Herman J. Claeys
¨
CYCLI :
&
Terreur (Terror accomplished)
Geen dagen meer zullen er komen
Mijn woorden kunnen het bloed niet stelpen
Hoe kan ik over liefde dichten
Gewapendertaal
treed ik
haveloos en gehavend
uit mijn bunker te voorschijn
en waag mij
het woordzwaard zwaaiend
in de arena
geharnast
in een traliewerk van klanken
trotseer ik hoon
en gebalde haat
en teken
een cirkel van leefbaarheid
om mij heen
de vlag
die ik erin plant
is wit
van woede.
De aanvalsvliegtuigen bombardeerden
een gat in de nacht van Bagdad
en een gat in de dag van Basra.
Zij schoten een gapend gat
in het geheugen,
in het collectieve geheugen,
in het universele weten
dat bommenraids
wraak en vergelding zaaien
en uitgesteld geweld.
De bommenwerpers schoten
een gat in de nacht
van het Tweestromenland
zoals weleer van Belgrado en Afghanistan.
Zij bombardeerden een wonde,
een gapende wonde
in ons besef,
in ons collectieve besef
en in het historische weten
dat luchtaanvallen
dood en ellende zaaien
onder weerlozen
onder verweerlozen,
onder angstigen.
Zij schoten dag na dag
een verzengend gat
in de sprookjesstad Bagdad
Zij schieten wonden in hun geweten.
Zij schieten gaten in hun geheugen.
Zij hebben geen naam,
zij hebben geen gezicht,
zijn hebben geen verhaal,
de gedoden, de verminkten, de geteisterden
in Israël, in Palestina.
Bij de tegenstander hebben zij geen recht op mededogen,
noch op solidariteit,
noch op aandacht,
noch op hulp.
In het andere kamp wekt hun ellende geen woede op,
maar triomf,
in de bevriende naties van de tegenstander
verschijnen op de TV-schermen
geen schrijnende getuigenissen.
Want tegenstanders zijn vijanden,
en een vijand kan geen slachtoffer zijn,
een vijand kan geen burger zijn,
een vijand kan geen kind zijn
Zoals weleer de mannen, vrouwen en kinderen
in Dachau, in Westerbork
geen mensen waren maar slachtvee.
Zoals weleer de inwoners
van Dresden, Frankfort en Berlijn,
van Hirosjima en Nagasaki,
van Saigon en My Lai
vijanden waren:
geen mensen, maar vijanden
Zoals Serviërs en Iraki's,
Israëli's en Palestijnen
vijanden zijn
geen mensen, maar vijanden.
Zonder naam,
zonder gezicht,
zonder verhaal.
Ik wil geen vijanden hebben.
Ik wil niemands vijand zijn.
Nagasaki 9 augustus 1945
I.
Het laaiende licht van augustus
anno nu
dooft niet uw ogen,
de weldoende warmte
verbrandt niet uw brein,
de zoele wind
blaast uw huizen niet omver,
de wollige wolken
belommeren geen puin
en de lessende regen
bestraalt as noch gewas.
Volg uw omfloerste blik
naar het ver-van-uw-bedstee land.
II.
Het verblindende licht
en de zengende hitte
en de verwoestende wind
en de paddestoelwolken
en de dodende neerslag
van augustus vijfenveertig
teisterden deze argeloze contreien niet
noch u, zorgeloze bewoner.
Volg uw wazig oog
naar de onvoltooid verleden tijd
toen gij nog kind waart
of nog niet verwekt
maar reeds erfelijk besmet
met medeplichtigheid.
Hirosjima 6 augustus 1945
Ooit vloog er een vliegtuig
doelbewust met als doelwit een grootstad.
Het toestel had een vreugdevolle naam
En de bom die het droeg een vertederend koosnaampje.
De bommenrichter bad de Goede God hem te helpen
bij het vervullen van zijn missie.
De Boeing-29 Superfortress Bomber keerde terug naar zijn basis:
opdracht volbracht, mission accomplished.
Alle woontorens waren ingestort, alle huizen in puin,
tweehonderdvijftigduizend doden,
vijfhonderdduizend gewonden en terminaal bestraalden,
burgers allemaal. Mission Hirosjima accomplished.
De bemanning werd in de States als helden ingehaald.
Drie dagen later nog een moordend vliegtuig,
doelbewust met als doelwit een grootstad.
Een half miljoen slachtoffers, doden, terminaal bestraalden,
burgers allemaal. Mission Nagasaki accomplished.
De piloot keerde triomfantelijk terug en werd gedecoreerd.
New York 11 september 2001, de Twin Towers.
Door mijn hoofd vliegen nog steeds
die twee Pentagon-toestellen naar het Oosten,
met een lading,
met een opdracht.
Een overheidsopdracht.
Terror accomplished.
Pang! Pang!
schreeuwde een kind naar mij
toen ik vanochtend op niets bedacht
een straathoek omsloeg
hier in de stad,
en het richtte een speelgoedrevolver op mij,
blakend van krijgslust:
Pang! Pang!, je bent dood!
Ik speelde het schijnbaar onschuldige
spelletje mee
en zeeg kreunend neer.
Morsdood hield ik mij voor een poos.
Maar plots begon de grond onder mij
te trillen,
en toen ik onthutst overeind kroop
zag en hoorde ik
hoe met oorverdovend gedruis
huizen en torens en scholen
rondom mij instortten
totdat ik mij te midden
van een rokend puinveld bevond.
Uit de vuurmond en het gedonder
zijn zij blind en doof geboren.
Zij horen de troostende woorden niet
noch zien zij de bedarende gebaren.
Balorig en baldadig en balsturig
worden zij in de vuurlinie ingezet
als kanonnenvlees.
Ze schieten geen proppen
met hun kattepul
maar gooien granaten,
hun waterpistool
schiet geen water
maar vuur
en uit hun speelgoedgeweer
vlammen kogels.
En als ze roepen: jij bent dood!
dan ben je écht dood,
echtig en techtig dood!
hartstikke dood!
Gááf, zo’n pistool!,
keitof, zo’n granaat!,
mieters, zo’n mitrailleur!,
dat is helemaal het einde!
De generaals gaan vrijuit
voor kindermisbruik.
Kruip uit je bunker te voorschijn,
angsthazige schuilkelderrat,
en betreed manmoedig
de met kogelinslagen bekraterde bovenwereld.
Verken oogknipperend en oorsuizend
het spetterend spektakel
georkestreerd door de legale waanzin
en getoonzet met de wellust van de macht.
Betreed vrouwmoedig de arena met ontheiligende woorden,
ontmasker met verachting
de geachte machtigen der aarde
en spuw de in hun kielzog deinende goedmenenden
in het gezicht.
Want wie een rauwe oorlog ééns gerechtigd vindt,
vergelding éénmaal fair
en afstraffing gewenst,
wie mede vrede sticht met bommen
is medeschuldig aan barbaarse massamoord
ten prooi aan zinsverbijstering.
Of liegt - ook nu : ich hab' es nicht gewubt!
Er zullen geen dagen meer komen
zonder wonden,
geen ochtenden meer
zullen er gloren
zonder de rosse rook
van brandende dorpen,
hier geen milde middagen meer
van vredig welbehagen
zonder elders het ratelend geroffel
van vlammende vuurmonden,
hier geen wijding ademende avonden
zonder elders de weeë stank
van rottende lijken
tussen de tot puin geschoten huizen,
hier geen maanbadende nachten meer
zonder ginds het opwaaien
van witte waden
in de stille stoet
van grafwaarts hotsende wagens.
Er zullen geen dagen meer klaren
op deze aarde
zonder dat horen en zien je vergaat.
Het zal niet meer dagen
zonder dove, blinde haat.
Gent, Eurotop/manifeest 19 oktober 2001
Op de harde grond liggen wij, met z’n duizend, als een lijkentapijt,
terwijl een sirene loeit.
Op het beton van het Gentse zuiderplein, plat ter aarde gedrukt,
terwijl de sirene dreint in een golvende jammertoon,
een alarmkreet over de belegerde stad
en angstkreet over het euroland
een woedekreet over Europa.
