Wie was Jozef Verschueren?

Jozef Verschueren werd geboren in 1889 te Turnhout, als zoon van een apotheker. In zijn geboortestad volgde Verschueren Grieks-Latijnse humanoria tot 1907, waarna hij intrad in de jezuïetenorde te Drongen bij Gent. Hier studeerde hij klassieke talen en trok daarna naar Valkenburg om er filosofie te studeren. Deze studies zette hij voort in Innsbruck, waar hij de doctorstitel in de filosofie behaalde. Verschueren doceerde daarna Duits, Latijn en aardrijkskunde, afwisselend in Gent en Antwerpen. In 1918 begon hij zijn theologische studies in Leuven en zette die voort in Maastricht. Hij werd in 1921 in Namen tot priester gewijd. In 1926 verhuisde hij van Gent naar Brussel, waar hij de rest van zijn leven bleef wonen.

Verschueren groeide op in een tijd dat het Frans de cultuurtaal was in Vlaanderen en het Nederlands zowat alleen tot huiselijke kring beperkt was. Zijn favoriete boek was het Franse encyclopedische woordenboek Le Petit Larousse Illustré, en het was zijn droom om voor het Nederlandse taalgebied een evenwaardig woordenboek te maken.


Verschueren en aardrijkskunde

Ook al is Verschueren vooral bekend door zijn woordenboek, zijn grote passie was aardrijkskunde. Bij gebrek aan een Nederlandstalige schoolatlas [1] begon hij al op jonge leeftijd een eigen atlas samen te stellen. Wat aanvankelijk niet meer dan een plakboek met zelf getekende kaarten was, zou later uitgroeien tot de Algemeene Atlas voor België die in 1924 door uitgeverij Wolters in Groningen uitgegeven werd. De atlas bevatte 175 gekleurde kaarten en een index van 6000 geografische locaties met een aanduiding van de uitspraak, wat voor een atlas toch wel uniek was. De atlas werd zeer goed onthaald en werd nog tot in 1944 regelmatig herdrukt. Naast deze eerste atlas publiceerde hij later ook nog de Algemeene Historische Atlas, de Atlas van België, de grote Algemene Aardrijkskundige Atlas en de Standaard Wereldatlas (in Nederland uitgegeven als Leopolds Wereldatlas). In 1925 vertrok Verschueren naar Rome om er de missiegebieden van de jezuïetenorde in kaart te brengen voor een tentoonstelling in het Vaticaan. Bij zijn terugkomst vroeg en kreeg hij van zijn oversten toestemming om zich voltijds aan de samenstelling van zijn woordenboek te wijden.


Het Modern Woordenboek

Eind 1929 (op de kaft staat 1930) verscheen het eerste deel van wat Verschuerens levenswerk zou worden. Het boek werd onmiddellijk een groot succes en oogstte overal zeer goede kritiek. Ook uit het buitenland kwamen twee lovende recensies: een Franse recensent schreef "les petits flamands ont fait mieux que Larousse" en de Utrechtse professor dr. C.B. van Haeringen noemde het een "woordenboek dat zijn voorbeeld overtroffen heeft". Het boek was zeer rijkelijk geïllustreerd met fraaie zwart-wittekeningen, foto's, tabellen, grafieken en een groot aantal kaarten. De opbouw van de artikelen liet niets te wensen over; overzichtelijkheid en duidelijkheid stonden voorop. Verschueren liet veel encyclopedische artikelen opvallen door ze buiten de tekst in een kader te plaatsen, iets wat nogal ongebruikelijk was in een woordenboek (het woord kaderartikel komt dan ook niet toevallig het eerst in de Verschueren voor). Verschuerens definities waren helder en beknopt, en hij vermeldde bij een zeer groot aantal woorden ook de etymologie; waar dat mogelijk was zelfs bij plaatsnamen en andere eigennamen.

