De Maretak - Bijlage van 31 december 2000Inhoud :
Maretak op appelboom
TAPINANTHUS ERIANTHUS op HIBISCUS ROSA-SINENSIS
De maretak geparasiteerd door maretak
Literatuur
1.
Beschouwingen over het verspreidingsgebied van maretak.
In de literatuur vindt men landkaarten waarop aangeduid staat waar maretak voorkomt. Op sommige plaatsen komt hij = veelvuldig voor, op andere slechts sporadisch. In beide streken heeft men sinds mensenheugenis maretak steeds gezien, maar verderop komt er geen maretak voor. Soms liggen de maretakzones zo ver uit elkaar, dat het bijna onmogelijk is dat de verspreider hem van de ene naar de andere streek heeft kunnen overbrengen.
Het gebeurt wel dat men hem zeer uitzonderlijk toch opmerkt op plaatsen waar men hem voordien nooit zag, maar in die gevallen komt er geen uitbreiding. Dit gebeurde op verschillende plaatsen in Vlaanderen zowat 15 à 20 jaar geleden en bewijst meteen dat de lijsters de zaden over grote afstanden verspreiden.
De
oorsprong van het streekgebonden voorkomen van maretak meen ik als volgt
te kunnen uitleggen.
Duizenden
jaren geleden was het klimaat voor maretak gunstiger zodat hij toen veel
algemener voorkwam. Nu ziet men hem slechts in de kleinere zones waar het
microklimaat voor zijn kieming optimaal is, daardoor kan hij zich enkel
daar handhaven.
Voor
deze mogelijke uitleg kreeg ik een bevestiging te horen tijdens mijn verblijf,
deze zomer, in Zambia. Het droge seizoen duurt er 8 maanden, het regenseizoen
4. Alle planten zijn daaraan aangepast, waaronder ook de halfparasieten
en epifyten. Ik ontmoette er Mike G. Bingham, Vegetation and Wildlife Ecologist.
Hij had vastgesteld dat dezelfde epifytische orchideeën enkel in sommige
besloten valleien voorkwamen; deze waren vaak zo ver van elkaar verwijderd
dat de verspreiding van hun zaden over zulke afstanden zeer onwaarschijnlijk
was.
Hij
was van oordeel dat vele eeuwen geleden het klimaat een algemene verspreiding
van die orchideeën toeliet, terwijl dit klimaat, gunstig voor de kieming,
op heden slechts in die geïsosoleerde valleien terug te vinden is.
Zoals
bij orchideeën evolueert de kieming van maretak ook epifitisch; zijn
kiemtijd duurt één groeiseizoen. Zodra hij het xyleem (spinthout)
heeft bereikt, wordt hij zelfstandige halfparasiet en is niet meer afhankelijk
van het microklimaat. Inderdaad, wanneer men erin geslaagd is maretakjes
op een boompje te doen kiemen, mag men de draagboom elders verplanten.
De maretak zal er zich verder ontwikkelen. Hij zal echter, in zijn nieuwe
omgeving, geen begin betekenen van een nieuwe explosie van zijn soort.
2.
Over de kieming van maretak als epifyt.
Uit
de literatuur en uit ontvangen reacties blijkt dat de algemeen verspreide
mening dat het zaadje van maretak over voldoende reserves beschikt om tot
het xyleem van de tak door te dringen, zo verankerd is, dat men niet inziet
dat dit zaadje als een epifyt kiemt.
Om
te kiemen heeft het zaad van elke plant een gunstige hoeveelheid warmte,
vocht, lucht, en soms licht nodig. Bij een onjuiste hoeveelheid van één
of meer van deze elementen stopt het kiemingsproces tijdelijk of definitief
(met de dood tot gevolg).
Bij
de kieming als epifyt (dus op een tak gekleefd en bijgevolg afhankelijk
van de klimatologische omstandigheden) is de aanwezigheid van vocht de
meest determinerende factor, na enige tijd droogte zal het zaadje er afsterven.
