de maretak.

Viscum album L.

 Home


Inhoud "DE MARETAK"
Inhoud "Bijlage 31 december 2000"
1. Achtergrondinformatie 1. Beschouwingen over het spreidingsgebied
2. Wat is nu een "Epifyt" ? 2. Over de kieming van maretak als epifyt
3. Waar ziet men maretak groeien ? 3. Betreffende de reactie van de boom op de indringing van maretak
4. De Verspreiding van de zaden. 4. Kunnen sommige bomen resistentie opbouwen?
5. Het kiemproces zelf 5. Licht : een belangrijke en onderschatte parameter
6. Hoe de kiemplant nu verder evolueert 6. Vervroeging van het kiemingsproces
7. De Maretakplant zelf. 7. Halfparasiet of toch symbiose ?
8. Maretak zaaien (basisprincipe) 8. Maretak geparasiteerd door maretak
9. Succesvol zaailingen verkrijgen 9. Onverwachte reacties van de maretak
10. De Mystiek 10. Voorlopig einde
11.Bijvoegsel 11. Maretak op Appelboom
12. Literatuur 12. TAPHINANTHUS ERIANTHUS op HIBISCUS ROSA-SINENSIS
13. Afbeeldingen 13. De Maretak geparasiteerd door maretak

Onder alle planten uit onze streken is maretak beslist een buitenbeentje, omdat zijn voorkomen op de bomen zo mysterieus lijkt. Hij boort zich in de bast en vormt daar een bolrond struikachtig organisme dat vooral gedurende de winter op loofbomen goed zichtbaar is omdat die hun bladeren verliezen en de maretak niet. Op sparren en andere bladhoudende bomen is hij daarom ook minder waarneembaar. Opvallend is wel dat de maretak in sommige streken veel, in andere slechts sporadisch en in nog andere helemaal niet voorkomt. Ook hebben sommige mensen geprobeerd zaadjes van maretak op hun bomen te zaaien, maar het lukte bijna nooit. Slechts in zeldzame gevallen, lukte het één enkele keer.

Mijn mislukte pogingen hebben mij aangezet naar de oorzaak daarvan te zoeken en na jaren heb ik "de geheimen van de maretak "ontsluierd.

Ook heb ik onder meer een aanvaardbare uitleg gevonden waarom een boom niet lijdt onder enige maretakken, maar wel kwijnt aan een overlast ervan.

Dit alles wil ik uitleggen, maar in de eerste plaats moet ik wat algemene kennis bijbrengen zodat blijkt hoe de vork ook aan de steel zit.

Achtergrondinformatie :

Alle groene planten hebben een ingenieus systeem ontwikkeld waaraan praktisch alle leven op aarde te danken is.

Bondig zit dit als volgt in elkaar:

De planten zuigen uit de grond het water met de daarin opgeloste mineralen of voedingszouten op. In de bladeren wordt een deel van het water verdampt en wordt koolzuurgas uit de lucht opgenomen. Onder invloed van het zonlicht is het bladgroen in staat koolzuurgas te binden aan water, dit heet fotosynthese of bladgroenverrichting. Het resultaat is verbluffend: koolzuurgas + water wordt suiker en zetmeel en een overschot aan zuurstof gaat de lucht in (planten geven immers zuurstof af). Als men dan ook weet dat de verschillende mineralen mee verwerkt worden bij die verbindingen, beseft men dat de fotosynthese gehele reeksen natuurlijke organische stoffen aanmaken die onder meer de plant zelf gaan voeden en opbouwen maar dat ook dieren van planten leven, de carnivoren verorberen de herbivoren en de omnivoren (zoals wij) hebben de planten én de dieren op hun menu. Dit alles dank zij de fotosynthese!

Nu moet men ook nog weten dat de wortels het water met de daarin opgeloste voedingszouten, ruw sap of ook mineraal sap genoemd, opzuigen en het naar de bladeren vervoeren langs het spek- of spinthout. Het bereide sap, ook assimilatiesap genoemd, resultaat van de fotosynthese, wordt langs de bast naar alle delen van de plant verdeeld tot in de kleinste wortelhaartjes.

Maretak is (slechts) een half-parasiet omdat hij zijn "wortel" door de bast heen boort tot aan het spinthout en daar enkel het ruw sap opzuigt en met zijn eigen bladgroen zijn eigen fotosynthese bewerkstelligt, dus zijn eigen suiker en organische stoffen aanmaakt.

De schade die de maretak zijn gastheer berokkent, is bijgevolg praktisch verwaarloosbaar (behalve als het er heel veel zijn...).

Wat is nu een "epifyt" ?

Het is een plant die de boom enkel gebruikt als groeiplaats. De regen voldoet aan zijn behoefte aan water en de voedingszouten zelf haalt hij vooral uit de bladexcretie, dit zijn exsudaten van het blad die rijk aan mineralen zijn. Het regenwater lost ze op en dan druipen ze af langs de takken. Bijgevolg verkrijgen epifyten zo de voor hen ook onontbeerlijke mineralen onrechtstreeks van de boom waarop ze groeien.

Epifyten zijn planten die geen contact hebben met de grond. Om op andere gewassen te kunnen overleven moet er een regelmatige aanvoer van vocht zijn en mogen ze er natuurlijk niet uitdrogen. De enige epifyten van onze streken zijn mossen en korstmossen die op de schors kunnen voorkomen, maar die lagere planten verdragen een tijdelijke uitdroging wel. Geen hogere planten, hebben in ons klimaat, daarom deze (moeilijk om erin te overleven) ecologische nis kunnen gebruiken, maar in de tropen zijn er heel wat meer, bomen zijn er soms beladen met orchideeën, bromelia's, varens en nog veel andere epifyten. Ondanks deze beschrijving ervaar ik dat men soms onvoldoende beseft wat epifytisch leven betekent. Daarom ware het nuttig "HOE KOMEN EPIFYTEN AAN DE NODIGE VOEDINGSZOUTEN " te lezen (zie literatuur)
 
 

Waar ziet men maretak groeien ?

Het zaadje van maretak die op een tak is beland, moet nu als epifyt zijn langdurig kiemingsproces proberen te overleven. Deze epifytische periode duurt van de vroege lente tot de late herfst. Pas dan kan de kiemplant het sap van de boom aftappen, pas dan is hij half-parasiet geworden. De kans is bijgevolg zeer groot dat hij gedurende een droge periode in de zomer uitdroogt of bij een hevige regenval wegspoelt, als hij niet op een goed beschermde plaats is terechtgekomen. Men moet er steeds rekening mee houden dat die zaden "in de lucht" kiemen.

Wat de verspreiding van maretak betreft moet men, volgens mij, België in drie streken indelen, gebaseerd op het microklimaat dat in elke streek kan voorkomen. Is dit microklimaat gunstig voor het overleven van de zaden gedurende hun langdurig epifytisch kiemingsproces dan zal dit gunstig evolueren. Die eigenschappen zijn: regelmatige regen, een hoge luchtvochtigheid, mist en nachtelijke condensatie gedurende warme en droge perioden in de zomer zodat de zaden dan ook over voldoende aanvoer van vocht beschikken en bijgevolg niet uitdrogen.

Waar dat microklimaat regelmatig voorkomt treft men veel maretak aan, dan zijn er door elkaar oudere, jongere en zeer jonge planten te zien. Toch kunnen daar ook te droge jaren voorkomen waarbij de zaden er uitdrogen, een gewone kiemproef kan er dan meestal mislukken... Maretak is daar niet overal aanwezig, de populaties zijn er sporadisch verspreid. Dat betekent dat er op de bomen, tussen twee populaties in, jaarlijks ongetwijfeld zaden terechtkomen maar dat daar de kieming nooit lukt.

Een collega vertelde mij dat hij 30 à 40 jaar geleden gedurende een studiereis aan de Maas een boomgaard appelbomen zag. De bomen die het dichtst bij de oever stonden waren door maretak overwoekerd, terwijl er geen maretak voorkwam op de bomen die hogerop stonden. Toen zei de begeleider dat het iets met het vocht te maken had... Het begrip "microklimaat" krijgt daarmee zijn volle betekenis, en toont heel goed aan hoe scherp de grens tussen gunstig en ongunstig voor de kieming soms is.

Dan zijn er streken waar men hier en daar maretak aantreft, maar heel zelden jongere planten ziet. Die oudere en jongere planten behoren duidelijk tot dezelfde leeftijdsgroepen. Logisch gevolg: in die streek was er af en toe een gunstig microklimaat voor de kieming (vb: Kortenberg en omstreken.)

