Uitleg nodig?
We moeten eerst het snijpunt van PQ met vlak ABCD
bepalen. Omdat P en Q in vlak BCT liggen moeten we de snijlijn van vlak BCT
met vlak ABCD verlengen, dus we verlengen CB.
We snijden vervolgens CB met QP. Het snijpunt noemen we S.
Van D en S weten we: beide liggen in ABCD en beide liggen in vlak DPQ.
DS is dus de snijlijn van vlak DPQ met vlak ABCD. De lijn DS noemen we de
grondlijn van vlak DPQ.
Daarna maken we de doorsnede af.
Trek de lijn door A evenwijdig met BQ; het
snijpunt met EH noemen we U.
Trek de lijn door P evenwijdig met BQ.
Snijd deze lijn met het verlengde van FG.
Verbind het snijpunt met U.
AUVWP is de gevraagde doorsnede.
Eerst snijden we op de manier van Opgave 1a KL en
AE. Het snijpunt noemen we S1.
Om de grondlijn te kunnen tekenen moeten we het snijpunt van KM met ABCDE
proberen te vinden. Dit kan met een geschikt gekozen hulpvlak. In dit geval is
dat vlak TEC.
We trekken nu EC en KM door; het snijpunt noemen we S2.
De lijn S1S2 is de grondlijn.
Snijdt deze met CD. Verbind het snijpunt met M. Trek deze lijn door tot ribbe
TD. Maak de doorsnede af.
Snijd het verlengde van QP met het verlengde van
BA. Het snijpunt noemen we S1.
De snijlijn van vlak TAB met vlak TDC is de lijn door T evenwijdig met AB en
DC. (Deze lijn noemen we wel de toplijn van de piramide.) Teken deze. Snijd de
toplijn met het verlengde van PQ. Het snijpunt noemen we S2.
Trek de lijn S2R en snijdt deze met DC. Verbind het snijpunt met S1.
Maak de doorsnede af.