Herman J. Claeys

 

G E D I C H T E N

 

¨

 

 

CYCLI :

 

Gewapendertaal

Het tij keren

Beton

Welvaartskloven

Bouwsels

Stadsgedichten

Woordspiegel

Hommages

Laaglandse gedichten

Bewogen en bevlogen

 

herman.j.claeys@telenet.be

 

 

&

 

 

 

 

 

Gewapendertaal

 

Gewapendertaal

Gaten

Vijand

Onvoltooid verleden tijd

Terreur (Terror accomplished)

Visioen

Kindsoldaten

Legale waanzin

Geen dagen meer zullen er komen

Afghaans tapijt

Stuw

Toktaal

Mijn woorden kunnen het bloed niet stelpen

Hoe kan ik over liefde dichten

Nieuwjaarswens

God Bless the War

Littekens

Altijd te jong, altijd te oud

Massavernietigingswapens

 

 

Gewapendertaal

 

Gewapendertaal

treed ik

haveloos en gehavend

uit mijn bunker te voorschijn

en waag mij

het woordzwaard zwaaiend

in de arena

 

geharnast

in een traliewerk van klanken

trotseer ik hoon

en gebalde haat

 

en teken

een cirkel van leefbaarheid

om mij heen

 

de vlag

die ik erin plant

is wit

van woede.

 

 

 

Gaten

 

De aanvalsvliegtuigen bombardeerden

een gat in de nacht van Bagdad

en een gat in de dag van Basra.

Zij schoten een gapend gat

in het geheugen,

in het collectieve geheugen,

in het universele weten

dat bommenraids

wraak en vergelding zaaien

en uitgesteld geweld.

De bommenwerpers schoten

een gat in de nacht

van het Tweestromenland

zoals weleer van Belgrado en Afghanistan.

 

Zij bombardeerden een wonde,

een gapende wonde

in ons besef,

in ons collectieve besef

en in het historische weten

dat luchtaanvallen

dood en ellende zaaien

onder weerlozen

onder verweerlozen,

onder angstigen.

 

Zij schoten dag na dag

een verzengend gat

in de sprookjesstad Bagdad

 

Zij schieten wonden in hun geweten.

 

Zij schieten gaten in hun geheugen.

 

 

 

Vijanden

 

Zij hebben geen naam,

zij hebben geen gezicht,

zijn hebben geen verhaal,

de gedoden, de verminkten, de geteisterden

in Israël, in Palestina.

 

Bij de tegenstander hebben zij geen recht op mededogen,

noch op solidariteit,

noch op aandacht,

noch op hulp.

 

In het andere kamp wekt hun ellende geen woede op,

maar triomf,

in de bevriende naties van de tegenstander

verschijnen op de TV-schermen

geen schrijnende getuigenissen.

 

Want tegenstanders zijn vijanden,

en een vijand kan geen slachtoffer zijn,

een vijand kan geen burger zijn,

een vijand kan geen kind zijn

 

Zoals weleer de mannen, vrouwen en kinderen

in Dachau, in Westerbork

geen mensen waren maar slachtvee.

Zoals weleer de inwoners

van Dresden, Frankfort en Berlijn,

van Hirosjima en Nagasaki,

van Saigon en My Lai

vijanden waren:

geen mensen, maar vijanden

Zoals Serviërs en Iraki's,

Israëli's en Palestijnen

vijanden zijn

geen mensen, maar vijanden.

 

Zonder naam,

zonder gezicht,

zonder verhaal.

 

Ik wil geen vijanden hebben.

Ik wil niemands vijand zijn.

 

 

 

Onvoltooid verleden tijd

                                                             Nagasaki 9 augustus 1945

I.

 

Het laaiende licht van augustus

anno nu

dooft niet uw ogen,

de weldoende warmte

verbrandt niet uw brein,

de zoele wind

blaast uw huizen niet omver,

de wollige wolken

belommeren geen puin

en de lessende regen

bestraalt as noch gewas.

 

Volg uw omfloerste blik

naar het ver-van-uw-bedstee land.

 

 

II.

 

Het verblindende licht

en de zengende hitte

en de verwoestende wind

en de paddestoelwolken

en de dodende neerslag

van augustus vijfenveertig

teisterden deze argeloze contreien niet

noch u, zorgeloze bewoner.

 

Volg uw wazig oog

naar de onvoltooid verleden tijd

toen gij nog kind waart

of nog niet verwekt

 

maar reeds erfelijk besmet

met medeplichtigheid.

 

 

 

Terreur

                                                   Hirosjima 6 augustus 1945

Ooit vloog er een vliegtuig

doelbewust met als doelwit een grootstad.

Het toestel had een vreugdevolle naam

En de bom die het droeg een vertederend koosnaampje.

De bommenrichter bad de Goede God hem te helpen

bij het vervullen van zijn missie.

De Boeing-29 Superfortress Bomber keerde terug naar zijn basis:

opdracht volbracht, mission accomplished.

Alle woontorens waren ingestort, alle huizen in puin,

tweehonderdvijftigduizend doden,

vijfhonderdduizend gewonden en terminaal bestraalden,

burgers allemaal. Mission Hirosjima accomplished.

De bemanning werd in de States als helden ingehaald.

 

Drie dagen later nog een moordend vliegtuig,

doelbewust met als doelwit een grootstad.

Een half miljoen slachtoffers, doden, terminaal bestraalden,

burgers allemaal. Mission Nagasaki accomplished.

De piloot keerde triomfantelijk terug en werd gedecoreerd.

 

New York 11 september 2001, de Twin Towers.

Door mijn hoofd vliegen nog steeds

die twee Pentagon-toestellen naar het Oosten,

met een lading,

met een opdracht.

Een overheidsopdracht.

Terror accomplished. 

 

 

 

Visioen

 

Pang! Pang!

schreeuwde een kind naar mij

toen ik vanochtend op niets bedacht

een straathoek omsloeg

hier in de stad,

en het richtte een speelgoedrevolver op mij,

blakend van krijgslust:

Pang! Pang!, je bent dood!

 

Ik speelde het schijnbaar onschuldige

spelletje mee

en zeeg kreunend neer.

Morsdood hield ik mij voor een poos.

 

Maar plots begon de grond onder mij

te trillen,

en toen ik onthutst overeind kroop

zag en hoorde ik

hoe met oorverdovend gedruis

huizen en torens en scholen

rondom mij instortten

totdat ik mij te midden

van een rokend puinveld bevond.

 

 

 

Kindsoldaten

 

Uit de vuurmond en het gedonder

zijn zij blind en doof geboren.

Zij horen de troostende woorden niet

noch zien zij de bedarende gebaren.

Balorig en baldadig en balsturig

worden zij in de vuurlinie ingezet

als kanonnenvlees.

 

Ze schieten geen proppen

met hun kattepul

maar gooien granaten,

hun waterpistool

schiet geen water

maar vuur

en uit hun speelgoedgeweer

vlammen kogels.

En als ze roepen: jij bent dood!

dan ben je écht dood,

echtig en techtig dood!

hartstikke dood!

 

Gááf, zo’n pistool!,

keitof, zo’n granaat!,

mieters, zo’n mitrailleur!,

dat is helemaal het einde!

 

De generaals gaan vrijuit

voor kindermisbruik.

 

 

 

Legale waanzin

 

Kruip uit je bunker te voorschijn,

angsthazige schuilkelderrat,

en betreed manmoedig

de met kogelinslagen bekraterde bovenwereld.

Verken oogknipperend en oorsuizend

het spetterend spektakel

georkestreerd door de legale waanzin

en getoonzet met de wellust van de macht.

Betreed vrouwmoedig de arena met ontheiligende woorden,

ontmasker met verachting

de geachte machtigen der aarde

en spuw de in hun kielzog deinende goedmenenden

in het gezicht.

Want wie een rauwe oorlog ééns gerechtigd vindt,

vergelding éénmaal fair

en afstraffing gewenst,

wie mede vrede sticht met bommen

is medeschuldig aan barbaarse massamoord

ten prooi aan zinsverbijstering.

Of liegt - ook nu : ich hab' es nicht gewubt!

 

 

 

Geen dagen

 

Er zullen geen dagen meer komen

zonder wonden,

 

geen ochtenden meer

zullen er gloren

zonder de rosse rook

van brandende dorpen,

 

hier geen milde middagen meer

van vredig welbehagen

zonder elders het ratelend geroffel

van vlammende vuurmonden,

 

hier geen wijding ademende avonden

zonder elders de weeë stank

van rottende lijken

tussen de tot puin geschoten huizen,

 

hier geen maanbadende nachten meer

zonder ginds het opwaaien

van witte waden

in de stille stoet

van grafwaarts hotsende wagens.

 

Er zullen geen dagen meer klaren

op deze aarde

zonder dat horen en zien je vergaat.

 

Het zal niet meer dagen

zonder dove, blinde haat.

 

 

 

Afghaans tapijt

                         Gent,  Eurotop/manifeest 19 oktober 2001

 

Op de harde grond liggen wij, met z’n duizend, als een lijkentapijt,

terwijl een sirene loeit.