En simultaan uit honderd open ramen dezelfde jankende sirene
uit honderd transistors, uit honderd versterkers
het klagende signaal van de vrije radio
oorverdovend doorgestuurd
naar de bomvriendelijke eurobonzen,
naar de interventie-bereide eurotop
naar het tapijt van Afghaanse lijken op het Gentse beton,
- het veelkleurige Afghaans tapijt -
in de sombere lucht
de alarm slakende sirene,
de om bezinning schreeuwende sirene,
de van ontzetting huilende sirene.
Geprikkeld snauwde de staalarbeider
tegen mij:
raak niet aan mijn baan!
Wapens maken is mijn job!
En bemoei je met je eigen zaken!
Woedend brieste de vakbondsafgevaardigde
tegen mij:
- Blijf met je pacifistische poten
van onze wapensector af!
Die is goed voor duizenden banen!
Geërgerd oreerde de sociaal-democratische
volksvertegenwoordiger in het parlement:
- Wij moeten de wapenexport stimuleren
en de wapenbedrijven subsidiëren!
en hij sloeg met zijn vuist op het
spreekgestoelte.
Aan de tapkast van het Volkshuis
opperde ik voorzichtig:
- Mensen dodende tuigen maken
is onmenselijk en misdadig.
Als alle arbeiders wereldwijd zouden weigeren
om nog wapentuig te fabriceren,
dan zou er...
maar ik kon mijn zin niet afmaken,
want met een rake mep
werd mij de mond gesnoerd.
Jij die nu langs de kaai flaneert:
sla hier een bres in deze dijk,
de dijk van jouw dwangmatige verweer
tegen het schielijk springtij
van je ongeremde drang,
sla hier een brede bres,
een niet te dichten gat
in jouw verschansing,
al te lang getemde wandelaar,
en laat je vloedgolf kolkend razen landinwaarts
en overspoel de starre stadsbewoners
met jouw storm,
wees onbeteugelbaar
in het onstuimig stuwen van je bloed,
sloop bouwsels, muren en structuren
die jou betuttelend bevoogden
als een schier onmondig kind,
wees windhoos, onweer en orkaan.
Maar werp een dam op tegen haat,
een keringsdam van woede
tegen bekrompen rassenwaan
en stuurse vooroordelen
die deze oude metropool,
de trotse wereldhaven
een reuk van rottigheid bezorgt,
een stank van bruine pest,
bouw hier een dijk tegen het gif
dat etnische puristen
en vuige volksverlakkers ons
het strot in rammen, ongestraft:
werp hier en keermuur tegen op
en dijk die kanker in!
Ik hanteer soms
de spastische taal
van de specht,
de toktaal
waarmee ik hamer
op houten koppen,
de toktaal
waarmee ik schedels ontschors.
Mijn woorden kunnen het bloed niet stelpen
dat vloeit in de Balkan en overzee:
mijn woorden bloeden mee.
Mijn verzen kunnen de wonden niet helen
die gruwelijk schrijnen in pijn en wee:
mijn verzen schrijnen mee.
Mijn gedichten kunnen het leed niet verzachten
dat heerst zo ver van mijn beddenstee:
mijn gedichten lijden mee.
Hoe kan ik over liefde zingen
als mensen lijden door geweld,
door onrecht, oorlog, folteringen
of door verdrukking zijn gekweld?
Hoe kan ik over eros zingen
wanneer er mensen in 't gevang
hun liefdesdrang moeten bedwingen
een heel ellendig leven lang?
Maar moet ik over oorlog zingen
of over honger, haat en macht,
racisme, onrecht, vluchtelingen
... als mijn geliefde op mij wacht?
Begin het nieuwe jaar vooruitziend
en met voorbedachten rade.
Zo luidt de boodschap uit de U.S.A.
(God bless America!) :
wees preventief,
verijdel mogelijke euveldaad met euveldaad,
verdelg wat u bedreigend overkomt,
vernietig wat u redeloze angst inboezemt
en noem een land waarvan 't beleid u niet bevalt
een schurkenstaat.
Koop een geweer
en schiet uw buurvrouw dood :
zij heeft vermoedelijk een mes
waarmee zij u misschien
ooit wel eens kon verwonden,
misschien wel kelen.
Had Abel preventief zijn broeder doodgeslagen
alvorens Kaïn zijn vermaledijde slag kon slaan
dan was het lot gekeerd
en dan was Abel de verdoemde moordenaar.
Wees zelf de schurk.
In God we trust !
God met ons !
Dieu le veut !
Gott mit uns !
In sha' llah !
God bless America !
God is a supporter of any army,
he is on all sides.
God bless the War !
Who blesses Peace ?
The Peace activists
are possessed by the Devil.
Oorlogen beginnen
maar eindigen niet.
Een oorlog kan een blitzkrieg zijn
of hij kan eindeloos aanslepen.
Maar als de kanonnen eindelijk zwijgen,
als de alarmsirenes stil zijn gevallen,
als het aanvalsgeschut en het afweergeschut stom zijn,
dan wordt de ellende pas echt zichtbaar,
pas volkomen tastbaar,
in de stilte na de storm
wordt de pijn schrijnend hoorbaar.
Nooit zijn alle vermisten geteld
nooit zijn alle verminkten herkend,
nooit zijn alle uiteengereten kinderlijkjes gevonden,
nooit zijn alle doden begraven.
Alle schade zal nimmer hersteld zijn,
het puin nooit helemaal geruimd
en de wederopbouw van geteisterde steden
duurt een mensenleven.
De smart om het verlies blijft knagen,
de lijdensweg, het zieltogen en de dood
van je huisgenoten,
van vrienden, van verwanten,
het verlies van je kind,
de dood van je geliefde.
De schande van de vernedering blijft gisten,
De woede om de bezetting schreeuwt om wraak.
Voor eeuwen blijven de littekens
in het landschap
onuitwisbaar blijven de littekens
in de ziel.
Een oorlog is nooit voorbij.
Je bent altijd te jong
om ten oorlog te trekken,
je bent altijd te jong
om een wapen te dragen,
altijd te jong voor het uniform
geen leeftijd geeft je het recht om te doden
voor Vaderland, Leiders,
voor God of voor Volk
geen leeftijd, ervaring, geen drill of training
wettigen manslag in koelen bloede
want doden in opdracht
blijft misdaad, blijft moord.
Je bent altijd te jong
om je leven te geven,
altijd te jong
om geweldig te sterven
en in body-bag weer naar huis te gaan.
geen leeftijd geeft je de plicht om te sterven
voor Vrijheid en Recht,
voor verheven Waarden.
Geen leeftijd, bezieling, of trouw aan de Natie
wettigt sneuvelen op 't Veld van Eer
want sterven in opdracht
blijft suïcidaal.
Je speelt geen oorlogje meer als je groot bent
zij het in ernst of zij het in luim:
om de held uit te hangen,
't zij levend en warm,
't zij dood en koud,
om soldaatje te spelen
ben je altijd te oud.
Eindelijk gevonden!
Eindelijk massavernietigingswapens
in Irak aangetroffen:
Amerikaanse splinterbommen.
Intentional damage:
rondtollende hoofden en losse ledematen
van burger, kind en dier,
bloederige klompen lillend vlees,
doorkijkgaatjes in levende lijven.
terug naar kop van deze cyclus
terug naar overzicht Gedichtencycli
&
Herman J. Claeys
Werp hier een dam op tegen haat,
een keringsdam van woede
tegen bekrompen rassennijd
en stuurse vooroordelen
die dit vanouds gastvrije land
met trotse wereldhavens
een reuk van rottigheid bezorgt,
een stank van bruine pest.
Bouw hier een dijk tegen het gif
dat etnische puristen
en vuige volksverlakkers ons
het strot in rammen, ongestraft:
werp hier een keermuur tegen op
en dijk die kanker in!
Ik ben niet verdraagzaam
voor egoïsten,
want volksegoïsten van “eigen volk eerst!”
die moeten niet rekenen op mijn begrip
noch op mijn bereidheid hun denktrant te volgen,
ik open mij niet voor gesloten geesten,
het spreekrecht ontzeg ik hun
en hun trawanten:
tolerant ben ik niet
voor intoleranten!
