St.-Henri

 

Colleganieuws Mijmeringen Brieven Geschiedenis Fotoalbum Contactpersonen Achtergrond Reunie 2003 Reunie 2006 Reunie 2010

 

 

LAATSTE NIEUWS

Heb je nieuws over één van de collégiens ? Stuur het door naar eddy.lefevre@telenet.be

 

De gepensioneerden van 2011

Stadsdichter Martin Carrette wint poëzieprijs Zedelgem

Zaterdagavond won de Deinse stadsdichter Martin Carrette de poëzieprijs van de gemeente Zedelgem. Die werd georganiseerd door Het Beleefde Genot vzw, een culturele en literaire vereniging, die regionaal heel wat interessante initiatieven ontwikkelt. Martin had het gedicht ‘Oude Meisjeskamer’ ingestuurd.

Martin Carrette: ‘Ik nam deel aan deze poëziewedstrijd, omdat ik de opdracht nogal uitdagend vond: gedichten schrijven met als thema een vers van Paul Rodenko: “weer gaat de wereld als een meisjeskamer open”.

Martin Carrette won de poëziewedstrijd met het gedicht ‘Oude Meisjeskamer’. Een citaat uit het juryverslag: ‘Met z’n winnend gedicht sluit de auteur, volgens de jury, zeer goed aan bij het thema van de poëzieprijs, nl. dat van de verloren onschuld. Het niet alleen rijpe, maar ook rijke en passende taalgebruik, viel al bij een eerste lectuur op, samen met de eenheid van sfeer. Dit gedicht reikt – en dat is uiteraard de bedoeling van elke vorm van poëzie – veel dieper dan het oppervlak, veel dieper dan de woorden. Vooral de pregnante weergave van de huwelijksnacht met de maagdelijke bruid in de 2de en de 3de strofe, in zo’n kort bestek zo veel zeggen, wekte de bewondering van de jury. De eerste prijs wordt met quasi eenparigheid toegekend aan Martin Carrette uit Deinze met Oude Meisjeskamer’

De proclamatie zaterdagavond was een zeer goed georganiseerd evenement in de bibliotheek van Zedelgem, met een indrukwekkende bijdrage van muzikanten uit het Wit Huis, een tehuis voor mensen met een visuele of andere beperking, en met ook poëzie geschreven door die mensen.

Het winnende gedicht

Oude meisjeskamer

Watou zomer 2011

 

de oude wenteltrap, waarlangs ooit de vederlichte

bruid werd opgedragen, kraakt nog steeds.

 

hij lijkt te vragen of wij nog de echo van haar gillen

horen, dat verstild vergleed naar hijgen,

 

zuchten, het onvoldane zwijgen. de overloop,

de viering, waar de trap zijn kraken kruist.

 

er is spoor noch sprake van de bruid. de kamer,

het huis, weer onbezwaard, wacht op de sloop.

 

 

 

Woensdag 12 oktober 2011 stelde Martin Carrette zijn derde dichtbundel voor, "De Kleinmansuite".

Een artikel daarover en een fotoreportage vind je hier: www.nieuwsblad.be/article/detail.aspx?articleid=BLELE_20111015_005

 

 

Dominique Thomas, oud-collega van VHI en SHZMI, is dit weekend overleden.

De begrafenisdienst vindt plaats op donderdag 17 februari om 10 uur in de Onze-Lieve-Vrouwkerk op de Markt in Deinze.

We bieden de familie onze christelijke deelneming aan.

 

Wilfried Temmerman overleden

Collega Geert Walgraeve schreef een stukje over Wilfried op zijn blog: http://geertwalgraeve.blogspot.com/2010/12/een-heer-van-stand.html

 

STILLEVEN

zo zou Vermeer van Delft  het hebben gedaan,

een stilleven: een kamer, waarin een tafel,

 

waarop een boek, dichtgeklapt bij het leeslint,

wachtend, op de ontknoping

 

en een glas rode wijn, driekwart leeg, de afdruk

van de hand die het hield nog bijna zichtbaar

 

in de hoek een cello, de strijkstok wachtend,

de muziek op het blad onvoltooid,

 

ernaast een poes, spinnend, half wakend,

wachtend, op het negende leven,                                                                                    

 

een doek aan de muur, waarop wachten verbeeld

wordt, een moeder, een dochter, een vrouw

 

en één, voorbijgegaan, haar schaduw nog gevat

in het raam, glas in lood.

 

centraal, leeg, een fauteuil. iemand is er nog

niet, alles in de kamer ademt verwachting.

 

maar straks schildert hij verder, zit een man,

een zoon, een vader, een vriend…

 Martin Carrette (op het bidprentje)

 

IN MEMORIAM WILFRIED TEMMERMAN (° 17 juni 1941 + 8 december 2010)

Wilfried gaf sinds 1964 onafgebroken les op onze school. Hij ging met pensioen in juni 2006. Hij heeft vele generaties jongeren ingewijd in de schoonheid van taal en literatuur.

 

schaduw

er is de kilte vandaag, de kleine kilte

van de tijd die komt, de tijd zonder

ons, met zijn schaduw al in de tuin.

                                              

als vanouds zullen dan regen, wind,

zal dan de zon, zullen de uitgeholde,

de niet meer thuis te wijzen geluiden,

 

zal de postbode om halfelf, zal tram

4, als altijd op weg naar het station.

een kleine schaduw in een kille tuin.

