In het kader van de lessen van commerciële vaardigheden hebben wij de opdracht gekregen om zelf een commerciële vaardigheid te bespreken.
Ik heb ervoor gekozen om gebarentaal te bespreken. Zelf vind ik dit een zeer interessant onderwerp om over te spreken. Gebarentaal is een taal die volgens mij veel te weinig erkenning krijgt en toch noodzakelijk is. Als deze taal er niet was zou communicatie tussen bepaalde mensen bijna onmogelijk zijn.
1 Wat
is gebarentaal?
1.1 Eén
Nederlandse gebarentaal
1.2 Erkenning
1.3 Handalfabet
1.4
Nederlands ondersteund met gebaren
1.5 Niet alleen voor
doven
1.6
Voor- en Nadelen
1.6.1
Voordelen
1.6.2
Nadelen
2 De geschiedenis van het handalfabet
3
Gebarentaal voor doof-blinden
3.1 Vierhanden-gebarentaal
3.2 Vingerspellen-in-de-hand
4
Gebarenruimtes
4.1 De gebarenruimte
4.2 De fluisterruimte
5
Grammatica
5.1 Samengestelde
gebaren
5.2 Twee-in-één-gebaren
5.3 Persoonlijke
voornaamwoorden
5.4
Gebaarvolgorde, vragen en ontkenningen
5.5 Meervoud
5.6
Sleutelgebaren
5.7 Vergelijken
5.8 Tijd
Bibliografie
n van ons maakt gebruik van gebaren, di
Iedereen van ons maakt gebruik van gebaren, dit hoort bij de lichaamstaal. Maar lichaamstaal is niet hetzelfde als gebarentaal. Gebarentaal is een erkende en volledige taal van gebaren, veelal met handen en armen, die de spraak vervangt. Ze wordt het meeste gebruikt door doven en slechthorenden.
Gebarentaal wordt meestal gebruikt door doven. De handen zijn de sleutel tot de gebarentaal. Ze bootsen iets na of drukken een idee uit. Voor de duidelijkheid worden de gebaren vaak onderstreept door gelaatsuitdrukkingen en bepaalde houdingen. De verschillende gebaren zijn allemaal tekens die elkaar razendsnel opvolgen.
Er moeten duizenden verschillende gebarentalen bestaan, zoals er ook duizenden gesproken talen zijn. Gebarentalen hebben een eigen gebarenschat, eigen grammatica en eigen uitdrukkingen. Het zijn volwaardige talen, waarmee je alles kunt uitdrukken wat je maar zou willen. Bij contacten tussen mensen die een verschillende gebarentaal gebruiken wordt meestal de Amerikaanse gebarentaal gebruikt om te communiceren. Net zoals de horenden dan meestal het Engels gebruiken.
Op elke plaats waar groepen mensen woonden zijn gesproken talen ontstaan; op elke plaats waar groepen dove mensen woonden zijn gebarentalen ontstaan. Gebarentalen zijn over het algemeen landstalen, vaak met verschillende dialecten.
1.1 Eén Nederlandse Gebarentaal
In Nederland en België wordt de Nederlandse gebarentaal (NGT) gebruikt. Er worden hier dus geen verschillende gebarentalen gebruikt. De grammatica van de NGT en veel uitdrukkingen zijn overal in Nederland en België hetzelfde.
Maar er bestaan wel varianten. Sommige gebaren kunnen verschillen van regio tot regio. Dit kun je vergelijken met de verschillende dialecten die er in de Nederlandse taal ook bestaan. Voor mensen die juist gebarentaal leren kan dit weleens verwarrend zijn, maar ervaren gebaarders hebben er geen enkele moeite mee.
In 1988 heeft het Europees Parlement gebarentalen officieel erkend als de taal van de doven. Tot nu toe zijn de gebarentalen door de regering nog niet erkend. De NGT is dus nog geen officiële taal. Maar men verwacht dat het over enkele jaren erkend zal worden. Ondertussen wordt er al sinds 1985 taalkundig onderzoek gedaan naar de NGT.
