| GESCHIEDENIS > TACTISCHE EVOLUTIE | |||
Tactische evolutie
uit
de uitgave van Artis-Historia
Heroïsche tijd
In het begin kwamen de ploegen zonder de minste organisatie in het veld. De bal werd nooit met opzet van de ene naar de andere speler doorgegeven. Men trachtte gewoon de bal in het doel van de tegenstander te krijgen. De invoering van een doelverdediger, die weliswaar zijn handen niet mocht gebruiken, was de eerste innovatie. Voor hem stonden dan nog altijd tien aanvallers en al vlug kwam men tot de vaststelling dat die heel wat afstand hadden af te leggen om een doelpunt te maken. Het kwam er op aan de krachten beter te doseren.
Omstreeks 1863, toen de spelregels vastere vorm begonnen aan te nemen, pakten de Schotten uit met een nieuw systeem: zij stelden twee verdedigers op. Nog bleef een groot gedeelte van het veld onbezet en ze trokken opnieuw twee aanvallers naar achteren en vormden zo een verdedigend vierkant voor de doelwachter, die ondertussen al wel zijn handen mocht gebruiken. Dank zij dat systeem slaagde Schotland erin, op 30 september 1872, tegen Engeland 0-0 gelijk te spelen in de eerste internationale macht uit de voetbalgeschiedenis.
Een halve eeuw 2-3-5
Met het invoeren van het beroepsvoetbal in Groot-Brittannië won de veldbezetting aan belang. In 1880 stelde Nottingham Forest zijn elftal op volgens een schema dat daarna algemeen is gevolgd en gedurende een halve eeuw in zwang is gebleven. Dat systeem, dat de vorm van een piramide had, bestond uit: een doelwachter, twee verdedigers, drie middenspelers en vijf aanvallers. Mettertijd begon één speler een zeer belangrijke rol te spelen: de midhalf. Hij werd de spelverdeler en in zoverre belangrijk dat men er naar streefde zijn taak enigszins te verlichten door het terugtrekken van twee aanvallers, de binnenspelers.
Ontstaan van het WM-systeem
In 1925 veranderde de internationale Board de buitenspelregel. Voor die tijd moesten zich drie tegenspelers tussen een aanvaller en het doel bevinden wanneer de bal van achteren af naar hem werd toegespeeld. Dat aantal werd verminderd tot twee, de doelman inbegrepen. De aanvallers kregen ineens veel meer kansen.
Het WM-systeem was het passende antwoord op deze nieuwe regel. Men stelde meer verdedigers op dan er aanvallers van de tegenpartij waren. Eén van de drie middenveldspelers werd naar achteren getrokken, wat meteen het einde betekende van de midhalf, die van spelverdeler tot centrale verdediger werd omgevormd. De Engelsen gaven hem de naam van stopper.
Voor het eerst was er evenwicht tussen de verschillende linies van de ploeg. Voor de drie verdedigers stonden twee halfspelers en twee binnenspelers die het "magische vierkant" vormden.
Van Herbert Chapman, de manager van de Londense club Arsenal, wordt gezegd dat hij de uitvinder is van het WM-systeem. Allicht heeft dat te maken met de drie opeenvolgende titels (1933, 1934 en 1935) die zijn club heeft behaald. Het vaderschap van het WM komt eigenlijk de Schot Johnny Hunter van Motherwell toe. Hij was de eerste die een tegenzet vond voor de nieuwe buitenspelregel.
Het WM-systeem werd door de hele voetbalwereld overgenomen. Jack Butler, een gewezen midhalf van Arsenal, bracht het naar België toen hij in 1935 trainer van Daring Brussel werd.
Zwitserse grendel
Ondertussen maakte in Centraal-Europa een ander tactisch systeem opgeld: de Zwitserse grendel. Karl Rappan, een gewezen Oostenrijkse international die naar Zwitserland was uitgeweken, maakte dat systeem pasklaar, eerst bij Servette Genève en daarna bij Grasschoppers Zürich. Rappan, die had gemerkt dat het gevaar van het midden kwam, liet de midvoor niet door één, maar door twee man bewaken. De tweede man was een slingerverdediger of grendelaar. Deze verdediger kan de voorloper van de moderne libero worden genoemd. De tweede midhalf bleef op zijn plaats en, zoals in de klassieke opstelling, kreeg hij steun van een teruggetrokken binnenspeler. Zo bleven er nog vier aanvallers die min of meer vooruitgeschoven speelden.
De balvaardige Oostenrijkers uit de glansperiode van kort voor en een hele tijd na de Tweede Wereldoorlog pasten het systeem (de Weense grendel) van hun landgenoot lang toe. Pas tijdens de wereldbeker in Chili in 1962 had het definitief afgedaan.