Uiteindelijk zijn er streken waar maretak nooit voorkomt, hoewel daar soms zeer, zeer uitzonderlijk toch eens één of enige planten verschijnt/verschijnen die natuurlijk nooit nakomelingen krijgen. Het gunstige microklimaat is daar bijgevolg een zeer uitzonderlijke gebeurtenis.

Een ander feit bewijst eveneens dat mijn stelling juist is: elk jaar verspreiden vogels massa's zaden die zowel dichtbij als ver en soms heel ver op takken terechtkomen. Men mag aannemen dat daarvan toch een behoorlijk deel zich voor de kieming gunstig kan nestelen. Toch slaagt het allergrootste deel er niet in epifytisch te overleven gewoon omdat de zaden er uitdrogen.

Het zijn die enge grenzen waarbinnen het kiemingsproces slechts gunstig evolueert die de verspreiding van maretak in de natuur zo sterk beperkt en daarom lukt de kieming bijna nooit als men zelf zaadjes op takken aanbrengt.

De lezer die de problematiek niet kent, moet weten dat, volgens de informatie waarover ik beschik, nog nooit iemand erin geslaagd is de sluier van dit kiemingsproces op te lichten. Men stelt wel vast dat hier maretak groeit en daar niet, men zelf een kieming heeft die lukt of mislukt, maar niemand onderzoekt waarom kiemende zaden doorgroeien of afsterven. Men aanvaardt blindelings allerlei hypothesen bijvoorbeeld "gebonden aan kalkstreken" zonder te onderzoeken of die stelling wel juist is, alhoewel maretak in kalkstreken slechts heel plaatselijk voorkomt en maretak op zure gronden ook te vinden is. Het begrip "gebonden aan kalkstreken" is zo algemeen aanvaard dat ik mij verplicht voel het tegendeel nog te bewijzen.

Hier volgen twee gevallen, wat kalkhypothese betreft zijn zij totaal tegenstrijdig met elkaar, maar allebei zijn zij slechts een éénmalige verschijning in streken waar maretak eerder nooit voorkwam. Mijn interpretatie geeft echter wel een logisch antwoord op het probleem van de verspreiding van de maretak, maar blijft voor tegenspraak vatbaar.

Het eerste geval in Aalst-Mijlbeek, op een boogscheut van de kerk en van het zwembad staat een bosje canadabomen, een twintigtal jaren oud, in zeer zure grond, want de pH schommelt er tussen 4 en 4,5. Ik telde er niet minder dan veertien maretakken van circa 40-50 cm diameter, enige slechts op 5-7 meter van de grond en enkele hoog in de kruinen. Ook hier waren geen jonge planten te bespeuren, alhoewel de bessen van op de grond goed zichtbaar zijn. Ogenschijnlijk zijn ze even oud als de maretakken van Hekelgem, 6-7 km verder, waar de grond ook zuur is.

Het tweede geval is gelijkaardig, maar nu in een zeer kalkrijke grond: In de Rijkstuinbouwschool van Vilvoorde (nu Horteco) is de pH 8. De ondergrond is er één kalklaag. Rhododendron en Azalea zijn niet te telen en vooral de perebomen hadden het er lastig. Sommige percelen werden dan ook met zwavel behandeld om de pH te doen dalen. Tot vóór 1951 was er in het park van de school slechts één enkele zeer grote maretak hoog in een boom.

Toen ik er in 1960 terugkeerde was hij verdwenen, maar nooit werd er ooit voordien noch nadien een andere maretak aangetroffen, noch op hoge bomen van het park, noch op de omliggende bomen, noch ook op de vele canada's achter de school..., geen nakomelingen van die plant of geen een kieming van nieuwe zaden die lijsters jaarlijks toch her en der verspreiden. Dit in een kalkrijke streek!

De maretak bewijst zelf dat hij zich eveneens goed ontwikkelt op bomen die op zure gronden staan. Wanneer men het hout van die bomen verbrandt bevat de as o.m. calcium omdat er in zure gronden ook kalk zit maar dan wel in kleinere hoeveelheden. Bijgevolg vindt maretak in het mineraal sap van die bomen het nodige calcium voor zijn ontwikkeling. De aanwezigheid van maretak in de natuur heeft duidelijk niets te maken met de "hoeveelheid" kalk in de bodem maar wel met het gunstige microklimaat gedurende de langdurige epifytische fase van de kieming.
 
 

De verspreiding van de zaden.

De grote lijster (Turdus viscivorus) is de grootste verspreider van het zaad vooral over grote afstanden. Volgens een studie van de Vlaamse Landmaatschappij zou het eerder de kramsvogel of tjaklijster (Turdus Pilaris ) zijn die gedurende de terugtrek naar het noorden verantwoordelijk zou zijn voor de verspreiding van de zaden over grote afstanden. De meer plaatselijke verspreiding van de zaden gebeurt voornamelijk door de andere lijsterachtigen. Volgens "La Hulotte" gebeurt in Frankrijk de plaatselijke verspreiding ook door de zwartkopgrasmus (Sylvia Atricapilla). Zij opent de bes, peuzelt ze op en laat het klevende zaad achter op de tak. Vermits maretak op spar (Abies) en den (Pinus) op grotere hoogten voorkomt is vermoedelijk daar de pestvogel (Bombycilla garrulus) de verspreider van de zaden omdat lijsterachtigen in bergstreken niet zo geneigd zijn de toppen van coniferen op te zoeken terwijl de pestvogel dit wel doet.

Ook wil ik het sprookje uit de wereld helpen dat de verspreiding zou gebeuren door bessen of zaden die aan de bek van vogels zouden blijven kleven en kilometers verder aan een tak zouden worden afgeveegd. Primo plukken ze de bessen één voor één en slikken ze die meteen door, secundo kleven de bessen niet en tertio verdraagt geen enkele vogel dat er iets aan zijn snavel blijft hangen, gebeurt dit wel dan moet dit er meteen af alvorens hij wegvliegt!

Vermits over de verspreiding van de zaden door de lijsterachtigen heel wat misvattingen bestaan, wil ik dit onderwerp in een juister daglicht bespreken.

De grote lijster en/of de kramsvogel verspreiden de zaden over grote afstanden. In ons land heeft de terugtocht van de trek van die lijsters plaats in februari/maart, dus vanuit het zuiden, waar er maretak is, naar het noorden waar maretak niet voorkomt.

Ten onrechte beweert men dat een afstand van 2 km niet kan overbrugd worden en dat de zaden na een half uur al worden uitgescheiden. Het is de lijster zelf die het tegendeel bewijst !

Als men langdurige inspanningen levert, stroomt het meeste bloed naar de spieren en ligt het spijsverteringsstelsel bijna stil. Het is wel mogelijk dat men bij een gekooide lijster heeft vastgesteld dat de zaden reeds na een half uur verschenen, maar als de vogel trekt, kan hij grote afstanden afleggen om dan tot rust te komen in de kruinen van hoge bomen waar hij zich dan ontlast.

"Maretak in het Krekengebied" is daar een schoolvoorbeeld van. Volgens mij moet de dichtstbijzijnde bronpopulatie van maretak op meer dan 50 km afstand liggen.

Aalst is een gelijkaardig bewijs: Alle maretakken staan op de eerste rij bomen, niet in het midden of niet verspreid in het bosje populieren. De lijsters kwamen bijgevolg uit één richting en rustten uit in de boomtoppen van de eerste rij, aan de zuidkant natuurlijk!

Wanneer men aan een kerkhof in het Brusselse maretak aantreft op een rij canada's, is daar dezelfde uitleg geldig.

De bewering dat die maretak een plaatselijke besmetting zou zijn van de takjes mistletoe die op de graven worden gelegd, valt niet te verdedigen: enerzijds zal de grote lijster zich daar niet komen bevoorraden om dan naar canada's te vliegen en anderzijds kunnen zwarte merels (Turdus merula) en de andere lokale lijsterachtigen die bessen wel verorberen, maar die vliegen niet naar hoge canada's, maar wel naar de lagere boompjes en struiken van hun leefgebied.

Mijn uitleg is sluitend: een tiental jaar geleden was er in Vlaanderen een zeer uitzonderlijke zomer die voor de kieming van de maretak gunstig was. Al die maretakken uit het Krekengebied, Aalst, Hekelgem, Brussel en misschien nog op andere plaatsen, waar voordien nooit maretak voorkwam, worden natuurlijk jaren nadien pas zichtbaar. Die zijn bijgevolg allemaal even oud en dat kan gemakkelijk bepaald worden !

Ook dát gunstige jaar werden er takjes maretak op veel kerkhoven gedeponeerd en hebben merels en andere die zaden er dan plaatselijk ook verspreid... Toch werden er nergens maretakken gesignaleerd op de bomen van de kerkhoven! U ziet, zo eenvoudig is het niet.

