Dialecten en cultuurtalen

In tegenstelling tot wat veel mensen denken, zijn dialecten niet van cultuurtalen "afgeleid". Vroeger bestonden er enkel locale dialecten. Cultuurtalen zijn eigenlijk dialecten die door bepaalde historische gebeurtenissen of door de ligging van het gebied waar ze gesproken werden een overregionale uitstraling hebben gekend.

Zo is bijvoorbeeld de wieg van de Franse taal het "Ile de France", de streek rond Parijs, politiek en cultureel hart van het land, omdat het hof van de koning er gevestigd was.
In Duitsland was het Luther die met zijn bijbelvertaling zijn dialect bij wijze van spreken tot cultuurtaal verhof.

Het dialect van Gemmenich in het Germaanse taallandschap

Het dialect van Gemmenich behoort tot het Nederfrankisch, meer bepaald tot een van de varianten die in een smalle landstreep van Eupen tot Düsseldorf wordt gesproken. De varianten verschillen vooral door de mate waarin zijn de tweede klankverschuiving hebben ondergaan. Een blik op de kaart maakt dit meteen duidelijk.

Kaart van het taalgebied

De afscheidingslijnen tussen de varianten zijn naar plaatsen genaamd die zich erop bevinden. De meest typische en bekende zijn de lijn van Ürdingen en de lijn van Benrath. Ons gebied bevindt zich tussen deze twee lijnen, die de overgang van "ch" naar "k" aanduiden. De lijn van Ürdingen bestaat feitelijk uit meerder lijnen die zich in Ürdingen kruisen en de scheiding van ik/ich (en varianten) aanduiden.

De lijn van Benrath scheidt de klanken "k" (Nederfrankisch) en "ch" (Ripuarisch) in gevallen zoals "maken" en "machen". Gemmenich ligt praktisch op deze lijn. Zegt men bij ons immers nog maake (maken), saakens (zaken), so luidt dit enkele km verder, in Aken, mache en sache.

Duits of Nederlands?

Zoals hoger aangehaald zijn dialecten historisch volwaardige talen. Toch ontstaan er steeds weer discussies: is het een of ander dialect dan toch niet eerder Nederlands of eerder Duits? Dit is zeker het geval voor ons dialect omdat het zich juist op de grens tussen twee cultuurtaalgebieden bevindt.

Dergelijke vragen worden binnen Duitsland of Nederland doorgaans niet gesteld, hoewel men daar ook heel wat varianten tegenkomt. Men zou daarom kunnen concluderen dat dergelijke uitspraken eerder op politieke dan op taalwetenschappelijke overwegingen berusten.
Deze argumentatie vertrekt altijd en uitsluitend van de tweede klankverschuiving van de medeklinkers, terwijl er andere elementen zijn die mee bepalen tot welke taalgroep een dialect behoort.

In de inleiding van ons woordenboek schrijven wij:
Wij hebben het juist geacht om gedeeltelijk de schrijfregels van de cultuurtaal over te nemen waar ons dialect het dichtst bij aanleunt, en dat is het Duits.
Hieronder willen we dit statement aan de hand van objectieve argumenten verder onderbouwen.

Cultuurtaal

Taalkundig en historisch heeft Gemmenich — ongeacht de talrijke verschuivingen die de Europese geschiedenis in het algemeen kenmerken — vaak onder Duitse invloed gestaan. Typerend hiervoor zijn de talrijke woorden die het Plat van het Duits heeft overgenomen: tsum bajspiil (bijvoorbeeld), tsiidong (krant), roüber (rover)… Na de 2e Wereldoorlog werd het Frans de administratieve taal, en zo vonden ook Franse woorden een plek in het plaatselijke dialect: filätmakroo (makreelfilet), radjografii (Röntgenbeeld)… Nederlandse leenwoorden zijn daarentegen nauwelijks te vinden.

Taalkundige kenmerken

Zoals gezegd worden de dialectfamilies bijna uitsluitend op basis van criteria van de tweede klankverschuiving geclassificeerd.
Klinkers spelen echter ook een grote rol in het onderscheiden van de diverse dialecten. Diafonie of verschuiving van de klinkers (ook gekend onder de Duitse benaming umlaut) is een dergelijk aspect dat ons dialect met het Duits deelt. Men vindt dit o.a. in meervoudvormen, diminutieven, vervoegingen… In het Nederlands komt dit zelden voor. Hier zijn enkele voorbeelden: De sterke meervoudsvormen zijn grotendeels behouden gebleven, in tegenstelling tot het Nederlands, waar de zwakke vormen "-(e)n" en "-s" overwegen: Vele suffixen van adjectieven en substantieven leunen dichter bij de Duitse dan bij de Nederlandse vorm aan: Tenslotte valt nog op dat bij de meeste valse vrienden (woorden met gelijkaardige vorm maar verschillende betekenis in 2 talen) het dialectwoord dezelfde betekenis heeft als het Duitse:

Bijzonderheden van het dialect van Gemmenich

In de meeste gevallen is het verwandschap van het dialect van Gemmenich met de aangrenzende kultuurtalen duidelijk:
Ose klenge jeet no jen schuel (onze kleine gaat naar school)
Der buur mot noch de köö mäleke (de boer moet nog de koeien melken)
Daarnaast zijn er Germaanse woorden, die in het Duits en/of in het Nederlands niet (meer) bestaan, maar wel nog in andere Germaanse talen te vinden zijn. Typisch voorbeeld is het woord schaav (kast), dat men ook in het Deens skaf terugvindt (en, maar met gewijzigde betekenis, in nl. schap).

Men vindt in het dialect van Gemmenich tenslotte ook woorden die in geen andere taal opduiken, tenminste voor zover wij dit kunnen beoordelen. Enkele voorbeelden: hüüv (knikker), schlödĵ (pantoffel, gebak, muil), mölsch (slechte koffie), enz.