Je kunt iemand honen om wat hij doet
– euvele daden
die anderen schaden –
je kun hem vervolgen omwat hij zegt
– haatvolle woorden
die leiden tot moorden –
maar neem hem niet kwalijk dat hij bestaat.
Je kunt iemand mijden om wat hij denkt
– rechtse gedachten
die rechten verkrachten –
je kunt hem bestrijden om wat hij wil
– de macht van de sterken
die vrijheid beperken –
maar haat hem niet omdat hij leeft.
Je kunt iemand nekken om wat hij beoogt
– het wanbestuur
van een dictatuur –
je kunt hem berechten om wat hij beraamt
– het blinde geweld
van de zelfmoordheld –
maar smaad hem niet om zijn ideaal.
Je kunt iemand honen, verguizen, versmaden
je kunt hem met misdaad en schuld beladen
je kunt hem beteugelen, ringeloren
maar... verwijt hem niet dat hij werd geboren.
Droom met mij
Kom, droom met mij,
over wat komen kan
in deze wereldwijd bekende,
graag bezochte stad:
weldra is het gedaan
met onverdraagzaamheid
die voortspruit
uit een navelstaarderige eerstewereldwaan,
en wordt die eigendunk doorprikt.
Zoals het Steen
nu nutteloos geworden is
als afschrikking voor volkeren
ten westen van de Schelde.
Maar nu wordt hier
een nieuwe vesting opgebouwd
een Fort Europa of een Euro-steen,
met angstvallig mensen-dichte muren
en schaarse doorgangspoorten,
zoals een gracht-omringd kasteel
met zelden neergelaten ophaalbrug.
Toch, droom met mij...
over wat komen zal
in deze metropool,
in deze trotse havenstad:
weldra is het hier uit
met onverdraagzaamheid
die voortspruit
uit een navelstaarderige eerstewereldwaan,
en wordt die eigendunk
als een ballon doorprikt.
Blut und Boden.
Waar etnische leuzen weerklinken
zal de een de ander vermoorden
en de bodem drenken in bloed
waar bloed vloeit om etnische reden
wordt er tand om tand gevochten
en de bodem gedrenkt in bloed
waar mensen zich bloedig wreken
zullen nieuwe leuzen weerklinken
en de bodem drenken in bloed
waar bloed en bodem primeren
zal geluid van explosies weerklinken
die de leuzen smoren in bloed.
Ik heb geen papieren.
Ik ben gevlucht uit mijn land van herkomst
waar ik geen huis meer heb, geen werk
en geen schoeisel voor mijn kinderen.
Ik ben voortvluchtig uit mijn Afrikaanse vaderland,
uit mijn Aziatische, uit mijn Europese vaderland,
waar ik niet meer welkom ben,
omdat ik geprotesteerd heb,
waar ze mij in een isoleercel zouden laten kreperen,
waar ze mij af zouden maken.
Opgejaagd als een prooidier ben ik hier aangeland,
aangespoeld als wrakhout,
zonder geld, zonder papieren.
Maar
wel ik wél heb zijn: gevoelens, emoties.
Gevoelens van angst, van verdriet, van schuld,
van onzekerheid,
van
hoop afgewisseld met wanhoop, soms van woede.
Emoties die voor ieder men herkenbaar zijn,
en die ik, vluchteling, deel met u, die gesetteld bent.
Ik heb geen verleden meer om bij aan te knopen.
Ik heb geen toekomst om mee te beginnen.
Ik leef van dag tot dag.
Overgeleverd
aan willekeur.
Aangewezen op liefdadigheid, op deernis.
Slachtoffer van haat, misprijzen.
Als de dood ben ik voor het asielcentrum, voor uitwijzing.
Wat ik wél heb is een taal, een cultuur, een traditie,
een godsdienst, die zo oud of ouder zijn
dan úw religies, úw traditie, úw cultuur, úw taal.
Maar ik ben een sans-papier.
En als sans-papier heb ik geen gezicht,
als sans-papier heb ik geen naam,
als
sans-papier ben ik geen persoon.
Zonder papieren ben ik voor niemand een medemens
want zonder papieren ben ik geen mens.
Zelfs sommige dieren
hebben papieren.
de cultuurgebonden kleurdwang
van de ingezetenen
van dit stroomgebied,
oude en nieuwe bewoners
en ik schaterdenk
over hun eigenwaan
die wal noch kant raakt
maar houvast verliest
op de wiebelende valreep
tussen wal en schip,
tussen verstardheid en ruimvoelendheid,
en spartelend de kolk in duikt.
Ebbe rimpelt, vloed effent.
Anders
Het kan geen toeval zijn
dat ik geen vreemdeling ben
in het land der dieren.
Ik die schuw van mensen ben
om hun berekend, voorgekauwd gedrag
en om de hekel die zij hebben
aan wat ongewoon is.
Ik peilde mensen op hun aaibaarheid
en stond versteld:
nog minder aaibaar dan een slak,
een wesp, een spin,
tenzij zij bronstig van mijn honing drinken.
Ik peilde mensen op hun vatbaarheid
voor onvertrouwd gedrag,
voor onbekende zeden,
voor anders-soortig dien,
en stond versteld:
nog enger-denkend zijn ze
dan een eenheidsworsten-automaat,
tenzij zij voordeel zien
of nering ruiken.
Ik balk, ik loei, ik kraai,
ik mekker, tjilp, miauw,
en binnensmonds leg ik mijn woorden
op de tong der dieren
die mij niet haten om mijn anders-zijn:
zij dulden - zoals ik -
verschil en tegenspraak.
Er was geen plaats in de herberg.
Een jong koppel, uit een andere streek,
ongehuwd, zij hoogzwanger.
Ook in het opvangcentrum mochten ze niet binnen.
Zij werden van het kastje naar de muur gestuurd,
van Pontius naar Pilatus
door cynische bestuurders,
door harteloze bewoners,
door geldgierige eigenaren.
Zij waren immers vreemd in deze streek, en arm.
Daarom kraakten zij een leegstaand armoedig optrekje,
zonder meubilair.
Het leek wel een stal.
Op een strooien matras die er lag
beviel de jonge vrouw van een jongetje.
Zij bleven er hokken tot zij eruit geknuppeld werden.
Niemand zou aan dit mensonterend voorval
verder aandacht hebben geschonken,
ware het niet dat de jongen later
wereldberoemd is geworden
vanwege zijn performances.
Zo komt het dat deze gebeurtenis
al meer dan twee millenia jaarlijks herdacht wordt
op vijfentwintig december,
het feest der krakers.
De bloedhonden hebben mijn makker Yussif
in mekaar getimmerd
in een portiek
van het Antwerpse Centraalstation,
mijn vriend Yussif uit Oran,
waar de zon altijd schijnt.
Uit de soundlight-bliksemende ingang
van een danstent vlakbij
jengelen de laatste disco-hits naar buiten,
en het licht kleurt de onberoerde facie
van de gelaarsde, gekepiede portier.
Zijn bloedhonden zijn nu weer naar binnen.
Yussif, mijn jonge makker uit Oran, bloedt.
Hij zou geen vlieg kwaad doen,
laat staan een blanke medemens.
Waarom is dansen voor hem verboden in dit land?
Hij ligt nu in een portiek van het station
te kreunen.
Door de stationshal bestijg ik de trappen
naar het perron,
en ik daal af in de tijd
naar
negentienhonderd drieënveertig.
Het is drie 's morgens, mistig, kil.
Onder de overkapping staan honderden mensen
op elkaar gedromd,
mannen, vrouwen, kinderen uit de buurt,
zwijgend, angstig.
Een stoomlocomotief duwt een lange trein
beestenwagons naar spoor één.
Gelaarsde, gekepiede SS-ers snauwen
en stouwen de mensen befehlerisch in het konvooi.
Ze hebben bloedhonden aan de lijn.
Beneden mij, onder spoor één,
in een portiek van de Pelikaansstraat,
ligt mijn makker Yussif uit Oran
te bloeden.
Zij bestormen een boekhandel,
trekken de kasten omver,
verwonden de medewerkers
en verbranden boeken,
triomfantelijk krijsend van "rooie ratten!"
– maar zij zijn slechts een minderheid,
het zijn maar een handjevol heethoofden,
het zal wel overgaan,
trek het je niet aan.
