Sequoia's

in BelgiŽ, Nederland en Luxemburg

De verschillende soorten sequoia's

Paleobotanische evolutie en ontdekking

De naaldbomen van de subfamilie Sequoioideae waren ooit wijdverspreid over de hele noordelijke halfrond. Vele soorten stierven echter uit tijdens de ijstijden, toen de oprukkende ijsgrens vegetatie naar het zuiden verplichtte.
Fossiele resten van Sequoia zijn gevonden tot in het Jura (180 tot 135 miljoen jaar geleden), zowel in Noord-Amerika, Groenland als in Europa en lijken erop te wijzen dat deze wouden enorm uitgestrekt waren.

Op de foto links is een gefossiliseerde kegel van de uitgestorven soort Sequoia affinis te zien.
Er zijn eveneens fossielen toegeschreven aan uitgestorven soorten Sequoia affinis, S. ambigua, S. angustifolia, S. biformis, S. brevifolia, S. concinna, S. condita, S. couttsiae, S. cuneata, S. cycadopsis, S. dakotensis, S. delicatula, S. densifolia, S. disticha, S. fairbanksi, S. fastigiata, S. formosa, S. gracilis, S. gracillima, S. heerii, S. heterophylla, S. langsdorfii, S. longifolia, S. macrolepsis, S. magnifolia, S. nordenskioldii, S. obovata, S. obtusifolia, S. reichenbachi, S. rigida, S. rigida spinifolia, S. smittiana, S. sternbergi, S. subulata en S. winchelli.

Of al deze soorten ook effectief verschillende soorten waren, valt te betwijfelen gezien het soms fragmentarische karakter van de fossiele resten.

Slechts 3 soorten wisten zich te handhaven tot op heden en komen nu nog maar voor in kleine gebieden:


Toen de Spanjaarden in de 18e eeuw voor het eerst de kustsequoiawouden zagen, waren nog grote oorspronkelijke wouden aanwezig in de Californische kustvalleien. Na 2 eeuwen intense ontbossing blijft daar nog maar 5% ŗ 10% van over en het omhakken van deze oerwouden (met vele bomen ouder dan 1000 jaar) gaat nog steeds door... Een deel ervan is nu wel opgenomen in het Nationale Parken-systeem van de VS, wat waarschijnlijk van groot belang is voor het conserveren van deze oude soort!
Op de foto zie zo'n oorspronkelijk woud in het Jebediah Smith Redwoods State Park.
Meer over Sequoia sempervirens.

De mammoetboom is waarschijnlijk ontdekt in 1833 of 1852 door een jager tijdens de goldrush. Men is niet zeker of de waarneming van 1833 wel over Sequoiadendron giganteum ging. De beide soorten waren echter al eeuwen gekend door de Californische indianenstammen.
Meer over de ontdekking van de mammoetboom.
Meer over de mammoetboom.

Van de Chinese sequoia, waarschijnlijk de voorouder van de Sequoia sempervirens, werd gedacht dat hij uitgestorven was, tot een houthakker in 1947 enkele specimens ontdekte in afgelegen valleien in China.
Meer over Metasequoia glyptostroboides.

De drie soorten sequoia's zijn vrij eenvoudig uit elkaar te houden: de kleine naalden van de mammoetboom lijken totaal niet op de taxusachtige naalden van de kustsequoia en de Chinese cipres. De stam van de Chinese cipres, die in tegenstelling tot de twee andere soorten in de winter zijn naalden verliest, is in tegenstelling tot deze van de mammoetboom en de kustsequoia ook niet rood van kleur en heeft geen zachte bast.

Vanwaar komt de naam Sequoia eigenlijk?

De botanicus Endlicher koos in 1847 de naam Sequoia voor de reuzenaaldbomen van de soort Sequoia sempervirens, de eerst ontdekte van de drie nog bestaande sequoiasoorten. Hij gaf bij de beschrijving van het geslacht echter geen verklaring over de oorsprong van het woord zodat niet met zekerheid gekend is waarom hij die naam koos. Het is echter erg waarschijnlijk dat de boom genoemd werd naar Sequoyah (figuur), de halfbloed Cherokee-indiaan die een schrift ontwikkelde van 1809 tot 1821. Hij had de bedoeling zo de Cherokee cultuur te bewaren (via boeken, kranten, ...) in de westerse wereld. Duizenden indianen leerden lezen en schrijven in het nieuwe alfabet, dat trouwens nog steeds gebruikt wordt.

