Velen vroegen mij reeds: wat is er nu toch zo speciaal aan dat Ijsland van jou?
Verder dan wat slap geleuter genre: ‘tja, je moet er geweest zijn om het te kunnen snappen’ kwam ik eerst niet, maar de wijsheid komt (een klein beetje) met de jaren: de natuur is nergens anders in Europa zo divers, zo verpletterend mooi, zo ruig, zo ongetemd als op Ijsland. Het vulkanisme is overal dominant aanwezig, wat voor heel bizarre landschappen zorgt.
In grote delen van het land is de mens bovendien volledig afwezig, Ijsland heeft 320.000 inwoners voor een oppervlakte van 105.000 km2 (ongeveer drie maal België), bovendien woont 2/3 in Reykjavík en dichte omgeving.
De Westelijke fjorden zijn zo goed als onbewoond, de belangrijkste stad is Ísafjörður, dat 3000 inwoners telt, in België moet je al een eind zoeken om een gemeente met zo weinig inwoners te vinden.
Om maar te zeggen: je gaat naar Ijsland voor de natuur, en voor niets anders. Veel volk zal je er niet tegenkomen, Ijsland is als toeristisch land nog behoorlijk onbekend. Wel veel vogels, die alomtegenwoordig zijn.
Regio: Snæfellsnes, Westelijke fjorden, Geysir - Gulfoss - Landmannalaugar, Westman eilanden
Snæfellsnes
Nabij de krater Eldborg ligt de basaltmuur Gerðuberg. De afslag vanaf route 54 is bewegwijzerd, je ziet de indrukwekkende rij basaltzuilen vanop de hoofdweg liggen. Als je daarna het baantje verder volgt verandert het landschap drastisch, we rijden plots aan de voet van een rode heuvel, doorheen een chaotisch vulkanisch landschap. Aan het einde van de weg kan je een korte wandeling maken naar een waterval en naar een bron met koolzuurhoudend water (Rauðamelsölkelda, “Spa-bruis” van het vat). De Ijslandse zomer in 2009 was echter zo droog dat de bron gereduceerd was tot een pruttelende modderput, tot zover onze hoop op een fris glas …
Even ten westen van Arnarstapi, langs route 574 (zuidkust van het schiereiland), kan je de afslag nemen naar Lóndrangar, twee basalten rotspilaren in zee. Er is een parking nabij de vuurtoren, dan brengt een korte wandeling/klauterpartij je tot aan de voet van de zuilen. Er groeien veel mooie plantjes tussen de lava.
Een volgende afslag (Hólaholar) leidt ons in een krater, voor de rest is er niets te zien.
We volgen verder route 574 in het Snæfellsjökull Nationaal Park (http://english.ust.is/Snaefellsjokullnationalpark/), ronden de punt van het schiereiland in een indrukwekkend landschap van desolate lavavelden, en nemen de afslag naar Öndverðarnes, de NW-tip van het schiereiland. Na enkele kilometer kronkelbaan komen we aan in Skarðsvík, een fotogenieke baai met zwarte basaltrotsen en een goudgeel strand, een ideale plek voor ons avondmaal. Later bezoeken op hetzelfde baantje nog de vuurtoren (met vogelrotsen en rotsboog), op het eindpunt van de weg kan je tot een kuststrook vol bizarre rotsen wandelen, met een goed zicht op de Snæfellsjökull.
De noordkust van Snæfellnes blijkt veel ruiger, minder toeristisch en ook landschappelijk gevariëerder te zijn dan de zuidkust. We volgen de boeiende routes 57 en 58 tot Stykkishólmur, waar we verdomd lekker middagmalen in restaurant Fimm Fiskar (http://www.randburg.com/is/fimm_fiskar/).
We bezoeken er de moderne, witte kerk, die hoog boven het dorp uittorent. Het interieur is heel knap, huiselijk, met veel invallend licht en warme tinten.
