Geografie van Parijs

 

 

 

 

situering

Voor vele toeristen beperkt Parijs zich tot de arrondissementen die binnen de périphérique liggen. De bebouwing aan de buitenzijde van de périphérique loopt door in wat men de banlieu noemt.

In Frankrijk beschouwt men de Parijse regio " île de France" als één van de 21 Franse economisch-geografische regio's. Oorspronkelijk bestond ze uit 3 departementen: Seine, Seine-et-Oise en Seine-et-Marne. Sinds 1976 wordt de naam Ile de France aan de regio gegeven. Ze bestaat uit  Paris en daarnaast de Petite Couronne (Seine St Denis, Val de Marne, Hauts de Seine) en de Grande Couronne (Val d'Oise, Yvelines,Essonne, Seine et Marne).

 

geologie

Als we het ontstaan van het gebied île de France situeren binnen Europa kunnen moeten we besluiten dat de huidige omtrekken van Europa en de basisstructuur van het reliëf het resultaat zijn  van een lange geologische geschiedenis, die begint in het noorden en eindigt in het zuiden. Ze is het gevolg van tektonische krachten, erosie en sedimentatie.

 ·        Oer - Europa

In het precambrium is van het huidige Europa alleen het Fins-Scandinavische Schild boven de zee gelegen. Deze vastelandskern bestaat uit de oudste gesteenten van de aarde, die tektonisch omgevormd werden tot metamorfe gesteenten. Na het Precambrium zijn ze nooit meer geplooid. Ze zijn rijk aan metaalertsen. Verder was er een eiland, opgebouwd uit hetzelfde materiaal, dat zich uitstrekte van het Zwarte Woud tot het Massief van Bohemen.

 ·        Caledonisch Europa

Dit schild, en het Midden-Europees eiland, zijn de voetsteun voor de Caledonische gebergtes, waarvan de plooibundels een ZO-NW verloop hebben en lopen van Spitsbergen, over Scandinavië tot Schotland. De gesteenten zijn ontstaan uit afbraakmateriaal van precambrische gebergtes, afgezet in de Cambrium- en Siluurzee van het Primair. Ook rond het Midden-Europees eiland zijn sporen van de plooiing terug te vinden (vb in de Ardennen en Brabant) De Caledonische gebergtevorming vergroot het Europees continent en vormt de grondslag van de bouw van noordwest Europa. Ze verdrijft niet alleen de zee, maar brengt

ook de kringloop van erosie en afzetting weer op gang. Door het grote gewicht zakken de sedimentatiebekkens, worden de sedimenten erin geplooid en gebroken. Het isostatisch evenwicht wordt verbroken en  er wordt een nieuw gebergte gevormd.

 ·        Hercynisch Europa

Waar de zee in de sedimentatiebekkens diep genoeg is wordt kalksteen gevormd. In de ondiepe zeeën en op het vasteland beginnen de planten het continent te veroveren. Het land verliest stilaan zijn woestijnkarakter. De afzettingen van het Carboon, die in kustmoerassen zijn ontstaan, vormen de steenkoollagen die bij de industriële ontwikkeling van Europa zo belangrijk waren. Tegen het einde van het Carboon groeien de nieuwe bergketens rond de Caledonische massieven, en rond het precambrisch voetstuk in Midden Europa. Door deze Hercynische gebergteplooiing is Europa weer een stuk groter geworden.

Het Primair is dus  overwegend een woelige periode met gebergtevorming, aardbevingen en vulkanisme, die afgewisseld worden door periodes van afbraak en sedimentatie.

·        Europa tijdens het Mesozoïcum (secundair)

De puinmassa's van de Hercynische gebergten komen terecht in de wereldzee ten zuiden ervan, de Tethyszee, waaruit later de jonge Alpiene gebergtes van het Tertiair zullen ontstaan. De steenkool, ontstaan uit de tropische weelderige vegetatie van het Carboon, blijft in enkele synclines bewaard. Ook de bekkens tussen de Hercynische massieven worden opgevuld met puin van de steeds lager wordende bergen. De Hercynische gebergtes worden afgevlakt tot schiervlaktes. Door deze erosie, en het uiteendrijven van het Pangea (continentendrift) kon de zee het grootste deel van het huidige Europa innemen, en bedekken op veel plaatsen zelfs de Caledonische en Hercynische vastelanden, die nu afgeërodeerd en afgevlakt zijn. Veel van deze ondiepe zeeën worden opgevuld met mariene sedimenten. Dit is het geval met het bekken van Acquitanië, Parijs, Londen, Zuid- Duitsland en de Noordzee. In deze bekkens krijgen we mineralisatie van sedimentatiemateriaal: er wordt ijzererts, aardolie en aardgas, zout en bauxiet gevormd.

