aan een hoger kustpad uit. En ik kan meteen 2 streepjes bijplaatsen : weer 2 wallaby's gezien.

In onze cabin ligt er inmiddels een briefje dat de batterijen van de rookmelder vervangen zijn. Alarm opgelost. We nestelen ons op het terras in de zon om te genieten van het uitzicht. En we verlaten dit plekje maar om het te ruilen voor een tafeltje met zicht op Oyster Bay in het à-la-carterestaurant van het park.

Dag 4 - zaterdag 23 november 2003 (Herman)

Vroeg uit de veren – de jetlag is overwonnen.

Twee scharreleitjes later staan we paraat voor de 4x4-tocht die door de Lodge wordt georganiseerd. Ranger Paula verwelkomt ons en twee andere echtparen : Nederlands en Californisch. De eerste paar meter van de dirt road blijken veruit de moeilijkste te zijn : vol gaten en bulten. En niet zonder reden, want zo vermijdt men een toevloed van wagens op een deel van het park dat men bewust rustig wil houden. Een eerste wandeltocht gaat naar het Cape Tourville Lighthouse, van waaraf we meteen superbe uitzichten over de kuststrook hebben. Aan de White Water Wall dalen we af tot op een rots. We krijgen zelfs uitleg over de werking van een (composterend) hurktoilet. Wat verder bewonderen we de kaka van een Tasmaanse duivel, en zitten we 10 minuten in de bomen te turen om een vinnige fluiter te kunnen terugvinden. De detailgidsen worden bovengehaald terwijl het eigenlijk niet moeilijk is : het is een vogel ...

De uitzichten aan de White Water Wall zijn nog dramatischer ; dat begint pijn te doen aan de ogen. De Nederlandse dame wil ons samen met de prentbriefkaartomgeving op een fotootje vereeuwigen. Ze duwt de lens bijna tot op mijn neus – van close-up gesproken. OK, zegt ze, jullie staan erop. Maar ze heeft wel niet afgedrukt ...

Aan Bluestone Bay klauteren we een heel eind over de rotsen en krijgen dan een koffie / thee aangeboden.

Na deze georganiseerde toer trekken we de wandelschoenen aan en beginnen we aan de klim van de Mount Amos. Een tocht van amper 1.750 meter (enkel), maar wel 450 meter naar boven. Of een stijgingspercentage van meer dan 25%.

De aanvangsstrook door de bush is nochtans zeer gemakkelijk, maar dan draait het pad plotseling over rotsen loodrecht naar boven. Het is enorm steil over de kale rotsbodem naar boven schuifelen. Telkens komen we op een plateau waar we eventjes horizontaal wat opschuiven, om dan weer recht naar boven naar het volgende tussenstation te klimmen.

Beneden stond er al een stevige wind, doch hoe hoger we komen hoe stormachtiger het wordt. We zien stilaan de top naderen. De laatste hindernis is er evenwel te veel aan : een reusachtige ronde rotsklomp waar we zonder houvast op handen en voeten moeten naar boven klimmen. Ik begin er nog aan doch de stormwind blaast mij er onverbiddelijk terug af. Lukt niet vandaag : dan maar terug naar de vallei. Wat voor Mireille geen sinecure is : gladde rotsen afdalen is nu niet meteen haar lievelingsbezigheid.

Een namiddagwandeling van de Lodge naar Coles Bay, en een zoektocht naar wild in de omgeving (pech : het lawaai van een huwelijksfeest heeft hen allicht verjaagd) brengen onze geteisterde kuitspieren weer tot leven.

We nemen ditmaal een "casual" avondmaal in de bistro. Gewoon de schotels aanduiden op een groot krijtbord, een wijntje bij vragen, een plaatsje zoeken en smullen maar. En zicht op zee is inbegrepen !

Daarna lopen we in het donker met een gids mee op zoek naar nachtdieren. Wij met een zaklampje, de gids met een gigantische spot. Meteen beginnen wij enthousiast in het struikgewas te schijnen, doch tot onze verrassing richt de gids zijn toorts ... op de boomkruinen. Blijken opossums vooral in bomen te leven !

We krijgen er uiteindelijk vier te zien, op het einde een moeder met jong. De opossum kruipt handig naar boven op een wankele tak, terwijl de baby-opossum zich krampachtig vasthoudt aan de buik van mam.

En verder spotten we alleen nog een vogel en ... een geparkeerde wagen.

Dag 5 - zondag 24 november 2003 (Mireille)

Freycinet is donker en grijs - niet hetzelfde beeld als de vorige dagen. Omdat we hier al de meeste zaken verkend hebben gaan we op de landkaart op zoek naar een ander nationaal park in de omgeving. Tasman National Park. Ook een schiereiland.

De bochtige weg schiet traag op. Plotseling begint het te regenen. Jammer. Bij Eaglehawk Neck doet de zon nochtans verwoede pogingen om het tij te doen keren. We draaien een paar rondjes, maar vinden geen echt Visitors Center. Of toch : aan de bar van een eethuisje - take away. We betrouwen echter op onze Lonely Planet en vinden Palmers Lookout blindelings, voor de obligate foto. Op weg naar Tasman Arch en Devils Kitchen, twee door de zee uitgeschuurde rotsen, zien we een echidna langs de kant kruipen. Het beestje wil met zijn fotogenieke snuitje echter niet in de lens kijken.

Daarna rest ons nog de Blowhole. Ook weer een gat in de rotsen, maar zo afschuwelijk omheind met houten palen en ijzerdraad, dat er niets natuurlijks meer van overblijft. Een slimme Aussie heeft hier een populair ijskarretje neergezet.

Tijd voor een hike. Met de auto rijden we eerst vier kilometer verder langs een onverharde weg tot aan een car park. Een informatiebord leert ons waar we de waterval moeten situeren ... maar alles staat droog. Hier moeten zelfs fur seals zitten, maar waar ? Dan maar starten naar Waterfall Bluff Lookout, twee uur volgens het infobord, anderhalf uur volgens Lonely Planet. Via een Ardennenpad lopen we exact 26 minuten om tot bij een ander bord te komen met als melding ... end of the track. Een overhellende rots geeft uitzicht op de zee onder ons.

De eerste aanblik van ons hotel in Hobart, de Lenna of Hobart, is niet geweldig. Een kolos van een gebouw, maar van binnen heeft het toch iets meer charme, al is het voor ons te Victoriaans.

