Het Wapenschild van Ledeberg 

Eerst op 15 december 1949 kreeg Ledeberg officieel door een besluit van de Regent een wapenschild toegekend:
"van keel (= rood) met drie sleutels van goud paalsgewijs geplaatst, de sleutelboord naar omhoog en rechtsgewend (= het wapenschild van de Sint-Pietersabdij), het schild geplaatst voor een Sint-DaniŽl met stralenkrans omgeven, omkleed met een tunica, biddend met opgeheven handen, staande op grasgrond, begeleid door twee zittende leeuwen met opgerichte kop en naar hem opziend, dit alles van goud". Officieel heeft voordien een ander wapenschild dienst gedaan.

De oorsprong hiervan dient gezocht te worden in de tijdens de Middeleeuwen opgerichte "hoofdmeierij" rondom een "hofstede" gelegen aan de Schelde.  Dit was een van de eerste bewoonde centra van Ledeberg.  Op deze plaats werd ook de kapel van Sint-Daneel opgericht en bleef tot in 1870, tot de bouw van de huidige parochiekerk, het godsdienstig centrum.  In zijn huidige bestrating gesitueerd lag deze rond het "oude kerkhof" en de Mildreef.  Een meier uit die tijd, Frans Bossier, liet het wapenschild vervaardigen.  Hierop stonden drie stieren met een ring door de neus afgebeeld.  Het droeg als onderschrift : "Babulo annulus hominis lex" (Wat de ring voor de stier is, is de wet voor de mens).

Op die plaats werd ook de vierschaar gehouden, een openluchtrechtbank.  Een heel toepasselijk wapenschild dus. Waar de ring de stier binnen de perken van het handelbare houdt, zo wordt ook de mens door de wet binnen deordening van het maatschappelijke leven gehouden.  Dit wapenschild bevond zich in het portiek van de woning toebehorende aan familie de Groote in de Mildreef.  Nu bevindt het zich in Ronse.

Korte Historiek

Ledeberg, voorheen een heerlijkheid van de Sint-Pietersabdij, wordt tijdens de Franse bezetting in 1801 een zelfstandige gemeente.  In de voorsteden van Gent is het Ledeberg dat tot een snelle ontwikkeling komt.  Twee faktoren zijn hiervoor bepalend geweest : de bevolkingstoename en de industrialisatie.

De bevolking neemt in een versneld ritme toe.  Rond 1830 bedraagt het inwonersaantal 1.487, een verdubbeling sedert de eeuwwisseling, om op te lopen tot 3.597 in 1846 en 5.898 in 1850.  Deze bevolkingsaangroei manifesteert zich het duidelijkst na de afschaffing van de stadsoctrooien in 1861.  De bevolking wordt er aangelokt door de mindere belasting, de goedkopere gronden, de gunstige ligging aan de toegangsweg van uit Brussel en later het in 1885 opgerichte Arsenaal.
In de tweede helft van de 19e eeuw neemt de woningbouw op de vrijliggende gronden dan ook snel toe, zodat bij het begin van de Eerste Wereldoorlog nog slechts een kleine strook onbebouwd blijft.

Omstreeks de eeuwwisseling (1900) kent Ledeberg dan ook zijn hoogste bevolkingsdichtheid : 14.396 inwoners op een totale oppervlakte van 109 ha.  Er ontstaat nood aan goedkope huizen, men bouwt dan ook op een minimum van oppervlakte langsheen dicht bij elkaar liggende straten.  In Ledeberg zijn dan ook nog talrijke beluiken terug te vinden met de typische arbeiderswoningen.  Als voorbeeld kunnen hier gelden de "Citť Anglaise" aan de Hundelgemsesteenweg en de beluikenbouw in de Belle-Vue wijk.  De opheffing van de octrooirechten, welke mede de bevolkingstoename met zich meebrengt, betekent ook de industriŽle expansie buiten de Gentse stadsmuren.

Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw komen zich talrijke hofbouwers te Ledeberg vestigen.  Meestal de uit Gent afkomstige hofbouwers die nieuwe vestigingsplaatsen zoeken, verdrongen door de om zich heen grijpende industrialisatie te Gent.  Die industrialisatie laat zich ook bij de aanvang van de 19e eeuw te Ledeberg opmerken.

De katoenspinnerij van Guinard-Bauwens wordt omstreeks 1808 ondergebracht in de Sint-Daneelkapel (thans het oude kerkhof).  Deze fabriek moet aldaar tot omstreeks 1832 in bedrijf geweest zijn.   Rond 1821 wordt de katoenfabriek van Eggermont opgericht.  Enkele jaren later gevolgd door deze van Rey-Ainť. Deze laatste opgericht omstreeks 1830 in de Scheldebocht aan de Belle-Vue straat.  Het eerste constructieatelier werd opgericht door Verbanck Pauwels in de jaren 1838-1839.  De grote doorbraak voor de industriŽle vestigingen gebeurde evenwel in de zestiger jaren van de 19e eeuw.