 ·        Het Alpien Europa

Door de continentendrift worden de losse gesteenten uit de Tethyszee omhooggeduwd, en rijzen de gebergtes van Zuid Europa boven het zeeniveau. Door deze Alpiene plooiing krijgt Europa haar huidige omtrek en wordt het uitzicht van Europa in grote lijnen geboetseerd. In het Zuiden van Europa worden de sedimenten van de Tethyszee tot gebergtes geplooid. De verstarde gesteentemassa's van de oude Hercynische en Caledonische gebergtes worden door de geweldige druk van de Alpiene plooiing omhooggestuwd. Sommige breken in stukken en geven het ontstaan aan slenken en horsten. Andere liggen iets verder en worden omhooggeduwd tot de middelgebergtes. Hier treedt vernieuwde erosie op. De sedimenten (afbraakmateriaal en krijtlagen) in de Secundaire bezinkingsbekkens worden niet geplooid, maar komen schuin hellend te liggen, ze hellen af naar het centrum van het bekken. Door het proces van differentiële erosie krijgen we het ontstaan van een cuesta-reliëf.

 ·        Het Quartaire Europa

Het Quartair begint met een langdurige daling van de gemiddelde temperatuur. Veel water wordt onder de vorm van ijs vastgelegd en heeft een daling van het zeeniveau tot 100 m als gevolg. Vanuit het noorden dalen de gletsjers af tot op 52° NB. Ook de  Alpen en de Pyreneeën hebben een ijsbedekking. De overige gebieden in Europa worden door isostasie omhooggestuwd, en zijn door de grote temperatuursverschillen onderhevig aan intense mechanische verwering. De wind zet in de periglaciale gebieden bodems af. Tijdens de tussenijstijden stijgt het zeeniveau en gaan de rivieren afzetten.

reliëf van Parijs

 Parijs zou Parijs niet zijn zonder de Seine die zich tussen de heuvels van Montmartre en Belleville in het noorden en de heuvel van St Geneviève in het zuiden slingert. In de Seine hadden we eilanden waar de eerste bewoners (Parisii) zich gevestigd hebben. Ile de la Cité is er het grootste van. Andere kleinere eilanden zijn later samengevoegd tot Ile Saint Louis. Ze woonden op het kruispunt van verkeerswegen:

·        de Seine vallei

·        de Noord - Zuid landrug die uitkwam in de vlaktes in het noorden en noordoosten op een aantal doorwaadbare plaatsen die de mensen toelieten gemakkelijk van de ene naar de andere oever te trekken.  Dit kon gebeuren op een plaats zonder veel zijarmen van de Seine of zijrivieren te moeten oversteken.

 De eerste uitbreidingen van Parijs (tijdens de Romeinse periode) gebeurden op de rechteroever, omdat dit de stootoever van de Seine was. Deze diepere plaats liet de boten toe aan te leggen aan de Place des Grèves voor het huidige stadhuis.

De linkeroever (stille oever), die veel moerassiger was, is pas in de 13° eeuw gekoloniseerd. 

De Seine heeft zich een weg gezocht tussen een aantal heuvels die uit kalksteen en gips bestaan: Montmartre, Montparnasse, Montagne St Geneviève zijn de bekendste. Deze heuvels zijn de leveranciers geworden van de kalksteen waarmee heel wat historische gebouwen in Parijs zijn opgetrokken.  In de onderaardse grotten en gangen die zo ontstaan zijn in Montparnasse heeft men de beenderen van de Parijse kerkhoven, die overvol lagen, gestort. Dat zijn de fameuze catacomben van Parijs geworden.

