Comprehensieve eerste graad secundair onderwijs, kwalitatief hoogstaande concentratiescholen en meertalig onderwijs

 

Drie nieuwe denksporen voor een gelijkekansenbeleid t.a.v. allochtonen in het Vlaamse onderwijs

 

 

 

 

 

 

Synthese van drie rondetafelgesprekken gehouden op 8, 23 en 30 november 2005, georganiseerd door de Stichting Gerrit Kreveld in het kader van het project ‘Onderwijs in de immigratiesamenleving’

Ingekorte versie

 

December 2005

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Stichting Gerrit Kreveld private stichting

Bezinnings- en Initiatiefcentrum voor een Sociale Democratie


 

 

Colofon

 

 

Redactie en coördinatie:

Sven Sierens, Stichting Gerrit Kreveld

 

Inleiding en gespreksleiding:

Kaat Delrue – Arteveldehogeschool

Patrick Loobuyck – Vakgroep Wijsbegeerte en moraalwetenschap, UGent

Koen Pelleriaux – sp.a

Sven Sierens – Stichting Gerrit Kreveld

Mieke Van Houtte – Vakgroep Sociologie, UGent

 

Deelnemers aan de drie rondetafelgesprekken: 

Lia Blaton – Steunpunt GOK, UGent (2)

Ina Buvens – Studiedienst spirit (3)

Lut Cocquyt – VVKSO (2 & 3)

Nicole Deryckere – LOP Antwerpen, Departement Onderwijs (1)

Ella Desmedt – HIVA, K.U.Leuven (1 & 2)

Dominiek Desmet – VVKSO (1)

Christine Dupont – LOP Antwerpen, Departement Onderwijs (2)

Hakima El Meziane – UA (student) (2)

Sven Gatz – Vlaams volksvertegenwoordiger VLD (3)

Marc Haesendonckx – Studiedienst sp.a (2)

Petra Heyse – OASeS, UA (2)

Rudi Janssens – Vakgroep Geschiedenis, VUB (3)

Dimokritos Kavadias – Vakgroep Politieke Wetenschappen, VUB & Instituut voor Onderwijs & Informatiewetenschappen, UA (1)

Fadime Köse – LOP Aalst / Dendermonde, Departement Onderwijs (1 & 2)

Johan Lamote – LOP, Departement Onderwijs (3)

Marc Laquière – FMV (gedetacheerde onderwijs) (2)

Katrien Persoons – Departement Onderwijs (2)

Inge Schoevaerts – Kinderrechtencommissariaat (2)

Katlijn Schroyens – Studiedienst sp.a (1)

Rajae Slaoui – Pedagogische Begeleidingsdienst Stad Gent (3)

Gil Thys – LOP Geraardsbergen / Oudenaarde / Ronse, Departement Onderwijs (1)

Luc Top – Foyer (3)

Piet Van Avermaet – Steunpunt GOK, UGent (3)

Peter Van der Mensbrugghe – Freinetschool De Klimpaal, Sint-Jans-Molenbeek (2)

Veerle Van de Velde – LOP Mechelen, Departement Onderwijs (1 & 2)

Fonny Van Oerle – Scholengemeenschap Regio Mechelen (2 & 3)

Lieve Verheyden – Steunpunt GOK, K.U.Leuven (2 & 3)

Jacqueline Verlinden – Minderhedenforum (2 & 3)

 

Deze publicatie, alsook de bijbehorende powerpoint-presentaties, kunnen gedownload worden van onze website: http://users.telenet.be/samenleving-en-politiek/


 

 

Inhoudstafel (ingekorte versie)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ten geleide                                                                                                                                       

 

Synthesen rondetafels                                                                                                           

 

Synthese rondetafel 1                                                                                                 

 

Synthese rondetafel 2                                                                                                

 

Synthese rondetafel 3                                                                                                

 

Aanbevelingen voor het beleid                                                                                              

 

            Een comprehensieve eerste graad in het secundair onderwijs                                     

            Concentratiescholen: versterking gericht op kwalitatief hoogstaand onderwijs             

            Meertalig onderwijs in Vlaanderen: een schaal voor integraal

taalvaardigheidsonderwijs                                                                                                     

 


Ten geleide

 

Ondanks de democratisering van het onderwijs, heeft het onderwijs als emancipatiemiddel nog steeds onvoldoende slagkracht. In Vlaanderen is het verband tussen sociaaleconomische status en de leerlingenprestatie hoger dan in de meeste OESO-landen.. In plaats van sociale mobiliteit op gang te brengen is het onderwijs nog steeds te veel een reproductiemiddel van sociale ongelijkheid. Dit besef dringt steeds duidelijker door bij academici en beleidsmakers, maar is dikwijls nog onvoldoende aanwezig bij de leerkrachten en de scholen. Ook de structuur van ons onderwijssysteem – waarbij de differentiëring in richtingen bijzonder vroeg gebeurt – blijkt meer bij te dragen aan de reproductie dan aan het doorbreken van sociale ongelijkheid.

 

Allochtonen nemen in het gelijkekansenverhaal inzake onderwijs een bijzondere plaats in. En wat geldt voor de Vlaamse leerlingen in het algemeen geldt a fortiori ook voor de allochtone leerling. Het onderwijs biedt nog steeds onvoldoende hefbomen opdat de sociaaleconomische en etnisch-culturele herkomst van deze groep leerlingen als determinerende factor aan invloed zou verliezen. Samengevat is er een probleem van toelating, achterstand, doorstroming en perspectief op werkgelegenheid. Die ongelijkheid in het onderwijs vraagt een veel krachtiger beleidsaanpak dan tot nu toe is gevoerd. In de beleidsnota van Vlaams onderwijsminister Frank Vandenbroucke Vandaag kampioen in wiskunde, morgen ook in gelijke kansen (2004) worden ingrijpende structurele maatregelen in het vooruitzicht gesteld.

 

Op 28 en 29 april 2005 organiseerde de Stichting Gerrit Kreveld in Gent het colloquium Onderwijs onderweg in de immigratiesamenleving. Dit resulteerde in een aantal toekomstgerichte beleidssuggesties. Sommige daarvan sluiten aan bij de plannen van de onderwijsminister, andere leggen vernieuwende accenten. In aansluiting op het colloquium werden in de loop van november 2005 drie rondetafelgesprekken georganiseerd. De discussies van deze rondetafels dienden uit te monden in concrete beleidsvoorstellen, wetenschappelijk gefundeerd en mede vanuit een sociaaldemocratisch denkkader gedacht. Aan de discussie werd deelgenomen door beleidsmakers, wetenschapsbeoefenaren en terreindeskundigen (zie lijst participanten hierboven).

 

Omdat de mechanismen die in ons onderwijssysteem aan het werk zijn hun effect hebben op alle leerlingen, is het niet noodzakelijk dat de maatregelen inzake het optimaliseren van gelijke kansen zich enkel toespitsen op de gelijke kansen van allochtonen. Maatregelen die gelijke kansen zouden bevorderen van alle leerlingen zijn het meest wenselijk. De comprehensivering van de eerste graad secundair onderwijs – het thema van het eerste rondetafelgesprek (8 november 2005) – is in dit opzicht een maatregel die beslist in overweging te nemen is.

Anderzijds kunnen we niet ontkennen dat voor de bevordering van de gelijke kansen van allochtonen ook (groeps)specifieke maatregelen een belangrijke – maar in principe tijdelijke – rol kunnen spelen. Het ondersteunen en financieren van concentratiescholen en meertalig onderwijs passen onzes inziens goed in dit plaatje. Zij vormden de gespreksonderwerpen van de twee andere rondetafels, die plaatsvonden op respectievelijk 23 en 30 november 2005.

 

Voor u ligt de neerslag van de drie rondetafels aangaande de thema’s comprehensivering, concentratiescholen en meertalig onderwijs. Meer bepaald gaat het hier om de ingekorte versie, zonder de powerpoint-presentaties die telkens als inleiding dienden. Het verslag bevat ten eerste een synthese van de gevoerde gesprekken. Het betreft hier geen woordelijk verslag en er werd ook niet gestreefd naar volledigheid. De bijbehorende powerpoint-presentaties zijn beschikbaar via onze website: http://users.telenet.be/samenleving-en-politiek/.

Ten tweede omvat onderhavige bundel een reeks beleidsaanbevelingen. Daarin worden de voornaamste gedachten en bevindingen van de rondetafels kernachtig op een rijtje gezet.

 

Met dit verslag hoopt de Stichting Gerrit Kreveld haar missie te hebben vervuld: gebaseerd op ervaringen en gedachtewisseling van deskundigen aanbevelingen verstrekken die de betrokken beleidsmakers kunnen helpen bij het uitzetten van bakens voor een toekomstig beleid dat meer gelijke kansen voor allochtonen in het onderwijs mogelijk maakt.