Naar het voorbeeld van de grote Gentse vlasspinnerijen worden tussen 1860 en 1870 een drietal vlasspinnerijen opgericht : Gebroeders Bonne, August Soinne en Vervaecke.  Een tweetal katoenfabrieken worden in dezelfde periode ingeplant, deze van Van Heuverzwijn en A. Bracq.  De konstruktieateliers nemen eveneens in aantal toe.  Voor 1870 zijn reeds in bedrijf : Leslie & Co, De Bryusker, Van Laethem, Bonne en P. Britton. Omstreeks 1865 worden reeds stenen vervaardigd in de steenbakkerij van Wed. Demil en Steyaert.  En last, but not least, voor het einde van de 19e eeuw verrijzen aan de Schelde de scheepsbouwwerken van De Roose.  Tijdens de eerste helft van de twintigste eeuw neemt de textielindustrie  steeds verdere uitbreiding.  Dan verschijnen de katoenfabrieken van Vanderhaeghen aan de Hundelgemsesteenweg, Spingers op de Brusselsesteenweg met in de nabijheid de fabriek van Filature de Coton de Ledeberg.   Met de oprichting van het vlasbedrijf van Bertin in de Arthur Latourstraat wordt ook de vlasindustrie bestendigd.   In de hoek van de Brusselsesteenweg en de Hoveniersstraat, langsheen de Van Hoorenekestraat stonden de textielfabrieken van Van Gheluwe en Van Acker.
De chemische nijverheid was er ook vertegenwoordigd door de fabriek van Leirens, gelegen in de Belle Vuewijk.  Parallel met deze demografische en industriŽle uitgroei van Ledeberg, manifesteert zich ook de culturele aktiviteit.  Omstreeks 1870 liet Eggermont (de katoenfabrikant) het huidige gemeentehuis bouwen, ofschoon het pas in 1883, door aankoop van de gemeente, deze funktie toebedeeld kreeg. Eggermont liet het optrekken voor de toentijds zeer bloeiende harmonie "Concordia".  Een muziekschool volgde al heel vlug in 1875.

De schoolstrijd in 1879 was aanleiding tot de bouw van de parochiale school in de Kleine Kerkstraat.  En omstreeks dezelfde tijd werd het Sint-Gregoriuscollege opgericht.  Vanaf dan konden de meisjes ook hun middelbare studies aanvangen in het O.-L.-Vrouw Presentatie Instituut.  Al deze gebouwen zijn getuige van de sterke uitgroei van Ledeberg na 1860.  Niet in het minst het omstreeks 1885 gebouwde godshuis of hospice, oorspronkelijk een tehuis voor weeskinderen, dat tijdens de oorlogsjaren omgevormd werd tot ziekenhuis en thans de functie vervult van bejaardentehuis.

De ongeveer vierhonderd jaar oude ajuinmarkt behoort tot de best gekende manifestatie te Ledeberg.  Oorspronkelijk een plaats waar textielwaren en landbouwprodukten aan de man gebracht werden, evolueerde deze geleidelijk tot de ajuinmarkt, wanneer vooral de Aalsterse ajuinboeren hun produkten op de markt te koop kwamen aanbieden.

Thans is ze meer uitgegroeid tot een feestmarkt met de bekende lichtstoet.

 

De huidige kerk

      

In 1865 schenkt N. Eggermont, notaris te Gent, grond voor de bouw van een nieuwe kerk.   Tot 1868 heeft het kerkbestuur getracht van het Provinciaal bestuur toelagen te bekomen.  Omstreeks 1868 krijgt de kerkfabriek 25.000 frank; de Staat betaalt evenveel en de gemeente Ledeberg had in 1865 50.000 frank beloofd.  Op 16 februari wordt in de herberg "De Hazewind" de nieuwe kerk aanbesteed.  Het bestek beliep 150.399 frank.  De plannen werden gemaakt door M. De Perre-Montigny; de aannemer was de heer I. De Buysscher uit Merelbeke.

In mei werden de grondvesten van de nieuwe kerk gelegd en op 16 augustus heeft de zegening plaats van de eerste steen, door de bisschop.  De straten waren bevlagd en versierd en al de sociŽteiten van de gemeente stapten in de stoet mee. Op 28 april heft landsdeken kannunik Meganck in naam van Zijne Excellentie de Bisschop de nieuwe kerk Sint-Livinus ingezegend. Op 18 augustus had het feest plaats van de kerkwijding.  De nieuwe klok (Maria Livina - 1500 kg) werd op 27 januari 1887 gewijd.  De kerk kreeg schenkingen zoals zijaltaren, beelden, enz. Ze werd geschilderd en verfraaid maar, behoudens het beeld onder de preekstoel, bevat onze kerk weinig merkwaardigs.

Ledeberg Dries

Hoe lang de Dries eigendom bleef van het Land van Aalst en hoelang de Castelrie te Ledeberg zelf en op de inwoners haar privileges heeft toegepast of willen toepassen is niet met zekerheid te zeggen.  In het begin van de 18e eeuw vinden we geen vonnissen of twisten meer.

Het laatste woord bleef aan de abdij die door de Franse Omwenteling ook alle eigendommen en voorrechten verloor en zelfs werd afgeschaft. De Ledebergse Dries werd eerst Vooruitgangsplaats genoemd, nu Ledebergplein, m.a.w. het oude Kerkplein.  Hij werd ook de Poel van Ledeberg genoemd want daar lag een vijver, met bomen omzoomd.  Vanuit de Binnenweg kon men, tot omstreeks1850, de Brusselsesteenweg zien.  De Poel van Ledeberg werd gedempt tussen 1860 en 1865 met het steengruis van de afgebroken blauwselfabriek in de Rode Leeuwstraat.  Op het Kerkplein werden bomen geplant, maar die groeiden er niet, wellicht door de chemische stoffen in de grond, afkomstig van de blauwselfabriek.  De verlichting gebeurde door 54 gaslantaarns die aangestoken werden door de weeskinderen van Ledeberg.  Het Ledebergplein, het oud Kerkplein, is in 1870 het centrum van het huidige Ledeberg geworden.  De kerk werd er gebouwd, evenals het gemeentehuis, vroeger "huis der Harmonie".  Nieuwe straten werden aangelegd.