In feite heeft Parijs de vorm van een croissant die aanleunt tegen de stootoever van de oude meander van de Seine. Deze oude oever wordt gedomineerd door enkele hoogtes: Auteuil 40m, Trocadéro 70 m, Montmartre 130m, Père Lachaise 95m. De linkeroever daalt  via enkele terrassen geleidelijk naar de Seine toe.

ile_de_france ile_de_france

 

Het relief van Parijs is de laatste 2 miljoen jaar ontstaan. De zee die de zanden van Fontainebleau  afgezet heeft (die nu nog altijd  de heuvel van Belleville en Montmartre bedekken) heeft zich 25 miljoen jaar geleden teruggetrokken. In de grote meren die achterbleven en langzaam verdampten, hebben zich de kalksteen van Beauce en de zandsteen van Montmorency afgezet.  Door opheffing van dit gebied heeft de Seine zich langzaam maar zeker ingesneden in lagen die verschillend weerstand boden:

·        de compacte lagen van zandsteen en kalksteen

·        de ondoordringbare lagen van klei en mergel

·        de oplosbare gipslagen.

 

Door dit insnijden zijn 4 opeenvolgende lagen vrijgekomen:

·        de laag van Beauce, de hoogste laag, die bestaat uit kalksteen of zandsteen en die vanonder een dikke bedekking van zand en leem tevoorschijn gekomen is

·        de laag van Brie die vanonder tientallen meters dikke zanden van Fontainebleau vrijkomt

·        de laag van Parisis waar de kalksteen van St Ouen aan het oppervlak komt de laag van Valais en Soissonnais bestaande uit grove kalksteen.

Alle heuvels rond Parijs zijn in feite getuigenheuvels van een of ander niveau.De insnijding van de Seine in het substraat is niet alleen te verklaren door de opheffing als gevolg van de alpiene plooiïng, ook de schommelingen van het zeeniveau door de opeenvolging van ijstijden en tussenijstijden in het Holoceen heeft daartoe bijgedragen. Tijdens de laatste Wurm-ijstijd had de Seine haar laagste niveau bereikt. Sinds de opwarming 10.000 jaar geleden heeft de Seine 3 à 6 m alluvium afgezet. De oude afgesneden meander is een gevolg van de zeespiegelveranderingen.

De gebouwen van Parijs zijn zoals hierboven reeds aangehaald een weerspiegeling van de ondergrond. De gesteenten die gebruikt worden voor de gebouwen in Parijs komen uit de directe omgeving.

Het oudste gesteente (dus ook het diepst gelegen) is het witte krijt afgezet in warmere zeeën zo'n 70 miljoen jaar geleden.  Ze komt niet aan het oppervlak in Parijs, maar wel in de Seine-vallei in Issy-les-Moulins en Melun. Ze werd gebruikt als gebluste kalk en cement. Belangrijk was ook het gips (oorspronkelijk een continentale afzetting in gesloten binnenzeeën) dat  na verhitting tot 120°C  pleisterkalk vormt. De meest gekende groeven van dit gips waren te vinden in Montmartre.

De grove kalksteen ontgonnen in openlucht en ondergronds in het 18°,19° en 20° arrondissement is het volgende belangrijke gesteente. Daarnaast hebben we tenslotte de alluviale zanden uit het kwartair, die gebruikt worden in de bouwindustrie.

 

 

Coupe géologique de Paris montrant l'anticlinal de Meudon : en violets sont les terrains exploités pour le gypse ; en rouge, ceux exploités pour le calcaire grossier.

 

 blauw en roze bolletjes:  gips

oranje: kalksteen

 

Het menselijk - economisch  aspect van Parijs

    De Parijse agglomeratie wordt in verschillende zones onderverdeeld. We vinden een centrale zone terug met Parijs in het centrum omringd door een interne banlieu die op zijn beurt         omcirkeld  is door een externe verstedelijkte banlieu. Aansluitend bij deze externe verstedelijkte banlieu vinden we de rand van de agglomeratie(franges) terug. Deze rand bestaat uit nieuwe steden, secundaire agglomeraties(langs de verkeersassen), alleenstaande secundaire agglomeraties en het ruraal gebied.

