Reisverslag uit Nepal :
Annapurna Sanctuary Trekking

Zondag 10 november 1996

Dheepavali-feest vandaag, het Nepalese nieuwjaar.

Alle straten in Kathamandu zijn mooi met lintjes versierd. De huizen worden extra opgepoetst, aan de voordeur tonen kleurstoffen en bloemetjes de weg naar binnen. Niet voor buren of vrienden, wel voor Lakshmi, de godin van de weelde.

Dat feest heeft voor ons ook een schaduwzijde : de vorige dagen waren vele winkels en officiële instellingen gesloten. Onze reisagent moest dan ook heel lang aanschuiven aan de loketten van het Department of Immigration om aan onze trekking permit te geraken, zodat we pas om 12 uur 's middags afgehaald werden met een jeep richting Pokhara (met de nadruk op Pok).

We maken kennis met onze gids - Som Behadin Fanang, zeg maar Som - "the specialist in the Annapurna region. He did this trekking already many many times." Het zou uiteindelijk een helse zeven uur duren om ter bestemming te geraken. Overal putten en bulten in de weg (de hoofdweg staat er ergens fier aangeduid !), scherpe bochten en veel smalle stukken waar enkel met halsbrekende toeren kan ingehaald worden. Onderweg worden we een paar keer door een rij dansende kinderen tegengehouden. De eerste keer geeft de chauffeur nog wat geld, daarna manoeuvreert hij er zich bruusk doorheen.

We stoppen uiteindelijk aan een hotel in Phedi, tien kilometer voorbij Pokhara. We krijgen ajuinsoep, dhal bat (rijst met linzen) en boontjes, en achteraf ananasschijfjes als avondmaal. We hebben keuze tussen thee, Nescafé, warme choco of warme melk als afsluiter. Ondertussen wordt ons de kok voorgesteld (Prem Dorje Fanang), een neef van de gids.

Onze groene tenten staan uitnodigend op de grasvlakte van het hotel te wachten. We krijgen nog waarschuwingen mee voor eventuele diefstal omdat we zo dicht bij een dorp zitten. Morgen moeten we om zes uur uit de veren. Hopelijk kunnen we slapen met het feestgedruis in het dorp ...

Maandag 11 november 1996

We krijgen al meteen een voorproefje van het dagelijkse ritueel : om zes uur worden we gewekt met "wake up tea" (eigenlijk meer wake up afwaswater). Tien minuutjes later krijgen we twee waskommen met lauw water toegeschoven ("wassing water"). En dan maar proberen om in zulke beperkte ruimte een douche te imiteren. Om zeven uur ontbijt : cornflakes, toast, scrambled eggs, thee, Nescafé, jam. Niet zo heel veel, dus heeft Mireille om negen uur al terug honger.

Om kwart voor acht vangen we onze trekking aan met onmiddellijk een steile klim. We krijgen liefst acht man achter ons aan (luxueuze reis !) : gids, kok en zes dragers. Regelmatig (té regelmatig vinden we) wordt er gestopt. We passeren Dhampus (1768 m) zonder het echt te beseffen. Het zicht op de Macchapuchare is voortreffelijk. In het Engels noemen ze die berg "Fish Tail" omwille van de treffende gelijkenis.

Om half elf krijgen we reeds ons middagmaal : chapati's met vis, bloemkool en jam ...

De zon schijnt nog heerlijk doch dat verandert snel. De mist komt in de verte op en een breed wolkendek bedekt de warme zonnestralen. Spijtig voor het ongetwijfeld schitterende uitzicht.

Het wordt hier wel druk belopen : regelmatig komen we groepjes trekkers tegen, al dan niet met dragers achter zich aan. We worden af en toe tegengehouden door een cordon zingende kinderen die ons met een bloemenkrans willen tooien. Gezien belevenissen op vorige reizen weigeren we dit vriendelijk maar kordaat. Ondertussen blijven we maar stijgen. We vinden dat er te weinig actie is, en vragen aan de gids hoelang we nog mogen trekken vandaag. Daar hebben we onmiddellijk spijt van, want nu denkt hij dat we al moe zijn. "Not far, just one hour descent".

De afdaling doet pijn aan de kuiten. Als we rond drie uur terug aan een hotelletje stoppen (waarnaast we gaan kamperen), is het heel fris geworden. Een tea time met biscuits kan ons nauwelijks opwarmen. We zien dat er overal affiches uithangen met daarop de foto van een verdwenen Amerikaanse toerist (Michael "Mike" Rudof, 28 jaar) Sommigen vermoeden dat hij vermoord werd, ofwel om zijn geld, ofwel omdat ... hij roodharig is (de lokale bevolking blijkt daar niet van te houden). Hij verdween tussen 1 en 15 oktober jongstleden op de Jomsom trekking.