De burgemeesters

Het burgemeesterschap, zoals wij dit kennen, is ingesteld door Koning Lodewijk Napoleon.  Ook voor die tijd was burgemeester, de naam van ambtsdrager, maar de huidige burgemeesters kunnen niet als hun opvolgers beschouwd worden.

De tegenwoordige burgemeester neemt dus de plaats in van de schout.

In de XIIIe eeuw en zelfs daarvoor waren het schouten, later raden die uit 2, 3 of 4 man bestonden.  Het was vroeger verboden de Voorschepen met de titel van burgemeester aan te spreken.

Te Ledeberg waren het tot 1807 Meiers, die optraden zogezegd als burgemeester.

Onder de regering van Philip IV

In de XIIIe eeuw
Cornelissen Pieter     1629
Arents Lieven           1649
Willequea Willem      1655            onder de regering van Karel I en II

Onder de regering van Philips van Anjou en Jozef I van Oostenrijk :

In de XVIIIe eeuw
Steuperaert Michael                     17..
Baet Frans                                   1710
Karel VI van Oostenrijk
Ramont Theophiele                      1714
d'Anvoing J.B.                             17..
Veltganck Ignaas                         1719
Onder Marie-Theresia
Plaetsier Joris                              1736-1740
Dhondt Karel                              1750
Beydens Jacob                            1762

Onder de regering van Jozef II van Oostenrijk

Michaels Jacob Frans                  1777

Frans II en Franse republiek

De Buck Johannes                      1796
Van den Broecke Pieter Frans    1794
Verbaere Joannes                       1798
Lachaert Pieter                           1799

In het achtste jaar der Franse Republiek tekent hij in 1801 de akten van "den burgerlijken stand", agent, later evenwel als Meyer of burgemeester zonder overgangsbepaling.

Keizerrijk Napoleon

van Migro Pieter                         1803
In het twaalfde jaar der Franse Republiek
Debbaut                                     1808
Guinard                                      1809

Voorlopig bestuur der Koninkrijk der Nederlanden

Herman, Armand, Louis              1815

Willem I van Oranje Nassau

Lijbaert A.J.                               1822
638.1822 aanvangsperiode als burgemeester tot 8.11.1830

Omwenteling en Voorlopig Bestuur - Leopold I
Eggermont Jaques   1830
Regent Surlet de Chokier
Eggermont was de eerste burgemeester in het onafhankelijke BelgiŽ.
De Buck Jacobus
De Mil Francis    1834

Op 24.11.1834 bij Vonnis der Rechtbank van Eerste Aanleg wordt de burgerlijke stand toevertrouwd aan twee
assessoren, nl. De Buck J. en Francis De Mil wegens klaarblijkelijke onbevoegdheid van de fungerende burgemeester, op dit tijdstip is Ledeberg zonder burgemeester.

Varenbergh Louis 1835
Op 5.1.1835 wordt hij de eerste maal vermeld als burgemeester.

De Smet Pieter 1843
Op 23.1.1843 burgemeester geworden en de 3e januari 1845 is er een ambtswisseling.   Van dan af is hij schepen.

Eggermont L.J.M.   1846
Op 13.4.1846 wordt hij de eerste maal vermeld als burgemeester.

Van Paemel Prosper Vincent  1855
dd. burgemeester en op 11 februari 1858 wordt hij burgemeester; zijn ambtsperiode loopt ten einde op 17.10.1868.

Van Hoorebeke Edmond 1868
Op 26.10.1868 wordt hij burgemeester van Ledeberg.

Van Ooteghem Adolf   1873 tot 1904
Latour Arthur   1904
Nadat Latour een tijdje d.d. burgemeester was geweest werd hij op 28.4.1904 burgemeester van Ledeberg.  Onder Koning Albert I wordt De Visch Polydoor in 1914 d.d. burgemeester van Ledeberg.

Van Damme Pieter   1919  d.d. burgemeester van Ledeberg

De Visch Polydoor van 1921 tot 1926 burgemeester; door krankzinnigheid moest hij zijn ambt neerleggen.

Cardon Ernest   1927  burgemeester tot 1933.

Onder de regering van Albert I wordt Crommen Gaston burgemeester van 1933 tot 10 mei 1940.  Onder Leopold III wordt Crommen Gaston op 17.4.1935 burgemeester.  Hij vlucht naar Frankrijk en verliest zijn burgemeestersjerp door de Duitsers.
De Smaele Leon wordt door de secretaris-generaal Romsee Gerard tot 1942 datum van de fusie en stichting van Groot Gentburgemeester van Ledeberg.  Onder het regentschap van Prins Karel.

Laermans Gregorius d.d. burgemeester in 1944.  Crommen wordt opnieuw burgemeester van Ledeberg tot 1947.

Heyndrickx Achiel 1947 burgemeester tot aan zijn overlijden in 1953.

Dhooghe Antoine wordt burgemeester van Ledeberg in 1953 door het overlijden van Hendrickx Achiel en blijft dit tot 1976, datum van de fusie van Groot-Gent.

Belle Vuewijk

Bij de bevolking van vroeger niet anders gekend, dan onder de benaming "Traversstraatje".  Dit kwam omdat er daar een overweg was, tengevolge van de spoorlijn die liep van het station van Ledeberg, naar Gent-Zuid.   De straat is ontstaan omstreeks 1925.  De wijk wordt gedomineerd door het statige UCO-center.