Vanuit Stykkishólmur vertrekt de ferry naar Brjánslækur, dit is de snelste toegang tot de Westelijke Fjorden (info: http://www.seatours.is/Frontpage/FerryBaldur/). Je bespaart je een lange autorit en bij goed weer is dit ook nog een ongelooflijke mooie zeereis over de Breiðafjörður, helemaal omzoomd door bergen. Wij nemen de ferry op de heenreis en doen de terugkeer met de auto. We bellen vooraf naar het Seatour-kantoor in Stykkishólmur om een plaats voor de overtocht te reserveren (+354 438 1450), wat in de drukke zomermaanden zeker aan te raden is; er zijn maar 2 afvaarten per dag. Je moet je VISA-nummer doorgeven, er wordt 3000 Kr voorschot aangerekend. Totale prijs auto + 4 personen, enkele reis: 13475 Kr.
De overtocht met de boot lijkt op een cruise, het is koud maar zeer zonnig, iedereen zit aan dek, de hemel is diepblauw. We meren even aan in Flatey, een onooglijk eilandje met een paar huizen, waar je kan overnachten. De overtocht duur 2.5 uur.
Westelijke Fjorden
De weg van de ferryhaven Brjánslækur naar Latrabjarg is volgens mij één van de mooiste en spectaculairste routes die je in Ijsland kan rijden. We nemen eerst een korte zijsprong door even ten oosten van de ferryhaven het onverharde bergbaantje route 60 richting noord te nemen. In enkele minuten laat je het vredige groen van de fjord achter je en kom je na een steile klim in een woeste, godverlaten stenen wereld uit. Dit is het soort contrasten dat Ijsland zo boeiend maakt. Na een kwartiertje gestaag klimmen kom je boven op een hoogplateau, een nagenoeg vlakke rotsvlakte met hier en daar meertjes. Dit landschap kenmerkt de Westelijke Fjorden, die ontstonden door gletsjers die in een rotsplateau diepe, steile geulen geslepen hebben, die later door de zee overspoeld zijn. Het is een heel typisch landschap, dat qua uitzicht vaag aan de Grand Canyon doet denken. In de brokkelige rotswanden van de fjorden kan je mooi de vele opeengestapelde lagen lava herkennen waaruit alles hier bestaat. Het is een typisch, heel ruw en fascinerend landschap.
Terug op de hoofdweg volgen we route 65 westwaarts, eerst langs de kust, daarna door de bergen. We komen uit aan de Ósafjörður, waar het eerste Ijslandse metalen schip fotogeniek ligt weg te roesten. Het is ook het einde van het asfalt, vanaf nu zijn alle wegen onverhard.
We pikken er route 612 op. Even later nemen we opnieuw een afslag, route 614, die eerst doorheen een desolaat landschap omhoog klimt, er zich daarna in een aantal duizelingwekkende, onbeschermde haarspeldbochten richting rode zandstrand Rauðisandur stort. In Saurbær kan je naast het zwarte houten kerkje een zomercafé vinden, waar je in juli en augustus op het terras kan zitten, een paar meter van de vloedlijn van de zee. Fantastische stopplaats.
Daarna loopt de weg dood, we keren via de 614 terug naar route 612, die we verder westwaarts volgen. De weg passeert nu gouden zandstranden, en slingert zich omheen steile kliffen, waarbij de weg soms letterlijk uit de bergen gehouwen is. Daarna volgt weer een doorsteek over de Hafnarfjall en kom je uit aan de brede, uiterst fotogenieke baai Breiðavík, met kerkje en boerderij (http://www.breidavik.is/).
Nog een laatste bergrug oversteken, en je komt aan in het Hvallátur, waar de weg zich door de zanderige duinen slingert. Als je links van de baan de uitgestrekte en uitstekende gratis camping ziet opduiken, begint de laatste hobbelige klim naar...