 

De dood van een mens uit onze naaste omgeving doet ons huiveren, memento mori, gedenk o mens, …  het besef van vergankelijkheid is plots heel nabij, alles ijdelheid, alles vluchtig. Het hoeft niet te verbazen dat dit het meest voorkomende thema is in alle kunst. Al in de psalmen luidt het: “Wij beëindigen onze jaren in een zucht. Zeventig jaar duren onze dagen, … het beste daarvan is moeite en leed, het gaat snel voorbij en wij vliegen heen”.  De relativiteit van alles laat maarweinig keuzes over in dit leven. Je kan alles maar op zijn beloop laten, want niets heeft zin, je kan leven als een razende, in the fast lane, want er is geen tijd. Of je kan ervoor kiezen naar de kern der dingen te gaan, beseffend wat Felix Timmermans besefte: “De kern van alle dingen is stil en eindeloos, alleen de dingen zingen, ons lied is kort en broos.”

Wilfried was een intelligente man, die als geen ander naar de kern der dingen ging. Hij had al vroeg “de schaduw in de tuin” gezien, toen de weg die hij als jongeman was ingeslagen, zeer abrupt werd afgesneden. De kern van alle dingen … ons lied is kort en broos. Misschien kreeg toen zijn liefde voor dit leven en alles wat het te bieden heeft gestalte, liefde voor de kern der dingen, die hij vond in het stoffelijke en het onstoffelijke. Hij hield van mooie dingen, droeg graag pak en das, koesterde mooie voorwerpen, beelden, schilderijen, hield van dieren, zijn huis en tuin ademen goede smaak zonder de wanklank van het materialisme; hij een zorgzaam man, hield van bewaren, omdat hij heel vroeg had geleerd wat verliezen betekent.

Wilfried hield van de goede dingen des levens, lekker eten, een goed glas wijn, maar hij hield ze niet voor zichzelf. Ik ben echt niet de enige met wie hij recepten deelde, uienconfituur, spaghettisaus, gemarineerde rauwe zalm. Hem over koken horen praten was de beste manier om de eetlust aan te scherpen.  Wilfried was trouwens een man van het woord. Doodgraag vertelde hij anekdotes. Weet je nog, die keer, begon hij, en je luisterde gefascineerd naar zijn enthousiast verhaal over wat hij had beleefd met deze of gene, ... Een man van het woord, hij kende veel en vertelde graag  moppen, hij hield van lachen, maar hij is ook een van de weinige mannen die ik ooit heb weten huilen, op een doodgewone dag, in een doodgewoon gesprek. Want hij mag dan al een strenge leraar en een man van principes geweest zijn, een man van zijn woord, ja was ja en nee was nee, toch was hij zeer gevoelig, hij had een klein hart…

Die gevoeligheid uitte zich in de onstoffelijke dingen waar hij van hield, de dingen van de geest. Weer valt op hoe hij naar de diepte zocht in alles, hoe hij schoonheid wilde delen, hij hield van langs om meer van klassieke muziek, en dat  deelde hij graag. Ik zal weer wel niet de enige zijn bij wie hij langs kwam, zomaar, met een cd’tje, iets van Beethoven, de Vlaamse polyfonisten … Zijn bagage was indrukwekkend, hij deelde die graag met zijn leerlingen, lessen literatuur met muzikale versies van Macbeth, de Engelse les, opgeluisterd met Keltische muziek, een cultuur trouwens die hem fascineerde, Ierland was op een vreemde, mystieke manier een soort thuisland voor hem.  Hij was ongelooflijk belezen, in bijna elk gesprek gaf hij wel leestips ten beste, en hij kreeg die ook graag. Met bezieling kon hij vertellen over auteurs en boeken, ook hier hield hij van diepte.

Hij hield van poëzie,  het middeleeuwse Egidiuslied was een van zijn lievelingsgedichten. Daarin verwijt de dichter zijn  pas gestorven vriend dat hij hem in de slangenkuil van de wereld heeft achtergelaten: “Nu bidt vor mi, ic moet noch sneven, ende in de werelt liden pijn.” Het is bijna symbolisch dat in het laatste boek dat Wilfried aan het lezen was, Wolf Hall, het leeslintje halverwege zal blijven steken. Wolf Hall is een historische roman over Hendrik de achtste en Anna Boleyn, maar evengoed en misschien nog meer een roman over de wereld vandaag, een wildernis vol wolven,  een “Wolf hall”,  waar Wilfried zeer huiverend tegenover stond. Hij bleef liever in de kleine kring van mensen die hem nauw aan het hart lagen, op zoek naar de diepte “van de schoonheid en de troost”, zoals het laatste boek heet dat hij mij heeft aangeraden.

Kleine anekdote. Toen Wilfried begin juni 2006 zijn laatste les zou geven, hij werd 65 en ging met pensioen, hadden we voor een kleine verrassing gezorgd;  vijf minuten voor het einde van les, net voor de middag, vielen we met enkele collega’s zijn klas binnen, gewapend met wat flessen cava en wat hapjes. De leerlingen werden naar buiten gestuurd. Wilfried was zo aangedaan door de geste, dat hij de tijd vergat. Tot hij me plots terzijde nam, zich excuseerde en even naar buiten ging, om zijn moeder te bellen, dat hij wat later zou zijn. Een jongen van 65, die zijn moeder belde. Prachtig was dat. Wilfried ten voeten uit, de kern der dingen. Want wat is er mooier, wat is er dichter bij de kern van alle dingen, dan een zoon en zijn moeder, een vader en zijn kind, een man en zijn vrouw? Dichter bij de broze kern van het leven kan je niet komen. Bedankt, Wilfried, zorg goed voor ons allemaal, wij blijven verweesd achter, in dit kille land hier, dit “hierland”. Tot straks, in een of ander paradijselijk Ierland.

Martin Carrette

Moeder, ik kreeg een rode kaart ! …Proficiat manneke

De huidige betekenis van het begrip “rode kaart” heeft ontegensprekelijk te maken met de voetbalwereld waarin “fair-play” soms ver te zoeken is. Wie het op het veld te gortig maakt krijgt van de scheidsrechter een rode kaart, en kan meteen het veld verlaten. Maar ooit was het anders.