Het
Nederlandse handalfabet is een onderdeel van de Nederlandse gebarentaal. De
NGT heeft voor alle begrippen een gebaar, het handalfabet voor elke letter
van het Nederlandse alfabet een aparte handvorm.
De handalfabetten zijn niet in alle landen hetzelfde, maar ze lijken vaak
wel op elkaar.
Als je woorden spelt aan de hand van het handalfabet noemt men dit vingerspellen.
Vingerspellen is alleen een hulpmiddel, want hoe snel doven ook spellen, woorden
helemaal uitspellen kost toch altijd meer tijd dan een gebaar maken. Het handalfabet
wordt daarom meestal enkel gebruikt om woorden te spellen waarvoor nog geen
gebaar bestaat en om namen te spellen (van personen, bedrijven, instellingen,
plaatsen,…). Bovendien vereist het spellen van woorden kennis van de
gesproken taal.
Als
je woorden wilt kunnen aflezen en spellen aan de hand van het handalfabet
moet je veel oefenen. Het aflezen en het spellen zijn twee heel verschillende
zaken. Het aflezen is, in tegenstelling wat de meeste mensen denken , veel
moeilijker dan het spellen.
In het begin hebben veel mensen moeite om de vingers in de verschillende standen
te krijgen, maar na een tijdje gaat dat vanzelf.
Voor het aflezen is veel meer oefening nodig. Als er heel rustig met de vingers
wordt gespeld is het voor velen na korte tijd wel te volgen. Maar ervaren
mensen hebben meestal een tempo dat voor beginnelingen niet te volgen is.
Mensen die het handalfabet regelmatig gebruiken zien bijna geen afzonderlijke letters meer maar woorden. Dit is hetzelfde wanneer je een tekst leest. Je concentreert je dan ook niet op elke letter apart maar je leest ineens een woord.
Het
maakt niet uit met welk hand er wordt gespeld. Gebaren waarvoor je maar één
hand nodig hebt worden door een rechtshandige met zijn rechterhand en door
een linkshandige met zijn linkerhand gemaakt. De hand die je het meeste gebruikt
om gebaren te maken noemt men de voorkeurshand. Met de beide handen leren
spellen is gemakkelijker dan te leren schrijven met uw rechter- en linkerhand.
Het spellen gebeurt met de hand schuin onder de mond, ongeveer voor de schouder.
De palm van de hand wordt bij de meeste letters naar voren gehouden, dus gericht
op de lezer.
Bij het spellen kan tegelijk worden gepraat, maar in het begin is dit niet
aan te raden. Alle aandacht gaat immers uit naar de vingers en het tempo is
in het begin bovendien te laag om erbij te spreken.
1.4 Nederlands ondersteund met gebaren
Niet voor iedereen is het gemakkelijk om gebarentaal te leren. Veel slechthorenden, mensen die door onvoorziene omstandigheden doof worden en mensen die op oudere leeftijd doof worden kunnen niet (meer) op de normale manier communiceren. Maar ze kunnen ook geen Nederlandse gebarentaal. Daarom wordt er ook weleens een tussenvorm gebruikt: het Nederlands ondersteund met Gebaren (NmG). Bij NmG wordt Nederlands gesproken ondersteund met gebaren uit de NGT, als een soort ondertiteling. NmG is dan ook geen echte taal, maar het is een vorm tussen het Nederlands en de NGT.
Gebaren worden niet alleen gebruikt door doven en slechthorenden. Het wordt ook veel gebruikt door mensen voor wie spreken op de een of andere manier niet logisch of mogelijk is. Bijvoorbeeld door mensen die autistisch zijn. NmG is voor deze mensen vaak een oplossing.
Verder worden gebaren ook gebruikt door mensen die niet of zeer moeilijk kunnen spreken. Bijvoorbeeld door mensen die ernstig stotteren.