Hier wil ik nog een merkwaardige vaststelling uiteenzetten : Op de E40 Brussel-Leuven staan er 10 jonge maretakken op jonge canadabomen en één op een acacia (Robinia Pseudoacasia) ter hoogte van Everberg. De autostrade is daar uitgegraven en de bomen staan boven op de berm, op een hoogte en onbeschut. De E40 loopt in een O-W richting met één rij canada's aan elke zijde , één aan de zuidelijke zijde en één aan de noordelijke. Het micro-klimaat is er beslist ongunstig en de lijsters zijn ongetwijfeld neergestreken op de bomen van beide rijen. Alle maretakken staan enkel op de noordelijke rij. Hoe valt dat te verklaren ? Mijn antwoord volgt en is voor tegenspraak vatbaar: Bij vochtig weer stuift het dag en nacht doorlopend verkeer mistwolken op die door de heersende Z-W winden steeds noordelijk afdrijven, maar dan is die bijkomende bevochtiging niet nodig. Bij warm en droog zomerweer koelen de takken s'nachts af en zal de waterdamp van de uitlaatgassen condenseren op de takken van de noordelijke rij en niet op de takken van de zuidelijke rij . Op de noordelijke rij kon de kieming doorgaan en op de zuidelijke rij droogden de zaden uit.

Wat verder leg ik uit waarom de zaden die laat in het seizoen op de bomen terechtkomen (gedurende de terugtrek van de grote lijster) de meeste kans maken om met succes te kiemen (ten minste als de zomer voor hen gunstig verloopt wat in Vlaanderen zeer uitzonderlijk is). Vergeet ook niet dat die lijsters elk jaar op diezelfde wijze overal zaden verspreiden die allen, jaar na jaar, gedurende de zomer iedere keer weer uitdrogen. De zaden, uit de bessen op het kerkhof net zoals die geproduceerd door de maretakken op de bomen, worden daarentegen meestal in de winter door de plaatselijke lijsterachtigen verspreid en dat is veel nadeliger voor hen.

Het kiemingsproces zelf.

Als je een bes openknijpt, komt er wat vloeibaar, doorschijnend en kleverig vruchtvlees uit en een melkwit bolletje dat bestaat uit vast vruchtvlees waarin één enkel (onzichtbaar) zaad zit. Het melkwit bolletje is zo glibberig dat je het zaad er niet uitkrijgt. Indien je echter bessen doet barsten en een paar dagen laat liggen en beschermt tegen uitdroging zal je vaststellen dat al het vruchtvlees vloeibaar en doorschijnend is geworden en dat het zaadje dan wel zichtbaar is. Het is duidelijk groen maar het zit gespannen in een netje vezeltjes. Wanneer die opdrogen ziet het zaadje er houtkleurig uit. Droog het af met een doek en je kunt het bekijken: het is afgeplat en ovaal, maar verschillende zaden zijn veel breder tot zelfs hartvormig. Het is van groot belang te weten waar de kiem zit. De vezelstructuur loopt duidelijk samen naar één punt, dit is de achterkant die verbonden was met het steeltje. De kiem bevindt zich altijd aan de overkant, te herkennen aan een ronde stip. De bredere zaden hebben twee tot drie kiemen, ook dit werd zelden opgemerkt. ('La Hulotte' vermeldt o.m. wel dat sommige zaden twee en drie kiemen kunnen vertonen maar hebben er verder geen commentaar bij). Om te kiemen moet het zaad niet noodzakelijk door het darmstelsel van een lijster gaan, maar het kiemt evengoed als men het rechtstreeks op een tak aanbrengt. Het is wel nuttig om te weten dat als een lijster zaden uitscheidt, in een kleverige brij uitwerpselen en ze eventueel op een tak terechtkomen dan mooi naar de onderkant of naar een andere beschutte plaats glijden, vooral als die tak vochtig is. Daar droogt het geheel op en de zaadjes zitten vast, beschermd tegen hevige regen en tegen de uitdrogende zon en bovendien met een kleine reserve meststof, die bij de vochtopname als epifyt misschien wel nuttiger is dan men vermoedt. Men moet goed beseffen dat het zaad van maretak een heel seizoen "in de lucht" kiemt.

Het kiemingsproces verloopt heel traag: het zaad neemt vocht op en doet aan fotosynthese omdat het groen is. De kiem die ook groen is, komt te voorschijn en keert zich weg van het licht, dus naar de tak toe. Zodra hij de tak raakt, vormt er zich een verbreding, een soort zuignap die zich vasthecht. Daaruit ontwikkelt zich een fijn worteltje, duiker genaamd, die zich door de schors en de bast tot op het spinthout boort, maar niet in het hout doordringt. Van dan af kan de duiker ruw sap opzuigen. Nadien, vaak pas het tweede jaar ontwikkelt de duiker cilindervormige draden in de lengterichting tussen hout en bast en die vormen op hun beurt nieuwe duikers.

Die duikers dringen dus niet in het hout, maar de boom vormt ieder jaar een nieuwe laag hout (de jaarringen in dwarsdoorsnede). De duikers blijven ter plaatse terwijl de nieuwe lagen rondom hen gevormd worden. Vermits de bast elk jaar ook wijkt en uitrekt omdat het hout steeds dikker wordt moeten de duikers ook wel uitrekken. Anders uitgedrukt: terwijl de bast progressief wijkt rekt de duiker mee.

Wanneer men later een maretak met de tak afzaagt en doorsneden van het hout maakt ziet men op verschillende diepten gaten die de duikers veroorzaakten. Men heeft de indruk dat zij zich in het hout boorden maar de juiste interpretatie is precies omgekeerd. Door de jaarlijkse lagen hout te tellen kan men bepalen op welke jaarring elke duiker het spinthout bereikte en eveneens hoe oud de maretak precies is.

Hoe de kiemplant nu verder evolueert?

Nadat de zuignap zich heeft vastgezet, wordt de groene kiem duidelijk dikker en gelijktijdig wordt het zaadje dunner. De reserve wordt opgebruikt en de fotosynthese werkt aanvullend.

De stevige kiem zal dan het geledigde zaadje zelfs oplichten, dit bewijst meteen dat de lijm vergaan is. Later valt de zaadhuid er ook af en blijft er enkel een nietig klein groen stengeltje over, een stompje van circa 4-5 mm lengte.

Gedurende de herfst is het vochtig genoeg en zal die kiem niet meer uitdrogen, maar in de winter deshydrateert de vorst heel sterk. Mocht de duiker het spinthout niet bereikt hebben, (vb als de schors te dik is of de warme periode van de zomer te kort), dan zal de kiem uitdrogen. Vermits het kiempje niet uitdroogt, bewijst het zelf dat de duiker de 'bron' in de herfst al heeft bereikt. Bijgevolg is dat nietig groen stompje in de herfst reeds onafhankelijke half-parasiet geworden. Die trage kieming en het eraan verbonden epifytische leven duurt dus niet 'meer dan één jaar', maar (slechts) van de late lente tot de herfst.

Naakte zaden op de takken zullen bij vriesweer ook uitdrogen, zij die nog in de bessen zitten natuurlijk niet. De pimpelmees (Parus caeruleus) lust die zaden en zal ze gedurende de winter ook opzoeken, maar zij haalt ze niet uit de bessen. Later, in maart/april zal zij liever op insecten jagen.

Deze gegevens leveren het bewijs dat de zaden die in de winter verspreid worden dus geen kans maken terwijl de zaden die laat verspreid worden de beste start krijgen. Dat de grote lijster en/of de kramsvogel gedurende de trek in februari/maart nog bessen eten bewijzen de zaailingen van de maretak op hoge canada's, maar ik betwijfel dat de andere lijsterachtigen die bessen in de vroege lente nog zullen nuttigen.

Wie vogels gedurende de winterperiode voedsel verschaft zal ook wel opgemerkt hebben dat die plaats in de winter druk bezocht wordt en dat dit progressief vermindert vanaf de vroege lente.

De temperatuur speelt bij dit langdurig kiemingsproces een zeer belangrijke rol. In de vroege lente kan het tijdens de dag soms lekker warm worden, maar de nachten blijven te koud. Daarom komen de meeste planten pas in groei wanneer de nachten wat warmer worden.

Maretak reageert eveneens op de temperatuur. Het kiemingsproces start laat en traag nadat de nachttemperatuur is gestegen.

