|

| |
|
LAATSTE NIEUWS |
|
Heb je nieuws over
één van de collégiens ? Stuur het door naar
eddy.lefevre@telenet.be |
|
De gepensioneerden van 2011
.JPG) |
|
Stadsdichter Martin Carrette
wint poëzieprijs Zedelgem
Zaterdagavond won de Deinse stadsdichter Martin
Carrette de poëzieprijs van de gemeente Zedelgem. Die werd georganiseerd
door Het Beleefde Genot vzw, een culturele en literaire vereniging, die
regionaal heel wat interessante initiatieven ontwikkelt. Martin had het
gedicht ‘Oude Meisjeskamer’ ingestuurd.
Martin Carrette: ‘Ik nam deel aan deze
poëziewedstrijd, omdat ik de opdracht nogal uitdagend vond: gedichten
schrijven met als thema een vers van Paul Rodenko: “weer gaat de wereld
als een meisjeskamer open”.
Martin Carrette won de poëziewedstrijd met het
gedicht ‘Oude Meisjeskamer’. Een citaat uit het juryverslag: ‘Met z’n
winnend gedicht sluit de auteur, volgens de jury, zeer goed aan bij het
thema van de poëzieprijs, nl. dat van de verloren onschuld. Het niet
alleen rijpe, maar ook rijke en passende taalgebruik, viel al bij een
eerste lectuur op, samen met de eenheid van sfeer. Dit gedicht reikt –
en dat is uiteraard de bedoeling van elke vorm van poëzie – veel dieper
dan het oppervlak, veel dieper dan de woorden. Vooral de pregnante
weergave van de huwelijksnacht met de maagdelijke bruid in de 2de en de
3de strofe, in zo’n kort bestek zo veel zeggen, wekte de bewondering van
de jury. De eerste prijs wordt met quasi eenparigheid toegekend aan
Martin Carrette uit Deinze met Oude Meisjeskamer’
De proclamatie zaterdagavond was een zeer goed
georganiseerd evenement in de bibliotheek van Zedelgem, met een
indrukwekkende bijdrage van muzikanten uit het Wit Huis, een tehuis voor
mensen met een visuele of andere beperking, en met ook poëzie geschreven
door die mensen.
Het winnende gedicht
Oude
meisjeskamer
Watou zomer
2011
de oude wenteltrap, waarlangs ooit de
vederlichte
bruid werd opgedragen, kraakt nog steeds.
hij lijkt te vragen of wij nog de echo van
haar gillen
horen, dat verstild vergleed naar hijgen,
zuchten, het onvoldane zwijgen. de overloop,
de viering, waar de trap zijn kraken kruist.
er is spoor noch sprake van de bruid. de
kamer,
het huis, weer onbezwaard, wacht op de sloop.
|
|
Woensdag 12 oktober 2011 stelde Martin
Carrette zijn derde dichtbundel voor, "De
Kleinmansuite".
Een artikel daarover en een fotoreportage vind
je hier:
www.nieuwsblad.be/article/detail.aspx?articleid=BLELE_20111015_005
|
|
Dominique Thomas,
oud-collega van VHI en SHZMI, is dit weekend overleden.
De begrafenisdienst
vindt plaats op donderdag 17 februari om 10 uur in de Onze-Lieve-Vrouwkerk
op de
Markt
in Deinze.
We
bieden de familie onze christelijke deelneming aan.
|
|
Wilfried Temmerman
overleden
.jpg) .jpg)
Collega Geert Walgraeve schreef een stukje over Wilfried op
zijn blog:
http://geertwalgraeve.blogspot.com/2010/12/een-heer-van-stand.html
|
|
STILLEVEN
zo zou
Vermeer van Delft het hebben gedaan,
een
stilleven: een kamer, waarin een tafel,
waarop
een boek, dichtgeklapt bij het leeslint,
wachtend, op de ontknoping
en een
glas rode wijn, driekwart leeg, de afdruk
van de
hand die het hield nog bijna zichtbaar
in de
hoek een cello, de strijkstok wachtend,
de
muziek op het blad onvoltooid,
ernaast
een poes, spinnend, half wakend,
wachtend, op het negende leven,
een
doek aan de muur, waarop wachten verbeeld
wordt,
een moeder, een dochter, een vrouw
en één,
voorbijgegaan, haar schaduw nog gevat
in het
raam, glas in lood.
centraal, leeg, een fauteuil. iemand is er nog
niet,
alles in de kamer ademt verwachting.
maar
straks schildert hij verder, zit een man,
een
zoon, een vader, een vriend…
Martin Carrette (op het
bidprentje)
|
 |
|
IN MEMORIAM WILFRIED TEMMERMAN (° 17 juni 1941 + 8 december 2010)
Wilfried gaf sinds 1964 onafgebroken les op onze school. Hij ging met
pensioen in juni 2006. Hij heeft vele generaties jongeren ingewijd in de
schoonheid van taal en literatuur.
schaduw
er is de kilte
vandaag, de kleine kilte
van de tijd die
komt, de tijd zonder
ons, met zijn
schaduw al in de tuin.
als vanouds
zullen dan regen, wind,
zal dan de zon,
zullen de uitgeholde,
de niet meer
thuis te wijzen geluiden,
zal de postbode
om halfelf, zal tram
4, als altijd op
weg naar het station.
een kleine
schaduw in een kille tuin.
