Terug naar "De Maretak"
 
De Maretak - Bijlage van 31 december 2000

Inhoud :
Maretak op appelboom
TAPINANTHUS ERIANTHUS op HIBISCUS ROSA-SINENSIS
De maretak geparasiteerd door maretak
Literatuur

 
Twee jaar heb ik verder gewerkt,  heb ik nieuwe publicaties ontvangen en heb ik van gedachten gewisseld met geïnteresseerden die niet noodzakelijk met mij op dezelfde golflengte stonden. Hierdoor doken nieuwe inzichten op en vond ik antwoord op nog onzekere punten. Ik herschrijf ook een foutief ingenomen hypothese. 
Het enige doel dat ik nastreef,  bestaat erin alle raadsels in verband met maretak te doorgronden en alle twijfelachtige veronderstellingen die voor waar worden gehouden, en waardoor een juist  inzicht is uitgebleven, te weerleggen.
Mijn stellingen blijven steeds vatbaar voor kritiek en het zal me genoegen doen die te vernemen, natuurlijk ook indien ze ergens voor U een lichtje hebben doen branden.
Men wijst me erop dat ik vaak in herhaling val, beslist een beroepsmisvorming die ik hier wel nodig acht.

 

1. Beschouwingen over het verspreidingsgebied van maretak.

In de literatuur vindt men landkaarten waarop aangeduid staat waar maretak voorkomt. Op sommige plaatsen komt hij = veelvuldig voor, op andere slechts sporadisch. In beide streken heeft men sinds mensenheugenis maretak steeds gezien, maar verderop komt er geen maretak voor. Soms liggen de maretakzones zo ver uit elkaar, dat het bijna onmogelijk  is dat de verspreider hem van de ene naar de andere streek heeft kunnen  overbrengen.

Het gebeurt wel dat men hem zeer uitzonderlijk toch opmerkt op plaatsen waar men hem voordien nooit zag, maar in die gevallen komt er geen uitbreiding. Dit gebeurde op verschillende plaatsen in Vlaanderen zowat 15 à 20 jaar geleden en bewijst meteen dat de lijsters de zaden over grote afstanden verspreiden. 

De oorsprong van het streekgebonden voorkomen van maretak meen ik als volgt te kunnen uitleggen.

Duizenden jaren geleden was het klimaat voor maretak gunstiger zodat hij toen veel algemener voorkwam. Nu ziet men hem slechts in de kleinere zones waar het microklimaat voor zijn kieming optimaal is, daardoor kan hij zich enkel daar handhaven.

Voor deze mogelijke uitleg kreeg ik een bevestiging te horen tijdens mijn verblijf, deze zomer, in Zambia. Het droge seizoen duurt er 8 maanden, het regenseizoen  4. Alle planten zijn daaraan aangepast, waaronder ook de halfparasieten en epifyten. Ik ontmoette er Mike G. Bingham, Vegetation and Wildlife Ecologist. Hij had vastgesteld dat dezelfde epifytische orchideeën enkel in sommige besloten valleien voorkwamen; deze waren vaak zo ver van elkaar verwijderd dat de verspreiding van hun zaden over zulke afstanden zeer onwaarschijnlijk was. 

Hij was van oordeel dat vele eeuwen geleden het klimaat een algemene verspreiding van die orchideeën toeliet, terwijl dit klimaat, gunstig voor de kieming, op heden slechts in die geïsosoleerde valleien terug te vinden is.

Zoals bij orchideeën evolueert de kieming van maretak ook epifitisch; zijn kiemtijd duurt één groeiseizoen. Zodra hij het xyleem (spinthout) heeft bereikt, wordt hij zelfstandige halfparasiet en is niet meer afhankelijk van het microklimaat. Inderdaad, wanneer men erin geslaagd is maretakjes op een boompje te doen kiemen, mag men de draagboom elders verplanten. De maretak zal er zich verder ontwikkelen. Hij zal echter, in zijn nieuwe omgeving, geen begin betekenen van een nieuwe explosie van zijn soort.
 