De Belle Vuewijk was ook de eerste plaats waar sociale woningen werden opgetrokken tussen 1923 en 1925.  De officiŽle benaming was "Het Kwartier der uitgezette". Bouwmeester van deze woningen was Vandevoorde.  De hoekhuizen kostten 23.000 frank, de rijhuizen 18.000 frank.  Zij werden verhuurd aan 23 frank en 18 frank per week.

De promotor van deze sociale woningen was de eerste socialistische burgemeester in het arrondissement Gent-Eeklo, nl. P. De Visch.

De Ledebergse straatnamen en hun oorsprong

Achilles Heyndrickxlaan : Geboren te Gentbrugge als zoon van een machinist.   Trad in 1927 in de gemeenteraad van Ledeberg.  Hij werd in het college van burgemeester Cardon in 1927 schepen van de burgerlijke stand.   Hij werd volksvertegenwoordiger en apotheker.  Politieke gevangene Nr. 54.807.  Was een zeer idealistisch man, scoutsmaster van de zeescouts, waagde dikwijls zijn leven bij het redden van mensen die bij ongevallen aan de zeer smalle Keizerpoort destijds in het water terechtkwamen.  Heyndrickx stierf te Ledeberg op 15 november 1953.

Adolf Van Ooteghemstraat : Dokter in de geneeskunde en oud-burgemeester van Ledeberg, directeur van het Hospice, oneervol ontslagen door zijn aartsvijand en partijgenoot Arthur Latour in 1907.  Deze straat droeg vroeger de naam van een groot geleerde Justus Lipsiusstraat.

Arsenaalstraat : Thans Pater Petrus De Meyerestraat.  De straat werd genoemd naar de naam der centrale werkplaats van de N.M.B.S. welke werd aangelegd in 1885 en die 1200 man tewerk stelde.  Pater Petrus De Meyere was Ledebergenaar van geboorte en Minderbroeder en tevens Historicus.  Hij verbleef destijds te Turnhout, in de Paterstraat 122 te Eeklo en te Ronse op de Steenweg van Ellezelles.  Hij overleed in het hospitaal van Ronse.

Arthur Latourstraat : Handelsreiziger in koperkuis en blink voor de fabriek Rinskopf, burgemeester en verwoed tegenstander van Van Ooteghem, niettegenstaande zij partijgenoten waren.

Bellevuestraat : In de volksmond de Traverstraat genoemd omdat er een overweg was van de IJzerenweg die naar het station van Gent-Zuid liep.  Er was ook een tunnel aanwezig in de Rode Leeuwstraat.  Deze bereikte de Schelde niet zoals nu.  Er waren daar niets anders dan meersen.

Binnenweg : In de volksmond het Luizengevecht genoemd, niet dat de luizen daar speciaal vochten, maar omdat er daar 4 beluiken in uitkwamen en er zeer veel kinderen woonden.  In 1865 kon men vanuit de Binnenweg naar de Brusselsesteenweg kijken. Er stonden nog geen huizen langs de Van Lokerenstraat en de Nieuwstraat, nu genaamd Van Bockstaelestraat.

Bloemstraat : Aangelegd in 1872 verwierf zij haar naam aan een herberg die er tegenstond en die de "Bloem" noemde.

De Mildreef : Fransiscus De Mil werd geboren op 19.3.1786.  Hij overleed op 24.12.1852.  Hij werd bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg op 24.11.1834 assessor van de burgerlijke stand wegens klaarblijkelijke onbevoegdheid van de titularis schepen van de burgerlijke stand van Ledeberg.

Doorgangstraat : Aangelegd in 1867 en de werken zijn beŽindigd in 1868.

Doorgang der Hallegasten : Weg waarlangs men vroeger op Bedevaart ging naar O.-L.-V. van Halle in Brabant en naar de potjesmarkt in Sint-Lievens-Houtem.  Maar de vroede vaderen in Brabant bekloegen zich weldra over het onwelvoeglijk optreden van de bedevaartgangers en er werd ook wel eens gestolen in Halle door die van Ledeberg.

Dr. Van Bockstaelestraat : Eertijds de Nieuwstraat genoemd omdat dit de enige geordende straat van Ledeberg was.  Dr. Van Bockstaele was schepen van onderwijs te Ledeberg en hoofddokter van het Hospice.

Edward Blaesstraat : Toonkundige en directeur van de muziekschool, woonde lange tijd in de Van Lokerenstraat; de eerste benaming van de Van Lokerenstraat was Driestraat en die kwam uit op de Brusselsesteenweg.

Frans De Coninckstraat : Toonkundige en direkteur van de muziekschool.   Vroegere benaming Stationsstraat, omdat de in- en uitgang van het vroegere station van Ledeberg er gelegen was.

Froebelstraat : Eertijds noemde men het de "Kleine Binnenweg" eveneens als de "Toverressestraat".  Froebel, geboren in
1782 en overleden in 1852 was de grondlegger van het kleuteronderwijs en tevens van het lager onderwijs.

Gaston Crommenlaan : Crommen, geboren op 11 juli 1897.  Burgemeester en senator, eerste ondervoorzitter van de Senaat, hoofdredacteur van het blad Vooruit, 40 jaar actief geweest in het politieke leven van Ledeberg, en overleden op 22 januari 1970.

