Chili en Paaseiland

Donderdag 19 november 2009 (Herman)

Chili is een land aan de lopende meter. 4300 kilometer lang en gemiddeld slechts een honderd kilometer breed, stel je voor.

Twee jaar geleden heeft onze reis zich dan ook beperkt tot het zuidelijke Patagonië. Om het land alle recht en eer aan te doen komen we nu ook een kijkje nemen in het noorden. Na een 4x4-trip door de Atacamawoestijn en het Parque Nacional Lauca sluiten we af met een dikke week op het mysterieuze Paaseiland.

Maar eerst een weerzien met Santiago de Chile. Ik heb op de nachtvlucht prima geslapen dankzij de "oortjes" aan de zetels. Mireille heeft daarentegen noch wat slaapuurtjes te goed. Onze reiskoffers draaien aan de kop van het peloton de bagageband op. We spotten onze chauffeur helemaal achterin het gedrum en wat later vinden we onze enorm grote kamer twaalfhoog in het toffe maar wel drukke hotel Galerias.

Net als twee jaar geleden beginnen we met een middaghap aan het levendige Plaza de Armas. Op krak hetzelfde terrasje als toen, en weer met de klassieker lomo a lo pobre (steak met spiegeleieren). Met veel bier want we hebben dorst. De jetlag slaat toe. Op het plein zien we schilders, portrettisten en muzikanten van alle slag. Elk plekje is volgeplakt met verkiezingsaffiches. Zelfs de bomen zijn niet veilig. Binnen een kleine maand wordt immers de nieuwe president verkozen. Met een tandpastaglimlach wordt een gouden toekomst beloofd.

Het is niet echt koud (zowat 20°C) maar een dik wolkendek schermt alle zonlicht af. We rekken de namiddag noch even met een hernieuwd bezoek aan het schitterende kleinschalige Museo de Arte Precolombino (we moeten uitkijken dat we niet te veel in herhaling vallen). Om 18 uur zien we nog net hoe Herman Van Rompuy (eer-maan vaan rompie zeggen ze op de BBC) tot eerste president van de EU verkozen wordt vooraleer we helemaal in slaap vallen ... om 13 uur later terug wakker te worden.

Vrijdag 20 november 2009 (Herman)

We nemen een “ida y vuelta”-ticket voor de metro en stappen af aan de halte Pajarito. Daar reserveren we onze plaatsen op de bus naar Valparaiso ... die binnen de 5 minuten vertrekt zodat Mireille het toiletbezoek aan olympisch tempo moet afleggen. Anderhalf uur autocar brengt ons voorbij stadswijken met allemaal dezelfde huizen, krotwoningen en wijngaarden.

Vanaf de bushalte van Valparaiso moeten we nog een heel eind te voet naar het oudere gedeelte. De stad staat op de werelderfgoedlijst van de Unesco en bestaat uit maar liefst 45 heuvels vol nauwe straatjes waarvan de steilste stukken overwonnen worden door kabelspoortjes en trappen. We laten de ongezellige haven rechts liggen en voorbij een nostalgische trolleybus klimmen we een straat naar boven. We passeren een eerste kabelspoor maar puffen moedig verder naar boven tussen kleurrijke maar ook veel vervallen huizen met steile trappen. Veel wegeniswerken en dat is nodig ook want de keienstraatjes liggen er in slechte staat bij. Boven loopt de straat dood en op aangeven van een inwoner klimmen we trapjes naar boven voor een arendsblik over de Cerro Concepcion, een van de vele wijken. Honden liggen languit te slapen, maar op de platte daken worden we agressief toegeblaft.

We dalen terug af en klauteren een andere weg naar boven, nu over veel trappen langs de zijkant. Hier is het ietwat toeristischer, met een aantal hospedajes en restaurantjes. En veel muurschilderingen. Aan de Ascensor Concepcion, uit 1883 en daarmee de oudste lift, zien we een uitnodigend terras met blik over de oceaan en Viña del Mar. We krijgen een krant in onze handen geduwd, wat tussen de artikels ook een menuoverzicht blijkt te bevatten. Een menukaart van Turri, volgens onze ANWB-reisgids een toprestaurant. En inderdaad, de zeebaars en krabpastei met ensalada chileno en wit wijntje smaken overheerlijk. Na wat ellebogenwerk verwerft de zon eindelijk wat kijkgaatjes tussen het wolkendek, wat de obers meteen tot overmatig parasolplaatsen aanzet.

Na de heerlijke maaltijd nemen we een kijkje in de Concepcion-lift, een gammel houten geval. Mireille wil meteen weer uitstappen doch de deuren sluiten en tien seconden later staan we al beneden. Toch wel efficiënt, en spotgoedkoop.

El proximo, vraag ik aan het loket van Pullman. En we krijgen 21.15 uur op onze kaartjes genoteerd. Oeps, had ie toch wel "el ultimo" verstaan. 16 uur, dat klinkt al beter. Kunnen we weer op tijd gaan slapen ...

Zaterdag 21 november 2009 (Mireille)

Putteke nacht begint Herman zijn gsm vrolijk te piepen. Dum dum, teredum,.....

O ja vroege vlucht naar Calama. Atacama here we come.

Al heel wat volk op de luchthaven. Automatisch inchecken lukt nog niet met onze documenten. Gelukkig gaat het ook nog op de ouderwetse manier.

Dan nog even moeilijk doen over wat we juist wensen als ontbijt. Muffins of een broodje met kaas en ham, of toch maar niets van dit alles, of toch maar. Gelukkig geraken we na enige tijd toch uit dit dilemma.

Na een rustige vlucht van 1uur en 40 minuten, met spectaculaire zichten op een desolaat maanlandschap, nemen we onze huurwagen in ontvangst. Een zilvergrijze Nissan X-trail Classic.

Al spoedig rijden we over een kaarsrechte weg door het uitgestorven landschap. In de verte lonken de Andespieken. De straalblauwe lucht, de roodbruine woestijn en het grijze asfalt vormen een fraai eentonig spektakel, slechts af en toe onderbroken door een andere auto. Regelmatig zetten we de wagen aan de kant en proberen we het desolate landschap digitaal vast te leggen. Eenzaam in het landschap staat een guanaco. Wat later staat er zelfs een vlak bij een officiële parking een fotosessie te geven. Ons fototoestel draait op volle toeren.

Bij een graftombe parkeren we de auto nogmaals en staren vol bewondering naar het adembenemende landschap, dit laatste letterlijk en figuurlijk. We zitten immers op een hoogte van 2550 meter. Vlak onder ons ligt als een groene oase te schitteren. Net een fata morgana.

Bij het binnenrijden van San Pedro de Atacama grazen er zelfs enkele zwart-witte koeien. Het kleine stadje puilt uit van de eenrichtingsstraten, zanderig en onverhard. Moeilijk om ons hotel te vinden. We zetten de auto op een zanderig plein – de gemeentelijke parking – en gaan op zoek naar het Casa de Don Tomas. Het blijkt toch nog eventjes uit het centrum te liggen. Met een waypoint op de gps vinden we later het hotel vlekkeloos terug. De kamer komt pas vrij om 15 uur, maar we kunnen al een kopje koffie of thee drinken. Intussen proberen we de wifi uit. Wat trager dan thuis, maar toch steeds handig.

< Wat later lopen we terug door het centrum op zoek naar een gezellig lunchadresje. We komen er verschillende tegen en opteren ten slotte voor Ayllu. Een gezellig binnenpleintje met bomen in een pril voorjaarsjasje, hier en daar houten banken en tafels die al dan niet in de schaduw liggen. De pebre is alvast heel lekker. De vegetarische pasta is iets te gul met olijfolie overgoten. Na de rustige lunch met Escudobiertjes, eigenhandig door de ober met de fiets gehaald, dwalen we door het dorpje en nemen nog enkele foto’s van de pittoreske witte kerk. Dit straalt rust uit in een plaats die gekenmerkt wordt door roestbruine adobemuren, die volledig in overeenstemming zijn met het omliggende landschap. De rest van de middag brengen we aan het zwembadje door, lezen, mijmeren en een verslagje schrijven.