2. Over de kieming van maretak als epifyt.

Uit de literatuur en uit ontvangen reacties blijkt dat de algemeen verspreide mening dat het zaadje van maretak over voldoende reserves beschikt om tot het xyleem van de tak door te dringen, zo verankerd is, dat men niet inziet dat dit zaadje als een epifyt kiemt. 

Om te kiemen heeft het zaad van elke plant een gunstige hoeveelheid warmte, vocht, lucht, en soms licht nodig. Bij een onjuiste hoeveelheid van één of meer van deze elementen stopt het kiemingsproces tijdelijk of definitief (met de dood tot gevolg).

Bij de kieming als epifyt (dus op een tak gekleefd en bijgevolg afhankelijk van de klimatologische omstandigheden) is de aanwezigheid van vocht de meest determinerende factor, na enige tijd droogte zal het zaadje er afsterven.

Het zaadje van de maretak en de kiem zelf zijn groen wat wijst op fotosynthese vanaf het begin, bijgevolg heeft het nood aan licht en vocht. De  reserves in het zaadje alleen zijn onvoldoende om eerst de kiem te vormen en nadien om de penetratie van de haustor (duiker) tot een goed einde te brengen, zonder de bijkomende hulp van zijn  fotosynthese. Naar mijn weten ben ik de enige die deze veralgemeende misopvatting  rechtzet.

In de tropen en de subtropen groeien er echte  epifyten zoals orchideeën en bromelia's. Ze kiemen enkel met succes daar waar  het microklimaat gunstig is. Wanneer vocht regelmatig ontbreekt, ziet men deze epifyten niet op de bomen omdat hun kieming er faalde. Bijvoorbeeld kan  men in Zambië een epifytische orchidee in een besloten vallei wegnemen en ze in de tuin op een boom overplanten. Die orchidee zal zich daar verder ontwikkelen, bloeien, maar het zaad dat zij er zal verspreiden zal er nooit kunnen  kiemen.

Vermits er in onze eigen flora geen hogere planten zijn die epifytisch groeien, kent men van deze kieming en haar ontwikkeling wel de theorie, maar mist men er het praktisch inzicht van.

Ik kan  gevallen aanhalen waarbij men zogezegd een nieuw leefdomein voor planten ontdekt (varens, grassen, en andere waaronder ook struiken zoals buddleya en bomen zoals salix en betula). We zien ze daar groeien, maar hun kieming  slaagde enkel in het jaar en seizoen dat het klimaat er gunstig voor was, o.a. op  (vochtige) muren en in rotsspleten.

Een  ander goed voorbeeld is de gevreesde huiszwam (Morulea lacrimans) waarvan de sporen  enkel zullen kiemen, wanneer -meestal insijpelend- water het hout permanent  vochtig houdt. Op droog hout kunnen deze sporen onmogelijk  kiemen.

Uit deze uitzonderlijke voorbeelden blijkt  dat het zaad van elke plant zich slechts kan ontwikkelen binnen bepaalde  gunstige parameters.

Maretak behoort tot de groep planten waarbij  het zaad nooit mag uitdrogen. Gelukkig is het omgeven door een netje vezels, die,  mijns inziens, hygroscopisch moeten zijn. Het zaad is ook taai zodat het een  zekere weerstand tegen uitdroging kan bieden. Zo kan het overleven in regio's  waar de luchtvochtigheid gedurende warme en droge perioden hoog blijft met  nachtelijke condensatie als gevolg. Enkel in dit microklimaat kan de kieming slagen  en merkt men pas jaren nadien de aanwezigheid van de  maretak.

In een groot deel van Vlaanderen hebben deze gunstige parameters zeer, zeer uitzonderlijk, een heel jaar stand gehouden; dit circa 15 à 20 jaar geleden.

De lijsters verspreiden wel elk jaar de zaden maar dat jaar alleen slaagde hun kieming. Zo zag men jaren nadien hier en daar maretakken waar er voordien NOOIT waren.

Mijns inziens moet men deze planten in kaart brengen om inzicht te krijgen in deze eenmalige geslaagde uitbreiding vanuit de bronpopulatie; hoever de lijsters hun zaden verspreidden en waarlangs ze vlogen. Vermoedelijk groeit de meest noordelijke plant ten noorden van Eeklo op 100 m. van de Nederlandse grens (bron: Wielewaal).