Wie in de jaren 1940 op het Sint-Hendrikscollege, of beter het St Hendriksgesticht flink zijn best had gedaan kreeg een rode kaart!

Rode kaart stond voor “Zeer Goed”, geel was gewoon “Goed”, groen “Min goed” en een witte kaart was ronduit “Slecht”. Zo zie je maar: andere tijden, andere gebruiken !

De ondertekenende leraar was Frans De Troyer. Hij was geboren in Ninove op 7 juni 1914 en overleed in Gent op 21 februari 1977. Hij was leraar in het Sint-Hendrikscollege in de periode 1939 - 1947. Hij was een verwoed filatelist, en zover mij bekend is hij de enige leraar van Sint-Hendriks wiens portret ooit een postzegel sierde. Wie kan ons overigens een exemplaar (fotokopie) van die zegel bezorgen?

Willy Jonckheere in het KGK-Contactblad

 

Martin Carrette wint de Guido-Wulmspoëzieprijs

Wij laten de laureaat eerst even zelf aan het woord:

Zeer mooie literaire namiddag en avond meegemaakt, gisteren 4 december. De proclamatie begon met een etentje in theatercafé de Opera, met o.a. de voorzitster van de jury, de provinciale deputé voor cultuur, de winnares van de verhalenwedstrijd. 

Daarna volgde de proclamatie in een toch wel unieke zaal: de Academiezaal, wereldbekend om haar akoestische kwaliteiten. In heel Europa zijn er maar twee zulke zalen, nl. een in Sofia, Bulgarije en … jawel, Sint-Truiden. Onder andere Deutsche Grammophon gebruikt de zaal regelmatig voor opnames van klassieke muziek. De zaal ligt in hartje Sint-Truiden en maakt deel uit van de beroemde benedictijnenabdij. De renovatie ervan na de Frans revolutie gebeurde door architect Roelandt, die o.a. ook de Gentse universiteitsaula en de Gentse opera ontwierp. Midden 19° eeuw bouwde hij de achthoekige academiezaal, die de stad Sint-Truiden in 1986 in erfpacht kreeg en liet restaureren. De zaal wordt sindsdien gebruikt voor hoogstaande concerten en als opnamestudio.

De proclamatie van de Guido Wulmspoëzieprijs (de 35° poëzieprijs van de stad Sint-Truiden) kreeg door dat unieke kader toch wel een gouden randje.

Er waren 357 ingezonden gedichten, van 139 auteurs, waarvan 41 uit Nederland. De jury selecteerde daaruit twee van mijn gedichten. ‘Ochtendblues’, naar Otis Redding, werd bekroond met de eerste prijs, een geldprijs en een mooi schilderij van kunstschilder Karel Borak. ‘Dodenkamer’, naar Francis Bacon kreeg een eervolle vermelding.

Uit het juryverslag: Het gedicht Ochtendblues sprak ons aan door de originele beeldenpracht en de structuur. Het gedicht heeft het ritme van een trage bluessong. Over Dodenkamer: “kleuren en vormen nemen de bovenhand. Daarmee schildert de schrijver het gedicht voor de lezer.”

Na de proclamatie was er een receptie, en het geheel werd afgerond door een optreden van dichter des vaderlands Ramsey Nasr en het jazzensemble van Corrie van Binsbergen uit Middelburg, waarbij de aanwezigen anderhalf uur lang ademloos genoten van de prachtige teksten van Nasr en de zeer frivole, alternatieve klanken van het jazzensemble, die de akoestische kwaliteiten van de academiezaal ten overvloede bewezen.

 

ochtendblues, naar Otis Redding

 

als een lade schuift in de dag de nacht, schuift zich een wereld

in een andere. blijft iets overeind, hard als angst, als pijn bijna,

een verlangen als een onheil dat gebeurde en door de morgen

niet tot leugen werd verbleekt.

 

zo meert de boordevolle nacht aan in de haven van de dag, oud

schip, het zeil nog bol, als een gezwel. dagwind hangt tussen

de touwen als een trage bluessong. wanhoop fluit zich

vluchtend tussen tanden weg.

 

een man, een kind op de rand van de kade, benenbengelend

in de tijd, schuift papieren dromen als bootjes in het water,

als straks in de nacht de dag.

© Martin Carrette

 

Lees het volledige artikel hier.

 

Een berichtje van de 'Raad van Wijzen'

De grise-eminences van St. Henri en dat zijn Dany, Valère, Hedwig en Guido, hebben unaniem beslist hun wekelijkse zitdag in 't Klein Pompierke (alias 't Centerke), aan het staion in Deinze, ook tijdens de vakantieperiodes te houden. Zij zullen u daar welwillend ontvangen vanaf 11 u.

 

Bisschop Calewaert, een beroemde Deinzenaar

Een zijstraatje van Hulhaege, in het centrum van Deinze, heet ‘Bisschop Calewaertstraat’. Wie was deze bisschop Calewaert?

Karel-Justinus Calewaert werd geboren in Deinze, op 17 oktober 1893 als zoon van Justinus Calewaert en Odile Van Wambeke. Vader Calewaert was handelaar in de Tolpoortstraat in Deinze. Hij baatte er een stokerij uit. Tijdens de Eerste Wereldoorlog trok Karel-Justinus eerst naar Engeland, maar keerde terug om als brancardier dienst te doen aan het front. Hij studeerde aan de colleges van Deinze en Gent en de universiteit van Leuven. Na zijn priesterwijding in 1922, werd hij professor (1925) en directeur (1927) van het CIBE in Leopoldsburg en directeur (1927) en president (1931) van het grootseminarie van Gent. Hij werd vicaris-generaal in 1940. Volgens Ignace De Sutter behoorde hij tot ‘les gens d'expression française’, maar als Deinzenaar sprak hij natuurlijk ook Vlaams.