En als laatste wordt er door horenden ook gebruik gemaakt van gebaren. Op sommige plaatsen is praten met elkaar immers onmogelijk. Bijvoorbeeld door DJ’s vanwege het lawaai of door duikers onder water. Horenden kunnen gebarentaal ook gebruiken om te communiceren met iemand die doof of slechthorend is.
Op verre afstanden is het mogelijk om te converseren in gebarentaal. Spraak reikt niet zo ver als gebaren. Als er een grote afstand is tussen de spreker en de hoorder is het moeilijk om woorden te verstaan.
In een kleine ruimte is het mogelijk om verschillende gesprekken in gebarentaal te voeren zonder andere mensen te storen. Bij gesproken taal is dit niet mogelijk. Je zou elkaar niet meer kunnen horen en verstaan doordat iedereen door elkaar praat.
1.6.2
Nadelen
Bij gebarentaal moet je altijd goed kunnen zien. In het donker of achter een
groot voorwerp is het immers onmogelijk om te communiceren in gebarentaal.
Gesproken taal is wel waar te nemen in het donker.
Op de televisie is er bijna geen enkel programma voor doven in gebarentaal. In Engeland, Duitsland, China en Amerika komen die wel vaak voor. Ondertitels zijn er soms wel maar die komen nog niet bij elk programma voor.
2 De geschiedenis van het handalfabet
Die geschiedenis begint eigenlijk al in de Griekse en Romeinse oudheid. In "De Ilias" van Homerus staan talrijke tekeningen waarbij personen met hun handen zaken uitdrukken. Maar een verwijzing naar het handalfabet was er toen nog niet.
Het eerste echte handalfabet is 1250 jaar geleden ontstaan. De Angelsaksische monnik Beda Venerabilis schreef toen het geschrift "Taal van de vingergebaren". De oorspronkelijke titel van dit boek is: "De loquella par gestum digitorum". Daarin beschreef hij een systeem waarin door het buigen en strekken van de vingerkootjes getallen van 1 tot 10 000 kunnen worden uitgebeeld. Getallen onder de honderd werden met de linkerhand aangegeven. Honderdtallen met de rechterhand. Beda legt echter geen verband met het verschijnsel doofheid hoewel hij er zeker van op de hoogte was.
De
persoon die wel een verband legde tussen het handalfabet en doven was de Spaanse
monnik Melchor de Yebra. Zijn boek waarin hij het handalfabet beschreef en
afbeeldde heet "Het boek genaamd schuilplaats van zieken". De oorspronkelijke
titel van dit boek is: "Libro Llamado Refugium Infirmorum". Het
werd in 1593 uitgegeven, zeven jaar na zijn dood.
Zijn boek is een belangrijke mijlpaal in de geschiedenis van het handalfabet,
want uit zijn boek wordt immers veel duidelijk:
1. Er bestond toen al een handalfabet.
2. Meer en meer mensen waren op de hoogte van het bestaan van het handalfabet.
3. Het handalfabet werd gebruikt voor doven.
In de Nationale Bibliotheek in Madrid bevinden zich de laatste drie exemplaren
van dit zeldzame boek. Bij één exemplaar zijn de afbeeldingen
eruit gesneden.
Een deel van "Het boek genaamd schuilplaats van zieken" met bijhorende afbeelding.
Wie het handalfabet juist heeft uitgevonden zullen we nooit zeker weten. Waarschijnlijk bestaat het al heel lang.

Men denkt dat het in Spanje voor het eerst werd gebruikt. In sommige kloosters heerste een zwijgplicht. De heilige Benedictus, de stichter van de oudste monnikenorde van de Rooms-katholieke Kerk, stelde dit spreekverbod rond 523 in om te voorkomen dat mensen tegen God zouden zondigen. De monniken bedachten andere manieren om te communiceren: gebaren en het handalfabet. Daarmee hielden ze zich wel keurig aan het spreekverbod, maar konden ze toch met elkaar spreken. Er was sprake van een echte taal. Niet iedereen vond dit een goede zaak. Sommigen vonden dat de monniken op toneelspelers of clowns gingen lijken.

