Hospital de Orbigo km. 2.208,582.
De wekker loopt af. Het is 5 u. In de tent hoort men nog gesnurk. Buiten is het pikdonker. Ik heb nog altijd geen zaklantaarn. Wel heb ik een gasaansteker maar men moet er blijven op duwen, wat niet gemakkelijk is.
Zut! In de wasinstallatie is er geen water meer. Gelukkig heb ik voor een klein ontbijt gezorgd, zodat ik niet met een lege maag moet vertrekken.
Het vertrek in de duisternis heeft iets eigenaardigs, want de pelgrims, alleen of in groepjes, verdwijnen geruisloos in alle richtingen. Het zijn stille, spookachtige silhouetten.
Het is helemaal niet moeilijk om de weg naar Astorga te vinden, want hij valt onmiddellijk samen met de grote baan tot in San Juan de la Vega. Daar is er over enkele honderden meter een stenen weg waarop het moeilijk stappen is. Hij gaat steil naar beneden van de hoogvlakte waarop ik de laatste dagen gestapt heb.
In de voorstad stap ik een bar binnen om een lekkere, hete koffie te drinken met enige 'Mantecadas', de typische koeken uit Astorga .
De kathedraal is nog niet open en ik bel naar Nicole. Tijdens mijn telefoongesprek krijg ik hevige buikkrampen. Ik moet het gesprek afbreken en hier in de stad is het niet zo eenvoudig als in de open natuur. Rugzak op de rug, staf in de hand, spring ik een viersterrenhotel binnen dat rechtover de cabine ligt.
Ik vlieg naar de receptie tot bij de bediende, die zijn ogen openspert wanneer hij mij ziet afkomen. Ik zeg slechts één woord: "servicio" (toilet.) De man begrijpt het spoedgeval en antwoordt mij even kort: "por allí" (langs daar) en voegt het gebaar bij het woord.
Ik kom juist op tijd en even later verlaat ik het hotel, doe teken aan de persoon, die mij ontvangen heeft en zeg hem: "¡Gracias!" (dank u!.)
De kathedraal is ondertussen open en ik bezoek ze, terwijl ik in de sacristie aan de dienstdoende priester een stempel vraag. Daarna begeef ik mij opnieuw op weg voor een tocht van zo'n twintig kilometer naar Rabanal del Camino , waar ik weet dat een Brits genootschap een refugio met de naam 'Gaucelmo' openhoudt.
Op de weg buiten de stad ontmoet ik opnieuw de jonge Spanjaarden, die mij gisteren het ontbijt hebben aangeboden. We stappen enige tijd samen, maar bij de kluizenaarsplaats 'Ecce Homo' gaan we uiteen, want ik stap vlugger dan zij.
Het is vreemd, maar sedert gisteren ben ik in vorm en heb helemaal geen problemen meer met mijn voeten, noch met mijn gezondheid. Zou het de 'transfiguratie' zijn, die vanaf Astorga begint en waarover Tonio in Estella heeft geproken.
Er schijnt een loodzware zon en het is veertig graden in de schaduw. Het landschap wordt heuvelachtig en er verschuilen zich kleine, mooie dorpjes in de valleien. Men kan goed zien dat men naar de bergen toegaat, die de laatste zijn waar men over moet om Santiago te bereiken.
De bergen, die men in de verte ontwaart, hebben iets dreigends. Bijna op de top is er een grote grijze vlakte, wat wellicht oude sneeuw is en op een doodskop gelijkt.
In Murias de Rechivaldo ga ik een kleine bar binnen om mij te verfrissen. Ik probeer met de uitbater te praten, maar het is tamelijk moeilijk. Er is altijd de taal als hindernis tussen de mensen. Maar bij het buitengaan wacht mij een verrassing: een Spanjaard, die mij horen vragen had '¿Hablas Francés?'; spreekt mij in het Frans aan.
Nu is het wat gemakkelijker om mij verstaanbaar te maken. Hij wijst mij zelfs waar ik de stempel van de parochie moet gaan halen voor mijn 'Credenciaal'. Na langs daar te zijn gegaan, zet ik mijn weg verder in een landschap, dat ook hier zeer veel op de Afrikaanse savanne gelijkt.
Ik ga voorbij een huis, waar de deur op de binnenkoer openstaat, zodat ik binnen een overvloed van bloemen in potten kan zien staan. Het is zeer mooi en ik vraag aan de eigenares, die met haar buurvrouw staat te praten, om het tafereel te mogen fotograferen. De toestemming volgt terstond met een glimlach.
