
Reisverslag uit Frankrijk : Fietsen in de Rhônevallei
13 april 2001
Een fietstocht in het Franse zuiden.
Meer motivatie hebben we niet nodig om de fietsen achteraan op de auto te gespen en 950 kilometer naar Montélimar te rijden. Heel vlot verkeer, enkel in Valence moeten we even wat bumper aan bumper aanschuiven. Aan ons eindpunt : een azuurblauwe hemel, een vriendelijk zonnetje, maar helaas ook aanhoudende rukwinden. En die zorgen er voor dat we zelfs met fleece en jas aan nog kou hebben.
Een eerste hotel waar we aankloppen blijkt haast verlaten te zijn. Het is nochtans paasweekend ! Vermits er geen ontbijt of avondmaal mogelijk is wil men ons de kamer voor een prijs "basse saison" aanbieden. In Pont Saint-Esprit vinden we een leuk diresterrenhotel waar we ons flink laten verwennen en waar we nog niet te veel denken aan de mistral die we buiten flink horen waaien.
14 april 2001
Vooraleer we morgen onze fietstocht aan te vatten verkennen we vandaag de gorges de l'Ardèche met de wagen. De mistral is nog steeds paraat, maar toch al iets minder fel dan gisteren.
In Pont Saint-Esprit moeten we de Ardèche oversteken over een lange, erg smalle brug. Wij staan als eerste voor het rood licht te wachten, vol twijfel of we wel tussen de pijlers van de brug zullen doorkunnen met de fietsen achterop. Doch het licht flitst op groen, rijden maar. Het lukt nipt, doch halfweg de brug stuiten we plotseling op wandelaars die met twee ezels op pad zijn. En zoals het ezels betaamt : opeens vertikken ze het om nog voor- of achteruit te gaan. Geen beweging meer in te krijgen. Iets later moet de hele karavaan wagens terug in achteruit van de brug proberen te rijden zonder al te veel blikschade. En dan pas komen de dieren terug in beweging ... wie zijn hier nu eigenlijk de echte ezels ?
De gorges laten een schitterende indruk op ons na. Heerlijke kronkelingen, beboste flanken, een prachtig schouwspel. We zien de kajaks als stipjes over het water dobberen. Mireille ontdekt tot twee keer toe een schitterende zitplaats op de rotsen tussen de maquis. Heerlijk in het zonnetje, én uit de wind. Met veel moeite kunnen we ons na een uur terug losrukken uit deze droom, en de verdere uitzichtpunten van de Ardèche verkennen. Aan de Pont d'Arc, een door dit natuurfenomeen doorboorde rots; zien we massa's tentjes staan. En het is hier maar een graad of vijf 's nachts ...
En dan is het tijd om kennis te maken met onze gastheer en gastvrouw van onze chambre d'hôtes. La Faventine de la Bégude de Mazenc, de naam alleen al ! Ze hebben deze boerderij 2 jaar geleden gekocht - in het midden van landerijen - en volledig opgeknapt. Een schitterende hoeve met vijf kamers, een mooi aangelegde tuin en zwembad.
We krijgen de aperitief aangeboden in het salon (appelsienwijn). De andere gasten komen uit de Gard, de Elzas en uit Duitsland. De Duitse vrouw spreekt geen Frans, hij een beetje. Bij de magret de canard leggen ze hem uit dat het "duck" is. En hij maar verschrikt kijken. Hij had "dog" verstaan ...
We laten on de pompoensoep, de magret van alles behalve hond, kaas en een taart van peren met amandelen smaken. Het gezellige avondje vliegt voorbij. We moeten wel tot tien keer toe uitleggen dat we morgen de fietstocht van Montélimar naar Montpellier zullen aanvatten, en dat onze bagage overgebracht wordt. Een vertegenwoordigster heeft ons daarstraks de fietskaarten gebracht, met de mededeling dat we de allereersten zullen zijn die deze fietstocht rijden. Primeur ! Wij zijn dus proefkonijnen. En ze verzekert ons dat de mistral in de rug zal blazen. Eerst zien ...