 

De Stichting dankt de participanten aan de rondetafelgesprekken en de begeleidingsgroep voor hun inzet en hun tijd. Speciale dank gaat uit naar het Vlaams Minderhedencentrum voor het ter beschikking stellen van de zaal en de drankvoorziening.

 

Stichting Gerrit Kreveld

December 2005

 


 

 

   

 

Synthesen rondetafels

 

 

 

 


Rondetafel 1 – Naar een comprehensieve eerste graad in het secundair onderwijs: meer gelijkheid door uitgestelde differentiatie

 

Synthese van het gesprek gehouden in het Aromagebouw te Brussel, 8 november 2005

 

Een brede basisvorming in de eerste graad van het secundair onderwijs die een evenwicht beoogt tussen algemene, technische en praktische vaardigheden is in principe gerechtvaardigd. De huidige starre vakkenstructuur moet hoe dan ook doorbroken worden. Ofschoon vergelijking tussen onderwijssystemen van verschillende landen nogal tricky is en de complexiteit van individuele systemen daarin wel eens verloren gaat, valt de tendens die uit onder meer het PISA 2000-onderzoek naar voren komt – latere selectie wijst op meer kwaliteit en meer sociale gelijkheid – niet zomaar weg te cijferen.

 

Comprehensivering zal in de eerste plaats een vruchtbare voedingsbodem vinden in scholen die al serieus werk maken van leerlinggericht, zorgbreed onderwijs. Dit type van scholen vormt weliswaar een minderheid, maar kan in de comprehensivering van het secundair onderwijs een voortrekkersrol spelen. Ook bestaande autonome middenscholen bieden dankzij hun kleinschaligheid gunstige mogelijkheden voor de invoering van een uniforme basisvorming.

 

Toch moet bij de overweging van een werkelijk oriënterende eerste graad een aantal vragen vooraf uitgeklaard worden. Een eerste vraag betreft het primaire streefdoel van comprehensivering. Streven we met een comprehensieve eerste graad vooral naar uitgestelde studiekeuze in de hoop deze daarmee minder sociaal bepaald te maken? Of is het doel veeleer het bereiken van een sociale mix in het leerlingenpubliek van secundaire scholen, wat moet uitmonden in minder (zelf)categorisering van leerlingen en minder scheiding in politieke en culturele voorkeuren (ASO versus TSO/BSO)?

Een tweede vraag is in hoeverre een comprehensieve eerste graad een geschikte hefboom vormt voor de realisatie van uitgestelde studiekeuze. Zijn er alternatieven mogelijk? Een eerste alternatief is het verlengde basisonderwijs, waarbij de vierde graad in de basisschool de overgang van leerlingen naar het secundair niveau voorbereidt. Alternatieve wegen kunnen daarnaast gezocht worden binnen de bestaande structuur. Hierbij blijft de huidige differentiatie in de eerste graad behouden, maar de sociale selectie wordt via andere vernieuwende werkwijzen aangepakt: positieve studiekeuzebegeleiding, extra ondersteuning van zwakke leerlingen (interne differentiatie, flexibele klasorganisatie), meer technologie in het basisonderwijs, bredere lerarenopleiding, versterking van het beleidsvoerend vermogen van scholen en dergelijke.

Een derde, hierop aansluitende vraag heeft betrekking op de keuze van implementatiestrategie. Een radicale structurele hervorming via het dwingend opleggen aan scholen van een comprehensieve structuur geeft vast en zeker een krachtig signaal aan de onderwijswereld. Zij loopt wel het risico in de scholen te botsen op sterke weerstanden tegen top-downmaatregelen, wat averechtse effecten kan sorteren. Bovendien is het een dure maatregel vanwege haar gevolgen voor de infrastructuur van scholen. Hiertegenover staat de optie van een olievlekstrategie, die een geleidelijke bottom-upverandering binnen de bestaande structuren als doel heeft (zie hierboven). Nadeel hiervan is dat de schoolautonomie veel ontwijking en inertie mogelijk maakt. Een middenweg tussen de twee voorgaande strategieën bestaat – naar het actuele voorbeeld van de invoering van de scholengemeenschappen – in een stapsgewijze structurele hervorming op lange termijn.

Dit alles vergt het zoeken van een politiek draagvlak voor de omvorming – al dan niet geleidelijk – van de eenheidsstructuur (1991). Deze is een compromisregeling die werd bereikt na de afschaffing van het Vernieuwd Secundair Onderwijs (VSO). In deze structuur is de eerste graad een formeel comprehensieve structuur, maar zij geeft scholen praktisch veel speelruimte voor externe differentiatie via de samenstelling van verengende keuzepakketten en opties. Op die wijze kan de klassieke gedifferentieerde structuur ook in de onderbouw van het secundair onderwijs gehandhaafd worden. De 3x2-structuur (observatie-, oriëntatie-, determinatiegraad) heeft duidelijk zijn oorspronkelijke democratiserende doelstelling gemist. De realiteit is dat de eerste graad niet gebruikt wordt waarvoor hij is bedoeld: de oriëntatie wordt niet uitgesteld, maar vindt al vroeg plaats (zoals in het oude systeem).

 

Hoe het ook zij, men dient bij de invoering van een comprehensieve structuur terdege rekening te houden met institutionele belemmeringen en hardnekkige denkwijzen in het gangbare Vlaamse onderwijssysteem. Het succes van een comprehensief onderwijsmodel zal daarom staan of vallen met de invulling van belangrijke randvoorwaarden. Sowieso betekent een uitgestelde studiekeuze – of men nu een comprehensieve eerste graad dan wel iets anders als hefboom gebruikt – altijd de noodzaak van een herdenking van het hele onderwijssysteem en het onderliggende hiërarchische schema.

 

 

1. Differentiatie binnen een comprehensieve structuur

 

Comprehensivering en interne differentiatie (heterogenisering) hangen niet inherent samen. Een comprehensief systeem kan immers gepaard gaan met interne selectie in het nadeel van sociaalzwakke leerlingen (zie de VS bijvoorbeeld). Een comprehensieve structuur belet voorts niet dat scholen en leraren toch kunnen opteren voor externe differentiatie, voor samenstelling van homogene in plaats van heterogene klasgroepen enzovoort.

 

Een comprehensieve onderwijsbenadering vereist ongetwijfeld de toepassing van deugdelijke vormen van interne differentiatie en nieuwe leerstrategieën. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het vraagt goed opgeleide leraren die vaardig zijn in de toepassing van differentiatie in heterogene klassen, samenwerking tussen (vak)leraren, vakdoorbrekend werken, een oriënterende visie in het schoolbeleid… De huidige schoolstructuren zijn star en bieden daartoe weinig ruimte. Kan een comprehensieve structuur zonder meer deze starre structuur wel voldoende doorbreken?

 

 

2. Een positieve, bewustere studiekeuze vraagt egalitaristisch denken

 

In Finland bijvoorbeeld heerst een meer egalitaristische visie op onderwijs, die gedragen wordt door de ouders, de leerkrachten en de overheid. De ontvankelijkheid voor een comprehensieve structuur is er groter, heeft een breed draagvlak in de samenleving. In Vlaanderen daarentegen is een meritocratische visie gemeengoed: hiërarchisch denken en ongelijke behandeling zijn in het denken en handelen van alle onderwijsactoren, ouders niet in de laatste plaats, stevig ingeslepen. Scholen hebben de neiging zich daarop te profileren, wat in het (verborgen) curriculum tot uiting komt.

De studiekeuze wordt ingegeven door maatschappelijke voorkeuren die sterk leven bij leraren, ouders en jongeren: ASO is beter dan BSO, Latijn of wiskunde is beter dan technische vakken, geestesarbeid staat hoger dan handenarbeid, het beroep van ingenieur heeft meer prestige dan dat van loodgieter... Praktische beroepen worden in zo’n statushiërarchie niet zeer gewaardeerd. Zelfs als je in de eerste graad de studiekeuze uitstelt, wordt aan het eind van het basisonderwijs al gedacht in functie van de latere keuze: ‘mijn kind moet en zal Latijn-wiskunde studeren’. Een comprehensieve eerste graad voorkomt wellicht ook niet dat differentiatie en sociale selectie zich alsnog doorzetten in de tweede en derde graad van het secundair onderwijs. Mensen kiezen nu eenmaal voor een bepaalde (prestige)richting, om het even wat de naam is.

 

Tevens gelooft men in Vlaanderen algemeen in een hechte band tussen onderwijs en beroep. Die band is vaak veel losser dan men denkt: niet iedereen oefent het beroep uit waarvoor hij/zij is opgeleid. Je kunt onmogelijk alle op de arbeidsmarkt gevraagde beroepsvaardigheden in het curriculum van het leerplichtonderwijs opnemen; stages en deeltijds onderwijs kunnen wel een goede tussenschakel vormen (of meer opleiding op de werkvloer? Leerplicht verlagen naar 16 jaar?).