Op het beton van het Gentse zuiderplein, plat ter aarde gedrukt,

terwijl de sirene dreint in een golvende jammertoon,

een alarmkreet over de belegerde stad

en angstkreet over het euroland

een woedekreet over Europa.

En simultaan uit honderd open ramen dezelfde jankende sirene

uit honderd transistors, uit honderd versterkers

het klagende signaal van de vrije radio

oorverdovend doorgestuurd

naar de bomvriendelijke eurobonzen,

naar de interventie-bereide eurotop

naar het tapijt van Afghaanse lijken op het Gentse beton,

- het veelkleurige Afghaans tapijt -

in de sombere lucht

de alarm slakende sirene,

de om bezinning schreeuwende sirene,

de van ontzetting huilende sirene.

 

 

 

Wapens maken

 

Geprikkeld snauwde de staalarbeider

tegen mij:

    raak niet aan mijn baan!

    Wapens maken is mijn job!

    En bemoei je met je eigen zaken!

 

Woedend brieste de vakbondsafgevaardigde

tegen mij:

    - Blijf met je pacifistische poten

    van onze wapensector af!

    Die is goed voor duizenden banen!

 

Geërgerd oreerde de sociaal-democratische

volksvertegenwoordiger in het parlement:

    - Wij moeten de wapenexport stimuleren

    en de wapenbedrijven subsidiëren!

en hij sloeg met zijn vuist op het spreekgestoelte.

Aan de tapkast van het Volkshuis

opperde ik voorzichtig:

    - Mensen dodende tuigen maken

    is onmenselijk en misdadig.

    Als alle arbeiders wereldwijd zouden weigeren

    om nog wapentuig te fabriceren,

    dan zou er...

 

maar ik kon mijn zin niet afmaken,

want met een rake mep

werd mij de mond gesnoerd.

 

 

 

Stuw

 

Jij die nu langs de kaai flaneert:

sla hier een bres in deze dijk,

de dijk van jouw dwangmatige verweer

tegen het schielijk springtij

van je ongeremde drang,

sla hier een brede bres,

een niet te dichten gat

in jouw verschansing,

al te lang getemde wandelaar,

en laat je vloedgolf kolkend razen landinwaarts

en overspoel de starre stadsbewoners

met jouw storm,

wees onbeteugelbaar

in het onstuimig stuwen van je bloed,

sloop bouwsels, muren en structuren

die jou betuttelend bevoogden

als een schier onmondig kind,

wees windhoos, onweer en orkaan.

 

Maar werp een dam op tegen haat,

een keringsdam van woede

tegen bekrompen rassenwaan

en stuurse vooroordelen

die deze oude metropool,

de trotse wereldhaven

een reuk van rottigheid bezorgt,

een stank van bruine pest,

bouw hier een dijk tegen het gif

dat etnische puristen

en vuige volksverlakkers ons

het strot in rammen, ongestraft:

werp hier en keermuur tegen op

en dijk die kanker in!

 

 

 

Toktaal

 

Ik hanteer soms

de spastische taal

van de specht,

de toktaal

waarmee ik hamer

op houten koppen,

de toktaal

waarmee ik schedels ontschors.

 

 

 

Mijn woorden

 

Mijn woorden kunnen het bloed niet stelpen

dat vloeit in de Balkan en overzee:

mijn woorden bloeden mee.

 

Mijn verzen kunnen de wonden niet helen

die gruwelijk schrijnen in pijn en wee:

mijn verzen schrijnen mee.

 

Mijn gedichten kunnen het leed niet verzachten

dat heerst zo ver van mijn beddenstee:

mijn gedichten lijden mee.

 

 

 

Hoe kan ik

 

Hoe kan ik over liefde zingen

als mensen lijden door geweld,

door onrecht, oorlog, folteringen

of door verdrukking zijn gekweld?

 

Hoe kan ik over eros zingen

wanneer er mensen in 't gevang

hun liefdesdrang moeten bedwingen

een heel ellendig leven lang?

 

Maar moet ik over oorlog zingen

of over honger, haat en macht,

racisme, onrecht, vluchtelingen

 

... als mijn geliefde op mij wacht?

 

 

 

 

Nieuwjaarswens

 

Begin het nieuwe jaar vooruitziend

en met voorbedachten rade.

 

Zo luidt de boodschap uit de U.S.A.

(God bless America!) :

wees preventief,

verijdel mogelijke euveldaad met euveldaad,

verdelg wat u bedreigend overkomt,

vernietig wat u redeloze angst inboezemt

en noem een land waarvan 't beleid u niet bevalt

een schurkenstaat.

 

Koop een geweer

en schiet uw buurvrouw dood :

zij heeft vermoedelijk een mes

waarmee zij u misschien

ooit wel eens kon verwonden,

misschien wel kelen.

 

Had Abel preventief zijn broeder doodgeslagen

alvorens Kaïn zijn vermaledijde slag kon slaan

dan was het lot gekeerd

en dan was Abel de verdoemde moordenaar.

 

Wees zelf de schurk.

 

 

 

God Bless the War

 

In God we trust !

God met ons !

Dieu le veut !

Gott mit uns !

In sha' llah !

God bless America !

 

God is a supporter of any army,

he is on all sides.

God bless the War !

 

Who blesses Peace ?

 

The Peace activists

are possessed by the Devil.

 

 

 

Littekens

 

Oorlogen beginnen

maar eindigen niet.

 

Een oorlog kan een blitzkrieg zijn

of hij kan eindeloos aanslepen.

 

Maar als de kanonnen eindelijk zwijgen,

als de alarmsirenes stil zijn gevallen,

als het aanvalsgeschut en het afweergeschut stom zijn,

dan wordt de ellende pas echt zichtbaar,

pas volkomen tastbaar,

in de stilte na de storm

wordt de pijn schrijnend hoorbaar.

 

Nooit zijn alle vermisten geteld

nooit zijn alle verminkten herkend,

nooit zijn alle uiteengereten kinderlijkjes gevonden,

nooit zijn alle doden begraven.

 

Alle schade zal nimmer hersteld zijn,

het puin nooit helemaal geruimd

en de wederopbouw van geteisterde steden

duurt een mensenleven.

 

De smart om het verlies blijft knagen,

de lijdensweg, het zieltogen en de dood

van je huisgenoten,

van vrienden, van verwanten,

het verlies van je kind,

de dood van je geliefde.

 

De schande van de vernedering blijft gisten,

De woede om de bezetting schreeuwt om wraak.

 

Voor eeuwen blijven de littekens

in het landschap

onuitwisbaar blijven de littekens

in de ziel.

 

Een oorlog is nooit voorbij.

 

 

 

Altijd te jong, altijd te oud

 

Je bent altijd te jong

om ten oorlog te trekken,

je bent altijd te jong

om een wapen te dragen,

altijd te jong voor het uniform

 

geen leeftijd geeft je het recht om te doden

voor Vaderland, Leiders,

voor God of voor Volk

 

geen leeftijd, ervaring, geen drill of training

wettigen manslag in koelen bloede

want doden in opdracht

blijft misdaad, blijft moord.

 

Je bent altijd te jong

om je leven te geven,

altijd te jong

om geweldig te sterven

en in body-bag weer naar huis te gaan.

 

geen leeftijd geeft je de plicht om te sterven

voor Vrijheid en Recht,

voor verheven Waarden.

 

Geen leeftijd, bezieling, of trouw aan de Natie

wettigt sneuvelen op 't Veld van Eer

want sterven in opdracht

blijft suïcidaal.

 

Je speelt geen oorlogje meer als je groot bent

zij het in ernst of zij het in luim:

om de held uit te hangen,

't zij levend en warm,

't zij dood en koud,

om soldaatje te spelen

ben je altijd te oud.

 

 

 

Massavernietigingswapen.

 

Eindelijk gevonden!

Eindelijk massavernietigingswapens

in Irak aangetroffen:

 

Amerikaanse splinterbommen.

 

Intentional damage:

rondtollende hoofden en losse ledematen

van burger, kind en dier,

 

bloederige klompen lillend vlees,

 

doorkijkgaatjes in levende lijven.

 

 

 

 

terug naar kop van deze cyclus

terug naar overzicht Gedichtencycli

home

 

 

 

&

 

 

 

 

Herman J. Claeys

 

Het tij keren

 

Het tij keren

Tolerant

Je kunt iemand honen

Droom met mij

Blut und Boden

Papieren

Zwart op wit

Anders

Kerstgedicht

Tijdspanne

Trek het je niet aan

Tijdmisrekening

Muur

 

 

 

 

      Het tij keren

 

Werp hier een dam op tegen haat,

 

een keringsdam van woede

 

tegen bekrompen rassennijd

 

en stuurse vooroordelen

 

die dit vanouds gastvrije land

 

met trotse wereldhavens

 

een reuk van rottigheid bezorgt,

 

een stank van bruine pest.

 

Bouw hier een dijk tegen het gif

 

dat etnische puristen

 

en vuige volksverlakkers ons

 

het strot in rammen, ongestraft:

 

werp hier een keermuur tegen op

 

en dijk die kanker in!