Een man met een pinnemuts knoopt met ons een gesprek aan. Hij blijkt les te geven in het naburige dorp Tolka ("geography, natural environment and algebra"). 's Avonds zien we hem terug : stomdronken, samen met een andere man. Teveel bier gedronken.

Het avondmaal is uitgebreid : ajuinsoep met look, vegetarische momo's met tomatensaus, gefrituurde bloemkool. En tot slot zelfs een echte apple pie (Nepalese versie).

De gids komt ons nog plechtig het programma van de volgende dag meedelen (New Bridge - Chomro). Wat dalen, wat klimmen, minder zwaar dan vandaag. Voor hem is het al de 25ste keer dat hij de Annapurna Sanctuary trekking doet. Hij heeft ook al de Everest drie keer beklommen tot 8100 meter hoogte, maar geen enkele keer de gelegenheid gekregen om tot de top door te stoten.

De nacht wordt een verschrikking. De hele nacht wordt er gezongen en gedanst. De monotone zang zou ons dan nog misschien laten indommelen, ware het niet dat de hond van het hotel telkens luid in paniek begint te blaffen. En als op de ochtend alles eindelijk stil wordt, begint een kat hartstochtelijk te miauwen.

Het ritueel van elke ochtend blijft van kracht, doch nu iets minder wakker. Tot overmaat van ramp beginnen onze kledingstukken klam aan te voelen.

We trekken door naar Tolka (1710 m), en iets later krijgen we een ongemeen schitterend zicht op de Annapurna South en de Kanchenjunga. Beide toppen liggen onder een dikke sneeuwvacht. Het wordt een pittige tocht : veel op en af, en in het zonnetje. In tegenstelling met gisteren wordt er nu niet veel meer gestopt. Voorbij Landruk (1550 m) lopen we terug in de schaduw. We dalen af naar de Modi Khola rivier en moeten een paar wankele bruggetjes over.

Na drie uur stoppen we voor de lunch in New Bridge (1340 m). Ons middagmaal : hamburger met frieten, bonen en sla, en croque monsieur (heel Westers dus). We koesteren ons heerlijk in het zonnetje, al heeft Mireille en sweater en Polartec aangetrokken (18° C maar een fris windje).

In de namiddag is het afzien geblazen : de weg gaat verschrikkelijk steil omhoog en er lijkt wel geen einde aan te komen. Iedereen heeft het lastig. Na drie uur afzien merken we bij een rustpunt twee Britse meisjes op die voorbijstrompelen met een zware rugzak.

- Give me one porter for a day, roept de tweede.

Ze vragen aan onze gids hoe ver het nog is.

- Only 45 minutes.

Dat lijkt hen niet veel moed te geven, vooral als ze horen dat het nog constant "climbing" is.

Als we ze even later gezwind (?) voorbij steken kijken ze me verwijtend aan : "You have a light daypack".

De slotklim is verschrikkelijk zwaar. Heel bezweet komen we aan een hotelletje vlak voor Chomrong aan. Een ijskoude wind giert over het plateau. Het duurt dan ook niet lang of we hebben allebei een flinke verkoudheid te pakken.

De tenten kunnen niet onmiddellijk opgezet worden omdat er nog een hele groep mannen aan het kaarten zijn.

We krijgen pizza als avondmaal, tomatensoep, macaroni, tomatensaus, en ananas als dessert. Weeral veel te veel. Als we dat aan de gids vertellen, lijkt hij heel vereerd.

De volgende dag kondigt zich weer zwaar aan, dus kruipen we vroeg in onze slaapzak. 's Nachts horen we een yak rond onze tent drentelen ...

Woensdag 13 november 1996

We worden wakker met een schitterend uitzicht op de Macchapuchare, Annapurna South en Annapurna III.

En hop, meteen weer aan de klim. Na 10 minuten komen we in Chomrong en van daaruit dalen we weer af naar de Modi Khola. En - wat dacht je - daarna weer stevig klimmen. Om twintig over 10 stoppen we in Sinuwa (2200 m) voor het middag (!) maal : loempia, erwten, patatjes, sla, kaas en sinaasappelen. Buiten is het lekker warm in de zon. Onze laatste dragers komen bijna anderhalf uur na ons toe.