Erasmus van Rotterdam , een bekende Nederlandse humanistische wijsgeer, was één van de mensen die heftig gekant waren tegen deze ontwikkeling.
De
eerste dovenonderwijzer was Pedro Ponce de Léon. Ook hij heeft de gebaren
waarschijnlijk geleerd in het klooster. Hij woonde en werkte in het klooster
"San Salvador de Ona" waar doofstomme kinderen werden gebracht.
Het was in die tijd normaal dat kinderen met een "gebrek" in het
klooster werden gestopt. Eigenlijk was het helemaal niet de bedoeling dat
dove kinderen iets zouden leren.
Maar Pedro Ponce de Léon was zeer gesteld op deze kinderen en hij bedacht
een manier waardoor dove kinderen toch met elkaar konden communiceren. Hij
leerde ze lezen en schrijven en gebruikte het handalfabet en gebaren om met
ze te praten.
Abbé De l’Epée kwam in 1760 in aanraking met twee doofstomme
meisjes. Hij wist niets over doofheid maar besloot de kinderen op te voeden
en les te geven.
Hij begon een schooltje in zijn huis in Parijs. Op zijn school maakte hij
veel gebruik van gebarentaal en het handalfabet. Het is het oudste doveninstituut
en het bestaat nog steeds.
De l’Epée liet ook andere mensen een kijkje nemen in zijn school.
Eén van die bezoekers was de Groniger predikant Henri Daniël Guyot.

Abbé De l'Epée
Henri
Daniël Guyot was onder de indruk van de lessen van Abbé De l’Epée
in Parijs. In Groningen begon hij ook les te geven aan dove kinderen.
Ook Guyot had veel succes met gebarentaal en het handalfabet. Er kwamen al
snel veel dove kinderen bij hem les volgen.
En zo ontstond in 1790 het eerste doveninstituut in Nederland.
Eén van de leerlingen was Johannes Lubbertus Mörser. Een dove
jongen die goed kon tekenen. Hij tekende het eerste Nederlandse handalfabet.

Henri Daniël Guyot
In
1880 was er een internationaal congres van dovenonderwijzers in Milaan. Toen
werd er besloten dat er in het onderwijs aan dove kinderen geen gebarentaal
meer zou worden gegeven.
Ze vonden dat de kinderen maar moesten leren praten en liplezen zodat ze zoveel
mogelijk mee konden doen met "gewone" kinderen.
Onderwijzers waren toen erg streng. Kinderen die toch gebaren maakten moesten
soms urenlang voor straf op hun handen zitten.
Sinds de jaren zestig is de zwijgplicht langzaamaan verdwenen.
3 Gebarentaal voor doof-blinden
Een
aparte groep doven is de groep doof-blinden. In deze groep zitten niet noodzakelijk
de mensen die zowel volledig doof als volledig blind zijn. Hiermee worden
de mensen bedoeld die:
1. volledig
doof en volledig blind zijn.
2. slechtziend en slechthorend
zijn.
3. slechtziend en volledig doof
zijn.
4. slechthorend en volledig blind
zijn.
Doof-blinden
die doof geboren zijn en later slechtziend of blind zijn geworden, beheersen
over het algemeen de Nederlandse gebarentaal en het handalfabet. Maar het
is voor hen niet meer mogelijk om zonder aanpassingen op deze manier verder
te communiceren. Ze zien nog maar weinig of niets meer en moeten dus voelen
om te communiceren.
Voor de groep doof-blinden is er de vierhanden-gebarentaal en het vingerspellen-in-de-hand.