 

Hoe kun je het overheersende hiërarchisch denken doorbreken? Kun je met positieve studiekeuzebegeleiding de mentaliteit van leerlingen en ouders anderszins beïnvloeden? Dat wil zeggen: meer investeren in scouting (interesses en sterkten van leerlingen ontdekken), coaching, counseling van leerlingen, een beter geïntegreerd begeleidingsmodel (school – CLB – ouders – leerling), trajecten voorzien voor opstroom (van TSO naar ASO), een meer positieve aanpak van evaluatie (quotering, attestering en clausulering).

 

 

3. Ontwikkeling van multipele vaardigheden

 

In de invulling van lessentabellen en keuzepakketten krijgen Vlaamse scholen veel vrijheid. In het licht van de schoolautonomie kan daar moeilijk aan getornd worden. BSO-leerlingen krijgen echter vaker dan goed is een verarmd curriculum voorgeschoteld. De redenering is dat ze een vak als geschiedenis of algemene kennis in hun later beroep en leven toch niet nodig hebben, dat het hen niet interesseert, dat ze concrete dingen willen leren…

 

De afstroom van allochtone leerlingen naar ‘lagere’ studierichtingen wordt trouwens dikwijls verantwoord vanuit in het voortraject opgelopen leerachterstanden: de gebrekkige taalvaardigheid, onvoldoende beheersing van basisvaardigheden (‘ze kunnen niet eens tellen’), ontoereikende algemene kennis. Oplossingen op dit gebied kunnen liggen in de invoering van taaltoetsen bij scharnierpunten en het opnieuw stimuleren van de – enigszins stilgevallen – actie rond Nederlands als instructietaal (NIT).

 

Het vakaanbod is in het BSO dikwijls ouderwets en niet afgestemd op de interesses van jongeren. Men kan zich vragen stellen bij de wijze waarop ‘talenten’ in praktijkvakken zogenaamd worden ontwikkeld. ASO-richtingen zijn dan weer als vanzelfsprekend eenzijdig cognitief opgevat.

Naar het voorbeeld van methodescholen zouden secundaire scholen meer aandacht moeten hebben voor een brede waaier van vaardigheden en talenten. Al is het de vraag of je praktische vaardigheden (bijvoorbeeld knutselen) in de evaluatie even zwaar kunt laten doorwegen als cognitieve (bijvoorbeeld wiskunde). In het secundair onderwijs zou meer vakdoorbrekend kunnen gewerkt worden: meer samenhang brengen tussen vakken in brede, transversale leergebieden (zoals in het basisonderwijs). Waarom zou wiskunde niet kunnen samengaan met technische vakken?

 

De vrees leeft bij vakleraren dat hun vak slechts minimaal aan bod zal komen, ja zelfs zal verdwijnen in een uniforme basisvorming. Algemene vakken, zoals Latijn of wiskunde, zullen plaats moeten ruimen voor technische en praktische vakken – of vice versa. Zulke argumenten werden al aangevoerd bij de omvorming van het basisonderwijs van een vakkenstructuur naar een meer comprehensief model (brede leergebieden, vakdoorbrekend werken en dergelijke).

 

 

4. Taakinvulling leraren

 

Leraren in Vlaamse secundaire scholen geven hun lessen op school, het andere werk (lesvoorbereidingen, verbeteringen…) doen ze meestal thuis. In het Britse onderwijs blijven leraren langer op school om andere taken dan lesgeven te beoefenen. De schoolinfrastructuur is daar ook op afgestemd.

 

Vlaamse leraren vullen hun pedagogisch-didactische opdracht nogal smal in. Een comprehensief en flexibel onderwijsmodel vereist extra aanwezigheid en betrokkenheid (en competenties?). Die is er vaak alleen maar bij een ‘dragende kern’ van leraren. Er schuilen wel positieve mogelijkheden in het ontwerp van decreet lerarenopleiding, dat voorziet in een ruimere invulling van de ‘schoolopdracht’.

 

 

5. Autonome middenscholen

 

Autonome middenscholen hebben door hun kleinschaligheid in principe meer mogelijkheden om comprehensief en flexibel te werken en/of een sociale mix te bewerkstelligen. Een veralgemening van het model van autonome middenscholen is echter nog geen garantie voor daadwerkelijk comprehensief onderwijs, uitstel van studiekeuze en een sociaal gemengd publiek. Hoeveel autonome middenscholen werken echt comprehensief? Ook op dit niveau blijft meestal een dynamiek spelen van concurrentie, profilering en schoolreputatie.

Het doorbreken van de ruimtelijke scheiding tussen scholen (gebouwen, speelplaats) zou in dit verband een alternatief kunnen zijn om een grotere sociale menging teweeg te brengen.

 

 
Rondetafel 2 – Kwaliteitsvol onderwijs in concentratiescholen: the second best solution?

 

Synthese van het gesprek gehouden in het Aromagebouw te Brussel, 23 november 2005

 

Spreidingsbeleid en ondersteuning van concentratiescholen hoeven niet noodzakelijk elkaars tegengestelde te zijn. Louter investeren in concentratiescholen lost zeker niet alle problemen op. Tegelijk zou het ook fout zou zijn enkel de nadruk te leggen op spreiden van leerlingen of het gevarieerder maken van scholen – al was het maar om het negatieve van dat verhaal of vanwege de suggestie dat spreiding onderwijskundige problemen grotendeels oplost. Veeleer moet bij dit alles een tijdsaspect gehanteerd worden.

 

Op lange termijn is diversiteit in scholen (en dus spreiding) een noodzaak vanuit het ruimere perspectief van maatschappelijke integratie. Om die reden bovenal zou het stopzetten van het huidige GOK-desegregatiebeleid onverantwoord zijn. Dat kinderen – zwart en wit, rijk en arm, gehandicapt en gezond – samen naar scholen gaan, is een belangrijk streven van democratisch onderwijs. Hierbij wordt er in de marge op gedrukt dat sociale integratie niet louter een taak van scholen mag en kan zijn. De ruimere lokale context moet hier zeker worden meegenomen. Bovendien moet spreiding staan voor het beïnvloeden van leerlingstromen (‘witte’ en ‘zwarte’) en mag het niet neerkomen op het viseren van allochtone leerlingen.

 

Op korte termijn kan men echter niet buiten het bestaan van concentratiescholen in Vlaamse stadswijken. Zij vormen een – spijtige – uiting van een samenleving waarin sociale en etnische groepen gescheiden wonen, werken, hun vrije tijd doorbrengen en dergelijke. Doordat kansarme bevolkingsgroepen in achterstandswijken minder keuzevrijheid hebben, kunnen zij via beleid directer gedwongen worden om te gaan mengen in de buurt of de school. Kansrijke groepen hebben meer pressiemiddelen om daaraan te ontkomen en hun buurten of scholen te behoeden voor ‘ongewenst’ volk (bijvoorbeeld door te verhuizen of invloed uit te oefenen in het schoolbestuur).

De komst van nieuwe immigranten naar de steden brengt ook nieuwe instroom met zich in scholen met al veel migrantenleerlingen. Hun publiek wordt etnisch diverser, maar de vrees voor ‘verzwarting’ zet de schoolteams onder druk. Het desegregatiebeleid zorgt hier en daar al voor een positieve evolutie (meer gemengde scholen) en kan op die manier de druk wat verlichten. Echter, zwarte (en witte) scholen blijven de komende jaren een maatschappelijk feit – hoe onwenselijk men dat ook vindt.

 

De meest pragmatische oplossing op korte termijn lijkt daarom investeren in (zwarte) concentratiescholen te zijn. Kinderen die er schoollopen, hebben recht op optimaal onderwijs. Het ‘negatieve’ imago dat zwarte scholen demoniseert, moet met een gericht beleid van zich afgeschud kunnen worden. Nu wordt bij ouders – allochtone en autochtone – voortdurend de gedachte bestendigd dat hun kinderen altijd beter af zijn bij een witte school of een school met zo weinig mogelijk migranten. Deze extra ondersteuning van concentratiescholen kan bovendien gunstige gevolgen hebben op het vlak van leerlingenstromen tussen scholen. Immers, concentratiescholen die kwaliteit leveren, kunnen op termijn aantrekking uitoefenen op ‘witte’ leerlingen. Het keren van de ‘witte vlucht’ naar scholen in de stadsrand is zeker geen onoverkomelijke moeilijkheid. Kansrijke ouders ondervinden dat hun grotere mobiliteit naast baten ook kosten heeft. In dit licht zijn ook voor hun kinderen buurtscholen beslist een aanlokkelijke optie. Verkleuring van een school schrikt weliswaar af, maar de kwaliteit van het pedagogisch project kan niettemin veel goedmaken. Voor het laatste tonen immers alle ouders zich gevoelig bij hun schoolkeuze. Tot slot zorgt kwaliteitsverhoging van het onderwijs in concentratiescholen op termijn ook voor een betere doorstroom in het secundair onderwijs, wat in secundaire scholen als vanzelf een desegregerend effect heeft.