15 april 2001
Pasen. Gelukkig zijn de paasklokken langs geweest. Het nochtans verzorgde ontbijt was immers zo afgemeten dat we zeker nog wel duizend van die paaseitjes zouden kunnen opeten.
Totaal verzwakt stappen we dan ook op de fiets om een lus rond onze gîte d'étape aan te vatten. En hoera ... er is geen wind. Maar te vroeg victorie gekraaid, want na enkele kilometers krijgen we op een eerste "vals plat", dat daarna een stevige helling wordt, pal een strakke wind op de neus. We passeren de TGV-lijn, doch we vlammen helemaal niet als een TGV voorbij. Ons tempo zakt tot een bedenkelijke 7 à 8 kilometer per uur ! Zelfs Frank Vandenbroucke zou ons kunnen volgen ...
Gelukkig krijgen we daarna een deugddoende afdaling onder de wielen. In Marsanne stoppen we aan het dorpsplein waar we onder het oog van de kerkgangers ons op de picknick storten. Het stokbrood en de lokale geitenkaas slinken zienderogen. Vervolgens trekken we over een redelijk vlak, zelfs wat dalend parcours naar Montélimar. Aan het château des Adhémars moeten we van de fiets, want er staat een helling met een afschuwelijk stijgingspercentage in de weg.
Montélimar zelf stelt niet veel voor. Alle winkels zijn dicht en het stadje lijkt uitgestorven. Wij zoeken vergeefs een terrasje inclusief witte wijntjes. We wenden dan maar de steven terug richting Saint-Gervais. En weer kruipen we vooruit : wind pal op kop, en een vrij saaie baan die lichtjes helt. De laatste kilometers worden op karakter afgerond, we parkeren de fietsen terug in het schuurtje ... en daar is de zon. Eigenaar André komt snel met ligstoelen aandraven, en we brengen een heerlijk namiddagje op het domein door.
's Avonds worden we aan tafel weggeblazen door een groep van 9 luidruchtige familieleden/vrienden, die bovendien pas om negen uur op de hoeve aankwamen. En wij maar honger afzien ...
16 april 2001
Brioche bij het ontbijt. De lawaaierige Fransen doen nog steeds "doke" en dus kunnen wij rustig en uitgebreid van de petit déjeuner genieten.
Onder een druilerig wolkendek pompen we de banden en onze longen nog eens vol lucht en peddelen we tussen de landerijen en hoeves naar Bâtie-Rolland en Rochefort. Kunnen we hier geen abdijbiertje krijgen ? En dan breekt de zon door en stoppen we enkele laagjes kleding in de fietszakken. Aan de ruïnes van de burcht van Rochefort koesteren we ons in de zon en trakteren we ons op een kopje décaféiné. En dan krijgen we een mini-col voor de wielen : drie kilometer stevig klimmen langs een oneindige reeks haarspeldbochten. En we bijten door : de berg wordt bedwongen. En dan is de parcoursbouwer ons genadig. Een lange afdaling en een windje in de rug brengen ons in geen tijd in het aardige middeleeuwse dorpje Grignan, waar een majestueuze burcht boven de Provençaalse daken uittorent. We klimmen met onze fietstassen naar boven. De toeristen lopen hier allemaal warm ingeduffeld rond, en wij ... in short. We flaneren nog even door de nauwe straatjes van Grignan, en zetten onze route dan verder langs nog een reeks kasteelruïnes die we vanop de weg zien staan : Chamaret, Montségur, La Baume. En met een vriendelijke wind (lees : in de rug) en een tof parcours (lees : dalend) moeten we tijdig onze remmen dichtknijpen om Suze-la-Rousse niet voorbij te stuiven. Weer een middeleeuws dorpje, met een mooi gerestaureerd 12de-eeuws kasteel (of wat dacht je). Omdat we geen zin hebben om de fietstassen naar boven te sleuren gaan we om beurten boven een kijkje nemen.