Zij voeren raids uit op cafés
bedreigen de bezoekers
slaan de inboedel aan diggelen
en rukken posters af,
triomfantelijk krijsend van "linkse honden!"
– maar zij zijn slechts een minderheid,
het zijn maar een handjevol heethoofden,
het zal wel overgaan,
trek het je niet aan.
Zij houden razzia's in een wijk,
terrorizeren de straat,
isoleren enkele donkerhuidigen
en rammen ze vakkundig in mekaar,
triomfantelijk krijsend van "vreemd gespuis!"
– maar zij zijn slechts een minderheid,
het zijn maar een handjevol heethoofden,
het zal wel overgaan,
trek het je niet aan.
Zij kraken bij nacht een redactielokaal,
nemen het adressenbestand in beslag,
vernietigen machines en materiaal
en steken de documentatie in brand,
triomfantelijk krijsend van "rotte anarchisten!"
– maar zij zijn slechts een minderheid,
het zijn maar een handjevol heethoofden,
het zal wel overgaan,
trek het je niet aan.
Zij schieten vanuit een rijdende wagen
bij klaarlichte dag
en in volle straat
een buitenlandse arbeider lam,
triomfantelijk krijsend van "vuile makaak!"
– maar zij zijn slechts een minderheid,
het zijn maar een handjevol heethoofden,
het zal wel overgaan,
trek het je niet aan.
In den beginne
was er een schoft: hij was slechts een minderheid
en zijn trawanten
maar een handjevol heethoofden,
triomfantelijk krijsend van "Juden 'raus!".
Het zou wel overgaan.
We trokken het ons niet aan.
Muziek Wouter Vanden Abeele, uitgave Oxfam Wereldwinkel 2001
millennium
Vraag een joodse mens in welk jaar hij leeft.
Vraag een moslim in welke eeuw zij leeft.
Vraag een boeddhist in welk millennium hij leeft.
Stel talloze volkeren die vragen,
en je krijgt talloze onchristelijke antwoorden.
Zijn zij – zijn wij – ten prooi aan een tijdmisrekening?
Er is niets wereldschokkends gebeurd
tweeduizend jaar geleden.
Er viel niets te herdenken.
Er viel niets te vieren.
Er was niets aan de hand.
De dag- en nachtcyclus verliep niet anders dan anders.
Orkanen, getijen, maanstanden, seizoenen:
ze hadden hun beloop zoals het vorige en het volgende jaar,
en de gewassen kiemden zoals vanouds.
Op de ochtend van de eeuwwende
kraaide de haan niet vroeger,
noch krijsten de meeuwen luider.
De dieren wisten nergens van.
Moeder aarde was niet op de hoogte.
gecreërd n.a.v. "Wij hebben het recht te dromen",
een vredesactie op 4 okt. 2003 van het Antwerps
Platform voor een rechtvaardige vrede in Palestina.)
Er wordt een nieuwe muur gebouwd
dwars door het Palestijns gebied.
Het is geen muur van Jericho,
een klaagmuur is het evenmin.
Het is een muur van angst en wrok
een muur van onbegrip,
een blinde muur van blinde haat.
Chinese muur,
Berlijnse muur,
de muren van Belfast:
ze hebben geen stand gehouden
als afscheidingsmuur,
als apartheidsmuur.
Ze werden omzeild, doorboord of gesloopt.
Men zegt dat muren oren hebben
maar deze muur is doof.
Het is een blinde, dove muur.
Hoe zal het de nieuwe Muur vergaan?
De muur van tweehonderdvijftig mijl
dwars door het Palestijns gebied?
Zullen er ooit bloemen op bloeien?
Zal hij ooit juichend beklommen worden
van beide zijden
om handen van vrede te reiken?
Zal hij ooit in een verzoenend gebaar
ontmanteld worden
met de sloopankers die nu schamele huizen slechten?
Wij hebben het recht te dromen.
terug naar kop van deze cyclus
terug naar overzicht Gedichten
&
Herman J. Claeys
Mijn stad heeft slecht geslapen
Kaalslag (songtekst)
Beton
Je bent nietig, stedeling,
ijlings laverend
tussen eskadrons
aanrukkende auto’s
en het onwrikbaar beton.
Je wordt geloodst
door de stalen hand
van de projectontwikkelaars
die met hun hersenen van betonspecie
speculeren op jouw drang
naar geborgenheid.
Schichtig als een zebra
op zijn pad
spoed je je over het asfalt
langs stadskankers heen
naar de veilige drempel
van je tot sloop gedoemde
bakstenen huis.
Vlucht naar je heuvel!
Vlucht naar de verre overkant
van de verkeersrotonde ,
vlucht naar de andere oever
van de stadssnelweg!
Of laat je fietselings meekolken
in de kille blikken bloedstroom
van de verkeersaderen.
Je bent nietig, stadsbewoner,
je wordt geloodst
door de ijzeren vuist
van de vastgoedmakelaars
die met hun hersenen van betonspecie
speculeren op jouw nood
aan geborgenheid.
Mijn stad heeft slecht geslapen
't Is ochtend, en mijn stad heeft slecht geslapen.
en veel te weinig want het werd weer laat...
ze geeuwt besmuikt en strekt haar stramme straten,
haar vensters knipp'ren in de dageraad
veel drukke kroegen raakten niet gesloten
en snackbars bliezen laat nog walmen uit
en in de dancings deden onvermoeibaar
dee-jays de bodem trillen met geluid
mijn stad is suf nog van die discodreunen,
die klonken heel de nacht na in haar brein;
en al die auto's tot de late avond:
haar in- en uitvalswegen doen nog pijn
ze krijgt een hoestbui zoals elke ochtend,
ze stikt er bijna in: het scheelt maar nipt,
die rook, dat gas, die smog, die gore dampen,
haar groene long is bijna dichtgeslibd
de vuilniskarren knarsen door haar stegen
en op de Ring zit alles weer potdicht,
haar trams en bussen braken volk naar buiten,
ontbijtcafés ontsteken nu hun licht
mijn stad ontbijt, ze drinkt haar derde kopje,
de zwarte koffie pept haar amper op,
die geus van gisteravond blijft nog gisten,
haar slapen bonken in haar houten kop
ze is nog dof van de TV-programma's,
in vele huizen stond de buis nog aan
tot lang na twaalven, en de echtgenoten
maakten nog ruzie voor het slapengaan
't is ochtend en mijn stad heeft slecht geslapen,
het eitje met het stokbrood smaakt haar niet,
die ademnood, die hoofdpijn en die krampen
verknallen weer de dag, tot haar verdriet.
Ook ik ben droef: ik ben met haar verweven,
met lange tanden knabbel ik mijn toast;
ik dagdroom dat mijn stad ooit zal genezen,
ik vraag de ober nog een bakje troost.
(Als lied gezongen door Johan Verminnen,
uitgebracht op lp, cassette en cd: "De Volle Maan".)
Brussel Kleine Ring
Leg uw oor de luisteren
dokter
tegen het asgrauwe asfalt
van deze astmatische stad
en hoor haar hijgen
in amechtige ademnood
zeg eens aa
de onderhuidse aders
van de verkeerstunnelomloop
staan gezwollen van inspanning
wie aa zegt moet Brussel zeggen
wie ademt moet braken.
Verbannen dieren zijn wij
sinds dertig eeuwen
uit onze holen
uit onze hutten gedreven,
zelfverbannen wild,
uit zucht naar het omwalde,
naar het verscholen, beschutte leven,
gestald, verschanst
achter een stenen schild,
gevangen mieren,
gekooide meeuwen,
zelfverbannen dieren
sinds dertig eeuwen.
Maar nog ben ik bang
in het duister van het woud
en ik luister naar het ongeziene
en ben benauwd
door het gif,
door het virus,
door het gedonder,
de woestijnstorm,
het vuurmondgeknetter,
de schokgolf
en de lawine
waaronder ik dreig te worden verpletterd
als onder een bottine
een naakte worm.
Zelfverbannen dieren zijn wij
sinds dertighonderd jaren,
veilig gekooid
in de stenen steden
op gronden waar wij ooit
in een groen en grijs verleden
vrij-levend zwierven
tussen gevaren
die wij bevend trotseren dierven
zoals de vos de slang.