Het zaadje van de maretak en de kiem zelf zijn groen wat wijst op fotosynthese vanaf het begin, bijgevolg heeft het nood aan licht en vocht. De reserves in het zaadje alleen zijn onvoldoende om eerst de kiem te vormen en nadien om de penetratie van de haustor (duiker) tot een goed einde te brengen, zonder de bijkomende hulp van zijn fotosynthese. Naar mijn weten ben ik de enige die deze veralgemeende misopvatting rechtzet.
In de tropen en de subtropen groeien er echte epifyten zoals orchideeën en bromelia's. Ze kiemen enkel met succes daar waar het microklimaat gunstig is. Wanneer vocht regelmatig ontbreekt, ziet men deze epifyten niet op de bomen omdat hun kieming er faalde. Bijvoorbeeld kan men in Zambië een epifytische orchidee in een besloten vallei wegnemen en ze in de tuin op een boom overplanten. Die orchidee zal zich daar verder ontwikkelen, bloeien, maar het zaad dat zij er zal verspreiden zal er nooit kunnen kiemen.
Vermits
er in onze eigen flora geen hogere planten zijn die epifytisch groeien,
kent men van deze kieming en haar ontwikkeling wel de theorie, maar mist
men er het praktisch inzicht van.
Ik
kan gevallen aanhalen waarbij men zogezegd een nieuw leefdomein voor
planten ontdekt (varens, grassen, en andere waaronder ook struiken zoals
buddleya en bomen zoals salix en betula). We zien ze daar groeien, maar
hun kieming slaagde enkel in het jaar en seizoen dat het klimaat
er gunstig voor was, o.a. op (vochtige) muren en in rotsspleten.
Een
ander goed voorbeeld is de gevreesde huiszwam (Morulea lacrimans) waarvan
de sporen enkel zullen kiemen, wanneer -meestal insijpelend- water
het hout permanent vochtig houdt. Op droog hout kunnen deze sporen
onmogelijk kiemen.
Uit deze uitzonderlijke voorbeelden blijkt dat het zaad van elke plant zich slechts kan ontwikkelen binnen bepaalde gunstige parameters.
Maretak behoort tot de groep planten waarbij het zaad nooit mag uitdrogen. Gelukkig is het omgeven door een netje vezels, die, mijns inziens, hygroscopisch moeten zijn. Het zaad is ook taai zodat het een zekere weerstand tegen uitdroging kan bieden. Zo kan het overleven in regio's waar de luchtvochtigheid gedurende warme en droge perioden hoog blijft met nachtelijke condensatie als gevolg. Enkel in dit microklimaat kan de kieming slagen en merkt men pas jaren nadien de aanwezigheid van de maretak.
In een groot deel van Vlaanderen hebben deze gunstige parameters zeer, zeer uitzonderlijk, een heel jaar stand gehouden; dit circa 15 à 20 jaar geleden.
De lijsters verspreiden wel elk jaar de zaden maar dat jaar alleen slaagde hun kieming. Zo zag men jaren nadien hier en daar maretakken waar er voordien NOOIT waren.
Mijns inziens moet men deze planten in kaart brengen om inzicht te krijgen in deze eenmalige geslaagde uitbreiding vanuit de bronpopulatie; hoever de lijsters hun zaden verspreidden en waarlangs ze vlogen. Vermoedelijk groeit de meest noordelijke plant ten noorden van Eeklo op 100 m. van de Nederlandse grens (bron: Wielewaal).
Vorige week ontdekte ik nog een grote bol, gevormd door verschillende planten op een alleenstaande wilg langs de baan Heusden-Destelbergen. De inwoners hadden dit nog nooit eerder gezien en vroegen zich af hoe hij er wel gekomen was!
Met deze inventarisatie mag men niet te lang wachten, want in Hekelgem alleen al zijn er reeds 4 verdwenen omdat die bomen geveld werden.
Wanneer
men deze epifytische kieming heeft begrepen, krijgt men een ander inzicht
over zijn voorkomen. Waarom maretak slechts heel plaatselijk groeit;
waarom men in bestaande kolonies slechts af en toe een nieuwe generatie
ziet verschijnen en ook waarom hij zo woekert daar waar het gunstig microklimaat
voor zijn kieming zo vaak plaats vindt. Daar is hij inderdaad een ware
plaag, steeds op bomen waar het licht de takken goed kan bereiken.