Latrabjarg (http://www.exploreiceland.is/main_attractions/westfjords/latrabjarg/)
Deze 14 km lange en tot 441 meter hoge klif is de beroemdste vogelrots van Ijsland. Je kan hier tienduizenden pagegaaiduikers en andere zeevogels bewonderen, die zich nergens anders in Ijsland zo gemakkelijk laten benaderen. Je kan tot een paar meter van de dieren komen zonder ze op te schrikken, en de pagegaaiduikers landen dikwijls letterlijk vlak voor je neus. Er is hier nooit op de dieren gejaagd, hierdoor zijn ze absoluut niet mensenschuw. Als je vanaf de parking het pad naar boven neemt, kom je snel ontelbare vogels tegen. Meeuwen nestelen op kleine uitsteeksel van de rotswanden, pagegaaiduikers graven holen in de grasgrond bovenaan de kliffen. Als er een fotograaf met zijn buik op de grond ligt zal er wel een papegaaiduiker in de buurt zijn, deze zwart/witte vogels met de grote, veelkleurige bek (http://forum.belgiumdigital.com/f44/puffin-papagaaiduiker-82868.html voor wie mocht twijfelen) zijn snedige vliegers, die met snelle vleugelslagen net over het water scheren. Je ziet er dikwijls hele groepen op het water dobberen.
Met een beetje fototoestel kan je hier geweldige close-ups van deze dieren nemen, en je kan uren wandelen en gewoon de dieren bekijken. Magische plek!
De weg van Latrabjarg naar Dynjandi is al even mooi als de vorige route. We rijden eerst naar Patreksfjörður, daarna naar Taknafjörður (http://www.westfjords.is/Home/DiscoverWestfjords/TownsVillages/Talknafjordur/), met een moderne houten kerk. Als je nog iets wil eten, tanken of inkopen doen, dit is je laatste kans, want als we de weg 63 naar Bilðudalur nemen komen we in onbewoond, stenig gebied. We volgen verder route 63, en een 15-tal kilometer verder passeren we een onbeheerde zwembad, ingeklemd tussen bergen en fjord. Er is een houten kleedcabine, en een paar minuten later plonzen we in het heerlijk warme water (het zwembad wordt gevoed met een slang met koud en een slang met warm water, afkomstig van een natuurlijke bron). Het uitzicht is onlooflijk, bergen, fjord en een stralende zon. We hebben het zwembad een kwartiertje voor ons alleen, zalig. Als je hier in de buurt bent, dit is een must!
In de buurt verdedigen Noorse sternen hun nesten, ze voeren schijnaanvallen uit en duiken luid krijsend net over ons hoofd.
We vervolgen route 60 tot we komen aan één van Ijslands mooiste watervallen: de ...
Dynjandifoss (http://nl.wikipedia.org/wiki/Dynjandi).
Vooreerst, er is geen enkele foto die deze schitterende waterval, de grootste van de Westelijke fjorden, recht doet: op foto lijkt het altijd een prutsding van een paar meter hoog.
We beginnen aan de wandeling die ons links van de waterval zal brengen. Startpunt is de camping, het pas leidt eerste langs een paar kleinere watervallen, om na enig klauterwerk op een plateau beneden de hoofdwaterval uit te komen, die bovenaal smal en beneden heel breed is. Bijzonder fraai. Je kan nog wat verder klauteren tot je vlak naast de waterval komt. En je kan aan de voet van deze waterval in je tentje overnachten, wat wil je meer …
De volgende morgen zijn we blij dat we ’s avonds laat nog naar de Dynjandifoss gewandeld zijn, want het regent en de wolken zijn over de fjord neergedaald. We volgend route 60 verder noordwaarts, via Þingeyri komen we in Ísafjörður, de officieuze ‘hoofdstad’ van deze regio (http://nl.wikipedia.org/wiki/%C3%8Dsafj%C3%B6r%C3%B0ur). Het laatste stuk voert ons door een 9 km lange tunnel, met een specialiteit: halverwege is er een ondergronds kruispunt, de afslag voert naar het vissersdorp Suðureyri. Ísafjörður is dé plaats om inkopen te doen en om in het info-kantoor wat informatie over de regio samen te rapen. In de haven kan je voor bijzonder lekkere vis terecht in het onopvallende restaurant Tjöruhúsið (zie: http://lostinstockholm.com/2007/08/28/isafjordur-fish-restaurant/), een houten hut met kloeke houten tafels en banken. Je kiest de vis die je wil, de visfilets worden in een grote pan met aardappelen, saus en groenten opgediend. Geweldig lekker.‘Verse vis’ is hier echt vers: recht van de boot .