Het tweede deel, dat een jaar later verscheen, werd even goed onthaald maar veroorzaakte nogal wat opschudding toen bleek dat Verschueren in zijn woordenboek de Vlaamse vlag in een plaat met landsvlaggen gezet had. Dit kwam volgens sommigen zowat overeen met landverraad. Het voorval werd zodanig opgeblazen dat het boek uit de handel moest genomen worden. Het mocht pas weer verkocht worden als de vlag uit de plaat verwijderd werd – wat even later dan ook gebeurde.

Er wordt verder nog beweerd dat studenten van het Sint-Jan-Berchmanscollege in Brussel het woordenboek op een brandstapel zouden verbrand hebben onder het roepen van anti-Vlaamse kreten, maar het is niet zeker of dit echt gebeurd is.


Na 1931 volgden de edities van het woordenboek elkaar vrij snel op (tussen de tweede en derde editie zit slechts één jaar) en bij nieuwe oplagen werd er vaak al een "kumulatief bijvoegsel" gevoegd, met daarin telkens honderden bijgewerkte en geactualiseerde artikelen.

Verschueren was soms ook wel eens subjectief of eigenzinnig. Zo weigerde hij bijvoorbeeld namen van bekende personen op te nemen als hij vond dat hun ideologie al te zeer tegen zijn Vlaamsgezindheid indruiste. Hij hechtte ook zo veel belang aan wellevendheid dat hij in elke editie van zijn woordenboek twee volle pagina's aan dit onderwerp besteedde. Hij gruwde van het nozemdom, wat hij meer dan duidelijk maakt in een kaderartikel in de zevende editie. Verschueren geeft daarin een fel overdreven beschrijving van nozems ("die zelfs moorden plegen") en zet er ook een tekening bij van een agressief ogende jongeman met een knuppel in de hand. Alle edities verschenen in twee delen, met uitzondering van de zevende (1961), die in één enkel deel verscheen. Om het boek toch nog hanteerbaar te houden stond de tekst nu verdeeld over drie kolommen en de tekeningen werden verkleind tussen de tekst geprangd, wat niet altijd even fraai oogde. In deze editie werd voor het eerst ook een volledige wereldatlas met 175 kaarten opgenomen, waarvan 40 voor de Benelux. Deze editie, die in 1963 en 1965 nog een bijvoegsel kreeg, was tevens de laatste die Verschueren zelf bewerkte.

Na het overlijden van Verschueren in 1965 kwam de bewerking van het woordenboek in handen van dr. Frans Claes s.j. Het duurde nog tot 1979 voor de achtste editie verscheen, maar deze editie luidde dan ook een heel nieuwe periode in: het woordenboek werd helemaal opnieuw bewerkt en verscheen nu volledig in kleur. Tal van verouderde artikelen en illustraties werden verwijderd (inclusief de afbeelding van "Lucifer na zijn val" die enige bekendheid verwierf vanwege de nogal beteuterde blik van de duivel), de informatie up-to-date gebracht en de layout gemoderniseerd. Claes bewerkte ook nog een negende (1991) en tiende (1996) editie die zo mogelijk nog fraaier waren dan de achtste. Werd de Verschueren vroeger al een "ware goudmijn" genoemd, dan geldt dat nog meer voor deze laatste edities met hun schitterende opmaak.


Verschueren en de K.P.S.

Verschueren was een fervent voorstander van een sterk vereenvoudigde spelling. Hij vond dat de spelling – "toch maar een uiterlijk kleedje van de taal" – voor iedereen makkelijk te leren moest zijn. De scholen besteedden volgens hem te veel aandacht aan de spelling, en te weinig aan de taal zelf. Hij ontwierp daarom een geheel eigen spelling die hij de Konsekwent Progressieve Spelling noemde. In de hoop zijn spelling officieel ingang te doen vinden, zette hij alvast de vijfde editie van zijn woordenboek volledig in de K.P.S. Het pakte echter helemaal anders uit, want daar het boek nu niet meer de officiële spellingregels volgde, werd het van de lijst met toegelaten boeken voor het onderwijs geschrapt. Verschueren moest terugkrabbelen, en vanaf de zesde editie volgde hij noodgedwongen weer de officiële spelling.