Wat een weertje hier in Hobart : 28°C. Via Salamanca Place met de vele terrasjes gaan we naar de Waterfront. Jammer genoeg vinden we geen vrij plaatsje meer om van een glaasje witte wijn te genieten. Iedereen is immers al volop aan het avondmalen geslagen, en het is pas zes uur ! We zoeken een bankje op en genieten nog volop van de haven en de gerenoveerde pakhuizen.

En dan stappen we de "Drunken Admiral" binnen. Een poging om rustig te aperitieven wordt meteen in de kiem gesmoord doordat het eten meteen op tafel komt. Herman eet opgevulde gerookte zalm met groene asperges, en ik hou het bij een wrap met groentjes en scampi's met Oosterse saus. De saladbar wordt geplunderd, we krijgen ook een reuzengroot stokbrood met knoflookmayonaise. En dan krijgt Herman een spectaculair sissende steengrill met gemengde vissoorten voorgeschoteld, en ik een "Siam tot Shangai" visschotel. Herman krijgt meteen een servet voorgebonden. De porties zijn veel te ruim, gelukkig kunnen we een en ander doorspoelen met een uitstekende Ninth Island witte wijn.

Maar toch vindt Herman nog plaats voor een grote portie ijs ...

Dag 6 - maandag 25 november 2003 (Herman)

Een Victoriaans ontbijt (= karig) in een Victoriaans salon (= schreeuwerig). Maar Victorie, het is inbegrepen in de kamerprijs.

Mireille gidst mij handig door de uitgestrekte agglomeratie van Hobart. De weg wordt meteen bochtig : we rijden door een prachtig groen golvend landschap. Na een goed uur parkeren we de wagen aan het Mount Field National Park. Ik verzamel wat stempels op onze pas (we hadden er nog een te goed van het Tasman National Park) en dan trekken we onze zevenmijlswandelschoenen aan voor een combinatie van maar liefst drie wandelingen.

We bereiken al snel Russell Falls, een indrukwekkende waterval die in verschillende lagen naar beneden komt gedonderd. Een klassieke foto van Tasmanië. Tussen de eucalyptusbomen en de swamp guns van het regenwoud slalommen we naar de Horseshoe Falls, wat minder impressionant maar zeker zo fotogeniek. Dan volgen we een pad tussen woudreuzen, de Tall Trees Circuit. We lezen op een informatiebord dat de hoogte van bomen kan gemeten worden met een clinometer. We hebben er toevallig geen bij in onze rugzak, maar wat een meeval : iets verder staat er zo'n exemplaar ... We wringen ons in allerlei bochten om de hoogte te kunnen afmeten door de lens. Onze schatting komt uit op iets tussen de 30 en 300 meter ... en het klopt nog ook.

Een op- en neergaand pad brengt ons uiteindelijk aan de Lady Barron Falls, en op de terugweg naar het parkeerterrein zien we zowaar twee pademelons, schuwere en kleinere varianten van de wallaby.

We opteren voor een focaccia in het Visitors Center. Mireille bestelt thee. De man vraagt of "good old Bushell's tea" OK is. Ik zie Mireille in gedachten al de vreselijkste Australische bush tea geserveerd krijgen, doch het blijkt nog mee te vallen ook.

Een 24-karaats scenic drive door het regenwoud van Cradle Mountains - Lake Sinclair National Park, en (even ademhalen) het Franklin - Gordon Wild Rivers National Park (lange namen hebben ze hier) brengen ons helemaal in de ban van de wilde en ongerepte schoonheid van Tasmanië. Dorpjes passeren we nauwelijks, en indien dan eens wel zijn het bij wijze van spreken drie huizen en een koe. We stoppen nog even aan Derwent Bridge (Lake Sinclair National Park) waar we door enkele wallaby's verwelkomd worden. We wandelen naar het meer tot op een punt waar regelmatig platypussen kunnen gezien worden. Het wordt de bezoekers evenwel niet gemakkelijk gemaakt. De plaats is met houten hekkens afgezet, met een aantal gaten erin om van op respectabele afstand te turen. Een bord moedigt ons aan : als je een rimpel op het wateroppervlak ziet en het beweegt, is het waarschijnlijk een forel. Als het niet beweegt is het waarschijnlijk ... een steen.

Het laatste stuk autorijden is nog van de precaire soort. In Queenstown moeten we zelfs een stevig kronkelende bergweg af. We komen dan ook pas om kwart voor acht in Strahan aan. Het is hier een volledig artificieel dorp, met houten huisjes als reconstructie van hun mijnverleden. Ook de accommodatie is in zulke houten constructies. Gelukkig logeren we niet in de kerk of in de paardenstal, maar wel in het Federation House. Rap ons omkleden, en dan spurten naar het op een heuvel gelegen McAquirie-restaurant, waar we ons meteen zonder schromen op het uitgebreide visbuffet storten. Met een weids uitzicht op de haven van Strahan, met de bootjes die mooi in het water weerspiegeld worden.

Maar ik heb ondertussen eigenlijk wel meer oog voor het dessertenbuffet ...

Dag 7 - dinsdag 26 november 2002 (Mireille)

Ontbijt bij Banjo Bakery. Jongens, wat een hoop volk verwachten ze hier vandaag ? Het dorp telt zo'n 300 inwoners - die gaan die duizenden broden, zoete koeken en taartjes toch niet allemaal opeten zeker. Of hebben ze zich misschien op onze komst voorbereid ?

Via de shop van de Gordon River Cruises stappen we op de Lady Jane Franklin, een snelle, comfortabele boot. We varen eerst de lagune over tot aan de open zee, waar deze plek de toepasselijke naam Hell's Gate kreeg. Een paar vuurtorens verder passeren we langs fish farms. Amai, wat een klus om al die plaatsen van eten te voorzien.

Op de lagune heeft de boot redelijk wat snelheid, maar eenmaal op de Gordon River valt het tempo terug. Plotseling zie ik kringetjes in het water verschijnen. Een forel ? Een platypus, volgens de kapitein. En gisteren vernamen we nochtans dat een platypus alleen 's morgens en 's avonds verschijnt, en nooit bij lawaai en trillingen. We hebben dus met een uniek exemplaar te maken ...

We meren aan en maken een kleine wandeling door een gematigd regenwoud. Ranger Diana tracht haar enthousiasme op de groep over te brengen, doch hier span ik toch mijn hangmat niet.

45 minuten later legt de boot terug aan, nu op Sarah Island, een voormalige strafkolonie waar de timberindustrie in de jaren 1800 opbloeide. Wij slenteren wat over het eiland en kruipen tenslotte verkleumd terug aan boord. Al bij al duurt de boottocht wat te lang voor ons, en is het nogal saai.