 

 

 

Tolerant

 

Ik ben niet verdraagzaam

 

voor egoïsten,

 

want volksegoïsten van “eigen volk eerst!

 

die moeten niet rekenen op mijn begrip

 

noch op mijn bereidheid hun denktrant te volgen,

 

ik open mij niet voor gesloten geesten,

 

het spreekrecht ontzeg ik hun

 

en hun trawanten:

 

tolerant ben ik niet

 

voor intoleranten!

 

 

 

Je kunt iemand honen

 

Je kunt iemand honen om wat hij doet

    – euvele daden

       die anderen schaden –

je kun hem vervolgen omwat hij zegt

    – haatvolle woorden

      die leiden tot moorden –

maar neem hem niet kwalijk dat hij bestaat.

 

Je kunt iemand mijden om wat hij denkt

    – rechtse gedachten

      die rechten verkrachten –

je kunt hem bestrijden om wat hij wil

    – de macht van de sterken

       die vrijheid beperken –

maar haat hem niet omdat hij leeft.

 

Je kunt iemand nekken om wat hij beoogt

    – het wanbestuur

       van een dictatuur –

je kunt hem berechten om wat hij beraamt

    – het blinde geweld

       van de zelfmoordheld –

maar smaad hem niet om zijn ideaal.

 

Je kunt iemand honen, verguizen, versmaden

je kunt hem met misdaad en schuld beladen

je kunt hem beteugelen, ringeloren

maar... verwijt hem niet dat hij werd geboren.

 

 

 

Droom met mij

 

Kom, droom met mij,

over wat komen kan

in deze wereldwijd bekende,

graag bezochte stad:

 

weldra is het gedaan

met onverdraagzaamheid

die voortspruit

uit een navelstaarderige eerstewereldwaan,

en wordt die eigendunk doorprikt.

 

Zoals het Steen

nu nutteloos geworden is

als afschrikking voor volkeren

ten westen van de Schelde.

 

Maar nu wordt hier

een nieuwe vesting opgebouwd

een Fort Europa of een Euro-steen,

met angstvallig mensen-dichte muren

en schaarse doorgangspoorten,

zoals een gracht-omringd kasteel

met zelden neergelaten ophaalbrug.

 

Toch, droom met mij...

over wat komen zal

in deze metropool,

in deze trotse havenstad:

 

weldra is het hier uit

met onverdraagzaamheid

die voortspruit

uit een navelstaarderige eerstewereldwaan,

en wordt die eigendunk

als een ballon doorprikt.

 

 

 

Blut und Boden.

 

Waar etnische leuzen weerklinken

zal de een de ander vermoorden

en de bodem drenken in bloed

 

waar bloed vloeit om etnische reden

wordt er tand om tand gevochten

en de bodem gedrenkt in bloed

 

waar mensen zich bloedig wreken

zullen nieuwe leuzen weerklinken

en de bodem drenken in bloed

 

waar bloed en bodem primeren

zal geluid van explosies weerklinken

die de leuzen smoren in bloed.

 

 

 

Papieren

 

Ik heb geen papieren.

Ik ben gevlucht uit mijn land van herkomst

waar ik geen huis meer heb, geen werk

en geen schoeisel voor mijn kinderen.

 

Ik ben voortvluchtig uit mijn Afrikaanse vaderland,

uit mijn Aziatische, uit mijn Europese vaderland,

waar ik niet meer welkom ben,

omdat ik geprotesteerd heb,

waar ze mij in een isoleercel zouden laten kreperen,

waar ze mij af zouden maken.

 

Opgejaagd als een prooidier ben ik hier aangeland,

aangespoeld als wrakhout,

zonder geld, zonder papieren.

 

Maar wel ik wél heb zijn: gevoelens, emoties.
Gevoelens van angst, van verdriet, van schuld,

van onzekerheid,

van hoop afgewisseld met wanhoop, soms van woede.
Emoties die voor ieder men herkenbaar zijn,

en die ik, vluchteling, deel met u, die gesetteld bent.

 

Ik heb geen verleden meer om bij aan te knopen.

Ik heb geen toekomst om mee te beginnen.

Ik leef van dag tot dag.

 

Overgeleverd aan willekeur.
Aangewezen op liefdadigheid, op deernis.
Slachtoffer van haat, misprijzen.

Als de dood ben ik voor het asielcentrum, voor uitwijzing.

 

Wat ik wél heb is een taal, een cultuur, een traditie,

een godsdienst, die zo oud of ouder zijn

dan úw religies, úw traditie, úw cultuur, úw taal.

Maar ik ben een sans-papier.

 

En als sans-papier heb ik geen gezicht,

als sans-papier heb ik geen naam,

als sans-papier ben ik geen persoon.

Zonder papieren ben ik voor niemand een medemens

want zonder papieren ben ik geen mens.

 

Zelfs sommige dieren

hebben papieren.

 

 

 

Zwart op wit

 

Zwart op wit hekel ik

de cultuurgebonden kleurdwang

van de ingezetenen

van dit stroomgebied,

oude en nieuwe bewoners

 

en ik schaterdenk

over hun eigenwaan

die wal noch kant raakt

maar houvast verliest

op de wiebelende valreep

tussen wal en schip,

tussen verstardheid en ruimvoelendheid,

en spartelend de kolk in duikt.

 

Ebbe rimpelt, vloed effent.

 

 

 

Anders

 

Het kan geen toeval zijn

dat ik geen vreemdeling ben

in het land der dieren.

 

Ik die schuw van mensen ben

om hun berekend, voorgekauwd gedrag

en om de hekel die zij hebben

aan wat ongewoon is.

 

Ik peilde mensen op hun aaibaarheid

en stond versteld:

nog minder aaibaar dan een slak,

een wesp, een spin,

tenzij zij bronstig van mijn honing drinken.

 

Ik peilde mensen op hun vatbaarheid

voor onvertrouwd gedrag,

voor onbekende zeden,

voor anders-soortig dien,

en stond versteld:

nog enger-denkend zijn ze

dan een eenheidsworsten-automaat,

tenzij zij voordeel zien

of nering ruiken.

 

Ik balk, ik loei, ik kraai,

ik mekker, tjilp, miauw,

 

en binnensmonds leg ik mijn woorden

op de tong der dieren

die mij niet haten om mijn anders-zijn:

 

zij dulden - zoals ik -

verschil en tegenspraak.

 

 

 

Kerstgedicht

 

Er was geen plaats in de herberg.

 

Een jong koppel, uit een andere streek,

ongehuwd, zij hoogzwanger.

 

Ook in het opvangcentrum mochten ze niet binnen.

 

Zij werden van het kastje naar de muur gestuurd,

van Pontius naar Pilatus

door cynische bestuurders,

door harteloze bewoners,

door geldgierige eigenaren.

 

Zij waren immers vreemd in deze streek, en arm.

 

Daarom kraakten zij een leegstaand armoedig optrekje,

zonder meubilair.

Het leek wel een stal.

Op een strooien matras die er lag

beviel de jonge vrouw van een jongetje.

 

Zij bleven er hokken tot zij eruit geknuppeld werden.

 

Niemand zou aan dit mensonterend voorval

verder aandacht hebben geschonken,

ware het niet dat de jongen later

wereldberoemd is geworden

vanwege zijn performances.

 

Zo komt het dat deze gebeurtenis

al meer dan twee millenia jaarlijks herdacht wordt

op vijfentwintig december,

 

het feest der krakers.

 

 

 

Tijdspanne

 

De bloedhonden hebben mijn makker Yussif

in mekaar getimmerd

in een portiek

van het Antwerpse Centraalstation,

mijn vriend Yussif uit Oran,

waar de zon altijd schijnt.

 

Uit de soundlight-bliksemende ingang

van een danstent vlakbij

jengelen de laatste disco-hits naar buiten,

en het licht kleurt de onberoerde facie

van de gelaarsde, gekepiede portier.

Zijn bloedhonden zijn nu weer naar binnen.

 

Yussif, mijn jonge makker uit Oran, bloedt.

Hij zou geen vlieg kwaad doen,

laat staan een blanke medemens.

Waarom is dansen voor hem verboden in dit land?

Hij ligt nu in een portiek van het station

te kreunen.

 

Door de stationshal bestijg ik de trappen

naar het perron,

en ik daal af in de tijd

naar negentienhonderd drieënveertig.
Het is drie 's morgens, mistig, kil.

 

Onder de overkapping staan honderden mensen

op elkaar gedromd,

mannen, vrouwen, kinderen uit de buurt,

zwijgend, angstig.

 

Een stoomlocomotief duwt een lange trein

beestenwagons naar spoor één.

Gelaarsde, gekepiede SS-ers snauwen

en stouwen de mensen befehlerisch in het konvooi.

Ze hebben bloedhonden aan de lijn.

 

Beneden mij, onder spoor één,

in een portiek van de Pelikaansstraat,

ligt mijn makker Yussif uit Oran

te bloeden.