Morgen willen we op eigen houtje met onze jeep rondtrekken doch de uitstap naar de Tatiogeisers willen we de dag nadien georganiseerd aanpakken. Een ruime keuze aan toeristenbureaus doch welke is de beste? Na lang twijfelen stappen we een eerste kantoortje binnen doch de dame kan ons voor maandag geen tocht aanbieden. Bij de buurvrouw hebben we meer succes. Maandagochtend om 4 uur (!) vertrekken en de avond ervoor geen alcohol drinken en geen rood vlees eten. We gaan de hoogte in. We kopen nog wat bananen en veel water en kiezen dan voor restaurant Estaka. Rood vlees eten en wijn drinken ...

Zondag 22 november 2009 (Herman)

Om 9 uur staat onze 4x4 vertrekkensklaar. Het is al bloedheet en het warmste van de dag moet nog komen. We maken een eerste tussenstop in het woestijndorpje Toconao, met parelwitte huizen en zanderige straatjes. De 4x4 komt hier goed van pas. Een klokkentoren met drie niveaus uit 1750 staat enkele meters van de San Lucaskerk. Er is een trouwfeest aan de gang. Een eind verderop steken we ongemerkt de Steenbokskeerkring over en dan bereiken we het piepkleine Socaire, nog een precolumbiaans dorp. We zijn ondertussen geruisloos tot boven de 3000 meter geklommen. Maar we voelen het wel aan onze ademhaling. Socaire dus, weer een kerk met klokkentoren aan een pleintje.

Om de hoek zien we een toeristenbusje stoppen en we gaan ook een kijkje nemen. Een nog fraaiere kerk met strooien dak en losstaande toren van ruwe steen. We stappen een winkeltje binnen maar: no pan. Moeten we voor naar San José, daar is een (warme ?) bakker. 't Zal voor een andere keer zijn.

Voorbij het dorp stopt het asfalt en 4x4'en we over een steenslagweg tussen toefjes paja brava (een soort schapengras). We rijden hier al de hele dag zo goed als alleen. Kilometers in de omtrek geen wagens te zien. 15 kilometer verder volgen we een afslag naar de lagunes van Miscanti en Miñiques. Enkele lastige, rotsige passages en dan zien we in de verte een wagen staan. Er loopt iets hondachtig voor. Het dier loopt tot aan onze auto en vlijt zich dan in het groen neer. Een zorro, een andesvos.

Wat verder stoppen we voor een strak gespannen touw. 4000 peso betalen aan een Indiaanse vrouw die op een maquette alle bezienswaardigheden en wegen aanduidt. En vooral: waar we niet mogen komen.

Er is net een toeristenbus gestopt en we moeten flink uitkijken om op het precaire zandwegje niemand aan te rijden. We parkeren de wagen langs de zijkant en kijken vol bewondering naar het azuurblauwe Miscantimeer met de gelijknamige vulkaan op de achtergrond. We stappen er een eindje langs (puf, puf, we zitten op 4300 meter hoogte) en zien een groepje flamingo's aan het water. Wel nogal ver om scherpe foto's te kunnen maken, zelfs met ons statief. Miñiques is al even fraai, weer met een vulkaan (Miñiquesvulkaan dus) in het achtergrondkoor. Maar nu met vicuña's op zoomlensafstand. Ze buitelen vrolijk in het zout van de lagune.

Op de terugtocht maken we nog een ommetje langs de zoutvlakte van Atacama en stoppen even aan de Quebrada de Jere, een groene kloof waar de inwoners van Toconao aan hun zondags zwempartijtje bezig zijn.

Om half vijf "back in town", zwembad, warme banaan (ze lagen in onze verhitte autokoffer - oeps, onze tomaten liggen er ook - morgen tomatensaus ?), foto's downloaden (is die scherp of niet?), in de schaduw genieten (het is nog altijd immens heet) en Mireille baantjes zwemmen.

Maandag 23 november 2009 (Herman)

Vakantie ... dat is om half vier 's nachts opstaan. De schuld van de Tatiogeisers die alleen maar in de ochtendlijke uren tot actie willen overgaan.

Om vier uur zullen we met een minibus worden opgehaald. Het is al zwoel maar we hebben ook genoeg warme kleren in onze dagrugzak mee om een Eskimo in verlegenheid te brengen. O, misschien eerst nog een paar flessen water uit de auto halen. Wij zitten in een zijgedeelte van het hotel met aparte ingang. We sluiten het poortje achter ons en merken dat de zijpoort van het hoofdgedeelte gesloten is. En ook de hoofdpoort is gesloten. Mireille wil dan maar flesjes water uit de kamer gaan halen maar ze stelt vast dat we ons buitengesloten hebben! We vinden gelukkig een bel naast de poort en de nachtwaker laat ons laconiek binnen.

Busje komt zo. Na een halfuur wachten komt onze minibus eindelijk aangesjokt. We zijn de eerste passagiers. En dan begint een zoektocht naar de andere hotels. Die blijken enorm verspreid te liggen in de meest donkere en afgelegen straatjes. Op één adres moet de chauffeur een roestige poort openduwen om dan vast te stellen ... dat er geen hotel meer is. Op alle andere plaatsen moet hij een uitgebreide speurtocht ondernemen eer de toeristen opdagen. En die verschijnen dan dik ingeduffeld ... bij 20°C. Rare jongens, die toeristen.

Als we uiteindelijk toch vertrekken zien we hier en daar nog groepjes slaapdronken toeristen staan wachten op hun minibus. Het onverharde pad gaat vrij snel de hoogte in en we doorkruisen twee riviertjes. In het pikkendonker kiest onze chauffeur Ivan voor alternatieve wegen over hobbelig terrein - lastig om het gebrek aan slaap in te halen. Ondertussen zit hij voortdurend met zijn iPod mee te zingen. Anderhalf uur later komen we aan de ingang van het domein op 4300 meter hoogte. Bij -3°C. In de verte zien we de geisers reeds opborrelen. Net een hele hoop kampvuurtjes bij elkaar. Ivan zet meteen een gepast andesmuziekje op. We gaan naar een borrelpoel kijken. Uit een gat komt een hoop gerommel, water borrelt op en met veel zin voor drama komt er een plotseling een gigantische stroom heet water met veel kracht naar boven gestoven. Tot wel twintig meter hoog. Toch wel spectaculair. We lopen voorzichtig tussen de geisers en ik zie Mireille tientallen foto's van stoom nemen. Stomende foto's!

De Tatiogeisers zijn de hoogstgelegen geisers van de wereld. De ondergrondse poeltjes bevriezen 's nachts en onder de warmte van de opkomende zon smelt het bovenste laagje ijs en explodeert het onder druk staande water uit de krater. Na een halfuur zijn we omringd door een massa waterdampfonteinen. Aan de andere kant staat ons ontbijt op een muurtje te wachten. Koffie, thee, brood met jam of kaas en koekjes.

Daarna passeren we warmwaterbaden en enkele goed afgebakende geisers. In een ervan al zijn de voorbije jaren al drie mensen omgekomen en drie zwaargewond. De zon brandt intussen ongenadig en de activiteit van de geisers neemt af.

Op de terugtocht krijgen we heel wat fauna te zien. Vicuña's, alpaca's, lama's (neen: llama's !), nandoes, flamingo's en vogels van diverse pluimage. En sublieme landschappen.

Daar krijgen we honger van en in het centrum van San Pedro kiezen we voor een slaatje. Na een welverdiende siësta stappen we onze eigen jeep in en gaan voor avondfotografie in de Valle de la Luna. Aan de ingang moeten we eerst nog een klein museum bezichtigen en aan een eerste stop moeten we kiezen. Rechts grotten en een kloof en links uitzichtpunten en rotsformaties. A la izquerda. Aan een eerste viewpoint krijgen we al meteen schitterende maanlandschappen en versteende zandduinen te zien. De stilaan zakkende zon zorgt voor mooie diepe kleuren. Op een eerste parking stal ik de wagen keurig in achteruit zoals het hoort. We klimmen een steile zandige heuvel op voor een arendsblik over de vallei. De wind waait ondertussen erg strak maar het blijft zwoel. Aan een tweede punt fotograferen we enkele bizarre rotsformaties.