Maar nog
ben ik bang.
Sneeuw is liquid paper
kwistig gepenseeld
over de errata
in het landschap.
Sneeuw is witte corrector
op de bezoedelde bodem
en wist de sporen uit
van mensen.
Sneeuw verhult zo lang
de gebarsten gifvaten
tot zij smelt.
(songtekst)
Daar stonden vroeger huizen,
er woonden mensen in,
ze sliepen er, ze aten er,
ze leefden naar hun zin,
ze werkten er, ze vrijden er,
ze voelden er zich thuis,
de kinderen die liepen
bij de buren aan huis.
Toen kwamen er machines
met veel gedruis,
die braken en die groeven
en die sloopten huis na huis,
men bouwde er kantoren
en een stadsautobaan
de buurtbewoners stuurde men
uit de laan.
refrein:
Wat hebben we gezegd?
Wat hebben we gedaan?
We hebben niks gezegd,
We hebben niks gedaan,
We hebben ons er zomaar
bij neergelegd,
We hebben niks gezien,
We hebben niks gehoord,
We hebben ons er helemaal
niet aan gestoord.
Daar rijden steeds meer auto's,
de lucht is er verpest,
er is bijna geen pleintje,
geen parkje meer dat rest,
we kunnen er niet wandelen,
men duwt ons aan de kant.
Een autoluwe woonstad
ligt dus voor de hand.
refrein
wat hebben we gezegd, enz.
Maar nee, dat is te mooi,
want de auto is de baas,
voor voetgangers en fietsen
is er nu geen plaats.
Wij worden weggejaagd
en een tunnel wordt geboord,
men sloopt en graaft en bulldozert
en alles wordt vermoord.
refrein:
wat hebben we gezegd, enz.
Wij moeten dus verhuizen
naar de rand van de stad
maar hebben niet de poen
voor die peperdure flats.
Dus naar een woonkazerne
van staal en van beton,
wegkwijnend en vereenzaamd
met 'n bloempot op 't balkon.
refrein:
wat hebben we gezegd, enz.
terug naar kop van deze cyclus
terug naar overzicht Gedichten
home.
&
Herman J. Claeys
De jongen met de zwavelstokjes
Mijn stad stikt
van de leegstand
maar welhaast ben ik dakloos
en haardloos
en ik stik van de ellende
huizen glarieogen
en smachten
naar bewoning
naar menswarme behuizing
maar drempels
zijn onoverschrijdbaar
bellen zijn doof
deurtelefoons stom
binnenblinden blind
en luiken geloken
mijn fiets draait rondjes
in de regen
en wordt moe
als een afgepeigerd paard
dat hunkert naar een stal
waar het genoeglijk toeven is
dakloos en jachtig peddelend
langs dwaalsporen
dweil ik de stroeve straten af
en ik benijd de schildpad en de slak,
die rustige, tevreden dieren
die hun kalken huis torsen
op rug of schouders
als een schild
als een schelp.
Gecreëerd vooor "Het meisje met de zwavelstokjes",
2de kerstdag 2003, Podium Groenplaats Antwerpen
Niet enkel de clochard, de zeldzame maar zichtbare pauper,
de schamele bedelaar bij de metrotrap,
niet enkel de verlopen zwerver
met haveloos plunje en een kartonnen slaapstee,
maar ook de ordentelijk geklede burger
in de wachtkamer van de maatschappelijk werker,
van het arbeidsbureau,
van het ziekenfonds,
van de uitkeringsinstantie,
van het woonbureau,
van het ziekenhuis,
van het uitzendbureau,
van de pro deo rechtshulp
of in de file van de voedselbedeling,
ook de verzorgde vrouw of man bij de tramhalte,
of op de gammele tweedehandsfiets,
ook de vrouw met het bijna lege winkelwagentje in het Aldi-warenhuis,
ook het koppel met het goedkope drankje in het buurthuis,
ook de medemens in het sociaal restaurant,
en de vrouw die voor haar kind kleren zoekt op de rommelmarkt
of derdehandsspullen in de kringloopwinkel.
Armoede schrijnt niet enkel achter de bouwvallige gevel van een krotwoning,
niet enkel achter het hek van het socialewoningblok,
niet enkel achter de beplakte muren van kraakpanden,
maar ook achter ramen van keurige rijtjeshuizen
en achter deuren van statige herenhuizen.
Armoede is aan het oog ontrokken
armoede is aan het oor onttrokken
armoede is aan onze kennis ontrokken.
Dit is niet de Derde Wereld.
Dit is de vierde wereld van onze bovenburen,
de vierde wereld in onze achtertuin,
de onbekende vierde wereld waarmee wij de stoep delen
in de schoongeveegde straten van onze welvaartstaat..
2de kerst 2003, Podium Groenplaats Antwerpen
Onzichtbaar zijn ze, de armen,
Het half miljoen armen in dit land,
verdoken, verborgen, verscholen.
Onzichtbaar en onhoorbaar
de have-nots, de habenichtsen, de geldlozen, de bezitlozen,
het half miljoen onbedeelden
in dit bijne meest welvarende land van de wereld.
Onzichtbaar, onhoorbaar de daklozen, de thuislozen,
de armoedig behuisden, de krotbewoners, de krakers,
de nachtasielklanten.
Maar wie zien wil, ziet ze; wie horen wil, hoort ze.
Niet de ziende-blinde
die zich onbegrijpend afkeert met zijn pasklare mening,
niet de horende-dove die zich hooghartig afwendt
met de drogredenen van de niks-tekort-komer,
met de naïeve oplossingen van de betweter.
Maar wie wel onbevangen en onbevooroordeeld
wil luisteren en wil kijken
die ziet en hoort hen, de behoeftigen
achter de façades van de gestroomlijnde welvaartmaatschapppij
met haar bejubelde sociale voorzieningen,
de verzorgingsmaatschappij
met wetten die voor velen dode letter blijven,
zo dood als de uitgedoofde hoop van de levenslang onbemiddelden,
met decreten die voor velen dode letter blijven,
zo dood als de dooie mus waarmee ze worden gepaaid.
De jongen met de zwavelstokjes
feestgedicht voor oud-en-nieuw
De jongen met de lucifers schuimt de drankhuizen af,
struint langs volgeboekte restaurants,
in de vrieskou van midwinter,
door het koude hart van de heet gestookte metropool.
Lucifers voor een dubbeltje !
Aanstekers voor vijftig cent !
Voetzoekers voor een euro !
Honger lijden in de geur van kalkoengebraad,
verkleumen onder de rook van fornuizen,
thuisloos dolen tussen de woekerende leegstand
in de verkankerde stad.
De welgedane eigenaren
van de dure verwarmde terrassen
pramen de gezeten bestuurders
om de gratis zitbanken te verwijderen van het plein
vanwege die clochards die de kerstboom ontsieren,
vanwege die rare libertaire hangjongeren,
vanwege dat blonde Meisje met de Zwavelstokjes,
vanwege die bruine jongen met de aanstekers
die de nieuwjaarsillusie van weelde en welstand
vergallen.
Onder de klaterende kerstkitsch
van de stervende evergreen reuzenspar
vol twinkelende valse sterren
en behangen met verpakte nepcadeaus
zit de jongen met de lucifers
te kwijnen.
Hallucinerend steekt hij
- zoals in een Grimmig sprookje van Andersen -
de droomboom in brand tot een torenhoge toorts,
steekt hij de harteloze stad in brand,
steekt hij de wrede wereld in brand,
tot een kolkende zee van vlammen
waarboven hij in een wolk van sprankels
triomferend uitstijgt
naar zijn hemel van merriment and happiness,
van zaligheid en geluk.
Duivelse jongen met de solferstekjes,
loop naar de hel !
Handelssteeg, De Seefhoek, Antwerpen-Noord
Wat scheelt er met Katrien?
Die olijke, levenslustige meid?
Ik geloof dat ze weent,
ja, ze huilt stilletjes.
Haar huisje wordt gesloopt.
Of wordt het vernieuwbouwd?
Het knusse huisje met het ateljeetje.
Want Katrien tekent en schildert.
Maar wég moet ze.
Waar
moet Katrien heen?
het woningfonds heeft niets voor haar
Wat het woningfonds voor haar in petto heeft
wil zij niet.