Bij de vierhanden-gebarentaal wordt gebruik gemaakt van dezelfde gebaren als bij de Nederlandse gebarentaal. Het verschil is dat de doof-blinde tijdens het gebaren losjes de handen van de gesprekspartner vasthoudt. Zo kan hij/zij voelen wat de ander gebaart. De meeste gebaren zijn heel duidelijk te voelen. Alleen voor gebaren waarbij men de mond gebruikt moet een aangepast gebaar gebruikt worden.
Het vingerspellen-in-de-hand is direct afgeleid van het gewone handalfabet. Iemand die het Nederlandse handalfabet kent, kan dus ook vingerspellen-in-de-hand. Men drukt een letter in de handpalm van de doof-blinde. De regel is dat men met rechts spelt in de rechterhand van de doof-blinde. Een ervaren persoon kan de letters sneller voelen dan het oog kan volgen.
Alle gebaren worden gemaakt in de ruimte voor, naast en boven je: de gebarenruimte. Daar spelen gesprekken zich af, daar moet je dus ook kijken als je wilt volgen wat er gezegd wordt. In de praktijk is deze ruimte even groot als de lengte van de armen.
Op sommige plaatsen ben je verplicht om harder en duidelijker te spreken. Bijvoorbeeld op een toneel. Als je dus voor een zaal staat moet je ook grotere gebaren maken.
Je
kunt de gebarenruimte onderverdelen in:
1. de grote gebarenruimte
(net zo groot als je armen lang zijn)
2. de standaard
gebarenruimte (tussen 1. en 3.)
3. en de kleine
gebarenruimte (net zo groot als de breedte van uw bovenlichaam)
Dat zijn de tegenhangers van luid, gewoon en zachtjes praten. Wie extravert
is zal in gebarentaal sneller de grote gebarenruimte gebruiken, een introvert
iemand eerder de kleine gebarenruimte.
De standaard gebarenruimte wordt het meest gebruikt.
Wanneer je niet wilt dat iemand anders ziet wat je "zegt" dan is het niet voldoende om de kleine gebarenruimte nog kleiner te maken. Om te "fluisteren" in gebarentaal moet je je een beetje afwenden en ervoor zorgen dat je handen niet opzij van je lichaam komen terwijl je gebaart. Heel klein gebaren ter hoogte van je middel, liefst met je handen tegen je lichaam, valt het minste op. Hier kun je dan best nog gezichtsuitdrukkingen aan toevoegen.
In dit hoofdstuk zal ik enkele zaken bespreken in verband met de grammatica van gebarentaal. Natuurlijk is het onmogelijk om over alle regels iets te zeggen. Daarom heb ik er enkele uitgekozen.
Samenstellingen, twee of meer losse woorden die één nieuw woord vormen, worden in alle talen gebruikt. De manier waarop woorden gecombineerd worden, kan verschillen tussen talen.
De
vorming van samenstellingen in de Nederlandse gebarentaal is vaak hetzelfde
als in het Nederlands. Bijvoorbeeld:
· zeil
+ boot = zeilboot
In de NGT kan
het wel zijn dat de volgorde waarop de woorden worden gespeld verschilt.
Bijvoorbeeld:
· tas + schouder
= schoudertas
· neus
+ bloed = bloedneus
· geld
+ weinig = goedkoop
Er
zijn samengestelde gebaren waar de betekenis geen samenstelling is. Bijvoorbeeld:
· zoeken
+ kiezen = uitkiezen
Soms
is er één enkel gebaar voor een samenstelling. Bijvoorbeeld:
· zwaailicht
Er
zijn woorden die geen samenstelling zijn waarvoor men samengestelde gebaren
gebruikt. Bijvoorbeeld:
· vader
+ moeder = ouders
Men kan halve gebaren gebruiken om een woord uit te drukken. Als men bijvoorbeeld het woord weekend wil uitdrukken dan laat men het halve gebaar voor zaterdag en het halve gebaar voor zondag zien. Dit zou je kunnen vergelijken met het woord brunch (breakfast + lunch) in het Nederlands.
In de gebarentaal heeft men voor bijna elk woord één of meerdere gebaren. Je kunt aan een gebaar iets toevoegen zodat het een andere betekenis krijgt. Je krijgt dan twee-in-één-gebaren.