’s Namiddags rijden we verder naar Suðureyri, omdat het hard blijft regenen en het zicht nul komma nul is staan we snel op de lokale camping. We zien een bootje van een vistocht terugkomen, de vangst is een bak vol gigantische kabeljauw, gevangen met lijnen. De volgende morgen regent het niet meer, de fjord ligt nog onder een somber wolkendek. We gaan zwemmen in het lokale zwembad (800 Kr voor ons gezin, openlucht, modern, met zicht op de kerktoren en de bergen …).
Daarna rijden we verder naar Bolungarvík (route 61, lawinegevoelige weg, men is een tunnel aan het aanleggen). Tijd voor alweer een lekker middagmaal in het Einarshúsið, in de haven. De kleine eetzaal hangt vol oude foto’s en huiselijke prullaria. We rijden via een schitterend bergbaantje verder naar Skalavík, zie ook bij logies en wandelingen.
Als avondwandeling kuieren we daar een eind langs het zwarte zandstrand, dat overgaat in een keienstrand, en daarna in een echte rotskust. We zien enkele zeehonden zwemmen.
De volgende dag rijden we terug naar Ísafjörður, en dan via Súðavík verder langs route 61, deels onverhard en hobbelig. De fjorden worden ruwer en rotsiger. Via routes 633 en 634 belanden we in Reykjanes, gelegen op de punt van een schiereiland dat als een priem in de fjord steekt, waar we op de camping overnachten.
We volgen dan routes 633 en 61 en nemen dan route 635 noordwaarts, opnieuw een hobbelbaan die schitterend langs de fjord loopt en ons naar het Kaldalón brengt (zie wandelingen).
Na een overnachting in Dalbær volgen we eerst route 635, dan route 61, om via route 608 en 607 in Reykhólar uit te komen. Daar is weinig te zien, en we keren terug naar Bjarkalundur om in het gelijknamige hotel (http://bjarkalundur.is/) aan te schuiven voor het lekkere middagbuffet.
Dan nemen we even route 61 en dan route 605, een steil en onverhard bergbaantje dat ons naar Tröllatunga voert. Oef, dat hebben we ook al weer overleefd… Daarna volgen we route 61 naar Hólmavík, en we nemen afslag 643 naar Krossnes. Dat is een heel boeiende weg, die eerst aan de voet van hoge kliffen voert, massa’s zeevolgels cirkelen boven ons hoofd. We passeren het verlaten dorp Djúpavík (http://nl.wikipedia.org/wiki/Djúpavík), gedomineerd door een halfvervallen haringfabriek en een roestend schip, beklemmend. De onverharde weg draait en keert, en is soms erg steil en hobbelig. De bergen rond fjorden zijn hier zeer bijzonder van vorm en heel ruig. Plots komen we onverwacht in een groen landbouwgebied uit.
We overnachten op de camping van Norðurfjörður en rijden de volgende dag langs route 649 naar het haventje Ingolfsfjörður. De laatste afdaling naar de fjord is ijzingwekkend steil. We komen heelhuids beneden, en proberen dan de F649 te volgen, die ons rond de fjord moet brengen, we hopen vanaf het einde van de weg een wandeling te starten. We kunnen ongeveer een kilometer rijden, dan komen we aan een riviertje waar we met ons busje niet door kunnen (een F-weg is meestal alleen met een 4x4 berijdbaar). OK, we veranderen onze plannen, stappen nog een tweetal kilometer langs de weg en beginnen dan aan de klim naar de Seljanesfjall (zie bij wandelingen).
Na onze wandeling rijden we naar het zwembad Krossneslaug in Krossnes. Dit kleine openluchtbad met ‘hot pot’ ligt op een onmogelijk schilderachtige locatie: aan de voet van hoge kliffen, ingebed in een keienstrand, letterlijk op enkele meter van de onmetelijke Atlantische oceaan. We zien zwemmers die eerst even in de oceaan gaan en dan in het heerlijk warme zwembad duiken. Kost 250 Kr voor volwassenen, 150 Kr voor kinderen, het zwembad is onbemand, je dropt je bijdrage in een brievenbus in de kleedkamer. Het warme water komt van een natuurlijke bron, even verder langs de weg. Als je eens in je leven 100 km moet omrijden om te gaan zwemmen, laat het dan in dit zwembadje zijn, unieke ervaring!
