Valère Depauw

startpagina biografie bibliografie bronnen ruilbeurs contact koppelingen


Van „Tavi” tot „De uiterste hoeksteen”.
Het verhaal van een opmerkelijke schrijversloopbaan.

Ronse, een provinciestadje in Zuid-Oost-Vlaanderen grenzend aan Henegouwen, was al in de negentiende eeuwfoto1 een centrum van textielnijverheid. Daar heeft de wieg van Valère Depauw gestaan. Hij werd er geboren op 7 april 1912 in de schoot van een kleine zelfstandige „fabricanten”-familie. Zijn vader en zijn moeder waren afkomstig van Sint-Martens-Lierde. In Ronse vertoonden de politieke en sociale verhoudingen een ingewikkeld patroon. Je had niet alleen de scheidingslijnen tussen de traditionele partijen van katholieken, liberalen en socialisten, maar eroverheen liep een fundamentele scheidingslijn tussen de franskiljonse bourgeoisie en de grotendeels Vlaamse arbeidersklasse. Thuis bij Valère werd meestal Frans gesproken, benevens het Ronsies dialect. Hij leek te zijn voorbestemd om te zijner tijd een deftige franskiljonse textielfabrikant te worden. Hij heeft echter een totaal ander pad bewandeld.

Zijn schoollopen hield op bij zijn vijftiende. Hij ging (logischerwijs) in de textielzaak van zijn vader in de leer. Voortaan is hij voor verdere intellectuele vorming op zichzelf aangewezen en reeds zeer jong boekenwurm zijnde heeft hij dat fanatiek aangepakt (zijn bibliotheek was toen nog meest gestoffeerd met Franstalige werken). Een jaar later (1928) wendt hij zich tot de Christen Volksbond, een christelijke arbeidersbeweging met Vlaamse idealen, waarvan de politieke inspirator Leo Vindevogel is. De socio-culturele werking van de Christen Volksbond – de Studiekring – is de plaats waar hij onder meer zijn kennis van de Nederlandse taal kan bijschaven. Valère Depauw geeft gehoor aan de roep zich solidair te scharen aan de kant van de (meestal) Vlaamse arbeidersklasse. Trouw aan zijn Vlaamse wortels en verbondenheid met zijn volksgenoten zal een leidraad blijven in zijn verdere leven. Valère Depauw is flamingant geworden en die stap heeft bij velen van zijn stand groot ongenoegen tot zelfs vijandschap gewekt. In zijn boek „Uit alle dalen der herinnering" beschrijft hij dat uitvoerig.
Als zaakvoerder van de ouderlijke fabriek fungeert hij van 1927 tot 1938. Dan beseft hij dat zijn talent en ambitie als leider van het textielbedrijf „Fabrique de tissus en tous genres” beperkt is. Intussen gehuwd en vader wordt hij in 1938 boekhandelaar te Gent. Daarna volgen legerdienst, mobilisatie en krijgsgevangenschap in Oostenrijk tot de winter van 1941. Tijdens de oorlogsjaren (1942-1944) komt hij in dienst bij de firma van Angèle Manteau als vertegenwoordiger en bediende. Later (1946) stapt hij zelf in de uitgeverij. Daarna (1955-1969) wordt het de journalistiek en hij brengt het tot hoofdredacteur van het weekblad Panorama (Nederlandstalige én Franstalige edities). Na een kort intermezzo bij een hogeschool voor parapsychologische wetenschappen in Luxemburg (1975-1977) gaat hij zich tenslotte volledig aan zijn schrijversschap wijden.

Met zijn aangeboren vertellerstalent en zijn affiniteit voor boeken is het bij Valère wachten op zijn eerste literair product. Het wordt geen boek maar een toneelrevue, geschreven om de financieel noodlijdende toneelgroep van de Christen Volksbond „Voor Taal en Volk” te depanneren. In „Tavi ees getraut” (1934) speelt Tavi, een plaatselijk folkloristisch figuur, de hoofdrol. In 1935 komt er een vervolg met „Tavi kuupt 'nen twielijnck”. De revues kennen een daverend succes. Jaren later (met voorstellingen in 1971, 1972 en 1992) kan het nog altijd de Ronsese bevolking aanspreken. Drie jaar later, in 1937, komt de figuur van „Tavi” terug in een heus boek, weerom immens populair bij zijn lezers (80.000 exemplaren). Hierin presenteert hij schalkse, volkse vertellingen geweven rond zijn hoofdfiguur Tavi. In dezelfde volkse verteltrant verschijnt nog een boek: „Jules Bonnemine”. Geleidelijk aan echter winnen zijn producties aan taalbeheersing. De stijl wordt vloeiender en zijn humor verfijnder. Zoals Valère later zelf relativeert, de stiel van het schrijversschap heeft hij – als autodidact – moeten leren. Vaak is hij dan ook met verassende, onvermoede producten voor de dag gekomen. Een eerste keer reeds in 1943-1944 met drie sobere novellen: „Kerstmis in het Stalag”, „Offergang” en „Een man keert terug”, handelend over zijn oorlogswedervaren die hij als krijgsgevangene te Gneixendorf in Oostenrijk heeft opgedaan.
Over zijn gehele schrijversloopbaan bekeken heeft hij een veelheid aan genres beoefend. Er onderscheiden zich twee hoofdgroepen: enerzijds humoristische ontspanningslectuur en anderzijds thematische/psychologische romans.