En verderop zwaait de nadarafsluiting voor ons open ... en staan we terug buiten het domein. Tommetoch, het is kleiner dan we dachten. En het plannetje is onduidelijk. Wat verderop op een breder stuk draaien en dan achter een bus en twee jeeps aanschuiven om terug binnen te geraken. Iedereen staat ondertussen op de eerste parking voor de zonsondergang. Wij terug de heuvel op waar nu massa's mensen geduldig staan te wachten. Op een al bij al niet spectaculaire gebeurtenis. De zon verdwijnt immers niet achter de horizon maar achter een heuvel zodat de rode kleuren uitblijven. Na de zonsondergang spurten wij terug de heuvel af en slagen erin om de file voor te blijven.

's Avonds vinden we een tof restaurant Milagro. Steak rond een kampvuur. Sfeervol en gezellig. En daarna massa's sterren tellen. 2456, 2457, 2458, ...

Zzz.

Dinsdag 24 november 2009 (Mireille)

Hé alle tijd vandaag, dus rustig ontbijten, met eieren, vreemdsoortige fruitsapjes, quinoabrood en cake.

Aan de receptie toch maar eens informeren waar we een tankstation vinden. Oh niet ver hier vandaan, eerste straat rechts en dan links. Copec is de naam. Een smal bochtig zanderig straatje door en dan verwacht ik een hoofdweg, maar niets is minder waar. Een even zanderige weg waar aan een toegangspoort van een hostal een bord Copec aanduidt. Dan vlak voor de ingang van het gastenverblijf gaat er een weg naar rechts en ligt daar goed verscholen een echt tankstation. Op zo’n plaats zouden wij het nooit gaan zoeken zijn.

Volgetankt ga we op zoek naar Pucara de Quitor. Gelukkig heb ik al wegwijzers gezien en vinden we het vlekkeloos. Wel tweemaal de rivier doorrijden, ja daarom hebben we ook de 4WD. Deze oude vestigingsplaats die tegen de helling is aangebouwd, is zeker de moeite waard. Kleine eenkamerige huisjes met twee piepkleine ramen, opslagplaatsen, patio’s en smalle steegjes. Subliem uitzicht vanboven op de groene ravijn. We slenteren rustig door het ruïnestadje, blijven op het hoogste punt wat zitten op een rosblok en verlaten wat later Quitor.

Tijd om de flamingo’s te gaan zoeken. Terug richting Toconao. Iets zuidelijker is er een afslag naar Laguna Chaxa. Het desolate landschap wordt hoe langer hoe eentoniger. Tegenliggers zijn op een hand te tellen. De laatste kilometers lijkt het landschap op een grof omgeploegde akker die bij nader inzien volledig verhard en uitgedroogd is. Het lijkt levenloos, maar dat is bedrog. Vogels, salamanders en wie weet wat nog allemaal hebben het hier naar hun zin. Waar de weg eindigt staat een stenen gebouwtje Voor zesduizend peso’s mogen we over een 400 meter lang wandelpad langs de laguna lopen. Het is een uniek schouwspel. Chileense en andesflamingo’s doen zich tegoed aan alles wat er in het zoute water te vinden. De volmaakte stilte wordt af en toe eens onderbroken door een zachte kreet van een van de waadvogels. De blauwe lucht de witte schittering van het zout en het witroze van de flamingo’s is adembenemend. Dus ook hier leven we ons digitaal uit.

Een uurtje later zoeven we weer naar San Pedro en vlijen we ons neer op het terrasje van La Plaza en eten er een lekkere sandwich.

Dan is het nog even tijd voor het archeologisch museum, dat mede tot stand gekomen is door een Belgische pater Le Paige. Deze vrome man verzamelde allerlei historische voorwerpen op zijn lange wandelingen in de omgeving. Al die dingen zijn nu netjes bij elkaar gebracht. Mooi maar voor niet Spaanstalige toeristen is het niet al te gemakkelijk om te weten waar men juist naar kijkt.

We ondernemen nog een poging om te gaan shoppen en zoeken even later een rustig hoekje op aan het zwembad. Rustig verslagje schrijven, boekje lezen. Ja, vandaag was het thema ‘Rustig’.

Woensdag 25 november 2009 (Mireille)

Lichte nevel over San Pedro de Atacama, dus wordt het tijd om onze koffers te pakken.

Eerst honderd kilometer richting Calama en dan vervolgens over de highway 16 tot aan de Panamerican highway (nr. 5) naar Iquique. De 500 km lange weg bestaat voor 95% uit het meest desolate en eentonige landschap dat men zich kan voorstellen. Amper andere auto’s, en helemaal geen aanduidingen of wegwijzers te zien.

Plots verschijnt er wel aan blauw bord met een aanduiding met de tekst: Control obligado. Dus besluiten we maar te stoppen, maar wat er van ons verwacht wordt is ons niet helemaal duidelijk. Gelukkig stopt er nog een wagen en zo stappen wij maar achter hen aan. Blijkbaar moeten we ons eerst aan een ander loket registreren. Nadien gaan we weer op zoek naar de douanebeambte, die juist aan zijn welverdiende siësta begonnen is. “Continuar !”, bromt hij onvriendelijk tegen Herman. Dat laten we ons geen tweemaal zeggen of zoef weg zijn wij.

Op zo'n 100 km voor ons einddoel vinden we eindelijk een tankstation (het werd hoog tijd).We gooien onze tank vol en rijden we verder tot het spookdorpje Oficinas Humberstone. Ooit een van de vele salpetermijndorpjes uit vorige eeuw. Herman is helemaal begeesterd door de charme van het dorpje. Een schooltje, de kerk, de mercado, maar ook een groot zwembad met tribune en springplanken. Een klein hotel met eetzalen en 5 gastenkamers, en een groot theater met zitplaatsen voor 800 man.

De laatste 45 km worden drukker en eindelijk laten we de hoogvlakte achter ons. De woestijn blijft ons tot het einde gezelschap houden.

Iquique lijkt veel groter dan verwacht, maar gelukkig vinden we de Plaza Prat redelijk vlot. De auto stallen we in de ondergrondse parking van de plaza. Inchecken neemt ongelofelijk veel tijd in beslag. En blijkbaar heeft het hotel een eigen parking. Zonder enig probleem verhuizen we de Nissan naar de hotelparking. Aan de Pacific is er niets te beleven. We zien enkel maar lelijke, afgebladderde appartementsblokken en veel zwerfvuil. In het centrum staan de voormalige trams als kinderspeeltuig en museumstuk. Wij gaan er voor een terrasje en een vers geperst fruitsapje.

Casino Español is in een kitcherige Moorse stijl gebouwd maar huisvest een upper class restaurant. Eerst een pisco sour in het salon met comfortabele zetels, dan een prima maaltijd in het jammer genoeg zo goed als lege restaurant, onder de tonen van een straatmuzikant vlakbij.

Donderdag 26 november 2009 (Herman)

Weer een lange trip voor de boeg. 450 kilometer met het bergdorp Putre als einddoel.

Eerst nog wat manoeuvreren op de kleine binnenparking van het hotel. Enkele wagens hebben ons helemaal ingesloten. En de hotelbediende trekt er zich geen barst van aan. De poort is open, meldt hij laconiek.

De navigatie (Mireille met verschillende kaarten in de aanslag) doet het dan een stuk beter en zo rijden we al snel het drukke Iquique uit. Even nog wat druk, maar voorbij Humberstone rijden we haast weer helemaal alleen op de highway. We beginnen de dorre woestijnbeelden stilaan wat beu te worden. In Arica vinden we geen borden naar Putre maar navraag in het benzinestation leert ons dat het altijd maar rechtdoor is. Wat niet helemaal klopt want eens buiten Arica moeten we links een steile bergweg op. Diepe afgronden zonder wegafbakening, en dus hoogtevreesgevoelig. Gelukkig wordt de weg verderop alweer wat breder. Aan een splitsing tonen carabiñeros ons de juiste weg, en vanaf dan komen talloze vrachtwagens - opvallend veel uit Bolivië - de helling afgereden. Op een laatste steil stuk worden we even wat opgehouden door een defecte bus en vrachtwagen.

Hotel Las Vicuñas ligt meteen aan de ingang van Putre. Een reeks oude mijnwerkerswoningen die nu omgevormd zijn tot bungalows met verschillende kamers. Aan de balie vraag ik naar niet-rokers. Tuurlijk kan u roken, antwoordt de dame. Neen, dat willen we juist niet. En dan kan mevrouw niet meer volgen ...