 

 

 

Trek het je niet aan

 

Zij bestormen een boekhandel,

trekken de kasten omver,

verwonden de medewerkers

en verbranden boeken,

triomfantelijk krijsend van "rooie ratten!"

– maar zij zijn slechts een minderheid,

het zijn maar een handjevol heethoofden,

het zal wel overgaan,

trek het je niet aan.

 

Zij voeren raids uit op cafés

bedreigen de bezoekers

slaan de inboedel aan diggelen

en rukken posters af,

triomfantelijk krijsend van "linkse honden!"

– maar zij zijn slechts een minderheid,

het zijn maar een handjevol heethoofden,

het zal wel overgaan,

trek het je niet aan.

 

Zij houden razzia's in een wijk,

terrorizeren de straat,

isoleren enkele donkerhuidigen

en rammen ze vakkundig in mekaar,

triomfantelijk krijsend van "vreemd gespuis!"

– maar zij zijn slechts een minderheid,

het zijn maar een handjevol heethoofden,

het zal wel overgaan,

trek het je niet aan.

 

Zij kraken bij nacht een redactielokaal,

nemen het adressenbestand in beslag,

vernietigen machines en materiaal

en steken de documentatie in brand,

triomfantelijk krijsend van "rotte anarchisten!"

– maar zij zijn slechts een minderheid,

het zijn maar een handjevol heethoofden,

het zal wel overgaan,

trek het je niet aan.

 

Zij schieten vanuit een rijdende wagen

bij klaarlichte dag

en in volle straat

een buitenlandse arbeider lam,

triomfantelijk krijsend van "vuile makaak!"

– maar zij zijn slechts een minderheid,

het zijn maar een handjevol heethoofden,

het zal wel overgaan,

trek het je niet aan.

 

In den beginne

was er een schoft: hij was slechts een minderheid

en zijn trawanten

maar een handjevol heethoofden,

triomfantelijk krijsend van "Juden 'raus!".

 

Het zou wel overgaan.

We trokken het ons niet aan.

Als song opgenomen in de CD "Waar moet het naartoe" van "De vieze gasten".

Muziek Wouter Vanden Abeele, uitgave Oxfam Wereldwinkel 2001

 

 

 

Tijdmisrekening

                                                                       millennium

Vraag een joodse mens in welk jaar hij leeft.

Vraag een moslim in welke eeuw zij leeft.

Vraag een boeddhist in welk millennium hij leeft.

 

Stel talloze volkeren die vragen,

en je krijgt talloze onchristelijke antwoorden.

Zijn zij – zijn wij – ten prooi aan een tijdmisrekening?

 

Er is niets wereldschokkends gebeurd

tweeduizend jaar geleden.

Er viel niets te herdenken.

Er viel niets te vieren.

Er was niets aan de hand.

 

De dag- en nachtcyclus verliep niet anders dan anders.

Orkanen, getijen, maanstanden, seizoenen:

ze hadden hun beloop zoals het vorige en het volgende jaar,

en de gewassen kiemden zoals vanouds.

 

Op de ochtend van de eeuwwende

kraaide de haan niet vroeger,

noch krijsten de meeuwen luider.

De dieren wisten nergens van.

 

Moeder aarde was niet op de hoogte.

 

 

 

Muur

gecreërd n.a.v. "Wij hebben het recht te dromen",

een vredesactie op 4 okt. 2003 van het Antwerps

Platform voor een rechtvaardige vrede in Palestina.)

 

Er wordt een nieuwe muur gebouwd

dwars door het Palestijns gebied.

Het is geen muur van Jericho,

een klaagmuur is het evenmin.

Het is een muur van angst en wrok

een muur van onbegrip,

een blinde muur van blinde haat.

 

Chinese muur,

Berlijnse muur,

de muren van Belfast:

ze hebben geen stand gehouden

als afscheidingsmuur,

als apartheidsmuur.

Ze werden omzeild, doorboord of gesloopt.

 

Men zegt dat muren oren hebben

maar deze muur is doof.

Het is een blinde, dove muur.

 

Hoe zal het de nieuwe Muur vergaan?

De muur van tweehonderdvijftig mijl

dwars door het Palestijns gebied?

Zullen er ooit bloemen op bloeien?

 

Zal hij ooit juichend beklommen worden

van beide zijden

om handen van vrede te reiken?

 

Zal hij ooit in een verzoenend gebaar

ontmanteld worden

met de sloopankers die nu schamele huizen slechten?

 

Wij hebben het recht te dromen.

 

 

 

 

terug naar kop van deze cyclus

terug naar overzicht Gedichten

home

 

 

 

&

 

 

 

Herman J. Claeys

 

Beton

 

 

 

Beton

Mijn stad heeft slecht geslapen

Madou-Louiza

Sneeuw

Verbannen dieren

Kaalslag (songtekst)

 

 

 

 

Beton

Brussel-centrum

Je bent nietig, stedeling,

ijlings laverend

tussen eskadrons

aanrukkende auto’s

en het onwrikbaar beton.

 

Je wordt geloodst

door de stalen hand

van de projectontwikkelaars

die met hun hersenen van betonspecie

speculeren op jouw drang

naar geborgenheid.

 

Schichtig als een zebra

op zijn pad

spoed je je over het asfalt

langs stadskankers heen

naar de veilige drempel

van je tot sloop gedoemde

bakstenen huis.

 

Vlucht naar je heuvel!

Vlucht naar de verre overkant

van de verkeersrotonde ,

vlucht naar de andere oever

van de stadssnelweg!

Of laat je fietselings meekolken

in de kille blikken bloedstroom

van de verkeersaderen.

 

Je bent nietig, stadsbewoner,

je wordt geloodst

door de ijzeren vuist

van de vastgoedmakelaars

die met hun hersenen van betonspecie

speculeren op jouw nood

aan geborgenheid.

 

 

 

Mijn stad heeft slecht geslapen

Brussel

't Is ochtend, en mijn stad heeft slecht geslapen.

en veel te weinig want het werd weer laat...

ze geeuwt besmuikt en strekt haar stramme straten,

haar vensters knipp'ren in de dageraad

 

veel drukke kroegen raakten niet gesloten

en snackbars bliezen laat nog walmen uit

en in de dancings deden onvermoeibaar

dee-jays de bodem trillen met geluid

 

mijn stad is suf nog van die discodreunen,

die klonken heel de nacht na in haar brein;

en al die auto's tot de late avond:

haar in- en uitvalswegen doen nog pijn

 

ze krijgt een hoestbui zoals elke ochtend,

ze stikt er bijna in: het scheelt maar nipt,

die rook, dat gas, die smog, die gore dampen,

haar groene long is bijna dichtgeslibd

 

de vuilniskarren knarsen door haar stegen

en op de Ring zit alles weer potdicht,

haar trams en bussen braken volk naar buiten,

ontbijtcafés ontsteken nu hun licht

 

mijn stad ontbijt, ze drinkt haar derde kopje,

de zwarte koffie pept haar amper op,

die geus van gisteravond blijft nog gisten,

haar slapen bonken in haar houten kop

 

ze is nog dof van de TV-programma's,

in vele huizen stond de buis nog aan

tot lang na twaalven, en de echtgenoten

maakten nog ruzie voor het slapengaan

 

't is ochtend en mijn stad heeft slecht geslapen,

het eitje met het stokbrood smaakt haar niet,

die ademnood, die hoofdpijn en die krampen

verknallen weer de dag, tot haar verdriet.

 

Ook ik ben droef: ik ben met haar verweven,

met lange tanden knabbel ik mijn toast;

ik dagdroom dat mijn stad ooit zal genezen,

ik vraag de ober nog een bakje troost.

 

                                      (Als lied gezongen door Johan Verminnen,

uitgebracht op lp, cassette en cd: "De Volle Maan".)

 

 

 

 

Madou-Louiza

Brussel Kleine Ring

Leg uw oor de luisteren

dokter

tegen het asgrauwe asfalt

van deze astmatische stad

en hoor haar hijgen

in amechtige ademnood

 

zeg eens aa

 

de onderhuidse aders

van de verkeerstunnelomloop

staan gezwollen van inspanning

 

wie aa zegt moet Brussel zeggen

wie ademt moet braken.

 

 

 

Verbannen dieren

 

Verbannen dieren zijn wij

sinds dertig eeuwen

uit onze holen

uit onze hutten gedreven,

zelfverbannen wild,

uit zucht naar het omwalde,

naar het verscholen, beschutte leven,

gestald, verschanst

achter een stenen schild,

gevangen mieren,

gekooide meeuwen,

zelfverbannen dieren

sinds dertig eeuwen.

 

Maar nog ben ik bang

in het duister van het woud

en ik luister naar het ongeziene

en ben benauwd

door het gif,

door het virus,

door het gedonder,

de woestijnstorm,

het vuurmondgeknetter,

de schokgolf

en de lawine

waaronder ik dreig te worden verpletterd

als onder een bottine

een naakte worm.

