
Reisverslag uit Zwitserland :
Zaterdag 9 augustus 2003 (Mireille)
Vroeg uit de veren om met vakantie te vertrekken – dat moet kunnen.
Nog een beetje wringen met de koelboxen (het is 35°C in Zwitserland !) en om twintig over vier zijn we ribbedebie.
Mist in België, hoge ozonconcentraties in Luxemburg, traffic fluide in Frankrijk. Voor we het weten staan we om 15 uur aan de deur van onze Fehrienwohnung in Kandersteg. We worden er warm onthaald door Marc en Suzanne Bonanomi, twee oudere mensen uit Bern die hun huis (een derde van een chalet) een tiental weken per jaar verhuren (en zelf in de stad gaan wonen). Het huis is tot in de puntjes ingericht. Herman regelt het huurcontract en krijgt uitleg over radio en tv. Ik word in de keuken rondgeleid.
Het zijn wel hele pietepeuterige mensen. Herman moet de auto verplaatsen omdat de voorkant naar het huis moet gericht zijn, anders wordt de muur zwart. Ik krijg nogal want aanwijzingen wat wel en niet kan; straks durf ik de toestellen niet meer gebruiken ...
Aankopen in de supermarkt, een dorpswandeling, en dan storten we ons op de uitgebreide wandeldocumentatie van onze gastheren. Dat ziet er goed uit : er zijn 3 kabelbanen die allemaal naar wandelingen leiden. Laat het aperitief maar komen ...
Zondag 10 augustus 2003 (Herman)
Geen beren te zien (zie reisverslag Canada). Weinig bomen (zie reisverslag Canada). Dus is Mireille bereid om er eens stevig tegenaan te gaan ...
Uit de gedetailleerde wandelbibliotheek van ons gastechtpaar plukken we de klim naar de Fründenhütte. Onder nog steeds tropische temperaturen nemen we de stoeltjeslift naar de Oeschinensee. Een beetje oubollig, we gaan zijlings zittend naar boven. En daar beginnen we de wandeling ... in het spoor van een paardenkoets. En tot overmaat van ramp beginnen die vlak voor de Oeschinensee (een kwartiertje later) nog hun blaasinstrumenten boven te halen.
Snel verder trekken dan maar.
Aan het meer heerst heel wat bedrijvigheid : bootjes op het blauwe water, terrasjes, strandgasten op handdoeken en ... koeien. We lopen rechts om het fraaie meer, en worden wat opgehouden op de smalle paden door strandfreaks die hun favoriete plekje uitzoeken. Nog wat slalommen tussen koeien met klingelende bellen, en dan zijn we echt op weg : bijna 1000 meter klimmen naar de Fründenhütte. We lopen eerst nog in de schaduw van een bos langs het meer, maar komen dan op een open vlakte. Een kronkelend pad over steenslag brengt ons hoog boven het meer. Een Franstalige Zwitser vraagt ons waar deze “petit chemin” naartoe gaat. En hoe ver is dat ? Twee uur, oei, ik heb geen water bij. Hij staat nog een hele tijd te twijfelen, en vraagt het nog eens aan een groep meisjes. En dan komt hij dan toch voort. Wat verder reikt Mireille hem een halve fles water aan, die hij dankbaar aanneemt. We moeten over een aantal wankele bruggetjes over stroomversnellingen. Brr, er snel over. De klim gaat steeds in kortere lussen naar boven, tot we aan een enorme wand met rechts een waterval komen, waar geen doorgang in te zien is.
Maar de geel-witte aanduidingen leiden ons naar links, langs de wand, en met wat klauterwerk komen we aan een gigantische cairn, met het meer en Kandersteg aan onze voeten.
De Zwitser komt ook op dat punt, en zucht : nog zo ver. We kunnen nochtans al de Zwitserse vlag van de hut boven ons zien wapperen. Maar het is nog een serieuze klim voor we die vlag veroveren. De Zwitser vertelt me dat hij dit niet gewoon is, hij is langeafstandszwemmer. Hij was hier niet op voorbereid – hij dacht “une petite balade” te doen. We krijgen nu een aantal gezekerde passages langs de rand van de afgrond, en een reeks uitgehouwen trappen waar we wel lijken op stil te vallen (ze waren wel immens steil, merken we op de terugtocht). Nog wat steil gekronkel over rotspaden, en dan staan we oog in oog met de Fründenhütte. Het lijkt wel een Nepalese tempel, met touwen vol kleurrijke gebedenvlaggetjes. Het is hier 26°C, wat we ... bijna kil beginnen te vinden. Alles went.