Na een broodje met kaas en ham en een supermarktstop, rijden we richting Cradle Mountain. Het is al over vijven als we aan het gesloten Visitors Center staan. Ons stempeltje zal voor morgen zijn.

We krijgen cabin 69 toegewezen. Iets dieper in gelegen en zonder terrasje. Maar waarom zouden we dat nodig hebben : het zonnetje schijnt wel volop maar de temperatuur haalt geen 15 graden. Door de zon, de blauwe lucht en de witte gombomen heeft het landschap weer iets onrealistisch. Aan de receptie boeken we al meteen 2 activiteiten : de spotlight tour van 10 uur vanavond en een wine and cheese tasting voor morgenmiddag.

En we beginnen met een makkelijke eerste wandeling : de Enchanted Stroll langs de Pencil River in een subalpien landschap.

's Avonds maak ik uitgebreid kennis met het wild (?) life : ik word gebeten door een opossum. Het agressieve beest stond te bedelen, en omdat ik het negeerde klom het omhoog langs mijn been en zette zijn tanden in mijn bil !

Met een 4WD-busje vertrekken we voor de night spotting richting Waldheim Park en al onmiddellijk zien we Bennett wallaby's en pademelons, en natuurlijk mijn vrienden de opossums. En uiteindelijk zien we ook een wombat. Het lieve diertje graast rustig door. Je kan duidelijk verwantschappen met de koala onderscheiden. Het heeft een dikke romp en ultrakorte pootjes. Leuk om zien. De Tasmaanse duivel laat zich helaas niet spotten.

Dag 8 - woensdag 27 november 2002 (Herman)

Oei, overslapen !

En prachtig weer buiten. Zeer uitzonderlijk voor Cradle Mountain, want het regent hier 270 dagen op een jaar. Het is druk in de ontbijtzaal, waar weer een fantastisch buffet op ons staat te wachten.

En dan de rugzakken klaarmaken, de wandelschoenen aan en ons registreren in de schuilhut bij Waldheim. Cradle Mountain National Park heeft een uitgebreid wandelpadennet die mekaar op bepaalde plaatsen kruisen zodat langere combinaties kunnen gemaakt worden. Voor het beginstuk volgen we geruime tijd het befaamde langeafstandspad "The Overland Track". Het begint braaf met een langgerekt knuppelpad, gevolgd door een eindeloze serie trappen. De zon schijnt volop doch het is ijzig koud. We komen uit aan het Crater Lake. Aan een boothuis poseer ik even in het water, en dan lopen we links om het meer. Zo stel ik mij Canada voor : meren, bossen en bergtoppen op de achtergrond. Subliem.

En dan gaat het over een rotsig parcours stevig klimmend tot Marion's Lookout, waar enkele andere trekkers de boterhammetjes aanspreken. Het zicht is verbluffend : 360° panorama, met Crater Lake, Lake Dove, Lake Lilla en de getande pieken van Cradle Mountain en Little Horn. Een plaats om een halve dag in het zonnetje te blijven zitten, maar we moeten verder. We lopen op een golvend plateau en zien dan in de verte het pad naar Cradle Mountain : dat lijkt afschuwelijk steil. Voorbij een noodhut (Kitchen Hut) beginnen we eraan, eerst nog mild stijgend op losse steentjes, maar daarna is het klauteren over grote rotsblokken. En het gaat steeds meer loodrecht naar boven. Ik steek een dame voorbij die mij toeroept dat "it looks easy the way you do it". Ik ben nochtans buiten adem, en het vraagt nogal wat evenwichtskunst om op de rotsblokken en -platen overeind te blijven. Na een bocht naar links worden de rotsblokken nog groter en vraagt het heel wat apentoeren om verder te klimmen. Om dan het summum te bereiken : gewoon verticaal naar boven, langs gladde rotsen zonder nog enige voetensteun van betekenis. We vragen aan een echtpaar dat met verschrikkelijke moeite naar beneden komt - zij heeft nog de schrik in de ogen - of het daarboven de top is. Het blijkt niet het geval te zijn. Plotseling stoot ik met mijn voet in een spleet tussen twee rotsen ... en ik krijg 'm er niet meer uit. Wringen helpt niet, en dus moet ik mijn voet uit de wandelschoen halen. Gelukkig krijgen we de schoen na lang wrikken los, anders moest ik op mijn kousenvoeten naar beneden ...

De dame voor ons doet nog een poging om verder te klimmen doch glijdt vervaarlijk terug naar beneden. Het klimmen zien we nog zitten, doch we moeten langs dezelfde weg terug afdalen en dat zien we niet zitten.

We keren terug naar de Kitchen Hut (Mireille met heel veel moeite) en slaan dan rechts de Face Track in. We lopen nu hoog boven Lake Wilks, met daarachter het veel grotere Lake Dove. Onder een nog steeds wolkenloze hemel dalen we een glibberig rotspad af naar Lake Wilks, om daarna op een nog meer precair bospad (gladde boomstronken en keien) naar het Lake Dove te duiken. Het Ballroom Forest zet ons niet aan tot danspasjes. We komen uit op de gemarkeerde route rond het meer.

We zetten het op een spurt, want binnen een uur worden we verwacht voor een wine and cheese tasting. Ik zeg langs mijn neus weg dat ik nog wel eens wat wombats zou willen zien. Ginder, zegt Mireille, vier wombats. "U vraagt, wij draaien".

We vlammen een aantal (opgeschrikte) zondagstoeristen voorbij, springen in de wagen en komen net op tijd aan op de wijnproeverij in de lodge. Bestoft en bezweet, en dorstig. Gelukkig staat er ook water. Naast een aantal Aussies is er ook een familie Japanners aanwezig. De drie kinderen krijgen een aantal wijnglazen met cola en soorten fruitsap voorgeschoteld. De ouders komen nauwelijks aan de wijn aan. Ze blijken geen wijn te lusten ...

We genieten volop van de 3 kazen en 6 wijnen die op onze tafel staan. Tasmaanse wijnen worden blijkbaar nauwelijks uitgevoerd; nochtans kan je er in België reeds een aantal kopen (maar zeer prijzig). Op de vraag wat we in de Cabernet Sauvignon proeven, antwoordt een Australiër laconiek : "Grapes ?".

Mireille raakt in gesprek met een meisje van het Australische vasteland (Woolongong, boven Sydney) dat hier in het restaurant begint te werken vanaf morgen. Ze kent België, want ze vraagt of we van het noordelijke of zuidelijke deel afkomstig zijn. Een neef van haar heeft er een aantal maanden doorgebracht. Uiteindelijk blijken we reeds meer van Australië gezien te hebben dan zij ...