Ook politiek gezien is de Parijse agglomeratie, sinds 1984 ook Ile de France genoemd, heel complex. De 9 departementen bestaan uit verschillende arrondissementen. Sinds 1981 is elk arrondissement een gemeente geworden met een eigen beleid. De Parijse agglomeratie bestaat nu dus uit 335 gemeenten. Dit leidt tot grote problemen, waaronder onder andere de evenwichtige verdeling van opbrengsten en het beheer van openbare diensten.

De stad Parijs zelf bestaat uit 20 arrondissementen die elk 4 Quartiers bevatten. Deze arrondissementen hebben geen naam, ze krijgen elk een nummer. De nummering van deze arrondissementen loopt in wijzerszin vanaf het Louvre (1e Arr.) naar buiten toe om zo te eindigen in het 20e Arrondissement, waar het kerkhof van Père Lachaise zich bevindt.     

 

1.     In de regio Ile de France

          In het begin van de jaren '60 waren er twee gebieden die konden onderscheiden worden; het centrum dat overbevolkt was en het agrarische deel ver buiten het centrum, dat toen gekenmerkt werd door de plattelandsvlucht. (zie tabel onderaan). Naarmate het centrum volledig bevolkt was, werd de groei van de bevolking nu duidelijk in de gebieden dicht bij het centrum en later iets verder van het centrum.( '62-'75 í grootste groei op 20 tot 30km afstand ; '75-'82 í grootste groei in gebied op 30 à 40km ; na '82 í was dit het geval tussen 40 en 50km.) De oorzaken van deze enorme bevolkingsstijging is enerzijds de oorzaak van de migratie en anderzijds wordt ze bepaald door de natuurlijke bevolkingsaangroei. De migratiebeweging in Parijs is leeftijdsgebonden : veel jonge mensen komen naar Parijs omwille van de uitgebreide arbeidsmarkt, de oudere mensen verlaten de stad dan weer. Dit is enorm positief voor de demografie, want dit leidt tot een jongere bevolking. In de regio Ile de France woonden in '90 zo'n 10 661 000 mensen. Hiermee was Parijs de stad met het grootste bevolkingsaantal in Europa.

2. Binnen de stad Parijs

De bevolkingsafname was het grootst tussen '62 en '82, waarin het het zijn piekjaren kende tussen '68 en '75. Na '82 kwam er een stabilisatie. Het bevolkingsaantal van de stad Parijs telde in '90 ongeveer 640 000 inwoners minder dan in '62 . in '62 waren er 2 790 091 inwoners;  in '90 waren er 2 152 423 inwoners. In grote lijnen kan men 4 zones onderscheiden die een verschillende bevolkingsevolutie kennen :

De centrale arrondissementen ( d.w.z. 1 tot en met 6); Deze arrondissementen verloren 30% tot 50% van hun bevolking tussen '62 en '82. Na '82 is  er slechts nog een kleine afname van de bevolking. Het 4de arrondissement heeft de grootste verliezen geleden door de komst van kantoren en hogestandingwoningen, maar globaal gezien lijden de centrale arrondissementen niet meer onder de druk van kantoren en handelszaken.

         De westelijke arrondissementen ( d.w.z. 7, 8, 9, 16, 17); Deze arrondissementen blijven een even grote bevolkingsafname kennen als voor '82 door de druk van tertiaire activiteiten. Het ombouwen van woningen naar kantoren gepaard met weinig nieuwe bebouwing zijn de belangrijkste tertiare activiteiten.

         De zuidelijke arrondissementen ( d.w.z. 12, 13, 14, 15); De arrondissementen 13, 14 en 15 behouden ongeveer hun bevolkingsaantal van '82, maar het 12de arrondissement blijft achteruit gaan. In sommige buurten is er een duidelijke toename omwille van de nieuwbouw andere hebben dan weer te kampen met een daling van het bevolkingsaantal.

         De noordelijke arrondissementen ( d.w.z. 10, 11, 18, 19, 20); Deze arrondissementen kennen een geleidelijke groei die in het 20ste arrondissement meer uitgesproken is dan in arrondissement 11. Deze aangroei is voor een groot deel te verklaren door de talrijke nieuwbouwprojecten. In de arrondissementen 10, 11 en 18 wordt de toename vooral waargenomen doordat men er na '82 woonblokken ( îlots ) heeft neergezet. Deze woonblokken worden nu vooral bewoond door gezinnen met een groot aantal kinderen.