Het is koud, niet verwonderlijk op 3500 meter hoogte. En bovendien laat de zon het afweten. We lopen het zo goed als uitgestorven dorpje in. Geen toeristen te zien, alleen maar militairen. Een paar kleine hotelletjes, enkele gesloten cafés, wat winkeltjes, veel vervallen huizen. Een centraal plein met een kerk. Ook gesloten. Maar daar komt een man met een gigantisch grote sleutel aangestapt en wenkt ons om binnen te komen. Overdadig versierde heiligenbeelden, Jozef op een ezel, houten banken. Ondertussen nemen ze de maat van een heilige. Kerstkleren breien? Naast de kerk staat een witgekalkte altiplanoklokkentoren met strooien dak.

Vanuit onze kamer zien we mannen te paard en felgekleurde vrouwen alpaca's, geiten en koeien voortdrijven. Voor de rest valt er weinig te beleven in Putre. Hoe gaan wij hier drie avonden vullen ? Even bespreken bij een aperitiefje. Oei, de bar van het hotel blijkt ook gesloten. Unhappy hour. Zeker voor deze Belgen. En het restaurant is gereserveerd voor een of ander congres (toch die militairen niet zeker ...).

Vrijdag 27 november 2009 (Mireille)

Gewekt worden door de zonnestralen!

Na een eenvoudig afgemeten ontbijt, gaan we op zoek naar picknickingrediënten. De broodjes zijn nog niet geleverd en dus opteren we voor chocolade gevuld met abrikozenyoghurt, koekjes en bananen.

En dan volgen we verder de Ruta 11 die dwars door het Parque National Lauca loopt. Overwegend zwaarbeladen vrachtwagens kruipen over de hellingen naar boven. Wat verder zien we een gekantelde camion een paar meter lager in de berm liggen.

Na 14 km bereiken we het park. Intussen hebben we al massa's vicuña's zien grazen. Borden langs de weg maken ons attent op de oversteekplaatsen van deze grazers. Bij het kleine visitor’s office komt de ranger ons onmiddellijk begroeten.

Twee personen uit België, zonder gids, komende uit Putre. Zo komen wij in zijn statistieken te staan. Hij maakt ons attent op het goed gemarkeerde wandelpad, waar we zeker allerlei dieren zullen kunnen observeren. En ja hoor: rustig grazende vicuña’s, zonnebadende vizcacha’s, op spechten lijkende vogels en dan nog ganzen zitten verspreid over het groene moerassige land (hier bofedales geheten).

Na de wandeling geeft de vriendelijke Conafmedewerker ons nog wat uitleg over andere mooie uitzichtpunten. De eerste afslag leidt ons naar een kraal voor lama’s, daterend uit de Incatijd. Intussen wordt het alsmaar donkerder en horen we zelfs enkele donderslagen. Dan krijgen we eerst een regenbui over ons die vervolgens overgaat in fikse hagel. De besneeuwde toppen van de vulkanen verdwijnen in de mist. Toch rijden we door naar het hoogstgelegen vulkaanmeer Lago Chungara. Watervogels zoals roze flamingo’s en eenden zijn naarstig op zoek naar voedsel. De aanblik op de verschillende met sneeuw bedekte vulkanen wordt ons echter ontnomen. Dus beslissen we om morgen iets vroeger naar hier terug te komen. Nu houden we het bij een picknick in de auto, want op een hoogte van 4750 meter bij regenweer is het net iets te koud.

We rijden dus maar terug naar Putre, waar we onze middag doorbrengen met het bekijken van de foto’s en het lezen van een boekje. En dan wordt het eens tijd om de auto bij te tanken. Bij navraag aan de hotelreceptie blijkt dat er geen benzinestation in het dorp is, maar dat er in de hoofdstraat wel brandstof te verkrijgen is. We moeten in het Cofa-supermarktje zijn. En ja hoor, maar niet in de hoofdstraat maar wel in de parallelle straat, waar we over een hobbelig braakliggend stuk land aan de achterkant van de winkel komen. Wat manoeuvrerend geraakt Herman op de binnenkoer. Twee vijf literflessen en een darmpje worden naar de auto gebracht. De man blaast in de fles en via het principe van communicerende vaten geraakt de benzine in de auto. Wat later zie ik dat de flessen zelf uit een grote ton komen. Zo nu weten we hoe ze in Chili aan brandstof komen, want benzinestations zijn maar met mondjesmaat te vinden.

Weinig tafeltjes bezet in restaurant Rosamel. Vast menu: groentesoep en pollo asado. Navraag leert dat ze wijn hebben. Lange zoektocht, en dan blijkt het zoete wijn te zijn. Twee militairen drinken een paar glazen sterke drank. Een ervan geeft bij vertrek alle aanwezigen een hand ... en mij een zoen.

Zaterdag 28 november 2009 (Herman)

Hoera mooi weer! Stipt om half acht staan we aan het ontbijt en een half uur later zijn we reeds "en route" voor dezelfde tocht als gisteren. De vrachtwagen die gisteren van de weg was geraakt ligt nog steeds in de berm. Wat verder zien we een gekantelde oplegger. Het eerste stuk is heel bochtig en steil, daarna wordt het vlakker maar met veel gaten in het wegdek.

We wuiven even naar de carabiñeros aan de controlepost en rijden dan meteen door naar het Lago Chungara. We staan helemaal alleen op de parking. Het wateroppervlak krioelt van de vogels. Flamingo's balanceren op 1 poot. Een zwarte vogel rust uit op een rots. We tellen een achttal vulkanen rond het meer. Een ervan is van de perfecte fotogenieke soort: een mooie conische vorm, een duidelijke krater en sneeuw als poedersuiker tot halfweg de flank. Aan het einde van de vulkanengordel zien we een actief exemplaar met rookpluim. En dat allemaal bij een helderblauwe lucht met een eenzaam wolkje als toeschouwer.

We volgen een wandeling langs de waterlijn en zien eenden hun nesten bouwen. We blijven een half uurtje naar het schouwspel kijken. Op minder dan tien meter afstand hebben we zicht op een pietje-precies: elk takje en blaadje wordt zorgvuldig op de juiste plaats gelegd. Mireille zit ondertussen maar massa's foto's te nemen: dat wordt zwaar selecteren thuis. Aan een kraampje koopt Mireille vervolgens een sjaal, een wandtapijtje en een tasje. De man laat zich enthousiast met mij fotograferen.

Op de terugweg volgen we een vier kilometer lange onverharde zijweg naar het indianendorp Parinacota. Een prachtige witgekalkte kerk uit de achttiende eeuw tussen ruwe muren en met een afzonderlijke klokkentoren vormen de uitzonderlijke pracht van dit dorpje. Op het plein zien we enkele kraampjes met voornamelijk altiplanokleding, en een cafeetje met één (1) tafeltje met een heetwaterthermos. We moeten even wachten op de uitbaatster die vervolgens buiten adem toekomt. Een nescafé en een thee, en graag een sandwich? Niet beschikbaar, maar wel een sopaipilla. Blijkt een dunne deegpannenkoek te zijn. De dame komt vragen of we het lekker vinden. En of!

We volgen nog een zijpad over een jeeptrack en zien stilaan grotere wolken aan de hemel verschijnen. Op de terugweg naar Putre worden we dit keer wel tegengehouden aan de controlepost. Documentos! Oei, ligt mijn rijbewijs niet op de kamer? Als hij hoort dat we niet van Bolivië komen maar van het meer mogen we toch verder rijden. Verderop wordt aanstalten gemaakt om de gekantelde vrachtwagen uit het meters lagere veld te trekken, terwijl een politieman de schade opmeet aan de oplegger wat verderop. Zon in overvloed in het dorp - dat wordt nog een namiddag genieten.

Het beste restaurant van het dorp, Kuchu Marka, zit overvol. Het is zaterdagavond. We kiezen voor een koud plaatsje in de overdekte achteraanbouw. We zijn uitgehongerd ... en moeten maar liefst een uur en een kwartier wachten eer we onze bestelling kunnen doorgeven. Kippensoep met quinoa gevolgd door tortilla met ensalada mixta. Heel lekker en dat voor amper 5000 pesos per persoon (7 euro).

Zondag 29 november 2009 (Mireille)

Dromend van krentenbrood, muesli en vers geperst fruitsap, lopen we naar het magere ontbijt van het hotel in Putre.

