Driekoningen. (I)

We zijn de drie wijzen uit Orient,
We zijn aan geen honger of kou gewend,
We hebben een kemel, we hebben een paard,
Maar hebben geen eten, geen vuur en geen haard.

Draai, draai, sterreke draai !
Moederke geef ons een spieke vlaai,
Een kissende pens of een koek met spek,
Want Balthazar is zo'n lekkerbek !

We kwamen zo ver van uit Orient,
We kwamen na dagen Herodes omtrent,
Zijn tong was zo vals en zijn woorden zo laf,
Hij sprak van een troon en hij dacht aan een graf !

Draai, draai, sterreke draai !
Moederke geef ons een spieke vlaai,
Een kissende pens of een koek met spek,
Want Melchior is zo'n lekkerbek !

We zijn de drie wijzen uit Orient,
We kwamen in Bethlehem onbekend,
De ster bleef er boven een stalleken staan,
Ons hart was zo wonderlijk aangedaan !

Draai, draai, sterreke draai !
Moederke geef ons een spieke vlaai,
Een kissende pens of een koek met spek,
Want Kasper dat is zo'n lekkerbek !

We zijn de drie wijzen uit Orient,
We zagen nog nimmer een kind, zo jent,
We voelden zijn liefde, we zagen zijn nood,
We leegden ons beurs in zijn moederkens schoot !

Draai, draai, sterreke draai !
Moederke geef ons een spieke vlaai,
Een kissende pens of een koek met spek,
Want Balthazar dat is zo'n lekkerbek !

Nu keren we weder naar Orient,
We keren in vrede waar God ons zendt,
We worden verlost en we worden bemind,
We zagen de hemel in d'oogskens van 't kind !

Draai, draai, sterreke draai !
Moederke geef ons een spieke vlaai,
Een kissende pens of een koek met spek,
Want Melchior dat is zo'n lekkerbek !