Na Suze-la-Rousse blijven we meer dalen dan klimmen, tot we plotseling in Rochegude, een eindje voorbij een mooie restant van een kapel, niets meer van de wegbeschrijving herkennen. We zoeken tevergeefs naar een rode brandkraan aan de linkerkant, er er zijn er massa's, maar allemaal rechts. En ook de nummers van de wegen kloppen niet. Na bijna een halfuur rondtoeren vinden we dan toch waar het roadbook faalt, en gaan dan via een golvende weg over de Rhône.
De laatste kilometers zijn nog keihard wegens felle tegenwind, maar dan fietsen we toch Pont d'Esprit binnen. Naast de Rhône loopt een klein weggetje, en zo draaien we plots een schitterend park binnen : Domaine de la Baume. De gastheer heet ons welkom, en verwondert zich over ons uitstekend Frans. De locatie is subliem : een kasteeldomein met een prachtige binnenkoer met enkele knoestige bomen. Onze kamer is helemaal op zijn "kasteels" ingericht, een beetje te groot naar de mening van Mireille. In een schuur vinden we een badminton- en tennisterrein ("vous n'avez pas apporté vos raquettes ... ?"), en buiten een zwembad ("mais il fait encore un peu frais") .
's Avonds zitten we alleen aan tafel : een intiem diner bij kaarslicht. We zijn uitgehongerd en nemen nog wat extra scheppen soep, maar de rest van het avondmaal blijft even overvloedig. En eens te meer blijkt de wijn inbegrepen.
Moe maar voldaan kruipen we reeds om twintig voor tien in bed (Rhône-wandeling geschrapt), en Mireille vertoeft reeds na vijf minuutjes in dromenland. Droomt ze van ridders en koningen ?
17 april 2001
Zelfs het zonnetje trotseert de kou als we de fietsen richting Gorges de l'Ardèche sturen. Maar van bij de eerste kilometers valt het tegen : een staalharde wind duwt ons bijna terug naar het domein. En het eerste stuk gaat dan nog langs een drukke baan zodat we niet enkel moeten opboksen tegen de wind maar ook uitkijken voor vrachtwagens die nauwelijks uitwijken.
We steken via de mooie hangbrug (die van de ezels) de Ardèche over en wroeten ons aan een slakkengangetje naar Trignan. En hier begint de weg dan ook nog stevig te klimmen. Met de wind op kop komen we aan driewielertempo in het dorp aan. En helaas : het blijft klimmen en het blijft tegenwind. Recht op de trappers. Zeven kilometer per uur. Vijf ! Nog even en we vallen van de fiets. Na nog geen twintig kilometer zijn we totaal uitgeput. Mireille bestudeert de kaart en vindt een binnenweggetje naar de Ardèche. Een verkorting van zowat twintig kilometer. Via toch nog enkele stevige kuitenbijters komen we uiteindelijk aan de grotten van de heilige Marcel. Iets verder parkeren we de fietsen aan de schitterende picknickplaats die we op dag twee reeds hadden ontdekt. Mireille tovert een ware feestmaaltijd met slaatjes en stokbrood tevoorschijn, en dan is het tijd voor siësta, en om met de verrekijker naar de kajaks en de wandelaars te turen.
Na twee uur heerlijk in het zonnetje uit de wind, moeten we onszelf verplichten om verder te trekken ... tot vijf kilometer verder, in Saint-Martin d'Ardèche waar een gezellig terrasje ons vriendelijk toelacht. Na een karafje witte wijn gaat de verdere tocht "vanzelf", al gaat het toch nog stevig op en neer langs heerlijke landelijke weggetjes. De toren van Saint-Esprit doemt in de verte op zodat we net op tijd onze eindspurt kunnen inzetten. De eigenaar staat ons al met de sleutel op te wachten in het Domaine de la Baume, waar we een onovertroffen namiddag afsluiten in het avondzonnetje.
Benieuwd of de spieren morgen nog tot enige actie in staat zijn.