Vandaag dalen we weer 3500 meter af, om een lui dagje in Arica door te brengen. De Panamericana ligt er verlaten bij. Alleen wat autotransport richting Bolivia. In onze richting zijn de vrachtwagens op een hand te tellen. Vlak voor het binnenrijden van de buitenwijken van Arica, zien we voor het eerst de geoglifos. Afbeeldingen van voornamelijk vicuñas op de bergflank,van zo'n duizend jaar oud.

Het is nog geen middag als we de parking van hotel El Paso oprijden. Het oogt er druk doordat de Chilenen massaal uitchecken na een weekendje Arica. Wij hoeven gelukkig niet al te lang te wachten op de sleutels. Een grote ruime kamer met zicht op het zwembad en met een aangenaam terrasje. Wat een verschil met de vorige dagen. We gooien onze koffers in de kamer, doen wat luchtiger kleding aan en zijn klaar voor de verkenning van de stad. In het Parque Brasil is het druk, gezinnen met kinderen zitten her en der verspreid. Kinderen en ook volwassenen rijden met kleine elektrische scootertjes.

We verkennen de vismarkt. Heel grote mosselen, tapijtschelpen en allerlei vissen wachten geduldig op een koper. Potjes pebre, ceviche en andere kant-en-klare producten zijn eveneens te koop. Maar wij zijn op zoek naar een bereid visje en stappen dus maar het oude ferrocarrilgebouw binnen. Tussen de sporen staan de tafels al gedekt. Andere eters nemen plaats in een oud treinstel. Het is een vast menu, dus toont de ober een schotel met allerlei voorgerechtjes gaande van vissoep, ceviche, avocadosalade en empanada’s gevuld met vis en kaas. Dit laatste bevalt mij onmiddellijk. Herman laat zich door de lekkere vissoep verleiden. Wanneer we dat op hebben komt de vraag of we een alternatief voor vis willen, met weer een opsomming van al waaruit we mogen kiezen. Gelukkig is er ook vis te verkrijgen. We kiezen allebei voor de corvina met een pepersausje. Het smaakt en komt in onze top drie van lekkerste maaltijden in Chili te staan. Voor het dessert verschijnt er weer een schotel met allerlei mogelijkheden. Herman opteert voor een mierzoet Chileens gerecht. Ik ben tevreden met een mousse van kokos.

Daarna begeven we ons naar de vissershaven waar de pelikanen ongeduldig op vis zitten te wachten. Ook een tiental zeerobben liggen in het water op vinkenslag. Een enkele rob ligt vlak aan de kade en voert een nummertje op. Veel vis is er op dit moment niet te krijgen, maar dat deert deze beesten niet. Wij daarentegen zijn wel ongeduldig en lopen terug naar ons hotel om er een lui dagje van te maken. Boekje lezen in het zonnetje, enkele baantjes trekken in het zwembad en de wifi uittesten.

Oei hebben wij vanavond wel honger?

Maandag 30 november 2009 (Mireille)

Alweer een gemist ontbijt! Opstaan om half vijf en om 5 uur vertrekken. Gelukkig heb ik het stadsplan van Arica gisteren al goed bestudeerd en kan ik Herman feilloos naar de luchthaven leiden. Hoe verder we de stad achter ons laten, hoe donkerder het wordt. Er is geen straatverlichting meer, zelf niet op de grote rotonde of de baan naar de luchthaven.

De luchthaven zelf ziet er ook nog verlaten uit, en wanneer wij binnenstappen gaat prompt het licht aan. Herman steekt de sleutels van de Nissan in de doos van de verlaten autoverhuurbedrijfbalie.

Na een rustige vlucht met tussenstop in Iquique, zien we tot onze (aangename) verrassing dat de chauffeur van vorige keer weer met een bordje met onze naam erop staat te wachten (wat niet in ons individueel reisprogramma voorzien was). We twijfelen dan ook niet om nog een afspraak voor morgen te maken om ons naar de luchthaven te brengen voor onze vlucht naar Paaseiland.

Santiago is een déja vu, dus bij Marco Polo een sapje en een hapje. Ik ga voor een slaatje, Herman voor het gerecht met de exotische naam: pastel de choclo. Dit is het nationale gerecht van Chili. Laagjes maïs, vlees, in dit geval kip en kaas, dat alles gegratineerd. Het smaakt voor onze normen veel te zoet. Begrijpelijk, want het wordt bereid met verse zoete maïs.

En dan even overleggen wat we kunnen doen. We kiezen voor de " hop on hop off bus". Twee uur duurt de rit zonder uitstappen. En op die manier doen wij het. We krijgen een overzicht van de stad en komen op het einde tot de conclusie dat de Plaza de Armas het mooiste is dat de stad te bieden heeft. Maar allicht hebben de andere wijken ook hun charme als men er de tijd voor neemt.

Het vroege opstaan begint zijn tol te eisen en dus beslissen we om de stad achter ons te laten en ons terug te trekken aan het zwembad van het hotel.

Morgen wacht er weer een zware dag, vroeg vertrekken, lang in het vliegtuig zitten en dan nog 2 uur tijdsverschil overbruggen.

Dinsdag 1 december 2009 (Herman)

Van tijdens mijn jeugd droom ik al van Paaseiland en vandaag wordt die droom werkelijkheid. Een verrassend groot vliegtuig met prima service aan boord brengt ons na ruim vijf uur vliegen naar het stipje in de Stille Oceaan. We scheren over het groene eiland en zien prachtige kliffen onder ons verschijnen. Voorbij het eiland maakt het vliegtuig een scherpe bocht en zet zich neer op de kleine landingsstrook van de Mataveri-luchthaven. En meteen afremmen en terugdraaien vlak voor de oceaan ...

We ontwijken handig de welkomstbloemenkransen die vooral de Japanse toeristen om hun nek gedrapeerd krijgen. Met de nodige foto's uiteraard. We hebben geen transfer gereserveerd en stappen moedig met onze reiskoffers langs een asfaltweg met veel putten. Een paadje over de graskant met veel overhangende bomen moet een voetpad voorstellen. Het is half twee en het voelt zwoel en klam aan. Voorbij een benzinestation dat volgens de Lonely Planet ... de beste wijnkeuze in voorraad heeft komen we na ruim twee kilometer aan ons hotel Iorana. Aaneengeschakelde bungalows op een arendsnest boven de oceaan. Mister Killens? Oeps, men kent mij hier al. We blijken vandaag de enige individuele toeristen te zijn, vandaar.

Een eenvoudige kamer met twee afzonderlijke bedden (stap 1: een interieuraanpassing), een koelkast (stap 2: vol water stouwen) en een heerlijk terras met ongelooflijk uitzicht over de wild beukende oceaan en de ruwe, zwarte rotskliffen (stap 3:veel foto’s maken). Een klein driehoekig zwembad, en een natuurlijke poel tussen hoge rotswanden aan de oceaan. De kamerbrochure bevat verrassende informatie. Er is een huiskat, die echter geen eten mag krijgen (lust enkel Whiskas?). De honden zijn dan weer niet van het hotel, maar mogen ook niet gevoed worden. En wij zien kippen rondscharrelen, daar staat niets over in de brochure.

Op het eiland is enkel Hanga Roa bewoond. We bereiken het via een pad van zowat 2,5 kilometer. Toch wel verrassend ver. We komen eerst aan het kleine haventje waar enkele boten aangemeerd liggen. En dan ontdekt Mireille de eerste moai, Ahu Riata. Een kolos van een beeld op een breed platform. Hij kijkt hautain weg van de haven. Verderop ontdekt Mireille ook nog een verweerde moaikop, een restant van een beeld dat eerst door kapitein Cook ontdekt werd. En nu dus door Mireille ...

Na een pintje en een empanada op een willekeurig terras langs de "hoofdstraat" zijn we klaar voor nog meer moai-ontdekkingen. De vriendelijke dame van het informatiebureau geeft ons een mooi uitgegeven brochure met een wandelpad langs alle bezienswaardigheden in de omgeving van Hanga Roa. Ze worden genummerd. Tuki 1, Tuki 2, ... Aan de Caleta Hanga Roa, nog een vissershaven staan nog twee moai's, waarvan 1 vreemd genoeg in tegenstelling tot al zijn strijdmakkers wel naar de oceaan kijkt. Hier ligt ook La Taverne du Pêcheur, een restaurant met een Franse kok. Sauce dijonaise, crème brûlée, assiette de fromages françaises. En een eind verderop Au bout du monde, met een Belg aan de kookpotten. Dat wordt culinair genieten in het kwadraat!