3. Het grote aandeel vreemdelingen

Deze regio huisvest 20% van de Franse bevolking, maar 40% van alle vreemdelingen in Frankrijk wonen hier. De gemeenten Seine-St. Denis en Yvelines hebben de grootste aandelen in de vreemdelingenconcentratie. Dit kan gemakkelijk worden verklaart door de verouderde woningmarkt en de industriële tewerkstelling. De meeste industriële activiteit mag dan nu al wel verleden tijd zijn, maar de vreemdelingenconcentratie is er nog steeds. De groei is nu echter veel kleiner dan wat ze geweest is.

 De samenstelling is erg verscheiden en onderhevig aan veranderingen. De belangrijkste groep van het totaal aantal vreemdelingen wordt gevormd door de Portugezen gevolgd door de Algerijnen en de Marokkanen. De sterkst afnemende populaties zijn die van de Spanjaarden, de Italianen ,de Algerijnen en de Joegoslaven. De snelst toenemende populaties  worden aangevoerd door de Turken gevolgd door de Afrikanen uit de niet-Maghreblanden. Het aantal migranten uit Zuidoost Azië blijft min of meer gelijk.

Een logisch feit van al deze migranten is dat de migranten met de zelfde oorsprong zich bij elkaar gaan vestigen.  Zo komen de Centraal-Afrikanen vooral voor in het Noordoosten van Parijs en in veel gemeenten van Seine-St. Denis. De Portugezen vormen dan weer een uitzondering op deze regel, zij zijn werkelijk over heel Parijs verspreid.

De immigratie van de buitenlanders gaat in de loop van de jaren 90 sterk achteruit, waar er in '92 nog zo'n 61 000 immigranten waren zijn het er in '95 slechts 22 500 meer.

De evolutie van het aantal vreemdelingen is na '75 gestegen van 13,6% tot 16,6% in '82, na '82 is dit aandeel weer iets beginnen zakken tot 15,8% in '90. Deze daling in de laatste jaren was vooral de oorzaak van de stijging van de huurprijs door renovatie in de binnenstad. Hierdoor onstond een migratiegolf naar de buitenwijken, vooral naar  Seine-St. Denis. In de Arrondissementen 2, 10 en 11 was er geen sprake van een grote daling van het aantal vreemdelingen.

Het merendeel van de vreemdelingen leeft in woningen zonder enig comfort. De situatie wordt dan nog verergerd doordat  men in de woningen te maken heeft met een te groot aantal inwoners. Hierdoor leven vele van deze mensen in onhygiënische ruimtes.

Wat de nationaliteiten betreft is er een duidelijke afname van Europese Middellandse

Zeelanden en de Maghreblanden(uitgezonderd Marokko). De Chinezen, Pakistanezen, Indiërs en Zwart -Afrikanen zorgen dan weer voor een toenemend aantal.

Het grootste deel van de werkende vreemdelingen wordt tewerkgesteld in openbare werken, dienstverlening en confectie.

 4. De bewoning

De evolutie van de bewoning loopt natuurlijk parallel met de bevolkingsgroei, dit verklaart dan ook waarom er in de regio een groter wordend aantal woningen zijn. In het totaal zijn er in de regio ongeveer een 4 740 000 woningen, waarvan 510 000 dienen als tweede woning of leegstaand zijn. Een groot deel van de woningen zijn er gekomen ter vervanging van de oude woningen. Dit heeft dan ook als gevolg dat de woningen over het algemeen ruimer worden en dat er ook meer comfort aanwezig is. In 57% van de gevallen is de bewoner ook daadwerkelijk de eigenaar van de woning, de overige bewoners zijn huurders. De woningen buiten het Parijse stadscentrum zijn vooral woningen waar enkel overnacht wordt. De woningen staan vooral in "slaapsteden", dit zijn steden dicht bij een belangrijke stad (in dit geval Parijs) die enkel dienen om de nacht door te brengen, de rest van de dag gaan de inwoners werken.