De volgende dag volgen we de 643 en de 645 naar Drangsnes, waar je het eiland Grimsey kan zien liggen.
Dan volgt een lange rit langs route 21 die ons uiteindelijk op de ringweg brengt. Met wat spijt in het hart laten we de westelijke fjorden achter ons, het was een unieke ervaring.
Geysir, Gulfoss en Landmannalaugar
De volgende dag rijden we doorheen het drukke nationale park naar het Laugarvatn, waar we middagmalen in restaurant Lindin (http://www.laugarvatn.is/). We komen daar heel toevallig terecht, later lezen we dat dit één van de beste restaurants uit de omgeving is. We kiezen voor de salade van de chef met lokaal gerookte forel of lam, dit is inderdaad heerlijk, en behoorlijk goedkoop (9560 Kr voor ons gezin). Het is duidelijk: we zijn weer in de bewoonde wereld.
Dat wordt nog duidelijker als we de mensenmassa in Geysir zien (http://www.geysircenter.is/english/). Hier passeert vermoedelijk elke toerist op Ijsland, om de plaatselijke geiser te komen bekijken: de Strokkur (http://en.wikipedia.org/wiki/Strokkur), die om de 10 à 20 minuten een kolom heet water tot 16 meter hoog spuit. Grote broer Geysir is klinisch dood, en spuit maar heel af en toe. Ondanks de drukte is dit toch een belevenis, we nemen veel foto’s, worden even te enthousiast, komen te dicht en vergeten naar de windrichting te kijken, gevolg: een lading warm water dondert over ons heen. Gelukkig is het stralend weer en drogen we snel, op weg naar onze volgende bestemming: de ….
Gulfoss (http://en.wikipedia.org/wiki/Gullfoss)
Ook hier veel volk, voor de meest bezochte en één van de mooiste watervallen van het land. De rivier Hvítá tuimelt hier in twee haakse trappen van 11 en 21 meter in een kloof. Water stuift hoog op en vormt een regenboog. Je kan via een aangelegd pad langs de waterval wandelen.
Vanaf de Gulfoss volgen we routes 30, 32 en 26 (een verwarrend landschap, soms heel mooi, met gletsjers op de achtergrond, echter ook verminkt door de Hydro-elektrische installaties, met dammen en veel elektriciteitspilonen), om dan de afslag naar Landmannalaugar (http://en.wikipedia.org/wiki/Landmannalaugar) te nemen (F208). Deze route kan je met een normale auto rijden, echter, het was de meest ruwe en stenige piste die we deze reis tegenkwamen, zeer stenig en met ontelbare alles losrammelende “wasborden”. Er zijn geen rivierdoorsteken.
Het landschap is echter ongemeen boeiend, doorheen een oneindige lavawoestijn, over enkele bergruggen en langsheen merkwaardige vulkanische formaties, één van de mooiste wegen die we tegenkwamen.
Een fijne tussenstop was de korte wandeling naar het kratermeer Ljotipollur, je kan je auto kwijt op een kleine parking naast de weg, wandeling is aangegeven met een bord (http://www.gerardvanbochove.nl/IJsland/Reisverslag_3.htm). Ca. 2 km stappen tot de rand van de krater, mooi kratermeer, rood/zwart gesteente.
Vlakbij kan je ook zien hoe een recente (zwarte) lavastroom over een oude laag tot in een meer gestroomd is.
Vlak voor de camping van Landmannalaugar zijn er twee rivierdoorsteken, enkel te doen met een 4x4 (we zien een Mercedes bus zich hopeloos vastrijden). Er is een grote parking net voor de eerste doorsteek, we later daar onze auto staan, laden onze tentjes en ander slaapmateriaal en steken de voetgangersbruggen over om het laatste stuk tot de camping te wandelen. Opgelet: dit is een natuurgebied, je mag enkel op de camping overnachten, dit wordt streng gecontroleerd.
Lanmannalaugar is ontstellend mooi, met schitterend gekleurde, bizar gevormde bergen, een warme beek vlakbij de camping (te lokaliseren door een houten platform), diverse lavastromen die over elkaar gelopen zijn, en je kan er fantastisch wandelen.