Volgens mij stopt ook de verdere ontwikkeling in de herfst wanneer de nachten kouder geworden zijn. Het gevolg daarvan blijkt uit het feit dat de meeste kiemen hun twee eerste blaadjes pas na de winter kunnen vormen als de temperatuur voor de groei weer gunstig geworden is. Ik zie in de jeugdvormen van maretak (de kieming en het kiemplantje) veel overeenkomst met de epifytische orchideeën : binnen welbepaalde enge grenzen verdragen ze veel en ze kunnen wachten tot de omstandigheden voor de groei weer gunstig worden. Buiten die grenzen sterven ze echter heel vlug.

De maretakplant zelf.

De bolvorm van de maretak onstaat omdat de plant gaffelvormig groeit (een geval van dichotomie). Een éénjarige scheut heeft meestal twee tegenover elkaar staande blaadjes en daartussen een verdikking met ogen en met eventueel ook de bloemknoppen. Die staan op een stengeltje van circa 2 à 5 cm waarop geen ogen staan. Elk jaar groeien er uit die verdikking minstens twee nieuwe scheuten, ontwikkelen zich daar ook de bloemen en vallen de oude bladeren eraf. Bijgevolg staan de bladeren altijd op de jaarse scheuten en staan de bessen steeds een trapje lager op de scheut van het jaar voordien. (Onthoud nu al dat de gaffelvorm van de vertakkingen en de structuur van het hout zich niet leent tot het maken van pijlen...maar in de mythologie is natuurlijk alles mogelijk.)

Wanneer men maretak oogst, zullen de nieuwe scheuten zich nooit op de overgebleven stompen ontwikkelen, maar rechtstreeks uit de voet te voorschijn komen.

Maretak is tweehuizig, dit wil zeggen dat er afzonderlijk mannelijke en vrouwelijke planten bestaan.

Voorlopig weet ik nog niet of één enkel zaad dat twee of drie kiembuisjes vertoont planten oplevert van hetzelfde of van verschillend geslacht met andere woorden of die plantjes eeneiig of meereiig zijn. Deze vraagstelling of het antwoord erop las ik nog nergens. Indien één enkel zaadje met twee kiemen planten kan opleveren van verschillend geslacht kan één enkel zaad dat ergens volledig afgezonderd tot ontwikkeling komt toch bessen en zaden voortbrengen.In de studie van de Vlaamse Landmaatschappij vond ik het antwoord al : de plantjes die uit één zaadje ontstaan kunnen van verschillend geslacht zijn. Ze zijn bijgevolg heterozygoot

Maretak moet ook veel nectar aanmaken, want de bloemen worden druk bezocht door bijen en andere insecten, die bewijst eveneens de goede vruchtzetting: ze zijn steeds zwaar beladen met bessen.

Voor imkers zal het bijgevolg interessant zijn als ze maretak op hun bomen kunnen zaaien!

Maretak groeit op praktisch alle bomen en houtachtige gewassen, zowel op loofbomen als op coniferen. Op plataan komt hij nooit voor en op beuk en eik slechts uitzonderlijk. De reden is louter van technische aard. Bij de plataan (Platanus) schilfert de schors jaarlijks af en daarmee wordt de kiemplant afgeworpen voordat het kiemingsproces beëindigd is en bij beuk (Fagus) en eik (Quercus) is de schors van een waslaag voorzien. De lijm die aanvankelijk zo goed plakt, blijkt na verloop van tijd te verteren en dan komen de kiemplanten bij de minste aanraking los. De hechting gebeurt nog enkel door het intiem contact dat ontstaat tussen de vezelstructuren van het zaadje en van de schors, maar wanneer er tussen de schors en het kiemplantje een slechte adhesie ontstaat, valt het kiemplantje er meestal af. Enkel daarom komt maretak op sommige bomen wel, op andere soorten zelden en in uitzonderlijke gevallen nooit voor.

Voor de druïden was de eik al een heilige boom, bijgevolg was die zeldzame maretak op eik heel bijzonder.

Maretak ziet men bij ons vaak op canada's, niet omdat hij er graag groeit, maar omdat de grote lijster en/of kramsvogel na een lange vlucht die boomtoppen bij voorkeur opzoeken en er zich dan ontlasten. Zij deponeren dit niet op de tak waarop ze zitten maar spuiten het gewoon weg. Dikwijls valt het natuurlijk op de grond maar hoe hoger de vogel in de kruin zit des te meer kans het maakt om op een tak terecht te komen. Het is daarom dat men op canada's maretakken op alle hoogten aantreft. Het is bijgevolg de vogel die onwillekeurig bepaalt waar maretak voorkomt. De maretak "kiest" dus de boom niet.

Het is wel juist dat maretak zich op bepaalde bomen uitbundig ontwikkelt (zoals op canada's (Populus)en appelbomen), op ander soorten veel minder, en op sommige vertoont hij heel weinig groeikracht (zoals op meidoorn en sering (Syringa)). "La Hulotte" heeft vastgesteld dat een kiemplant op sering zijn twee eerste blaadjes pas het vijfde jaar vormde. De reden van dit verschil in groeikracht ken ik niet maar ik kan gelijkaardige voorbeelden geven bij het enten van fruitbomen:

Men kan appelboom (Pirus malus) op pereboom (Pirus communis) enten en ook omgekeerd, maar de groeikracht van de enten is bedroevend bij de ene en beneden alle peil bij de andere combinatie.

De mispel (Mespilus germanicus) ent men op meidoorn (Crataegus oxyacantha), deze onderstam behoort tot een ander geslacht en toch groeit de ent er beter op dan op de eigen zaailingen van de mispel zelf. Bij maretak moet men bijgevolg gewoon aanvaarden dat hij op de ene boomsoort beter groeit dan op de andere en dit proefondervindelijk bepalen omdat daar geen gegevens over bestaan.

Maretak vormt onder meer een langer, breder of korter blad naargelang de boomsoort waarop hij groeit. Sommigen beweren daarom dat er verschillende rassen van de maretak zijn. Vroeger werd met schors van maretak ook vogellijm aangemaakt en daardoor werd vastgesteld dat de maretak die op esdoorn (Acer) en op olm (Ulmus) groeide meer vogellijm opleverde dan de maretak van andere bomen.

Hier hebben we, volgens mij, verschillende mooie voorbeelden van wat in fruit- en sierteelt "de invloed van de onderstam" genoemd wordt: de ent reageert verschillend volgens de onderstam waarop ze geënt werd. Maretak ondergaat blijkbaar eveneens fysiologische verschillen of een verschil in groeikracht volgens de boomsoort waarop hij groeit. De definitie van "ras" of "botanische variëteit" is hier bijgevolg niet van toepassing. Ik ben ervan overtuigd dat als men bijvoorbeeld het zaad van een maretak met korte blaadjes zaait op een boom waarop hij lange blaadjes vormt, die zaailingen ongetwijfeld lange blaadjes vormen.

Ook beweert men dat maretak die op spar groeit, niet kiemt op den en omgekeerd. Dit kan natuurlijk ook niet. Deze bewering berust beslist op een kiemproef die mislukte. Had de proef een wat wetenschappelijkere aanpak gehad bijvoorbeeld met een gelijklopende zaaiproef van den op den en van spar op spar dan was meteen vastgesteld dat die eveneens mislukte.

Vermits tot nu toe niemand die problematiek van de kieming kende, kon ook niemand een gerichte zaai uitvoeren!

Sommigen hebben ook beweerd dat maretak zijn gastheer voordeel bijbrengt, omdat hij in de winter groen blijft en bijgevolg dan ook aan fotosynthese doet wat de boom ten goede zou komen. Dit lijkt mij zeer onwaarschijnlijk omdat, primo ik niet goed inzie hoe het bereide sap van de maretak (met een heel andere samenstelling) naar de bast van de boom kan doordringen en secundo als die stelling waar zou zijn dan zouden de bomen die met maretak overladen zijn, het veel beter moeten doen, maar het tegendeel is juist waar. Hier kan ook geen sprake zijn van vergiftiging van de boom zoals ook sommigen beweren. Moest die hypothese ook waar zijn dan zouden er overal identieke symptomen ontstaan en dat is niet het geval. Eén enkel feit met nécroseverschijnselen is géén bewijs van vergiftiging.

Waarom sterft dan een boom die vol maretak zit en lijdt een andere met slechts enkele bollen ogenschijnlijk niet? Hiervoor denk ik ook logische antwoorden te hebben: het aftappen van ruw sap is voor de gastboom slechts een minieme aderlating, maar loofbomen verliezen hun bladeren en het wortelgestel valt gedurende de winterrust ook stil. De maretak blijft echter verdampen, zoveel dat een overladen boom letterlijk wordt leeggezogen en in de lente niet meer in staat is zich te herstellen, het "point of no return" is er dan overschreden.