 

Zelfverbannen dieren zijn wij

sinds dertighonderd jaren,

veilig gekooid

in de stenen steden

op gronden waar wij ooit

in een groen en grijs verleden

vrij-levend zwierven

tussen gevaren

die wij bevend trotseren dierven

zoals de vos de slang.

 

Maar nog

ben ik bang.

 

 

 

Sneeuw

 

Sneeuw is liquid paper

kwistig gepenseeld

over de errata

in het landschap.

 

Sneeuw is witte corrector

op de bezoedelde bodem

en wist de sporen uit

van mensen.

 

Sneeuw verhult zo lang

de gebarsten gifvaten

tot zij smelt.

 

 

 

Kaalslag

                                                           (songtekst)

Daar stonden vroeger huizen,

er woonden mensen in,

ze sliepen er, ze aten er,

ze leefden naar hun zin,

ze werkten er, ze vrijden er,

ze voelden er zich thuis,

de kinderen die liepen

bij de buren aan huis.

 

Toen kwamen er machines

met veel gedruis,

die braken en die groeven

en die sloopten huis na huis,

men bouwde er kantoren

en een stadsautobaan

de buurtbewoners stuurde men

uit de laan.

 

  refrein:

  Wat hebben we gezegd?

  Wat hebben we gedaan?

  We hebben niks gezegd,

  We hebben niks gedaan,

  We hebben ons er zomaar

  bij neergelegd,

  We hebben niks gezien,

  We hebben niks gehoord,

  We hebben ons er helemaal

  niet aan gestoord.

 

Daar rijden steeds meer auto's,

de lucht is er verpest,

er is bijna geen pleintje,

geen parkje meer dat rest,

we kunnen er niet wandelen,

men duwt ons aan de kant.

Een autoluwe woonstad

ligt dus voor de hand.

 

  refrein

  wat hebben we gezegd, enz.

 

Maar nee, dat is te mooi,

want de auto is de baas,

voor voetgangers en fietsen

is er nu geen plaats.

Wij worden weggejaagd

en een tunnel wordt geboord,

men sloopt en graaft en bulldozert

en alles wordt vermoord.

 

   refrein:

   wat hebben we gezegd, enz.

 

Wij moeten dus verhuizen

naar de rand van de stad

maar hebben niet de poen

voor die peperdure flats.

Dus naar een woonkazerne

van staal en van beton,

wegkwijnend en vereenzaamd

met 'n bloempot op 't balkon.

 

   refrein:

   wat hebben we gezegd, enz.

 

 

 

 

terug naar kop van deze cyclus

terug naar overzicht Gedichten

home.

 

 

 

&

 

 

Herman J. Claeys

 

Welvaartskloven

 

 

 

 

Leegstand

Vierde wereld

Dooie mus

De jongen met de zwavelstokjes

Katrien

 

 

 

 

Leegstand

 

Mijn stad stikt

van de leegstand

 

maar welhaast ben ik dakloos

en haardloos

en ik stik van de ellende

 

huizen glarieogen

en smachten

naar bewoning

naar menswarme behuizing

 

maar drempels

zijn onoverschrijdbaar

bellen zijn doof

deurtelefoons stom

binnenblinden blind

en luiken geloken

 

mijn fiets draait rondjes

in de regen

en wordt moe

als een afgepeigerd paard

dat hunkert naar een stal

waar het genoeglijk toeven is

 

dakloos en jachtig peddelend

langs dwaalsporen

dweil ik de stroeve straten af

 

en ik benijd de schildpad en de slak,

die rustige, tevreden dieren

die hun kalken huis torsen

op rug of schouders

 

als een schild

als een schelp.

 

 

 

Vierde wereld

Gecreëerd vooor "Het meisje met de zwavelstokjes",

2de kerstdag 2003, Podium Groenplaats Antwerpen

Niet enkel de clochard, de zeldzame maar zichtbare pauper,

de schamele bedelaar bij de metrotrap,

niet enkel de verlopen zwerver

met haveloos plunje en een kartonnen slaapstee,

 

maar ook de ordentelijk geklede burger

in de wachtkamer van de maatschappelijk werker,

                     van het arbeidsbureau,

                     van het ziekenfonds,

                     van de uitkeringsinstantie,

                     van het woonbureau,

                     van het ziekenhuis,

                     van het uitzendbureau,

                     van de pro deo rechtshulp

of in de file van de voedselbedeling,

 

ook de verzorgde vrouw of man bij de tramhalte,

of op de gammele tweedehandsfiets,

ook de vrouw met het bijna lege winkelwagentje in het Aldi-warenhuis,

ook het koppel met het goedkope drankje in het buurthuis,

ook de medemens in het sociaal restaurant,

en de vrouw die voor haar kind kleren zoekt op de rommelmarkt

of derdehandsspullen in de kringloopwinkel.

 

Armoede schrijnt niet enkel achter de bouwvallige gevel van een krotwoning,

niet enkel achter het hek van het socialewoningblok,

niet enkel achter de beplakte muren van kraakpanden,

maar ook achter ramen van keurige rijtjeshuizen

en achter deuren van statige herenhuizen.

 

Armoede is aan het oog ontrokken

armoede is aan het oor onttrokken

armoede is aan onze kennis ontrokken.

 

Dit is niet de Derde Wereld.

Dit is de vierde wereld van onze bovenburen,

de vierde wereld in onze achtertuin,

de onbekende vierde wereld waarmee wij de stoep delen

in de schoongeveegde straten van onze welvaartstaat..

 

 

 

Dooie mus

Gecreëerd vooor "Het meisje met de zwavelstokjes",

2de kerst 2003, Podium Groenplaats Antwerpen

Onzichtbaar zijn ze, de armen,

Het half miljoen armen in dit land,

verdoken, verborgen, verscholen.

Onzichtbaar en onhoorbaar

de have-nots, de habenichtsen, de geldlozen, de bezitlozen,

het half miljoen onbedeelden

in dit bijne meest welvarende land van de wereld.

Onzichtbaar, onhoorbaar de daklozen, de thuislozen,

de armoedig behuisden, de krotbewoners, de krakers,

de nachtasielklanten.

 

Maar wie zien wil, ziet ze; wie horen wil, hoort ze.

Niet de ziende-blinde

die zich onbegrijpend afkeert met zijn pasklare mening,

niet de horende-dove die zich hooghartig afwendt

met de drogredenen van de niks-tekort-komer,

met de naïeve oplossingen van de betweter.

 

Maar wie wel onbevangen en onbevooroordeeld

wil luisteren en wil kijken

die ziet en hoort hen, de behoeftigen

achter de façades van de gestroomlijnde welvaartmaatschapppij

met haar bejubelde sociale voorzieningen,

de verzorgingsmaatschappij

met wetten die voor velen dode letter blijven,

zo dood als de uitgedoofde hoop van de levenslang onbemiddelden,

met decreten die voor velen dode letter blijven,

zo dood als de dooie mus waarmee ze worden gepaaid.

 

 

 

De jongen met de zwavelstokjes

feestgedicht voor oud-en-nieuw

De jongen met de lucifers schuimt de drankhuizen af,

struint langs volgeboekte restaurants,

in de vrieskou van midwinter,

door het koude hart van de heet gestookte metropool.

 

Lucifers voor een dubbeltje !

Aanstekers voor vijftig cent !

Voetzoekers voor een euro !

 

Honger lijden in de geur van kalkoengebraad,

verkleumen onder de rook van fornuizen,

thuisloos dolen tussen de woekerende leegstand

in de verkankerde stad.

 

De welgedane eigenaren

van de dure verwarmde terrassen

pramen de gezeten bestuurders

om de gratis zitbanken te verwijderen van het plein

vanwege die clochards die de kerstboom ontsieren,

vanwege die rare libertaire hangjongeren,

vanwege dat blonde Meisje met de Zwavelstokjes,

vanwege die bruine jongen met de aanstekers

die de nieuwjaarsillusie van weelde en welstand

vergallen.

 

Onder de klaterende kerstkitsch

van de stervende evergreen reuzenspar

vol twinkelende valse sterren

en behangen met verpakte nepcadeaus

zit de jongen met de lucifers

te kwijnen.

 

Hallucinerend steekt hij

- zoals in een Grimmig sprookje van Andersen -

de droomboom in brand tot een torenhoge toorts,

steekt hij de harteloze stad in brand,

steekt hij de wrede wereld in brand,

tot een kolkende zee van vlammen

waarboven hij in een wolk van sprankels

triomferend uitstijgt

naar zijn hemel van merriment and happiness,

van zaligheid en geluk.

 

Duivelse jongen met de solferstekjes,

loop naar de hel !

 

 

 

Katrien

Handelssteeg, De Seefhoek, Antwerpen-Noord

Wat scheelt er met Katrien?

Die olijke, levenslustige meid?

Ik geloof dat ze weent,

ja, ze huilt stilletjes.

 

Haar huisje wordt gesloopt.

Of wordt het vernieuwbouwd?

Het knusse huisje met het ateljeetje.

Want Katrien tekent en schildert.

Maar wég moet ze.

 

Waar moet Katrien heen?
het woningfonds heeft niets voor haar

Wat het woningfonds voor haar in petto heeft

wil zij niet.

