gasplaneet

Bibnet


GASPLANETEN



De gasplaneten van ons zonnestelsel bevinden zich allemaal in de buitengebieden, voorbij Mars. Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus zijn reusachtig in vergelijking met de rotsplaneten meer in het midden, met een diameter die, in het geval van Jupiter, wel twaalf keer zo groot kan zijn als die van de aarde. Volgens de populairste, plausibele theorie van vandaag is de evolutie in de oerwolk, waaruit ook de zon is voortgekomen, begonnen met een inkrimpingsfase. Terwijl de grote nevel inkromp, begon hij ook te draaien. Dit leidde tot de vorming van een tamelijk platte ronde schijf. De nevel ontstond oorspronkelijk vooral uit waterstof en in veel mindere mate uit helium en andere gassen, vermengd met stof, silicaatkorrels, ijzer en ijs. Hoe klein de hoevelheid korrels ook is, ze zijn van essentieel belang, omdat ze gasmoleculen om zich heen verzamelen.

In de loop der tijd nam de aggregatie steeds meer toe, tot in de oerwolk het eerste echte vaste materiaal werd gevormd. Dit heeft geleid tot de vorming van planetesimalen, vaste lichamen die al zwaar genoeg en enkele kilometers groot waren. Het verschijnsel aggregatie duurt ook nog voort voor planetesimalen, die met duizenden bijna in hetzelfde vlak om de zon draaien en gestructureerd zijn in dezelfde soort ringen als die we rond Saturnus zien. In de buitenste regionen van het zonnestelsel zou vervolgens een aggregatieproces op gang zijn gekomen in de grootste lichamen, juist de buitenste planeten. Het zijn vermoedelijk gasplaneten omdat ze ver van de zon staan, de voornaamste energiebron in het zonnestelsel. Op een afstand van miljarden kilometers kan de zon het gas dat samendromt rond de oorspronkelijke planetesimalen niet wegvagen. Jupiter en zijn reusachtige kompanen zouden in wezen gasbollen rond een oorspronkelijk vaste kern zijn.



ROTSPLANETEN



Bij de vorming van het zonnestelsel zou de afstand tussen de zon en allerlei lichamen die zich aan het vormen waren, een rol spelen. De vaste planeten, Mercurius, Venus, de aarde en Mars, bewegen allemaal heel dicht om de zon. Waarschijnlijk is het vanwege die ‘oprispingen’ van onze ster tijdens de vorming - die daarbij vermoedelijk veel straling en deeltjes heeft uitgestoten – onmogelijk geweest dat het gas in de oerwolk in deze zone kon blijven en dus deel uit kon blijven maken van het aggregatieproces van de planeten dat daarop volgde. In deze zone, binnen de baan van Mars, kon door de werking van de zon, geen gas komen. De vorming van vaste lichamen zou dus mogelijk zijn gemaakt. Eerst zouden zich planetesimalen met een omvang van enkele kilometers hebben gevormd en dankzij voortdurende samenvoegingsprocessen vervolgens grotere lichamen, tot de huidige rotsplneten ontstonden.

Een geval apart is Pluto, de planeet die het verst van de zon afstaat. Pluto heeft een bescheiden omvang van 2274 km, ongeveer de helft van de kleine Mercurius, en heeft een satelliet die in vergelijking met de planeet enorm is. Charon heeft een doorsnee van 1100 km. Traditioneel wordt Pluto gezien als een planeet, omdat hij rond de zon draait. Maar hij vertoont bijzonderheden in zijn baan die doen denken aan een hemellichaam van andere aard, vergelijkbaar met de onlangs ontdekte lichamen in de Kuipergordel, die vermoedelijk een heel andere evolutiegeschiedenis hebben dan planeten.

webmaster