
Reisverslag uit Frankrijk : Queyras
20 en 21 juli 2000
1045 kilometer rijden om dan te eindigen aan een bord met je naam op. De uitbaatster van Camping Les Mélèzes is heel vriendelijk en verzekert ons dat we ook nog voor een ander plekje mogen opteren. Het zonrijke plaatsje valt echter in onze smaak, en na drie kwartier worstelen met onze tent kunnen we lang uitgestrekt het Belgische zonnetje proberen te vergeten.
Het is ijskoud. Ik steek mijn neus van onder de slaapzak en beslis dat we zonder muts en handschoenen absoluut niet kunnen gaan wandelen.
Anderhalf uur later vertrekken we voor de eerste wandeling. In bermuda en T-shirt. Het zonnetje blijkt inbegrepen in de campingprijs en maakt zijn contract dan ook waar. Zoals steeds hebben we het meeste last om het beginpunt te vinden. Na een tijdje "ploegen" door het veld komen we dan toch aan de Eglise Sainte-Cécile. En dan gaan we aan de klim : eerst rustig, dan in lussen steil naar boven langs de GR58. Voorbij de boomgrens duiken 2 pieken op, de rechtse blijkt de Col de Bramousse te zijn. En hier gaat het heel hellend naar boven. Een wandelgroep boven ons lijkt wel stil te staan. Een Fransman vraagt ons vanwaar we komen.
- Ceillac (met K), zeg ik.
- Ah oui, Ceillac (met C), antwoordt hij.
En laat de 2 domme Belgen staan en vervolgt zijn weg naar beneden.
Mireille krijgt een inzinking. De eerste "col" is ook voor de renners in de Tour de France een beproeving. Ze herpakt zich echter snel, steekt nog een hele reeks wandelaars voorbij en eindigt nog haast in mijn kielzog op de top van de Col de Bramousse (2251 m).
- O, zijn we er al, vraagt ze. Van conditie gesproken.
We zijn er nog niet, doch vanaf hier gaat het meer genadevol naar boven, tot een uitzichtpunt dat volgens onze IGN-topografische kaart "Crête du Château Jean Grossan" genoemd wordt. De bergpieken verdringen mekaar hier om mooi op de foto te staan. Mireille fotografeert wat bloemetjes, wat een Fransman de reactie ontlokt :
- Il faut venir voir ici, ça c'est au moins une fleur qui vaut la peine.
Het blijkt om de beroemde edelweiss te gaan, weliswaar een beetje uitgebloeid. Ik zie het die Fransman al denken : die barbaren zitten maar onkruid te fotograferen in plaats van de echte flora.
We volgen nu al een tijdje de Crête de Chambrettes, geen GR-pad, maar een doorsteek naar de Col de Fromage. De crête biedt sublieme uitzichten over de bergjes die we de volgende dagen nog willen beklimmen. We klimmen naar het oude observatorium (2582 m), waar een labrador iets later even hijgend als wij aankomt. De wind waait hier strak, en dus trekken we door naar de Col de Fromage (2301 m), waar we geen kaas maar veel Franse trekkers zien die enkele Franse hits beginnen te zingen. Morgen toch regen ?
De verdere afdaling van de GR5 naar Ceillac (met een C !) stelt geen problemen meer, behalve dan voor enkele trage wandelaars die verschrikt opzij springen als ik kom aangespurt.
Het Pelforth-biertje op een terras in het zonnetje biedt een perfecte afsluiter.
22 juli 2000
Na een onverharde wandeling van 20 minuten naar Ceillac (we hebben eindelijk een alternatief voor de asfaltweg gevonden) en een bevoorrading in de "libre-service", gaan we meteen steil naar boven (of wat dacht je) langs een grintpad richting La Mourière. Na veel hijgen en puffen langs kronkelende wegjes komen we aan de belvédère op 2324 meter hoogte. Hier zitten 2 groepjes te picknicken, waaronder 3 volwassenen met een dreumes die steeds maar ronddrentelt. En wij kunnen haast niet meer ... Tot blijkt dat zij in een draagstoeltje meegetorst wordt. Ons ego terug hersteld. Na de "saucisse" en de "baguette" lopen we door een weergaloze kloof, om vervolgens een eindeloze, maar prachtige klim naar de Pointe de la Saume te beginnen. Na elke bocht volgt er een nieuwe klim, soms over ruwe bergkeien, soms groene "pelouses".
Na veel afzien komen we aan een steen met aanduiding "Col de la Colette Verte", waar de mensen met het kindje aarzelend staan te kijken. Het gaat immers loodrecht naar boven, langs een rotsige flank. De beklimming gaat tergend traag, de hartslag gaat haast in het rood, en nog is de klim niet gedaan. Een ultieme krachtinspanning brengt ons tot aan een rots, waar we merken dat er nog een steile beklimming wacht. Eens boven kijken we met afgrijzen in de gapende diepte, dit wordt een precaire afdaling.