Westman eilanden (Vestmannaeyjar) (http://nl.wikipedia.org/wiki/Vestmannaeyjar en http://www.ipicture.de/reiseberichte/island/westmaennerinseln_heimaey_vulkanausbruch_1973_schwertwal_keiko.html)
Deze eilanden zijn heel recent ontstaan, en geven een goed beeld van een weinig geëvolueerd vulkanisch landschap. Je kan er de meest bizarre bergen en rotsen vinden. Het is ook een echt vogelparadijs, met vooral massa’s papegaaiduikers.
De makkelijkste manier om met de auto op de Westman eilanden te komen is met de ferry die vertrekt in Þorlákshöfn (http://nl.wikipedia.org/wiki/Þorlákshöfn). Als je op de kaart kijkt lijkt de route van de ca. 3 uur durende vaart bizar, de Westman eilanden liggen net voor de kust, en je vaart een heel eind gewoon evenwijdig met de kustlijn. Er is voorlopig geen dichterbijliggende haven op de zanderige kustlijn, men is echter volop een nieuwe haven aan het bouwen, vanaf 2010 zou de ferry daar vertrekken en wordt de zeereis beperkt tot 30 minuten. Nu, we hebben ons niet verveeld, het weer wat uitstekend, en je krijgt zicht op de Mýrdalsjökull. Je kan de ferry (http://www.eimskip.com/Desktopdefault.aspx/tabid-369/) vooraf boeken, wij komen twee uur vooraf en kunnen zonder reserveren nog een ticket voor de avondferry kopen (10891 Kr voor auto en 4 personen). Let wel, bij slecht weer is dit een beruchte route, bij slecht weer wordt je door de specifieke bewegingen van het schip snel zeeziek. Wij varen echter over een spiegelgladde zee. Je ziet de eilanden naderen, om de haven van het hoofdeiland Heimaey binnen te varen moet de boot rond de rotswanden wegdraaien. Bijzonder spectaculair, je scheert net naast de rotsen terwijl er letterlijk duizenden papegaaiduikers boven je hoofd fladderen.
Het is donker als we aan land rijden en de camping opzoeken.
De volgende dag rijden we rond op het kleine (13.4 km2 ) eiland Heimaey en maken er enkele korte wandelingen. Er zijn maar enkele wegen, veel moeite om alles te zien moet je dus niet doen.
We rijden eerst naar het nieuwe lavaveld net naast de stad, je kan er niet naast kijken, het is een kolossale zwarte massa die net aan de rand van de stad stopt. In 1973 begon een katastrofale uitbarsting, waarbij net buiten de stad Heimaey een nieuwe vulkaan gevormd werd, de Eldfell (lees verder dit interessant artikel: http://nl.wikipedia.org/wiki/Eldfell en ook http://www.eyjar.is/eyjar/Westm.html). Het eiland werd geëvacueerd, en o.a. door massa’s water op de lava te spuiten stopte de lava net aan de grenzen van de stad. Je kan nu nog de watertank van het zwembad zien, die half onder de lava zit (aan het staafkerkje, beneden aan de rotskust). Dit nieuwe zwarte lavaveld is nog ruw en niet geërodeerd, zeker interessant om rond te wandelen.
In de namiddag beklimmen we de Eldfell, een pad loopt naar de top, waar je een voorspelbaar prachtig uitzicht over de stad en bijna over het hele eiland hebt.
In de dorpsbioscoop (Félagsheimili, hoek van Vestmannabraut en Heiðarvegur) kan je naar een film kijken over de uitbarsting van 1973 (wat pompeus aangekondigd als de ‘Vulcanic Fils Show’ maar echt de moeite waard, vol historische beelden). Kostprijs 4 Euro per volwassene, 2 Euro voor kinderen, film duurt een klein uurtje.
We rijden naar Vík, gelegen op het ‘smalste’ punt van het eiland. We parkeren onze auto en wandelen langs de bizarre rotskust naar Klauf, een frisse tocht in volle wind. We zien vissende jan-van-genten, heel spectaculair (http://nl.wikipedia.org/wiki/Jan-van-gent).