18 april 2001
Bij de start van de volgende etappe stellen we vast dat de zon zich eens te meer niet heeft overslapen. Nog even de picknick inslaan en dan richten we het kompas op de Chartreuse de Valbonne. Het is nog wel ernstig klimmen eer we op het kloosterdomein aankomen, waar vroeger lepralijders en nu mensen uit de rand van de maatschappij opgevangen worden. En aan de "vieze types" te zien de uiterste rand ...
Gelukkig moeten we de dreef die we net zijn afgesuisd niet terug beklimmen. We krijgen immers een kortere klim voorgeschoteld zodat we snel onze weg via heuvelende, landelijke paadjes kunnen vervolgen. In Roque-sur-Cèze steken we de gelijknamige rivier over via een oude bogenbrug. Na nog geen derde van het totale parcours moeten we vaststellen dat we reeds "pompaf" zijn. Dit wordt nachtwerk ...
Een picknick tussen de wijnvelden bezorgt ons de nodige doping om via nog enkele kuitenbijters aan de voet van Uzès te belanden. De "muur" van Uzès beklimmen we in spurttempo, om dan boven klem te geraken tussen het drukke verkeer. De toeristische dienst weigert om onze fietszakken achter de balie te laten staan, en we besluiten dan ook om Uzès later nog eens te bezoeken en nu de eerste indruk te beperken tot een terrasje in de zon.
We verlaten Uzès via een pittoresk smal weggetje en passeren dan met steeds stijvere spieren en pijnlijker zitvlak nog enkele leuke dorpjes die we wegens te weinig tijd niet verder bezoeken (Argilliers, Vers, Castillon). Het laatste stuk tot Saint-Hilaire d'Ozilhan wordt nog vlot afgerond zodat we onder het gegalm van de klokkentoren (zes uur) de fietsen op de binnenkoer van een achttiende-eeuws herenhuis opdraaien. Een terrasje oogt uitnodigend, en bij ons duurt dat dan geen tien minuten ...
19 april 2001
Redelijk slecht geslapen en een minuscuul ontbijt : geen ideale vertrekbasis om 80 kilometer golvend parcours af te leggen. Dan maar bij de warme bakker. Met een stokbrood, twee croissants en twee appelkoeken op de bagagedrager verlaten we het rustige Saint-Hilaire d'Ozilhan om reeds na een paar kilometer aan de Pont du Gard aan te komen. We laveren met de fiets tussen de horden toeristen tot in de schaduw van het majestueuze bouwwerk. In het belendende parkje halen we het tweede ontbijt boven. En de appelkoeken blijken helemaal geen appelkoeken te zijn maar een hartige middaghap.
Voorbij de Pont du Gard fietsen we door een pittoreske Romeinse holle weg, stevig stijgend. Die Romeinen hadden geluk : die hoefden hier niet met de fiets over !
Aa de gorges van de Gardon blijven we tussen de ontluikende wijnvelden peddelen, voor het merendeel bergop. De wind komt uit het westen, en naar waar fietsen wij : inderdaad. Constant tegen de wind opboksend schieten we maar matig op. Gelukkig zijn er af en toe bankjes aan fonteintjes ("eau non potable") in verstilde dorpen om weer op adem te komen. We vinden een mooie picknickplaats onderaan een bogenbrug aan het water, maar daarna is het weer afzien geblazen. Veel bergop, tegen de wind in, en als het al eens bergaf gaat moeten we blijven trappen. Afdalen aan negen kilometer per uur, ga dat thuis maar eens vertellen.
Ondertussen wordt het landschap mooier : meer bossen, en uitzicht op de kalksteenformaties van Les Causses. Na veel kilometers aftellen en de wegbeschrijving op elke hoek twee keer lezen om zeker niet verkeerd te rijden, komen we uiteindelijk meer dood dan levend aan op het dorpsplein van Lauret. En van daaruit is het nog 1 kilometer tot onze "auberge", maar wat een kilometer : steil naar boven, het lijkt eindeloos.