We zijn omgeven door gletsjers (die zijn dan toch niet gesmolten). We zien een groep op gletsjertocht. De Zwitser komt ook boven, en na een merci aan Mireille vleit hij zich neer op het terras voor eten en drinken. Als we na onze picknick drie kwartier later terug afdalen zit hij er nog steeds ...
De tocht naar beneden is behoorlijk sportief, met steile stukken en glibberige steentjes. Aan de Oeschinensee breien we er nog een stukje aan vast : een verdere afdaling naar Kandersteg. We nemen hier foto's van rare beelden : koeien op het strand. Opletten waar je je handdoek neerlegt.
We dalen af door een bos, openen en sluiten wat hekjes en slalommen dan onder een kabelbaan. Maar jongens, wat een tocht. Verschrikkelijk steil, glibberig. Mireille heeft alle last van de wereld om beneden te geraken. Rond haar ziet ze toeristen op hun achterwerk tien meter naar omlaag schuiven. We komen uit aan de (overvolle) camping, en na een tocht van zes uur duiken we een van de supermarkten van Kandersteg binnen. De koele drankjes worden in één teug leeggedronken. We hebben twintig flessen water mee van thuis – komen we wel toe ?
Deze tocht was een “opwarmer”, maar de spiertjes voelen al pijnlijk aan. Maar misschien kunnen we morgen tussen de koeien van Oeschinensee gaan liggen ...
Maandag 11 augustus 2003 (Mireille)
Bij het ontbijt met cruesli, Schlossbrot, choco en plaatselijke yoghurt zien we hoe met een helikopter bomen van de bergflank in het dal worden gedropt. Maar daarvoor zijn we niet naar hier gekomen. Dus trekken we onze wandelschoenen aan en nemen we de Sunnbüel-kabellift, die aan de Eggeschwand vertrekt. Een rode kabellift die ons meteen 50 Zwitserse franken lichter maakt.
Aan Sunnbüel, op 1937 meter hoogte, trekt iedereen bergopwaarts naar een uitzichtpunt. Onze wandeling gaat echter de andere richting uit, eerst via een smal steil dalend paadje, maar dan snel mooi klimmend. Op het hoogste punt maakt het bergpad een scherpe bocht en krijgen we een totaal ander berglandschap te zien: donkere tinten van groen met massa's blauwe bloemen en hier en daar donkerbruine schapen.
Herman maakt de vergelijking met Wales, alleen zijn hier op de achtergrond hoge bergen en zomerboerderijen. Ons fototoestel schiet haast vanzelf in actie.
De wandelweg blijft nu een hele tijd op een constante hoogte (de Uschinengrat, op 2203 meter). We komen nauwelijks wandelaars tegen. Na een tijdje zwenken we links af en gaan we terug bergop. Herman ziet twee marmotten. Pech voor mij: ze zijn zo één met de natuur dat ik ze niet meer zie. Dan maar verder klimmen. Eventjes is er twijfel of we nog goed zitten omdat we al een uur geen gele borden meer gezien hebben. Maar plots zien we in de verte een meer, dat we met kaart en kompas ontmaskeren als de Tälliseeli.
Als we terug aan gele wegwijzerborden aankomen spreken we de boterhammen aan. Het is al ruim twee uur inde namiddag, en wat zitten we hier goed. Een fantastisch zicht op een heel klein meertje, de sublieme omliggende bergwereld en het geklingel van bergschapen.
Daarna dalen we af – redelijk steil volgens de kaart, goed te doen volgens ons. Voor we het goed beseffen staan we aan het Berghotel Schwarenbach, met de Zwitserse vlag en de roodwitte tafelkleden een echt cliché.
Dan volgt er nog een saai breed grintpad, en van zodra we terug afgedaald zijn met de kabellift nog een half uur langs de asfaltweg. Het resultaat is dat we terug oververhit in onze Fehrienwohnung aankomen en onze drankvoorraad terugschroeven.
En dan een wandeling voor morgen uitzoeken ...
