De gotiek

 

 

 

DE RELIGIEUZE GOTISCHE BOUWKUNST

Ontstaan en ontwikkeling.

De gotische bouwstijl ontstond omstreeks 1140 in het Franse kroondomein. Suger, kanselier van Frankrijk en abt van Saint-Denis, bouwde tussen 1138 en 1144 een nieuwe koninklijke grafkerk, die het prototype van de gotiek is geworden. De bouwmeesters van Saint-Denis lieten zich vooral inspireren door de vernieuwingen die in Anglo-Normandische en Boergondische kloosterkerken waren uitgeprobeerd. Door het consequent gebruik van schoorstelsel en luchtbogen, van spitsbogen en kruisribgewelven schiepen ze een nieuwe stijl die zich in korte tijd over heel Europa verspreidde.

Het eerste gotische bouwwerk was een kloosterkerk. De nieuwe stijl zou echter vooral gebruikt worden voor de bouw van monumentale bisschopskerken of kathedralen in kleine, bloeiende stedelijke gemeenschappen.

Tijdens een halve eeuw van experimenteren werden de vroeggotische kathedralen van Noyon, Senlis, Laon en Parijs gebouwd. In 13de eeuw verrezen de kathedralen van Chartres, Reims, Amiens en Beauvais als meesterwerken van de hooggotiek of de rijpe gotiek. In de 14de eeuw werden geen monumentale kerken opgericht omdat Frankrijk leed onder de gevolgen van de Honderdjarige Oorlog (1337 - 1453) en de Zwarte Dood (1348). In de 15de eeuw bloeide de gotische droom een laatste keer op, maar de vlamgotiek verwijderde zich steeds meer van zijn oorspronkelijke inspiratie en ontaardde enigszins tot een louter dekoratieve stijl.

 

St. Denis West Front

St Denis

Laon

Notre-Dame

De kenmerken van de Franse gotiek.

Door een skeletstructuur van dragende en lastende delen konden de kathedralen hoger en lichter worden opgetrokken dan ooit tevoren. Door de konstruktie van zelfdragende ribben werden de gewelven minder zwaar. De muren verloren hun dragende functie omdat de neerwaartse druk van de gewelven niet meer op geheel de muur neerkwam, maar via de gewelfribben naar de hoeken werd afgeleid, waar hij door forse pijlers werd opgevangen. De zijdelingse druk werd over de daken van de zijbeuken heen door middel van luchtbogen en steunberen afgevoerd. Boven de sokkelzone werden de muren doorbroken met steeds grotere raamopenin­gen, die tenslotte geheel de ruimte tussen de schoorpij­lers innamen en de muur transparant maakten.

De Romaanse bouwmeesters werken haast uitsluitend met de Romeinse rondboog, die esthetisch en constructief voldeed voor overwelvingen boven eer, vierkantig grondplan. In gotische kathedralen met een brede middenbeuk op recht­hoekig grondplan gingen de bouwmeesters onder invloed van de Islamitische architectuur, over tot de konstruktie van gebroken bogen met spits toelopende segmenten, die aan een grotere druk konden weerstaan dan de rondboog. Hoewel de spitsboog technisch alleen voor de bouw van het gewelf vereist was, hebben de architecten alle rondbogen syste­matisch door spitsbogen vervangen omwille van de stijl­eenheid.

De technische vernieuwingen van de skeletbouw en de spitsboog maakten het mogelijk gebouwen steeds hoger op te trekken. In Sens bereikte men een interieurhoogte van 30 m, in de Notre-Dame van Parijs 32,5 m en in Chartres 34,5 m. Het gewelf van Bourges hing 37 m boven het vloerniveau, dat van Reims 38 m en dat van Amiens 42 m. In Beauvais werd de limiet bereikt: het koor was 48 m hoog, maar het gewelf stortte in. Sindsdien kende de gotiek zijn grenzen.

 Beauvais

  Amiens

 Chartres

 

Het vertikalisme van de gotische kathedralen werd nog geaccentueerd door de indeling van de opstand van het middenschip in drie in plaats van in 4 verdiepingen en door de pijlers te voorzien van voorzetzuiltjes of schalken, die in één beweging van de zuilbasis tot aan de gewelfribben reikten.

Aan de buitenzijde is het vertikalisme vooral duidelijk aan de meestal onvoltooide torens aan de westgevel. De dakhelling werd verhoogd van 45 tot 60 graden. Steunberen werden in de hoogte verlengd met spitse pinakels of fialen. Boven vensters en portalen kwamen steile met maaswerk versierde gevelkonstructies of wirikbergen.