We gaan wankelend (de spieren, niet de drank, alhoewel ?) terug naar onze lodge Ayr 69, en steken het haardvuur aan. Heerlijk, zo aperitieven bij het knetterende pine wood. In het Highland restaurant mag ik zelf mijn wijntje uitkiezen in de wijnkelder. De avond is nog jong en wij hebben honger. En we hebben een prima uitzicht op het meer. Met kringetjes in het water. En dus platypussen.

Dag 9 - donderdag 28 november 2002 (Mireille)

Hey, ik word gewekt door zonnestralen ! Weer geen wolkje te bespeuren, wel een stukje van Janneke maan. Nog eens koffers pakken en dan voor de laatste keer in 2 weken aanschuiven aan het rijkelijk ontbijtbuffet. Na een vruchteloze zoektocht naar platypussen wandelen we nog eens helemaal rond Lake Dove. We hebben er gisteren al een deel van gedaan, maar het blijft de moeite waard. Herman moet zich inhouden om niet opnieuw dezelfde foto's te nemen.

Na de wandeling rijden we terug naar Launceston. Onderweg stoppen we nog even aan het Truwanna Wildlife Park in Mole Creek. We zien er een tiental Tasmaanse duivels in drie afgebakende zones. De dieren crossen de hele tijd door hun kooi. Ik word er zelf helemaal zenuwachtig van. Een paar keer laten ze hun tanden zien, en als ze een stuk vlees verorberen kraakt het bot verschrikkelijk.

In het Penny Royal Hotel krijgen we nu de "dairy room". Een douche en een aperitiefje verder zitten we in het Thaise restaurant. Belgium waar ligt, dat zie je ze zo denken.

Dag 10 - vrijdag 29 november 2002 (Herman)

Om vijf uur 's ochtends trekken we de zware houten deur van de "dairy room" achter ons dicht, en rijden naar de luchthaven van Launceston. We maken eerst een korte vlucht naar Melbourne, en krijgen een klein ontbijt geserveerd. Onze aansluiting naar Perth heeft vertraging opgelopen omdat het boordpersoneel nog op een verlate vlucht van Sydney zit. Daarna wordt de vertraging op een half uur gebracht wegens een "technisch mankement". Vervolgens wordt omgeroepen dat de zoektocht naar een wisselstuk nog wel even kan duren en dat iedereen best nog wat gaat wandelen of eten. Onze buikjes rammelen en dus gaan we op zoek naar een ontbijtzaal. Nog maar net hebben we ons geïnstalleerd met de koffiekoeken, koffie en thee ... of er wordt gevraagd om in te stappen. Ik prop alle koeken tegelijk in mijn keelgat. Mireille moet nog enkele minuten wachten op haar warme focaccia. De dranken laten we voor wat ze zijn, en hop, we zijn met anderhalf uur vertraging op weg naar Perth. En we krijgen voor de derde maal ontbijt geserveerd ...

In Perth moeten we de horloge drie uur terugdraaien zodat het nog maar net over de middag is. Onze gehuurde Mitsubishi Pajero 4WD staat al vol ongeduld te wachten. En hier is ook het eerste wild life : de vliegen. Lastige beesten, ze zitten voortdurend in onze neus, mond of oren. Wat een verschil met Tasmanië, dat was vlieg-loos.

We slaan er de telefoongidsen op na om een shopping center te vinden, en die ligt nog vlakbij ook. Met een veel vollere auto moeten we dan de knoop doorhakken : naar het noorden of naar het zuiden. De keuze valt op het noorden, gegidst door het kompas van de boordcomputer. De barometer staat op 1010 hectopascal en het is 32°C (lekker temperatuurtje, vindt Mireille --- bloedheet, denkt Herman) en we rijden op 0 meter hoogte. Gelukkig is de stem die links en rechts zegt niet van de computer, maar van Mireille.

Heel de weg naar Cervantes hang ik achter een road train, onmogelijk om die voorbij te steken. Heel af en toe komen we aan een onooglijk dorpje, dat dan wel al 60 kilometer op voorhand aangeduid staat.

Na 250 kilometer draaien we om 6 uur de Pinnacles camping op, een winderig plaatsje vlakbij de oceaan. We laten ons verrassen door de snel ondergaande zon, en in de pikkedonker krijgen we ons pas gekochte gasvuurtje niet aan de praat. De soep schrappen dan maar, en overschakelen op een lekker sla"buffet".

Dag 11 - zaterdag 30 november 2002 (Mireille)

Om half zes rijden we de camping af. De Pinnacles zijn volgens de boeken het mooist in het vroege ochtendlicht. Zo'n 17 kilometer van Cervantes is de ingang van het Nambung National Park. Het rangerhuisje is nog gesloten. We moeten de fee in een doos achterlaten. Door een verlaten zandlandschap bezaaid met zandstenen formaties kronkelt een 3 kilometer lange weg. Regelmatig zijn er (foto)stopplaatsen voor de wagen. We zijn hier bijna alleen. Vanop de lookout proberen we vergeefs een goede overzichtsfoto te maken. En na de eerste ronde maken we nog een tweede toertje.

Na het krentenbroodontbijt brengen we wat orde in de wagen en rijden dan naar Lake Thetis met zijn stromatolieten : eencellige organismen van 30 miljoen jaar oud die aan de basis lagen van de zuurstofvorming op aarde. Ik vind het meer gemorste beton, maar Herman neemt er toch een foto van. Nadien rijden we naar een lookout, waar we een zicht krijgen op het groene bushlandschap en de Indische oceaan. Kangaroo Place blijkt niet mee dan een picknickplaats te zijn.

De rest van de dag brengen we op de camping door : boekje lezen, reis verder uitstippelen, een plodderwasje doen. We verhuizen van de volle zon naar de schaduw onder een boom. Maar later op de dag trekt de hemel helemaal toe, en wordt het weer verschrikkelijk winderig. Herman moet de Pajero een paar keer van plaats veranderen om uit de wind te kunnen zitten.

Om zes uur beginnen we aan de apero, met daarna een soepje, slaatje en pasta met tomaat en ui. We kruipen heel vroeg in de tent, die gelukkig nog niet weggewaaid is.

Dag 12 - zondag 1 december 2002 (Herman)

Even diep ademhalen, en dan op weg voor een bijzonder lange trip van 690 kilometer naar het noorden, tot het Monkey Mia Nature Reserve.