Dit fenomeen is identiek met het vermeend "bevriezen" van winterharde coniferen en laurierkers (Prunus laurocerasus). Dit gebeurt uitzonderlijk als gelijktijdig de grond diep bevroren is en in de late winter een schrale oostenwind vaak gepaard aan een reeds hevige zon hen zo sterk doet verdampen dat ze ook het point of no return bereiken. Weken later verdrogen de sparren volledig terwijl laurierkers altijd wel terug uitschiet. Ze zijn bevroren zegt men, maar in feite zijn ze uitgedroogd, hun wortels konden geen water opzuigen om die verdamping aan te vullen.

Wanneer maretak zich op een dunnere tak ontwikkelt stelt men vast dat het bovenste deel verdwijnt en die maretak dan eindstandig op die tak staat: de uitleg is ook hier overduidelijk: bij hevige verdamping in de zomer eist maretak zoveel ruw sap voor zichzelf op dat het erboven liggend gedeelte van de tak onvoldoende aanvoer krijgt, uitdroogt, afsterft en de dode tak gedurende een storm er nadien afwaait.

Een met maretak overladen boom kan eveneens gedurende de zomer uitdrogen: die maretakken eisen elk jaar meer mineraal sap op zodat de groeikracht van de boom progressief vermindert. Jarenlang kan hij zo stilaan verkwijnen, zijn fotosynthese vermindert en zijn wortels ontvangen minder voeding, uiteindelijk kan hij sterven, misschien ook na schimmelinfecties op zijn verzwakt wortelgestel. Ook ziet men eveneens dat die maretakken door gebrek aan mineraalsap samen met de boom stilaan wegkwijnen. Nu krijg ik al drie meldingen uit het gentse waar maretak met succes werd gezaaid zonder enige verdere tussenkomst . Dit bewijst dat die laag liggende streek die zo geschikt is voor de teelt van azalea door haar vochtig microklimaatook gunstig is voor de kieming van maretak
 
 

Zelf maretak zaaien (basisprincipe).

Als je wat voorafgaat goed hebt begrepen, zul je nu inzien welke punten belangrijk zijn, als je zelf succesvol een zaai wilt uitvoeren.

Bewaar eventueel de bessen op een klare, en koude plaats (het mag er vriezen) bijvoorbeeld in een schaaltje op een vochtig papiertje en afgesloten met doorschijnende plastiek- of glas (ijskast en diepvriezer geven negatief resultaat). Als de bes rijp is, kun je zaaien tot in de late lente, maar best zaait men eind maart/april.

Wanneer je er aan begint, doe dan de bessen minstens enige dagen voordien barsten zodat de zaden nadien zichtbaar worden en zoek de gunstigste plaats op voor de vorming van de zuignap. Plak ze steeds aan de onderkant van een tak die niet naar de zon is gericht. Je mag de bast wat dunner maken door er reepjes uit te snijden zodat de duiker vlugger het spint kan bereiken.

Je kunt ze ook in een inkeping in de bast steken, maar dat mislukt praktisch altijd omdat het tipje bast dat aanvankelijk het zaadje zo goed beschermde, uitdroogt, omkrult en het zaadje dan verloren gaat. Hier schuilt echter ook een gevaar: het zaad moet wel vochtig, maar mag niet te lang nat blijven, want in dat geval kan het rotten. Epifyten zijn lucht- maar geen waterplanten maar ook geen woestijnplanten noch xerofyten.

Men moet een onderscheid maken tussen de begrippen "nat", "vochtig" en "droog". Wanneer het regent wordt de schors nat. Al wat water kan opnemen, verzadigt zich met water en daar is dan ook alle lucht uit verdwenen.

Na een regenbui druipt alle overtollig water weg, maar zal al wat op de schors zit nog een hele tijd vochtig blijven. Vochtig betekent dat lucht overal tussen de watermoleculen doordringt en blijft doordringen tot alle vocht verdampt is. Dan is de schors droog.

De zaadjes van de maretak verdragen droogte slechts tijdelijk, maar lang nat blijven is even nadelig. Wanneer één van beide toestanden te lang aanhoudt sterft het zaadje af: ofwel is het uitdrogen, ofwel is het rotten.

Overtollig water is een gekend probleem bij orchideeliefhebbers en -kwekers. Epifytische orchideeën vormen luchtwortels die eveneens het nat staan niet verdragen. Droog staan verdragen ze wel beter omdat hun buffer groter is dan het kleine maretakzaadje. Hun wortels groeien in de natuur "op" de schors en ook eventueel in humus en in moskussens die op de schors kunnen voorkomen. In kultuur teelt men ze meestal "in" een pot. De potmengeling moet dus zeer luchtig zijn en blijven en mag na een gietbeurt nooit nat staan maar moet wel lang vochtig blijven.

Maretak zal men in ons land overal kunnen doen groeien als de zaden gunstig geplaatst worden en ze gedurende hun kieming nooit nat staan, maar ook nooit uitdrogen. Dit kan als men ze gedurende de warme en droge perioden elke regenloze dag 's avonds voorzichtig besproeit met regenwater, waaraan men 1 cc per liter, bladvoeding kan toevoegen, want het groene zaadje en het groene kiembuisje doen ook aan fotosynthese om zich verder te ontwikkelen. Het zaadje beschikt wel over wat reserve, maar het is de fotosynthese die de bijkomende energie verschaft om gedurende de langdurige kieming te kunnen overleven.

Vrees ook niet dat later de omgeving door maretak overwoekerd zal worden. Na al de gedane moeite zal men wel beseffen dat de zaadjes die later van uw planten op natuurlijke wijze door lijsterachtigen zullen verspreid worden geen enkele kans maken als men in een regio woont waar het microklimaat ongunstig is voor de kieming m.a.w. waar nu geen maretak voorkomt (zelfs als er een kilometer verder een populatie maretakken is).

Succesvol zaailingen verkrijgen.

Tot nu toe hebben alle 'hulpmiddelen' die ik bedacht heb om de zaden bij hun kieming te helpen minder goede resultaten opgeleverd dan de naakte zaden die gewoon met hun lijm op een tak werden aangebracht.

De lange kiemduur is een gevolg van de trage ontwikkeling en die wordt zelf grotendeels beïnvloed door de aanslepende koude nachten in de lente.

In de tuinbouw zaait men gedurende de winter reeds plantjes in serres om ze in bloei te krijgen in april/mei. Indien men de zaden van maretak eveneens vroeger warmte, vocht en licht verschaft, dan zullen de kiemen zich spontaan ontwikkelen en kan men ze omstreeks maart/april op een tak kleven met een kiem die al klaar staat om zich op de bast vast te zetten.

Dit is de enige techniek die werkelijk probaat is.

Werkwijze :

Rond de jaarwisseling oogst men rijpe bessen en men zet ze naast elkaar in een schaal. Voordien plaatst men in die schaal een vel huishoudpapier op maat uitgesneden en bevochtigd. De schaal afdekken met glas en vochtig houden. Plaats de schaal warm (16 à 18 graden Celsius) en licht. Hierdoor ontwikkelt de kiem zich al binnen in de bes.

Ongeveer half februari verwijdert men het papier en doet men de bessen barsten. Men wacht tot al het vruchtvlees vloeibaar en doorschijnend is geworden.

Haal dan de zaden er voorzichtig uit en plak ze één voor één op de bodem van een donkerkleurige niet blinkende schaal, ongeveer 1 cm uit elkaar. Laat de kleefstof opdrogen en bevochtig ze dan heel even met een sproeiertje. Als men wat teveel vocht toedient, zullen de zaden naar elkaar schuiven.

Bevochtig nu ook de onderkant van het glas alvorens de schaal af te dekken en plaats ze weer warm en licht.

Herhaal dit dagelijks : Eerst laten opdrogen en nadien weer bevochtigen.

Vermits niet iedereen "greenfingers" heeft stel ik als antwoord het volgende voor : 1) liever de bessen koud bewaren zoals beschreven in het vorige hoofdstuk. Dan om de veertien dagen een kiemproef uitvoeren ; zo bekomt men verschillende reeksen en kan men nadien bepalen welke reeks het beste lukt . 2) Opgelet voor de zon . Als hij rechtstreeks op het glas schijnt loopt de temperatuur van de schaal heel hoog op en kunnen de zaden sterven.

Wanneer de zaden uit alle bessen verwijderd zijn, tracht men zoveel mogelijk vloeibaar en klevend vruchtvlees in een potje te recupereren en dit bewaart men in de ijskast. Dat klevend vruchtvlees verzamelen is niet eenvoudig. Gemakkelijker is dan wel meer bessen koud bewaren en hun kleefstof dan gebruiken om in maart/april de gekiemde zaden op een tak aan te brengen.