Dinsdag 12 augustus 2003 (Herman)
Derde dag. Derde kabelbaan. Almenalp, ik krijg er meteen hoogtevrees in. Het gammele bakje met acht personen – en een hond – gaat loodrecht tegen een steile wand aan, stort zich dan boven een afgrond met waterval, en wiebelt bovendien de hele tijd. Gelukkig duurt het maar vijf minuten. We moeten er ons wel zelf uit bevrijden, want boven is het station onbemand.
We starten aan de boerderij van Undere Allme op een veelbelovende hoogte van 1723 meter. De aanvang snijdt meteen onze adem en onze benen af : loodrecht door een almenwei naar boven. Niet bepaald mijn specialiteit. Dan volgt nog een steile alm, maar hier liggen gelukkig wel stapstenen. Dan moeten we een prikkeldraad overstappen – gelukkig gebeurt dit zonder schrammen en kleerscheuren. Een trapje verder komen we in sheep country, en ze liggen er toch zo vaak fotogeniek bij. De boer van het Steintal (2017 meter) wuift ons enthousiast toe; hij tuurt door een verrekijker: schaapjes tellen ?
Vervolgens gaan we weer stevig aan de klim. Nog 500 meter naar boven tot First. Een zigzagpad, eerst langs een groene helling, vervolgens veel steenpuin. Voetje voor voetje schuifelen we dichter naar de top, over rotsplaten en losliggende steentjes. Nog even afslaan naar rechts, en dan zien we de kruin eindelijk liggen, gemarkeerd door een cairn en een alomtegenwoordig wit-geel-wit-bordje.
Honderd meter over een smalle bergrichel, door een bloemenzee, en dan planten we onze rugzak neer op de top (2548 meter). Wat een uitzicht: sneeuwbestuifde toppen, de donkerblauwe Oeschinensee. Langs de andere kant ligt Adelboden, een stukje minder spectaculair. Vier Duitsers maken lawaai voor veertig. Gelukkig stappen ze na een tijdje op, en kunnen we voor veertig genieten van het grand cru-uitzicht, de picknick, de bergen, de rust en de massa's parapenters die boven ons zweven. Een lekker windje zorgt voor een aangename 22°C (in Kandersteg is het nog steeds een stuk boven de dertig graden).
Van hier wijst de pijl verder terug naar Kandersteg (3 uur), maar we besluiten op onze passen terug te keren. Even nog wat halsbrekende toeren (losliggend puin en zeer steil), maar dan laten we ons langs de verschillende almen naar beneden rollen en stoppen we net op tijd voor het kabelbaanstation. Self service. Zelf sluiten (en tien keer nakijken of de deur wel dicht is) en het dalstation opbellen.
En nog eens. En nog eens. In slaap gevallen ? Oef, eindelijk. En dan weer precair naar beneden. Vroeg terug.
Voor Mireille eindelijk doen waar ze tot nu geen tijd voor had : een boekje lezen.
Woensdag 13 augustus 2003 (Mireille)
Ik verlies de weddenschap.
Voor het eerst op deze reis zijn we vroeg uit de veren (kwart voor acht). We nemen terug de Allmenalp kabelbaan, en stellen boven vast dat we de wandelkaart niet bij hebben. Die ligt nog in de auto, wedden ? Neen, zegt Herman, die ligt nog in ons huurhuis. Hij gelijk en dus moet ik nu dit verhaal neerpennen.
Het eerste stuk van de wandeling is krak hetzelfde als gisteren. Via een boerderij en wat later een koeienstal komen we aan punt 2270. Hier kunnen we kiezen: Bunderspitz of Bunderschrinde. Het laatste ziet er toffer uit: veel steenpuin en niet via almen zoals gisteren.
We lopen meteen door een weids panorama met watervallen, gletsjers en de Oeschinensee. De klinkende bergkoeien maken het plaatje af. En dan hop, weer via een steenslagpad verder stijgen naar het op 2385 meter hoogte gelegen Bunderchrinde (alles is hier Bunder en iets). Daar zit een grote groep Britten. De Chrinde is in feite een smalle doorgang tussen twee hogere rotswanden. We vlijen ons neer op de zwarte rotsen en genieten van het imposante landschap. We hebben zelfs zicht op de Eiger ! Met zo'n panorama smaakt het Bergbrot extra.