3. Betreffende de reactie van de boom op de indringing van maretak.
De
enige halfparasiet van onze flora, Viscum album, veroorzaakt een verdikking
van de tak waarop hij zich innestelt. Dit wordt vaak uitgelegd als een
mislukte reactie van de boom op de indringer. Voor deze uitleg zie ik echter
geen overtuigend bewijs. Wel vond ik een logische verklaring: aangezien
het waterverbruik (de fotosynthese) bij de maretak vrij hoog ligt, is het
mogelijk dat de watertoevoer van de boom op die plaats ontoereikend is
voor de maretak; gezien de meervraag reageert de boom door meer xyleem
te produceren met een verdikking voor gevolg. (zie foto's en schetsen)
Het deel van de tak gelegen boven de inplanting van de maretak sterft ook af omdat die zo veel ruw sap opeist, waardoor er niet voldoende overblijft voor de tak zelf. Dit bewijst meteen zijn hoog waterverbruik.
In
Zambia zag ik deze zomer ook verscheidene halfparasieten. In de tuin van
Mike G Bingham plukte ik er één die mijn stelling over
deze zaak kon bewijzen: het betreft Tapinanthus erianthus groeiend op Hibiscus
rosa-sinensis, Omdat de plaats van de inplanting zo merkwaardig en relevant
was, plukte ik er een en nam ik een foto en maakte er enkele tekeningen
van. Het twijgje van Hibiscus is slechts 4-5 mm dik en het onderliggend
deel blijkt niet te lijden van de in verhouding nochtans zware halfparasiet.
Deze
reactie is verschillend van die van onze maretak:
5.Licht:
een belangrijke en onderschatte parameter.
In
de tropen zijn epifyten met gefilterd zonlicht vaak tevreden, maar dat
blijkt dus niet het geval te zijn met onze maretak. Rechtstreeks zonlicht
is inderdaad voor hem een zeer belangrijke parameter vanaf zijn kieming.
Observatie
toont aan dat de maretak slechts groeit op alleenstaande en op lichtdoorlatende
bomen, bomen in een rij, of aan bosranden, meestal naar het zuiden
gericht, zelden of nooit op struiken of dicht bij de grond waar er minder
licht is.
Ik
deel niet de mening van degenen die denken dat de lijster, (belangrijke
verspreider van het maretakzaad) zich niet in de bossen begeeft, maar op
de rand ervan blijft.
Wel
is het juist dat de plaats waar nu maretak groeit, afhankelijk was van
de willekeurige verplaatsingen van de verspreider, maar zonder de gunstige
parameters komt er geen geslaagde kieming.
De
complexiteit van de synergie en van het behoud van deze parameters
over een lange periode legt uit waarom het verspreidingsgebied van maretak
zo plaatselijk gebonden is.
6.
Vervroeging van het kiemingsproces.
De
voorkieming die ik in mijn bijdrage twee jaar geleden voorstelde, mislukte
nadien bij mij. Daarom deze rechtzetting:
Drie
jaar geleden lukte die werkwijze wel omdat ik pas eind februari ermee begon.
Dit bleek te laat gestart om de eerste blaadjes reeds in het najaar te
verkrijgen; bijgevolg stelde ik dan voor dit vroeger te starten. Nu weet
ik dat het te zwakke zonlicht in de winter de oorzaak van de mislukking
was.
Dit jaar, toen ik in maart 2000 bessen ging oogsten, stelde ik tot mijn verbazing vast dat de maretakkiemen in de bessen al zichtbaar waren; deze voorkieming greep dus plaats dank zij het zonlicht en zijn opwarming in de bes.
Voor
het jaar 2001 trek ik lessen uit vroegere ervaringen:
Ik
ben van plan de voorkieming nog vroeger aan te vatten (eind december) maar
ditmaal op volgende wijze:
Ik
haal de zaden niet meer uit de bessen, maar plaats de bessen op hun takjes
in een vaas water na de jaarse scheuten met bladeren te hebben weggeknipt.