 

De ondersteuning van concentratiescholen moet in eerste instantie vertaald worden in het scheppen van meer pedagogisch comfort (financieel, extra personeel): de kwaliteit van een school staat of valt namelijk met de inzet van het leerkrachtenteam. Aan een versterking van hun draagvlak valt niet te ontkomen. Een groot deel van de concentratiescholen kampt vandaag met een gedemotiveerd, ontmoedigd leerkrachtenkorps. Leerkrachten zitten er pedagogisch-didactisch vast, hebben het gevoel alles vergeefs te hebben uitgeprobeerd. Daarmee is niet gezegd dat ze niet open zouden staan voor nieuwe initiatieven. In extreme gevallen laat men zwarte scholen zo ver afglijden (door demotivatie, leerlingenverlies, financiële problemen…) dat de inrichtende macht tot sluiting van de school overgaat.

 

Daarnaast is er nood aan allochtone leerkrachten die zowel voor de allochtone als de autochtone leerlingen kunnen fungeren als rolmodellen. Wel dient erop gelet dat taken op het vlak van integratie en diversiteit niet al te gemakkelijk naar allochtone leerkrachten worden doorgeschoven.

 

Wanneer van de leerkrachten extra inspanningen gevraagd worden, is een aanpassing van de regelgeving aangaande het inzetten van personeel gewenst. Formalistische regels zetten dikwijls meer kwaad bloed dan het feit dat men als leerkracht meer moet doen dan lesgeven en leerlingen begeleiden. Nu blijkt een meer flexibele inzet van leerkrachten vaak onmogelijk. Sowieso moet er nagedacht worden over de opdracht van de leerkracht. Nu gebeurt dit veel te vrijblijvend en is het afhankelijk van directie en een specifiek team. Wellicht is er nood aan een meer structurele aanpak, die bijvoorbeeld een duidelijk omschreven, maar ook soepele taakverdeling omvat.

Een ander cruciaal aandachtspunt op het gebied van personeelsbeleid zou de kwaliteit van het leerkrachtenteam moeten zijn. De vraag is hoe men de beste leerkrachten naar concentratiescholen kan halen en ze daar ook houden.

 

De ondersteuning van concentratiescholen moet geïntegreerd aangepakt worden en kaderen binnen een lokaal beleid. Dat geldt in feite voor het gehele desegregatiebeleid. Hoewel dit via het GOK-decreet centraal wordt aangestuurd, moet de implementatie telkens op de lokale context worden afgestemd. Diversiteit in de schoolomgeving of ruimer de stad vormt het uitgangspunt. De indruk mag hierbij niet gewekt worden dat scholen het enige kanaal vormen om langs elkaar heen levende bevolkingsgroepen dichter bij elkaar te brengen. Integratie is een belangrijke doelstelling van sociaal en cultureel beleid die niet zomaar op het onderwijs kan afgewenteld worden omdat de schoolgaande jeugd – dankzij de leerplicht – nu eenmaal zo bereikbaar is.

Netwerken tussen bijvoorbeeld scholen onderling en met andere partners (onder anderen welzijn) zijn in het ondersteuningsbeleid van concentratiescholen een noodzakelijk hulpmiddel. Nu al zijn er voorbeelden van samenwerkingsverbanden tussen scholen, waarbij leerkrachten en directies van elkaar kunnen leren (bijvoorbeeld het systeem van adoptiescholen, uitwisseling van leerkrachten, vergelijking van schoolreglementen). Samenwerking tussen basis- en secundaire scholen is cruciaal, net zoals samenwerking tussen secundair en hoger onderwijs. Hierbij zou ook zoveel mogelijk netoverschrijdend gewerkt moeten kunnen worden.

De lokale overlegplatforms (LOP’s) kunnen optreden als initiator van deze netwerkontwikkeling. Dat sluit goed aan bij wat LOP’s nu al daadwerkelijk op het terrein doen. Uiteraard moeten de ouders in deze netwerken betrokken worden. Dit kan via de scholen zelf en/of via het verenigingsleven. Informele participatie van ouders lijkt een voorwaarde voor meer formele vormen van ouderparticipatie. Zowel het taalverschil als het lagere sociale en culturele kapitaal van laaggeschoolde allochtonen bemoeilijken de communicatie tussen school en ouders niet weinig. De behoefte aan informatie en advies bij ouders is bijzonder groot, bijvoorbeeld over de rechten van leerlingen en ouders als het gaat om school- en studiekeuze of formele participatie. Oudergroepen en studentenverenigingen van allochtonen kunnen daarin een emanciperende en overbruggende rol spelen. Een extra financiële input zou dit lastige basiswerk meer kunnen professionaliseren, zodat vrijwilligersinitiatieven wegens overvraging niet vroegtijdig stilvallen.

 

Ten slotte is een coördinatie van de verschillende initiatieven vereist. Welke partner de regiefunctie op zich neemt, hangt af van lokale omstandigheden, bijvoorbeeld de mogelijkheid om  aan te sluiten op al bestaande netwerken en projecten in aanpalende domeinen.

De vraag is welke rol de pedagogische begeleiding hier eventueel bij kan spelen. Pedagogische begeleiders werken meestal vraaggestuurd en bouwen relaties op met individuele scholen. De begeleiding moet in elk geval ook buiten de school kunnen werken en deel uitmaken van het ruimere netwerk.

In hoeverre ‘de brede school’ als hefboom kan dienen voor een gericht beleid naar concentratiescholen is vooralsnog onduidelijk. Het concept kent immers uiteenlopende invullingen en uitwerkingen. Welke richting het zal uitgaan, is een kwestie die beleidsmatig nog niet uitgeklaard is. De vrees dat dit voor de zoveelste keer zal uitdraaien op extra taken zit er vooral bij leerkrachten in concentratiescholen diep in.

De coördinatie zal aan doelmatigheid winnen indien zij ingebed kan worden in een sectoroverschrijdend beleid op het gemeentelijk of stedelijk beleidsniveau.

 


Rondetafel 3 – Meertalig onderwijs in Vlaanderen. Meer dan een uitdaging

 

Synthese van het gesprek gehouden in het Aromagebouw te Brussel, 30 november 2005

 

Het voorgestelde continuümmodel voor een integraal taalvaardigheidsbeleid op school kan op ruime goedkeuring rekenen bij de deelnemers aan het rondetafelgesprek. Het aantrekkelijke van het model is eerst en vooral zijn flexibiliteit: Alle Vlaamse scholen kunnen er aanknopingspunten in vinden voor een haalbaar taalbeleid dat uitgaat van hun specifieke context en leerlingenpubliek.

 

Het model bezit daarnaast ook het voordeel van een zekere relativiteit. Op die manier kan een vaak verlammende ideologische discussie over de meertalige en multiculturele samenleving enigszins ontweken worden (zie hieronder). De taalwetgeving bijvoorbeeld zal bij de toepassing van dergelijk beleid niet op alle punten een even grote hinderpaal zijn.

 

 

1.      Meertalig onderwijs en meertalig schoolbeleid: een dubbel continuüm

 

Het continuüm kan verder opgesplitst, verfijnd worden in twee deelcontinua (zie figuren 1 en 2).

 

 

Figuur 1 – Continuüm A: Eentalig – meertalig onderwijs

 

Taalvaardigheid in één

taal = Nederlands

 

Taalvaardigheid in

verschillende talen

 
 

 


                                                                                                                                                        

 

 

 

 

Op deze schaal is talenkennis als zodanig het primaire onderwijsdoel. Meertalig onderwijs dat gestoeld is op beginselen van communicatief onderwijs is in dit opzicht een geschikter methode om vaardig te worden in twee of meer talen in vergelijking met het traditionele vreemdetalenonderwijs. Een eentalig onderwijsmodel sluit het leren van vreemde talen niet uit, maar beperkt dit min of meer tot aparte taalvakken in het lesprogramma.

 

In Europa zijn er voorbeelden bekend van onderwijssystemen of (grens)regio’s waar meertalig onderwijs op vrij grote schaal wordt toegepast: Luxemburg, Noord-Italië, de Europese scholen in en rond Brussel enzovoort. Daarnaast wordt ook geëxperimenteerd met ‘onderdompeling’, zoals dat momenteel in de Franstalige Gemeenschap van België in een aantal scholen gebeurt. Hierbij krijgen de leerlingen zaakvakken deels in het Nederlands.

Het betreft echter in alle aangehaalde voorbeelden steeds talen van autochtone minderheden of Europese (buur)landen. Hun prestige of gebruikswaarde staat eigenlijk niet ter discussie. Uitbreiding van dit ‘basismodel’ van meertalig onderwijs naar allochtone minderheidstalen met een lage status kan in principe, maar is tamelijk ingrijpend en niet in alle contexten even realistisch. Het Australische LOTE-model[1] gaat in die richting, maar vertoont grote variatie in kwaliteit en is bovendien zeer duur. Het bicultureel meertalig onderwijsmodel van Foyer dat wordt toegepast in zes Brusselse Nederlandstalige scholen is een schoolvoorbeeld van niet-elitair meertalig onderwijs, maar heeft in het Vlaamse onderwijs buiten Brussel geen voet aan de grond gekregen.