Karel-Justinus Calewaert werd de 27e bisschop van het bisdom Gent in 1948. Hij volgde Honoré-Jozef Coppieters op. Zijn wapenspreuk was: ‘Caritate veritatis’ (Uit liefde voor de waarheid).  Hij bleef bisschop van Gent tot aan zijn dood op 27 december 1963. Hij werd toen opgevolgd door Leonce-Albert Van Peteghem.

Superior Hubert Van den Braembussche, ons allen welbekend, vond onderstaand artikel in het tijdschrift De Rots van oktober 1988. Deze herinneringen van de bekende componist en musicoloog E.H. Ignace De Sutter situeren zich in de jaren ’30, toen Karel Calewaert president was van het grootseminarie van Gent en in de jaren ’40, toen Calewaert vicaris-generaal was geworden. Met genegenheid herinnert hij zich deze beroemde Deinzenaar, die hij ook van een andere kant leerde kennen, toen hij zelf in augustus 1937 leraar werd aan het Sint-Hendrikscollege van Deinze.

Foto 1: bisschop Calewaert wijdt Herman De Bie tot priester in 1957.

Foto 2: bisschop Calewaert dient het H. Vormsel toe aan Geert Walgraeve (1962). Burgemeester Van Ryssegem kijkt toe.

Ignace De Sutter: Herinneringen aan Mgr. Calewaert

Wanneer ik mijn herinneringen aan Mgr. Calewaert wil opzoeken, dan vind ik die terug in het jaar 1934, toen ik mijn intrede deed in het groot-seminarie te Gent, waarvan hij toen president was.

VIER JAREN SEMINARIETIJD

In de strenge stijl van het toenmalig opvoedingssysteem — nu een halve eeuw geleden — paste de wel wat stroeve en stugge indruk die van de president toen uitging. Zijn streng optreden en vrij zwijgzame omgang met de seminaristen verstevigde nog die indruk, die hij bij velen maakte en vertekende zodoende de echte, eenvoudige goedheid die hem eigen was.

Als ik hier een vrij persoonlijk voorbeeld van deze goedwilligheid mag geven, dan is dat de zeer eenvoudige toegeeflijkheid waarmede president Calewaert — tegen alle gewoonten in — mij de toestemming gaf om een piano op mijn kamer te hebben en die dagelijks gedurende de middagrust te bespelen. Mijn buur-collega en naamgenoot, Frans de Sutter, kan nog veel vertellen over de vioolsonates van Mozart en Beethoven, die wij samen inoefenden.

Een andere ervaring van het breed begrip van onze president beleefde ik, toen ik in 1936 bij mijn subdiakenwijding, volgens de oude gewoonte, een voorbereidend persoonlijk gesprek met hem moest houden. Toen hij mij de vraag stelde : "Zijn er moeilijkheden of vragen ?", "Jawel, ik heb nl. een vraag in verband met de gelofte van gehoorzaamheid aan de bisschop. Moet ik nu mijn politieke opvattingen wijzigen als Vlaamsgezinde mens?" Waarop hij antwoordde: "Waarom zoudt gij uw Vlaamsgezindheid moeten prijsgeven omwille van uw priesterschap?". Toen ik dan zei dat de bisschoppen rond 1930 een brief lieten voorlezen, waarin zij verklaarden dat België ons vaderland was, antwoordde hij tot mijn verbazing: "Jamaar dat was in die dagen misschien zinvol, maar nu is dat toch wel voorbijgestreefd!". Waar hij aan toevoegde: "Trouwens zijn er onder onze beste kunstenaars veel flaminganten en het is wellicht goed dat er ook priesters in die milieus thuis zijn!" Dat er een dergelijk "begrip" hier, in een dusdanige "eenvoud" kon tot uiting komen, illustreert toch duidelijk de menselijke toegankelijkheid en openheid van de strenge president !

En als ik dan nog een ander voorbeeld van president Calewaerts eenvoud mag geven, kan ik hier iets vertellen over wat bij het einde van mijn seminarietijd gebeurde. Op de avond van Witte Donderdag 1937, werd ik onverwacht rond negen uur bij hem geroepen. Niets vermoedend wat er in dit "stille uur" hier gaande was, moest ik horen dat de president 's anderendaags de dienst van Goede Vrijdag moest celebreren bij de Zwarte Zusters (rechtover het Sint-Lievenscollege) en dat hij dus als hoofdcelebrant in de gezongen Gregoriaanse Passie de rol van Jezus moest voordragen. Daar hij zich niet zo muzikaal-zeker voelde, vroeg hij mij nu om in die dienst als diaken te assisteren en hem bij de passiezang de aanheftoon van zijn "antwoorden" telkens duidelijk maar op zachte wijze aan te geven... Van eenvoud gesproken !

DEINZE IN DE OORLOGSJAREN

"De Leie liep er langs, zo zoet zo lavend in heur lopen", zo dichtte Guido Gezelle over deze kleine, sympathieke stad, waar ik in augustus 1937 als leraar benoemd werd aan het Sint-Hendrikscollege. Deze stad is meteen ook de geboortestad van president Calewaert! Soms ging hij er heen om er zijn oude moeder te bezoeken. Gedurende de oorlog heb ik hem een drietal keren door de straten zien rijden, zijn fiets beladen met pakken groenten en vlees, die hij in de nabije boerderijen (van zijn ouders!) ging halen voor zijn collega's en seminaristen in Gent.

In zijn geboortestad, waar hij zeer bekend was, werd hij toen niet genoemd als president of vicaris, maar gewoon als de bekende: "Meneer Charel".