Guido Gezellestraat : Eerst droeg zij de benaming van Kazernestraat naar aanleiding dat er daar een achttal huizen stonden die ťťnvormig van stijl waren gebouwd; de mensen noemden het daarom de Kazerne.

Guillaume Blanckestraat : Eertijds Kleine Binnenweg, Toverressestraat, Blancke was schepen van Ledeberg en secretaris van Bond Moyson en overleed in 1925.

IJzerweglaan : Dit was de weg langs waar de eerste trein in 1837 van Gent-Zuid naar Dendermonde liep.

Kerkplein : Nu Ledebergplein van Ledeberg.  Voorheen de Poel van Ledeberg, opgevuld met de resten van de afbraak van de blauwselfabriek in de Peter Benoitstraat alias Rode Leeuwstraat, alias Balansstraat.   Droeg ook lange tijd de benaming
Vooruitgangplaats en in de bezetting Albrecht Rodenbachplein.

Koningin Astridstraat :  Eertijds Harmoniestraat genoemd nar de Harmonie Concordia.  Sinds 1983 terug Harmoniestraat.  De Harmonie Concordia bestaat heden ten dage nog altijd (is opgericht in 1858).

Lachaertstraat : Burgemeester van Ledeberg, droeg voordien de benaming van het Halvemaanstraatje, genoemd naar een herberg die tegenover stond.  De herberg "Hale Mane", die reeds genoemd werd in 1690.  Pieter Lachaert was burgemeester in 1769.

Lindestraat : Eertijds droeg zij de naam Egide Bertinstraat, een grote huiseigenaar en aannemer; hij was ook gemeenteraadslid van Ledeberg.  De naam Linde werd gegeven omdat er destijds enkele Lindebomen stonden.

Louis De Smetstraat : Hovenier en tuinbouwkundige, schepen van Ledeberg geweest.

Moriaanstraat : Bij het volk gemeentelijk de Snottebelle genoemd of ook snottemuile.  De Rietgracht kwam er in uit en het volk deponeerde er zijn afval.  De straat ontleend haar naam aan een herberg de "Moriaan" in 1759.

Pacificatiestraat : Huidige benaming Landjuweelstraat.  Ontleend haar naam aan de Pacificatie of Bevrijding van Gent in 1576 afgesloten "en werd aangelegd in 1873".

Peter Benoitstraat : Bij het volk de blauwe citť genoemd omdat er daar eertijds een blauwsel fabriek stond.  Voordien droeg zij de naam van de Rode Leeuwstraat ontleend naar een afspanning en postiljon naar Zottegem in 1759.  Daar was ook een vlas- en granenkoopman gevestigd.

Pol De Vischstraat : Eertijds Hervormingsstraat als herinnering  aan de Godsdienst beroerten.   Pol De Visch was burgemeester van Ledeberg en volksvertegenwoordiger van 1921 tot 1926.  Hij werd krankzinnig en stierf te Ukkel in 1930.

Posthoornstraat : In die straat juist tegenover de ijzergieterij van De Bruycker-Dutry was het eerste postkantoor van Ledeberg gevestigd.  Ook de diligentie vertrok er naar Oudenaarde en Aalst.  Tegenover de fabriek van De Bruycker-Dutry was er ook vele jaren een hoefsmid gevestigd.

Reystraat : Rey Ainť, afkomstig uit Ruisbroek als marchand met garen, kwam zich te Ledeberg vestigen omstreeks 1830.  Hij richtte 2 fabrieken op, een vlasafdeling en een weverij.  Hij verschafte werk aan 800 personen.

Schoolstraat : Aangelegd in 1872 was deze eertijds het depot van de paardentram.  Deze straat werd eens hevig geteisterd door de brand die in het depot had plaatsgevonden.

Van de Veldestraat : Laatste levende abt van de Sint-Pietersabdij en te Ledeberg overleden te 1927.

Van Geertstraat : Kolonel in het Belgische Leger, zeer taalminnend en verwoed aanhanger van toneel.  Samen met Louis Minard stichtte hij de eerste Vlaamse schouwburg in Gent waar de eerste maal de Vlaamse Leeuw werd gezongen als strijdlied van de Vlamingen.

Van Hoorebeckestraat : Gewezen burgemeester van Ledeberg.  De straat droeg vroeger de naam Rietgrachtstraat.  De Rietgracht was van oudsher de grenslijn tot waar de vaderen van de Sint-Pietersabdij hun juridische bevoegdheden uitoefenden.

Van Paemel Prosper Vincent : Burgemeester van Ledeberg op 11 februari 1858.

Vervaenestraat : Bloemist en gemeenteraadslid van Ledeberg.  Zijn bloemisterij was gelegen rond de Sint-Daneelkapel.  Zij droeg vroeger ook de benaming van Gontrodestraat, Rodschenheidweg of Controdsche heirbaan.