.
Kwaad Heel erg kwaad
Bij de figuur die kwaad betekent is de beweging vrij klein. Bij de figuur die heel erg kwaad betekent is de beweging veel groter en is de gezichtsuitdrukking veel sterker.
5.3 Persoonlijke voornaamwoorden

Locaties 1, 2 en 3a/b
In bovenstaande figuur is er te zien dat er verschillende locaties zijn in de gebarenruimte. Deze drie locaties zijn heel belangrijk bij het uitdrukken van persoonlijke voornaamwoorden.
Locatie 1 is de plaats bij en op het lichaam van de gebaarder. Wanneer de gebaarder naar zichzelf wijst, maakt hij het gebaar voor het persoonlijk voornaamwoord ik.
Locatie 2 is de plaats direct tegenover de gebaarder in de buurt van de gesprekspartner. Wijzen naar deze locatie betekent het persoonlijk voornaamwoord jij.
Locatie 3 is de ruimte schuin rechts of schuin links voor de gebaarder. Wijzen naar deze locatie betekent het persoonlijk voornaamwoord hij of zij.
In
de NGT zijn er verschillende mogelijkheden om het persoonlijk voornaamwoord
wij aan te duiden:
a. Jij-en-Ik: meermaals wijzen
naar locaties 1 en 2
b. Hij/Zij-en-Ik: meermaals wijzen
naar locaties 1 en 3
c. Hij/Zij-en-ik-en-Hij/Zij: meermaals
wijzen naar locaties 3a, 1 en 3b
d. Iedereen: meermaals wijzen naar
locaties 3a, 1, 3b en 2
5.4 Gebaarvolgorde, vragen en ontkenningen
De gebaarvolgorde van de NGT is niet hetzelfde als de woordvolgorde in het Nederlands. Gemeenschappelijk is wel dat je bijna ieder zinsdeel voorop kunt plaatsen.
In de NGT staat het werkwoord meestal achteraan in de zin, behalve als er een meewerkend voorwerp is. Het meewerkend voorwerp staat dan achteraan. Het lijdend voorwerp en andere zinsdelen staan ervoor. Echte regels zijn er niet over de gebaarvolgorde.
Een vraag maak je in de NGT door een vraaggezicht te trekken. De belangrijkste kenmerken zijn: wenkbrauwen omhoog, kin en hoofd naar voren. Dit gebeurt tijdens het gebaren. Een ontkenning maak je door nee te schudden en een ontkennend gezicht te maken.
In het Nederlands geef je aan dat je een meervoud bedoelt door –en of een –s achter een woord te voegen. In gebarentaal volgt achter een gebaar vaak nog eens hetzelfde gebaar om een meervoud aan te duiden: "mensen" gebaar je door een paar keer "mens" te gebaren.
Bij
sleutelgebaren kan hetzelfde gebaar verschillende betekenissen hebben. Om
te weten over welk gebaar het juist gaat moet je naar de mondbewegingen kijken.
Bijvoorbeeld:
1. Voor een kleur wordt hetzelfde
gebaar gemaakt. De mondbewegingen geven dan aan om welke kleur het precies
gaat.
2. Ook voor Nederlandse woorden
waar een x in zit wordt hetzelfde gebaar gebruikt met een bijhorende mondbeweging.
Het verschil tussen "luxe" en "taxi" is groot, maar "sex"
en "ex" lijken heel sterk op elkaar.
Wanneer je in het Nederlands verschillen tussen dingen wilt aangeven, dan voeg je iets achter het bijvoeglijk naamwoord dat aangeeft wat voor verschil je bedoelt. Iets is bijvoorbeeld kleiner of leuker dan iets anders, of het is het kleinst of het leukst.