Het aantal woningen is in de periode tussen '82 en '90 lichtjes toegenomen in de buitenste arrondissementen. In de rest van de binnen stad, waar het bevolkingsaantal afneemt, neemt het aantal woningen toe. In de Parijse binnenstad is slechts 28% van de bewoners ook eigenaar van de woning. Het hoogste aandeel in eigendom wordt in het 16de arrondissement. aangetroffen. Het percentage leegstaande woningen is sinds '75 sterk gestegen omwille van de wijziging in bezitstructuur. De meest recente woningen bevinden zich in de buitenste kring van arrondissementen. Het grootste deel van de woningen, zo'n 70%, dateert van voor '49. (zie figuur 14)

Het is natuurlijk logisch dat de kleine woningen overheersen in het centrum van een grootstad. Bijna 25% van de woningen telt maar 1vertrek, 33% bestaat uit 2 vertrekken waaronder 1slaapkamer en slechts 7% heeft 5of meer vertrekken.

(figuur 15)

 De zeer grote woningen nemen sterk af omwille van de omvormingen van grote appartementen tot kantoren.

 

5. Soorten woningen

Dit zijn de gebouwen met meer dan 5 etages die aaneen zijn gebouwd. Deze gebouwen vind je vooral terug in de binnenstad van Parijs en in de nabije banlieugemeentes.

            * De gebouwen zijn vooral die van het Haussmanntype, gebouwd tussen 1850 en 1914.

* De bakstenen gebouwen dateren dan meestal van de periode tussen de twee  wereldoorlogen. Ze zijn voor het grootste deel aan de rand ven de stad gebouwd.

Ongeveer 55% van de oppervlakte met een woonfunctie is in de regio Ile de France door deze gebouwen in genomen. De uitbreiding van deze bebouwing ging gepaard met het sterk uitdijende spoorwegnet. Veel van deze woningen werden in de omgeving van spoorwegstations gebouwd, omdat de mensen zo een goede verbinding met de binnenstad zouden hebben. Deze bebouwing rond de spoorwegstations noemt men soms het 'olievlek-verschijnsel'.

 

Onder deze term verstaan we de woningen die tussen 1920 en 1940 verschenen zijn. Het is een groep niet aaneengesloten, goedkope woningen. Deze vorm van bebouwing kende een enorme uitbreiding na 1945, een periode met grote woningnood. De Grands Ensembles waarvan het grootste deel tussen '49 en '74 is gebouwd vormen een breuk met de oude stad. De woningen worden niet langer op één lijn gebouwd.

 

             Vanaf het midden van de jaren '70 worden de mensen weer aangemoedigd tot  individuele woningbouw. Veel huizen worden zo gebouwd ver van het stadscentrum en vormen zo landbouwgemeentes. De bouw van deze  woningen zwakt af naarmate er minder goed gelegen percelen beschikbaar zijn.  Na 1975 tracht men de opkomst van deze woningbouw over te brengen naar de nieuwe steden, waar nu zowel collectieve als individuele woningbouw voorkomt.

        6. De industrie in Parijs

 De industrialisatie  is  ook in de Parijse regio begonnen in de 19° eeuw. Het 13°, 14° en 15° arrondissement zijn in het begin van de 19° eeuw volgebouwd geworden met woningen, fabrieken, ateliers en opslagplaatsen. In de loop van de  groei van Parijs zijn het dan vooral de noordelijke en oostelijke  arrondissementen waarin industrie- en fabricage-activiteiten zich ontwikkeld hebben. Ook in de banlieu zien we dezelfde grote tendens: de noordelijke  en noordoostelijke banlieu was de favoriete vestigingsplaats voor de industriële uitbreiding.