De dood van een
mens uit onze naaste omgeving doet ons huiveren, memento mori, gedenk o
mens, … het besef van vergankelijkheid is plots heel nabij, alles
ijdelheid, alles vluchtig. Het hoeft niet te verbazen dat dit het meest
voorkomende thema is in alle kunst. Al in de psalmen luidt het: “Wij
beëindigen onze jaren in een zucht. Zeventig jaar duren onze dagen, …
het beste daarvan is moeite en leed, het gaat snel voorbij en wij
vliegen heen”. De relativiteit van alles laat maarweinig keuzes over in
dit leven. Je kan alles maar op zijn beloop laten, want niets heeft zin,
je kan leven als een razende, in the fast lane, want er is geen tijd. Of
je kan ervoor kiezen naar de kern der dingen te gaan, beseffend wat
Felix Timmermans besefte: “De kern van alle dingen is stil en eindeloos,
alleen de dingen zingen, ons lied is kort en broos.”
Wilfried was een
intelligente man, die als geen ander naar de kern der dingen ging. Hij
had al vroeg “de schaduw in de tuin” gezien, toen de weg die hij als
jongeman was ingeslagen, zeer abrupt werd afgesneden. De kern van alle
dingen … ons lied is kort en broos. Misschien kreeg toen zijn liefde
voor dit leven en alles wat het te bieden heeft gestalte, liefde voor de
kern der dingen, die hij vond in het stoffelijke en het onstoffelijke.
Hij hield van mooie dingen, droeg graag pak en das, koesterde mooie
voorwerpen, beelden, schilderijen, hield van dieren, zijn huis en tuin
ademen goede smaak zonder de wanklank van het materialisme; hij een
zorgzaam man, hield van bewaren, omdat hij heel vroeg had geleerd wat
verliezen betekent.
Wilfried hield
van de goede dingen des levens, lekker eten, een goed glas wijn, maar
hij hield ze niet voor zichzelf. Ik ben echt niet de enige met wie hij
recepten deelde, uienconfituur, spaghettisaus, gemarineerde rauwe zalm.
Hem over koken horen praten was de beste manier om de eetlust aan te
scherpen. Wilfried was trouwens een man van het woord. Doodgraag
vertelde hij anekdotes. Weet je nog, die keer, begon hij, en je
luisterde gefascineerd naar zijn enthousiast verhaal over wat hij had
beleefd met deze of gene, ... Een man van het woord, hij kende veel en
vertelde graag moppen, hij hield van lachen, maar hij is ook een van de
weinige mannen die ik ooit heb weten huilen, op een doodgewone dag, in
een doodgewoon gesprek. Want hij mag dan al een strenge leraar en een
man van principes geweest zijn, een man van zijn woord, ja was ja en nee
was nee, toch was hij zeer gevoelig, hij had een klein hart…
Die gevoeligheid
uitte zich in de onstoffelijke dingen waar hij van hield, de dingen van
de geest. Weer valt op hoe hij naar de diepte zocht in alles, hoe hij
schoonheid wilde delen, hij hield van langs om meer van klassieke
muziek, en dat deelde hij graag. Ik zal weer wel niet de enige zijn bij
wie hij langs kwam, zomaar, met een cd’tje, iets van Beethoven, de
Vlaamse polyfonisten … Zijn bagage was indrukwekkend, hij deelde die
graag met zijn leerlingen, lessen literatuur met muzikale versies van
Macbeth, de Engelse les, opgeluisterd met Keltische muziek, een cultuur
trouwens die hem fascineerde, Ierland was op een vreemde, mystieke
manier een soort thuisland voor hem. Hij was ongelooflijk belezen, in
bijna elk gesprek gaf hij wel leestips ten beste, en hij kreeg die ook
graag. Met bezieling kon hij vertellen over auteurs en boeken, ook hier
hield hij van diepte.
Hij hield van
poëzie, het middeleeuwse Egidiuslied was een van zijn
lievelingsgedichten. Daarin verwijt de dichter zijn pas gestorven
vriend dat hij hem in de slangenkuil van de wereld heeft achtergelaten:
“Nu bidt vor mi, ic moet noch sneven, ende in de werelt liden pijn.” Het
is bijna symbolisch dat in het laatste boek dat Wilfried aan het lezen
was, Wolf Hall, het leeslintje halverwege zal blijven steken. Wolf Hall
is een historische roman over Hendrik de achtste en Anna Boleyn, maar
evengoed en misschien nog meer een roman over de wereld vandaag, een
wildernis vol wolven, een “Wolf hall”, waar Wilfried zeer huiverend
tegenover stond. Hij bleef liever in de kleine kring van mensen die hem
nauw aan het hart lagen, op zoek naar de diepte “van de schoonheid en de
troost”, zoals het laatste boek heet dat hij mij heeft aangeraden.
Kleine anekdote.