En wat zij wil

is niet betaalbaar.

Want Katrien loopt in de steun.

 

Is Katrien nou helemaal gek?

Als je een vervangingsinkomen hebt

hoef je toch niet te schilderen?
En als je kunstenaar wil zijn

moet je toch geen steun trekken?

 

Katrien is alleen.

Nee, ze heeft een poes,

waar ze dolveel van houdt.

maar een poes mag niet van het woningfonds.
Katrien moet in een flatje voor één persoon,

een piepklein flatje in een woonkazerne.

 

Katrien snikt stilletjes voor zich uit.

Haar huisje wordt jarenlang vernieuwbouwd

tot iets moderners, groters en veel duurders,

of wordt het gesloopt?

In ieder geval moet zij wég.

 

Katrien wil een woninkje met een ateljeetje

want zij schildert en boetseert,

zij wil een huisje met veel licht

en zij wil haar poes mee

die dolveel van haar houdt.

 

Katrien vangt bot.

Katrien wil het onmogelijke.

Katrien is zeker niet goed bij haar hoofd?

 

 

 

 

terug naar kop van deze cyclus

terug naar overzicht Gedichten

home

     

 

 

&

 

 

 

Herman J. Claeys

 

Bouwsels

 

 

Zuiderpershuis

Atomium

Bron (Sint-Baafs abdij)

Watertorens

Muur

Fort

Damstation

 

 

 

Zuiderpershuis

 

Wij schuilen in een schemerzone,

een zwarte doos vol noodsignalen

tussen daad en denkpatronen:

een creatieve krachtcentrale.

 

Een stroom van energie tot scheppen

stuwt door een netwerk van kanalen

naar doorgeslagen uitlaatkleppen

der creatieve krachtcentrale.

 

Kunst is de zuurstof die wij persen

naar de verroeste arsenalen

van 't denken, om het te verversen

ter creatieve krachtcentrale.

 

Het atelier van de verbeelding:

dat is het iemandsland

  waar nimmer gelijkdenkendheid

      het handelen beheerst,

  waar nooit of nimmer gelijkdadigheid

      het denken teistert,

zonder gezag of rangorde van macht,

onhiërarchist het rijk der eenlingen,

het iemandsland            van jou,

                             van mij,

                            van haar,

                             van hem,

de woeste grond,

de grond waarin de eenling

  spit en wroet en graaft,

het wilde iemandsland,

helaas begrensd aan alle kanten

door het land van alleman en niemand

  waar mensen huizen in afgesloten kluizen

  waar lieden lijdzaam leven als voorgeschreven

  geleid, geloodsd door pijpen

  van vernauwd bewustzijn

      conform qua vorm

      en uniform qua norm.

 

Maar niet voor lang meer,

want –ismen lekken uit hun buizen,

dwangbuizen van rechtlijnigheid,

denkstelsels puilen uit hun lijven,

hun keurslijven van dogma's,

systemen barsten uit hun voegen,

de voegen van het zelfgenoegen.

                                                                                    

Want in deze trechter van confrontatie

  sijpelen,

  stromen,

  druppelen,

  vloeien

de in-perpetuum mobiele sappen samen

tot een fluïdum

dat ziedend kolkt en bruist

en ondergronds het onontwarbaar netwerk

van metalen aderen doorstuwt

met onbeheerste overdruk.

 

En zie: de liften schieten

door de daken heen de hemel in;

en zie: sluisdeuren worden uit hun hengsels gelicht

en klapwiekend door de vloedgolf meegesleurd;

en zie: draaibruggen wentelen als op hol geslagen

draaideuren om hun spil,

kaapstanders laten als bromtollen hun windassen zoeven,

hijskranen steigeren wild hinnikend en gooien hun last

achterwaartsover de gore Schelde in...

 

Dat is de krachttoer

die wij dromen te verrichten,

de krachttoer van dit krachtstation

dat zijn motoren voedt

met explosieve mengsels

ontsproten uit de adem

van de krachtterm Kunst.

                                                                                   ("BlackBox", Antwerpen 1990)

 

 

 

Atomium

 

Het aluminium atomium

weerspiegelt mij

en glinstert sterren

op mijn ijzeren

harnas.

 

Het zilveren maanlicht

aait.

De bollen wirrelen

in kristallen tinteling dooreen.

Atomen, negen,

in een planetair visioen.

 

Ik, met mijn beide handen

gooi en vang ze op

in onnavolgbaar handig gejongleer,

in één vervloeiende beweging.

 

Ik ben de goochelaar,

de eeuwige jongleur.

 

 

 

Sint-Baafs abdij

                                                         Ruïne met bron te Gent

Hier werd in gulden tijd

met de Keizer-Karel-snee

het nieuwe Gent geboren

terwijl het brekend vruchtwater

versteende

tot ‘s graven grafzerk

voor de oude stoere stee:

Sint-Bavo’s bouwval

aan lager Leiewal.

 

O here Baaf

in Vlaanderens naaf,

heer der verwering,

heer der verwording,

heb monnikengeduld met ons:

 

het oproer, het verzet

was goed begonnen,

dus - hoewel schandelijk gefnuikt

en smadelijk gestropt -

toch half gewonnen.

 

Wij hebben nog vijf eeuwen te herbronnen.

 

 

 

Watertorens

Antwerpen-Noord

Als lome wachters

staan twee watertorens

pal en dromerig

langszij de sporenbundel

van de havenlijn

waar ooit de ‘statie Schijnpoort’ stond.

 

Want schijn bedriegt

en niets is wat het leek

noch zal iets later zijn

zoals dat hier en nu

aan onze blik verschijnt

 

De beide torens staan nu droog,

geen stoomloc laaft zich nog

aan deze bronnen

die onuitputtelijk leken.

 

Zijn zij tot sloop gedoemd? Allicht.

Er komt een park, zo hopen wij.

Het zal dan toch geen industriepark zijn,

lof zij de vroede vaderen van deze stad.

 

Maar ook die torens waren industrie,

en, zoals mensen komen en weer gaan,

zich settlen en verhuizen,

zo bouwt en sloopt men bouwsels,

tenzij men ze als erfgoed rusten laat,

dan staan ze nutteloos zichzelf te overleven

zoals een lege kerk, een dood café

temidden van een levendige,

druk geleefde wijk.

 

                                              

 

Muur

 

Er wordt een nieuwe muur gebouwd

dwars door het Palestijns gebied.

Het is geen muur van Jericho,

een klaagmuur is het evenmin.

Het is een muur van angst en wrok

een muur van onbegrip,

een blinde muur van blinde haat.

 

Chinese muur,

Berlijnse muur,

de muren van Belfast:

ze hebben geen stand gehouden

als afscheidingsmuur,

als apartheidsmuur.

Ze werden omzeild, doorboord of gesloopt.

 

Men zegt dat muren oren hebben

maar deze muur is doof.

Het is een blinde, dove muur.

 

Hoe zal het de nieuwe Muur vergaan?

De muur van tweehonderdvijftig mijl

dwars door het Palestijns gebied?

Zullen er ooit bloemen op bloeien?

 

Zal hij ooit juichend beklommen worden

van beide zijden

om handen van vrede te reiken?

 

Zal hij ooit in een verzoenend gebaar

ontmanteld worden

met de sloopankers die nu schamele huizen slechten?

 

Wij hebben het recht te dromen.

 

(gecreërd n.a.v. "Wij hebben het recht te dromen",

een vredesactie op 4 okt. 2003 van het Antwerps

Platform voor een rechtvaardige vrede in Palestina.)

 

 

 

Fort

                                                         Fort V Edegem-Antwerpen

Zwijg en leg je oor te luisteren

tegen de bouwsels

waarin wij wonen, werken en spelen,

wondere, onwezenlijke geluiden hoor je dan

want stenen ruisen,

want stenen zingen,

want stenen zuchten en stenen,

en spreken voor wie het horen wil;

 

vaak spreken stenen boekdelen

waarin wij bladeren naar wat ooit was

maar vaak ook zijn zij onbehouwen

en liegen over hun afkomst

vooral als zij gebakken zijn

en hun poreuze huid

verglaasd is met glanzend glamoureus glazuur;

 

maar de naakte waarheid

achterhaalt ze wel,

verweert ze,

ontglinstert ze,

en dan geven ze zich bloot

en worden inneembaar

als een vesting,

als dit fort.

 

 

 

Damstation

Antwerpen-Noord

De treinen zoeven er voorbij,

en ik, met sneltreinvaart,

zoef in gedachten mee

naar Amsterdam, naar Oslo

langs de vijfde meridiaan

tot op de Noordpool,

en, als het effen kon

tot in het zenith van het hemelruim.

 

Maar ik sta roerloos

op het stil perron

en onbeschut in weer en wind,

met onder mij een toe station

zonder de kepie van een onderchef,

zonder loketten of buffet,

zonder bewaarplaats of toilet

en zonder frisdrankautomaat.

 

Het ligt er pralend opgebaard

het dode Damstation.