De afdaling even later is andere koek. Ik zweet water en bloed. Een heel steil pad op steengruis, ik weet begot niet hoe ik er moet aan beginnen. Stapje voor stapje, op mijn achterwerk, met wandelstok, zonder, kijken, wachten, twijfelen. Tot grote wanhoop van Herman die al bijna beneden staat en die al aanstalten maakt om terug te klimmen. Uiteindelijk geraak ik toch beneden, en als ik dan naar boven kijk vraag ik me af wat er nu eigenlijk moeilijk aan was ...
Door bergweiden en over stenige
paden komen we terug uit op een grintweg bij een restaurant en een “café” Bunderalp waar alleen niet-alcoholische drankjes (melkproducten) te verkrijgen zijn. Langs asfalt en bosrijke doorsteekjes komen we tenslotte in Oey uit, een gehucht van Adelboden (1200 meter). 153 meter klimmen en we zijn in Adelboden.
Adelboden ziet er veel groter, uitgestrekter en toeristischer uit dan Kandersteg. Maar de wandelingen zien er veel minder spectaculair en hoog uit. Nog een biertje en dan op zoek naar het busstation. Voor iets meer dan 9 Zwitserse franken hebben we een kaartje tot Frütigen, en vandaar voor ongeveer dezelfde prijs een treinkaartje tot Kandersteg.
In het nieuws horen we 's avonds dat gisteren in Graubünden het warmterecord gesneuveld is: 41°C.
Donderdag 14 augustus 2003 (Herman)
Wat een verschil: tien graden minder dan gisteren. Zodat we het nu met “frisse” temperaturen van 26°C moeten stellen. Mireille stopt meteen een extra pulletje in de rugzak.
Vandaag staat een lange wandeling op het programma, naar de Blümlisalphütte, op de top van de Hohtürli (2778 meter). Met de kabelbaan naar de Oeschinensee, en na een kwartiertje staan we met enkele andere wandelaars te twijfelen: linksaf of rechtdoor. Beide gaan naar de Hohtürli. De anderen gaan linksaf, wij rechtdoor. We dalen verder af tot in een bos links van de Oeschinensee.
En dan begint het zowaar te druppelen. We zien ook al mistflarden boven de bergtoppen verschijnen. We laten een terrasje rechts liggen (Unterbärgli) en klimmen dan over natte, glibberige keien door een alm. Enkele gezekerde passages brengen ons op een hoger gedeelte, en enkele koeien verder openen we het poortje van de hoeve – annex terras – van Oberbärgli, op 1973 meter hoogte.
We trekken moedig nog een kleine honderd meter hoger, maar dan begint het hevig te regenen. De jassen aan en terugkeren. Het is nog 14°C ! We besluiten om via een fraaie Höhenweg naar Oeschinensee terug te keren. Het zicht op de Blümlisalpgletsjer is overweldigend. We picknicken in het terug opgedoken zonnetje en genieten daarna met volle teugen van de niet zo moeilijke, maar erg fraaie rondwandeling.
Na drie uur en een kwart stappen we terug in de zetellift, en warmen ons “thuis” op aan een soepje.
Nu heeft Mireille tijd om veel boekjes te lezen ...
Vrijdag 15 augustus 2003 (Mireille)
We worden gewekt door regen en donderslagen. Bah, dit had nog een paar dagen mogen wachten. De wind giert rond het huis. Een overbuurman kijkt ook maar sip. Toch wagen we ons buiten voor het ontbijt. Alles eerst afdrogen, intussen doet de zon moeite om gaten te bijten in het wolkendek. We zien dat de Sunnbüel en de Allmenalp toch werken.
Nog even een kruiswoordraadsel oplossen en dan beslissen wat we gaan doen. Bern met de trein, een wandeling naar Jaegertosse of Luzern met de auto.
Luzern dus.
Via klinkende namen als Thunersee, Interlaken, Brienzsee, Grindelwald en Pilatus rijden we over nationale wegen en door tientallen tunnels. Het druppelt in Kandersteg, het regent in Interlaken, en ... de zon schijnt volop in Lüzern. Snel de auto stallen in een betaalparking, lange broeken verwisselen voor shorts, een topje aan en de stad in.
We zitten meteen in het toeristische deel van Lüzern, dat op de koop toe verkeersvrij is. Het beroemdste bouwwerk van Lüzern is de Kapelbrücke, een houten brug over de rivier die uit het Vierwoudstedenmeer vertrekt. Ongelooflijk: er wordt zelfs geen toegangsgeld voor gevraagd. We flaneren over de oude en nieuwe bruggen, wandelen door de Kapelgasse en over de Kornmarkt, en nemen erg veel foto's.