De kiemen ontwikkelen zich in een eerste fase gewoon recht zoals ze uit de zaden te voorschijn komen. Als ze een bepaalde lengte hebben bereikt, keren ze zich naar de donkere zijde, in dit geval de bodem van de schaal. Zodra de kiem de bodem gaat raken moet men de schaal buiten op een vensterbank plaatsen en de zaden zo vlug mogelijk op een droge tak aanbrengen met de lijm uit het potje. Bij een te gladde bast (eik, beuk en andere) kan men best deze even met fijn schuurpapier bewerken. Zo komt er wat vezelstructuur los te liggen waaraan de zaden zich beter kunnen hechten. Eventuele nachtvorst levert geen schade op.

Deze gekiemde zaden hebben de nodige voorsprong om de komende herfst al hun eerste blaadjes te vormen. De hoofdeis blijft levensnoodzakelijk: ze mogen de hele zomer lang nooit uitdrogen.

In meer noordelijke streken komt maretak niet meer voor. Naar mijn mening kan dit te wijten zijn aan de te korte perioden met voldoende warmte gedurende de zomer. Daarmee krijgt de duiker geen tijd genoeg om de sapstroom te bereiken en droogt de kiem er gedurende de winter uit. Het is anderzijds hoegenaamd niet uitgesloten dat er meer noordelijk dan België er regio's zijn met een microklimaat dat voor de kieming wel gunstig is maar dat de lijsters hun zaden al geloosd hebben vóór ze daar toekomen.

Door deze techniek van voorkieming toe te passen kan men in die streken misschien toch maretak verkrijgen. Dit is in elk geval het proberen waard nu men weet hoe men de kieming gunstig kan beïnvloeden.

Ik ben overtuigd dat maretak zich overal kan ontwikkelen waar er in onze gematigde streken bomen groeien, dus zelfs tot aan de boomgrens. Het probleem ligt enkel in de epifytische fase van de kiemplant die over voldoende warmte en regelmatig vocht moet beschikken en dit gedurende een voldoende lange periode. Een andere mogelijkheid bestaat erin nu maretak vooraf te doen kiemen op boompjes in de kwekerij en om ze nadien te planten in streken waar de zomer niet gunstig genoeg is voor de kieming van de zaadjes, of bij liefhebbers die ze zelf niet kunnen zaaien.

De mystiek.

Gezien deze curieuze ontstaans- en groeigeschiedenis is het niet verwonderlijk dat onze vroege voorouders die daar natuurlijk geen uitleg voor hadden als vanzelfsprekend buitengewone krachten aan de maretak toeschreven. Dat kon nu moeilijk anders en die zeldzame maretak op een heilige eik moest wel heel bijzonder zijn!

Ik vond twee prachtige beschrijvingen van die mystieke belevenissen en ben van oordeel dat het dit precies is wat ik nodig had om deze bijdrage af te ronden.

Het eerste werd mij toegezonden door Dhr. F. Bolsius uit Hoeilaart. Hij vond het in het tijdschrift "TOERISME" Orgaan van de V.T.B. van 1 november 1934. Hier volgt het verhaal dat ik natuurlijk in zijn oorspronkelijke schrijfwijze heb laten staan:

Bij de oude Grieken werd de mispel aanzien als de toovertwijg van Persephone (Proserpina). Maar het is vooral in de Germaansche mythologie, welke ook deze der Galliërs was, dat de marentak een hoogst belangrijke rol vervulde. Hij was de heilige plant der Oude Belgen bij uitmuntendheid. Het feest van Teutates werd gevierd den eersten nacht van het nieuwe jaar, bij het licht van brandende toortsen, op een open plek, midden het dichte oerwoud. De overste der priesters, druïden genaamd, klom dan, gehuld in een hagelwit kleed, midden de ademlooze stilte der verzamelde menigte, op een eik, waar de heilige plant zich bevond, en sneed met een gouden sikkel den marentak, welke op een vlekkeloos wit linnen werd opgevangen, om na de indrukwekkende godsdienstige plechtigheid onder het begeerige volk te worden verdeeld. De marentak bezat een wondere kracht : hij genas de zieken, behoedde de gezonden tegen alle onheil, en beschermde den krijger in het gevecht. Maar de plant mocht niet met grond in aanraking komen, zoo niet zou zij krachteloos worden.

Balder of Baldur was een der vele zonen van Odin of Wodan en Frigga of Freya. Om Balder te bevrijden van de vreeselijke droomen, waardoor haar lievelingszoon werd gekwollen, had Frigga alle kruiden, steenen en ertsen, menschen en dieren doen zweren hem nimmer te zullen schaden. De mistel was de eenige plant welke Frigga had vergeten. Loki had dit geheim ontdekt en, gedreven door haat en nijd, verzon hij een middel om het troetelkind uit den weg te ruimen. Van marentak sneed hij een pijl, en gaf die aan zijn blinden broer Hoder.

Op een blijden dag, dat Balder zich aan het vermeien was in het woud, schoot Hoder den pijl af en Balder stortte levensloos neder.

Groot was de droefheid van Freya, toen het lijk van haar zoon bij haar werd gebracht. Zoo groot was haar wee dat de oppergoden deernis met haar kregen. Zij gaven Balder het leven terug en schonken Frigga de heerschappij over de gevaarlijke plant. Om haar lieveling voortaan te onttrekken aan Loki's macht, bracht Frigga de plant over op boomen, zoodat zij niet meer met de aarde, waar Loki immer de macht over behoudt, in aanraking komt.

Volgens een andere voorstelling had de marentak, wanneer de planten Frigga zwoeren haar lievelingszoon nimmer het geringste kwaad te zullen berokkenen, zich achter een boomtwijg verscholen. Gedurende een groot feest, waarop alle goden aanwezig waren, verlustigden deze zich met pijlen op Baldar af te schieten. En telkens een hunner pijlen den lichtgod trof, verheugden ze zich uitermate over zijn onkwetsbaarheid, want allen hadden Balder zeer lief. Toen verkleedde zich Loki, ging tot Frigga, en achterhaalde door list dat alleen marentak zijn broeder kon deren. Loki spoedde zich tot den boom ten Oosten van het Walhalla, waarop hij wist dat marentak groeide. Na zijn terugkeer overhandigde Loki den pijl welken hij van het hout had gesneden aan Holder, met het noodlottig gevolg dat men reeds kent. Loki had Hoder een wonderbladje op de oogen gelegd, waardoor deze een oogenblik zag, toen hij de pijl afschoot. Onder de verzamelde goden steeg een vreeselijk gehuil van machteloze woede op, wanneer het ontzielde lichaam van Balder nederstortte op den grond. Zij waren onmachtig het vertroetelde kind het leven terug te schenken, maar verwekten uit Balders bloed een nog reiner godengeslacht. De wild rennende wind, het vervaarlijk geloei van den storm door het grauwende hemelgewelf, wanneer de laatste bladeren der boomen worden afgerukt, verkondigden den zege van den Wintergod over den zieltogenden Zomer, snevende onder Hoder's pijl, den aanvang der verheerlijking van den marentak, van zijn heerschappij.

Volgens een derde voorstelling was Loki nijdig over Balder, omdat deze de lieveling was van Asgaard. Balder was deugdzaam en beminnelijk, zacht en goedhartig van inborst. Loki daarentegen was boosaardig, en daarom werd hij door de anderen niet bemind.

Ten koste van schatten gouds en roode steenen, en van paarden zoo schoon als deze van Frigga zelf, had Loki het geheim der kwetsbaarheid zijns broeders van een toovenaar vernomen.

Wanneer Loki met den pijl, welken hij van een marentak had gesneden, terug in Asgaard was gekomen, vond hij zijn broeder spelende het spel der goden. Hoder alleen nam geen deel aan dat spel, omdat hij blind was. Maar de boosaardige Loki overhandigde hem den pijl en den boog en bestuurde Hoder's hand. Onmiddellijk nadat de misdaad was gepleegd, rende Hermoder, de dappere der legerscharen, in stormende vaart op zijn vader Odin's achtvoetige paard Sleipnir tot Hela, de godin der onderwereld om deze te verbidden Balder het leven terug te schenken. Hij kwam na negen dagen en nachten van ononderbroken doorrijden bij de doodenrivier Gjöll aan de poort van de hel. Maar der dooden vorstin wilde haar prooi niet terug aan Asgaard afstaan. Eindelijk toch, door het aandringende smeeken vertederd, beloofde zij den zonnegod tot het leven herop te wekken op de uitdrukkelijke voorwaarde dat Asgaard en de gansche aarde drie volle dagen om den doode zouden schreien. Eén schreide niet, namelijk Loki, de booze en Balder werd niet tot het leven heropgewekt.