Het waait nog steeds verschrikkelijk, en het is zwaarbewolkt. En er valt zelfs een drupje regen, natuurlijk net als Mireille de binnentent wil opvouwen.

Onderweg zien we de temperatuur gelukkig klimmen van 18°C naar 33°C. De wolkjes worden steeds schaarser tot we een volledig blauwe hemel krijgen. De wegen zijn oersaai, kaarsrecht en met zowat om het uur een dorp of wat er moet voor doorgaan. Het rijden gaat nochtans vlot, er is nauwelijks verkeer.

In de middle of nowhere passeren we twee benzinestations-restaurants-winkels-hotels, en dan slaan we af richting Denham en Monkey Mia. De aarde is ondertussen dieprood geworden, net zoals 2 jaar geleden in de Outback. En de temperatuur daalt ! En de wind neemt weer in kracht toe.

In het toeristendorp Denham doen we nog wat inkopen (deze winkel is gelukkig op zondag open) en dan is het maar een boogscheut meer tot het natuurreservaat van Monkey Mia, waar we dolfijnen hopen te zien. De camping is zeer druk, we zitten er als haringen in een ton. Alle tenten staan vlak naast mekaar. Het is zoeken voor een plaatsje om te avondmalen.

De wind blijft strak en onaangenaam. We lopen even het domein rond en maken kennis met een Engels echtpaar. Hun beide dochters wonen in Sydney, en elk jaar komen ze voor een tweetal maanden op logies en koppelen er een vakantietocht aan vast. West-Australië kan hen alvast niet boeien. Of zoals meneer het samenvat : "The only fish I wanna see here tonight is the one on my plate". Wij houden het bij soep en een verrukkelijk slaatje met ham en salami, en gaan dan dag-, nee nachtdromen bij de zee.

Dag 13 - maandag 2 december 2002 (Mireille)

Heerlijk geslapen, dan een goede douche en nu wachten op de dolfijnen. We zetten ons naast een rij wachtenden op het strand. Een pelikaan steelt ondertussen de show. Het voorprogramma zeg maar. Wanneer er omgeroepen wordt dat er een videovoorstelling start in het Visitor Center gaan we kijken. Na een half uur komt een Japanner de zaal ingeslopen, komt naast zijn familie zitten en fluistert net luid genoeg "the dolphins are there". Iedereen prompt de zaal uit.

Piccolo (10 jaar deze week vrijdag) en Nikki komen geleidelijk dichter bij het strand. Ongelooflijk hoe al die rangers de dolfijnen op basis van de vorm van hun vinnen herkennen. Na een tijdje komen ze vlakbij, en mogen een aantal toeristen een vis aanbieden. En dan komt plotseling een derde dolfijn toe : Surprise. Hij heeft zijn naam dan ook niet gestolen. Slim gezien van die dolfijn, alleen maar langskomen als de vis geserveerd wordt. Als de ranger de lege emmer laat zinnen nemen de dolfijnen meteen de benen, euh de vinnen.

Na de boterhammetjes met choco, schuiven we aan bij de jetty voor een boottocht van twee en een half uur, op zoek naar sea wild life. Eerst moeten we onze schoenen uitdoen of we mogen niet aan boord. En dan wordt de helft van de bemanning aan het werk gezet : zeilen optrekken. En meteen zien we een dolfijn, met jong !

Na een zeeslang en een zeeschildpad gaan we op weg naar de dungeons, de zeekoeien. Daarvoor moeten we naar met zeegras begroeide bodem zeilen. De bemanning van de Shotover is heel enthousiast en weet eigenlijk van geen ophouden. Op een zeker moment is er zoveel tegelijk te zien dat zowel Andy als Matt tegelijk zitten te roepen : ja hier voor ons, ja achter aan de boot.

Tenslotte gaan we nog een laatste maal op zoek naar dolfijnen. We vinden een groep van 5 vrouwtjes, waaronder Piccolo. De rangers vertellen dat die in het begin de vis die ze kreeg teruggooide, ze beschouwde het als een spelletje. Daarna bracht ze haar eigen vis mee ...

We zien nog een groep van 6 mannetjesdolfijnen die sierlijk met de boot meezwemmen, en een zeeschildpad. Na drieëneenhalf uur staan we terug op de kade, of een uur langer dan voorzien.

Nadien steken we geen poot meer uit, een wijntje hier en een aperootje daar. En een barramundi hier, en een snapper daar. En dan het tentje in.

Dag 14 - dinsdag 3 december 2002 (Herman)

Nog een vergeefse poging om dolfijnen te zien (ze hebben zich vandaag vast overslapen) en dan op weg naar het Kalbarri National Park. Slechts een boogscheut weg naar Australische normen : 394 kilometer. We worden meteen uitgewuifd door een emoe. Ik wil er een foto van nemen doch vind de emoe niet meer terug in de bush. En dat voor zo een groot beest. We krijgen ook niet genoeg van de stromatolieten. Bij Hamelin Pool krijgen we prachtexemplaren te zien. 2 soorten : ofwel grote zandkorrels, ofwel gigantische chocoladecakes. Alhoewel, het bord vermeldt "mushrooms".

Echt een West-Australisch weertje vandaag : 35°C. Maar nog steeds die hevige rukwinden. We rijden een heel eind dezelfde weg terug als eergisteren, en slaan dan terug af richting kust. De picknick onderweg doen we in de auto, die we tot "no fly zone" verklaard hebben. De Spaanse vliegen zijn zo lastig dat we het er Spaans benauwd van krijgen.

In Kalbarri - dat aan de monding van de Murchison rivier met de oceaan ligt - vullen we nog eens het winkelkarretje, en halen nog wijn en ijs op bij de bottle shop. De campinguitbater is nog afwezig, maar een bord vermeldt dat we zelf ons plaatsje mogen uitkiezen. Met zicht op de rivier uiteraard. We drinken een VB-biertje in een dorpscafé/restaurant, waar men ons bijna buiten kijkt (tijd voor het avondmaal). In het dorp zelf is weinig te zien. Enkel een gigantisch aantal parrots maken een hels kabaal. En dan is het genieten op ons terras van het heerlijke weer. De windstoten moeten we erbij nemen.

Dag 15 - woensdag 4 december 2002 (Herman)

Een dirt road brengt ons naar het Kalbarri NP. Geen road , kan ik eens gaan 4x4'en. Aan de ingang is geen parkwachter te zien. Dan maar de fee onder omslag in de propvolle brievenbus duwen, en de pass op de voorruit plakken.