Toen Wilfried begin juni 2006 zijn laatste les zou geven, hij werd 65 en
ging met pensioen, hadden we voor een kleine verrassing gezorgd; vijf
minuten voor het einde van les, net voor de middag, vielen we met enkele
collega’s zijn klas binnen, gewapend met wat flessen cava en wat hapjes.
De leerlingen werden naar buiten gestuurd. Wilfried was zo aangedaan
door de geste, dat hij de tijd vergat. Tot hij me plots terzijde nam,
zich excuseerde en even naar buiten ging, om zijn moeder te bellen, dat
hij wat later zou zijn. Een jongen van 65, die zijn moeder belde.
Prachtig was dat. Wilfried ten voeten uit, de kern der dingen. Want wat
is er mooier, wat is er dichter bij de kern van alle dingen, dan een
zoon en zijn moeder, een vader en zijn kind, een man en zijn vrouw?
Dichter bij de broze kern van het leven kan je niet komen. Bedankt,
Wilfried, zorg goed voor ons allemaal, wij blijven verweesd achter, in
dit kille land hier, dit “hierland”. Tot straks, in een of ander
paradijselijk Ierland.
Martin Carrette |
|
Moeder, ik kreeg een rode kaart ! …Proficiat manneke De huidige
betekenis van het begrip “rode kaart” heeft ontegensprekelijk te maken
met de voetbalwereld waarin “fair-play” soms ver te zoeken is. Wie het
op het veld te gortig maakt krijgt van de scheidsrechter een rode kaart,
en kan meteen het veld verlaten. Maar ooit was het anders.
Wie in de jaren 1940 op het Sint-Hendrikscollege, of beter het St
Hendriksgesticht flink zijn best had gedaan kreeg een rode kaart!
Rode kaart stond voor “Zeer Goed”, geel was gewoon “Goed”, groen “Min
goed” en een witte kaart was ronduit “Slecht”. Zo zie je maar: andere
tijden, andere gebruiken !
De ondertekenende leraar was Frans De Troyer. Hij was geboren in
Ninove op 7 juni 1914 en overleed in Gent op 21 februari 1977. Hij was
leraar in het Sint-Hendrikscollege in de periode 1939 - 1947. Hij was
een verwoed filatelist, en zover mij bekend is hij de enige leraar van
Sint-Hendriks wiens portret ooit een postzegel sierde. Wie kan ons
overigens een exemplaar (fotokopie) van die zegel bezorgen?

Willy Jonckheere in het KGK-Contactblad
|
|

Wij laten de laureaat eerst even zelf aan het woord:
Zeer mooie literaire namiddag en avond meegemaakt, gisteren 4 december.
De proclamatie begon met een etentje in theatercafé de Opera, met o.a.
de voorzitster van de jury, de provinciale deputé voor cultuur, de
winnares van de verhalenwedstrijd.
Daarna volgde de proclamatie in een toch wel unieke zaal: de
Academiezaal, wereldbekend om haar akoestische kwaliteiten. In heel
Europa zijn er maar twee zulke zalen, nl. een in Sofia, Bulgarije en …
jawel, Sint-Truiden. Onder andere Deutsche Grammophon gebruikt de zaal
regelmatig voor opnames van klassieke muziek. De zaal ligt in hartje
Sint-Truiden en maakt deel uit van de beroemde benedictijnenabdij. De
renovatie ervan na de Frans revolutie gebeurde door architect Roelandt,
die o.a. ook de Gentse universiteitsaula en de Gentse opera ontwierp.
Midden 19° eeuw bouwde hij de achthoekige academiezaal, die de stad
Sint-Truiden in 1986 in erfpacht kreeg en liet restaureren. De zaal
wordt sindsdien gebruikt voor hoogstaande concerten en als opnamestudio.
De proclamatie van de Guido Wulmspoëzieprijs (de 35° poëzieprijs van de
stad Sint-Truiden) kreeg door dat unieke kader toch wel een gouden
randje.
Er waren 357 ingezonden gedichten, van 139 auteurs, waarvan 41 uit
Nederland. De jury selecteerde daaruit twee van mijn gedichten. ‘Ochtendblues’,
naar Otis Redding, werd bekroond met de eerste prijs, een geldprijs en
een mooi schilderij van kunstschilder Karel Borak. ‘Dodenkamer’, naar
Francis Bacon kreeg een eervolle vermelding.
Uit het juryverslag: Het gedicht Ochtendblues sprak ons aan door de
originele beeldenpracht en de structuur. Het gedicht heeft het ritme van
een trage bluessong. Over Dodenkamer: “kleuren en vormen nemen de
bovenhand. Daarmee schildert de schrijver het gedicht voor de lezer.”
Na de proclamatie was er een receptie, en het geheel werd afgerond door
een optreden van dichter des vaderlands Ramsey Nasr en het jazzensemble
van Corrie van Binsbergen uit Middelburg, waarbij de aanwezigen
anderhalf uur lang ademloos genoten van de prachtige teksten van Nasr en
de zeer frivole, alternatieve klanken van het jazzensemble, die de
akoestische kwaliteiten van de academiezaal ten overvloede bewezen.
ochtendblues,
naar Otis Redding
als
een lade schuift in de dag de nacht, schuift zich een wereld
in
een andere. blijft iets overeind, hard als angst, als pijn bijna,
een
verlangen als een onheil dat gebeurde en door de morgen
niet
tot leugen werd verbleekt.
zo
meert de boordevolle nacht aan in de haven van de dag, oud
schip, het zeil nog bol, als een gezwel. dagwind hangt tussen
de
touwen als een trage bluessong. wanhoop fluit zich
vluchtend tussen tanden weg.
een
man, een kind op de rand van de kade, benenbengelend
in
de tijd, schuift papieren dromen als bootjes in het water,
als
straks in de nacht de dag.