Loki ontvluchtte Asgaard in allerijl en ging zich verbergen op een plaats, van waar hij uit alle richtingen de wrekende vervolgers kon zien opdagen. Tevergeefs : hij werd door Wodan achterhaald en met zware ketens aan een steile rots vastgeklonken. Zijn boog werd veranderd in een reuzenslang, welke hem haar brandend gif in het aangezicht spoog.

Een vierde voorstelling luidt, dat Balder en Hoder met malkander moesten vechten om Nanna, welke door hun beider werd bemind. Hoder, door Loki geholpen, doodde zijn broeder met den pijl van marentak. Het lijk van Balder werd verbrand, en Nanna door wanhoop gedreven, wierp zich gelijk op den brandstapel.

Tot in de middeleeuwen toe, was de mistel het voorwerp van diepe vereering ; hij beschermde tegen den duvel, tegen heksen en spooken. De diepgeloovige menschen dier doorkristelijke tijden bleven een wondere kracht toeschrijven aan deze plant ter wille van den stand der bladeren op de twijgen, welke samen als zooveel door elkander gestrengelde kruisen vormen. Van het hout van den marentak vervaardigden zij de beiërs van hun rozenkransen, armbanden en ringen. Het bezit van den marentak was tevens het zekerste middel om het hart van de gewenschte dame, van den gedroomden ridder te verooveren.

Tegen de Xmasweek worden gansche wagonladingen marentak uit Frankrijk naar Engeland ingevoerd. Geen gezin uit de Londoner Suburb welke zijn bosje mistletoe zou willen ontberen. De mistel immers beschermd ten huidige dage nog, volgens het volksbijgeloof, net zoals hier te lande de hulst, tegen alle booze geesten, tegen bliksem en brand, tegen onweder en storm.

In sommige streken van Engeland bestaat nog het gebruik, dat, wanneer een man en een vrouw onder een bos marentak, opgehangen aan de zoldering van een woning treden, zij malkander den kus van vrede en liefde moeten schenken om te beduiden dat Loki alle macht en gezag heeft verloren over deze plant. En in de salons der Xmasfeestenden zoowel als in de balzalen der hotels, mag de cavalier zijn danseres naar hartelust kussen, wanneer het dansende paar onder eenbos opgehangen marentak voorbij zweeft...

MERE A. SUYS
Het tweede vond ik in " MERVEILLES DE LA NATURE" een naslagwerk van A.E. BREHM. Het gedeelte "LES PLANTES", in drie boekdelen, is van Paul Constantin en dateert van 1896 - 1898.

Daarin beschrijft de beroemde Franse schrijver François René Burggraaf De CHATEAUBRIAND (1768 - 1848) op adembenemende wijze hoe hij zich eeuwen geleden de ceremonie van de druïden voorstelde. In de vertaling heb ik getracht de beschreven sfeer zo goed mogelijk weer te geven.

Zo schrijft Chateaubriand hierover:

Achter een rotspartij wachtte ik een tijdje, maar ik zag niets opduiken. Plots hoorde ik geluiden die de wind vanuit het midden van het meer overwaaide; ik luisterde en hoorde de klanken van een mensenstem. Op hetzelfde ogenblik ontdekte ik een hulkje op de top van een golf. Het scheepje dook neer, verdween tussen twee baren en verscheen opnieuw op de kam van een hoge golf, het naderde de oever. Een vrouw stond aan het roer. Ze zong, terwijl ze tegen de storm vocht en ze leek zich te vermeien in de winden; men kreeg de indruk dat ze die in haar macht had, ze tartte die. Stukken linnen, lamsvachten, waskoeken, gouden en zilveren schijfjes uit hertengewei zag ik haar na elkaar als zoenoffer in het meer gooien. Weldra stootte ze op de oever, sprong aan land, knoopte haar schuitje aan een wilgenstam vast en verdween in het bos, terwijl ze op haar populieren roeiriem steunde.

Ze gleed heel dicht aan mij voorbij zonder met te zien. Ze was rijzig van gestalte. Een korte zwarte tuniek, zonder mouwen verhulde nauwelijks haar naaktheid. Ze droeg een gouden sikkel aan een bronzen gordel en ze was met een eikentak gekroond. Haar blanke huid, haar blanke armen, haar blauwe ogen, haar roze lippen, haar lang, blond haar dat warrig als een bos woei, verraadden haar Gallische afstamming, maar contrasteerden door hun zachtheid fel met haar lieve en wilde gang. Met zoetvloeiende stem zong ze angstwekkende woorden.

Ik volgde haar van op enige afstand. Eerst ging ze door een kastanjebos waarvan de heel oude boomtoppen bijna allen verdord waren. Meer dan een uur liepen we dan over heide met mos en varen begroeid. Aan de rand ervan stonden we weer voor een bos, waarin een heideveld van enkele mijlen lag. Nooit was de bodem er ontgonnen en stenen lagen er verspreid om het ontoegankelijk te houden voor zeis en ploeg. Aan de rand rees een rots op, die door Galliërs "dolmen" werd genoemd en wat eigenlijk een begraafplaats van een of andere krijger was. De nacht was gevallen. Niet ver van de steen stond het meisje stil, driemaal klapte ze in haar handen en riep luid deze woorden: "Au gui l'an neuf!" Terstond zag ik diep in het bos duizenden lichtjes; Elk baarde als het ware een Galliër. Die barbaren verlieten in troepen hun schuilplaats. De enen waren van kop tot teen bewapend, de anderen droegen een eikentak in hun rechter- en een flambouw in hun linkerhand. Dank zij mijn vermomming kon ik me onder hen begeven. Op de aanvankelijke verwarring en wanorde bij hun samenkomst volgenden weldra orde en bezinning, een plechtige optocht begon. Gallische priesters gingen vooraan en leidden twee witte offerstieren, de barden volgden en zongen onder begeleiding van een soort gitaar lofzangen tot Teutates (voornaamste god van de Galliërs). Na hen kwamen de adepten in gezelschap van een wapenheraut in het wit die een hoed droeg met twee vleugels en die in zijn hand een stok hield van citroenkruid, omwonden met twee slangen. Drie druïden volgden achter de wapenheraut: één met brood, één met een vat water, de derde met een ivoren hand. Tenslotte volgde de Keltische priesteres (dan pas herkende ik haar status). Ze nam de plaats in van de aartspriester, van wie ze afstamde.

De optocht schreed verder in de richting van de 30-jarige eik, waarop de heilige maretak ontdekt was. Men bouwde nu aan de voet van de boom een altaar uit gras. De druïden verbrandden er wat brood en sproeiden er enkele druppels zuivere wijn over. Vervolgens klom een in het wit geklede priester op de eik en sneed de maretak af met de gouden sikkel van de priesteres. Een witte saaien doek onder aan de boom ving de heilige plant op. De andere priesters slachtten de offerstieren. De maretak werd in gelijke twijgjes onder de menigte verdeeld.

Na deze plechtigheid keerde de optocht terug naar het graf. Een ontbloot zwaard werd in de grond geplant om het midden van de Raad aan de duiden. Tegen de voet van de dolmen lagen twee andere stenen waarop een derde horizontaal blok rustte. De priesteres klom op deze tribune. De Galliërs stonden gewapend en rechtop om haar heen, terwijl de druïden en de priesters de flambouwen omhoog staken. In hun hart waren ze stilletjes ontroerd door dit tafereel dat hen aan de vrijheid van weleer herinnerde. Enkele krijgers met wit haar lieten hun tranen de vrije loop; ze druppelden over hun schilden. Naar voren neigend en steunend op hun lansen, leken ze al te luisteren naar de woorden van de priesteres.
 
 

Een eeuw geleden vervolgt Paul Constantin nog :

Het geloof in de wonderbaarlijke eigenschappen van de maretak die op de eik groeit, is niet verdwenen samen met het druïdisme, het heeft zich gehandhaafd door de heidense Romeinse tijd, tot in het Christendom.

In de Middeleeuwen werd de maretak nog geplukt, hij werd als een talisman beschouwd: hij zou wonden helen, de kansen van de jager op een goede vangst verzekeren, de gokker zou niet verliezen bij het spel, de drager ervan zou slagen in al wat hij ondernam.

Op onze dagen laat men in bepaalde dorpen van Touraine kleine kinderen een zakje met maretak dragen om hen tegen stuipen te beschermen. Naar het schijnt gebeurt het in het Engeland wel vaker dat boeren maretak bij het bed van een zieke hangen.