37 km verder stallen we de wagen en starten we de Loop Walk; gevolgd door een horde even enthousiaste vliegen. Eerst volgen we nog een vrij eenvoudig pad naar Nature's Window, een rots die helemaal doorboord is door de wind. En dan is het klauteren geblazen over grillige rotsplaten, en verderop over losliggend puin. We dalen langzaam af in een kloof, uitgesleten door de Murchison rivier. De gorge is roodbruin, met okergele strepen. De vliegen zijn hardnekkig; steeds blijven ze in onze neus en oren duiken. Het is bovendien bloedheet, en we moeten dan nog opletten om niet te struikelen op de rotsen (want de kloof is diep). Tweemaal springen kangoeroes voor onze voeten weg.

Voorbij een plaats met een massa cairns dalen we scherp af naar de rivier, en dan stopt alle bewegwijzering. We moeten blijkbaar links de rivier volgen, zo goed en zo kwaad als het kan over of onder de rotsmassa's kruipen. Na een tijdje geven we het op: het is veel te heet en we zijn niet zeker dat we het juist spoor volgen. De terugweg is een martelgang. Ondanks herhaald zonnecrème smeren beginnen we stilaan rood aan te lopen. Zelfs het aantal vliegen begint relatief te verminderen: ze zijn gevallen als vliegen. Na 2 ½ uur bereiken we terug Nature's Window, totaal verhit en uitgedroogd.

De airconditioned wagen brengt redding. Het blijkt 38° C te zijn ! Niet echt een wandelweertje.

Dan zetten we koers naar de Z-bend, waar de rivier een zorro-beweging maakt. Weer zo'n 20 minuten wandelen, gelukkig is onze vochtbalans hersteld. Wat een weergaloos uitzicht: diep onder ons kronkelt de rivier door de grillige gorge. Het fototoestel klikt ook herhaaldelijk van bewondering. De thermometer geeft ondertussen 42° C aan. Ik denkt dat ik straks in de koelkast ga kruipen.

Na de smos in de (bijna) vliegvrije auto en een wildlife fotosessie van Mireille, keren we terug naar Kalbarri- dorp, en bekijken we enkele uitzichtpunten op de oceaan verderop. Vooral Pot Alley kan ons bekoren: een arendsblik over een grillige rotskust. We gaan weer op de vlucht voor de vliegen en bekijken de overige look-outs op een drafje, de wandelingen laten we voor wat ze zijn.

Het Black Rock Café wil ons geen biertjes meer serveren. Ze zijn enkel licensed voor maaltijden. Cola en fruitsap dan maar, tweemaal graag, op de enige "koele"( toch nog zeer zwoele ) en vliegvrije plaats 50 km in de omtrek.....

Dag 16 - donderdag 5 december 2002 (Mireille)

De routine zit erin : tentje leegmaken, tentje afbreken en alles in de koffer proppen. En maar weer rijden, we vertrekken om 8 uur voor 595 kilometer richting Fremantle. De lucht ziet er wat betrokken uit, de thermometer geeft al 32° C aan. Maar hoe verder we zuidwaarts rijden, hoe zwarter de lucht wordt. Iets later zien we de eerste bliksemschichten links en rechts verschijnen, gevolgd door enkele luide knallen en hevige regenval.

Een kwartier later zien we plots de bush in brand staan. En inderdaad : de radio geeft aan dat in het dorpje Jervis Bay, waar we op enkele kilometer vandaan waren, 200 mensen geëvacueerd werden wegens bosbrand. Akelig ! Daarna zien we nog een twintigtal verspreide rookpluimen.

We houden onze gewoonte in stand en verorberen onze picknick in de vliegvrije zone van de Pajero. Omstreeks halfdrie in de namiddag vangen we een glimp op van de skyline van Perth en iets later parkeren we de auto aan het centrale plein van Fremantle. We gaan meteen op zoek naar een overnachtingsplaats. We vinden een hotelletje (Orient) maar zoeken ons te pletter naar een receptie. We lopen er wat rond en merken dat het meer op een jeugdcafé lijkt. Ook het Norfolk hotel is niet meteen waar we zitten op te wachten. We stappen dan ook het Tourist Information Centre binnen, waar de dame achter de balie zucht dat er nauwelijks nog kamers vrij zijn in de stad. Ze somt er nog enkele op, een pub met kamers, een B&B zonder private facilities. En o ja, ook nog een dure bed and breakfast. Daar opteren we dan maar voor, terwijl de dame voortdurend zeurt over 1 hardnekkige vlieg die rond haar hoofd zoemt. 1 vlieg, terwijl er daarbuiten miljoenen rondvliegen.

We logeren in Fothergills, een limestone huis uit 1892. Een ruime kamer met terras, een luxueuze badkamer met zelfs een badjas. Rond 5 uur is de stad al veel meer verlaten dan daarstraks. We kopen aan de kade alvast biljetten voor de overtocht van morgen naar Rottnest Island. Verderop zien we een groep aboriginals, een gedrogeerd koppel zwijmelt door de straten en dronkaards wankelen van links naar rechts. Maar aan de haven ziet het er al beter uit : terrasjes en restaurants alom. Veel van de restaurants zijn fish and chips. Die Australiërs zijn dol op die vettige smurrie.

Wij willen pizza en komen bij Bertini's terecht. Na het avondmaal lopen we langs South Terrace, waar de straat omgetoverd is tot één grote eetgelegenheid. Alle terrasjes zitten barstensvol. En dan switcht het beeld om van gezelligheid naar Miami Vice. We horen eerst een politiesirene, en dan het volk dat van de terrasjes opspringt. We zien een door het smalle straatje voorbijstuiven, met een politiewagen in het kielzog. Een man spurt achter de eerste wagen en gooiteen stoel in de voorruit. Daarna komt de wagen terug uit de andere richting, maait bijna enkele mensen van het voetpad, en dan een klap, benzinegeur en veel politiesirenes. De rodeorijder is frontaal op de politieversperring ingereden. Resultaat : 2 politiewagens vernield en nog enkele auto's zwaar beschadigd. Wat een stad ...

Dag 17 - vrijdag 6 december 2002 (Herman)

Mijn wandelschoen gezet. Sinterklaas niet geweest.

