De
wantsen (heteroptera) behoren, samen met de cicaden en bladluizen (homoptera),
tot de insectenorde van de halfvleugeligen (Hemiptera).
'Halfvleugeligen' verwijst naar de voorvleugels die vooraan verhard zijn (chitine
bevattend) en achteraan vliezig en doorzichtig. De vleugels worden in rust plat
over het achterlijf gevouwen en de vliezige gedeelten liggen achteraan over
elkaar.
De wantsen beschikken over monddelen die vergroeid zijn tot een lange buis (het
rostrum of snavel) waarmee ze plantensappen of bloed kunnen zuigen. In rust
wordt deze tussen de poten gelegd.
Een ander kenmerk is het bezit van stinkklieren, die een vocht afscheiden dat
meestal onaangenaam ruikt
(vandaar de Groene stinkwants).
Het halsschild (pronotum) is zeer groot, en het schildje (scutellum) is ook
erg opvallend en bedekt soms het gehele achterlijf zodat de wants vleugelloos
lijkt (zoals bij de pyamawants).
|
|
| figuur
: rostrum bij Picromerus bidens |
|
figuur : rostrum bij Acanthosoma haemorrhoidale |
![]() |
![]() |
De kop kan, naast de 2 facetogen ook nog puntogen of ocelli bevatten. Het al
of niet aanwezig zijn van ocelli kan een hulp zijn bij het zoeken naar de juiste
familie van het diertje.
figuur : ocelli bij de zuringrandwants

De structuur van de voorvleugel kan helpen bij het determineren van een wants. Alle gevleugelde exemplaren bezitten een clavusnaad die de vleugel opdeelt in een clavus en het corium. Dit corium kan verder onderverdeeld zijn door naden zodat er langs de voorrand een embolium ontstaat en langs de achterzijde een cuneus (goed ontwikkeld bij de familie van de Miridae)
figuur : voorvleugel met enkel clavusnaad
|
|