Hoe deze Meneer Charel daar bij heel wat mensen thuis was, herinner ik mij nog uit een ontroerend verhaal, dat mij ooit verteld werd door een naaste buur van het college. Deze man moet een goede vriend van de president geweest zijn en had een mooi gezin, waar er op een gegeven moment een moeilijk probleem rees. De oudste zoon had nl. kennis gemaakt met een meisje waarmede hij wou trouwen, maar dan juist een meid die hem helemaal niet paste. Daar het onmogelijk scheen te zijn de jongen te overtuigen van zijn vergissing, dacht de vader er aan om "Meneer Charel", vriend des huizes, op een avond uit te nodigen en. daar "in familie" de kwestie te bespreken. Dat gebeurde dan ook en zelfs de argumenten van de president konden de jongeman niet overtuigen. En toen ontstond er een onverwachte scène: de president die recht staat en zich voor de jongen op zijn knieën zet, hem de handen grijpt en hem zegt: "Jan, jongen, moet ik mij op mijn knieën zetten en u smeken om uw verstand te gebruiken?" Waarop de knaap de president in de armen neemt en hem wenend antwoordt dat hij van dit huwelijk afziet... Ook dat is Calewaert!

SINT-NIKLAAS NA DE OORLOG

In juli 1946 werd ik — door tussenkomst van president Calewaert — tot muziekleraar benoemd aan de Bisschoppelijke Normaalschool te Sint-Niklaas. In die periode had de hoofdstad van het Waasland drie bisschoppelijke instituten met priester-leraars, nl. de genoemde Normaalschool, het Klein-seminarie (Latijnse humaniora) en het Sint-Jozefscollege (moderne humaniora). Het toeval wou nu dat daardoor twee goede vrienden in mijn buurt woonden: Cyriel Coupé (Anton van Wilderode) in het Klein-seminarie en Jozef Sterck in Sint-Jozef.

In het eerste naoorlogse jaar was de bekende krant "De Standaard" terug verschenen. Ze had, als moedige nieuwigheid, een wekelijks bijvoegsel uitgedacht, dat elke donderdag op de laatste pagina een "Standaard der Jeugd" presenteerde. Daardoor wilde zij de Vlaamse jeugd (vooral de kinderen van de door de repressie vervolgde gezinnen) van dienst te zijn en ermede in correspondentie treden. De eerste jaargang werd volledig geleid door de bekende leider van de Vlaamse Scoutsbeweging, Maurits Van Haegendoren maar na dat eerste jaar gaf die zijn ontslag omwille van het onmogelijk werk dat hier door één persoon moest gepresteerd worden. Toen vroeg de Standaarddirectie aan mijn genoemde collega-vriend Jozef Sterck, om Van Haegendoren op te volgen. Daarop antwoordde onze goede vriend positief, op voorwaarde dat hij nog twee collega's bij dit werk mocht betrekken, nl. Cyriel Coupé en ondergetekende. Als dit dan definitief geregeld was, trok J. Sterck naar Gent, bij president Calewaert, om hem zijn principiële goedkeuring te vragen voor dit werk van ons drieën. De president gaf zonder enige aarzeling zijn toestemming, maar stelde daarbij twee voorwaarden: vooreerst dat hij bij het verschijnen van de krant zijn mogelijke kritiek aan ons mocht uiten en ten tweede dat wij als auteurs van de artikelen onbekend bleven en onze bijdragen met een deknaam ondertekenden. De dag dat de identiteit van één van de schrijvers publiek bekend werd, moesten wij alle drie de pen erbij neerleggen...

Het wonder is nu wel dat wij dat werk bijna twee jaar hebben kunnen volhouden, dank zij een wekelijkse samenkomst, die wij om de beurt in onze drie woonplaatsen hielden. Dat deze wekelijkse samenkomst voor bepaalde collega's en vrienden van onze scholen wel een "raadsel" was, bevestigt de humoristische naam die zij ons gaven, als zij het hadden over "de drie musketiers"...

Dat wij dan toch na een goed anderhalf jaar de bijl erbij moesten neerleggen, is te wijten aan een les van Cyriel Coupé, waarin hij een verhaal vertelde dat een paar van zijn studenten herkenden, waardoor zijn identiteit duidelijk naar voren kwam. Toen wij, trouw aan onze afspraak, bij president Calewaert "onze papieren gingen indienen", sprak hij er zijn grote spijt over uit, dat wij dit "goede werk", waar hij geen enkele keer kritiek over moest leveren, nu niet meer verder konden voortzetten. Zijn troostende uitspraak was hierbij : "Jongens, gij weet niet wat goed werk gij hebt verricht!"

Dit is toch wel een verhaal dat de houding op Vlaams gebied van de latere bisschop Calewaert in een ander daglicht stelt, dan dat wat men er vroeger dikwijls wou van maken... De opene, menselijke goedheid en het principieel vertrouwen lagen dikwijls aan de basis van vele houdingen tegenover de mensen.

Bisschop Calewaerts "begrip" voor mensen en situaties heb ik persoonlijk later op nog andere gebieden mogen ervaren. Om daarvan één voorbeeld te geven, vermeld ik hier dankbaar de toestemming, die hij mij gaf in de vijftiger jaren, om driemaal per jaar in eigen land naar de opera te gaan, mits ik hem liet weten naar wélke uitvoering en mij daarvoor in "burger", in een donker pak wilde kleden... Eens temeer een uiting van waardering voor persoon en werk en een tastbaar positieve houding tegenover reële waarden!

Bisschop Calewaert kon ook een "groot mens" zijn in de gewone, dagelijkse stilte van het leven !

 

Willy JONCKHEERE - Beschouwingen bij een beeld van Sint-Hendrik

Iemand vroeg me onlangs een inlichting over de beginperiode van het Sint-Hendrikscollege. Toen ik rondsnuffelde in oude archiefnota’s, stootte ik op een notitie van de Gentse bisschop Mgr. Bracq in zijn bundel over het Sint-Hendrikscollege: “Juill 1883 je donne une statue de St Henri par Zens”. Al wie op het voormalige Sint-Hendrikscollege ooit de ’spreekplaats’ betrad, moet dit gezien hebben: een gipsen beeld van zowat 70-80cm., voorstellend de Heilige Hendrik.