In die tweede categorie bewoog hij zich op diverse terreinen:

foto2Onmiddellijk na de oorlog 1940-1945 wordt hij op verdenking van collaboratie tot een jaar hechtenis veroordeeld (hij had in „De Gazet” zijn „Kronieken van Reinaert” laten verschijnen). Tijdens de maanden van zijn internering pleegde hij, om den brode, talloze liefdes- en stationsromannetjes onder diverse pseudoniemen. Zes van het betere soort zijn verschenen onder het pseudoniem Peter Pann bij Angèle Manteau . Voor haar koesterde hij grote erkentelijkheid ook omdat zij het aandurfde, ondanks zijn publiceerverbod, reeds in 1946 het eerste deel van zijn Wieringer weverstrilogie te laten verschijnen. Tussen de katholiek Depauw en de vrijzinnige Manteau klikte het blijkbaar. Geregeld verschenen er ook bijdragen van zijn hand – onder pseudoniem Piet Canneel, Jan Eyck of Jerome de Gryse – voor het satirische weekblad Rommelpot, dat de onrechtvaardigheden van de repressie hekelde. Als overtuigde flamingant neemt hij het resoluut op voor Leo Vindevogel, zijn sociale en levensbeschouwelijke jeugdinspirator en vriend, slachtoffer van politieke afrekening die in de repressieperiode (1945) wegens valse - door haat ingegeven - getuigenissen werd terechtgesteld („Het proces en de terechtstelling van Leo Vindevogel”, „De dood met de kogel”). Ook Europese miskende minderheden kunnen rekenen op zijn solidariteit: „Breiz Atao” en „Opdracht in Guernika” handelend over de vrijheidsdrang en ontvoogding in respectievelijk Bretagne en Baskenland.

Valère Depauw heeft te Ronse gewoond tot in 1938. Daarna is hij op diverse plaatsen gevestigd geweest o.a. te Gent, waar hij boekhandelaar was, Merelbeke, waar zijn villa door een bombardement onbruikbaar was geworden, Brussel en Koekelberg. Te Koekelberg stichtte hij in 1946 de uitgeverij „De Belhamel”. Later richtte hij er in 1948 de „Boekengilde Brederode” op. In 1950 verwerft hij een bouwvallige oude hoeve annex kapel in Sint-Job-in-'t-Goor. Hij kan aan de restauratie van zijn „Kapelhoeve” beginnen. Het wordt en blijft zijn „laatste haven”.

Depauw is lange tijd achtervolgd door een Tavi-imago. Zelf zegt hij hierover dat zijn literaire loopbaan pas begonnen is met de publicatie van „Kerstvisioen in het Stalag”. Al het voorgaande was pure ontspanningslectuur en hij verheelt ook niet in het Nederlands als autodidact te zijn begonnen. In alles wat hij geschreven heeft was hij nooit een koele „buitenstaander”. Met grote sociale warmte tekent hij zijn personages. En in zijn latere werk treedt religieuze zingeving steeds meer op de voorgrond. De evolutie van volksschrijver tot gelouterde en gelauwerde literator werd bezegeld met de publicatie van „De uiterste hoeksteen”. Een historische roman over de mystieke Hadewych, de heilige Lutgardis en de adellijke Sybillie van Gaege, een drieluik verschenen in 1985. Zijn levenswerk, een meesterwerk.

Pseudoniemen

Aan pseudoniemen geen gebrek: Piet Canneel, Bernhard van Goor, Jan Eyck, Jerome de Gryse, Peter Pann voor het ernstiger werk. In het amoureuze genre: Jean Montreal, Georges Darius, René Solitaire, Nicole Ménetier, Claudine Lagarde.

Literaire prijzen

In het naoorlogse literaire en intellectuele Vlaanderen (recensenten, media, onderwijs) werd Valère Depauw vaak in een vergeethoek geplaatst en onvermeld gelaten.
Men kan niet beweren dat Valère Depauw, met een productie van meer dan veertig romans, overladen werd met literaire prijzen. Hij heeft er in elk geval lang moeten op wachten.

Romanprijs van de provincie Antwerpen 1950
„De zege van het verzaken”
Interprovinciale prijs voor letterkunde van de Vlaamse Provincies 1979
„Op weg naar Montségur”
Scriptores Christiani 1984
„De uiterste hoeksteen”
Karel Barbierprijs 1985 (Koninklijke academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde)
„De uiterste hoeksteen”
Prijs van de provincie Antwerpen 1989
Zijn gezamenlijk œuvre
Valère Depauw overleed op 2 augustus 1994 te Brasschaat.
Naar aanleiding hiervan schreef Anton van Wilderode volgend epiloogje:









Je schrijversschap was meesterlijke groei
met peiling naar de binnenkant der dingen,
je helden werden Gods verkorelingen
en in je wereld stond de ziel in bloei








Op initiatief van Davidsfonds Ronse en de Marnixring Ronse Taalgrens werd aan de voorgevel van het Christen Volksbond gebouw te Ronse een gedenkplaat aangebracht.


startpagina biografie bibliografie bronnen ruilbeurs contact koppelingen