En wat zij wil
is niet betaalbaar.
Want Katrien loopt in de steun.
Is Katrien nou helemaal gek?
Als je een vervangingsinkomen hebt
hoef
je toch niet te schilderen?
En als je kunstenaar wil zijn
moet je toch geen steun trekken?
Katrien is alleen.
Nee, ze heeft een poes,
waar ze dolveel van houdt.
maar
een poes mag niet van het woningfonds.
Katrien moet in een flatje voor één persoon,
een piepklein flatje in een woonkazerne.
Katrien snikt stilletjes voor zich uit.
Haar huisje wordt jarenlang vernieuwbouwd
tot iets moderners, groters en veel duurders,
of wordt het gesloopt?
In ieder geval moet zij wég.
Katrien wil een woninkje met een ateljeetje
want zij schildert en boetseert,
zij wil een huisje met veel licht
en zij wil haar poes mee
die dolveel van haar houdt.
Katrien vangt bot.
Katrien wil het onmogelijke.
Katrien is zeker niet goed bij haar hoofd?
terug naar kop van deze cyclus
terug naar overzicht Gedichten
&
Herman J. Claeys
Bron (Sint-Baafs abdij)
Wij schuilen in een schemerzone,
een zwarte doos vol noodsignalen
tussen daad en denkpatronen:
een creatieve krachtcentrale.
Een stroom van energie tot scheppen
stuwt door een netwerk van kanalen
naar doorgeslagen uitlaatkleppen
der creatieve krachtcentrale.
Kunst is de zuurstof die wij persen
naar de verroeste arsenalen
van 't denken, om het te verversen
ter creatieve krachtcentrale.
Het atelier van de verbeelding:
dat is het iemandsland
waar nimmer gelijkdenkendheid
het handelen beheerst,
waar nooit of nimmer gelijkdadigheid
het denken teistert,
zonder gezag of rangorde van macht,
onhiërarchist het rijk der eenlingen,
het iemandsland van jou,
van mij,
van haar,
van hem,
de woeste grond,
de grond waarin de eenling
spit en wroet en graaft,
het wilde iemandsland,
helaas begrensd aan alle kanten
door het land van alleman en niemand
waar mensen huizen in afgesloten kluizen
waar lieden lijdzaam leven als voorgeschreven
geleid, geloodsd door pijpen
van vernauwd bewustzijn
conform qua vorm
en uniform qua norm.
Maar niet voor lang meer,
want –ismen lekken uit hun buizen,
dwangbuizen van rechtlijnigheid,
denkstelsels puilen uit hun lijven,
hun keurslijven van dogma's,
systemen barsten uit hun voegen,
de voegen van het zelfgenoegen.
Want in deze trechter van confrontatie
sijpelen,
stromen,
druppelen,
vloeien
de in-perpetuum mobiele sappen samen
tot een fluïdum
dat ziedend kolkt en bruist
en ondergronds het onontwarbaar netwerk
van metalen aderen doorstuwt
met onbeheerste overdruk.
En zie: de liften schieten
door de daken heen de hemel in;
en zie: sluisdeuren worden uit hun hengsels gelicht
en klapwiekend door de vloedgolf meegesleurd;
en zie: draaibruggen wentelen als op hol geslagen
draaideuren om hun spil,
kaapstanders laten als bromtollen hun windassen zoeven,
hijskranen steigeren wild hinnikend en gooien hun last
achterwaartsover de gore Schelde in...
Dat is de krachttoer
die wij dromen te verrichten,
de krachttoer van dit krachtstation
dat zijn motoren voedt
met explosieve mengsels
ontsproten uit de adem
van de krachtterm Kunst.
("BlackBox", Antwerpen 1990)
Het aluminium atomium
weerspiegelt mij
en glinstert sterren
op mijn ijzeren
harnas.
Het zilveren maanlicht
aait.
De bollen wirrelen
in kristallen tinteling dooreen.
Atomen, negen,
in een planetair visioen.
Ik, met mijn beide handen
gooi en vang ze op
in onnavolgbaar handig gejongleer,
in één vervloeiende beweging.
Ik ben de goochelaar,
de eeuwige jongleur.
Sint-Baafs abdij
Ruïne met bron te Gent
Hier werd in gulden tijd
met de Keizer-Karel-snee
het nieuwe Gent geboren
terwijl het brekend vruchtwater
versteende
tot ‘s graven grafzerk
voor de oude stoere stee:
Sint-Bavo’s bouwval
aan lager Leiewal.
O here Baaf
in Vlaanderens naaf,
heer der verwering,
heer der verwording,
heb monnikengeduld met ons:
het oproer, het verzet
was goed begonnen,
dus - hoewel schandelijk gefnuikt
en smadelijk gestropt -
toch half gewonnen.
Wij hebben nog vijf eeuwen te herbronnen.
Als lome wachters
staan twee watertorens
pal en dromerig
langszij de sporenbundel
van de havenlijn
waar ooit de ‘statie Schijnpoort’ stond.
Want schijn bedriegt
en niets is wat het leek
noch zal iets later zijn
zoals dat hier en nu
aan onze blik verschijnt
De beide torens staan nu droog,
geen stoomloc laaft zich nog
aan deze bronnen
die onuitputtelijk leken.
Zijn zij tot sloop gedoemd? Allicht.
Er komt een park, zo hopen wij.
Het zal dan toch geen industriepark zijn,
lof zij de vroede vaderen van deze stad.
Maar ook die torens waren industrie,
en, zoals mensen komen en weer gaan,
zich settlen en verhuizen,
zo bouwt en sloopt men bouwsels,
tenzij men ze als erfgoed rusten laat,
dan staan ze nutteloos zichzelf te overleven
zoals een lege kerk, een dood café
temidden van een levendige,
druk geleefde wijk.
Er wordt een nieuwe muur gebouwd
dwars door het Palestijns gebied.
Het is geen muur van Jericho,
een klaagmuur is het evenmin.
Het is een muur van angst en wrok
een muur van onbegrip,
een blinde muur van blinde haat.
Chinese muur,
Berlijnse muur,
de muren van Belfast:
ze hebben geen stand gehouden
als afscheidingsmuur,
als apartheidsmuur.
Ze werden omzeild, doorboord of gesloopt.
Men zegt dat muren oren hebben
maar deze muur is doof.
Het is een blinde, dove muur.
Hoe zal het de nieuwe Muur vergaan?
De muur van tweehonderdvijftig mijl
dwars door het Palestijns gebied?
Zullen er ooit bloemen op bloeien?
Zal hij ooit juichend beklommen worden
van beide zijden
om handen van vrede te reiken?
Zal hij ooit in een verzoenend gebaar
ontmanteld worden
met de sloopankers die nu schamele huizen slechten?
Wij hebben het recht te dromen.
(gecreërd n.a.v. "Wij hebben het recht te dromen",
een vredesactie op 4 okt. 2003 van het Antwerps
Platform voor een rechtvaardige vrede in Palestina.)
Fort V Edegem-Antwerpen
Zwijg en leg je oor te luisteren
tegen de bouwsels
waarin wij wonen, werken en spelen,
wondere, onwezenlijke geluiden hoor je dan
want stenen ruisen,
want stenen zingen,
want stenen zuchten en stenen,
en spreken voor wie het horen wil;
vaak spreken stenen boekdelen
waarin wij bladeren naar wat ooit was
maar vaak ook zijn zij onbehouwen
en liegen over hun afkomst
vooral als zij gebakken zijn
en hun poreuze huid
verglaasd is met glanzend glamoureus glazuur;
maar de naakte waarheid
achterhaalt ze wel,
verweert ze,
ontglinstert ze,
en dan geven ze zich bloot
en worden inneembaar
als een vesting,
als dit fort.
Antwerpen-Noord
De treinen zoeven er voorbij,
en ik, met sneltreinvaart,
zoef in gedachten mee
naar Amsterdam, naar Oslo
langs de vijfde meridiaan
tot op de Noordpool,
en, als het effen kon
tot in het zenith van het hemelruim.
Maar ik sta roerloos
op het stil perron
en onbeschut in weer en wind,
met onder mij een toe station
zonder de kepie van een onderchef,
zonder loketten of buffet,
zonder bewaarplaats of toilet
en zonder frisdrankautomaat.