De ferry brengt ons in een halfuur vlotjes van de C-kade in Fremantle naar Rottnest Island. Daar staat voor ons slechts 1 fiets klaar, doch gelukkig hebben ze er nog enkele reserve mee. Maar we krijgen er ook meteen zo'n vervelende pothelm "gratis" bovenop - verplicht in Australië. Wat een onding : verschrikkelijk warm, knelt langs alle kanten, en je kan je zweet niet van je voorhoofd wissen of in je haar krabben. Bovendien moeten we voortdurend van die lastige vliegbeesten wegslaan. We slaan een praatje met een Belgisch koppel dat voor een half jaar Australië + Nieuw-Zeeland aandoet. Met onze kleine maand lijken wij hier wel verlengd-weekendtoeristen !

Het parcours oogt meteen sportief : heel golvend met korte opeenvolgende klimmetjes en afdalingen. Geen enkel stuk (behalve aan het informatiebureau) is vlak : ofwel op ofwel af. Het eiland is veel mooier dan verwacht : prachtige rotskusten, idyllische baaien en een kleurrijke vegetatie. En het is bloedheet, zeker met die pothelm..

De eerste baai die we aandoen heeft een zandstrand waar Mireille zich meteen al een paar uur wil neerleggen. Maar neen, wij zijn hier om te fietsen. We nemen een steile klim naar een van de twee vuurtorens en daar zien we ze : de quokka's. De beestjes zitten doodgemoedereerd op wat stukjes groen te kauwen, en laten zich nog vrij goed fotograferen (maar ze zitten wel in de schaduw).

Het eiland is volledig autovrij (op 1 pendelbusje na) en dus is het heerlijk fietsen. We peddelen tot Mary Cove en zetten ons dan op een rotspunt. Heerlijk in het zonnetje turen naar het opspattend water ... en 2 dolfijnen. We blijven er een hele tijd zitten, en het vergt heel wat overredingskracht met ons eigen ik om verder te gaan. De wind zit strak tegen als we naar het uiterste westelijke punt van Rottnest Island fietsen. We moeten dan ook hard op de trappers duwen. Het "tegenoverliggend verkeer" ziet er heel wat frisser uit.

Aan Cape Vlamingh groeit een fantastisch bloementapijt, helaas wat verknoeid door een gebruikelijke boardwalk. De terugtocht gaat heel wat vlotter (wind mee), maar nu slaan we alle zijpaadjes over (we kunnen niet alles doen).

En op precies 1,9 kilometer van het einde rijd ik lek ... Nog even duwen tot de "settlement" en dan de innerlijke mens versterken aan de Bakery en daarna aan een licensed (hoera) café. Hier lopen pauwen en baby-pauwen tussen de tafels door, lustig frieten oppikkend. En ook enkele toeristenquokka's (ongeoorloofd gevoederd door toeristen).

De boottocht terug is heel spectaculair met hoog opspattend water. Al wie links zit is alvast flink nat.

Vrijdagavond en dus is Fremantle immens druk. Ons avondmaal in (weeral) Bertini's is nog OK, maar ondanks herhaald aandringen moeten we het zonder wijn stellen.

Laat ons maar snel terug naar een nationaal park gaan !

Dag 18 - zaterdag 7 december 2002 (Mireille)

South West Australia, here we come !

Eén uur door de buitenwijken van Perth en Fremantle. Eindeloze winkelketens naast elkaar, rode lichten alom. Maar dan verandert het landschap, en bovendien wordt de weg een stuk smaller. Bossen, later tarwevelden en dan duiken plots de Stirling Range bergen op. Nog even inkopen doen in de general store in Cranbrook. Doet dienst als tankstation, take-away van worstjes en pasteien én supermarkt. Gelukkig vinden we er verse groenten en fruit, en ijs, meer hebben we niet nodig.

Via een stukje dirt road balenden we in het Stirling Range National Park. Heel de autorit hebben we temperatuur zien zakken van 27° C naar 19° C bij aankomst. Bij de ingang van het park hangt er zoals steeds weer een bordje "Caution, poison area". Volgens de uitleg die er bij staat leggen ze hier vergiftigd droog vlees om de vossen te bestrijden.

We besluiten om niet te kamperen, maar een chalet voor 2 nachten te boeken. En we hebben geluk : ondanks het weekend staat er nog eentje vrij. Een bed met donsdeken is toch comfortabeler dan een matras met lakenzak en fleecedeken bij zo'n 10° C 's nachts.

Na een instantsoepje vatten we een 5 kilometer lange wandeling rond het Stirling Range Retreat aan, op zoek naar kangoeroes. Op het einde van de wandeling staat de teller op acht, schuwe dieren in groepjes van twee. Er valt wat nattigheid als we een tweede wandeling willen oppikken maar het startpunt niet vinden. We lopen nog wat rond, doch meer dan enkele lawaaierige vogels krijgen we nu niet meer te zien.

Dag 19 - zondag 8 december 2002 (Herman)

Bluff Knoll. Hij heeft zijn naam niet mee, maar hij is met zijn 1073 meter wel de hoogste top van de Stirling Ranges. En daardoor ook populair : de autoparking is goed bezet.

Eerst ben ik in het Bluff Knoll café een pass gaan kopen die geldig is voor alle nationale parken van West-Australië. Een norse vrouw in nachtkleed roept "Only cash !" en gooit de pass op de toonbank. Hier kom ik zeker geen pintje drinken.

En dan moeten we onze naam nog gaan noteren in een beduimeld register onder een onopvallend houten afdakje.

Op 26 oktober 2000 brandde Bluff Knoll helemaal af door een blikseminslag. Tussen de zwartgeblakerde takken en stammen is er op 2 jaar tijd al een enorme nieuwe vegetatie doorgekomen : heel pittoresk.

De klim gaat over goed begaanbare trappenwegen en rotsen, maar is wel immens steil. De wilde bloemen zorgen voor een fantastische kleurenpracht. Spijtig genoeg is de hemel minder kleurrijk : grijs en bewolkt. Het is amper 17° C (of 25° minder dan enkele dagen geleden !). Na veel zwoegen en puffen komen we op een winderig "vlakker" gedeelte, en sneller dan verwacht staan we op de top (enkele rotsen). Het zicht is niet spectaculair omdat de omgeving heel vlak is.

De terugtocht gaat heel vlot. Tot tweemaal toe vallen klimmers ons bijna in de armen als we hen vertellen dat het nog maar 5 minuten tot de top is. Op het lagere stuk zien we hele gezinnen op weekenduitstap.