In de namiddag klimmen we langs een modderig pad via Kuldi naar Bamboo Lodge. Die naam verwijst naar het feit dat hier overal bamboe staat. We passeren een check point waar we onze trekking permit moeten laten afstempelen en een register invullen. Op een bord hangt het aantal bezoekers tijdens de maand oktober 1996 uit : verrassend veel Israeliërs, niet veel Belgen. Onder de 32 nationaliteitenn ook nog Polen, Mexicanen en zelfs 1 Griek.

In Bamboo Lodge is het ondertussen ijskoud geworden en we krijgen ons avondmaal in de tent van de gids. De soep (heerlijk warm), de gebakken rijst met groenten, de chapati's, de puree, de boontjes en de banaan smaken voortreffelijk.

's Avonds komt de gids met onverwacht nieuws : we gaan morgen reeds naar het Macchapuchare Base Camp. Met zijn handen duidt hij aan dat het niet zo steil klimmen wordt. Eerst zien ...

Eén van de trekkers vraagt aan de eigenaar van het tea house welke plant naast de keuken staat.

"Marihuana" is het lakonieke antwoord.

Iets later staat een grote zwerm toeristen naar de plant te kijken ...

Donderdag 14 november 1996

We beginnen met een heel geleidelijke klim naar Doban (2605 m), vervolgens naar het Himalayan Hotel (2875 m). Onderweg passeren we een heiligdom van de hindoes. Op een bord staat aangeduid dat men vanaf hier niet meer mag ... spuwen, om de toorn van de almachtige god niet op te wekken. Wij moeten dus heel goed aangeschreven staan bij die god. Wij spuwen immers nooit ...

Voorbij die plaats begint het stevig te klimmen : loodrechte rotsmassa's, verschrikkelijk steile hellingen waar maar geen eind lijjkt aan te komen. Na vier uur klimmen we meer dood dan levend naar de overhangende rots van Hinko. In de verte zien we op dezelfde hoogte onze middagstopplaats (Deorali) liggen. Tot onze wanhoop moeten we eerst helemaal de ravijn afdalen en vervolgens weer steil omhoog. Onze benen weigeren dienst, onze ademhaling is niet meer onder controle te houden.

En dan verschijnt om een bocht een engelbewaarder ... in de vorm van één van onze dragers die een hele ketel met warme citroenthee heel de helling heeft afgedragen. De citroenthee kikkert ons op, maar de slotklim voelt toch nog zwaar aan. Van zodra we in Deorali (3230 m) aankomen (om half één) stopt de zon zich. Na het middagmaal komt zelfs een dikke mistnevel over het plaatsje hangen.

Onze gids meldt dat we vandaag niet doorkunnen naar het Macchapuchare Base Camp. Teveel volk, kans om geen campingplaats te vinden. De hele namiddag relaxen (synoniem van vervelen) dan maar, en dat in een bijtende kou. Praktisch alle trekkers zitten reeds in hun lodge of tent (om twee uur in de namiddag). De gids en dragers zitten buiten rustig te kaarten ...

Wij vluchten ook in onze tent, en beginnen volop te dromen van :

Als de gids ons avondmaal komt toelichten (opnieuw geserveerd in zijn tent) begrijpen we er niets van. Het is dan ook van hoera en joepie als het om spaghetti met tomatensaus blijkt te gaan (na het overheerlijke warme soepje uiteraard). De spaghetti wordt helemaal verslonden, de begeleidende aardappelen (!) blijven onaangeroerd.

Vrijdag 15 november 1996

Vandaag klimmen we naar het Macchapuchare Base Camp (3705 m). Bij de start is het 4° C. De klim valt heel wat beter mee dan gevreesd, het gaat vrij geleidelijk. Na een uur en 50 minuten bereiken we ons doel. Boven koesteren we ons in het zonnetje, al blijft het koud. Hier krijgen we al een overweldigend zicht op de Annapurna South, de Annapurna I en III, de Macchapuchare en de Hiunchuli.

Na het middagmaal vatten we de klim aan naar het Annapurna Sanctuary (4136 m). Ik krijg het enorm lastig door de hoogte, het stijgingspercentage zelf ligt niet zo hoog. Boven word ik zelfs even duizelig, doch het gaat meteen weer over. Onderweg kijken we wel regelmatig bezorgd over onze schouder naar enkele mistflarden die dreigen uit het dieper gelegen dal komen opzetten. Maar we hebben geluk : het uitzicht op de enorme bergkom gevormd door de Macchapuchare, de Gangapurna en de verschillende Annapurna's is adembenemend.