In de mooie Auberge du Cèdre moeten we een hele tijd zoeken en roepen eer we de eigenaar aantreffen. We laten ons 's avonds heerlijk onderuitzakken bij een aperitiefje (Rivesaltes), een superwijn van het domein (Château Cazeneuve) en een voortreffelijk avondmaal in de orangerie.
En we vallen daarna als een blok in slaap ...
20 april 2001
Un jour de repos ...
Onze spieren beginnen stilaan als Franse baguettes aan te voelen, en dus besluiten we om deze ochtend eens lekker niks te doen. We vinden een mooi windvrij plaatsje in de fraai aangelegde tuin naast de orangerie. De zon toont zich uitbundig. Ook de meeste andere gasten gaan tot weinig activiteit over, maar flaneren in de tuin of liggen zoals wij in de zon. 's Middags verorberen wij een heerlijk slaatje met een pichet wijn onder de jaloerse blikken van de anderen (bijna allemaal Duitsers).
Toch wat actie in de namiddag (onder een ondertussen dreigend wolkendek) : we fietsen over kleine landweggetjes (het gaat vanzelf, maar het is nu wel bergaf en wind mee) richting Pic du Loup, een rotsformatie die boven de omgeving uitsteekt. We laten de fietsen achter en trekken over een rotsig pad verder tot de ruïnes van het château de Montferrand. Dan sla ik plots een verkeerd weggetje in en moet dan een hele tijd over de stenen overblijfselen van het kasteel klauteren om Mireille terug te vinden.
De terugtocht toont de ware toestand van onze spiermassa (of wat er van rest) : het is nu uiteraard bergop en wind van voren, en dus moeten we alle hens aan dek roepen om de Auberge te bereiken.
Gelukkig kunnen we 's avonds onze voetjes weer onder tafel schuiven. In het weekend is het restaurant ook open voor anderen, en daardoor worden de hotelgasten in een hoekje bijeengedrumd. Het restaurant loopt snel vol. Onze maaltijd begint karig : wortelen. Gewoon wortelen. Daarna toch nog een lekker visje en een kaasschotel.
Zouden die wortelen goed zijn voor de beenspieren ? Alhoewel, ik heb nog nooit een konijn op een fiets gezien ...
21 april 2001
Ra ra : 't is altijd bergaf en de wind blaast in de rug ? De weg naar Montpellier.
Er rest ons vandaag nog een laatste stukje van 40 kilometer. En eindelijk gaat het vlot : de wind stuwt ons over smalle landwegjes haast zonder trappen tot aan het kasteel van Assas, waar we van een koffietje nippen. Het is ijskoud, en we hebben sweater, jas en lange broek aan. Het laatste stuk is redelijk vervelend, langs zeer drukke banen rijden we Montpellier binnen. Even zoeken naar de gare, waar we in een wirwar terechtkomen omdat er grote verbouwingen bezig zijn. We komen een tiental minuutjes te laat op het afgesproken punt, maar wel precies op hetzelfde moment als de vertegenwoordigers van Safran die onze bagage terug naar het initiële vertrekpunt zullen overbrengen. We laten ons verleiden tot een slaatje in Bleu Thé, en gaan dan nog wat kou afzien in de oude binnenstad. Een beetje een "choc" na al die rust en natuur.
Dan met de trein naar Avignon, waar we net te weinig overstaptijd hebben om nog eens naar de pont te kunnen gaan zien. In Montélimar wacht André ons op en brengt ons in rodeostijl terug naar zijn La Bégude de Mazenc. Vandaag krijgen we de chambre Lavande op de benedenverdieping. Er zijn vrienden van de familie op bezoek, en er wordt een "specialleke" bovengehaald als aperitief : een Clairette de Die. Heel fruitig en fris. De gasten zijn na het avondmaal nog van plan om er een lange avond van te maken, maar onze ogen vallen toe.
22 april 2001
De fietsen op de auto, afscheid van onze sympathieke gastheer en gastvrouw, en dan met de auto naar Uzès waar we nog een nachtje verblijven. En we hebben nog een dag in Nuits-Saint-Georges (jawel de wijnstreek) tegoed.
Terminer en beauté ...