Hongaarse 4-2-4
Ondertussen had de 4-2-4 in de voetbalwereld voor een ware schok gezorgd. De Brazilianen zouden dat spelsysteem wereldfaam bezorgen, maar het werd door de Hongaren gelanceerd. Tijdens de Olympische Spelen van 1952 trok trainer Gustav Sebes zijn midvoor (Hidegkuti) naar achter en schoof hij zijn twee binnenspelers (Kocsis en Puskas) naar voren. Op 25 november 1953 bood hij het Hongaarse elftal in die opstelling aan op de heilige grond van het Wembleystadion en bezorgde Engeland zijn eerste nederlaag op eigen veld tegen een ploeg van het vasteland (3-6).
Niet alleen de opdracht van de aanvaller hadden de Hongaren gewijzigd. Hun drie achterspelers werden in een zoneverdediging opgesteld en kregen de steun van de eerste verdedigende middenveld uit de voetbalgeschiedenis (Zakarias).
Braziliaanse 4-2-4
In 1958 veroverde Brazilië in Zweden zijn eerste wereldbeker met een eigen symmetrische 4-2-4 opstelling. Twee centrale verdedigers, Orlando en Bellini, speelden lichtjes teruggetrokken achter de twee vleugelverdedigers Djalma en Nilton Santos, en twee midvoors, Vava en Pele, opereerden lichtjes voor twee vleugelspelers. De 4-2-4-opstelling werd vooraf door uitzonderlijke Hongaarse en Braziliaanse spelers populair gemaakt. In België paste Anderlecht het systeem met succes toe, onder leiding van zijn trainer Pierre Sinibaldi, die zich trouwens opwierp als de promotor van de verdediging op één lijn, uitsluitend gebaseerd op buitenspel.
Catenaccio
De 4-2-4 lag niet binnen het bereik van elk elftal. Minder sterke ploegen gingen daarbij op de verdedigende toer. Helenio Herrera, de trainer van Inter Milaan, mag de geestelijke vader worden genoemd van een ultra-defensief systeem, waarin de libero vanaf de jaren '60 de sleutelfiguur werd en waarvan Picchi het model was. Deze vrije speler opereert achter de vier verdedigers die ieder afzonderlijk een tegenstander van de bal moeten trachten te houden. De roemruchte catenaccio leverde de Italiaanse clubs succes op. Ze wonnen verscheidene Europese bekers, maar ze haalden zich ook een weinig benijdenswaardige reputatie op de hals. Catenaccio was niet erg spectaculair.
Nederlands totaalvoetbal
Terwijl voorstanders van het 4-2-4-systeem en aanhangers van de catenaccio het tegen elkaar opnamen, won Engeland in 1966 de wereldbeker met een systeem dat weer nieuwe gezichtspunten opende. De Engelsen hadden geen vleugelspelers meer, wel oprukkende flankverdedigers, maar vooral konden ze op een buitengewone spelverdeler, Bobby Charlton, reken. Starre posities en vaste opstellingen waren uit den boze. De weg naar het latere Nederlandse totaalvoetbal, zonder uitgesproken specialisering, lag breed open.
Totaalvoetbal, zoals het door Nederlanders werd gespeeld, zorgde voor verwarring bij de tegenstander, die het systeem van mandekking niet meer kon toepassen. De vloeiende speelstijl, waarbij iedere speler zijn positie met die van een andere kon verwisselen, vergde van alle voetballers een goede fysieke conditie. Iedereen moest gedurende negentig minuten zowel kunnen aanvallen als verdedigen.
Onder leiding van Johan Cruijff speelde Ajax Amsterdam een onweerstaanbaar aantrekkelijk en beweeglijk voetbal dat de club wereldfaam bezorgde en in 1971, 1972 en in 1973 een Europese beker opleverde.
De Rode Duivels in Mexico
Het voetbal van de jaren '80 ligt helemaal in de lijn van die grote Nederlandse nieuwigheden. Het meest gevolgde schema is 4-4-2, dat soepel wordt toegepast volgens de waarde van de ploeg. Verdedigers kunnen al beter aanvallen en aanvallers hebben geleerd de bal te heroveren. De voetballer moet veelzijdig zijn. Toch blijven de voetbalstrategen waakzaam. De libero heeft zijn plaats achter de stopper behouden. De verdedigende middenvelder blijft een groot deel van het terrein bestrijken en een creatieve spelverdeler is een troef van onschatbare waarde.
Tijdens de Mundial in Mexico behaalde België een onverhoopt resultaat met vijf verdedigers die in V-vorm opereerden: drie middenvelders en twee aanvallers of vier middenvelders en één aanvaller. Tegenwoordig komen heel wat ploegen in een gelijkaardige opstelling in het veld, zij het soms met vernuftige aanpassingen. Conclusie: tactisch succes is alleen mogelijk door rationeel gebruik te maken van de beschikbare spelers met inachtneming van hun kwaliteiten en hun gebreken.
