Start Tweedes Derdes Vierdes


zoeken

TopStartpagina

 

 

 

 

Doelstellingen

  • Het voorstellen van gegevens. 

    • Je kent de betekenis van :  

      • populatie  

      • steekproef  

      • waarnemingsgetallen 

    • Je kent de betekenis van "statistiek".

    • Je kan gegevens aflezen van  :

      • beelddiagram

      • staafdiagram

      • schijfdiagram

      • strookdiagram

    • Je kan zelf aan de hand van gegevens op papier of met Excel de gegevens voorstellen aan de hand van :

      • beelddiagram

      • staafdiagram

      • schijfdiagram

      • strookdiagram

  • Het verzamelen en ordenen van gegevens. 

    • Je kent de betekenis van het sommatieteken.

    • Je kent de betekenis van de absolute frequentie.

    • Je kent de betekenis van de relatieve frequentie.

    • Je kent de betekenis van de cumulatieve absolute frequentie.

    • Je kent de betekenis van de cumulatieve relatieve frequentie.

    • Je kent de betekenis van de gegroepeerde frequentietabel.

    • Je kan een frequentietabel opstellen (manueel en via software).

    • Je weet wat een histogram is.

    • Je kan een histogram opstellen.

  • Centrummaten 

    • Je begrijpt wat rekenkundig gemiddelde betekent.

    • Je kent de definitie van het rekenkundig gemiddelde.

    • Je kent de eigenschappen van het rekenkundig gemiddelde in woorden.

    • Je kent de symbolische schrijfwijze van de definitie van het rekenkundig gemiddelde.

    • Je begrijpt wat mediaan betekent.

    • Je kent de definitie van de mediaan.

    • Je kan bij gegevens het rekenkundig gemiddelde en de mediaan berekenen.

    • Je kan kort de begrippen kwartiel  en kleine kwartielafstand uitleggen. (uitbreiding)

  • Spreiding- en spreidingsmaten. (uitbreiding)

    • Je kent de betekenis van de variatiebreedte van een rij waarnemingsgetallen.

    • Je kan een boxplot construeren en er gegevens uit afleiden.

    • Je kent de betekenis en de formules om variantie en standaardafwijking te berekenen.

TopLesopdrachtenStartpagina

5          Statistiek

De leerlingen leggen aan de hand van voorbeelden het belang uit van de representativiteit van een steekproef voor het formuleren van statistische besluiten over de populatie. 46 Zo kan het werken met - vrijwilligers - voor het invullen van een enquête het eindresultaat van het statistische onderzoek beïnvloeden. Ook het werken met een -kleine - steekproef heeft invloed op de betrouwbaarheid van de conclusies.
De leerlingen staan kritisch tegenover het gebruik van statistiek in de media. *47 Ze evalueren grafische voorstellingen, vaak zijn deze niet correct of misleidend. Ook bij correcte berekeningen van centrummaten en spreidingsmaten kunnen de gevolgtrekkingen foutief zijn. De leerlingen bespreken valse conclusies aan de hand van concreet statistisch materiaal uit kranten en tijdschriften.
De leerlingen verwoorden, berekenen en interpreteren frequentie en relatieve frequentie zowel bij individuele als bij gegroepeerde gegevens, in concrete situaties. 48 Hierbij kan gebruik gemaakt worden van statistische software op computer of rekenmachine.
De leerlingen gebruiken de begrippen gemiddelde, modus, mediaan, standaardafwijking om statistische gegevens over een concrete situatie te interpreteren. 49 Het berekenen van deze maten is geen doel op zich, de interpretatie en de betekenis van deze maten voor statistische gegevens is belangrijk. Eenvoudige voorbeelden tonen aan waarom de verschillende centrummaten soms ver uit elkaar liggen.
De leerlingen gebruiken en interpreteren diverse grafische voorstellingen van statistische gegevens zowel bij individuele als bij gegroepeerde gegevens, telkens aan de hand van concrete situaties. 50 Hierbij wordt gebruik gemaakt van ICT. Grafische voorstellingen die aan bod kunnen komen zijn een staafdiagram, een boxplot, een histogram, een schijfdiagram, ... Het maken van deze voorstellingen is geen doel op zich. Het interpreteren van de grafische voorstellingen en gegevens moet centraal staan.
De leerlingen interpreteren relatieve frequentie in termen van kans. 51 Er bestaat een nauwe band tussen relatieve frequenties en kansen. De band tussen beide is van groot belang om het begrip ‘kans’ bij de leerlingen inhoud te geven.

Een duimspijker wordt duizend maal opgeworpen en belandt 171 maal op zijn hoedje en 829 maal op het pinnetje. De relatieve frequentie van een hoedlanding (0,171 = 17,1%) is een goede benadering voor de theoretische kans op een hoedlanding.

TopLesopdrachtenStartpagina

 
An Vandersteene - Wiskundehoekske van steentje - ASO
Laatst bijgewerkt: 09/09/2009 .