© Martin Carrette
Lees het volledige artikel hier.
|
|
Een
berichtje van de 'Raad van Wijzen'
De grise-eminences van St. Henri en dat zijn Dany, Valère, Hedwig en
Guido, hebben unaniem beslist hun wekelijkse zitdag in 't Klein
Pompierke (alias 't Centerke), aan het staion in Deinze, ook tijdens de
vakantieperiodes te houden. Zij zullen u daar welwillend ontvangen vanaf
11 u.
|
|
Bisschop
Calewaert, een beroemde Deinzenaar
Een
zijstraatje van Hulhaege, in het centrum van Deinze, heet ‘Bisschop
Calewaertstraat’. Wie was deze bisschop Calewaert?
Karel-Justinus Calewaert
werd geboren in Deinze, op 17 oktober 1893 als zoon van Justinus
Calewaert en Odile Van Wambeke. Vader Calewaert was handelaar in de
Tolpoortstraat in Deinze. Hij baatte er een stokerij uit. Tijdens de
Eerste Wereldoorlog trok Karel-Justinus eerst naar Engeland, maar keerde
terug om als brancardier dienst te doen aan het front. Hij studeerde aan
de colleges van Deinze en Gent en de universiteit van Leuven. Na zijn
priesterwijding in 1922, werd hij professor (1925) en directeur (1927)
van het CIBE in Leopoldsburg en directeur (1927) en president (1931) van
het grootseminarie van Gent. Hij werd vicaris-generaal in 1940. Volgens
Ignace De Sutter behoorde hij tot ‘les gens d'expression française’,
maar als Deinzenaar sprak hij natuurlijk ook Vlaams.
Karel-Justinus Calewaert
werd de 27e bisschop van het bisdom Gent in 1948. Hij volgde
Honoré-Jozef Coppieters op. Zijn wapenspreuk was: ‘Caritate veritatis’ (Uit
liefde voor de waarheid). Hij bleef bisschop van Gent tot aan zijn dood
op 27 december 1963. Hij werd toen opgevolgd door Leonce-Albert Van
Peteghem.
Superior Hubert Van den
Braembussche, ons allen welbekend, vond onderstaand artikel in het
tijdschrift De Rots van oktober 1988. Deze herinneringen van de bekende
componist en musicoloog E.H. Ignace De Sutter situeren zich in de jaren
’30, toen Karel Calewaert president was van het grootseminarie van Gent
en in de jaren ’40, toen Calewaert vicaris-generaal was geworden. Met
genegenheid herinnert hij zich deze beroemde Deinzenaar, die hij ook van
een andere kant leerde kennen, toen hij zelf in augustus 1937 leraar werd
aan het Sint-Hendrikscollege van Deinze.
Foto 1:
bisschop Calewaert wijdt
Herman De Bie tot priester in 1957.
Foto 2:
bisschop Calewaert dient het H. Vormsel toe aan Geert Walgraeve (1962).
Burgemeester Van Ryssegem kijkt toe.
Ignace De
Sutter: Herinneringen aan Mgr. Calewaert
Wanneer ik mijn herinneringen aan Mgr. Calewaert wil opzoeken, dan vind
ik die terug in het jaar 1934, toen ik mijn intrede deed in het groot-seminarie
te Gent, waarvan hij toen president was.
VIER JAREN SEMINARIETIJD
In de strenge stijl van het toenmalig opvoedingssysteem — nu een halve
eeuw geleden — paste de wel wat stroeve en stugge indruk die van de
president toen uitging. Zijn streng optreden en vrij zwijgzame omgang
met de seminaristen verstevigde nog die indruk, die hij bij velen maakte
en vertekende zodoende de echte, eenvoudige goedheid die hem eigen was.
Als ik hier een vrij persoonlijk voorbeeld van deze goedwilligheid mag
geven, dan is dat de zeer eenvoudige toegeeflijkheid waarmede president
Calewaert — tegen alle gewoonten in — mij de toestemming gaf om een
piano op mijn kamer te hebben en die dagelijks gedurende de middagrust
te bespelen. Mijn buur-collega en naamgenoot, Frans de Sutter, kan nog
veel vertellen over de vioolsonates van Mozart en Beethoven, die wij
samen inoefenden.
Een andere ervaring van het breed begrip van onze president beleefde ik,
toen ik in 1936 bij mijn subdiakenwijding, volgens de oude gewoonte, een
voorbereidend persoonlijk gesprek met hem moest houden. Toen hij mij de
vraag stelde : "Zijn er moeilijkheden of vragen ?", "Jawel, ik heb nl.
een vraag in verband met de gelofte van gehoorzaamheid aan de bisschop.