Wie was Sint-Hendrik?

Wat had deze Duitse keizer Henricus II van het Heilig Roomse Rijk, Hendrik de Manke, ook de Heilige, (973 – 1024), te maken met Deinze en/of met het college?

In ons KOK-jaarboek van 1984, pp. 165-194, publiceerde ik een artikel, waarin  de eerste jaren van het college, de directeursjaren van E.H. Silvain Gevaert, aan bod kwamen. Daarin trachtte ik  duidelijk te maken dat de eigenlijke start van het college niet te situeren valt in het ‘oud huis Van Doorne’ op de Markt, -- dit was de ‘voorgeschiedenis’ – maar op de site tussen Tolpoortstraat en Leie. Daar kocht men begin 1865 de oude stokerij van Charles Delaye. Zoals ik toen aantoonde viel de start dus in het schooljaar 1864-1865, ook al vierde men in 1960 het “eeuwfeest”1.

Na het plots overlijden van mgr. Delebecque op 2 oktober 1864 werd Henri Bracq, professor aan het Gents grootseminarie, eind 1864 als zijn opvolger aangeduid. Hij werd op 1 mei 1865 gewijd als 22e bisschop van Gent2. De geboren Gentenaar, Hendrik-Frans Bracq, schonk het eerste college dat tijdens zijn episcopaat gesticht werd de naam van zijn patroonheilige.

Keizer Henricus II

Henricus II van Duitsland, keizer van het Heilig Roomse Rijk, de laatste uit het Saksische huis, wordt meestal voorgesteld als keizer met baard, mantel en keizerskroon. In de hand houdt hij soms een scepter en een gouden rijksappel. Een zwaard komt eveneens voor, of een kerkmodel dat hij in de hand houdt, of een schild met daarop de Duitse adelaar. Het kerkmodel verwijst naar de dom van Bamberg. Samen met zijn echtgenote Cunegundes van Luxemburg had hij het bisdom Bamberg opgericht3.

Om zijn vazallen de baas te kunnen steunde hij vooral op bisschoppen en abten, die hij een grote bestuursmacht, en zelfs militaire macht toekende. Hij steunde dan ook sterk de hervormingsbeweging van Cluny4.

In dat verband is het voor Deinzenaren toch interessant om te weten dat hij in het kader van de kloosterhervorming in Lotharingen de geboren Deinzenaar Sint-Poppo (Deinze 978-Marchiennes 1048) aanstelde tot abt van de bijzonder belangrijke keizersabdij Stavelot-Malmédy.

Vermits de feestdag van de H. Hendrik op 13 juli valt, midden in de grote vakantie dus, werd zijn naamdag allicht nauwelijks gevierd en bleef zijn betekenis daardoor minder beklemtoond.

De beeldhouwer

Door de notitie van Bracq werd mijn aandacht getrokken op de maker van het beeld ‘Zens’, niet direct een overbekende beeldhouwer. Na even zoeken bleek Matthias Zens in het Gentse toch wel een succesrijk kunstenaar te zijn geweest5.

Hij werd geboren in Schwarzenborn (Zuid-Eifel) op 20-03-1839 en overleed te Gent op 3-10-1921. Na zijn legerdienst bekwam hij in 1866 een studiebeurs “voor een beeldhouwersschool te Gent”, d.i. Sint-Lucas, waar hij in de invloedssfeer terechtkwam van de propagandist van de neo-gotiek, baron Jean-Baptiste Bethune.

Na zijn opleiding startte hij een zelfstandig atelier, dat in 1870 twintig medewerkers tewerk stelde, ondermeer Aloïs De Beule. Ook voor zijn thuisland maakte hij verschillende werken.

Zijn meesterwerk wordt geacht te zijn het ivoren beeld van de Moeder Gods met kind, waarvoor hij in 1905 de “Grand Prix” kreeg op de tentoonstelling van Christelijke kunst in Rome. Twee jaar later, in 1907, kreeg hij voor zijn totale oeuvre het Kruis ‘Pro Ecclesia et Pontifice’, naar aanleiding van de expositie van zijn werk in de Gentse Sint-Lucasschool.

Na WO I werd hij als ‘Duitser’ uitgewezen, maar kon spoedig terugkeren.

Zijn grafsteen bevindt zich op het kerkhof van Mariakerke (Afb. zie F. Vanderstraeten, o.c., p. 17).

Het werk van Zens

Als belangrijke werken van Matthias Zens somt Gilbert Samson op: meubilair in de Sint-Annakerk, Gent; Calvariegroep in de Sint-Jakobskerk, Gent; Preekstoel en communiebank in de Sint-Jan-Baptistkerk, Gent; Retabel, preekstoel en biechtstoelen in de Sint-Jozefskerk, Gent; Houten kruisbeeld in de kerk Sint-Theresia van het Kind Jezus, Gent; Biechtstoelen en lambrizering in de Heilig Kerstkerk, Gent; Neogotische sculpturale inbreng in de  Sint-Martinuskerk, Gent, Ekkergem; (preekstoel in) O.-L.-Vrouw Geboortekerk, Gent, Mariakerke; Hoofdaltaar, communiebank, preekstoel en koorgestoelte in de Heilig Hartkerk, Gent, Sint-Amandsberg; Koorgestoelte en witmarmeren doopvont in de  Sint-Vincentiuskerk, Eeklo.

Hij gebruikte voor beelden gips, witte marmer, eikenhout, ivoor,  polychromie en terracotta. Voor meubilair en ornamenten werd gebruik gemaakt van: witte steen, wit marmer, veelkleurig marmer, arduin, eikenhout, palmhout, koper, brons en smeedijzer, al dan niet geëmailleerd.