Vorige week ontdekte ik nog een grote bol, gevormd door verschillende planten op een alleenstaande wilg langs de baan Heusden-Destelbergen. De inwoners hadden dit nog nooit eerder gezien en vroegen zich af hoe hij er wel gekomen was!

Met deze inventarisatie mag men niet te lang wachten, want in Hekelgem alleen al zijn er reeds 4 verdwenen omdat die bomen geveld werden.

Wanneer men deze epifytische kieming heeft begrepen, krijgt men een ander inzicht over zijn voorkomen. Waarom maretak slechts  heel plaatselijk groeit; waarom men in bestaande kolonies slechts af en toe  een nieuwe generatie ziet verschijnen en ook waarom hij zo woekert daar waar het gunstig microklimaat voor zijn kieming zo vaak plaats vindt. Daar is hij inderdaad een ware plaag,  steeds op bomen waar het licht de takken goed kan bereiken.
 

3. Betreffende de reactie van de boom op de indringing van maretak.

De enige halfparasiet van onze flora, Viscum album, veroorzaakt een verdikking van de tak waarop hij zich innestelt. Dit wordt vaak uitgelegd als een mislukte reactie van de boom op de indringer. Voor deze uitleg zie ik echter geen overtuigend bewijs. Wel vond ik een logische verklaring: aangezien het waterverbruik (de fotosynthese) bij de maretak vrij hoog ligt, is het mogelijk dat de watertoevoer van de boom op die plaats ontoereikend is voor de maretak; gezien de meervraag reageert de boom door meer xyleem te produceren met een verdikking voor gevolg. (zie foto's en schetsen)

Het deel van de tak gelegen boven de inplanting van de maretak sterft ook af omdat die zo veel ruw sap opeist, waardoor er niet voldoende overblijft voor de tak zelf. Dit bewijst meteen zijn hoog waterverbruik.

In Zambia zag ik deze zomer ook verscheidene halfparasieten. In de tuin van Mike G  Bingham plukte ik er één die mijn stelling over deze zaak kon bewijzen: het betreft Tapinanthus erianthus groeiend op Hibiscus rosa-sinensis, Omdat de plaats van de inplanting zo merkwaardig en relevant was, plukte ik er een en nam ik een foto en maakte er enkele tekeningen van. Het twijgje van Hibiscus is slechts 4-5 mm dik en het onderliggend deel blijkt niet te lijden van de in verhouding nochtans zware halfparasiet. 

Deze reactie is verschillend van die van onze maretak:

In dit bijzonder geval stond de inplanting boven op een schuin naar beneden hellend hibiscustakje.
Deze merkwaardige voorbeelden tonen aan dat de boom de halfparasiet niet tracht te hinderen in zijn ontwikkeling maar in tegendeel zijn eis een brede voet (tapinanthus) of een gezwel (maretak) te vormen met eigen weefsel inwilligt. 
Zou de aanwezigheid van meer polyphenolen, zoals vermeld staat in de bijdrage over Viscum album in "La recherche" niet de aanzet van de boom zelf zijn, niet om de indringing tegen te werken, maar veeleer om de eis van de maretak meer xyleem, dus bredere jaarringen aan te maken, in te willigen en zo een verhoogde aanvoer van mineraalsap toe te laten?
4. Kunnen sommige bomen een resistentie tegen de indringing van de haustor van maretak uitbouwen?
In het Franse tijdschrift "La recherche" staat er een merkwaardige bijdrage over maretak waarin beweerd wordt dat sommige bomen, waarop maretak zelden of nooit voorkomt, een resistentie zouden kunnen uitbouwen waarbij de indringing van deze haustor zou geneutraliseerd worden.
Door die resistentie zou de haustor tijdens zijn ontwikkeling dermate geremd worden dat zijn reserves opgebruikt raken en hij dan uitdroogt.
Sommige auteurs schrijven ook dat de haustoria worden omkapseld en afgesloten.
Verder staat er ook dat het zaadje, eenmaal op de tak beland, een VRIJ LEVEN doormaakt van december tot mei en dat gedurende deze ZEER ONZEKERE EN WISSELVALLIGE PERIODE het zaadje van zijn reserves leeft. Hoewel deze verklaring niet onjuist is, geeft  ze toch op ontoereikende wijze weer hoe het zaadje kiemt en tracht te overleven.
Omdat deze auteurs dit kiemingsproces onvoldoende begrepen, trokken ze, volgens mij, uit hun experimenten twijfelachtige conclusies.
Persoon= lijk besteedde ik zeer veel tijd om het kiemingsproces op experimentele en tuinbouwkundige wijze te doorgronden. In een eerste fase kende ik veel mislukkingen, te wijten aan het ongunstig microklimaat in mijn streek. In een tweede fase maakte ik vooruitgang, maar ik beheerste nog niet alle factoren die bij deze kieming een rol speelden. Zo stelde ik toen nog vast dat levenskrachtige kiemen in de nazomer nog uitdroogden omdat de vochtigheid er enige dagen te laag was, zelfs op appelbomen. Pas dit jaar ervoer ik dat ook rechtstreeks zonlicht onontbeerlijk en levensnoodzakelijk blijkt te zijn voor de gunstige evolutie van de kiem, en dit terwijl zonlicht toch ongunstig is inzake vochtbehoud.
Nu pas besef ik dat bepaalde bomen met een  bladerdak dat geen rechtstreeks zonlicht toelaat op hun takken geen succesvolle  dragers van maretak kunnen zijn. Deze factor is ongetwijfeld de voornaamste  reden waarom maretak niet voorkomt op bomen met een dichte kruin. In bossen vindt men maretak trouwens alleen aan de rand waar zonlicht de takken intens kan belichten.