In hun gotische bouwwerken streefden de architecten en hun opdrachtgevers naar eenheid van ruimte. Ze zorgden er in het bijzonder voor alles te vermijden wat storend kon werken voor wie het gebouw in zijn lengteas bekijkt. In de vroeggotiek slaagden ze daar niet altijd in. Toen maakte men immers gebruik van een zesdelig gewelf dat niet enkel rustte op de diagonaalribben, maar tevens gedragen werd door supplementaire gordelribben op de kruinhoogte van het gewelf. De pijlers waar de diagonaal­ribben op neerkwamen hadden een veel groter gewicht te torsen dan de dragers van de twee supplementaire ribben en daarom waren ze zwaarder dan de andere. Daardoor ontstond in de middenbeuk het alternerend stelsel, waarbij dikkere en dunnere pijlers met elkaar afwisselden. In de Notre-Dame van Parijs werd het alternerend stelsel om esthetische redenen naar de zijbeuken verplaatst.

Gotische kathedralen zijn meer dan alleen maar grootse gebouwen; ze zijn dragers van symboliek. Suger zag zijn abdijkerk als de voorafbeelding van het Hemels Jerusalem. Daar ze van het westen naar het oosten georiënteerd is, wordt het koor tijdens de vroegmis verlicht door de opgaande zon, Christus. De kruisvorm van het grondplan verwijst naar de verlossingsdood van Jezus. De pijlers van liet middenschip verbeelden de apostelen, de vieringpijlers de evangelisten. Het gewelf was blauw geschil­derd en met gouden sterren bezaaid; het stelde de nachte­lijke hemel voor. De sluitstenen van het gewelf stelden weer Christus voor, net zoals de roosvensters die de vorm hebben van de zon, het rad van het oordeel of het rad der fortuin. Dat het christelijk leven een pelgrimstocht is, werd verduidelijkt door het labyrinth dat in het tegelpatroon van de vloer was aangebracht.

De glasramen spelen een heel bijzondere rol in de kerkelijke symboliek. Suger meende dat alleen het allerkost­baarste goed genoeg was om God te eren. Daarom trok hij Piaaslandse kunstenaars aan voor het vervaardigen van reliekhouders en cultusobjekten uit goud en zilver, bezet met edelstenen van onschatbare waarde. In dezelfde geest bestelde hij ook de fonkelende brandramen met hun gloeiende kleuren van rode robijnen en blauwe safieren.

Voor Suger was liet licht goddelijk. God zelf is licht; hij verleent schoonheid aan de dingen. Het genieten van aardse schoonheid is de eerste stap op weg naar het schouwen van het eeuwige licht. Haar er is meer: in liet licht maakt God zich kenbaar aan de mensen. Het licht is woord en leraar. Daarom zijn de brandramen de verkondi­gers van Gods heilswerking voor de mensen. Aan de donkere noordzijde van liet kerkschip werden daarom voorafbeeldingen van het verlossingswerk uit het oude testament aangebracht. De lichtende zuidzijde bleef voorbehouden voor afbeeldingen uit het nieuwe testament.

De gotische skulptuur is geconcentreerd in de portaalzone en onlosmakelijk verbonden met de architectuur. De gotische beeldhouwkunst verschilt van de Romaanse door een grotere natuurlijkheid in de uitbeelding van de menselijke gestalte. God en de heiligen verloren hun hiëratische stijfheid en ongenaakbaarlíeid en traden thans de mensen te gemoet in geïdealiseerde menselijkheid. Ze wonnen aan plastische volheid en natuurlijke beweeglijkheid. Ze werden zelfs op elkaar betrokken in converserende groepen.

Door de vermenselijking van de hemelse gestalten wilden de beleidsverantwoordelijken de individuele mens aanspre­ken; ze wilden hem aanzetten tot bewondering, genegenheid en medelijden. Daarom moesten beelden verheven en toch uitnodigend zijn, hun houding en gebaren hoofs en hun uitzicht schitterend door polychromie en verguldsel.

Chaotische, fantastische en visionaire voorstellingen werden geweerd. Fabeldieren en monsters werden verbannen naar de dakzone waar ze een het kwaad bezwerende rol vervulden. Het beeldhouwwerk moest gemakkelijk begrijp­baar zijn en overzichtelijk geordend om didaktisch werk­zaam te kunnen zijn. Bovendien moesten de motieven aan Gods schepping, de natuur ontleend worden. Aan de westgevel van de Parijse kathedraal is een hele flora aangebracht, God ter ere.

 

 

Gotische gebouwen in Parijs