Terug op de camping wandelen we naar hole 17 van de golfbaan, een uitstekend punt om de papegaaiduikers op de rotswand te observeren. Je hebt er ook een goed uitzicht op de vele kleinere eilanden/rotspilaren in zee. Vissers stappen een rotskloof binnen, en schrikken daardoor papegaaiduikers op, en plots vliegen er honderden net boven ons hoofd naar zee, een ongelooflijk spektakel.
We bezoeken ook nog de Landkirkja en het kerkhof, met de beroemde witte boog aan de ingang. Dit kerkhof lag volledig begraven onder de vulkanische as, op deze boog na, en werd later door vrijwilligers volledig opgegraven.
Terug op het vasteland volgen we vanuit Þorlákshöfn even route 38, om daarna op route 39 over te schakelen. Kort na dat kruispunt bevindt zich vlak naast de weg de toegang tot de lavagrot Raufarhólshellir. Je kan de grot vrij bezoeken, het is er echter helledonker en glibberig. In het eerste deel is op verschillende plaatsen het dak ingestort, zodat je nog wat licht krijgt, daarna wordt het helemaal donker. Je moet over massa’s puin klauteren.
We rijden terug richting kust, en bezoeken de Strandarkirkja, even ten westen van Þorlákshöfn, op een zijweg van route 42. Mooi houten kerkje, dat zoals de naam het zegt (het leven kan simpel zijn) net naast het strand ligt, sfeervol houten interieur.
We volgen verder routes 42 en 427 tot aan het geothermisch veld Krýsuvík/Seltún (zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Krýsuvík) op de tip van het schiereiland Reykjanes. Dit is een zeer actief en groot veld, vol pruttelende modderbronnen, vulkanische stoomspuiters, kleurrijke heuvels, dit alles in een penetrante geur van H2S (rotte eieren).
We passeren de uiterst bekende ‘Blue Lagoon’ (http://www.bluelagoon.com/), wat nu een superdeluxe welness-oord geworden is. Heel lang geleden was dit een rotskom waarin het ‘afvalwater’ van een geothermische centrale geloosd werd, gekenmerkt door een soort witte modder, bestaande uit de skeletten van afgestorven waterdiertjes. Je kon er baden vlak naast de bulderende schoorstenen van de centrale. Bizar, maar met het wit-blauwe water had het wel iets.
Nu heeft men de Lagoon een paar kilometer verhuisd, het kenmerkende water is gebleven. Men heeft er een indrukwekkend gebouw opgetrokken, perfect in het landschap ingebed. Helaas is ook de prijs fors gestegen: men vraag 23 Euro per persoon. Slik. We laten dit aan ons voorbijgaan, genieten van een uitstekend middagmaal in Kaffi Duus (http://www.duus.is/) in de jachthaven van Keflavik en gaan daarna voor geen geld zwemmen in het superdeluxe, nagelnieuwe buitenzwembad van Sandgerði (http://www.sandgerdi.is/english/). We krijgen een 25-meterbad, drie hot-pots waarvan één met jacuzzi en twee glijbanen, en we zijn de enige zwemmers…
We sluiten onze reis af met een ‘walvistocht’ in Reykjavík (http://www.elding.is/). Vertrek vanaf de vissershaven, 48 Euro per volwassene, 20 Euro voor kinderen. We zijn ongeveer twee uur op zee, we vertrekken met een strakke wind en passeren ‘Puffin Island’, een rots in de haven waar een (kleine) kolonie papagaaiduikers gehuisvest is. Er zijn veel betere locaties om deze vogels te zien (Latrabjarg, Westman). Daarna begint de speurtocht naar walvissen, die in deze baai komen om zich te voeden. Het valt wat tegen, we zien een paar flitsen van vinnen, en dat is het wat de walvissen betreft (tussen haakjes, de beste locatie in Europa om walvissen te zien is Andenes in Noorwegen - http://www.whalesafari.com/a/?id=66&vn=738 – waar je de potvissen kan zien duiken). We zien wel massa’s meeuwen die ook op zoek zijn naar voedsel. De wind is heviger geworden, en op de terugweg zwiepen de golven over het dek, iedereen wordt drijfnat, de boot gaat hevig te keer, en uiteindelijk wordt iedereen van dek gejaagd omdat het te heftig wordt.