De 'Camino' loopt door heel kleine dorpjes waarvan de huizen langs beide kanten van de weg staan. Men noemt dit de 'wegdorpen'. Ook de steden zijn op dezelfde manier gebouwd. Het zijn dan de 'wegsteden'. Maar nu ziet men van deze laatste nog de hoofdstraat, die de 'Camino' volgt. Het overige van de stad is er rond gebouwd en heeft zich als een spinnenweb uitgebreid.
Ik kom tenslotte in Rabanal del Camino toe na achtendertig kilometer gestapt te hebben en in topvorm! Ik heb geluk, want er is nog juist één plaats vrij. Ik heb ook een groep Fransen en een Belg ingehaald, waarbij Christine hoort. Maar daar er maar één plaats meer vrij is, hernemen ze na een stortbad de 'Weg' tot de volgende rustplaats van Manjarin in de bergen om samen te kunnen blijven.
Ik haal hier ook een koppel Belgische pelgrims, Kris en Luc, in. Ze zijn in februari uit Pellenberg in België vertrokken. Ik heb dikwijls op verschillende plaatsen hun nota's in het gastenboek van de rustplaatsen gezien. Er stond telkens een tekening bij, die hen voorstelt naast mekaar, met de zon op de weg. Het zijn zeer sympathieke lui. We wisselen onze adressen uit om eventueel na onze terugkeer de dia's en foto's te kunnen bekijken.
Vervolgens ga ik naar de zeer kleine slaapzaal om orde op zaken te stellen. Het is een kamer met vier bedden, twee aan twee boven mekaar. De ruimte ertussen is zeer eng. Ik installeer mij op het bovenste bed langs de achterkant, want het is het enige dat nog vrij schijnt te zijn.
Maar, wat een hitte! Het is hier warmer dan buiten. En wat zie ik, in de duisternis van de kamer, wanneer mijn ogen zich hieraan hebben gewend? Op het bovenste bed naast het mijne ligt een jong meisje op haar slaapzak, uitgeput van de warmte en het stappen. Ze is ingeslapen, de benen wijdopen, het lichaam bedekt door een doorzichtig slipje en een T-shirt, die nauwelijks haar boezem bedekt.
Ze ligt ter hoogte van mijn gezicht. Ik kan niet anders dan haar bekijken. Er is echter helemaal niets bedenkelijks in deze zorgeloze pose. Ze is zeer mooi. In feite maakt deze onschuldige en spontane pose haar nog mooier. Ik geef toe haar een hele tijd te hebben bekeken. Het is reeds zo lang geleden dat ik nog een vrouw in een dergelijke verschijning heb gezien.
Maar zoals Tonio in Los Arcos zei, een pelgrim mag zich niet door de duivel van 's avonds, zo min als door de andere duivels, laten bekoren. Ik neem mijn toiletgerief, mijn andere kleren en ga buiten om een stortbad te nemen en mijn was te doen. Met de thans heersende warmte ruikt men naar het zweet en de kleren zijn vlug vuil.
Ik kom veel later terug in de kamer om mijn zaken neer te leggen en mijn dagboek te nemen om het bij te werken. De Schone Slaapster heeft nog steeds geen vin verroerd.
De 'Hospitaleros' die in de rustplaats werken, zijn Fransen. Vandaag heb ik dan ook geen taalprobleem. Ze vertellen mij dat men in het nabijgelegen restaurant menu's voor de pelgrims serveert. Men kan er ook voorraad opslaan en de mis in de naburige kerk wordt gedeeltelijk in het Frans opgedragen.
Alvorens buiten te gaan, een toer in het dorp te doen, naar de mis te gaan en te eten, draag ik mijn zaken in de kamer waar de slaapster zich nog steeds niet bewogen heeft. Haar gezel, die op het onderste bed ligt en door de enge ruimte de bovenste bedden niet kan zien, heeft het door dat ik naar haar kijk. Hij zegt niets en ik ga onmiddellijk buiten om mij met mijn eigen zaken bezig te houden.
Ik ga heel laat slapen. Mijn twee overburen zijn er nog niet, alhoewel hun zaken er liggen. Ik slaap boven Janette, een dame van zesenzeventig, die van uit Le Puy en Velay in Frankrijk vertrokken is in gezelschap van andere Fransen, vrienden van Jacques. Jacques had mij over haar gesproken. Deze dame snurkt onder mij zoals een hele kamer krijgslui. Het is laat en ondanks dit alles val ik terstond in slaap.
RJMC. Rabanal del Camino 11 juli 1994. Mars. 38,213 km. Afstand. 2.246,795 km.