liedjes en gedichten/verhaaltjes

Liedjes

Ik heb een borstel

Ik heb een borstel in mijn mond.
Die gaat poetsen in het rond
Poetsen hier, poetsen daar
Onder, boven en 't is klaar.

http://www.hiddinga.speedlinq.nl/kids/liedjes.htm

Tanden poetsen

Tanden poetsen, tanden poetsen
poets maar goed, poets maar goed!
poetsen, poetsen, poetsen,
poetsen, poetsen, poetsen,
Zo is het goed
zo is het goed

http://www.hiddinga.speedlinq.nl/kids/liedjes.htm

Beugelbekkie, pestbril

Caroline: De één heeft dit, de ander dat, zo is het leven
Je moet niet zeuren, want daar schiet je niks mee op
Dat zegt m'n moeder, ze zegt: "Kind, da's een gegeven!"
Maar in de spiegel zie ik toch m'n eigen kop


Ik heb een beugelbekkie voor m'n eigen bestwil
Da's goed voor later, oh, daar twijfel ik niet aan
En op m'n neus - die ook niet mooi is - staat die pestbril
Dus ga ik steeds opnieuw weer voor de spiegel staan
Dan denk ik: Maakt het nou wat uit hoe ik eruit zie
Dan denk ik: Ja natuurlijk en dan denk ik: Nee
Want zonder bril weet ik heel goed, dat ik geen fluit zie
En rare tanden krijgen, da's geen goed idee.
Koor: Oh nee


Caroline: Soms zegt m'n vader: "Láát die spiegel toch, ga spélen"
Dan denk ik: Makk'lijk praten, jij wordt niet gepest
Want kijk: Die rotjongens, die roepen alsmaar: "Schele"
'k Heb slechte ogen, maar m'n oren die zijn best


Ik heb een beugelbekkie voor m'n eigen bestwil
Da's goed voor later, oh, daar twijfel ik niet aan
En op m'n neus - die ook niet mooi is - staat die pestbril
Dus ga ik steeds opnieuw weer voor de spiegel staan
Dan denk ik: Maakt het nou wat uit hoe ik eruit zie
Dan denk ik: Ja natuurlijk en dan denk ik: Nee
Want zonder bril weet ik heel goed, dat ik geen fluit zie
En rare tanden krijgen, da's geen goed idee.
Koor: Oh nee


Caroline: Die bril is nodig, maar ik kan 'm zo goed missen
Net als die beugel, ook al weet ik dat die móet
't Is reuze "leuk" als ze je nadoen met dat slissen
Dus je begrijpt dat ik vaak denk: Ik word niet goéd


Ik heb een beugelbekkie voor m'n eigen bestwil
Da's goed voor later, oh, daar twijfel ik niet aan
En op m'n neus - die ook niet mooi is - staat die pestbril
Dus ga ik steeds opnieuw weer voor de spiegel staan
Dan denk ik: Maakt het nou wat uit hoe ik eruit zie
Dan denk ik: Ja natuurlijk en dan denk ik: Nee
Want zonder bril weet ik heel goed, dat ik geen fluit zie
En rare tanden krijgen, da's geen goed idee.
Koor: Oh nee

Uit: ‘Kinderen voor kinderen’

http://lyricsplaza.nl/teksten.php?id=992

Gedichtjes

Beugelsj

O sjo’n mond vol apparaten

isj een sjware sjtvaf voor mij,

ik ga sjlisjen bij het pvaten

en ik sjpuug er ook nog bij.

En mijn moed sjinkt in mijn sjchoenen,

want het isj sjo’n sjtom gevoel,

en wie sjal me sjo nog sjoenen

met sjulk sjtaaldraad in mijn sjmoel.

Sjtangen die je sjtevig sjitten,

daarvan sjlaap ik sjteedsj sjo sjlecht,

sjie ik als ik sjlaap gebitten,

sjchoon en sjterk en sjuperrecht.

En dan sjchveeuwen sjtemmen: Sjtakker,

wat een sjcheve romelsjooi

en dan sjchivik sjwetend wakker.

Maar ik word sjo mooi, sjo mooi!

Uit ‘Er staat een taart in lichterlaaie’Jan Van Coillie

Geschreven door Joke van Leeuwen

De tand

O wat een toestand met Jan van den Bos:

z’n tandje zat los, ja, z’n tandje zat los!