Maar eerst nog enkele tuki's. Op de grassige flanken van een klif zien we in de verte een hele reeks moai's staan. Zonder die beelden zou het wel een kustpad in Wales of Zuid-Engeland lijken. Voorbij een kerkhof met kleurrijke bloemen komen we aan een klassieker. Ahu Tahai, met drie fraai gerestaureerde ahu's. Eerst Ahu Vai Uri met vijf rechtopstaande moai's van diverse grootte, dan de eenzame en wat geërodeerde Ahu Tahai zelf, en als kers op de taart de enige moai met ogen: Ahu Ko Te Riku. Gewoonweg schitterend. Jammer dat we tegenlicht hebben voor de foto's, en we plannen nu reeds een ochtendfotosessie. We verkennen de rest van het terrein. Een liggende moai, enkele koppen, wat ahu's, prachtige baaitjes. Tussen de hoge golven zien we surfers in alle gradaties van vakmanschap.

We keren terug naar het hotel en gaan dan terug naar het dorp om een restaurant uit te kiezen. Het is hier twee uur later dan in Santiago (en dus zes uur later dan in België). Best dus niet te laat eten. Enig probleem is dat de meeste restaurants nog verlaten zijn. Te Moana biedt een gezellig terrasje waar al enkele tafeltjes bezet zijn. Pisco sour, en dan de uitgebreide menukaart afspeuren. En lekkere visjes ontdekken. Weggespoeld met weer een prima Chileense wijn. En dan de kustwandeling in het donker terug naar het hotel. Met het geluid van de beukende golven diep onder ons.

Woensdag 2 december 2009 (Herman)

Een somber wolkendek en zelfs een paar regenvlagen. Even onze boekingsformulieren nalezen ...

Pas om elf uur besluiten we tot actie over te gaan. De zon breekt stilaan door en de opklaringen worden breder. In de lobby van het hotel wacht een groep Italianen. De vlucht naar Santiago blijkt ruime vertraging te hebben.

Wij trekken onze wandelschoenen aan en plannen een tocht naar de uitgedoofde vulkaan Rano Kau. Een aarden weg naar boven. We komen al snel aan pijlen die ons naar een sendero lijden, een pad tussen overwoekerend groen. Aan een demonstratietuin met inheemse plantensoorten staan we voor gesloten hekken. Pad afgesloten. Dan maar langs de "hoofd"weg, zes kilometer ver en driehonderd meter klimmen. Met als beloning de mirador over de komvormige vulkaan vol drijvende, groene totora-planten in het turkooisblauwe water. Driehonderd meter diep en achthonderd meter in doorsnede, met de vulkaan als plichtsbewust achtergrondpatroon. Een eindje verderop ligt het Orongo Ceremonial Village, waar de deelnemers aan de competitie om de vogelman van het jaar te worden kwamen overnachten en zich ritueel voorbereiden. De strijd bestond erin om de klif af te spurten, het water in te duiken, een ei te zoeken op één van de drie rotseilandjes Moto Nui, Moto Itu en Motu Kao Kao, dit in zijn geheel (en dus niet als roerei) over te zwemmen naar het beginpunt. Deze wedstrijden vonden plaats in de zeventiende en achttiende eeuw en werden gesponsord door de god Makemake. We tellen ieder 5000 peso's neer voor een onbeperkte pas in tijd en ruimte voor het hele eiland, een prikje dus. Als de opzichter hoort dat we uit België komen begint hij meteen Frans te spreken. Zijn echtgenote komt uit Gooik en heeft nog in Leuven gewerkt en in Gent en Halle gewoond. Hij haalt herinneringen op aan Duvel, Westmalle, pistoleekes. Een 900 meter lang pad met veel uitleg onderweg voert ons langs de rand van de krater en de oceaan langs de gerestaureerde kleine woningen van opeengestapelde basaltsteen. Aan het uiteinde vinden we prachtige maar verweerde rotstekeningen van hun god, de atleten en de vogel. Na deze fraaie tocht roept de gids ons toe: Ah les Belges sont là. En hij gaat rijst koken. Met een blond Belgisch biertje, droomt hij. Op de terugweg worden we gedurende zes kilometer door een Duitse herder begeleid. Tot aan het hotel, waar hij achternagezeten wordt door ... een kat. Een namiddagsessie in de bloedhete zon op ons terrasje en daarna in en rond het zwembad. Even op internet checken wanneer de vlucht van vandaag toekomt. Klik, klik, vier uur vertraging. En meteen verschijnt het vliegtuig aan de horizon. Vanuit het hotel volgen we een veldweg, kruipen onder een poortje door en komen veel sneller aan de vissershaven en de weg die naar het centrum leidt. Au bout du monde. Een Belgisch restaurant op dit stipje in de oceaan. Op het overdekte boventerras genieten we van steak en lokale vis. Erg lekker al laat de (overigens erg vriendelijke) bediening veel steken vallen. Navraag leert dat ze 3 jaar open zijn. Ernaast wordt nog druk gewerkt aan een extra ruimte voor dansopvoeringen.

Een taxi brengt ons terug naar het hotel voor amper 1500 peso's. En dan rap nog de foto's op de portable bekijken en op ons terras nagenieten.

Donderdag 3 december (Mireille)

Na het zoete ontbijt met een rijke keuze uit taart en cakes wandelen we downtown.

We gaan op zoek naar een mountainbike. Bij Makemake staan er nog enkele te glimmen. Na een poging om de banden op te pompen met aftands materieel gaan we maar onmiddellijk naar de garage waar de klus in enkele seconden geklaard wordt.

Het beginstuk van de rit loopt gelijk met de wandeling van eergisteren, maar Herman kan de verleiding niet weerstaan om de foto's nog eens opnieuw te nemen. In de hoop dat de zon beter staat. Maar de zon laat het jammer genoeg afweten vandaag; wat niet wil zeggen dat foto's nemen er gemakkelijker op wordt.

De moai's liggen een voor een schitterend, wat niet kan gezegd worden van de rijbaan. Nu ja rijbaan (?), een smalle kronkelende weg met steenslag, putten en dikke keien. Bergop fietsen gaat nog, naar beneden is heel wat moeilijker. Regelmatig slaan we de kaart open en raadplegen we onze boeken, want aanduidingen zijn schaars of soms zelfs onbestaande.

Nadat we een half vergane koe langs de weg passeren, vraagt Herman zich af of de weg niet moest afbuigen naar het binnenland? Oei denk ik, weer langs dat half kadaver en dan wel bergop. Gelukkig komt het zover niet, en verschijnt er een aanduiding van Ana Te Pau. Een reusachtige lavagrot. Op deze verlaten plaats verschijnt er plots een dame alleen zonder fiets of jeep.

In plaats van die grot te bezoeken peddelen wij rustig door naar de prachtige Ahu Akivi. Zeven moai netjes op een rijtje. De enige beelden die in het binnenland teruggevonden zijn en die dan nog naar de zee in de verte gluren. Het is onwezenlijk maar wij staan hier helemaal alleen. Of nee toch, een paard graast rustig langs de kant.

Nu nog een ommetje langs de steengroeve van de hoedjes, Puna Pau. Her en der liggen er zo'n 25 pukao's verspreid. Hier ligt er voor de verandering een mooi pad met educatieve borden. Twee theorieën worden uit de doeken gedaan, hoe die zware kolossen op die grote beelden terechtgekomen zijn. Een ding is zeker: men tast nog steeds in het duister. Men heeft alleszins gebruik gemaakt van puin en stenen om deze meters hoge beelden recht te krijgen.

De klim naar de Puna Pau berg laten we voor een andere keer.

Met een knorrende maag rijden we de laatste 5 km over een geasfalteerde baan.

We trakteren ons in het dorp op een empanada met een biertje, leveren de fietsen terug in en wandelen terug naar het hotel.

Na Au bout du monde wacht het andere toprestaurant L'Auberge du Pêcheur. Amai, superlekker. En we reserveren meteen voor onze huwelijksverjaardag en slotavond op het eiland, namelijk 8 december. En ook feestdag in Chili, Concepcion, maar daar hebben ze niks mee te maken op Paaseiland.