Het is wel duidelijk dat Zens niet alle stukken eigenhandig heeft gemaakt, maar het is niet duidelijk wat hijzelf of zijn getalenteerde medewerkers tot stand brachten. Zens signeerde zijn werk zelden of nooit.

F. Vanderstraeten heeft naast de hoger vermelde werken, die Samson opsomde, nog een indrukwekkende lijst bij elkaar gevonden:

In Gent: Gevelkapelletje in de Rozemarijnstraat; kapel Bijlokehospitaal; kapel Crombeen in de Leeuwstraat; kapel van Sint-Barbaracollege in de Savaanstraat; kapel Sint-Jan-de-Deo aan het Fratersplein; kapel Toevlucht van Maria aan de Coupure; Museum Meerhem van de Broeders Hiëronymieten aan het Fratersplein; Sint-Denijs in de deelgemeente Sint-Denijs-Westrem; Sint-Lieven in de deelgemeente Ledeberg; Sint-Macharius in de Dampoortbuurt ; Sint-Michiels aan het Sint-Michielsplein.

Buiten Gent: Aalst, Sint-Jozef; Ans, Saint-Remy; Anthisnes, Sint-Martinus; Bevere-Oudenaarde, Sint-Pieterskerk; Beveren-Waas, Sint-Martinuskerk; Brugge, Heilig Hartkerk; Destelbergen, O.-L.-Vrouw-ter-Sneeuw; Grotenberge, Sint-Pietersbanden en Sint-Berlindis; Kalken, Sint-Denijskerk; Kortrijk, O.-L.-Vrouwkerk; Maredsous, Piëta; Oudenaarde, O.-L.-Vrouw van Pamele; Overslag (Wachtebeke), O.-L.-Vrouw Geboorte; Rupelmonde, O.-L.-Vrouw Bezoeking; Sint-Maria-Aalter, O.-L.-V. Hulp der Christenen; Sint-Niklaas, Sint-Nicolaaskerk en Sint-Jozef; Sleidinge, Sint-Joris en Sint-Godelieve; Temse, O.-L.-Vrouw; Wachtebeke, Sint-Catharina; Wichelen, Sint-Gertrudis; Zaffelare, O.-L.-Vrouw en Sint-Petrus; Zele, Sint-Ludgerus; Zeveneken, Sint Eligius.

Daarnaast nog diverse werken in het buitenland, vooral in de Duitse Zuid-Eifel, waar hij vandaan kwam. 

1. W. Jonckheere, Sint-Hendrikssprokkelingen. Grasduinend in het verleden van het St.-Hendrikscollege te Deinze. Oorsprong, stichting en eerste levensjaren onder directie van E.H. Silvain Gevaert, in KOK-jaarboek, 1984, pp. 165-194.

2. M. Cloet e.a., Het bisdom Gent (1559-1991). Vier eeuwen geschiedenis, pp. 327 e.v.

3. J.Claes, A.Claes en K.Vyncke, Sanctus. Meer dan 500 heiligen herkennen, Davidsfonds, Leuven, pp. 234 en 211.

4. Historische W.P. encyclopedie, deel 2, pp. 380-381.

5. Even zijn naam ‘googelen’ leverde een artikel op van Gilbert Samson, gewezen rijkswachtofficier en druk doende in het Gentse vrijwilligerswerk: http://www.samsongilbert.be/ZensMathias.html

Bij nader onderzoek troffen we een uitgebreid artikel aan van Frederik Vanderstraeten, ‘Mathias Zens: een neogotisch beeldhouwer en sociaal bewogen persoonlijkheid’, in Heemkundige Kring De Oost-Oudburg, Jaarboek 1998, pp. 5-42.

Uit het Contactblad 2010-2 van KGK Deinze.

 

Reünie 2010

Zaterdagavond 27 maart 2010. Vlasschuur Gottem. De collégiens waren met niet minder dan 123 opgekomen om St Henri na 150 jaar nog eens te laten herleven.

De superior droeg de mis op in de kerk van Toon. En daarna sprak hij ons in de Vlasschuur op de receptie nog eens toe van achter de micro van Jo. De receptie was de uitgelezen gelegenheid om de (ex-)collega's na zoveel tijd te updaten. Aanschuiven voor een buffet kan ook best gezellig pratend gebeuren. Daarom dat de meesten ook tweemaal of zelfs driemaal deze pelgrimstocht volbrachten. De taartjes van Laurent waren zo copieus, dat er op het einde van de avond nog heel wat overbleven. Ze waren nochtans delicieus, zelfs de dag daarna ook nog.

We kregen tussendoor nog het bezoek van onze eigen nostalgische stadsdichter Martin en een schaapherder Chris met wat te veel West-Vleteren op.

Marc, Hedwig, Camille en Diether zorgden voor een blitse anderhalf eeuw durende powerpoint. Die is overigens op deze website voor eeuwig te bewonderen van uit de luie zetel thuis.

Het Comité 150 jaar St.-Henri (Geert was net even naar het toilet) dankt u.

.

Wij maken een afspraak, bij leven en welzijn, in maart 2013.

Martin Carrette, stadsdichter

bulletStadsdichter Martin Carrette
bulletDichtbundel Boswording
bulletDichtbundel 'echo's van raveel e.a.'

 

 

Op 28 januari stelde de gemeenteraad van Deinze Martin Carrette aan als stadsdichter. Hij kreeg als opdracht: het schrijven van stadsgedichten en het promoten van poëzie in de regio. De officiële aanstelling gebeurt vrijdagavond 26 februari in het Museum van Deinze en de Leiestreek. Roel Richelieu van Londersele, oud-stadsdichter van Gent komt zijn collega moreel ondersteunen. Alle Deinzenaren zijn van hart welkom om de aanstelling mee te vieren. Yves Van Durme leidt de avond in goeie banen.