 

5.Licht: een belangrijke en onderschatte parameter. 

In de tropen zijn epifyten met gefilterd zonlicht vaak tevreden, maar dat blijkt dus niet het geval te zijn met onze maretak. Rechtstreeks zonlicht is inderdaad voor hem een zeer belangrijke parameter vanaf zijn kieming.

Observatie toont aan dat de maretak slechts groeit op alleenstaande en op  lichtdoorlatende bomen, bomen in een rij, of aan bosranden, meestal naar het zuiden  gericht, zelden of nooit op struiken of dicht bij de grond waar er minder licht  is. 

Ik  deel niet de mening van degenen die denken dat de lijster, (belangrijke verspreider van het maretakzaad) zich niet in de bossen begeeft, maar op de rand ervan blijft.

Wel is het juist dat de plaats waar nu maretak groeit, afhankelijk was van de willekeurige verplaatsingen van de verspreider, maar zonder de gunstige parameters  komt er geen geslaagde kieming.

De complexiteit van de synergie en van het  behoud van deze parameters over een lange periode legt uit waarom het verspreidingsgebied van maretak zo plaatselijk gebonden is.
 

6. Vervroeging van het kiemingsproces.

De voorkieming die ik in mijn bijdrage twee jaar geleden voorstelde, mislukte nadien bij mij. Daarom deze rechtzetting:

Drie jaar geleden lukte die werkwijze wel omdat ik pas eind februari ermee begon. Dit bleek te laat gestart om de eerste blaadjes reeds in het najaar te verkrijgen; bijgevolg stelde ik dan voor dit vroeger te starten. Nu weet ik dat het te zwakke zonlicht in de winter de oorzaak van de mislukking  was.

Dit jaar, toen ik in maart 2000 bessen ging  oogsten, stelde ik tot mijn verbazing vast dat de maretakkiemen in de bessen al zichtbaar waren; deze voorkieming greep dus plaats dank zij het zonlicht en zijn opwarming in de bes.

Voor het jaar 2001 trek ik lessen uit vroegere ervaringen:

Ik ben van plan de voorkieming nog vroeger aan te vatten (eind december) maar ditmaal op volgende wijze:

Ik haal de zaden niet meer uit de bessen, maar plaats de bessen op hun takjes in een vaas water na de jaarse scheuten met bladeren te hebben weggeknipt. Ik houd het geheel relatief warm en goed belicht, wat ik op verscheidene wijzen zal uittesten:

Naast bovenvermelde tests wil ik ook een reeks opzetten, die ik vooraf enkele dagen in de koelkast hou en dit ondanks het feit dat alle in december geoogste bessen vermoedelijk hun vernalisatie reeds achter de rug zullen hebben.
Door een voorkieming in de bes zelf te verkrijgen valt het probleem weg de zaden vochtig te moeten houden. Hiermee hoop ik half maart sterk voorgekiemde zaden uit de bes te kunnen halen om ze dan op takken aan te brengen. Als alles naar plan verloopt, moeten de eerste twee blaadjes dan in de herfst 2001 te zien zijn. Dit is wat ik wens te bereiken.
Het is nuttig hier te herhalen dat men de bessen een paar dagen op voorhand doet barsten. Het vast en ondoorschijnend vruchtvlees wordt dan vloeibaar en doorschijnend en dan pas ziet men dat het zaadje groen is. Het zaadje met zijn kiem kan dan beter in de gewenste stand op de tak aangebracht worden, zonder gevaar voor verschuiving nadien. Inderdaad, vooral na regen verschuift het kiemend zaadje dikwijls en valt soms van de tak wanneer men het in het vaste vruchtvlees aanbrengt.
Men slaagt er blijkbaar niet in maretak in vitro te zaaien, dat lukte mij vroeger ook nooit. Nu zou ik het proberen met in de bes reeds voorgekiemde zaden, doch ik beschik niet meer over die mogelijkheid. Graag het resultaat van hen die het gaan proberen.

 

7. Halfparasiet of toch symbiose?

In alle publicaties is men het erover eens dat maretak enkel het mineraalsap van de draagboom aftapt en zelf aan fotosynthese doet voor eigen groei, maar af en toe leest men dat een vorm van symbiose misschien niet uitgesloten is.

Ik meen met wat volgt het bewijs te leveren dat dit niet mogelijk is:

In een eerste fase doorboort de haustor het floëem (de bast) waarin het voedzame verwerkt- of assimilatiesap vloeit. De haustor zou dat sap kunnen opnemen en vanaf dit ogenblik dus niet meer afhankelijk zijn van de klimaatsomstandigheden. De epifyt zou dan een parasitaire fase doormaken en pas later, als het mineraalsap bereikt is, halfparasiet worden.
In werkelijkheid gebeurt dit niet omdat de kiem epifytisch blijft evolueren in een inderdaad zeer onzekere en wisselvallige toestand die hem zelfs nog in de tweede helft van de zomer fataal kan worden. Dit bewijst volgens mij dat hij dat voordeel, dat voor het grijpen ligt, niet gebruikt en nog wel in de meest kritische periode van zijn bestaan.
Bijgevolg zal het ook later niet gebeuren.
Dit dus wat onze maretak betreft, maar over de biologie van tropische of subtropische halfparasieten kan ik me niet uitspreken.
Een dergelijke logische uitleg voor de verkwijning van deze bomen las ik eveneens nog nergens.
Besluit : er zijn volgens mij geen tekenen die wijzen op mutualismesymbiose, d.w.z.
waarbij zowel boom als maretak voordeel  hebben.
Nochtans oefent de boom toch wel invloed uit op zijn maretak en die kan verschillen per boomsoort. In de literatuur noteerde ik het volgende:
Volgens mij zou systematisch onderzoek naar maretak per boomsoort niet enkel kleine verschillen in habitus maar ook in chemische samenstelling aan het licht brengen.
8. Maretak geparasiteerd door maretak.
In de betrokken literatuur vindt men ook de lijst van de bomen waarop maretak ooit gevonden werd. In die lijst las ik dat maretak op maretak kan voorkomen.
Ik vroeg me toen af hoe men zulks kon vaststellen, maar bij het zien van dit fenomeen dacht ik onmiddellijk aan het ei van Columbus! Hoe had ik daar zelf niet aan gedacht?!
Maretak vormt ieder jaar nieuwe vertakkingen, maar enkel op het hout van het vorige jaar, zodat de jaarse scheuten met hun bladeren zich steeds aan de buitenkant van de bol bevinden. Nooit ontstaat er een scheut op een onderliggende oudere vertakking. Ook na het oogsten van enige takjes of van alle takken, komen er op de overgebleven stompen geen jonge scheuten.
De enige uitleg voor het ontstaan van een nieuwe scheut op een oude tak is bijgevolg een zaadje dat op die plek is gekiemd. Zo eenvoudig is het, maar dit staat weer nergens beschreven.
Vermeldenswaardig is nog volgende vaststelling:
Een maretak die op een maretak is gekiemd, veroorzaakt geen gezwel op de plaats der inplanting. De geparasiteerde stengel ontwikkelt zich verder op dezelfde wijze als de niet geparasiteerde stengels. Eigen weefsel veroorzaakt geen reactie en de aanvoer van mineraalsap wordt hier evenwichtig verdeeld met de nieuwe vertakking die de parasiterende maretak in feite is (zie foto's).