Adolf Papeleupark Stichter der boomkwekerijen te Wetteren.
Adolf Papeleu is geboren te Aalst op 7 april 1811.  Zijn moeder Coleta Tack is bij de geboorte overleden.  Adolf Papeleu bracht zijn jeugdleven door op de "Bucht" te Lovendegem.
Reeds in 1836 had hij een eigen kwekerij te Gentbrugge, daar waar het eerste hofbouwgesticht Van Houtte zou komen.
Adolf Papeleu kwam met Van Houtte in contact en samen vormden zij een vennootschap tot in 1845.
Door toedoen van een schepen uit Wetteren, nl. Stuze Van Goethem, kwam hij naar de "Hei" te Wetteren, om er alleen een kwekerij op te richten. De gronden werden gehuurd van Burggraaf Constant de Gorgeette d'Argoves uit Sint-Omaar (Fr.), die gehuwd was met Zanais de Bueren uit Melle. Adolf Papeleu had echter nog een klein bedrijf te Ledeberg, daar waar nu het Dienstencentrum Ledeberg staat.  Hij verbleef er in zijn verdwenen Pagode, aangekocht door de Vrederechter Goedgebeur van Evergem.
Adolf Papeleu werd op 6 juli 1844 benoemd tot overste van de ontdekkingsreizen naar Guatemala en opzichter te Sint-Thoma. Voor de hoofdstad van Guatemala ontwierp hij een plan voor het aanleggen van een stadspark en had de leiding bij de uitvoering. Nadien ging hij op speurtocht naar de Soenda-eilanden en bracht vandaar heel wat rariteiten mee.  Adolf Papeleu kreeg te Ledeberg het bezoek van Josť-Christobal de Guermetta, samen met zijn Dame Conchita Lutetia Hertha van Herzberg.  Deze kwamen in opdracht van hun regering Carrara en schonken hem drie zaken, nl. 1) een grote som in gouden geld    2) een oorkonde van ereburger  3) een mededeling dat een straat naar hem zou genoemd worden.  "De Caljťe Papelen"/
In Deurle is er een laan genaamd : Papeleugoed.
In Aalst is er een Papeleustraat, een plaket, een Papeleukermis, een Papeleulied, een Papeleumars en een Papeleupostdagstempel.
Een grote "Papeleutentoonstelling" is in het vooruitzicht.

Onderwijs

Jongens- en meisjesschool :
Begin jaren 1900 telde de school 732 leerlingen : 444 jongens en 288 meisjes.   De leerlingen der gemeentescholen werden, ingevolge een bijzondere overeenkomst, toegelaten tot de Stedelijke Zwemkom van Gent.

Muziekschool :
Notenleer en pianoles stond ter beschikking van jongens en meisjes, op zon- en weekdagen, telkens van 16u30 tot 19u30.  In de lokalen van de jongens- en meisjesschool werd elke zondagmorgen van 9 tot 11 uur,   kosteloze Franse Les ingericht door de "Vlaamsche Maatschappij ter verspreiding van de Fransche taal".  De werklieden welke zich naar Frankrijk begaven, kregen een gratis leerboekje.

Adultenschool :
Ook de scholen voor volwassenen kenden bijval.  In 1907 waren er 77 mannen en 44 vrouwen die er lessen volgden.  Deze lessen hadden plaats, vier keer per week van 17 tot 19 uur.

Kindertuin :
Begin 1900 werd de bewaarschool bevolkt door 280 kleuters van 3 tot 6 jaar.  Er was 1 bestuurster en vier leerkrachten.  Voor 1900 waren er twee klassen en nadien werden er in twee fasen telkens twee klassen bijgebouwd.

Oorlogen

Slag te Ledeberg aan de Sint-Lievenspoort te 1582 :

Spanje wil kort spel maken met de Calvinisten in Vlaanderen.  De Koning zendt de Prins van Parma naar onze streken.  Op 29 augustus 1582 vertrekt de Prins vanuit Oudenaarde, dat hij reeds overwonnen heeft, naar Gent om deze stad van de beeldstormers te zuiveren.  Zodra de komst van Parma gesignaleerd wordt, verzamelen de Prins van Oranje en de Hertog van Anjou (want de Franse benden lagen ook te Gent) hun troepen en trokken de Spanjaarden tegemoet.  Buiten de twee poorten stelden de geuzen en hun handlangers enige benden op de oude molenheuvels te Ledeberg in slagorde om als 't nodig mocht blijken de aftocht te dekken.  De Spanjaarden doen een eerste aanval op de molenkouters, terwijl van op de Gentse stellingen op hen geschoten wordt.  De Prins van Oranje en de Hertog van Anjou staan zelf op de bolwerken rond de Sint-Lievenspoort terwijl hun legers, in slagorde geschaard, verschanst staan achter een barricade van karren en wagens.  Maar de Prins van Parma houdt zijn soldaten twee uur lang buiten schot, zonder ernstige slag te leveren. Na elke schermutseling vervangt Parma zijn voorste soldaten door andere.  Oranje en Anjou menen hierin een krijgslist te zien : Parma zou wel al over de Schelde het Land van Waas kunnen binnendringen en zo Gent van opzij aanvallen. Daarom bevelen de twee leiders de ruiterij zo stil mogelijk terug in Gent in te voeren en ze te brengen naar de Dendermondsesteenweg tegen een mogelijke aanval van Parma.  Drie kornetten blijven ter plaatse en voegen zich bij de soldaten op de vooruitgeschoven posten.
Hoe stil en heimelijk de beweging der troepen ook geschiedt, toch heeft de Prins van Parma het maneuver bemerkt.  Hij ziet een mooie kans en beveelt  de aanval tegen het onbeschutte Franse leger van Anjou; de Sint-Lievenspoort is getuige van een verwoed gevecht dat twee uur duurt.  Nu eens dringen Parma's troepen tot in de Sint-Lievenspoort door, dan worden ze weer achteruit geslagen.  Aan beide zijden vallen veel doden.  Het Gents geschut dunt op gevoelige wijze de rangen der Spanjaarden.  Parma ziet dat hij het Gentse leger niet kan overmeesteren, trekt zich terug en slaat de weg naar Oudenaarde in.  De gesneuvelden worden in een weide in Ledeberg begraven.