Moet ik nu mijn politieke opvattingen wijzigen als Vlaamsgezinde mens?"
Waarop hij antwoordde: "Waarom zoudt gij uw Vlaamsgezindheid moeten
prijsgeven omwille van uw priesterschap?". Toen ik dan zei dat de
bisschoppen rond 1930 een brief lieten voorlezen, waarin zij verklaarden
dat België ons vaderland was, antwoordde hij tot mijn verbazing: "Jamaar
dat was in die dagen misschien zinvol, maar nu is dat toch wel
voorbijgestreefd!". Waar hij aan toevoegde: "Trouwens zijn er onder onze
beste kunstenaars veel flaminganten en het is wellicht goed dat er ook
priesters in die milieus thuis zijn!" Dat er een dergelijk "begrip"
hier, in een dusdanige "eenvoud" kon tot uiting komen, illustreert toch
duidelijk de menselijke toegankelijkheid en openheid van de strenge
president !
En als ik dan nog een ander voorbeeld van president Calewaerts eenvoud
mag geven, kan ik hier iets vertellen over wat bij het einde van mijn
seminarietijd gebeurde. Op de avond van Witte Donderdag 1937, werd ik
onverwacht rond negen uur bij hem geroepen. Niets vermoedend wat er in
dit "stille uur" hier gaande was, moest ik horen dat de president 's
anderendaags de dienst van Goede Vrijdag moest celebreren bij de Zwarte
Zusters (rechtover het Sint-Lievenscollege) en dat hij dus als
hoofdcelebrant in de gezongen Gregoriaanse Passie de rol van Jezus moest
voordragen. Daar hij zich niet zo muzikaal-zeker voelde, vroeg hij mij
nu om in die dienst als diaken te assisteren en hem bij de passiezang de
aanheftoon van zijn "antwoorden" telkens duidelijk maar op zachte wijze
aan te geven... Van eenvoud gesproken !
DEINZE IN DE OORLOGSJAREN
"De Leie liep er langs, zo zoet zo lavend in heur lopen", zo dichtte
Guido Gezelle over deze kleine, sympathieke stad, waar ik in augustus
1937 als leraar benoemd werd aan het Sint-Hendrikscollege. Deze stad
is meteen ook de geboortestad van president Calewaert! Soms ging hij er
heen om er zijn oude moeder te bezoeken. Gedurende de oorlog heb ik hem
een drietal keren door de straten zien rijden, zijn fiets beladen met
pakken groenten en vlees, die hij in de nabije boerderijen (van zijn
ouders!) ging halen voor zijn collega's en seminaristen in Gent.
In zijn geboortestad, waar hij zeer bekend was, werd hij toen niet
genoemd als president of vicaris, maar gewoon als de bekende: "Meneer
Charel".
Hoe deze Meneer Charel daar bij heel wat mensen thuis was, herinner ik
mij nog uit een ontroerend verhaal, dat mij ooit verteld werd door een
naaste buur van het college. Deze man moet een goede vriend van de
president geweest zijn en had een mooi gezin, waar er op een gegeven
moment een moeilijk probleem rees. De oudste zoon had nl. kennis gemaakt
met een meisje waarmede hij wou trouwen, maar dan juist een meid die hem
helemaal niet paste. Daar het onmogelijk scheen te zijn de jongen te
overtuigen van zijn vergissing, dacht de vader er aan om "Meneer Charel",
vriend des huizes, op een avond uit te nodigen en. daar "in familie" de
kwestie te bespreken. Dat gebeurde dan ook en zelfs de argumenten van de
president konden de jongeman niet overtuigen. En toen ontstond er een
onverwachte scène: de president die recht staat en zich voor de jongen
op zijn knieën zet, hem de handen grijpt en hem zegt: "Jan, jongen, moet
ik mij op mijn knieën zetten en u smeken om uw verstand te gebruiken?"
Waarop de knaap de president in de armen neemt en hem wenend antwoordt
dat hij van dit huwelijk afziet... Ook dat is Calewaert!
SINT-NIKLAAS NA DE OORLOG
In juli 1946 werd ik — door tussenkomst van president Calewaert — tot
muziekleraar benoemd aan de Bisschoppelijke Normaalschool te
Sint-Niklaas. In die periode had de hoofdstad van het Waasland drie
bisschoppelijke instituten met priester-leraars, nl. de genoemde
Normaalschool, het Klein-seminarie (Latijnse humaniora) en het Sint-Jozefscollege
(moderne humaniora). Het toeval wou nu dat daardoor twee goede vrienden
in mijn buurt woonden: Cyriel Coupé (Anton van Wilderode) in het Klein-seminarie
en Jozef Sterck in Sint-Jozef.