De door de Europese Commissie gevoerde politiek biedt weinig uitzicht op een verruiming van meertalig onderwijs. Het basisprincipe dat elke EU-burger naast kennis van de moedertaal ook competent moet zijn in twee andere talen heeft uitsluitend betrekking op de 25 officiële talen van de EU. Er is in geen geval sprake van niet-Europese allochtone talen. Op dit vlak heeft Europa dus een enorme kans gemist in de politieke erkenning van de multiculturele en meertalige realiteit van haar lidstaten.

 

 

Figuur 2 – Continuüm B: Eentaligheid – meertaligheid

 

 

 

Eentalig schoolbeleid

 

 

Meertalig schoolbeleid

 
 

 


                                                                                                                                                        

 

 

 

 

Een meertalig schoolbeleid mikt vooral op maatschappelijke statusverhoging van allochtone leerlingen en ziet in waardering van meertaligheid ook een middel tot effectief onderwijs.

 

De twee deelcontinua kunnen in een kruisverband geplaatst worden. Zo kan een meertalig schoolbeleid samengaan met eentalig onderwijs Nederlands. Het laatste zal echter geen dwingend karakter aannemen en zal veel meer oog hebben voor het veeltalig kapitaal van zogenaamde achterstands- of probleemleerlingen. Een basale vorm van bewustwording van meertaligheid zou op termijn in alle Vlaamse scholen aan de orde van de dag moeten zijn (zie verder).

 

In theorie kan meertalig onderwijs ook samengaan met een eentalig schoolbeleid, al ligt dat minder voor de hand. Modellen van onderwijs in eigen taal en cultuur (OETC) die het leren van de moedertaal op school overwegend in functie zien van de tweedetaalverwerving (T2-via-T1) neigen hiertoe; in wezen geven ze blijk van verkapt eentalig, assimilatiegericht denken. Anderzijds zijn de meeste OETC-modellen nogal hybride aangezien ze ook het leren van de moedertaal op zich (taalbehoud) als een belangrijk leerdoel aanzien, naast het gebruik ervan als onderwijskundig hulpmiddel.

 

 

2.      Omgaan met meertaligheid: een streefdoel voor alle scholen

 

Een schoolbeleid dat bewustzijn van meertaligheid bij leerlingen en leraren wil teweegbrengen (zie deelcontinuüm B) lijkt in ieder geval een minimumdoelstelling voor alle Vlaamse scholen te zijn. Een school die een meertalig beleid voert,  hoeft daarom niet noodzakelijk tot de organisatie van – veeleisend en duur – meertalig onderwijs over te gaan.

 

Het voornemen om de taalvaardigheid in het Nederlands bij tweedetaalleerders, allochtonen en autochtone dialectsprekers, te verhogen kan zonder bezwaar gecombineerd worden met een brede aanpak van taalonderwijs die ruimte schept voor de talige diversiteit van de schoolbevolking. Om redenen van maatschappelijke functionaliteit staat de vaardigheid in het Nederlands vrijwel altijd voorop. We moeten er echter mee ophouden allochtone talen (exclusief) in functie te zien van het leren van Nederlands. Desalniettemin kan positief omgaan met meertaligheid op school ook bijdragen aan effectief onderwijs. Erkenning van de eigen talen verhoogt de motivatie van leerlingen en schept een stimulerend school- en klasklimaat voor minderheden, wat een aantoonbare indicator is voor effectief onderwijs (zie  LOSO-onderzoeken van Jan Van Damme en medewerkers).[2]

 

Concreet betekent een meertalig schoolbeleid oog hebben voor het meertalig kapitaal van leerlingen uit achtergestelde (allochtone) groepen. Uit onderzoek in Vlaanderen van Jürgen Jaspers (proefschrift UA) en Jan Blommaert (UGent) kan men opmaken dat zogenaamde achterstandsleerlingen een groot talenpotentieel hebben en soepel kunnen omspringen in de klas en het alledaagse leven met verschillende ‘communication modes’ en taalvariëteiten. Dit veeltalig kapitaal kunnen leraren benutten door leerders de mogelijkheid te geven functioneel gebruik te maken van de eigen talen en codes in lessituaties, bijvoorbeeld wanneer leerlingen samen een wiskundetaak maken en elkaar iets moeten uitleggen.

Tevens is het belangrijk dat de school positieve signalen uitzendt in verband met de thuistalen van kinderen of jongeren: ‘mijn taal doet ertoe’, ‘mijn taal heeft een waarde’.  Menige school brandmerkt eigen talen van leerlingen juist met allerlei dwingende schoolregels. Voorbeelden hiervan zijn: een bord aan de schoolpoort met de boodschap ‘Vanaf hier spreekt men alleen Nederlands’, surveillance houden op de speelplaats op het spreken van andere talen dan het Nederlands, berispingen of zelfs straffen uitdelen voor wie in de klas zijn moedertaal gebruikt of niet ‘deftig’ spreekt… Dikwijls gebeurt zoiets met goede bedoelingen, maar de kwetsende impact daarvan op kinderen wordt niet of onvoldoende onderkend.

Er zijn daarnaast meer gestructureerde werkwijzen en handvatten voorhanden om op school te werken aan taalsensibilisering gericht op statusverhoging van minderheidstalen (zie hieronder voor enkele voorbeelden).

In dit verband moet ook gewerkt worden aan de bewustwording bij leerkrachten van hun monolinguale habitus en de gevolgen daarvan voor hun dagelijkse praktijk. Percepties en handelingen van leerkrachten zijn onbewust gekleurd door allerlei benepen voorstellingen van wat goed taalonderwijs moet zijn. De leraar verbetert bijvoorbeeld het woord ‘penalty’ en leert in de plaats het correcte ‘strafschop’ aan, terwijl in alledaagse situaties zowat alle leerlingen – en meestal ook de leraar in kwestie zelf – ‘penalty’ gebruiken. Wie roept er nu ‘strafschop’ op de Vlaamse voetbalterreinen? Daarnaast heerst onder niet weinig leraren de reflex om het leren van de eerste en tweede taal op school als een conflict of tegenstelling te zien.

 

 

 

 

3.      Implementatiestrategie

 

De invoering van een meertalig onderwijsbeleid dat het onderhavige continuüm als uitgangspunt neemt, vereist in de eerste plaats enige centrale regie. Dit betekent ook een uitgesproken politieke erkenning van het continuümprincipe alsook beleidsmatige propagering en programmering. Daarbij dient men er wel op te letten dat het beleidsmodel niet gebetonneerd raakt in het veld. Zo niet dreigt de invoering binnen een tijdspanne van vijf of tien jaar uit te monden in een versterkte tweedeling in het scholenveld tussen witte eentalig-Nederlandstalige scholen en multiculturele, veeltalige scholen.

 

Beleidsmatige sturing vergt daarnaast een concrete uitwerking van de verschillende modellen die op het continuüm tussen taalsensibilisering en sterk gestructureerd meertalig onderwijs allemaal mogelijk kunnen zijn. De onderstaande punten dienen daarom minstens verder uitgeklaard te worden.

 

Ø      Situering en beschrijving van de uiteenlopende modellen.

Ø      Voor- en nadelen van elk model.

Ø      Illustratie met concrete voorbeelden van good practice, succeservaringen in Vlaanderen en daarbuiten (zie hieronder).

Ø      Afstemming op verschillende onderwijsniveaus of niveaus van taalverwerving.

 

Een eerste kanttekening hierbij is dat niet voor alle situaties van omgaan met meertaligheid in Vlaamse scholen pasklare modellen beschikbaar zijn. Wel zijn er handvatten, waarin het belang van procesmatige begeleiding vooropstaat. Een Nederlandstalige school in Brussel die Franstalige leerlingen van Afrikaanse origine moet opvangen, vindt dit een normale gang van zaken en heeft daarin ook praktijkervaring verworven. In een witte school in Denderleeuw zaait de komst van diezelfde leerlingen paniek en twijfel bij het schoolteam: ‘Kunnen we dit wel goed aanpakken?’

 

Een tweede kanttekening slaat op de keuze van modellen vanuit de criteria haalbaarheid en kostenfactor. Veeleisende modellen moeten niet al van tevoren daarop afgerekend of afgeschoten worden. Een meer doorgedreven vorm van meertalig onderwijs lijkt in een schoolcontext met tientallen talen misschien veel geld en energie te kosten, maar dat mag niet de enige reden zijn om gemakshalve op andere, comfortabeler modellen à la taalsensibilisering terug te vallen. Talige en onderwijskundige behoeften bij leerlingen en ouders dienen evenzeer in de overweging van de school meegenomen te worden.