Het ligt er pralend opgebaard
het dode Damstation.
terug naar kop van deze cyclus
terug naar overzicht Gedichten
&
Herman J. Claeys
Waterkeringsmuur Antwerpen
- Rede
- Stuw
Scheldekaaien Antwerpen
De straten wasemen de muffe geur
van wakke truien
en doordrenkte enkels
en beslaan dampig de ruiten
van de gekunsteld glimlachende trams
die tevergeefs
met hun witgele flanken
het grauwe spinrag
pogen te doorvlekken.
De stegen zijn moe
van de schuifelende zolen
op hun glimmende keien
en hun muren worden pijnlijk geschramd
door de baladerende baleinen van de paraplu’s
die met hun opengesperde walvismuilen
succesvol
een regendans uitvoeren.
De klamme leien
drukken zich plat ter aarde
en laten hun pokdalig asfalt spattend berijden
door de amechtig ruitenwissende
automobielen
die meeruisen
met de alom regenende rillerigheid.
Het verstoven water stijgt op uit de bodem
en komt zijwaarts aangesijpeld
uit de Schelde,
de vergrijsde rivier,
de verwaasde rivier,
de vermiste rivier,
de opgeloste stroom
die
allengs van de huizen bezit neemt.
Vandaag, in deze stad, veegt God
met een natte vinger
de mensen uit.
Legale waanzin
Fragment Wandelgedicht langs de waterkeringmuur te Antwerpen
Kruip uit je bunker te voorschijn,
angsthazige schuilkelderrat,
en betreed vrouwmoedig
de met kogelinslagen bekraterde bovenwereld.
Verken oogknipperend en oorsuizend
het spetterend spektakel
georkestreerd door de legale waanzin
en getoonzet met de wellust van de macht.
Betreed manmoedig de arena met ontheiligende woorden,
ontmasker met verachting
de geachte machtigen der aarde
en spuw de in hun kielzog deinende goedmenenden
in het gezicht.
Want wie een rauwe oorlog ééns gerechtigd vindt,
vergelding éénmaal fair
en afstraffing gewenst,
wie mede vrede sticht met bommen
is medeschuldig aan barbaarse massamoord
ten prooi aan zinsverbijstering.
Of liegt - ook nu -: ich hab' es nicht gewubt!
Fragment Wandelgedicht langs de waterkeringmuur te Antwerpen
Ontstijg de schoot der aarde,
bunkermens,
zoals weleer de holbewoner,
en trotseer het lijfsgevaar,
trotseer het moordend vuur
en waag je in het schootsveld
van de tuigen.
Want dit staat jou te doen:
fregatten, jagers, mijnenvegers, onderzeeërs,
neem ze uit de vaart,
zet ze op een sokkel droog
hier op de rede van de Schelde
tussen de afgedankteaken en galjoenen,
als schrijnende relieken
van een oorlogszuchtig heden,
als mensoneternde symbolen
van een niet-verleden tijd.
Fragment Wandelgedicht langs de waterkeringsmuur te Antwerpen
Kijk hier hoe Lange Wapper fluks
de wering wijdbeens overschrijdt
en op de ruien boeman speelt:
als reus, als dwerg, als watergeest
neemt hij een rist gedaanten aan,
vermomt zich als een vogelschrik
of vondeling of schattig wicht.
Maar steeds ontpopt hij zich als guit
die schaterend vol leedvermaak
het poenerig gedoe doorprikt
van wie in deze goede stee
– seigneur of dokker – zich verdwaast
in zelfbedrog of eigenwaan,
of, schijnbaar arm, op weelde aast.
Stuw
Fragment Wandelgedicht langs de waterkeringmuur te Antwerpen
Jij die nu langs de kaai flaneert:
sla hier een bres in deze dijk,
de dijk van jouw dwangmatige verweer
tegen het schielijk springtij
van je ongeremde drang,
sla hier een brede bres,
een niet te dichten gat
in jouw verschansing,
al te lang getemde wandelaar,
en laat je vloedgolf kolkend razen landinwaarts
en overspoel de starre stadsbewoners
met jouw storm,
wees onbeteugelbaar
in het onstuimig stuwen van je bloed,
sloop bouwsels, muren en structuren
die jou betuttelend bevoogden
als een schier onmondig kind,
wees windhoos, onweer en orkaan.
Maar werp een dam op tegen haat,
een keringsdam van woede
tegen bekrompen rassenwaan
en stuurse vooroordelen
die deze oude metropool,
de trotse wereldhaven
een reuk van rottigheid bezorgt,
een stank van bruine pest,
bouw hier een dijk tegen het gif
dat etnische puristen
en vuige volksverlakkers ons
het strot in rammen, ongestraft:
werp hier en keermuur tegen op
en dijk die kanker in!
Luister naar de klank van de metropool
het droevig-blijde zingen van de kathedraal,
luister naar de wind
die door de tonen waait,
hoe hij ze zaait
over de ruien en de leien
hoor hoe de klanken klotsen
in het Scheldewater
en hoe de grauwe golven
zich mompelend tegen de oever schurken
hoor de oceaanstomers
groetend toeten
en hoe in de diergaarde
een olifanten ten antwoord trompt
luister naar het geratel van de paardenkoetsen
en het geërgerd tingelingen van de trams
die zich gehinderd voelen door de auto’s
die vruchteloos naar parkeerplaats speuren
in deze overvolle stad van mensen.
dit is de klank van de metropool
die afgestemd wordt
op het onhoorbaar mijmerend zingen van jouw ziel
en op het wisselend ritme van jouw hunkerend hart.
Hier op de Scheldekaai,
de dijk van je verweer
tegen het springtij
van een ongebreideld leven,
sla ik een bres
en stuw je vloedgolf
landinwaarts
kies wind,
vier touw
en wentel om de as
van je verzuiling
wees wiek,
word zeil
en stort je
in de kringloop
van je bloed
hier ben je branding,
hier ben je stroom.
Letterstad.
Met open weefsels ontvangt mij
de avondstad,
ontrolt zich een lichtend tapijt
van woorden,
vervoert mij een rapsodie
van neon,
grijpen mij
lettergrepen,
ondervind ik de omkeer,
onderga ik de omarming
smachtend naar versmelting.
En het woordvuur schroeit mij.
Letterstad.
Ik word opgezogen
door de lillende lichtmonden
met de spermatozoïden
van het Aldier,
het nachtelijke Aldier.
1.
Dag mens-aan-zee
hier op de dijk
van je verweer
tegen de vloedgolf
van je ongebreideld voelen
kies wind, keer tij
en wentel om de mast
van je verzuiling,
wees wiek, word zeil
en waag je
in de kronkelende kringloop
van je bloed
hier ben je branding,
hier ben je baar,
dag mens-aan-zee.
2.
Zeestad,
wat haat ik uw golfbrekers,
gerijd als een falanks
van pijlen
om uw vloed te keren,
dwarsliggers
tegen de vergangen oeverloosheid
van uw stokoude moederzee,
noordhinders
op mijn onstuimig stormende
verbeelding.
3.
In dit zee-land
staat uw Phare,
uw fallos,
uw toren van vuur
als een duisternis-tergende
paal boven water,
lichtzwaaiend
mij te verblinden
van liefde
voor uw ruwe schoonheid,
Ster der Zee.
4.
De samenklank
van golfgedruis en wind
is uw altoos luidende
beiaard,
bespeeld
betokkeld
door de vilten vingers,
bedreund
beorgeld
door de vurige vuisten
van uw kustlandse
geaardheid.
terug naar kop van deze cyclus
terug naar overzicht Gedichten
&
Herman J. Claeys
Mijn woorden kunnen het bloed niet stelpen
Hoe kan ik over liefde dichten
Toktaal
Ik hanteer soms
de spastische taal
van de specht,
de toktaal
waarmee ik hamer
op houten koppen,
de toktaal
waarmee ik schedels ontschors
Woorden zijn beurs en meuk
of vloeibaar
of ze zweven door elkaar heen
als stofjes in een zonnestraal,
wirrelen, trekken aan, stoten af.