In het eerste naoorlogse jaar was de bekende krant "De Standaard" terug
verschenen. Ze had, als moedige nieuwigheid, een wekelijks bijvoegsel
uitgedacht, dat elke donderdag op de laatste pagina een "Standaard der
Jeugd" presenteerde. Daardoor wilde zij de Vlaamse jeugd (vooral de
kinderen van de door de repressie vervolgde gezinnen) van dienst te zijn
en ermede in correspondentie treden. De eerste jaargang werd volledig
geleid door de bekende leider van de Vlaamse Scoutsbeweging, Maurits Van
Haegendoren maar na dat eerste jaar gaf die zijn ontslag omwille van het
onmogelijk werk dat hier door één persoon moest gepresteerd worden. Toen
vroeg de Standaarddirectie aan mijn genoemde collega-vriend Jozef Sterck,
om Van Haegendoren op te volgen. Daarop antwoordde onze goede vriend
positief, op voorwaarde dat hij nog twee collega's bij dit werk mocht
betrekken, nl. Cyriel Coupé en ondergetekende. Als dit dan definitief
geregeld was, trok J. Sterck naar Gent, bij president Calewaert, om hem
zijn principiële goedkeuring te vragen voor dit werk van ons drieën. De
president gaf zonder enige aarzeling zijn toestemming, maar stelde
daarbij twee voorwaarden: vooreerst dat hij bij het verschijnen van de
krant zijn mogelijke kritiek aan ons mocht uiten en ten tweede dat wij
als auteurs van de artikelen onbekend bleven en onze bijdragen met een
deknaam ondertekenden. De dag dat de identiteit van één van de
schrijvers publiek bekend werd, moesten wij alle drie de pen erbij
neerleggen...
Het wonder is nu wel dat wij dat werk bijna twee jaar hebben kunnen
volhouden, dank zij een wekelijkse samenkomst, die wij om de beurt in
onze drie woonplaatsen hielden. Dat deze wekelijkse samenkomst voor
bepaalde collega's en vrienden van onze scholen wel een "raadsel" was,
bevestigt de humoristische naam die zij ons gaven, als zij het hadden
over "de drie musketiers"...
Dat wij dan toch na een goed anderhalf jaar de bijl erbij moesten
neerleggen, is te wijten aan een les van Cyriel Coupé, waarin hij een
verhaal vertelde dat een paar van zijn studenten herkenden, waardoor
zijn identiteit duidelijk naar voren kwam. Toen wij, trouw aan onze
afspraak, bij president Calewaert "onze papieren gingen indienen", sprak
hij er zijn grote spijt over uit, dat wij dit "goede werk", waar hij
geen enkele keer kritiek over moest leveren, nu niet meer verder konden
voortzetten. Zijn troostende uitspraak was hierbij : "Jongens, gij weet
niet wat goed werk gij hebt verricht!"
Dit is toch wel een verhaal dat de houding op Vlaams gebied van de
latere bisschop Calewaert in een ander daglicht stelt, dan dat wat men
er vroeger dikwijls wou van maken... De opene, menselijke goedheid en
het principieel vertrouwen lagen dikwijls aan de basis van vele
houdingen tegenover de mensen.
Bisschop Calewaerts "begrip" voor mensen en situaties heb ik persoonlijk
later op nog andere gebieden mogen ervaren. Om daarvan één voorbeeld te
geven, vermeld ik hier dankbaar de toestemming, die hij mij gaf in de
vijftiger jaren, om driemaal per jaar in eigen land naar de opera te
gaan, mits ik hem liet weten naar wélke uitvoering en mij daarvoor in
"burger", in een donker pak wilde kleden... Eens temeer een uiting van
waardering voor persoon en werk en een tastbaar positieve houding
tegenover reële waarden!
Bisschop Calewaert kon ook een "groot mens" zijn in de gewone,
dagelijkse stilte van het leven !
|
|
Willy
JONCKHEERE - Beschouwingen bij een beeld van Sint-Hendrik
Iemand vroeg me
onlangs een inlichting over de beginperiode van het Sint-Hendrikscollege.
Toen ik rondsnuffelde in oude archiefnota’s, stootte ik op een notitie
van de Gentse bisschop Mgr. Bracq in zijn bundel over het
Sint-Hendrikscollege: “Juill 1883 je donne une statue de St Henri
par Zens”. Al wie op het voormalige Sint-Hendrikscollege ooit de
’spreekplaats’ betrad, moet dit gezien hebben: een gipsen beeld van
zowat 70-80cm., voorstellend de Heilige Hendrik.
Wie
was Sint-Hendrik?
Wat had deze Duitse keizer Henricus II van het Heilig
Roomse Rijk, Hendrik de Manke, ook de Heilige, (973 – 1024), te maken
met Deinze en/of met het college?
In ons KOK-jaarboek van 1984, pp. 165-194, publiceerde
ik een artikel, waarin de eerste jaren van het college, de
directeursjaren van E.H. Silvain Gevaert, aan bod kwamen. Daarin
trachtte ik duidelijk te maken dat de eigenlijke start van het college
niet te situeren valt in het ‘oud huis Van Doorne’ op de Markt, -- dit
was de ‘voorgeschiedenis’ – maar op de site tussen Tolpoortstraat en
Leie. Daar kocht men begin 1865 de oude stokerij van Charles Delaye.
Zoals ik toen aantoonde viel de start dus in het schooljaar 1864-1865,
ook al vierde men in 1960 het “eeuwfeest”1.