Nog enkele fotootjes om te bewijzen dat we deze piek (Pas du Cure - 2783 meter) echt overwonnen hebben, en dan met zachte tred aan de afdaling beginnen. Het blijkt de zwaarste afdaling te zijn die we ooit deden. Loodrecht naar beneden, met losliggende gravel. Ik heb hoogtevrees, en moet me een paar keer op mijn rug naar beneden laten glijden. Hoog boven mij zie ik Mireille panikeren, zij durft haast niet meer vooruit. Geraken we hier ooit nog naar beneden ?
Na drie kwartier schuiven, uitglijden, op handen en voeten komen we op een iets begaanbaarder stuk. Op een bepaald ogenblik stopt de bewegwijzering en zoeken we ons te pletter naar een pad. Het kompas brengt raad, en zo dalen we af naar een stroompje, waar wegens de achterliggende fotogenieke bergketen (werkelijk een "cirque") het fototoestel zijn aankoopprijs moet rechtvaardigen. We volgen het stroompje, gelukkig naar beneden, en komen bij de Cascade de la Passe, waar we de ouwe getrouwe GR5 terugvinden. Er volgt een rustige afdaling door het bos, en op een bepaald ogenblik zien we echt beneden ons onze tent en auto staan. Er volgen helaas nog talloze lussen eer we beneden aan het skistation van Ceillac uitkomen, vanwaar het maar een kort stukje tot aan de camping is. Het is reeds kwart voor zeven, en dus springen we onmiddellijk in de auto om ons avondeten te gaan kopen.
Na een prettig gesprek met het Hollands "stel" naast ons - zij is hier 2 jaar geleden reeds met een vriendin komen wandelen en toont ons enthousiast op de kaart welke de mooiste stukken zijn - vallen we ons avondmaal aan. Net op tijd, want zo-even zette de Duitse herder van de camping bijna zijn tanden in onze lamssneetjes.
Daarna zit ik nog 3 kwartier in de tent te puzzelen met wandelkaarten. Nu maar hopen op nog meer goed weer ...
23 juli 2000
We staan vandaag wat later op (kwart voor negen), en worden een uurtje later meteen bestraft met een eerste regenbui (en dat met een stralend blauwe lucht). Een tijdje later trekt het wolkendek echter helemaal samen. Het wordt een grauwe, natte dag, en we geraken dan ook niet in de stemming om een wandeling te beginnen.
Een hallucinante afdaling met de auto richting Guillestre, en daarna een klim langs de beginhellingen van de Isoard brengt ons via Arvieux en La Chalp naar Brunissard. Overal zien we aanmoedigingen op de weg gekalkt voor Pantani, Virenque en vooral voor de handvol Belgen die de Tour de France meereden.
Met de regenjassen aan starten we in de kou en de regen zonder veel moed via de GR58 naar een plek die "La Draye" genoemd wordt. Kunnen we vanaf nu "La Drache" noemen ! We lopen door een kloof met grote rotsblokken, de opgedroogde bedding van de Torrent de l'Isoard. Iets verder kunnen we gelukkig afslaan naar een hellend bospad, zodat we iets minder regen over ons heen krijgen. We komen terug aan de baan (D902) waar we een mooi uitzicht over de Casse Déserte geserveerd krijgen. Optimistisch als we zijn stellen we de foto uit tot wanneer we straks langs dit punt terugkomen.
Het is nog verder klauteren langs bospaden, tot we op een splitsing komen. Hier is het kiezen tussen de GR58 naar de Col du Tronchet (2347 m) of de Lac de Souliers (2492 m). We opteren voor de Lac, en iets verder breekt zowaar het zonnetje door. Na een zeer zware, adembenemende klim (figuurlijk maar vooral ook letterlijk) komen we hijgend aan het meer, een paar voorschoten groot. We peuzelen het stokbrood met kaas en worst in een lekker zonnetje op, maar als we besluiten om terug te keren wordt het plotseling flink kouder. Op de terugweg zien we wat we op de heenrit nauwelijks zagen : een prachtige groene flank, een fraai bospad, de pittoreske Casse Déserte (nu wel een foto in het zonnetje) en de ruwe kloof van de Torrent.
Terug in de auto besluit ik nog even naar de top van de Isoard te rijden, jaloers op de vele wielertoeristen die we daarstraks naar boven hebben zien zwoegen. De vele nauwe haarspeldbochten vergallen echter het plezier, en op de top stappen we exact 20 seconden uit om 2 foto's te maken. De wind blaast zo fel en zo ijzig dat het nauwelijks mogelijk is om verder te wandelen.