Vrijdag 4 december 2009 (Herman)

Een auto huren op Paaseiland. De man van het verhuurbureau Oceanic Rent A Car loopt met mij rond de aftandse Suzuki Vitara om de krassen aan te duiden. Er zijn er echter zo veel, en loshangende stukken, dat hij uiteindelijk maar de hele afbeelding van de wagen zwart kleurt ... En opletten voor de loslopende paarden, roept hij ons nog toe.

Met onze jeep kunnen we nu de dertig kilometer die ons scheidt van de noordkust gaan verkennen. We slaan eerst nog wat proviand en water in en volgen dan een precaire zijweg naar Ahu Vinapu. Aan een veelsprong van wegen zet een truckchauffeur ons op de juiste weg. Ahu Vinapu ligt net achter het einde van de landingsbaan van de luchthaven en bevat grove muurblokken en een voorover gevallen moai, met zijn pukao wat verderop.

We volgen vandaar de Costanera, de geasfalteerde kustweg. Maar dan wel met een grote hoeveelheid reuzengrote gaten, zodat de 4x4 zeer goed van pas komt. In de weiden zien we verschillende ahu's liggen. Op een lokale ruiter en een tractor na zien we hier geen mens. Waar zijn al die toeristen? De muziek van de radio valt weg - we zijn tien kilometer uit Hanga Roa ...

En dan zien we de meest majestueuze beeldenreeks van Rapa Nui in de verte liggen. Ahu Tongariki, een platform met 15 reuzenbeelden die allemaal naar hetzelfde punt op het eiland lijken te turen. Mireille vindt het net een mannenkoor. Ongelooflijk, we zijn hier helemaal alleen bij een van de grootste wereldwonderen van de mensheid. En ik die hier overal nadarafsluiting, ticketbalies en ellenlange rijen toerbussen had verwacht. De beelden werden 15 jaar geleden door Japanners terug rechtgezet nadat ze in 1960 door een tsunami waren vernield. Enkel op de tweede van rechts werd een pukao (hoedje) geplaatst. Terwijl er langs de zijkant nog een hele voorraad voorhanden is. Hoedje is overigens relatief, want Mireille komt er maar net boven uit. We nemen zo'n 50 foto's vanuit alle hoeken en standen van dit hoogtepunt en besluiten vanmiddag nog eens terug te keren in de hoop van nog betere lichtomstandigheden terug te vinden.

De Suzuki begint ondertussen nog meer mankementen te vertonen. We kunnen de zijruiten nog nauwelijks sluiten en de koffer vraagt ook reeds heel wat mankracht. We passeren weer een dode koe, en dan een devoot kapelletje en zien in de verte het schiereiland Poike liggen, een groene puist in het landschap. Ahu Te Pito Kura is de grootste moai die ooit op een ahu heeft gestaan maar nu ligt hij uitgeteld met het voorhoofd tussen de lava. We zoeken ons ook te pletter naar een magnetische zwerfkei die de navel van de wereld moet voorstellen. Ik ga op zoek tussen het onkruid en de hoop stenen in de omgeving terwijl Mireille strandzichten vereeuwigt. Niets gevonden, en dan blijkt die kei net aan de voeten van Mireille te liggen ...

Anakena Beach is het perfecte en eigenlijk enige zandstrand voor de zonneklopper. Helderblauw water, goudgeel zand, enkele palmbomen. En als toetje, nog twee gerestaureerde ahu's! We klimmen om beurten de duin naar boven en vereeuwigen de eenzame en ruwe moai op de Ahu Ature Huki - met de obligate vogel op de kop - die Thor Heyerdahl nog heeft rechtgezet, en de grandioze Ahu Nau Nau met 7 moai's waarvan 4 met pukao's en 2 nogal gekortwiekt. En dan is het tijd voor zonnebaden, gelukkig onder de weldoende schaduw van een palmboom. Hier zitten wat toeristen, doch de meerderheid wordt gevormd door de lokale schooljeugd die hun vrije dag doorbrengen met Polynesische strandspelen en waterravotten.

Om vier uur begint het plots te druppelen en spurten we terug naar de wagen. Op de terugweg bezoeken we nog de Papa Vaka-rotstekeningen. Afbeeldingen van tonijn, een haai, vishaken en vissersboten, waaronder de grote boot van de koning. Mooi didactisch afgebeeld op de prenten ernaast, maar moeilijk zichtbaar in de praktijk. Nog een tweede bezoek aan Ahu Tongariki, yes dé wereldfoto. We laten de moai-werkplaats van Rano Raruku bewust rechts liggen (voor een van de volgende dagen), en dan back to town waar het pijpenstelen regent.

Een heerlijk eenvoudig avondmaal in restaurant Hetu'u op de hoofdbaan. Met schitterende ritmische Rapa Nui-muziek op de achtergrond. Navraag bij de zwarte ober leert ons dat het de groep Topotangi is. Hij komt meteen het cd-schijfje naast mijn afsluitende koffie leggen. Nu de cd nog ergens vinden in het dorp!

Zaterdag 5 december 2009 (Mireille)

Vandaag staat een uitgebreid bezoek aan Hanga Roa op het programma. Dit betekent uitslapen en genieten van een half geplunderd ontbijt. En dan die spannende Frost nog uitlezen vooraleer we op pad gaan.

Langs de gebruikelijke aardeweg naast het hotel, langs de landingsbaan, de haven met moai, de camping, het luxehotel in aanbouw en de legerkazerne tot aan de plezierhaven. Een traject van 2,5 km.

We slenteren tot aan de kerk, heel apart van vorm en kleur, met veel houtsculpturen binnen. In de mercado artisanale is het zoeken naar een verkoopster. We vinden toevallig een vingerhoedje dat een collega me had gevraagd. We zetten onze tocht verder naar het museum, om vast te stellen dat het op zaterdagmiddag gesloten is. Plotseling trekt de hemel weer toe en gaan de sluizen weer open. We schuilen even onder een boom en vervolgen ten slotte in de regen onze tocht op zoek naar een restaurantje. We vinden een schitterende overdekte plaats vlak aan de oceaan.

Keuzemogelijkheden op een krijtbord. Beperkt aanbod maar heel origineel geserveerd op smalle langwerpige borden. Die mogen ook thuis in mijn kast staan. Ook hier draait men moderne Paaseilandmuziek en vragen we waar er een winkel met cd's te vinden is. Het blijkt op de hoofdstraat te zijn.

Wanneer we nog een grote souvenirwinkel kruisen, lopen we daar ook even door en wat vinden we? Inderdaad: de 3 cd’s van Topotangi.

Zo dan kunnen we rustig terug wandelen naar het hotel en van het uitbundige zonnetje genieten.

Zondag 6 december 2009 (Mireille)

Ondanks onze vele schoenen vinden we niets terug van Sinterklaas. Zelfs niet aan het ontbijt. Enkel taart, cake en andere zoetigheden. Maar misschien vinden we wel paaseieren, want we horen de kerkklokken al luiden.

De moai's steken vandaag mooi af tegen de blauwe lucht en zo herbeginnen we onze fotoreportage. Vandaag geraken we op tijd bij het museum. We betalen er 2000 peso en zijn verbaasd over de kleinschaligheid. Ondanks de weinige beelden en voorwerpen die tentoongesteld worden, is het een zeer interessant museum. Op zo'n twintigtal panelen wordt veel achtergrondinformatie gegeven. Hoe wisten ze hier in vroegere tijden dat men een eiland naderde? Hoe staat de verre toekomst van Paaseiland ervoor? En hoe is het eiland ontstaan? Deze en andere wetenswaardigheden worden zorgvuldig uit de doeken gedaan; Een minpuntje is echter dat het eentalig Spaans is en dat anderstaligen een groezelige brochure in het Engels of Frans in hun handen geduwd krijgen.

Na dit stukje cultuur wandelen we een heel eindje langs de kust, tot onze maag er ons aan herinnert dat het tijd is om een hapje te eten. Met zicht op zee en in gezelschap van een grote lokale familie die de champagne rijkelijk laat vloeien, eten wij een minder lekker kippenslaatje.

De rest van de middag is het puffen in de zon.