Na het plots overlijden van mgr. Delebecque op 2 oktober
1864 werd Henri Bracq, professor aan het Gents grootseminarie, eind 1864
als zijn opvolger aangeduid. Hij werd op 1 mei 1865 gewijd als 22e
bisschop van Gent2. De geboren Gentenaar,
Hendrik-Frans Bracq, schonk het eerste college dat tijdens zijn
episcopaat gesticht werd de naam van zijn patroonheilige.
Keizer Henricus II
Henricus II van Duitsland, keizer van het Heilig Roomse
Rijk, de laatste uit het Saksische huis, wordt meestal voorgesteld als
keizer met baard, mantel en keizerskroon. In de hand houdt hij soms een
scepter en een gouden rijksappel. Een zwaard komt eveneens voor, of een
kerkmodel dat hij in de hand houdt, of een schild met daarop de Duitse
adelaar. Het kerkmodel verwijst naar de dom van Bamberg. Samen met zijn
echtgenote Cunegundes van Luxemburg had hij het bisdom Bamberg opgericht3.
Om zijn vazallen de baas te kunnen steunde hij vooral op
bisschoppen en abten, die hij een grote bestuursmacht, en zelfs
militaire macht toekende. Hij steunde dan ook sterk de
hervormingsbeweging van Cluny4.
In dat verband is het voor Deinzenaren toch interessant
om te weten dat hij in het kader van de kloosterhervorming in
Lotharingen de geboren Deinzenaar Sint-Poppo (Deinze 978-Marchiennes
1048) aanstelde tot abt van de bijzonder belangrijke keizersabdij
Stavelot-Malmédy.
Vermits de feestdag van de H. Hendrik op 13 juli valt,
midden in de grote vakantie dus, werd zijn naamdag allicht nauwelijks
gevierd en bleef zijn betekenis daardoor minder beklemtoond.
De
beeldhouwer
Door de notitie van Bracq werd mijn aandacht getrokken
op de maker van het beeld ‘Zens’, niet direct een
overbekende beeldhouwer. Na even zoeken bleek Matthias Zens in het
Gentse toch wel een succesrijk kunstenaar te zijn geweest5.
Hij werd geboren in Schwarzenborn (Zuid-Eifel) op
20-03-1839 en overleed te Gent op 3-10-1921. Na zijn legerdienst bekwam
hij in 1866 een studiebeurs “voor een beeldhouwersschool te Gent”, d.i.
Sint-Lucas, waar hij in de invloedssfeer terechtkwam van de propagandist
van de neo-gotiek, baron Jean-Baptiste Bethune.
Na
zijn opleiding startte hij een zelfstandig atelier, dat in 1870 twintig
medewerkers tewerk stelde, ondermeer Aloïs De Beule. Ook
voor zijn thuisland maakte hij verschillende werken.
Zijn meesterwerk wordt geacht te zijn het ivoren beeld
van de Moeder Gods met kind, waarvoor hij in 1905 de “Grand Prix”
kreeg op de tentoonstelling van Christelijke kunst in Rome. Twee jaar
later, in 1907, kreeg hij voor zijn totale oeuvre het Kruis ‘Pro
Ecclesia et Pontifice’, naar aanleiding van de expositie van zijn
werk in de Gentse Sint-Lucasschool.
Na WO I werd hij als ‘Duitser’ uitgewezen, maar kon
spoedig terugkeren.

Zijn grafsteen bevindt zich op het
kerkhof van Mariakerke (Afb. zie F. Vanderstraeten, o.c., p. 17).
Het werk van Zens
Als belangrijke werken van Matthias Zens somt Gilbert
Samson op: meubilair in de Sint-Annakerk, Gent; Calvariegroep in de
Sint-Jakobskerk, Gent; Preekstoel en communiebank in de
Sint-Jan-Baptistkerk, Gent; Retabel, preekstoel en biechtstoelen in de
Sint-Jozefskerk, Gent; Houten kruisbeeld in de kerk Sint-Theresia van
het Kind Jezus, Gent; Biechtstoelen en lambrizering in de Heilig
Kerstkerk, Gent; Neogotische sculpturale inbreng in de Sint-Martinuskerk,
Gent, Ekkergem; (preekstoel in) O.-L.-Vrouw Geboortekerk, Gent,
Mariakerke; Hoofdaltaar, communiebank, preekstoel en koorgestoelte in de
Heilig Hartkerk, Gent, Sint-Amandsberg; Koorgestoelte en witmarmeren
doopvont in de Sint-Vincentiuskerk, Eeklo.
Hij gebruikte voor beelden gips, witte marmer,
eikenhout, ivoor, polychromie en terracotta. Voor meubilair en
ornamenten werd gebruik gemaakt van: witte steen, wit marmer,
veelkleurig marmer, arduin, eikenhout, palmhout, koper, brons en
smeedijzer, al dan niet geëmailleerd.
Het
is wel duidelijk dat Zens niet alle stukken eigenhandig heeft gemaakt,
maar het is niet duidelijk wat hijzelf of zijn getalenteerde medewerkers
tot stand brachten. Zens signeerde zijn werk zelden of nooit.