De gids vertelde ons gisteren dat een goede Nepalees de klim in 1 uur klaarspeelt, wij deden er 1 uur en 18 minuten over zodat het met onze conditie nog niet zo slecht gesteld is. Als na een half uur de mist een deel van het uitzicht belemmert, vatten we de terugtocht aan. Bij aankomst aan het Macchapuchare Base Camp voel ik me terug beter na het drinken van een cola. Nu begint Mireille echter hoofdpijn te krijgen. Om drie uur vluchten we weer onze tent in voor de oprukkende kou.

Het avondmaal mag er weer zijn : hete looksoep, groenten, macaroni en gefrituurde bloemkool, pudding. Maar wij eten het wel op in onze tent, lekker ingeduffeld in onze slaapzakken.

Buiten vriest het dat het kraakt, maar wij slapen zonder enig probleem.

Zaterdag 16 november 1996

Het neerwaartse traject verloopt heel vlotjes. Af en toe is het wel wat glibberig. Deorali en Hinko worden snel achter ons gelaten, en het middagmaal (vis, erwten, sla en een spring roll loempia) nuttigen we in Himalayan Hotel. Een trekker komt ons vragen waar in 's hemelsnaam die lekker ogende vis op de menukaart staat ...

Via een heel modderig terrein komen we terug aan in Bamboo Lodge. Het is pas half drie dus doen we een poging om wat te lezen. Doch vlak voor tea time (stipt om vier uur) vluchten we terug de tent in van de kou.

Zondag 17 november 1996

We lezen geen kranten maar we weten toch het laatste nieuws : gisteren is de vermiste Amerikaanse toerist teruggevonden. Hij was naast de weg terechtgekomen en daarbij zijn been gebroken. Gedurende vijf weken werd hij bij een Nepalees in Tatopani (op de Jomson Trek) verzorgd en gevoed. En de politie en de Amerikaanse ambassade maar zoeken ... Toeval of niet : sinds gisteren hangen overal nieuwe affiches uit met daarop de vermelding : reward 2000 US dollar ...

De terugtocht naar Chomro - waar we voor het middagmaal toekomen - is pittig : steile rotsafdalingen, glibberige wegjes, stevige klimmetjes. De hamburger met frietjes is dan ook welkom. Vandaag is de zon niet van de partij, het blijft dan ook ijskoud.

De namiddagactiviteit blijft beperkt : enkel nog de eindeloze rij trappen op tot iets voorbij Chomro waar we ook al op de heentocht overnachtten.

Maandag 18 november 1996

Onder een heerlijk zonnetje vertrekken we voor wat een lange tocht (omhoog dan nog) moet worden. We nemen afscheid van twee van onze dragers die naar Pokhara terugkeren. Het beginstuk gaat nog naar beneden tot een hangbrug, maar daarna klimmen we langs terrassen met graan tot Ghunjung (1800 m) en zigzaggen verder door naar Chuile.

Na het vullen van de magen klimmen we door een regenwoud. Het lijkt wel eindeloos. Een schril geluid trekt onze aandacht : zou het een vogel of een aap zijn ? Plots duikt het antwoord levendig voor ons op : een aap slingert van tak tot tak.

In Tadopani verkennen we eventjes de uitgestalde winkeltjes. Na nog een harde tocht komen we aan te Banthanti (2200 m), in de schaduw van een grote rots.

Dinsdag 19 november 1996

Heel de nacht hebben we kou afgezien in de tent. Niet verwonderlijk vermits we 's ochtends merken dat er overal een wit laagje op ligt.

De etappe is kort maar heel stevig : we moeten weeral door de jungle zowat 1000 meter klimmen tot Deorali (3200 m), om vervolgens af te dalen, struikelend over grote boomwortels, naar Ghorapani, een "groot" dorp. Onderweg zien we voor het eerst de Dhaulagiri, één van de hoogste bergen ter wereld. Van hieruit ziet hij er nog niet eens zo hoog uit.

In Ghorapani vervelen we ons een hele namiddag stierlijk in de bijtende kou. Zo groot is het dorp immers nu ook weer niet, op een half uurtje hebben we alles gezien : 15 hotels, 10 winkeltjes, 1 primary school en 1 check point waar men ons absoluut wil inschrijven al trekken we vandaag niet door. Voor de tea time mogen we kuns aan een lekker warme houtkachel gaan zitten.