Na een hete soep gaan we in de namiddag naar het 60 kilometer verder gelegen Porongurup National Park. Daar pikken we een wandeling van 5,5 kilometer mee : Hayward and Nancy Peaks. Het pad start aan Tree-in-the-Rock, een boom bovenop een rots. Daarna klimmen we geleidelijk door een karri-bos om dan op een eerste rots aan te komen, met fraai uitzicht op de Stirling Ranges. Een bordje vertelt ons dat het de Haywood Peak is. Een pittige klim verder komen we aan nog zo'n rots, Nancy Peak. Die is genoemd naar ... een koe, die eens tot hier verdwaald was. Een koe met conditie !

Na Morgans View gaat het heel steil over een rotspad tussen de struiken en bloemen naar beneden, om datn te eindigen met een breed braaf bospad. We hebben niemand gezien op de hele wandeling. En bovendien lagen er veel omgevallen bomen op de paden, die hier en daar ook al wat overwoekerd waren. Veel volk zal hier niet komen.

We regelen nog even de overnachting voor de volgende dagen. Baywatch (!) Manor Resort heeft geen plaats meer vrij, maar in de Agusta Sheoak (wat een naam) Chalets wel.

En dan trekken we alle register open : feest ! 12 jaar getrouwd. Laat de kurken maar knallen.

Dag 20 - maandag 9 december 2002 (Mireille)

Op naar de zuidkust. De zon straalt, en de thermometer haalt zowat 20° C. Eigenlijk hadden we vandaag beter de Bluff Knoll beklommen, maar ja. Heel de tijd rijden we door "karri" wouden, afgewisseld met wijnvelden en -domeinen.

De oorspronkelijk geplande Giant Top Tree schrappen we, en in de plaats gaan we naar d'Entrecasteaux National Park (wie weet hoe spreken ze dat hier uit). De enige verharde weg gaat naar Windy Harbour. En wat een wind. De zee is heel ruw, de boten deinen verschrikkelijk heen en weer. Ik denk dat we ondertussen al zo'n 100 zee- en strandfoto's hebben ...

D'Entrecasteaux Point levert schitterende panorama's op, midden in een bloemenpracht : een palet van groen met blauwe bloementinten. Bij Salmon Beach spreken we de boterhammetjes aan. In Pemberton koop ik zowat alle rode en groene paprika's in voorraad, en dan is het maar een boogscheut meer tot Agusta. Het is wel even zoeken naar de Agusta Sheoak Chalets. Ze blijken drie kilometer uit het centrum te liggen. Een Aziatische vrouw is even verbaasd als ze ons ziet - haar hond is heel enthousiast. Chalet nummer 3 is de onze, met zicht op de Blackwood River en de weilanden. Het is een grote chalet, met maar liefst 3 slaapkamers, een goed uitgeruste keuken, microgolfoven, wasmachine, een terras en carport, een heus salon, TV en video.

Vandaag kunnen we de verleiding niet weerstaan om eens lamsvlees op het menu te zetten. Een uitstapje naar de lookout valt tegen. Wel een oriëntatietafel, maar geen vertezichten : bomen in de weg. We eindigen met een gezellig avondje bij de houtkachel.

Dag 21 - dinsdag 10 december 2002 (Herman)

Laat uit de veren. Als ik op ons zonovergoten ontbijtterras verschijn, is Mireille al volop bezig met blauwe vogeltjes te fotograferen.

Leeuwin - Naturaliste National Park, aan de naam kan je zien dat de Hollandse zeevaarders (de eerste toeristen dus) hier geweest zijn. Mooie rotspartijen langs de kust, een vuurtoren die op het raakpunt van de Indische en de Stille Oceaan ligt, en een vermolmd waterwiel dat voor waterbevoorrading voor de vuurwachters moest zorgen (einde 19de eeuw), veel meer is er niet te zien.

Bij 27° C zijn de vliegen wel paraat. We rijden in onze airconditioned wagen langs een scenic drive, maar de hoge struiken beletten elk vergezicht. We herdopen het dan ook in een "kzieniks" drive. Idem dito voor de panoramatafels, pijlen langs alle kanten, maar alleen bomen te zien.

Aan de vuurtoren vinden we een heerlijk plekje op de rotsen in de zon, vlieg-luw, en daar brengen we een verrukkelijk lui dagje door, met wat lectuur, starend naar de twee oceanen die tegen mekaar opbeuken, en we onderbreken dit enkel voor de ondertussen legendarische middagsmos.

Een poging tot zonsondergang "mislukt" wegens een teveel aan wolken. Gelukkig zien we wel nog enkele kangoeroes. Een ervan spurt in volle vaart over de baan. De laatste van deze reis ?

Dag 22 - woensdag 11 november 2002 (Mireille)

De laatste lange autorit in Australië. Van Agusta naar Perth, zo'n 410 kilometer. Op het hele traject laten we sporen achter : gasfles in de chalet, afwasteil, leeg mosterdpotje (allemaal niet meer nodig), en op 50 kilometer van Perth moet ook onze koelbox er aan geloven. In Margaret River, bekend als wijngebied, kijken we nog even rond. Gezellig : hier zijn tenminste terrasjes. Ook de temperatuur ligt hier merkelijk hoger. Voor de rest is het een autorit met opmerkelijk meer verkeer dan de vorige dagen. Omstreeks drie uur in de namiddag rijden we Perth binnen en staan ogenblikkelijk aan het Sheraton Hotel. De check-in verloopt efficiënt zodat we tien minuutjes later al terug de stad in kunnen (bij een temperatuur van 39°C asjeblieft). Het wordt dus meteen een zoektocht naar een terrasje. Oef, we vinden er een aan de Swan River.

's Avonds gaan we op de Japanse toer. De keuze in het Seizan-restaurant is moeilijk : we zouden bijna alles willen proeven. We houden het tenslotte op een sushi-sashimi-combinatie, met misosoep en een slaatje. Er liggen alleen stokjes op tafel. Herman durft wel eens vals te spelen door de sushi in zijn handen te nemen. De luidruchtige stoere Aussies naast ons eten hier met stokjes alsof ze nooit anders gedaan hebben. De bediening is vriendelijk en gracieus. De in kimono gehulde dames zweven als het ware door het restaurant. De tafeltjes zijn zo opgesteld dat je van ver de indruk hebt dat je op kussens op de grond moet zitten. Maar door een uitsparing in de vloer kan je toch neerzitten. De tepanyaki ziet er spectaculair uit : dat neem ik volgende keer ...

Dag 23 - donderdag 12 november 2002 (Herman)

... maar we moeten naar huis. Tasmanië was fantastisch mooi maar toch nog te weinig wandelingen, West-Australië is een beetje tegengevallen : immense afstanden en al bij al weinig te zien.