Ondertussen is het fel beginnen regenen, zodat we blij zijn dat we vanavond eens op restaurant kunnen gaan eten. Het slaatje, de lamskoteletten (weeral) met honingsaus, en pasta voor Mireille smaken voortreffelijk. Kaas en 2 desserten voor mij vormen een puik slotakkoord. De baas biedt ons nog een "génépi" aan, een lokale jenever. We hebben dus een goede uitvlucht om onmiddellijk onze tent in te duiken, op een camping die ondertussen in een zompige weide is herschapen. De regen geselt onze tent - hopelijk zakt die straks niet ineen. En voor morgen voorspelt de meteo nog slechter weer ...
24 juli 2000
Geen wekker nodig vandaag. De regen roffelt zodanig hard op ons tentdak dat de vaakbeestjes verschrikt wegvluchten. Tijdens de afwas - het blijft ondertussen gieten - krijgen we veel informatie van een Fransman die hier reeds vaak kwam wandelen. Iets later zitten we bij zijn tent (hij heeft exact dezelfde koepeltent als wij) met kaart en lokaal wandelboekje wandelingen uit te stippelen.
Om 12 uur priemt een waterig zonnetje door het wolkendek en we besluiten het erop te wagen. We volgen de GR5 recht naar boven, hetzelfde stukje als we eergisteren in omgekeerde richting deden. Het lijkt ons veel steiler dan we dachten.
We nemen een luchtfoto van onze tent, en trekken dan verder naar de "Lac des Pres Souleyrand", gezien de ingewikkelde naam door de Fransen eenvoudigweg Lac Miroir genoemd. Na de picknick trekken we verder. Een pad naar de Lac des Routes vinden we niet, zodat we verder de GR5 volgen naar de Lac Sainte-Anne. De route ernaartoe is fabuleus. We zijn omringd door twee- en drieduizenders. Een idyllisch landschap. We stijgen recht langs skipistes omhoog. Onze adem stokt, en niet alleen van het landschap. Aan de Lac Sainte-Anne (2415 m) is het ijzig koud. Op een wegwijzer ontdekken we een pijl naar ... New York ! De afdaling via een lokaal wandelpad loopt via de Tronchet-bergrivier. Weinig technische moeilijkheden, enkel de kaakspieren doen pijn vanwege het vele "bonjour" tegen de klimmende toeristen die iets lager op een parking uit de auto zijn gestapt. Het laatste deel van de wandeling is een typische "sunday afternoon stroll", en dat op een maandag !
Van zodra we op de camping aankomen begint het te gieten ... net op tijd terug. Tijdens de wandeling hebben we geen drupje regen gevoeld. We vragen ons af wat de komende dagen zullen brengen. Ik heb immers héél véél superwandelingen voor héél weinig dagen. Probleem !
25 juli 2000
Vandaag beslissen we om extra vroeg op te staan : half zeven.
Om twintig na zeven kruip ik uit mijn slaapzak. Het is ijzig koud : 4°C. De verwarmde douchecellen zijn bij deze temperatuur een zegen. Om half negen doet het zonnetje toch verwoede pogingen om door het wolkendek te piepen.
Na zestien haarspeldbochten naar beneden om Ceillac te verlaten, nauwe tunnels om in Guillestre te gaan tanken, dezelfde nauwe tunnels om terug te keren, en precaire passages in Château-Queyras (met een mooie burcht die boven de omgeving uittorent), stal ik de auto in Aiguilles. Om een rondwandeling mogelijk te maken moeten we via het asfalt naar Abries. Een wegwijzer ontmoedigt ons : nog 6 kilometer. Gelukkig vinden we halfweg een paadje dat ons via een steile klim op de GR58 kan brengen. Het is een smal, stevig klimmend weggetje door een groene kloof. Marmotten vluchten schichtig weg als we er aankomen. Volgens de kaart missen we door deze afslag een kruisweg vanuit Abries met 14 staties. Geen nood : een calvarie zal het ongetwijfeld wel worden.
Is het door de marmotjes of door de zon in onze ogen ? Plotseling hebben we een verkeerd weggetje gevolgd en staan we in een wei hoog boven het dal. We trachten naar boven te klauteren, dwars door de wei, doch het is enorm steil. Ik glijd een paar keer uit, recht in de koeien- of schapenkeutels (ik heb het niet nader bestudeerd). We steken een beek over en kruipen nu een andere wei naar boven in de richting van het kapelletje Notre-Dame-des-7-douleurs. We vragen ons af welke deze zeven "douleurs" zijn : kniepijn, buiten adem, stramme spieren ? Na veel wroeten ziet Mireille plotseling een hek en komen we onverhoopt op het traject van de GR58 uit in het spookdorp Malrif. Slechts 1 huisje is nog bewoond : dat van het hek. Een passant ziet met stijgende verbazing hoe wij uit de weide komen gerold ... Op deze route is het heel druk : de rood-witte tekentjes lijken toch veel mensen aan te trekken. Tijdens de picknick stapt Mireille per ongeluk in een marmottenhol en stoot haar knie aan een rots. Iets later laat ik het dopje van onze waterfles in dat gaatje vallen. Ik vis het er terug uit op gevaar af van in mijn vingers gebeten te worden.
