5 Statistiek
|
| De leerlingen leggen aan de hand van
voorbeelden het belang uit van de representativiteit van een steekproef
voor het formuleren van statistische besluiten over de populatie. |
46 |
Zo kan het werken met - vrijwilligers -
voor het invullen van een enquête het eindresultaat van het statistische
onderzoek beïnvloeden. Ook het werken met een -kleine - steekproef heeft
invloed op de betrouwbaarheid van de conclusies. |
| De leerlingen staan kritisch tegenover het
gebruik van statistiek in de media. |
*47 |
Ze evalueren grafische voorstellingen,
vaak zijn deze niet correct of misleidend. Ook bij correcte berekeningen
van centrummaten en spreidingsmaten kunnen de gevolgtrekkingen foutief
zijn. De leerlingen bespreken valse conclusies aan de hand van concreet
statistisch materiaal uit kranten en tijdschriften. |
| De leerlingen verwoorden, berekenen en
interpreteren frequentie en relatieve frequentie zowel bij individuele
als bij gegroepeerde gegevens, in concrete situaties. |
48 |
Hierbij kan gebruik gemaakt worden van
statistische software op computer of rekenmachine. |
| De leerlingen gebruiken de begrippen
gemiddelde, modus, mediaan, standaardafwijking om statistische gegevens
over een concrete situatie te interpreteren. |
49 |
Het berekenen van deze maten is geen
doel op zich, de interpretatie en de betekenis van deze maten voor
statistische gegevens is belangrijk. Eenvoudige voorbeelden tonen aan
waarom de verschillende centrummaten soms ver uit elkaar liggen. |
| De leerlingen gebruiken en interpreteren
diverse grafische voorstellingen van statistische gegevens zowel bij
individuele als bij gegroepeerde gegevens, telkens aan de hand van
concrete situaties. |
50 |
Hierbij wordt gebruik gemaakt van ICT.
Grafische voorstellingen die aan bod kunnen komen zijn een staafdiagram,
een boxplot, een histogram, een schijfdiagram, ... Het maken van deze
voorstellingen is geen doel op zich. Het interpreteren van de grafische
voorstellingen en gegevens moet centraal staan. |
| De leerlingen interpreteren relatieve
frequentie in termen van kans. |
51 |
Er bestaat een nauwe band tussen
relatieve frequenties en kansen. De band tussen beide is van groot
belang om het begrip ‘kans’ bij de leerlingen inhoud te geven.
Een duimspijker wordt duizend maal opgeworpen en belandt 171 maal op
zijn hoedje en 829 maal op het pinnetje. De relatieve frequentie van een
hoedlanding (0,171 = 17,1%) is een goede benadering voor de theoretische
kans op een hoedlanding. |