Laat in de avond van 1584 trekt uit Gent, langs de Sint-Lievenspoort, een troep van ongeveer 250 soldaten voorbij, onder bevel van kapitein Cabilliau, allen geusgezind. "....   die omtrent Windeke, en Munte een groot Spaensch convoy, van wijn, kaes, boter, kiekens, zijde en gebreyde goederen 's anderendaags 's morgens zeer kloekelijk afsloegen, verscheyde Koningsche doodende en gevangen nemende.  Zij brachten den buyt tot op Ledeberg-Driesch, alwaer, zoo beslist en bestemt was, eenige Ruyters uit de Stadt hun moesten tegen trekken". Maar de Spanjaarden zijn stiekem teruggekeerd, overvallen onderhoeds de plunderaars en kunnen hun goederen terugnemen. De geuzen geven de strijd nog niet op.  In de nacht van 19 maart 1589 verzamelt zich op de Leedries, buiten de Keizerspoort te Ledeberg, een bende Calvinisten.  Ze zijn te paard en gekleed met "Rode sluyten".  Ze zijn te Ledeberg zeer wreed opgetreden.  De enkele boeren die reeds waren teruggekeerd worden wederom de stad ingejaagd.  De Stad Gent is een puinhoop geworden.  Rond halfvasten ziet Jan van de Vivere in 1586 de mensen in de straten neervallen van uitputting, ontbering en honger.  Te Ledeberg en in de overige heerlijkheden liggen de landerijen verlaten, overwoekerd met onkruid.  De hutten liggen neergeblaakt.  De mensen zijn gevlucht, vermoord of verhongerd.  Wolven kunnen ongestoord tot Ledeberg, tot aan de twee poorten van Gent.
Wanneer Albrecht en Isabella het bestuur in handen nemen, groeit de hoop in alle harten op een betere toekomst.  Stilaan nemen de gevluchte boeren terug bezit van hun land.  Ze herbouwen hun huizen.  Weldra kan Ledeberg weer de boter- en groentenmarkt van Gent bevoorraden.  Ook de kapel van Sint-DaniŽl te Ledeberg wordt heropgebouwd.

Geschiedenis

Ledeberg (Graafschap Vlaanderen, Kasselrij van het Land van Aalst), departement Schelde, provincie Oost-Vlaanderen.
Arrondissement Gent-Bisdom Doornik-Gent 1559.  De eerste vermeldingen dateren uit 964 (Letha) en 1144 (Leden), maar de volledige naam Ledeberga duikt pas op in de tweede helft van de 12e eeuw, nl in 1167.   Deze plaatsnaam is afkomstig van de Germaanse woorden klipa of helling en berga berg; we kunnen het dus omschrijven als gelegen "aan de voet van een berg".  Tot aan de Franse periode behoorde de heerlijkheid Ledeberg toe aan de Sint-Pietersabdij van Gent.  De abt van deze gemeenschap stelde een baljuw; meier en zeven schepenen aan en bezat naast de drie graden van de rechtsspraak verschillende andere heerlijke rechten.  Het rechtsgebied van de magistraten strekte zich ook uit voor de heerlijkheid Crombrugge (Merelbeke); eveneens eigendom van dezelfde abdij.  Verschillende lenen, allen afhankelijk van de heerlijkheid Ledeberg, strekten zich uit op het grondgebied van de
huidige gemeente.  De belangrijkste waren DE VRIJE BROUWERIJ, SANDERSLEEN, DE AALMOEZENIER VAN SINT-PIETERS, DE HOFMEIERIJ en DE OUDE STEDE.
Gelegen vlak voor twee toegangspoorten tot de stad, namelijk de Keizerspoort en de Sint-Lievenspoort, ondervond Ledeberg veel nadeel van het Gents onafhandelijkheidsstreven.  In 1453 na hun bloedige nederlaag te Gavere, onderwierpen de Gentenaars zich te Ledeberg aan Philips De Goede.  Tijdens de godsdienstoorlogen en de Franse invallen was Ledeberg regelmatig het slachtoffer van soldaten die uit of naar de stad trokken.  Kerkelijk behoorde Ledeberg lange tijd tot de Sint-Pietersparochie, al was er wel al een kapel gebouwd.
Pas in 1903 werd een onafhankelijke parochie opgericht.  De industrialisatie deed te Ledeberg reeds vroeg haar intrede.  In de 19e eeuw vinden we er verschillende vlasspinnerijen, een katoenspinnerij, scheikundige fabrieken, een stoomketelfabriek, een ververij, ...  De textielsector bleef ook in de 20e eeuw een belangrijke plaats innemen, nl. 32 % van de arbeidsplaatsen in 1966, al is er de laatste tijd een belangrijke achteruitgang waar te nemen.
Vervangingsindustrie wordt vooral gevonden in de metaalverwerking.
In Ledeberg werden in 1970 2.876 personen tewerk gesteld.
Ledeberg was oorspronkelijk een afhandelijkheid der abdij van Sint-Pieters Gent.  De vierde maandag van Oogstmaand, wappert nog altijd de wit blauwe vlag op de toren van de Sint-Pieterskerk, en eveneens op het gemeentehuis van Ledeberg.  De Franse overheersing had dit plekje vergeten te rangschikken en eerst in 1797, kwam de zelfstandige gemeente Ledeberg, ingelijfd bij het district Zottegem, tot stand.  Het afschaffen der octrooirechten, het instellen van het gemeentefonds droegen er hoofdzakelijk toe bij om dit vergeten plekje, alleen gekend om zijne Kapellekens-kermis en zijn tegemoet gaan der Hallegasten, ter herscheppen in de voorstad van heden, 109 ha groot, met een bevolking van circa 14.000 zielen, de meest bevolkte gemeente volgens haar uitgestrektheid, begrensd door de Scheldestroom, twee grote verkeerswegen, een Staats en een Provinciebaan, brede verkeerswegen, allen met voetpaden, onder topografisch oogpunt, ťťn der schoonste gemeenten van BelgiŽ met weinig middelen, weleer de bakermat van de Gentse hofbouw.
Nu zonder nijverheid, het later nieuw ontstaan centrum, de Vooruitgangplaats met de kerk in het midden en het Gemeentehuis en het Vredegerecht, heeft voor het bestuur der gemeente, als gevolg gehad dat er dient te worden voorzien in de kosten van twee nagenoeg officiŽle kermissen.  De legende heeft het zo gewild te Ledeberg : te Ledeberg, alles tweemaal.