Ik grijp er, ik pluk er, ik vang er
lukraak en gericht,
bal ze tot kluwen, tot knoedel, tot prop,
kneed ze tot deegklomp.
Gestalte. Pregnantie. Syntaxis. Smuk.
Dan verhitting in de oven van verbeelding,
verharding met het vuur van bezieling
tot een gestold, gestaald gedicht.
Mijn woorden
Mijn woorden kunnen het bloed niet stelpen
dat vloeit in gebieden overzee:
mijn woorden bloeden mee.
Mijn verzen kunnen de wonden niet helen
die gruwelijk schrijnen in pijn en wee:
mijn verzen schrijnen mee.
Mijn gedichten kunnen het leed niet verzachten
dat heerst zo ver van mijn beddenstee:
mijn gedichten lijden mee.
Ik is een vreemd woord
in mijn gedichten,
de naam voor een vreemde
die ik wil zijn,
een vreemdeling voor mezelf.
Laat een geliefde klankenloos over mij zingen
als het moet,
laat een vriend woordenloos over mij dichten
desnoods,
een vijand kan mij niet genaken.
Uittreden wil ik
uit de arena die mijn huid ombakent,
te voorschijn stappen
uit het strijdperk dat mijn ziel bestrijkt.
Geen gevecht zal ik ooit winnen
daarbinnen.
Laat een geliefde mij belagen
als het moet,
laat een vriend mij verslaan
desnoods.
Ik is geen tegenspeler
in mijn gedichten.
Laat mij buiten mezelf zijn
van het dichten.
Hoe kan ik over liefde dichten
Hoe kan ik over liefde zingen
als mensen lijden door geweld,
door onrecht, oorlog, folteringen
of door verdrukking zijn gekweld?
Hoe kan ik over eros zingen
wanneer er mensen in 't gevang
hun liefdesdrang moeten bedwingen
een heel ellendig leven lang?
Maar moet ik over oorlog zingen
of over honger, haat en macht,
racisme, onrecht, vluchtelingen
... als mijn geliefde op mij wacht?
Het oog van de cycloon
Wie wind zaait
zal storm oogsten,
weet de dichtende molenaar
de molenwiekende woordenaar,
want hij maalt
velletjes waaiwoorden
in de geladen windstilte,
en met zijn wentelwieken
beroert hij de luwte
van ‘s mensen
zelfbedrog.
Ik ben omringd door dingen
die mij zullen overleven:
de stad met al haar maaksels
en gewrochten,
de straat waarin ik anker,
het oude huis
met kamers waarin vóór mij
anderen naar inzicht zochten,
de tafel waaraan ik
mijn twijfel zit te schrijven
omtrent wat wél en niet
in deze chaos kan beklijven,
mijn uitgelezen boeken
die zo moe
en zuchtend toegeslagen
in hun rekken staan,
de foto met haar lief gezicht,
de klok die uitentreuren
jambisch repeteert,
en dit perpetueel gedicht.
Zoals een nimmer uitgesponnen spin
concentrisch draden webt,
zo trek ik tralies om mij heen,
van pool tot tegenpool,
van grond tot zenit.
Doorzichtig bouw ik muren,
doorschijnend een gewelf,
en ik zie de mensen buiten,
de dingen buiten mij
achter de tralies staan.
Ik ben de bewaarder,
de sleuteldrager
van mijn gekooid welbevinden.
De klank van mijn woorden
What more can I give
than the sound of my words
de sound van mijn verwoorde onmacht
die gesmoord werd in het fortissimo
der bommen op Novi Sad
de klank van mijn vertolkte radeloosheid
die overstemd werd door het gevloek
van de gezuiverden in Prístina
het zinderen van mijn verklankte verbijstering
dat vervaagde in het kermen
van de ontheemden in Tetovo
What more can I give
than the muffled sound of my words.
Elke dag
ben ik een onbewoond huis
met onbetreden kamers,
en mijn ramen blikken mat
in een beslagen wereld
vol mensen.
Elke avond
sla ik mijn eigen ruiten in
en adem
hoorbaar en zichtbaar en voelbaar
in de verbazende nacht,
in de grenzeloze nacht.
Maar elke ochtend
komt naamloos en ongevraagd
de witte glazenmaker langs
om mijn ruiten te herstellen.
Overmorgen en eergisteren
zet ik een ladder
voor hem klaar
met half doorgezaagde
sporten.
Dit gewrocht
is een gedicht
en niet – bijvoorveeld – een onthulling,
en niet – bijvoorbeeld – een gevecht,
en niet – bijvoorbeeld – een verlangen.
Ook geen nare droom
noch zelfbevrediging, en ook geen raadsel
noch een stukje ik
dat bloot ligt
op een bed van woorden.
Dit gedicht
is wat het is
en dat is al:
het hele al
dat dichtbaar
en verdichtbaar is,
te weten:
mijn gedicht.
terug naar kop van deze cyclus
terug naar overzicht Gedichten
&
Herman J; Claeys
Vlot (Robert-Jasper Grootveld)
bij "Stenen Boekerij"
van steenbeeldhouwster Lieve Schols
Een uitgelezen keur
van niet te lezen boeken,
gebeiteld schutblad,
geslepen band,
ondoorbladerde snee.
De verhalen die zij bevatten
- zijn het oude verhalen
van water en aarde,
van wind en dieren,
van vuur en goden en mensen? –
Zij liggen voor eeuwig besloten
in de verboden boeken
van een boekerij
met een hart van steen.
Hun inhoud
vormt een onwrikbaar geheim
dat niemand ooit
aan hun schepper
ontfutselen zal.
Hoe machteloos de dichter is wist gij als geen,
als geen hoe weerloos de allene mens
tegen de arrogantie van de macht.
vlaggen en vlagen van hoop doorwoeien
uw verlangen
gevoed door uw verscheurende liefde
voor de mens en voor mensen
hoewel door uw getormenteerde hoofd
die trein van beestenwagons
bleef rijden bleef rijden bleef rijden
naar de infame dood.
trends konden u, einzelgänger, gestolen worden
kosmopoliet in de Vlaamse vlakte
waar uw vuurrode bloemen bloeien.
uw venster op de barre wereld
waardoor gij vaak naar buiten vloogt
blijft open staan
zoals gij wenste,
als een wenk
voor onze vlucht naar binnen
in uw warmhartigheid.
Hommage bij de onthulling van zijn standbeeld
van de hand van Wilfried Pas op 16 november 1996
Gij wortelt omhoog
uit de bronzen branding
van de koudwarme stad,
de dronken stad die drijft naar de zee
met mij,
met u die hoog-op rijst
uit de luide baren
van de chaotiese avondlike straten
in de gehavende stad
die zeewaarts dobbert
op het gorgelend orgelritme
van het orkestrion
in uw,
in mijn
brakke brein.
Gij licht blank op
in de donkerte van de angst
die doorvlekt is
met gestolen klaarten,
de dansende angst
van al wat gebaard en geboren is.
Uw silhouet zindert en siddert
op het kleine plein
als een gonzende telegraafpaal
die de wit wassende maan
in tweeën splijt
tot schijnverschijnselen
die gij ontmaskert,
die gij ontwordt
met de oervorm
woord.
aan Robert-Jasper Grootveld bij zijn plechtige aanmering
langs de Flandria-rede, komende van Amsterdam per vlot
van noord naar zuid
de waterweg bevoer,
Rijkswaterstaat omzeilend,
de waterschout verbijsterend,
zo zeil ik vlot
langs hinderlijke banken
tegenstrooms en grenzenloos
de golfslag door,
elk reglement te schande
en elke wet ten smaad,
tot vreugd van wie ‘t verblijdt,
tot spijt van wie ‘t benijdt.
bij de houtsculpturen van Willem Plugge
Uit betreden plankieren,
uit gammel wrakhout
worden gedaanten ontschulpt,
ontworstelen zich woorden.
Knoesten, wiggen en weren
beademd tot harten onder de riem van vermetele gedachten
die hout snijden,
van werven geërfde, herbezielde nerven.
Embrio's van beelden
vermoedens van klanken,
ontpoppende lichamen,
met bouten gepantserde raderen,
gespiegelde bronnen
van klaterende levenskolken
tegen de schaduw
van een schimmendans