 

 

 

 

 

terug naar kop van deze cyclus

terug naar overzicht Gedichten

home

 

 

 

&

 

 

Herman J. Claeys

 

Stadsgedichten

 

 

The River Rains on the City

Waterkeringsmuur Antwerpen

- Legale waanzin

- Rede

- Lange Wapper

- Stuw

- Werp hier een dam op

De klank van de metropool

Bres

Brussels by night

Oostende

 

 

 

 

 

The River Rains on the City

Scheldekaaien Antwerpen

De straten wasemen de muffe geur

van wakke truien

en doordrenkte enkels

en beslaan dampig de ruiten

van de gekunsteld glimlachende trams

die tevergeefs

met hun witgele flanken

het grauwe spinrag

pogen te doorvlekken.

De stegen zijn moe

van de schuifelende zolen

op hun glimmende keien

en hun muren worden pijnlijk geschramd

door de baladerende baleinen van de paraplu’s

die met hun opengesperde walvismuilen

succesvol

een regendans uitvoeren.

 

De klamme leien

drukken zich plat ter aarde

en laten hun pokdalig asfalt spattend berijden

door de amechtig ruitenwissende

automobielen

die meeruisen

met de alom regenende rillerigheid.

 

Het verstoven water stijgt op uit de bodem

en komt zijwaarts aangesijpeld

uit de Schelde,

de vergrijsde rivier,

de verwaasde rivier,

de vermiste rivier,

de opgeloste stroom

die allengs van de huizen bezit neemt.

Vandaag, in deze stad, veegt God

met een natte vinger

de mensen uit.

 

 

 

Legale waanzin

Fragment Wandelgedicht langs de waterkeringmuur te Antwerpen

Kruip uit je bunker te voorschijn,

angsthazige schuilkelderrat,

en betreed vrouwmoedig

de met kogelinslagen bekraterde bovenwereld.

Verken oogknipperend en oorsuizend

het spetterend spektakel

georkestreerd door de legale waanzin

en getoonzet met de wellust van de macht.

Betreed manmoedig de arena met ontheiligende woorden,

ontmasker met verachting

de geachte machtigen der aarde

en spuw de in hun kielzog deinende goedmenenden

in het gezicht.

Want wie een rauwe oorlog ééns gerechtigd vindt,

vergelding éénmaal fair

en afstraffing gewenst,

wie mede vrede sticht met bommen

is medeschuldig aan barbaarse massamoord

ten prooi aan zinsverbijstering.

Of liegt - ook nu -: ich hab' es nicht gewubt!

 

 

 

Rede

Fragment Wandelgedicht langs de waterkeringmuur te Antwerpen

Ontstijg de schoot der aarde,

bunkermens,

zoals weleer de holbewoner,

en trotseer het lijfsgevaar,

trotseer het moordend vuur

en waag je in het schootsveld

van de tuigen.

 

Want dit staat jou te doen:

fregatten, jagers, mijnenvegers, onderzeeërs,

neem ze uit de vaart,

zet ze op een sokkel droog

hier op de rede van de Schelde

tussen de afgedankteaken en galjoenen,

als schrijnende relieken

van een oorlogszuchtig heden,

als mensoneternde symbolen

van een niet-verleden tijd.

 

 

 

Lange Wapper

Fragment Wandelgedicht langs de waterkeringsmuur te Antwerpen

Kijk hier hoe Lange Wapper fluks

de wering wijdbeens overschrijdt

en op de ruien boeman speelt:

als reus, als dwerg, als watergeest

neemt hij een rist gedaanten aan,

vermomt zich als een vogelschrik

of vondeling of schattig wicht.

 

Maar steeds ontpopt hij zich als guit

die schaterend vol leedvermaak

het poenerig gedoe doorprikt

van wie in deze goede stee

–  seigneur of dokker  –  zich verdwaast

in zelfbedrog of eigenwaan,

of, schijnbaar arm, op weelde aast.

 

 

 

Stuw

Fragment Wandelgedicht langs de waterkeringmuur te Antwerpen

Jij die nu langs de kaai flaneert:

sla hier een bres in deze dijk,

de dijk van jouw dwangmatige verweer

tegen het schielijk springtij

van je ongeremde drang,

sla hier een brede bres,

een niet te dichten gat

in jouw verschansing,

al te lang getemde wandelaar,

en laat je vloedgolf kolkend razen landinwaarts

en overspoel de starre stadsbewoners

met jouw storm,

wees onbeteugelbaar

in het onstuimig stuwen van je bloed,

sloop bouwsels, muren en structuren

die jou betuttelend bevoogden

als een schier onmondig kind,

wees windhoos, onweer en orkaan.

 

Maar werp een dam op tegen haat,

een keringsdam van woede

tegen bekrompen rassenwaan

en stuurse vooroordelen

die deze oude metropool,

de trotse wereldhaven

een reuk van rottigheid bezorgt,

een stank van bruine pest,

bouw hier een dijk tegen het gif

dat etnische puristen

en vuige volksverlakkers ons

het strot in rammen, ongestraft:

werp hier en keermuur tegen op

en dijk die kanker in!

 

 

 

De klank van de metropool

 

Luister naar de klank van de metropool

het droevig-blijde zingen van de kathedraal,

luister naar de wind

die door de tonen waait,

hoe hij ze zaait

over de ruien en de leien

 

hoor hoe de klanken klotsen

in het Scheldewater

en hoe de grauwe golven

zich mompelend tegen de oever schurken

 

hoor de oceaanstomers

groetend toeten

en hoe in de diergaarde

een olifanten ten antwoord trompt

 

luister naar het geratel van de paardenkoetsen

en het geërgerd tingelingen van de trams

die zich gehinderd voelen door de auto’s

die vruchteloos naar parkeerplaats speuren

in deze overvolle stad van mensen.

 

dit is de klank van de metropool

die afgestemd wordt

op het onhoorbaar mijmerend zingen van jouw ziel

en op het wisselend ritme van jouw hunkerend hart.

 

 

 

Bres

                              Antwerpen-Zuid

Hier op de Scheldekaai,

de dijk van je verweer

tegen het springtij

van een ongebreideld leven,

sla ik een bres

en stuw je vloedgolf

landinwaarts

 

kies wind,

vier touw

en wentel om de as

van je verzuiling

 

wees wiek,

word zeil

en stort je

in de kringloop

van je bloed

 

hier ben je branding,

hier ben je stroom.

 

 

 

Brussels by night

De Brouckereplein

Letterstad.

 

Met open weefsels ontvangt mij

de avondstad,

ontrolt zich een lichtend tapijt

van woorden,

vervoert mij een rapsodie

van neon,

grijpen mij

lettergrepen,

ondervind ik de omkeer,

onderga ik de omarming

smachtend naar versmelting.

 

En het woordvuur schroeit mij.

Letterstad.

 

Ik word opgezogen

door de lillende lichtmonden

met de spermatozoïden

van het Aldier,

het nachtelijke Aldier.

 

 

 

Oostende

 

1.

Dag mens-aan-zee

 

hier op de dijk

van je verweer

tegen de vloedgolf

van je ongebreideld voelen

 

kies wind, keer tij

en wentel om de mast

van je verzuiling,

wees wiek, word zeil

en waag je

in de kronkelende kringloop

van je bloed

 

hier ben je branding,

hier ben je baar,

 

dag mens-aan-zee.

 

2.

Zeestad,

wat haat ik uw golfbrekers,

gerijd als een falanks

van pijlen

om uw vloed te keren,

dwarsliggers

tegen de vergangen oeverloosheid

van uw stokoude moederzee,

noordhinders

op mijn onstuimig stormende

verbeelding.

 

3.

In dit zee-land

staat uw Phare,

uw fallos,

uw toren van vuur

als een duisternis-tergende

paal boven water,

lichtzwaaiend

mij te verblinden

van liefde

voor uw ruwe schoonheid,

Ster der Zee.

 

4.

De samenklank

van golfgedruis en wind

is uw altoos luidende

beiaard,

bespeeld

 

betokkeld

door de vilten vingers,

bedreund

beorgeld

door de vurige vuisten

van uw kustlandse

geaardheid.

 

 

 

 

 

terug naar kop van deze cyclus

terug naar overzicht Gedichten

home

 

 

&

 

 

Herman J. Claeys

 

Woordspiegel

 

 

Toktaal

Verdichting I

Mijn woorden kunnen het bloed niet stelpen

Ik mij

Hoe kan ik over liefde dichten

Het oog van de cycloon

Dingen

De sleuteldrager

De glazenmaker

Verdichting II

 

 

 

 

 

 

Toktaal

 

Ik hanteer soms

de spastische taal

van de specht,

de toktaal

waarmee ik hamer

op houten koppen,

de toktaal

waarmee ik schedels ontschors

 

 

 

Verdichting

 

Woorden zijn beurs en meuk

of vloeibaar

of ze zweven door elkaar heen

als stofjes in een zonnestraal,

wirrelen, trekken aan, stoten af.

 

Ik grijp er, ik pluk er, ik vang er

lukraak en gericht,

bal ze tot kluwen, tot knoedel, tot prop,

kneed ze tot deegklomp.