Kamer Van Rhetorica
Ledeberg onbebouwd - onbewoond 1179.  Gent een geduchte en gewaardeerde wereldstad.   Een feit dienaangaande vermeldenswaard : Gent staat aan ťťn der toppunten van zijn macht.  De Witte Kaproenen met Jan Hyoens durven het aan de Kanaalgravers (Gent-Brugge) te overvallen.  Brugge is woedend, Lodewijk van Male zet het hun betaald.  Simon Bette en Ghijselbert de Grutere, aanvoerders sneuvelen.  Maar toen ook de Hoofdman Aegidius de Voldere was gedood, toen was Gent moegetergd.  Eerst wordt onder leiding van Philips van Artevelde Aardenburg ingenomen en totaal geplunderd : met volle wagens wordt de buit naar Gent overgevoerd.  Wijn wordt tegen een spotprijs verkocht.  Op 3 mei 1381 wordt Brugge ingenomen. 
In 1863 werd de maatschappij van Boom- en Fruitkunst gesticht (een soort "werk van den akker") die voorbehouden was alleen voor de inwoners van Ledeberg die deze kunst beoefenden.
In 1864 werd de Doelschuttersmaatschappij met de handboog gesticht, die de titel voerde van "d'Oude Belgen".

Het ontstaan der geburengilden
De gebuurtendekenijen zijn ontstaan in de jaren 1500.
Elke buurt, bestond uit een groep straten, soms ook ťťn enkele straat of uit een gedeelte van een straat, als deze groot en veel bevolkt was.  Die koos dan jaarlijks een deken, een dekenin en een baljuw of schrijver; ook een "knape" werd aangeduid, die een klein loon genoot en gelast was met het "manen" aan de buurtbewoners van de geboorten en de sterfgevallen, de vergaderingen en feestjes. Vond men een vondeling, dan zorgde de "knape" ervoor dat hij in de buurt een passende vrouw vond, die de vondeling opvoedde. De kinderen uit de buurt maakten geen onderscheid bij het spelen met deze kinderen.   Zelfs de kinderen, die asociale toestanden beleefden door het wangedrag der ouders, of verwaarloosd werden, konden dus door toedoen der burengilden beter geplaatst en eerbaar opgevoed worden.
Dit bewijst meteen dat men aan de burengilden niet alleen een steun had inzake feestelijkheden, maar dat haar taak en streven veel verder ging, namelijk een sociaal en een liefdadig doel.

De Ledebergse Ajuinmarkt

Een woordje geschiedenis
Deze aloude jaarmarkt dagtekent, volgens oude gegevens, van rond de jaren 1600.
In die tijd wapperde de vierde maandag van de maand augustus de witblauwe vlag (eertijds waren de gemeentelijke kleuren wit en blauw.  Dit is gewijzigd toen Ledeberg een gemeentewapen werd toegekend op 15 december 1949, toen werden de kleuren rood en geel.  Dit was een besluit van de Prins Regent.  Het zou Ledeberg niet zijn indien er iets fout is gelopen met dit wapenschild.  Het Gemeentekrediet van BelgiŽ heeft daar een speciale bijdrage aan gewijd) op de toren der Sint-Pieterskerken op de kapel van de H. DaniŽl te Ledeberg.  Ledeberg was tot aan de Franse Omwenteling een afhandelijkheid van de abdij van Sint-Pieters. Tijdens de Franse overheersing werd Ledeberg, in 1797 als zelfstandige gemeente opgericht en ingelijfd bij het district Sottegem. Sedertdien bestaan er de feesten van het tegemoet gaan van de Hallegasten en de Kapellekenskermis.  De oude kronieken laten ons de Ajuinmarkt kennen vol vreugde en plezier.  Stilaan verloor hij zijn luister en vermaardheid en werd tot totale verdwijning gedoemd, toen er in de jaren 1924-1925 enkele ingezetenen onder het voorzitterschap van wijlen de Heer Van Meuter, gemeentesecretaris, aangemoedigd door de bevolking, de heropbeuring ervan durfden aanvatten, om van jaar tot jaar, met een steeds groter en schitterender programma te komen.
Aldus behoudt de beroemde Ajuinmarktkermis haar welverdiende faam.  Het feestbestuur heeft de eer, zonder enige commentaar het programma der feestelijkheden voor het jaar 1948 aan de bevolking kenbaar te maken.   De conclusie ?  Gans Gent naar de Ajuinmarktkermis !