 

9. Onverwachte reacties van de  maretak.

Wanneer men voor de eindejaarsfeesten een bosje maretak koopt, droogt het uit, maar wanneer men dit in een vaas met water zet, zal het weken lang vers blijven. Dit experimenteerde ik zonder het water te verversen, zonder een vernieuwde snijwonde aan te brengen en zonder houdbaarheidsmiddelen toe te voegen. Na enige weken vielen alle takken als puzzeldeeltjes uit elkaar, alle bladeren en de stengeldeeltjes afzonderlijk.

Een andere onverwachte reactie ervoer ik met twee jonge maretakken die op lijsterbes (Sorbus sp) groeiden, die in een kuip stond. In 1998 vormden ze hun eerste twee blaadjes. Een plantje was duidelijk groter dan het andere. In 1999 vormde de grootste plant drie stengels met lengtes van 8, 7 en 6 cm, terwijl de kleinste twee stengels maakte van 5 en 4 cm lengte, elk met twee blaadjes.

Zoals het met kuipplanten kan gebeuren stonden ze in augustus eens te droog zodat de lijsterbes er wat gele bladeren aan overhield. Groot was mijn verbazing toen ik zag dat de twee maretakjes hun jaarse stengels hadden afgeworpen en de twee stompjes van het vorig jaar bleven staan. Het daaropvolgend jaar, 2000, bleek de grootste stomp nog in leven terwijl de kleinste er uitgedroogd afviel. Begin augustus stelde ik aan één zijde van de grote stomp bovenaan een groen puntje vast. Half november was dit uitgegroeid tot twee nog niet ontloken blaadjes, 7 mm lang en 3 mm breed en een nieuw groen puntje aan de overkant. Verdere ontwikkeling zie ik pas het volgend jaar.

Wat mijn proef betreft, namelijk zaden in hun bes te laten kiemen begin 2001, ligt er  nog een addertje onder het gras: zullen die tweejaarse stengelleden, waarop de  bessen staan, lang genoeg blijven leven op water? Ik zal wel wekelijks het  water verversen en de stengels inkorten maar er geen houdbaarheidsmiddel voor snijbloemen aan toevoegen.

Ter informatie geef ik volgende ervaring:  wanneer men tijdens de winter rozen wil "zetten" (entwijze met levend hout, in groei), zal de enting niet slagen, wanneer de snijrozen vooraf in water  met houdbaarheidsmiddel werden geplaatst. Ik wil dus deze mogelijke rem vermijden bij mijn proeven met maretakzaad.
 

10. Voorlopig  einde.

Dit essay heb ik meer dan twee jaar geleden op Internet geplaatst, lang voor ik alle raadsels kon uitleggen; nu volgt deze bijlage. Daarmee was ik wel de eerste die het anders zag en juister begreep, maar bekwam ik ook wat ik  zocht, namelijk reacties van geïnnteresseerden. Uit dit alles en door mijn proefnemingen verkreeg ik een beter inzicht, dit heb ik hier samengevat. Weer kijk ik uit naar nieuwe reacties. Wanneer alles zal doorgrond zijn, zal ik het in één artikel verwerken.
 

Maretak op appelboom
TAPINANTHUS ERIANTHUS op HIBISCUS ROSASINENSIS
De maretak geparasiteerd door maretak
Literatuur
 

Nieuwe site: http://users.chello.be/sf15590/index.html
 
 

Correspondentie enkel per brief aan mijn privé adres a.u.b. :

Charles  DECLERCK
Brusselbaan 45
1790 Affligem
België