 

De aanstelling

De officiële aanstelling van de eerste stadsdichter van Deinze wordt gevierd op vrijdag 26 februari om 20 u. in het Museum van Deinze en de Leiestreek. Zowel leerlingen van het Sint-Hendriks- en Zusters Maricoleninstituut, als van de Stedelijke Academie voor muziek, woord en dans leveren een bijdrage.

Martin Carrette

De nieuwe stadsdichter is afkomstig uit Zeveren. Hij studeerde Germaanse Filologie aan de Rijksuniversiteit Gent en werkt sedert 1973 als leraar Nederlands-Engels aan het Sint-Hendriks- en Zusters Maricoleninstituut in Deinze. Hij schrijft poëzie, columns en ander proza, zoals kortverhalen.

Hij debuteerde in 2006 met zijn poëziebundel ‘Boswording’, waarover Luc Coorevits van Behoud de Begeerte in het woord vooraf schreef: ‘Martin Carrette treedt met dit debuut als een klassiek dichter op de voorgrond. … Hij beheerst de stiel van dichter, en dat is, volgens Clem Schouwenaars, nog altijd in de eerste plaats een beeldhouwer die muziek schildert.’

Martin Carrette won in 2001 de Basiel de Craeneprijs voor debutanten. Sinds ‘Boswording’ won hij verschillende poëzieprijzen (Izegem, 2006, Harelbeke 2007, Merendree 2007, Stichting Eén-en-ander, Den Haag 2008). Met zijn bundel (Berghmans Uitgevers, najaar 2008) ‘echo’s van raveel e.a.’ lijkt Martin Carrette de woorden van Luc Coorevits te bevestigen: de bundel gaat niet over Roger Raveel, hij bestaat uit 12 triptieken, één ervan is een poëtische impressie bij het werk van Raveel. De bundel bevat verder ‘echo’s’ van andere kunstenaars (Emile Claus, Hugo Claus, Dylan Thomas, Panamarenko, Picasso, Da Vinci, de Deinze keramist Toin Delva, e.a.). Een nieuwe bundel komt er aan in het najaar 2010 of het voorjaar 2011. Maar ondertussen pleegt hij ongetwijfeld geregeld een stadsgedicht, zoals hieronder.

Eerste stadsgedicht

kettinggedicht met binnenrijm
de aarde beefde hier niet. het is gemakkelijk dichter te zijn
waar puin geen puin is maar poen in een stad waar de huizen
stevig staan op het fundament van het grote gelijk. waar de aarde
nooit beeft is het gemakkelijk dichter te zijn, waar niet de aarde
maar alleen het woord voor opschudding zorgt. waar de aarde
niet beeft is het gemakkelijk dichter te zijn en in de taal te gaan
hakken en delven, uit de ruïne van zinnen het laatste woord
dat nog ademt te redden, o mirakel, in een stad waar de aarde
nooit beeft dichter te zijn en een woord te vinden, één woord,
met kracht 10 op de schaal van richter. zijn echo plooit zich
als een warme arm om de wereld, als een schokgolf van klank
van Port au Prince naar Port de Deinze en terug. zo eenvoudig
is het dichter te zijn in een stad waar de aarde niet beeft.
Martin Carrette

Meer info op de Cultuurdienst, Gentpoortstraat 1, 9800 Deinze op 09 381 95 10 of cultuur@deinze.be
 

Kijk hier eens voor foto's van de aanstelling: http://www.nieuwsblad.be/Article/Detail.aspx?ArticleID=BLELE_20100227_004&PostCode=9800

 

Etienne Hauttekeete schreef boek over boeddhisme

Deinze - Etienne Hauttekeete (°1950), auteur van het pas verschenen boek 'Onder de Bodhiboom. Het boeddhisme in zijn historische context', gaf tot voor kort Frans in het Sint-Hendriks- en Zusters Maricoleninstituut in Deinze. Hij is Romanist, maar studeerde eveneens Japanologie in Gent en Leiden. Als docent kunst en geschiedenis van het boeddhisme, leidt hij regelmatig reizen in alle landen van boeddhistisch Azië en werkt mee aan tentoonstellingen over boeddhistische en Aziatische kunst.

Wat weten we over de historische Boeddha en wat hij precies predikte? Welke historische factoren hebben meegespeeld in de evolutie en de verspreiding van zijn leer? Om welke redenen heeft het boeddhisme in de diverse landen telkens een andere gedaante aangenomen? Het boek probeert een historisch gefundeerd en verstaanbaar antwoord te geven op de courante vragen die het boeddhisme in de westerse geest oproept.

Het boeddhisme is in Europa vaak nog een illustere onbekende. Vooral de diversiteit aan scholen en theorieën binnen het boeddhisme lijkt voor de westerling verwarrend en leidt wel eens tot misvattingen. Ook veel reizigers, die in verschillende Aziatische landen telkens met andere kunstwerken en tradities geconfronteerd worden, begrijpen niet altijd hoe en waarom. Om inzicht te krijgen in de boeiende wisselwerking tussen eenheid en diversiteit in de boeddhistische wereld is het aangewezen de historische ontwikkeling ervan na te gaan. Zo kan men via het boek het ontstaan en het ideeëngoed van de grote stromingen begrijpen en zien we hoe historische omstandigheden in de verschillende landen de vorming en de evolutie van de boeddhistische gemeenschappen en hun ideeën beïnvloed hebben.

'Onder de Bodhiboom, het boeddhisme in zijn historische context' uitgeverij Kunchab+, 19,95 euro

Bron: www.deinze.bloggen.be

 

 
 
 

 

 

St.-Henricus heet iedereen die ooit heeft les gegeven in het Sint-Hendrikscollege in Deinze, St.-Henri voor de vrienden, hartelijk welkom.

Kom geregeld terug naar deze webstek voor foto's en nieuwtjes.

Wie interessant materiaal heeft over het college, mag dat bezorgen

(liefst elektronisch).

Sint-Hendrik zal U dankbaar zijn.