 

Voorts moet de Vlaamse overheid werk maken van investering in meertalig onderwijs. De invulling van randvoorwaarden is essentieel en kan niet zonder besteding van middelen. Het OETC in Vlaanderen wordt thans failliet verklaard, maar daarbij wordt makkelijk over het hoofd gezien dat een succesvolle invoering staat of valt met de invulling van randvoorwaarden. De Vlaamse overheid heeft wat dat betreft nooit een cent in het OETC geïnvesteerd.

 

Een essentiële randvoorwaarde voor de implementatie van een meertalig onderwijsbeleid vormt de gerichte ondersteuning van scholen door middel van kleinschalige pilootexperimenten of proeftuinen. Met het oog op de ruime disseminatie van beproefde modellen is er nood aan meer objectivering en wetenschappelijke begeleiding. Scholen en leerkrachten die goed bezig zijn, hebben nood aan expertise en bevestiging.

 

Tot  slot dient ook gefocust te worden op de sensibilisatie en vorming van leerkrachten in het kader van de lerarenopleiding (initieel en nascholing). Nuttig is bijvoorbeeld het voorzien van stageplaatsen in meertalige, multi-etnische scholen. Leerkrachten in spe moeten zo vroeg mogelijk ervaring kunnen opdoen in het werken met meertalige klasgroepen. Al te vaak wordt het proeflesgeven in scholen met veel migrantenleerlingen als te moeilijk afgedaan. Ofwel wordt het uitgesteld tot het laatste jaar; eerst moeten de studenten namelijk de module over diversiteit, steevast aan het eind van de opleiding geprogrammeerd, doorwerken vooraleer ze klaar bevonden worden voor het ‘lastige’ werk.

Verder dient werk gemaakt te worden van overleg en intervisie tussen lectoren en mentoren. Zeer dikwijls krijgen aspirant-leerkrachten te maken met tegengestelde opvattingen over (meer)talig onderwijs. Dat geldt ook voor de scholen waar beginnende leerkrachten aan de slag gaan. Hoe goed ze ook geïnformeerd en toegerust zijn, vaak botsen ze op starre regels over taal en op onwillige collega’s. Jonge leerkrachten zijn niet altijd gewapend om in polemische situaties het hoofd te bieden aan de druk van de behoudsgezinde groep.

 

In het onderstaande worden voorbeelden gegeven van omgaan met meertaligheid op school en meertalig onderwijs die in de loop van het rondetafelgesprek ter sprake werden gebracht. Het betreft modellen, handvatten, instrumenten uit Vlaanderen of het buitenland die hier worden opgenomen als aanzet tot een concrete uitwerking, zoals hierboven aangegeven.

 

Ø      Taalsensibilisering (language awareness)

 

§         Foyer (Brussel): meertalige ontwikkeling en opvoeding, talensensibilisering (TS), taalportfolio (TPF)

§         Nederlandse Taalunie: Circus Kiekeboe

§         Groot-Brittannië: statusverhoging van talen van etnische minderheden via certificering

 

Ø      Tweetalig/meertalig onderwijs

 

§         Foyer (Brussel): bicultureel meertalig onderwijs, meer dan twintig jaar oud, intensieve ondersteuning

§         Onderwijs stad Gent: projectschool De Puzzel (Rabotbuurt)

§         Nederland: allochtone talen als keuzetaal in het voortgezet onderwijs

§         Parijs: dubbele stroom eentalig / tweetalig

§         Franstalige Gemeenschap: immersieprogramma’s Nederlands in diverse scholen

 

Ø      Lerarenopleiding

 

§         Brussel: nieuwe postgraduaatopleiding ‘Meertaligheid en onderwijs’ aan Ehsal en Erasmushogeschool met medewerking van Foyer

§         Arteveldehogeschool Gent besteedt in haar bredere vorming van leraars aandacht aan taalsensibilisering en taalinitiatie

 

Ø      Wetenschappelijk onderzoek

 

§         Steunpunt GOK: nieuw onderzoek naar het effect van leerkrachtattitudes met betrekking tot taal en meertaligheid op de vormgeving van onderwijs

§         Steunpunt NT2: ondersteuning van Circus Kiekeboe, een Sesamstraat-achtig televisieprogramma (op video verkrijgbaar) voor taal- en leesbevordering voor kinderen van twee tot vijf en hun ouders, uitgezonden in vier talen: Nederlands, Marokkaans Berbers, Marokkaans Arabisch en Turks (opdracht Nederlandse Taalunie)

§         Het proefschrift van Jürgen Jaspers: Tegenwerken, belachelijk doen: talige sabotage van Marokkaanse jongens op een Antwerpse middelbare school: een sociolinguïstische etnografie. Universiteit Antwerpen, 2004

§         Onderzoek van Gunther Kress (University of London) naar het leren schrijven in het Engels bij Chinese kinderen; zij die het woord ‘turtle’ (schildpad) niet kenden, schreven het met Chinese karakters of maakten een tekening. Is dat fout of een teken van creativiteit?[3]

§         Onderzoek van C. Ballenger over positieve effecten van moedertaalgebruik bij wetenschapsonderricht in tweetalige klassen[4]

 

 

4.  De maatschappelijke achtergrond van meertaligheid op school

 

Voorafgaand aan de introductie van meertaligheid in Vlaamse scholen is de vraag of dit wel realistisch is en in welke mate het principe niet eerst breed maatschappelijk gedragen moet zijn. Is de Vlaamse samenleving wel gewonnen voor een multiculturele, meertalige samenleving? Kan het onderwijs vooruitlopen op de samenleving? Of is het alleen in staat bewegingen in de samenleving te volgen?

 

In hoeverre moeten we rekening houden met andere voorkeuren en wenselijkheden? Scholen bijvoorbeeld die liever andere prioriteiten in het beleid dringend gerealiseerd willen zien (verlaging van de leerplicht, aanpak van onderwijsachterstanden…). Of bedrijfsleiders die allerlei eisen stellen op het vlak van talenkennis zoals keurig Nederlands spreken (alhoewel het kennelijk bij Poolse bouwvakkers niet zo nauw steekt). Verder wordt een mediadiscours gevoerd dat het eentalige onderwijsmodel als vanzelfsprekend goedkeurt (zie bijvoorbeeld een recent krantenartikel in De Standaard over taalbeleid in een Antwerps atheneum, of typische reportages over het (Turkse) Lucernacollega waar steevast goedkeurend wordt gemeld dat er ‘alleen Nederlands wordt gesproken’). Last but not least kan het goed zijn dat een betrokken groep als de allochtone ouders zich helemaal niet gelegen laat liggen aan rondetafeldiscussies als deze over meertalig onderwijs. Voor hen ligt de eerste en meest dringende zorg elders: het behalen van een diploma, het vinden van jobs, de toekomstkansen van hun kinderen…

 

Daartegenover staat een pragmatische benadering die vertrekt van de feitelijke context van scholen. De meeste gespreksdeelnemers lijken zich bij deze visie aan te sluiten. Meertaligheid is een feit omdat leerlingen en hun ouders hoe dan ook andere talen in de school binnenbrengen. Anderzijds is er voldoende realiteitszin om te beseffen dat talen niet evenwaardig zijn in de Vlaamse samenleving. Aan de maatschappelijke status en functionele dominantie van de voertaal Nederlands valt nu eenmaal niet te ontkomen, maar dat sluit omgaan met meertaligheid als sensibiliserend en motiverend schoolgegeven niet uit. Kortom, statusverhoging van allochtone talen via het onderwijs is geen wondermiddel, maar het is ook geen onrealistische claim.

 

Niet onbelangrijk in dit verband is rekening te houden met de dynamiek van integratie en lering te trekken uit onverwachte, averechtse beleidseffecten. Getuige hiervan een onderzoek van Michael Clyne onder Hongaarse immigranten in Australië dat illustreert hoe complex de interactie kan zijn tussen meerderheid en minderheden in een immigratiesamenleving. Hongaarse immigranten uit de jaren 1960-1970 werden vooral blootgesteld aan een monocultureel assimilatiebeleid, terwijl meer recente Hongaarse immigranten in de jaren 1990 vooral te maken kregen met een multicultureel beleid. De eerste groep koos veelal voor segregatie, terwijl de laatste veel sneller opteerde voor een traject van integratie en assimilatie.

 

Een laatste discussiepunt betreft de initiële loskoppeling van meertalig onderwijs van de schoolproblematiek van allochtonen in het onderhavige voorstel. Dit ligt enigszins in het verlengde van het GOK-decreet, waar elke nadrukkelijke verwijzing naar allochtonen of etnische groepen uit de tekst is geweerd. De overheid hanteert in haar vertoog over gelijke kansen een retorische truc die de aandacht moet afleiden van migranten als afzonderlijke doelgroep. Deze de-etnisering contrasteert met de daadwerkelijke beleidspraktijk, waar het op alle niveaus uiteindelijk alleen maar over allochtonen en etnische minderheden blijkt te gaan. Echter, ondersteuning die de focus verlegt naar een ruimere invulling van gelijke kansen en diversiteit, zoals het beleidskader voorschrijft, draagt de mogelijkheid in zich om eenzijdige percepties van leerkrachten te beïnvloeden.