Het wiebelde wiebelde wiebelde maar…

en pijn deed het niet, maar ’t gevoel was zo naar.

Hij durfde niet eten, hij zat op de grond

met een woedend gezicht en z’n hand voor z’n

mond.

Moeder zei: Hoor’s, dat kan zo niet, Jantje.

We binden gewoonweg een draad aan zijn tandje

en ’t andere eind van de draad aan de deur.

Dan doen we de deur dicht en uit is’t gezeur!

Nee! Jammerde Jantje, nee moeder, niet doen!

En weg holde Jan, heel hard naar’t plantsoen.

Hij rende en rende-en keek nog’s om-

hij viel op z’n neus en daar lag ie dan – BOM!

Hij krabbelde dadelijk weer op de been

en veegde zijn bloes af en keek om zich heen.

En wat lag daar naast hem, gewoon in het zand?

DE TAND!

En Jan ging naar huis, heeft z’n mondje gespoeld

en zei tegen moeder: Ik heb niks gevoeld.

En moeder zei: Fijn en bekeek’m een poosje

en deed toen de tand in een luciferdoosje.

En toen hij op school kwam, moest iedereen kijken.

De juffrouw en Peter, en Kees en Marijke.

Kijk nou toch’s, Joris, kijk nou toch’s Joosje!

Een gat in mijn mond en een tand in m’n doosje.

Uit: ‘Ziezo’ van Annie M.G. Schmidt

De tandarts en de krokodil

De krokodil zat grijnzend al in de tandartsstoel

en zei: ‘Kijk, aan mijn tanden mankeert een heleboel.’

De tandarts stond te beven, lijkwit van top tot teen,

en stotterde: ‘N-natuurlijk, i-ik doe het zometeen.’

‘Vooral de achterste kiezen goed controleren graag,’

zei Krok, ‘die rotte kiezen moeten ’t eerst vandaag.’

Hij opende zijn grote muil en toonde zijn gebit

van driehonderd scherpe tanden, allemaal blinkend wit.

De tandarts stond te bibberen zo veraf als hij kon.

Toen pakte hij zijn langste tang en ja hoor, hij begon.

De krokodil zei dreigend: ‘U staat te ver weg!

De achterste kiezen moeten het eerst, heb ik toch gezegd!

Om die te zien moet u, dat heb ik goed bekeken,

uw hoofd heel ver naar voren, tussen mijn kaken steken.’

De tandarts hijgde: ‘Nee, o nee! Ik zie het prima hier.

Ik werk altijd het beste op een afstandelijke manier.’

Een dame kwam met ’n gouden riem de kamer ingerend

en riep: ‘O foei! Jij stoute Krok, ondeugende kleine vent!’

‘Kijk uit!’ schreeuwde de tandarts en klom vlug op een kast.

‘Strakjes vreet hij ons nog op, dat doet dat ondier last!’

‘Doe niet zo mal,’zei de dame met een honend gilletje.

‘Dit is mijn lieve huisdier, mijn knuffelkrokodilletje.’

Uit: ‘Ziezo’ van Annie M.G. Schmidt

De tandarts houdt een winterslaap

De tandarts L.J.Langejaap

houdt in de winter een winterslaap,

hij slaapt al vertien weken.

Hij mompelt alleen zo ’s morgens vroeg:

Katrien, ik heb weer geen dek genoeg,

dan krijgt hij nog een deken.

De mensen met een zere kies

(er zijn er negenentachtig precies)

staan op de deur te bonken.

Zij gooien met kiezeltjes tegen de ruit

en roepen: Zeg, komt hij er nog niet uit?

En de tandarts blijft maar ronken.

Want voor hij ging slapen, toen heeft hij gezegd:

’t Komt later allemaal wel terecht,

en niemand mag mij wekken.

Ik blijf in mijn bed zo lang als ik wil.

Je mag me pas roepen op zeven april

dan ga ik weer kiezen trekken.

Zo staan al die mensen dan voor de deur

en raken verschrikkelijk uit hun humeur

en roepen: Het is een schande!

Maar tandarts L.J.Langejaap

blijft sluimeren in zijn winterslaap

en droomt niet eens van tanden.