Is de kreet "Au gui l'an neuf!" Waarmee eertijds op oudejaar in verschillende van onze gewesten de armen om een aalmoes aanklopten met de woorden "Aiguillan, aguignettes" voor de kerst- en nieuwjaarsgeschenken van de kinderen een overblijfsel van de oude Gallische traditie en de kracht die aan de maretak werd toegeschreven? Dat wordt algemeen aanvaard en niet zonder reden. Al heel lang handhaaft zich door de eeuwen heen in onze westelijke streken een mooie en wat merkwaardige gewoonte, die betrekking heeft op de maretak die meisjes en jongens samen plukken en die vervolgens dient als amulet voor de meisjes en als talisman van onkwetsbaarheid voor de tovenaars.

Tegen Kerstmis en Nieuwjaar gaan vooral jonge mensen die aan trouwen denken samen op zoek naar hun "winter-mei". Ze verspreiden zich in het bos in hun buurt en zingen

O filles et gars de Bretagne

Voici le jour

D'aller cueillir dans la campagne

Le Gui d'amour

Vrij vertaald door Laurens Van der Schueren:

Meisjes en jongens van Bretagne

Plukt dezer tijd

De maretak die met zijn franje

Je hart verblijdt.
























Bijvoegsel.

In het Franse maandblad "Le guide de l'inconnu" van maart 1976 staat een bijdrage over hedendaagse druïden die in het zuiden van Parijs, deze oude tradities nog beleven. Daar las ik dat "au gui l'an neuf" in feite een fonetische vervorming is van het Keltische "O ghei an heu" wat betekent "dat het graan kieme". Dit past heel goed in de context: het begin van het nieuwe jaar en een wens van vruchtbaarheid.
 
 
 
 
 
 

Charles Declerck
Ere-leraar diensthoofd Bloementeelt Horteco

 

LITERATUUR:

 
 
       Les plantes. Paul Constantin 1896 - 1898.
        De Maretak - A. Suys.
       De zangvogels van België.  R. Verheyen  1948.
       De vele interessante aspecten van de mistel - Jan Henselmans.
       De maretak meer biologisch bekeken - Dr. Erna Mayer.
       Raising mistletoe from seed. K. Showler - 1974.
       Les Druides en France - Guy-Pierre Bennet.
       Semis de Gui -  Ecole de Botanique.
       Artikel uit 1898, getekend: 'onleesbaar'.
       'Hoe komen epifieten aan de nodige voedingszouten'  Ir. P.  Koster.
       'Kunstgrond voor epifieten, waarom en hoe?'. Charles Declerck.
       Le Gui (zeer uitgebreid en ludiek beschreven).
       Maretak voor versiering en verzorging - Dr. E.  Schnmeider.
       Februari 1994 -  H. Stulens en E. Dupae.
       Maretak in het Krekengebied - Wim  Slabbaert.
       Viscotoxin composition of the tree European - subspecies of Viscum Album. 
        Gehrard Schallez, Konrad   Urech, Gianfranco Grazi and = Matteo Giannattasio
      Maretak zaaien. Jean Claes.
       Au gui l'an neuf. Michel Abrassard.
 
 
bijlage pagina 16
 
AFBEELDINGEN :  

 Deze schets toont duidelijk het zaad op ongeveer natuurlijke grootte en sterk vergroot om de vezelstructuur weer te geven die duidelijk naar één punt samenkomt. De kiem staat altijd aan de andere kant. Bredere zaden hebben twee en drie kiemen.

Wanneer het zaad uit de bes komt is ze groen, maar als de vezels opgedroogd zijn is het zaadje licht bruin, houtkleurig geworden. Deze vezels zijn ongetwijfeld hygroscopisch.

 

Foto : Guy LAURENT

De macro-opname van deze kiemproef werd gefotografeerd op 12 juni 1985. Dit zaadje ontwikkelt twee kiembuisjes en de zuignap is in vorming. Het warmste gedeelte van deze zomer moet nog komen en kan het zaadje doen uitdrogen...

Duidelijk ziet men ook allerlei korstmosjes en schilfers, misschien ook door de wind aangebracht en die destijds aan de kleefstof zijn blijven plakken. Dit alles draagt er toe bij vocht op te nemen en het (voor het zaad) bij te houden. Vooral tussen het raakvlak zaad/schors wordt vocht het langst vastgehouden. Dit bracht mij op de gedachte zaaiproeven nog efficiënter tegen uitdroging te beschermen maar dat blijkt minder goed. Ze echter na elke regenloze dag 's avonds even besproeien is wel levensnoodzakelijk.
 
 
 
 

Une graine de gui se fixe sur un rameau de peuplier : Photo couverture: la germination d'une graine de gui sur une branche de peuplier.

Dit is de kopie van de foto op de voorpagina van het Bulletin de la Société Royale "LINNEENNE ET DE FLORE" van oktober/december 1977. Het toont een kiemend zaad van maretak maar hier ook is het niemand opgevallen dat dit ene zaadje drie kiembuisjes ontwikkelde en in het artikel over maretak staat er ook geen woord over.

Bemerk de gunstige plaats waar dit zaadje toevallig terechtkwam. Het heeft alle kans op slagen: jong hout (dunne bast), goed beschermd tegen stortregens, als het maar niet uitdroogt gedurende de warme en droge perioden van de zomer, en die kans is heel groot in de natuur.

Hier de foto van de 82-jarige Albert Defossez uit Rumbeke met zijn maretak. Circa dertien jaar geleden plaatste hij vijf zaadjes op zijn appelbomen. Slechts één kiemde. Hij schreef mij: "ik maakte een snede in de bast en lichtte ze dan aan twee kanten op om er een zaadje tussen te steken. Nadien plakte ik er nog een licht en doorluchtig lintje op. Twee jaar later had ik al takjes van tien centimeter lengte.

Vermoedelijk had hij door de bast op te lichten, dit zaadje toch gunstig geplaatst en toevallig de kiem naar de lichtzijde gekeerd. Door er een doorschijnend lint op te plakken kon de kiem primo naar het hout toe groeien, secundo bleef het vocht er beter in bewaard en tertio bleef het zaadje vastzitten. Hij heeft echter wel geluk gehad dat het daaronder niet te nat werd. Als je een zaadje in een gleufje in de bast steekt mislukt het praktisch altijd omdat het lipje bast dat aanvankelijk het zaadje zo goed beschermd nadien uitdroogt, omkrult en het zaadje dan verloren gaat.

Schets:

Opsomming van de klassieke fasen van de ontwikkeling.

      1. Een zaadje dat op een gunstige plaats op een tak is beland, maar:
b. Een kiemend zaadje c. Wanneer de kiem de bast raakt vormt er zich een zuignap: d. De kiem licht de uitgedroogde zaadhuid op. Het is duidelijk dat dan de natuurlijke lijm is vergaan.

e. De uitgedroogde zaadhuid valt eraf.

f. Nadat de sapstroom is bereikt zullen de twee eerste blaadjes gevormd worden. Dit gebeurt soms al in de herfst maar meestal pas het tweede jaar omdat de groei stil valt als de temperatuur in de herfst daalt.
 
 

Schets:

a. Het kiempje is zijn zaadhuid kwijt en heeft het spinthout in de herfst bereikt. Het plantje is nu een onafhankelijke half-parasiet geworden en bijgevolg zal het niet meer uitdrogen.

b. Hetzelfde plantje twee jaar later. Er zijn twee jaarringen bijgekomen. Noteer dat de primaire duiker nog steeds dezelfde laag spinthout aanzuigt.

c. Hetzelfde plantje vijf jaar later, dus hebben er zich vijf jaarringen erbij gevormd. De primaire duiker zuigt steeds dezelfde laag aan. De horizontale draden vormen zich tussen de schors en hout en vormen secundaire duikers.
 
 

Kopie uit: "Les merveilles de la Nature".

Wanneer men een tak waarop maretak stond doorzaagt ziet men de gaten die de duikers hebben veroorzaakt. Men krijgt de indruk dat de duikers zich in het hout hebben geboord. Het tegendeel is waar: het hout heeft zich jaar na jaar rondom de duikers gevormd en het is de duiker die zich achteruit heeft ontwikkeld.

De verschillende duikers zuigen bijgevolg ruw sap uit de verschillende houtlagen. Men kan de ouderdom van de plant bepalen door zijn jaarlijkse vertakkingen te tellen, maar ook door de jaarringen te tellen van de tak waarop hij zich ontwikkelde vanaf de eerste duiker die natuurlijk het diepst moet liggen, maar dan moet de tak wel afgezaagd worden natuurlijk.
 

 Back HomeRefresh this Page English Text