 


   

 

 

Aanbevelingen voor het beleid


 

Een comprehensieve eerste graad in het secundair onderwijs

 

 

1. Verantwoording

 

1a  Het secundair onderwijs in Vlaanderen wordt algemeen gekenmerkt door studieoriëntatie die sterk sociaal bepaald is. Leerlingen met een lagere sociaaleconomische achtergrond komen voornamelijk terecht in finaliteitsrichtingen (BSO/TSO), terwijl leerlingen uit betere sociale milieus overwegend naar doorstroomrichtingen (ASO) gaan. Ook het bekende watervalsysteem speelt in het nadeel van leerlingen uit sociaalzwakke groepen.

 

1b Internationaal vergelijkend onderzoek (PISA) wijst uit dat comprehensieve onderwijssytemen, die differentiatie en studiekeuze uitstellen tot de leeftijd van veertien of later, samengaan met meer kwaliteit en meer sociale gelijkheid. In dit verband geeft het Vlaamse onderwijs blijk van relatief vroege selectie en grote sociale ongelijkheid. Die hiërarchische differentiatie naar onderwijsvormen is funest voor de prestaties van leerlingen in ‘lagere’ studierichtingen. Bovendien geeft de segregatie tussen sociaalhomogene groepen op school aanleiding tot een scheiding in politieke en culturele voorkeuren tussen laag- en hooggeschoolden.

 

1c Hoewel de eenheidsstructuur in het Vlaamse secundair onderwijs in formele zin een comprehensieve eerste graad omvat, is daar in de praktijk geen sprake van. Scholen krijgen veel speelruimte om al vroeg extern te differentiëren in stromen en onderwijsvormen. In de studiekeuze van leerlingen oefenen maatschappelijke voorkeuren een grote invloed uit. Leraren, ouders en leerlingen laten zich leiden door een overheersende denkwijze die de waardering van studierichtingen en vaardigheden sterk in het licht ziet van de statusladder van beroepen in de samenleving. Dit hiërarchisch denken werkt door in het (verborgen) curriculum van secundaire scholen.

 

 

2. Doelstelling

 

In de verwezenlijking van gelijke ondewijskansen vormt de invoering van een werkelijk comprehensieve eerste graad in het secundair onderwijs een belangrijke stap vooruit. Dat wil zeggen: een brede basisvorming die een evenwicht beoogt tussen algemene, technische en praktische vaardigheden. Een comprehensieve eerste graad vormt eerst en vooral een geschikte hefboom voor de realisatie van een uitgestelde, meer doordachte studiekeuze. Daarin spelen de talenten en vaardigheden van leerlingen, en niet hun sociale achtergrond, een doorslaggevende rol. Een tweede streefdoel is het bereiken van een grotere sociale mix en integratie in het leerlingenpubliek van secundaire scholen.

 

 

3. Instrumenten en randvoorwaarden

 

3a De vormgeving van een comprehensieve eerste graad is een structureel ingrijpende en dure maatregel, onder andere vanwege de gevolgen voor de infrastructuur van scholen. Dit vraagt een zorgvuldige afweging van de te volgen implementatiestrategie, alsook een inschatting van kosten en baten. Een dwingende structurele hervorming geeft een krachtig signaal aan de scholen, maar moet rekening houden met weerstanden tegen top-downmaatregelen en met institutionele belemmeringen. De tegengestelde optie van een geleidelijke bottom-upverandering binnen de bestaande structuren zal op minder weerstand stuiten, maar geeft de scholen wel ampel gelegenheid om zich afzijdig te houden of veranderingen op de lange baan te schuiven.

 

3b Een meer comprehensief onderwijsmodel an sich is geen voldoende voorwaarde voor het tegengaan van sociale selectie van leerlingen. Een eerste graad kan pas echt oriënterend zijn als men er ook in slaagt de huidige starre schoolstructuren te doorbreken. Dit vraagt in de eerste plaats leraren die vaardig zijn in de toepassing van interne differentiatie in heterogene klassen, meer samenwerking tussen vakleraren, vakdoorbrekend kunnen werken, versterking van het beleidsvoerend vermogen van scholen. Een aanpassing van de formele regelgeving aangaande het inzetten van personeel in secundaire scholen is raadzaam. Een verruiming en flexibilisering van de opdracht van de leerkracht impliceren een structurele aanpak die onder meer een duidelijk omschreven, soepele taakverdeling omvat.

 

3c Secundaire scholen dienen aangemoedigd te worden om naar het voorbeeld van methodescholen meer aandacht te hebben voor een brede waaier van vaardigheden en talenten. De strakke vakkenstructuur kan alvast doorbroken worden door een grotere samenhang te brengen tussen vakken in brede, transversale leergebieden (zoals in het basisonderwijs).

 

3d Positieve studiekeuzebegeleiding kan een hulpmiddel zijn om de hiërarchische mentaliteit van ouders en leerlingen om te buigen. Dit betekent het opzetten van een geïntegreerd begeleidingsmodel (school – CLB – ouders – leerling) en een grotere investering in scouting, coaching en counselling van studenten (interesses en sterktes ontdekken). Hierop aansluitend is het van belang in de latere jaren van het secundair onderwijs trajecten te voorzien voor opstroom (bijvoorbeeld van TSO naar ASO).

 

3e Het model van autonome middenscholen biedt door zijn kleinschaligheid gunstige mogelijkheden voor de uitbouw van een uniformere basisvorming. Ook scholen die serieus werk maken van leerlinggericht, zorgbreed onderwijs vormen een vruchtbare voedingsbodem voor een meer comprehensief curriculum.

 


 

Concentratiescholen: versterking gericht op kwalitatief hoogstaand onderwijs

 

 

1. Verantwoording

 

1a Op lange termijn heeft het onderwijs een belangrijke functie van maatschappelijke integratie. Dat kinderen – zwart en wit, rijk en arm, gehandicapt en gezond – samen naar school gaan, is een onmiskenbaar streefdoel van democratisch en inclusief onderwijs. Een beleid van etnische desegregatie, zoals dat in het raamwerk van het GOK-decreet gestalte wordt gegeven, is daarom zonder meer verantwoord. Na verloop van tijd zou het moeten leiden tot meer diversiteit in schoolpopulaties.

Een vorm van leerlingenspreiding is daartoe onvermijdelijk. Spreiding moet staan voor het beïnvloeden van leerlingenstromen tussen alle scholen in een afgebakend gebied. Spreiding betreft zowel ‘zwarte’ als ‘witte’ leerlingen en mag niet neerkomen op het viseren van allochtone leerlingen.

Sociale integratie mag en kan niet louter een missie zijn van scholen. Dit vraagt aandacht voor de ruimere lokale context waarbinnen scholen moeten functioneren.

 

1b Op korte termijn echter kan men niet buiten het bestaan van concentratiescholen in Vlaamse stadswijken. Hoe onwenselijk de gemeenschap ze ook vindt, zwarte (en witte) scholen zijn de komende jaren een maatschappelijk feit. De druk op leerkrachtenteams van zwarte en multiculturele scholen zal door nieuwe instroom van immigranten en de langzame werking van het desegregatiebeleid blijven aanhouden. De diaboliserende perceptie dat concentratiescholen per definitie ‘slechte’ scholen zijn, is wijdverbreid – onder ouders niet in de laatste plaats. Wetenschappelijk onderzoek wijst voorzichtig op een beperkt negatief effect van concentratie op leerprestaties. Onoverkomelijk is dat niet: vele concentratiescholen slagen er juist in goede leerwinst te boeken bij hun leerlingen. En witte scholen leveren niet per definitie hogere onderwijskwaliteit en betere zorg.

 

1c Spreidingsbeleid en ondersteuning van concentratiescholen hoeven niet noodzakelijk elkaars tegengestelde te zijn. Louter investeren in concentratiescholen lost zeker niet alle problemen op. Tegelijk zou het ook fout zou zijn enkel de nadruk te leggen op spreiden van leerlingen – al was het maar om het negatieve van dat verhaal of vanwege de onterechte suggestie dat spreiding onderwijskundige problemen grotendeels oplost.

 

 

2. Doelstelling

 

Om aan bovenvermeld probleem tegemoet te komen is meer investeren in concentratiescholen de meest pragmatische oplossing. Kinderen die er schoollopen, hebben recht op optimaal onderwijs. Het ‘negatieve’ imago van zwarte scholen moet met een toegesneden beleid van zich afgeschud kunnen worden. De extra ondersteuning van concentratiescholen kan gunstige gevolgen hebben op het vlak van leerlingenstromen tussen scholen. Immers, concentratiescholen die kwaliteit leveren, kunnen op termijn aantrekking uitoefenen op ‘witte’ leerlingen.

 

3. Instrumenten en randvoorwaarden

 

3a De ondersteuning van concentratiescholen moet in eerste instantie vertaald worden in het scheppen van meer pedagogisch comfort: de kwaliteit van een school staat of valt met de inzet van het leerkrachtenteam.

