homehomehome
homehomehome
homehomehome
geschiedenis
technisch register
foto's
links
informatie
Anja

Geschiedenis

Vanaf juni 1940 zuchtte Frankrijk onder het militaire juk van de nazi's en brak voor het land een van de donkerste perioden uit de geschiedenis aan. Op 26 juni namen de Duitsers de leiding over de Renaulfabrieken in Boulogne Billancourt over. Het bedrijf werd van toen af gedwongen de vijand te voorzien van militaire voertuigen en de reeds bestaande pantservoertuigen van het type R35 en de B1bis in gereedheid te brengen, bestemd voor Duitse pantserdivisies.

In het geheim

Hoewel de autoriteiten het werken aan een nieuw ptoject voor een gewone personenauto hadden verboden, waren er toch enkele dappere ingenieurs: zoals Fernand Picard, Charles-Edmond Serre of Jean-Auguste Riolfo, die begonnen na te denken over een goedkope zuinige auto die geschikt zou zijn voor de economisch zware tijden die het land na de oorlog ongetwijfeld tegemoed zou gaan. Tussen december 1942 eb november 1945 werdeb er drie prototypen geconstrueerd, allemaal met de motor achterin, ongetwijfeld onder invloed van de Duitse Kraft-durch-Freudewagen, de latere Volkswagen, die in 1939 op de autotentoonstelling van Berlijn werd gepresenteerd. Het laatste prototype had vier portieren en vertoonde reeds grote gelijkenis met de auto zoals die uiteindelijk in serieproductie zou gaan.
  
De oprichter van het merk, Louis Renault, stierf op 24 oktober 1944 in gevangenschap, omdat hij verdacht werd van collaboratie; hij werd 67 jaar. Pierre Lefaucheux, een verzetsman van het eerste uur, bijgenaamd "Gildas", werd benoemd tot algemeen directeur van de Renault-fabrieken en kwam op 6 oktober 1944 in functie. Op last van de regering van de Franse Republiek werd de onderneming op 16 januari 1945 genationaliseerd. Sindsdien heet de fabriek voluit "Régie nationale des usines Renault", ook wel afgekort tot 'de regie'.

De wederopbouw

In 1945 was men het grootste deel van het jaar druk doende met het herstel van de fabriekshallen, die het in maart 1942 zwaar te verduren hadden gekregen bij een bombardement door de Royal Air Force. Op het fabriekscomplex van de stad Boulogne Billancourt was voor 461 ton aan bommen afgegooid, zodat alles weer helemaal moest worden opgebouwd. Lefaucheux, de directeur, heeft toen nog moeten vechten om een krediet te krijgen van 8 miljoen dollar, waarmee hij in de Verenigde Staten gloednieuwe productiemachines kon aankopen. In de tussentijd werd de fabriek draaiende gehouden met de assemblage van rollend materieel, zodat er per dag 50 voertuigen uit de fabriek kwamen. Ook kwamen de vrachtwagens van het Amerikaanse leger naar de fabriek voor groot onderhoud, en dat was een onverwachte meevaller waar de fabriek weer wat aan kon verdienen. De enige normale personenauto die de fabriek vanaf januari 1946 weer in mondjesmaat waafde te fabriceren was de Juvaquatre, een verouderd model dat in 1937 was gelanceerd. Het werd dus hoog tijd om een nieuwe creatie te onthullen. Bij Renault Renault was het personeel daar inmiddels al maanden mee bezig. Alle krachten die de fabriek nog kon mobiliseren werden geconcentreerd op de massafabricage van de zuinige 4CV, die symbool zou staan voor de wederopstanding van het merk met het wiebertje, de "losange".

De lancering

De 4CV, waarvan de perspresentatie op 26 september 1946 had plaatsgevonden, een week voor de officiële introductie op het autosalon, zou pas eind 1947 van de band lopen. De eerste exemplaren waren allemaal zandkleurig, met felrode velgen. De grote verrassing voor het publiek was de plaats van de motor, namelijk achterin. Onder de kleine motorkap zat een viercilinder kopklepmotor van 17 pk. De exemplaren uit de voorproductie hadden achterste zijramen die niet open konden, terwijl de voorste richtingaanwijzers bestonden uit uitklappende pijlen ter weerszijden van de voorruit.

Meerdere modellen

De modellen die in de zomer van 1947 werden uitgebracht, onder de reclameleus '4 plaatsen, 4 cilinders, 90 km/uur, 6 liter oer 100 kilometer', kregen achter allemaal schuiframen en andere richtingaanwijzers. In 1948 werd het modellenpalet verder aangevuld met een versie voor zakelijk gebruik die wat soberder was uitgevoerd, met geblindeerde achterruiten. Het andere uiterste was de De Luxe-versie die in 1949 verscheen, met een rijkere uitrusting en een afwerking met fraaiere materialen. Liefhebbers van het rijden met een open dak werden in 1950 op hun wenken bediend met de Berline Luxe, terwijl in 1951 de kleine 4-cilindermotor werd vergroot en nu 760 cc kreeg, in plaats van 747cc, waardoor er nu een vermogen beschikbaar was van 21 pk. De zes sierstrepen op de neus die daar bij wijze van grille waren aangebracht, werden vervangen door drie brede chroomstrips; de simpele versie "Affaire" kreeg er echter maar één. De lotor met 21 pk, die tot dan toe voorbehouden was gebleven aan de Sport en de Grand Luxe, werd van toen af standaard ingebouwd in alle modellen. Van 1 januari tot 24 maart noteerde de Régie Renault 39.249 bestellingen van de 4CV, en vanaf april werden er dagelijks 525 exemplaren gefabriceerd, wat volgens de directeur Lefaucheus nog altijd niet genoeg was om aan de vraag te voldoen.

Wel verdiend pensioen

Met ingang van het model jaar 1955 werd het publiek verblijd met enkele technische verbeteringen. Zo was nu de eerste versnelling gesynchroniseerd, terwijl de 4CV voor zijn 9e verjaardag uitgerust werd met een geheel nieuwe vinding die het rijden sterk vergemakkelijkte, namelijk een automatische koppeling van Ferlec. In 1957 was het op 10 april in de wereldpers voorpaginanieuws toen Hare Koninklijke Hoogheid Koningin Elisabeth van Engeland een bezoek bracht aan de Renault-fabrieken in Flins, in gezelschap van de nieuwe Franse president, Pierre Dreyfus. Deze overhandigde haar toen de sleutels van een Renault Dauphine, uitgevoerd in hemelsblauw, de favoriete kleur van de vorstin. De aankondiging van dit nieuwe model in maart 1956 betekende een gevoelige slag voor de toekomstkansen van de 4CV. De elegante, kleine gezinswagen symboliseerde het industriële élan van het merk met het wiebertje, alleen was het nadeel wel dat de kleine maar dappere 4CV plotseling sterk verouderd aandeed. In 1958 was hij nog slechts in drie varianten verkrijgbaar. Op 6 juli 1961 viel het doek voor de 4CV. Het laatste exemplaar, een kale versie voor zakelijk gebruik, kreeg op de voorruit een plaquette mee met daarop het getal 1.105.547.