‘s Avonds gaan we maar eens terug naar Au bout du monde, waar de bediening nog iets vlotter zou kunnen, maar waar het eten lekker is.

Maandag 7 december 2009 (Herman)

Amai, een heel contingent Amerikanen in ons hotel neergestreken. Gisterenavond is immers de vlucht uit Tahiti toegekomen en dat zullen we geweten hebben.

Vroeg opstaan is de laatste dagen onze dada niet. Gevolg geen fietsen meer te vinden in heel Hanga Roa. We bestellen er dan alvast twee voor morgenvroeg. Nine o'clock? Make it 9.30, antwoord ik met veel zelfkennis. We opteren voor vandaag dan maar voor een auto, want de Rano Raraku-steengroeve staat nog op onze todolijst. Gelukkig heeft het verhuurbureau er nog 1 (één) in voorraad, een glimmend rode Suzuki.

Voor het eerst op deze vakantie is het druk. Bij elke bezienswaardigheid staan rijen auto's en minibusjes. Horden toeristen aan de Ahu Tongariki. Enkele dagen geleden stonden we hier nog helemaal alleen ...

Aan de uitgedoofde vulkaan Rano Raraku valt onze mond al van ver open van bewondering. Een groene heuvelflank, letterlijk bezaaid met honderden stenen hoofden. Een bizar en onvergetelijk gezicht. Voor het eerst moeten we onze eilandpas laten zien, en die wordt meteen ongeldig gemaakt. Als we morgen nog eens willen terugkomen zullen we opnieuw moeten betalen. Onder een loden zon volgen we verschillende groepen toeristen langs de keurig aangelegde paden tussen de verschillende moaihoofden. De meeste tot in hun nek of middel in de aarde ingegraven. Een ruwe stenen trap leidt naar boven waar enorme moai's tot wel twintig meter groot half uit de rotsen uitgehakt zijn. Op de hoogste top krijgen we een fraai zicht op de Ahu Tongariki en de oceaan erachter, en zien we een ruig beeld. Bij een eerste aanblik leek het mij eerder een baardige ontdekkingsreiziger of zo, maar het blijkt om de enige geknielde moai te gaan. Van hieruit zien we ook hoe megalomaan de verering van de Paaseilanders geworden was. Massaproductie en steeds grotere en grotere beelden.

Een aardig zijpad leidt ons naar het kratermeer. Wuivend riet aan de oever, weer tientallen beelden die ons zwijgend aanstaren. Het is hier rustig. Hier komen de groepstoeristen niet. We volgen een wandelpad tot de overkant en kunnen rustig de moaihoofden bestuderen. Oeps, de tel kwijtgeraakt.

Aan het Anakenastrand komt een grote wolk en een stevige wind de pret verstoren. De bustoeristen zijn hier aan hun barbecue toe. Onze maag knort ook en een empanada en churrasco aan een eenvoudig kraam waar ook stevig gebarbecued wordt werken het hongergevoel weg.

En dan genieten van de geneugten van het eiland: zonnebaden (de wolk plaagt enkel de noordkust), een pisco sour drinken (en een cola want ik had even een inzinking) en de magistrale foto's bekijken.

En de auto inleveren. Nadat we "un quarto" getankt hebben. De tank moet maar 1/4 vol zijn. Milliliterwerk. En de auto half afbreken om de goed verborgen klep om de benzinetank te openen terug te vinden. Die toeristen toch ...

Dinsdag 8 december (Mireille)

Als we door de verlaten en uitgestorven straten van Hanga Roa lopen, beseffen we dat het hier toch ook een feestdag is. De dame van de fietsenverhuur beaamt het, ze is hier alleen voor ons en een Japanner komen opdagen. Ze vertelt ons trouwens ook dat er een groot feest vanmiddag is , waar curanto, de nationale schotel, geserveerd wordt. Enkel een bord en bestek meebrengen zegt ze. OK, dat kunnen we vanmiddag doen, maar eerst willen we het eiland rondfietsen. Of eigenlijk naar het noorden en via een binnenweg terug.

Bij het vertrek maakt mijn fiets een kreunend geluid. Probeer je versnellingen eens, roept Herman. Maar wat ik ook doe, het gekreun blijft aanhouden. Maar na 2 km stopt het plotseling, maar voel ik dat er iets mis is met de linkerpedaal. Bij elke trap knikt mijn pedaal weg. En even later floept de pedaal van de fiets. Met slechts lavasteen en kiezelsteentjes als gereedschap, probeert Herman de pedaal op artisanale wijze weer te monteren. En het lukt ook wel, maar na 5 trappen is het alweer los. Gelukkig krijgen we af en toe lange stroken met bergaf, zodat we toch wat opschieten. De fun van het fietsen is er zo wel af. We kibbelen er zelfs wat over. Ja, OK ik ben niet kritisch genoeg geweest, maar ik ging van de veronderstelling uit dat, het alleen een krakende fiets was.

Dus na wel twintig keer repareren en weinig fietsen, zien we in de verte minibusjes staan. Als we daar kunnen geraken zijn we gered. Die moeten toch wat gereedschap bij zich hebben. Maar voor we er al geraken, ligt de pedaal weer op de grond en zijn de busjes al weg. De souvenirverkopers pakken ook juist hun boeltje in. Of zij geen gereedschap hebben? Even kijken hoor, maar neen, enkel een schaar. En daarmee lukt het ook niet. Ze bieden ons een lift aan naar het dorp. Zo liggen even later de de beide fietsen in de laadbak van de pick-up, en zitten wij op de achterbank. Vooraan zingen de beide dames en het kleine jongetje luidkeels met de laatste hits die radio draaien. Bij de garage iets verder dan het fietsverhuurkantoor Make Make, laden we de fietsen uit en rijden de dames alweer verder. We hebben nog net de tijd om gracias te roepen.

Een garagist rijdt even met zijn brommer weg en komt wat later met een geschikte sleutel terug. Hij draait de bout stevig vast en geeft ons de sleutel mee. En dan fietsen we langs dezelfde weg terug naar het noorden. Buiten een stevige plensbui waar we moeten schuilen onder een veel te magere boom op een modderig stuk, gaat het stukken vlotter.

Na zo'n 20 km fietsen halen we de picknick boven . Nadien hotsen en botsen we verder over de met putten bezaaide weg. Aan het Anakenastrand stoppen we eventjes om een Escudo te drinken. Intussen wordt de zon verjaagd door de wolken en koelt het flink wat af. We zien de regenwolken boven het binnenland samenklitten. Het is al van ver duidelijk dat we nooit droog in het hotel zullen aan komen.

De weg kaal zonder enige bescherming, en alsmaar bergop. De jus is al uit onze benen, en dan een immense stortregen over ons. We zijn snel doorweekt maar er is maar een oplossing: doorploeteren door deze tropische regenbui. Als de weg begint te dalen en de eerste bomen verschijnen, lijkt de regenbui te stoppen. Maar wat niet belet dat ik vuil, modderig en doorweekt in het hotel toekom. Een lange douche en de kleren te drogen hangen, is al wat we nog doen. Zwemmen zal voor een andere keer zijn.

De donkere wolken blijven koppig boven Paaseiland hangen, en zo is het de eerste maal van de reis dat we een taxi naar het centrum nemen. En gelukkig maar want de hemelpoorten gaan die avond nog ettelijke keren open.

In La taverne du Pêcheur vieren we onze laatste dag op het eiland en onze huwelijksverjaardag in stijl. Na een glaasje pisco sour eten we de plaatselijke paella met rape rape , kana kana (een witvis), tonijn, reusachtige mosselen en clams. Zo nu weten tenminste dat rape rape een krabsoort is.

Woensdag 9 december 2009 (Herman)

Afscheid van het fantastische Paaseiland. Dag moai’s en ahu’s!

En ook symbolisch: we leveren onze fietsen in.

Een comfortabele LAN-vlucht brengt ons in minder dan 5 uur naar de Aeropuerto Comodoro Arturo Merino Benitez in Santiago. Aan de overkant van de straat ligt een Holiday Inn-hotel waar we nog een nachtje verblijven.

Alvorens morgen weer een zeer lange vlucht inclusief de lamentabele service van Iberia te moeten trotseren.

En thuis een onmogelijke selectie uit 1400 foto’s te moeten maken …