 

3b Het opleiden en aantrekken van allochtone leerkrachten dient gestimuleerd te worden. Zij kunnen zowel voor de allochtone als de autochtone leerlingen als rolmodellen fungeren.

 

3c Een aanpassing van de formele regelgeving aangaande het inzetten van schoolpersoneel is wenselijk. Een verruiming en flexibilisering van de opdracht van de leerkracht impliceren een structurele aanpak die onder meer een duidelijk omschreven, soepele taakverdeling omvat.

 

3d Een cruciaal aandachtspunt is de kwaliteit van het leerkrachtenteam in concentratiescholen. Een beleid dient incentives te verstrekken teneinde de beste leerkrachten naar concentratiescholen te halen en ze daar ook te houden.

 

3e De ondersteuning van concentratiescholen moet geïntegreerd aangepakt worden binnen het raamwerk van het lokale beleid. Scholen mogen niet het enige kanaal vormen om langs elkaar levende bevolkingsgroepen dichter bij elkaar te brengen.

 

3f In een ondersteuningsbeleid voor concentratiescholen zijn netwerken tussen scholen onderling en tussen scholen en externe partners een aan te bevelen instrument. In geval van scholen gaat het ook om net- en niveauoverschrijdende samenwerking. De lokale overlegplatforms lijken, gezien hun huidige taak, zeer geschikt om als initiator van dergelijke netwerkontwikkeling op te treden. Een taakverruiming van de pedagogische begeleiding moet ervoor zorgen dat schoolbegeleiders aan het netwerk deelnemen en ook buiten de scholen kunnen werken. Betrokkenheid van de ouders in deze netwerken is een must. Teneinde verenigingen van ouders en studenten hun emanciperende en overbruggende rol ten volle te laten spelen, is financiële versterking aangewezen.

 

3g Welke partner de coördinatie en regiefunctie in handen neemt, hangt af van lokale omstandigheden, alsook de aanwezigheid van bestaande netwerken en projecten. De coördinatie zal aan draagvlak en doelmatigheid winnen indien zij ingebed kan worden in een sectoroverschrijdend beleid op het gemeentelijk of stedelijk niveau.

 


 

Meertalig onderwijs in Vlaanderen: een schaal voor integraal taalvaardigheidsbeleid

 

 

1. Verantwoording

 

1a In Europa zijn voorbeelden bekend van onderwijssystemen en regio’s waar meertalig onderwijs op vrij grote schaal wordt toegepast. Ze bereiken bij jongeren een vloeiende vaardigheid in meerdere talen waar het klassieke vreemdetalenonderwijs  dikwijls in faalt. Om die reden zijn scholen in België gestart met immersielessen Nederlands (Franstalige Gemeenschap) en taalinitiatie Frans (Vlaanderen). Uitbreiding van dit ‘basismodel’ van meertalig onderwijs naar allochtone minderheidstalen met een lage status is in principe mogelijk, maar is niet in alle contexten even realistisch.

 

1b Het officiële curriculum van Vlaamse scholen heeft een eentalig karakter: het Nederlands is de dominante instructie- en doeltaal. Percepties en handelingen van Vlaamse leerkrachten getuigen van een monolinguale habitus, die andere thuistalen als een bron van problemen aanmerkt. Niet weinig leraren ervaren het leren van de eerste en tweede taal op school als een tegenstelling. Menige Vlaamse school brandmerkt eigen talen van migrantenleerlingen door het stellen van verbodsregels op het spreken van andere talen dan het Nederlands.

 

1c In Vlaanderen is in navolging van een Europese richtlijn uit 1977 het onderwijs in eigen taal en cultuur (OETC) voor bepaalde migrantengroepen experimenteel ingevoerd. Daartoe werd samenwerking aangegaan met de betrokken landen van herkomst, die vooral zorgen voor financiering en leerkrachten. De Vlaamse overheid heeft deze onderwijsvorm slechts mondjesmaat ondersteund. Het OETC dooft de laatste jaren zelfs geleidelijk aan uit. Het enigszins apart staande succesvolle bicultureel meertalig onderwijsmodel in Brussel heeft daarbuiten geen voet aan de grond gekregen.

 

1d Een pragmatische benadering die vertrekt van de feitelijke context van scholen vormt de grondslag voor een nieuw concept van taalbeleid in het Vlaamse onderwijs. Aan de maatschappelijke status en functionele dominantie van het Nederlands in Vlaanderen valt uiteraard niet te ontkomen. Echter, dit sluit omgaan met meertaligheid als sensibiliserend en motiverend schoolgegeven en als alternatief voor gedwongen taalassimilatie niet uit.

 

 

2. Doelstelling

 

Een schaal voor een integraal taalvaardigheidsonderwijs dient als richtinggevend raamwerk voor beleidsvernieuwing. Zij koppelt meertalig onderwijs initieel los van de achterstandsproblematiek van allochtonen. Ze kenmerkt zich bovendien door flexibiliteit en relativiteit. Alle Vlaamse scholen kunnen er aanknopingspunten in vinden voor een haalbaar taalbeleid dat uitgaat van hun specifieke context en leerlingenpubliek. Enerzijds kunnen scholen vaardigheid in verschillende talen, waaronder ook allochtone, als primair onderwijsdoel nemen. Anderzijds bestaat de mogelijkheid van vormgeving van een meertalig schoolbeleid.

Een meertalig schoolbeleid mikt op maatschappelijke statusverhoging van allochtone leerlingen en ziet in waardering van meertaligheid ook een middel tot effectief onderwijs. Een schoolbeleid dat bewustzijn van meertaligheid bij leerlingen en leraren wil teweegbrengen, moet een minimumdoelstelling voor alle Vlaamse scholen zijn.

 

 

3. Instrumenten en randvoorwaarden

 

3a De Vlaamse overheid moet werk maken van investering in meertalig onderwijs. De invulling van randvoorwaarden is essentieel en kan niet zonder besteding van middelen. Veeleisende modellen van meertalig onderwijs mogen niet al van tevoren afgerekend worden op hun haalbaarheid en kostenfactor. Talige en onderwijskundige behoeften bij leerlingen en ouders dienen in de keuze van scholen voor deze of gene model evengoed meegenomen te worden.

 

3b De invoering van een meertalig onderwijsbeleid dat de onderhavige taalschaal als uitgangspunt neemt, vereist in de eerste plaats centrale regie. Dit betekent ook uitgesproken politieke erkenning van het schaalprincipe en beleidsmatige propagering en programmering.

 

3c Beleidsmatige sturing vergt concrete uitwerking van de verschillende modellen die op de schaal tussen taalsensibilisering en doorgedreven meertalig onderwijs mogelijk kunnen zijn. Inspiratie daarvoor kan geput worden uit bestaande programma’s in Vlaanderen en het buitenland, alsook uit relevant wetenschappelijk onderzoek.

 

3d Een essentiële randvoorwaarde voor de implementatie van een meertalig onderwijsbeleid vormt de gerichte ondersteuning van scholen door middel van kleinschalige pilootexperimenten (proeftuinen). Met het oog op de ruime disseminatie van beproefde modellen is er nood aan meer objectivering en wetenschappelijke begeleiding.

 

3e Er dient gefocust te worden op de sensibilisatie en vorming van leerkrachten in het kader van de lerarenopleiding (initieel en nascholing). Het voorzien van stageplaatsen in meertalige, multi-etnische scholen is nodig om aspirant-leerkrachten zo vroeg mogelijk ervaring te laten opdoen. Daarnaast dient overleg en intervisie tussen lectoren en mentoren gestimuleerd te worden met het oog op meer gelijkgerichte visieontwikkeling inzake (meer)talig onderwijs.

 

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

© 2005

 

Stichting Gerrit Kreveld, private stichting

Bezinnings- en Initiatiefcentrum voor een Sociale Democratie

Bagattenstraat 174

B-9000 Gent

Tel. 09/267.35.31

Fax 09/233.35.32

E-mail stichting.kreveld@telenet.be

 

 



[1] LOTE staat voor Languages Other than English.

[2] Informatie over het LOSO-project is terug te vinden via http://ppw.kuleuven.be/coe/index.htm.

[3] Zie Kenner, C. & Kress, G. (2003), The multisemiotic resources of biliterate children. Journal of Early Childhood Literacy, 3(2): 179-202; Kenner, C., Kress, G., Al-Khatib, H., Kam, R. & Tsai, K.-C. (2004), Finding the keys to biliteracy: How young children interpret different writing systems. Language and Education, 18(2): 124-144.

[4] Ballenger, C. (1997), Social identities, moral narratives, scientific argumentation: Science talk in a bilingual classroom. Language and Education, 11(1): 1-14. Soortgelijk onderzoek: Hanson, M., Boogaard, M. & Herrlitz, W. (2003), ‘Sometimes Dutch and sometimes Somali’: Children’s participation in multicultural interactions in Dutch primary schools. Linguistics and Education, 14(1): 27-50.