F. Vanderstraeten heeft naast de hoger vermelde werken,
die Samson opsomde, nog een indrukwekkende lijst bij elkaar gevonden:
In Gent: Gevelkapelletje in de Rozemarijnstraat; kapel
Bijlokehospitaal; kapel Crombeen in de Leeuwstraat; kapel van
Sint-Barbaracollege in de Savaanstraat; kapel Sint-Jan-de-Deo aan het
Fratersplein; kapel Toevlucht van Maria aan de Coupure; Museum Meerhem
van de Broeders Hiëronymieten aan het Fratersplein; Sint-Denijs in de
deelgemeente Sint-Denijs-Westrem; Sint-Lieven in de deelgemeente
Ledeberg; Sint-Macharius in de Dampoortbuurt ; Sint-Michiels aan het
Sint-Michielsplein.
Buiten Gent: Aalst, Sint-Jozef; Ans, Saint-Remy;
Anthisnes, Sint-Martinus; Bevere-Oudenaarde, Sint-Pieterskerk;
Beveren-Waas, Sint-Martinuskerk; Brugge, Heilig Hartkerk; Destelbergen,
O.-L.-Vrouw-ter-Sneeuw; Grotenberge, Sint-Pietersbanden en
Sint-Berlindis; Kalken, Sint-Denijskerk; Kortrijk, O.-L.-Vrouwkerk;
Maredsous, Piëta; Oudenaarde, O.-L.-Vrouw van Pamele; Overslag (Wachtebeke),
O.-L.-Vrouw Geboorte; Rupelmonde, O.-L.-Vrouw Bezoeking;
Sint-Maria-Aalter, O.-L.-V. Hulp der Christenen; Sint-Niklaas,
Sint-Nicolaaskerk en Sint-Jozef; Sleidinge, Sint-Joris en Sint-Godelieve;
Temse, O.-L.-Vrouw; Wachtebeke, Sint-Catharina; Wichelen, Sint-Gertrudis;
Zaffelare, O.-L.-Vrouw en Sint-Petrus; Zele, Sint-Ludgerus; Zeveneken,
Sint Eligius.
Daarnaast nog diverse werken in het buitenland, vooral
in de Duitse Zuid-Eifel, waar hij vandaan kwam.
1.
W. Jonckheere,
Sint-Hendrikssprokkelingen. Grasduinend in het verleden van het St.-Hendrikscollege
te Deinze. Oorsprong, stichting en eerste levensjaren onder directie van
E.H. Silvain Gevaert, in KOK-jaarboek, 1984, pp. 165-194.
2. M.
Cloet e.a., Het bisdom Gent (1559-1991). Vier eeuwen geschiedenis,
pp. 327 e.v.
3. J.Claes,
A.Claes en K.Vyncke, Sanctus. Meer dan 500 heiligen herkennen,
Davidsfonds, Leuven, pp. 234 en 211.
4.
Historische W.P. encyclopedie, deel 2, pp. 380-381.
5. Even
zijn naam ‘googelen’ leverde een artikel op van Gilbert Samson, gewezen
rijkswachtofficier en druk doende in het Gentse vrijwilligerswerk:
http://www.samsongilbert.be/ZensMathias.html
Bij nader
onderzoek troffen we een uitgebreid artikel aan van Frederik
Vanderstraeten, ‘Mathias Zens: een neogotisch beeldhouwer en sociaal
bewogen persoonlijkheid’, in Heemkundige Kring De Oost-Oudburg,
Jaarboek 1998, pp. 5-42.
Uit het Contactblad 2010-2 van KGK Deinze.
|
|
Reünie 2010
Zaterdagavond 27 maart 2010. Vlasschuur Gottem. De
collégiens waren met niet minder dan 123 opgekomen om St Henri na 150
jaar nog eens te laten herleven.
De superior droeg de mis op in de kerk van Toon.
En daarna sprak hij ons in de Vlasschuur op de receptie nog eens toe van
achter de micro van Jo. De receptie was de uitgelezen gelegenheid om de
(ex-)collega's na zoveel tijd te updaten. Aanschuiven voor een buffet
kan ook best gezellig pratend gebeuren. Daarom dat de meesten ook
tweemaal of zelfs driemaal deze pelgrimstocht volbrachten. De taartjes
van Laurent waren zo copieus, dat er op het einde van de avond nog heel
wat overbleven. Ze waren nochtans delicieus, zelfs de dag daarna ook nog.
We kregen tussendoor nog het bezoek van onze eigen
nostalgische stadsdichter Martin en een schaapherder Chris met wat te
veel West-Vleteren op.
Marc, Hedwig, Camille en Diether zorgden voor een
blitse anderhalf eeuw durende powerpoint. Die is overigens op deze
website voor eeuwig te bewonderen van uit de luie zetel thuis.
Het Comité 150 jaar St.-Henri (Geert was net
even naar het toilet) dankt u.
..jpg)
Wij maken een afspraak, bij leven en welzijn, in
maart 2013. |
|
|
|
|
|

St.-Henricus heet iedereen die
ooit heeft les gegeven in het Sint-Hendrikscollege in Deinze, St.-Henri voor de
vrienden, hartelijk welkom.
Kom geregeld terug naar deze
webstek voor foto's en nieuwtjes.
Wie interessant materiaal
heeft over het college, mag dat bezorgen
(liefst elektronisch).
Sint-Hendrik zal U dankbaar
zijn.

|