Meer over Sequoyah op de vrije encyclopedie Wikipedia.
Meer over het syllabisch schrift op een officiŽle pagina van de Cherokee Nation.

De mammoetboom Sequoiadendron giganteum (meer), evenals de Chinese sequoia Metasequoia (meer) kregen hun naam later, in 1939 resp. 1941.

De Japanse ceder: dubbelganger van de mammoetboom?

Vaak gebeurt het dat mensen mij foto's mailen van een boom waarvan ze denken dat het een mammoetboom is, maar er eigenlijk geen is. Veelal hebben ze dan te maken met de Japanse ceder (Cryptomeria japonica).
Deze boomsoort, die noch een ceder is noch een sequoia, lijkt van ver een beetje op een jonge mammoetboom. Op onderstaande foto's is links een hele jonge mammoetboom (Sequoiadendron) weergegeven, rechts een Japanse ceder (Cryptomeria).

 

De Japanse ceder is de meest voorkomende boom in Japan en wordt, net als de mammoetboom, sinds de 19e eeuw als exoot aangeplant op landgoederen en in arboreta.

Ook de naalden lijken qua vorm een beetje op elkaar. Links zijn de naalden van de mammoetboom weergegeven, rechts deze van een Japanse ceder.

 

Zoals op bovenstaande foto's echter duidelijk is, zijn de naalden van de Cryptomeria veel groter dan deze van de mammoetboom. Waar de naalden van de mammoetboom eerder dicht op de takjes liggen, zijn deze van de Japanse ceder sikkelvormig en minder vergroeid met de takjes. Door de vorm van de naalden wordt de Cryptomeria ook wel "sikkelcipres" genoemd.

De kegels zijn sterk verschillend van vorm: waar deze van de mammoetboom eirond en 4 tot 6 cm lang zijn, zijn deze van de Japanse ceder kleiner, rond en hebben ze kleine uitsteeksels. Op de foto's is links een typische kegel van een mammoetboom te zien, rechts een aantal kegels van de Cryptomeria.

 

Wie pijnlijke vuisten wil, moet eens nagaan of de Cryptomeria net als de mammoetboom zo'n zachte stam heeft dat de boom als "boksboom" kan gebruikt worden. De bruinrode tot bruine schors van de Japanse ceder zou men in vertikale stroken van de stam kunnen scheuren.
De boom groeit veel trager dan de mammoetboom: even oude Japanse ceders en mammoetbomen verschillen sterk in hoogte en stamomtrek. De stam van de mammoetboom is duidelijk veel forser en dieproder dan deze van de Japanse ceder. Bovendien hebben mammoetbomen eerder hangende takken, terwijl Cryptomeria opgerichte takken heeft. De kegelvormige kruin van deze laatste is bovendien vaak ook iets smaller, minder blauw en donkerder van kleur en is vaak iets minder perfect kegelvormig.

Links is een relatief jonge mammoetboom te zien, rechts een oudere en grote Japanse ceder.

 

Andere soorten die van ver wat lijken op de mammoetboom zijn erg vaak aangeplante cipressoorten zoals de Californische cipres (Chamaecyparis lawsoniana) en de reuzenlevensboom (Thuja plicata). Ook de wierookceder (Calocedrus decurrens) kan van op een afstand erg goed lijken op een (smalle) mammoetboom.
Van dichtbij vallen deze snoodaards echter onmiddellijk door de mand: de naalden en de kegeltjes lijken in de verste verte niet op deze van de mammoetboom. De stammen van deze soorten kunnen wel de "juiste" kleur hebben, maar zijn steeds hard en hebben nooit een brede stambasis.

Inhoudstafel - top van pagina

© Tim Bekaert