Het fysisch kader ligt ten dele aan de basis van de groei en ontwikkeling van de industrie in de stad. De open vlakte in het noordoosten en oosten was ideaal voor de uitbouw van kanalen en havendokken waarlangs de zware industrie zich ontwikkelde. Het feit dat steenkool moest aangevoerd worden uit de noordelijke bekkens  is tevens een verklaring voor de aanwezigheid van de industrie in het noorden. De Seine, bassin de La Villette, Canal St Martin doorkruisen of begrenzen de stad en maken via Canal Saint Denis en Canal de l'Ourcq de verbinding met de havens.  Parijs is de eerste rivierhaven en de vierde haven ( na Marseille, Le Havre en Duinkerke) van Frankrijk. Ook de spoorlijnen aan de Gare du Nord en de Gare de l'Est zijn belangrijke verkeersassen geweest. Het is wel zo dat door rationalisatie, maritimisatie, plaatsgebrek en de negatieve agglomeratietendens de grote industriële activiteiten afnemen. De industriële activiteiten zijn vooral geconcentreerd in het 2°,3°,9° en 11° arrondissement.

 Opvallend is de ruimtelijke concentratie van specifieke activiteiten.

·        Fabricatie en confectiegroothandel in de wijk "Sentier" rond de rues de Cléry en d'Aboukir

·        Lederbewerking in de rue du Temple en rue des Gravilliers

·        Bontbewerking in de rue la Fayette

·        Meubelfabricatie bij de Faubourg St Antoine

·        Juwelen, optische instrumenten, uurwerken in de Marais

·        De Haute Couture in het 8° arrondissement

De economische activiteiten komen verstrengeld met de woonfunctie voor. Niet alleen ruimtelijk, maar ook op het niveau van het plaatselijk gebouw (in achtertuinen en zelfs op verdiepingen). De industriële activiteiten grijpen meestal plaats in slechte omstandigheden. Vooral het ruimtegebrek is opvallend. Dit verklaart een deel van de vlucht van de industrie uit de stad. Opvallend is echter dat heel wat activiteiten vast houden aan het centrum. De aanwezigheid van arbeiders (goedkope, ongeschoolde en dikwijls illegale), de afzet, de inertie spelen hier een belangrijke rol. De ondernemingen stelden in  1990 nog maar 230.000 werknemers te werk. Dit is 13% van de actieve werkbevolking van Parijs. Een groot gedeelte behoort tot de ambachtelijke sector. Enkele kenmerken daarvan zijn:

·        Slechts 3000 van de 20.000 ondernemingen stellen meer dan 10 personen te werk. Gemiddeld is het aantal werknemers 25 personen, en ze hebben slechts 26m² ruimte per tewerkgestelde.

·        Zoals hierboven reeds vermeld: de verstrengeling van wonen en werken. 70% van de ondernemingen liggen in gebouwen met bewoning en 20% hebben zelfs geen gelijkvloerse verdieping. Veel zijn zelfs gespreid over verschillende gebouwen.

·        De belangrijkste activiteiten zijn: confectie, drukkerij,  elektrische  en elektrotechnische bedrijven. Specifiek voor Parijs kunnen we de Haute Couture, leder, juwelen en parfumerie aanhalen.

Zoals reeds aangehaald en uit bovenstaande tabel blijkt daalt de tewerkstelling in de secundaire sector. Dit gaat ten voordele van de tertiaire sector ( handel, diensten, administratie). Deze activiteiten zijn hoofdzakelijk geconcentreerd in het centrum, het westelijke deel van het 1° en 2°, het 8° en 9°, het noordelijke deel van het 16° en het zuidelijke deel van het 17° arrondissement.

Deze grote concentratie van activiteiten heeft ruimtelijke  implicaties: het transportnet. Daarin verwerkt het station van St Lazare het grootst aantal pendelaars. Ook de uitbouw van een goed en intensief gebruikt metronet, en een zeer groot aantal buslijnen met grote frequentie was nodig.  Ik verwijs hierbij naar het plannetje met bus en metrolijnen. Een overconcentratie van voetgangers en autoverkeer bij het begin en het einde van de werkdag typeert ook Parijs. Dit enorm druk verkeer is het resultaat van een klein aantal woonactieven(< 200.000 in 1975) en een grote tewerkstelling. Net zoals bij de industrie is er ook hier een ruimtelijke specialisatie.