In de Nederlandse gebarentaal gebruik je niet een speciaal achtervoegsel, maar gewoon de gebaren "meer" en "meest". Je moet dus eerst uitbeelden waarover het gaat en dan het gebaar "meer" of "meest". Bijvoorbeeld het gebaar voor "rijk" gevolgd door het gebaar voor "meer" wil zeggen "rijker".
Je kunt ook de gebaren "minder" en "minst" gebruiken. Bijvoorbeeld als je iets minder leuk vindt dan maak je eerst het gebaar "leuk" voor en dan het gebaar voor "minder".
Het gebaar voor "vroeger" is een soort zwaai over je schouder. Hoe ver je die naar achteren maakt, en met hoeveel kracht, bepaalt of het lang of heel lang geleden is. Het gebaar voor "later" is het omgekeerde: een soort zwaai naar voren.
Maar je kunt ook in je gedachten een tijdlijn tekenen in de gebarenruimte voor je. Dan moet je eerst gebaren over wat je praat: een week of een half jaar bijvoorbeeld. Vervolgens kun je op die tijdlijn aanwijzen wanneer precies. Het beginpunt van die tijdlijn begint vanuit de gebaarder gezien links, het eindpunt rechts.
Nog een manier om iets op een bepaald tijdstip aan te geven is afgeleid van de vorm van de klok. Met je vingers doe je dan de wijzers van de klok na. Op deze manier kun je bijvoorbeeld "kwart voor vier" uitbeelden.
Sinds
enkele jaren bestaan er tolkenopleidingen. Iedere dove heeft 18 uur per jaar
recht op een gebarentolk. Als je voor je werk als dove een tolk nodig hebt
dan wordt deze voor een deel terugbetaald nl. voor 10 % van het loon dat je
aan de tolk moet betalen.
Voorbeeld: Je moet aan de tolk 1200 € betalen. Je wordt dan voor 120
€ terugbetaald.
Ook gebeurt er sinds kort één en ander in het maatschappelijk
werk en in de psychiatrie. Daar werken nu soms doven die de gebarentaal als
moedertaal hebben. Er worden ook gebarencursussen gegeven aan horende medewerkers.
Een gebarenwoordenboek dat meer dan honderd gebaren bevat is er nog niet, maar men is er wel aan aan het werken.
Kort
geleden was er op de televisie het eerste programma volledig in gebarentaal.
Er werden op zondagochtend verhalen in gebarentaal uitgezonden in het programma
"De Gebaren- winkel". Veel mensen reageerden hier positief op. Hopelijk
zullen er snel andere programma’s volgen.
Besluit
Door het lezen en verwerken van alle informatie die ik gevonden heb over gebarentaal heb ik veel respect gekregen voor alle mensen die genoodzaakt zijn om te communiceren aan de hand van gebarentaal.
Ik heb ook afgeleid dat gebarentaal meer en meer erkend wordt als een officiële taal. Daar ben ik zeer blij om. Doven en andere mensen die gebarentaal gebruiken hebben het immers soms heel moeilijk om het respect te krijgen dat ze verdienen.
Boeken
JANSSEN, R., Het Handalfabet, Utrecht/Aartselaar, A.W. Bruna & Zoon, 1986, 160 p.
KOENEN, L., BLOEM, T. en JANSSEN, R., Gebarentaal, Amsterdam, Nijgh & Van Ditmar, 1993, 221 p.
WOOLLEY, M., Wat je moet weten over doof zijn, Harmelen, Corona, 1999, 32 p.
Internet
GEHOOR, http://www.gehoor.be, geraadpleegd op 4 november 2002.
GEBARENTAAL, DE TAAL VAN DOVE MENSEN, http://lands.let.kun.nl/intens/informant/archive/gebarentaal1.html, geraadpleegd op 4 november 2002.
GEBARENTAAL (VERVOLG), http://lands.let.kun.nl/intens/informant/archive/gebarentaal2.html, geraadpleegd op 4 november 2002.
LICHAAMSTAAL, http://www.lichaamstaal.be, geraadpleegd op 9 november 2002.