 

Gestalte. Pregnantie. Syntaxis. Smuk.

 

Dan verhitting in de oven van verbeelding,

verharding met het vuur van bezieling

 

tot een gestold, gestaald gedicht.

 

 

 

Mijn woorden

 

Mijn woorden kunnen het bloed niet stelpen

dat vloeit in gebieden overzee:

mijn woorden bloeden mee.

 

Mijn verzen kunnen de wonden niet helen

die gruwelijk schrijnen in pijn en wee:

mijn verzen schrijnen mee.

 

Mijn gedichten kunnen het leed niet verzachten

dat heerst zo ver van mijn beddenstee:

mijn gedichten lijden mee.

 

 

 

Ik mij

 

Ik is een vreemd woord

in mijn gedichten,

de naam voor een vreemde

die ik wil zijn,

een vreemdeling voor mezelf.

 

Laat een geliefde klankenloos over mij zingen

als het moet,

laat een vriend woordenloos over mij dichten

desnoods,

een vijand kan mij niet genaken.

 

Uittreden wil ik

uit de arena die mijn huid ombakent,

te voorschijn stappen

uit het strijdperk dat mijn ziel bestrijkt.

 

Geen gevecht zal ik ooit winnen

daarbinnen.

 

Laat een geliefde mij belagen

als het moet,

laat een vriend mij verslaan

desnoods.

 

Ik is geen tegenspeler

in mijn gedichten.

 

Laat mij buiten mezelf zijn

van het dichten.

 

 

 

Hoe kan ik over liefde dichten

 

Hoe kan ik over liefde zingen

als mensen lijden door geweld,

door onrecht, oorlog, folteringen

of door verdrukking zijn gekweld?

 

Hoe kan ik over eros zingen

wanneer er mensen in 't gevang

hun liefdesdrang moeten bedwingen

een heel ellendig leven lang?

 

Maar moet ik over oorlog zingen

of over honger, haat en macht,

racisme, onrecht, vluchtelingen

 

... als mijn geliefde op mij wacht?

 

 

 

Het oog van de cycloon

 

Wie wind zaait

zal storm oogsten,

 

weet de dichtende molenaar

de molenwiekende woordenaar,

 

want hij maalt

velletjes waaiwoorden

in de geladen windstilte,

en met zijn wentelwieken

beroert hij de luwte

van ‘s mensen

zelfbedrog.

 

 

 

Dingen

 

Ik ben omringd door dingen

die mij zullen overleven:

 

de stad met al haar maaksels

en gewrochten,

 

de straat waarin ik anker,

 

het oude huis

met kamers waarin vóór mij

anderen naar inzicht zochten,

 

de tafel waaraan ik

mijn twijfel zit te schrijven

omtrent wat wél en niet

in deze chaos kan beklijven,

 

mijn uitgelezen boeken

die zo moe

en zuchtend toegeslagen

in hun rekken staan,

 

de foto met haar lief gezicht,

 

de klok die uitentreuren

jambisch repeteert,

 

en dit perpetueel gedicht.

 

 

 

De sleuteldrager

 

Zoals een nimmer uitgesponnen spin

concentrisch draden webt,

zo trek ik tralies om mij heen,

van pool tot tegenpool,

van grond tot zenit.

 

Doorzichtig bouw ik muren,

doorschijnend een gewelf,

en ik zie de mensen buiten,

de dingen buiten mij

achter de tralies staan.

 

Ik ben de bewaarder,

de sleuteldrager

van mijn gekooid welbevinden.

 

 

 

De klank van mijn woorden

 

What more can I give

than the sound of my words

 

de sound van mijn verwoorde onmacht

die gesmoord werd in het fortissimo

der bommen op Novi Sad

 

de klank van mijn vertolkte radeloosheid

die overstemd werd door het gevloek

van de gezuiverden in Prístina

 

het zinderen van mijn verklankte verbijstering

dat vervaagde in het kermen

van de ontheemden in Tetovo

 

What more can I give

than the muffled sound of my words.

 

 

 

De glazenmaker

 

Elke dag

ben ik een onbewoond huis

met onbetreden kamers,

en mijn ramen blikken mat

in een beslagen wereld

vol mensen.

 

Elke avond

sla ik mijn eigen ruiten in

en adem

hoorbaar en zichtbaar en voelbaar

in de verbazende nacht,

in de grenzeloze nacht.

 

Maar elke ochtend

komt naamloos en ongevraagd

de witte glazenmaker langs

om mijn ruiten te herstellen.

 

Overmorgen en eergisteren

zet ik een ladder

voor hem klaar

met half doorgezaagde

sporten.

 

 

Verdichting II

 

Dit gewrocht

is een gedicht

 

en niet – bijvoorveeld – een onthulling,

en niet – bijvoorbeeld – een gevecht,

en niet – bijvoorbeeld – een verlangen.

 

Ook geen nare droom

noch zelfbevrediging, en ook geen raadsel

noch een stukje ik

dat bloot ligt

op een bed van woorden.

 

Dit gedicht

is wat het is

en dat is al:

 

het hele al

dat dichtbaar

en verdichtbaar is,

te weten:

 

mijn gedicht.

 

 

 

 

 

terug naar kop van deze cyclus

terug naar overzicht Gedichten

home

 

 

 

 

&

 

 

Herman J; Claeys

 

Hommages

 

Geslepen lectuur

Hulde aan Marc Braet

Paul van Ostaijen

Vlot (Robert-Jasper Grootveld)

Bezield hout

Stem van Palestina

 

 

 

 

 

 

Geslepen Lectuur

bij "Stenen Boekerij"

van steenbeeldhouwster Lieve Schols

Een uitgelezen keur

van niet te lezen boeken,

gebeiteld schutblad,

geslepen band,

ondoorbladerde snee.

 

De verhalen die zij bevatten

              - zijn het oude verhalen

                van water en aarde,

                van wind en dieren,

                van vuur en goden en mensen? –

 

Zij liggen voor eeuwig besloten

in de verboden boeken

van een boekerij

met een hart van steen.

 

Hun inhoud

vormt een onwrikbaar geheim

dat niemand ooit

aan hun schepper

ontfutselen zal.

 

 

 

Hulde aan Marc Braet

 

Hoe machteloos de dichter is wist gij als geen,

als geen hoe weerloos de allene mens

tegen de arrogantie van de macht.

 

vlaggen en vlagen van hoop doorwoeien

uw verlangen

gevoed door uw verscheurende liefde

voor de mens en voor mensen

hoewel door uw getormenteerde hoofd

die trein van beestenwagons

bleef rijden bleef rijden bleef rijden

naar de infame dood.

 

trends konden u, einzelgänger, gestolen worden

kosmopoliet in de Vlaamse vlakte

waar uw vuurrode bloemen bloeien.

 

uw venster op de barre wereld

waardoor gij vaak naar buiten vloogt

blijft open staan

zoals gij wenste,

als een wenk

voor onze vlucht naar binnen

in uw warmhartigheid.

 

 

 

Paul van Ostaijen

Hommage bij de onthulling van zijn standbeeld

van de hand  van Wilfried Pas op 16 november 1996

Gij wortelt omhoog

uit de bronzen branding

van de koudwarme stad,

de dronken stad die drijft naar de zee

met mij,

met u die hoog-op rijst

uit de luide baren

van de chaotiese avondlike straten

in de gehavende stad

die zeewaarts dobbert

op het gorgelend orgelritme

van het orkestrion

in uw,

in mijn

brakke brein.

 

Gij licht blank op

in de donkerte van de angst

die doorvlekt is

met gestolen klaarten,

de dansende angst

van al wat gebaard en geboren is.

 

Uw silhouet zindert en siddert

op het kleine plein

als een gonzende telegraafpaal

die de wit wassende maan

in tweeën splijt

 

tot schijnverschijnselen

die gij ontmaskert,

die gij ontwordt

met de oervorm

woord.

 

 

 

Vlot

aan Robert-Jasper Grootveld bij zijn plechtige aanmering

 langs de Flandria-rede, komende van Amsterdam per vlot

Zoals jouw vlot

van noord naar zuid

de waterweg bevoer,

Rijkswaterstaat omzeilend,

de waterschout verbijsterend,

zo zeil ik vlot

langs hinderlijke banken

tegenstrooms en grenzenloos

de golfslag door,

elk reglement te schande

en elke wet ten smaad,

tot vreugd van wie ‘t verblijdt,

tot spijt van wie ‘t benijdt.

 

 

 

Bezield hout

bij de houtsculpturen van Willem Plugge

Uit betreden plankieren,

uit gammel wrakhout

worden gedaanten ontschulpt,

ontworstelen zich woorden.

 

Knoesten, wiggen en weren

beademd tot harten onder de riem van vermetele gedachten

die hout snijden,

van werven geërfde, herbezielde nerven.

 

Embrio's van beelden

vermoedens van klanken,

ontpoppende lichamen,

met bouten gepantserde raderen,

gespiegelde bronnen

van klaterende levenskolken

tegen de schaduw

van een schimmendans