Het idee van een progressieve spelling liet hem echter niet los. Hij werd in 1963 lid van de Belgisch-Nederlandse commissie voor de spelling van bastaardwoorden, maar legde dit lidmaatschap het jaar daarop al neer. Niet alleen om gezondheidsredenen, maar ook (of misschien vooral) omdat hij de voorstellen van de commissie niet progressief genoeg vond.


Kritiek

In de door mij geraadpleegde literatuur heb ik maar weinig kritiek op de Verschueren kunnen vinden. In een krantenartikel uit 1965 schreef een journalist dat hij had gehoopt nog iets meer literaire namen in het woordenboek te vinden, en een ander vond dat het woordenboek te veel op Nederland gericht was. Dat laatste was niet onterecht, want het is bekend dat Verschueren geen genade kende voor "Zuid-Nederlandse" woorden. Hij ging hierin zelfs zo ver dat hij in de vijfde en zesde editie een lijst met meer dan 4000 Zuid-Nederlandse woorden en uitdrukkingen opnam, met daarbij telkens het A.B.N.-equivalent. Bij de lijst schrijft Verschueren dat de afkorting Z.N. niet alleen als "Zuid-Nederlands" gelezen moet worden, maar ook als "Zeg Niet". Dit viel zeker niet bij elke Vlaming in goede aarde.

Een Noord-Nederlandse lexicograaf noemde de Verschueren ooit "dilettantenwerk" maar dat kon niet echt als kritiek beschouwd worden omdat het helemaal nergens op gebaseerd was – behalve dan op het absurde idee dat encyclopedische woordenboeken "verwarring" stichten. De Gazet van Antwerpen vond de laatdunkendheid een [uiting van] "een ongepast en ongegrond superioriteitsgevoelen", een andere recensent noemde de uitspraak een "blatante onbeschaamdheid", maar het voorval werd voor de rest al vlug wijselijk genegeerd. In het voorwoord van de negende editie komt Jan Renkema er even op terug en noemt de kortzichtigheid een voorbeeld van de ziekte hollanditis.


Andere werken van Verschueren

Tegelijk met het verschijnen van de eerste editie van zijn woordenboek, bracht Verschueren ook een Nederlandsch Bibliographisch Woordenboek uit, een 343 pagina's tellend boek met daarin de belangrijkste Nederlandse en Belgische werken, verschenen tussen 1900 en 1929. In de eerste edities van zijn woordenboek verwees hij bij veel artikelen naar dit woordenboek met de letters NBW. Van het Bibliographisch Woordenboek verscheen in 1933 nog een tweede editie, maar werd daarna niet meer uitgegeven.

In 1941 verscheen ook een Modern Handwoordenboek van Verschueren. Dit boek, met slappe leren kaft en duimgreepjes in de snee, bevatte dezelfde tekst als het Modern Woordenboek, maar dan zonder de encylopedische artikelen.

Ten slotte is er ook nog het zakwoordenboekje van Verschueren, dat in 1955 voor het eerst uitgegeven werd en waarvan in 1997 de dertiende editie verscheen.


Bronnen voor dit artikel

– "Zestig jaar woordenboek van Verschueren", door Frans Claes in Streven nr. 59 (1991-92), blz. 342-349.

– "Jozef Verschueren (1889-1965)" door Frans Claes in de reeks Actuele Onderwerpen, uitgegeven door Stichting IVIO, 1992.

– Diverse krantenartikelen uit de periode 1950-2003.









[1] Het middelbaar onderwijs in Vlaanderen werd pas in 1932 volledig Nederlandstalig, maar voor die tijd mochten er op de scholen al drie vakken – waaronder aardrijkskunde – in het Nederlands onderwezen worden. Er waren toen echter nog maar weinig Nederlandstalige handboeken beschikbaar. – [terug]