De beklimming naar de Lac du Glaus (2579 m) is keihard. In steile lussen draaien we steeds hogerop. Als beloning krijgen we een strakke wind te verduren aan het meer. In 3 woorden : koud, koud en koud. Vanaf hier volgen we een variante van de GR58 - officieel de GR58A - richting "La Bergerie du Lombard", waar we massa's schaapjes binnen een omheining zien staan. Een rustig paadje brengt ons naar de "Chalets" van Eygliers, wat gewoon ruïnes blijken te zijn. Een heleboel lussen verder krijgen we zicht op Aiguilles, maar toch duurt het nog eventjes eer we daar geraken. Beneden staat een bord dat waarschuwt voor honden die de kudden schapen beschermen tegen de wolven. Gil niet, gooi geen stenen, "in principe" gaan de honden na een tijdje vanzelf weer weg. Mireille wordt bleek en vervolgt in versnelde pas het resterende stukje naar Aiguilles. Het is er levendig, met een hele hoop wandelaars die het dorpje doorkruisen op zoek naar hun auto, avondmaal of conditie ...
's Avonds is het weer bitter koud op de camping. En er breekt een onweer los ...
26 juli 2000
Eindelijk terug massaal veel zon. File aan de 3 warme douches, want ingenomen door pa, ma en 2 zonen. En die vinden het behaaglijk om er een half uur onder te blijven staan.
Na de ondertussen vertrouwde croissants en chocoladekoeken vertrekken we via Ceillac over een smal baantje ("weggetje" voor onze Hollandse vrienden) naar een parkeerplaats langs de Cristillan. Hier start een wandeling die ons eergisteren is aangeraden door een oudere Franse campinggenoot. We zien in de verte al een berg blinken : hebben ze die speciaal voor ons opgepoetst ?
We dachten op zulke wandeling zo goed als alleen te zijn, doch het krioelt hier van de wandelaars. Veel gezinnen met kinderen ook, die hier een stukje van het tracé komen afleggen. Het beginstuk is braaf. Zachtjes glooiend loopt de weg over keien of grassige ondergrond. De zichten worden bij elke stap mooier : vooral als we omkijken zien we schitterende bergketens in groene, witte en grijs-zwarte schakeringen. Na een paar pittoreske watervalletjes steken we de rivier over en picknicken aan een voormalig tolhuisje (ziet er nochtans nieuw uit). Daarna gaat het in 3 brede lussen strak naar boven. En dan volgt het summum : kaarsrecht een berg opklauteren, op losse gravel en modderplekken.
Het is keihard, de adem stokt, maar toch bereik ik de Pas de la Culas. Ik zie in een glimp beneden Saint-Véran liggen, doch door de strakke wind krijg ik hoogtevrees en trek in onmiddellijk verder, beschut door de hoge rotsen.
Op de 300 meter hoger gelegen Tête de Culas ontvouwt zich een werkelijk grandioos panorama. Over 360° zien we de hele Queyras, de Monte Viso, de Vanoise, zelfs een stukje van de Mont Blanc in de wolken. Een Waal die met vrouw en zoon ook de top bereikt heeft kan zomaar alle namen van de bergen opsommen.
Na een uitgebreide fotosessie op deze heerlijke plaats dalen we langs dezelfde weg terug af. Aanvankelijk wat moeilijk, doch Mireille slaagt er toch in om in mijn kielzog iedereen voorbij te steken. Op deze terugweg blijven we met volle teugen genieten van de onwezenlijk mooie landschappen. 's Avonds maken we zodanig reclame voor deze wandeling (de mooiste !) dat onze Hollandse schuin-overburen besluiten om die morgen ook aan te pakken.
27 juli 2000
Jammer. Goed weer tot dinsdag. En toch moeten we vertrekken. Eerst nog wat streekproducten op de plaatselijke markt van Ceillac gekocht. Dan via Italië naar het meer van Annecy. Bochtig, we schieten weinig op. In het voor mij onbekende plaatsje Talloires, aan het meer, vinden we een mooi hotelletje waar we de laatst beschikbare kamer krijgen. "Une petite chambre", zegt de dame aan de receptie. 5 bedden, 2 tafels, afzonderlijke badkamer en WC, zicht op zwembad en het meer. Petite is duidelijk een understatement.
We warmen ons onmiddellijk op in de jacuzzi. In Talloires. Nooit van gehoord. Maar de jacuzzi is heerlijk ...