Ik houd het geheel relatief warm en goed belicht, wat ik op verscheidene
wijzen zal uittesten:
7. Halfparasiet of toch symbiose?
In
alle publicaties is men het erover eens dat maretak enkel het mineraalsap
van de draagboom aftapt en zelf aan fotosynthese doet voor eigen groei,
maar af en toe leest men dat een vorm van symbiose misschien niet uitgesloten
is.
Ik meen met wat volgt het bewijs te leveren dat dit niet mogelijk is:
9.
Onverwachte reacties van de maretak.
Wanneer men voor de eindejaarsfeesten een bosje maretak koopt, droogt het uit, maar wanneer men dit in een vaas met water zet, zal het weken lang vers blijven. Dit experimenteerde ik zonder het water te verversen, zonder een vernieuwde snijwonde aan te brengen en zonder houdbaarheidsmiddelen toe te voegen. Na enige weken vielen alle takken als puzzeldeeltjes uit elkaar, alle bladeren en de stengeldeeltjes afzonderlijk.
Een
andere onverwachte reactie ervoer ik met twee jonge maretakken die op lijsterbes
(Sorbus sp) groeiden, die in een kuip stond. In 1998 vormden ze hun eerste
twee blaadjes. Een plantje was duidelijk groter dan het andere. In 1999
vormde de grootste plant drie stengels met lengtes van 8, 7 en 6 cm, terwijl
de kleinste twee stengels maakte van 5 en 4 cm lengte, elk met twee blaadjes.
Zoals het met kuipplanten kan gebeuren stonden ze in augustus eens te droog zodat de lijsterbes er wat gele bladeren aan overhield. Groot was mijn verbazing toen ik zag dat de twee maretakjes hun jaarse stengels hadden afgeworpen en de twee stompjes van het vorig jaar bleven staan. Het daaropvolgend jaar, 2000, bleek de grootste stomp nog in leven terwijl de kleinste er uitgedroogd afviel. Begin augustus stelde ik aan één zijde van de grote stomp bovenaan een groen puntje vast. Half november was dit uitgegroeid tot twee nog niet ontloken blaadjes, 7 mm lang en 3 mm breed en een nieuw groen puntje aan de overkant. Verdere ontwikkeling zie ik pas het volgend jaar.
Wat
mijn proef betreft, namelijk zaden in hun bes te laten kiemen begin 2001,
ligt er nog een addertje onder het gras: zullen die tweejaarse stengelleden,
waarop de bessen staan, lang genoeg blijven leven op water? Ik zal
wel wekelijks het water verversen en de stengels inkorten maar er
geen houdbaarheidsmiddel voor snijbloemen aan toevoegen.
Ter
informatie geef ik volgende ervaring: wanneer men tijdens de winter
rozen wil "zetten" (entwijze met levend hout, in groei), zal de enting
niet slagen, wanneer de snijrozen vooraf in water met houdbaarheidsmiddel
werden geplaatst. Ik wil dus deze mogelijke rem vermijden bij mijn proeven
met maretakzaad.
Dit
essay heb ik meer dan twee jaar geleden op Internet geplaatst, lang voor
ik alle raadsels kon uitleggen; nu volgt deze bijlage. Daarmee was ik wel
de eerste die het anders zag en juister begreep, maar bekwam ik ook wat
ik zocht, namelijk reacties van geïnnteresseerden. Uit dit alles
en door mijn proefnemingen verkreeg ik een beter inzicht, dit heb ik hier
samengevat. Weer kijk ik uit naar nieuwe reacties. Wanneer alles zal doorgrond
zijn, zal ik het in één artikel verwerken.
Maretak
op appelboom
TAPINANTHUS
ERIANTHUS op HIBISCUS ROSASINENSIS
De
maretak geparasiteerd door maretak
Literatuur
Nieuwe
site: http://users.chello.be/sf15590/index.html
Correspondentie enkel per brief aan mijn privé adres a.u.b. :Charles DECLERCK
Brusselbaan 45
1790 Affligem
België