Vandaag mogen we door de grote kou trouwens binnen slapen in een lodge. In bed hoort Mireille een muis, maar Herman is al half ingedommeld.

Om middernacht moeten we beiden naar het toilet. Geen eenvoudige opdracht vermits we de living - slaapkamer van de eigenaar moeten passeren en alles reeds afgesloten is. Bij een tweede plasbeurt in de ochtend staat Mireille oog in oog met een yak, die voor haar staat aan te schuiven aan het toilet ...

Woensdag 20 november 1996

Gans het dorp staat om 5 uur op om de Poon Hill (3193 m) te beklimmen. Wij doen het iets later (kwart voor zes), de zonsopgang stelt toch niets voor. Na 40 minuten bereiken we de top. Het zicht is mooi maar minder spectaculair dan ABC of MBC. Er is veel volk hier boven, er staat zelfs een geïmproviseerde coffee shop.

Een Hollandse dame vraagt uitleg over de verschillende pieken aan onze gids. Ze vertelt ons dat ze in Tibet is rondgetrokken en enorm kou afgezien heeft. In Kathmandu heeft ze schitterende trekkingkleding voor een appel en een ei gekocht, daar moeten we ook eens naar uitkijken.

De afdaling naar het dorp gaat in een slakkengangetje, we zitten immers achter een "bus" Japanners.

Na het ontbijt is het grotendeels afdalen via grote treden of glibberige weggetjes. De lunchstop is Banthanti (2250 m). Het weer is schitterend : zon, zon en nog eens zon.

De namiddag brengt een eindeloze rij trappen van Ulleri (2070 m) naar Tirkhedunga (1410 m) en Hille (1495 m). We zitten nu helemaal op de Jomsom-trail, wat te merken is aan de horden ezels die tussen de verschillende dorpen pendelen. We slalommen "handig" tussen de uitwerpselen. We lopen zelfs een eindje mee met enkele Tibetaanse vrouwen en kinderen die hun ezels luid schreeuwend voortstuwen.

Bij aankomst in Hille is de zon nog steeds van de partij - uniek op deze reis. Bij het avondmaal moeten we een gevecht leveren met de kippen die steeds op onze tafel springen, tot grote hilariteit van de plaatselijken.

Donderdag 21 november 1996

Hoi hoi, het blijft schitterend weer. We dalen geleidelijk af naar Birethanti (1065 m). Stoppen die gasten voor het middagmaal toch wel op een schaduwrijke plaats zeker &

Daarna volgt een uitdagende klim naar Chandrakot (1550 m), een heel toeristisch plaatsje. We moeten heel lang op de dragers wachten, en op een terras drinken we ons eerste pintje bier sinds 2 weken.

We slapen weer in een lodge vandaag. De campingplaats staat vol met tenten voor een soort congres van sherpa's en kitchen staff. Volgens onze gids moeten ze daar 125 USD per persoon voor neertellen.

Onze slaapplaats stelt niet veel voor : een krot, net groot genoeg voor twee bedden, met zulke dunne tussenschotten dat elk kuchje of gedraai in bed voor de hele lodge hoorbaar is. Bovendien zit het hier volg gaten en kieren zodat veel uitkleden er ook niet bij is.

De WC is ook al een avontuur : bij een eerste gelegenheid schuift Mireille bijna het putje in, onnodig te zeggen welke glibberige tralala daar de oorzaak van is.

's Avonds genieten we nog van een mooie zonsondergang, de bergen zijn gehuld in een witte wolkennevel. Ze zien er uitnodigend dichtbij uit.

Vrijdag 22 november 1996

Laatste trekkingdag. Na een weemoedige laatste blik op de Himalaya dalen we af naar ... een geasfalteerde straat. Terug de bewoonde wereld in, met lawaaiierige bussen, getoeter en stof.

Een groep schoolkinderen loopt met ons mee. Hun Engels is uitstekend. Ze gaan naar een "Agricultural School" en leren Nepali, Hindi, Engels, science (heel gemakkelijk !), math (moeilijk !). Ze zijn tussen 9 en 11 jaar oud. Vandaag hebben ze school van tien uur tot half twee (omdat het vrijdag is, anders tot vier uur). Aan de schoolpoort wuiven ze ons uit.

Om kwart over negen komen we al aan onze ... lunch place uit (Kanre), na een saaie tocht langs de baan.

Tot afscheid krijgen we een grote taart aangeboden. We moeten er helemaal alleen van smullen, de Nepali lusten enkel dhal bat ...