·        Financiële instellingen in het 1°,2° en 9° arrondissement

·        Verzekering en pers: ten oosten van de Opéra en Trinité

·        Luxehandel en juwelen: place Vendôme en rue de la Paix

·        Oude kern zakenwijk, burelen en handel: tussen rue Royale en boulevard Haussman

·        Maatschappelijke zetels van grote bedrijven en handel: Champs Elysées

In het kader van de stadskernvernieuwing zijn er de pôles restructurateurs van Montparnasse met de kantoorruimte, La Villette met ontspanning en wetenschaps- en muziekpark, Les Halles - Beaubourg met cultuur en shopping en het prestigieuze La Défense. La Défense bestaat uit een zone A (130 ha) met  ongeveer 2.000.000 m² burelen, 300.000 m² handelszaken en 7500 appartementen en een totale tewerkstelling van > 100.000 personen. Daarnaast is er ook de zone B (600 ha) die hoofdzakelijk een woonfunctie heeft, een aantal gebouwen van openbaar nut bevat (o.a. universiteit) en een park.

De recentste pôle restructurateur is de omgeving van Bercy en de grande bibliothèque F. Mitterand. Het is de bedoeling van deze projecten om:

·        De aangroei van de tewerkstelling in de tertiaire sector op te vangen

·        Lokalisatie van de activiteiten te ordenen

·        Pendelstromen in de stad te beperken door burelen in de directe omgeving van de stations te lokaliseren

·        Van de gelegenheid gebruik maken om ontbrekende collectieve voorzieningen in te planten en nieuwe woningen op te trekken.

 

    7. Parijs als toeristische trekpleister

De historische en culturele rijkdommen van Parijs en omgeving, ook een aantal recente verwezenlijkingen trekken veel toeristen aan van de provincie en het buitenland. Er zijn niet minder dan 200 musea te bezoeken, er is permanent wat te beleven in 75 theaters, 30 music-halls, 300 kunstgalerijen,… Hiernaast is Parijs ook een belangrijk congrescentrum omwille van de aanwezigheid van vele internationale organisaties, de belangrijke economische en culturele activiteiten om omwille van de aantrekkingskracht  op zich van de stad Parijs. Parijs is de belangrijkste congresstad van Europa en dit voor Londen en met dubbel zoveel internationale congressen ten opzichte van Madrid, Brussel en Genève.

De hotelcapaciteit kende een belangrijke uitbreiding tussen 1984-1994 en dit voornamelijk buiten Parijs.

·        Binnen Parijs nam het aantal kamers in * en **** sterrenhotels af, maar we kregen een toename van het aantal kamers in ** en vooral *** sterrenhotels. Deze laatste twee vertegenwoordigen 75% van het aantal kamers in Parijs.

·        De uitbreiding buiten Parijs situeert zich in een aantal nieuwe steden en Eurodisneyland, maar vooral in de nabijheid van grote verkeersinfrastructuren waar overnachting tegen gematigde prijzen worden aangeboden.

De spreiding van het aantal hotels in Parijs is niet gelijkmatig. De concentratie is het grootst op de rechteroever en rond de stations.  Daarnaast hebben we de historische concentratie in het quartier Latin, rond de Eiffeltoren en het 7° arrondissement. De figuur hieronder geeft een duidelijk overzicht.

In 10 jaar tijd nam het aantal aankomsten van toeristen toe van 11 naar 19 miljoen en het aantal overnachtingen van 27 naar 40 miljoen. Een duidelijk trend is de steeds korter wordende verblijfsduur. Zoals overal in Europa kiest de toerist voor meer, maar kortere vakanties. Parijs is zo'n typische bestemming voor korte vakanties. Ongeveer 2/3 van de toeristen zijn buitenlanders, waarvan 60% uit Europa afkomstig is. De opening van Eurodisney heeft ontegensprekelijk een invloed op het aantal overnachtingen en op het aandeel buitenlanders dat in de Parijse regio verblijft.  57% van de toeristen komt nar de Regio als ontspanning en 26% in het kader van beroepsactiviteiten. Het grootste deel van de toeristen komt voor de musea, monumenten en historische sites (65%), maar toch 13% komt voor culturele en sportieve manifestaties. Er is een duidelijke evolutie sinds 1980 in het feit dat de reisbureaus meer en meer de vakantie in Parijs gaan regelen. 40% van de toeristen komt met het vliegtuig,26% met de trein. Slechts 33% van de bezoekers organiseert zijn reis volledig zelf.