Oei, de boterhammetjes vergeten. Dan maar een belegd broodje kopen en in de zon met zicht op de beroemde brug opeten. In het station halen we nog een stadsplan op en zien dat we het beste gehad hebben. In de betaalparking Nationale vlakbij een gelijknamig hotel steekt Herman zijn kredietkaart in de automaat ... en die komt er niet meer uit. En het is feestdag vandaag. Herman gaat op zoek naar hulp in het hotel, terwijl ik de wacht houd bij de automaat. Aan de receptie van het hotel worden een hele hoop mensen opgebeld; niemand is thuis. Uiteindelijk slaagt men er toch in om nog iemand te vinden, die een kwartiertje later komt aangewandeld en de kaart terug tevoorschijn tovert. “Machine kaputt ?” vraagt Herman. De man mompelt dat het zelfs in de USA donker is ('s avonds horen we dat die dag de grootste elektriciteitspanne uit de geschiedenis plaatsvond).
En in Kandersteg regent het nog steeds ...
Zaterdag 16 augustus 2003 (Herman)
Stipt om half tien komen mijnheer en mevrouw Bonanomi uit het station aangesloft om weer tijdelijk bezit te nemen van hun huis. De zon schijnt en wij hebben nog drie dagen vakantie. Waar naartoe ?
In de Jura stoppen we aan de Doubs, nog net aan de Zwitserse kant. Een wandelpijl duidt een tocht aan van 50 minuten naar een spectaculaire waterval. Op het gemakkelijke pad worden we constant voorbijgereden door horden mountainbikers – een massa-evenement. Aan het einde van het pad: nikske waterval – uitgedroogd.
We rijden verder richting Franse grens en worden door de douane tegengehouden. Of we in Zwitserland iets gekocht hebben ? Hebben jullie die Zwitserse prijzen al eens bekeken ! Hij gelooft ons niet – koffer openmaken. Hij knijpt eens in onze thermos, verschuift ons picknickgerief drie centimeter en geeft het op. Geen alcohol, geen drugs, geen wapens, geen sigaretten, geen juwelen. Er zijn geen toeristen meer ...
Villers-le-Lac, dat klinkt goed. Daar moeten we een charmehotel kunnen vinden. We pikken een hotelbrochure mee in de Syndicat d'Initiative. Het meer is echter klein – een lacske zoals Mireille zegt- de omgeving schraal en de hotels oubollig. We rijden dan maar verder door Pontarlier – oei, Fêtes de la Saucisse – en Mortier, de omgeving is toch al wat mooier. Ondertussen bladert Mireille in de brochure: Malbuisson, daar zijn nog wat tof uitziende hotelletjes. We rijden eerst nog een omweg op zoek naar een bewegwijzerd hotel – in the middle of twee keer niks – en steken dan onze neus binnen in een eerste hotel in Malbuisson : geen plaats. Gelukkig, want zo ouderwets, jongens ! Een tweede hotel: een doorgeefluik als balie ... Men neemt nauwelijks nog de moeite om te antwoorden: alles volzet.
De kaart terug openslaan: de lac de Neuchatel in Zwitserland, daar moet toch iets te vinden zijn. Weer tegengehouden aan de douane. Quelle est votre destination ? Da'ket eens wist meiske, denk ik, maar ik zeg: we zoeken een hotel.
Aan het meer, haast onzichtbaar vanop de baan: noppes. We vinden twee hotels, te vies om nog maar in de buurt te komen. Het wordt donker, wij terug naar Frankrijk, op zoek naar een overnachting. En eten.
Op de auto-cd zingt Dwight Yoakam: I'm a 1000 miles from nowhere ...
Epiloog (Herman)
Mulhouse. Werken. We raken hopeloos vast. Colmar. Ibis-hotel na lang zoeken gevonden. Volzet. Alles volzet tot voorbij Strasbourg. Weekend 15 augustus ! Dan maar naar huis. Overal pikkedonker. Moeilijk rijden. Met de hulp van Boudewijn de Groot en Bruce Springsteen. Extra luid. Pas rond 10 uur 's avonds vinden we sandwiches. En om vier uur 's nachts thuis. Luxe hotel.