En wat men ook zegt en wat men wil,

de wekker staat op zeven april:

(het is een winterslaap-wekker)…

Maar één is er blij en tevreden: ja,

de kleine Jacobus, hij denkt: Aha,

ik hoef dus nog niet. Lekker!

Uit: ‘Ziezo’ van Annie M.G. Schmidt

M’n tanden sjijn sjoek!

M’n tanden sjjijn sjoek!

M’n tanden sjjijn sjoek!

Heeft ieamand sje gesjien?

Wie heeft me dat nou weer geflikt,

Sje sjijn onder me neusj vandaan gepikt!

Heb jij sje gesjien misjschien?

Uit: ‘Kijk maar uit, want het stikt hier van

de griezels van Colin McNaughton

Mijn nieuwe tand

Op een keer…op een keer

ging mijn tand heen en weer.

Krak! Deed hij toen

en hij zat er niet meer.

Toen heb ik hem onder mijn kussen gelegd

en tegen mijn broertje heb ik gezegd:

Om kwart over twee

dan komt er een fee.

Die pakt mijn tandje

en neemt het mee.

Dan krijg ik over een week of zo,

van haar een nieuwe tand cadeau.

Maar’s morgens, och,

toen lag hij er nog.

En mijn nieuwe tandje?

Dat kreeg ik toch!

Uit: auteur onbekend

Naar de tandarts

Nu heb ik een verrassing, zei de tante van Jan Hein,

we gaan gezellig naar de tandarts, is dat even fijn?

De tandarts moet dat kleine gaatje in jouw kiesje vullen.

Nou? Vind je het niet énig? Maar Jan Hein begon te brullen!

En tante moest hem bij z’n oren naar de tandarts sleuren.

Hij jammerde van boe!en woe!, maar ja, het moest gebeuren.

De tandarts zei: Kom jongetje, ik schiet je toch niet dood…

je doet net of je drie bent, en je bent toch al zo groot.

Er zijn hier toch geen tijgers en geen beren en geen leeuwen!

Maar och, Jan Hein bleef gillen, krijsen, jammeren en schreeuwen.

Eerst schreef de tandarts keurig net, Jan Hein z’n naam in’t boek,

maar toen hij opkeek van dat boek…toen was Jan Heintje zoek.

Ze zochten onder het tapijt en achter het bureau,

ze keken in de boekenkast en in de radio,

en in de la met tangetjes…waar was nou toch die jongen?

En tante zei: Misschien is hij wel uit het raam gesprongen!

Toen hoorde ze ineens: Hatsjie! En kijk, daar zat Jan Hein,

daar zat hij boven op de kast, heel zielig en heel klein.

Nu was er niets meer aan te doen, nu moest hij op de stoel:

de boor die ging van zzzzt en rrrrt. Toen zei de tandarts: Spoel.

Je bent een grote jongen hoor! Jazeker, zei Jan Hein,

ik ben een grote jongen en ’t deed helemaal geen pijn.

Uit: ‘Ziezo’ van Annie M.G. Schmidt

Poetsen

Rondjes draaien op mijn tandvlees -

ik vergeet geen enkele kies -

met een zacht en lekker sopje -

want die zeep smaakt echt niet vies!

En zie nu hoe wit en fris

mijn gebit door’t poetsen is.

Geschreven door M. De Blaes

Superguppie

Piano

Mama speelt piano:

ze legt haar handen

op de tanden.

Wat een breed gebit!

De meeste kiezen zijn gezond en wit,

die klinken fijn –

maar drukt ze op een rotte zwarte:

ai,

dan hoor je pijn.

Geschreven door Edward van de Vendel

Verhaaltjes

Margreet heeft kiespijn

Margreet ligt te woelen in haar bed. Ze heeft pijn, een knagende pijn aan haar kies. Ze kan niet langer blijven liggen. Ze komt uit haar bed en gaat naar de slaapkamer van mama en papa.

‘Mama, mama,’ huilt ze,’ik heb zo’n pijn aan mijn kies.’

Mama gaat met Margreet naar de keuken en geeft haar wat warme melk en een pijnstiller.

‘Ziezo, nu terug het bedje in, de pijn is zo over, en morgen gaan we naar de tandarts.’

De volgende morgen voelt Margreet niets meer. Ze is haar pijn vergeten, maar mama niet hoor.

‘Kom margreet, poets nog even je tanden, ik ruim ondertussen de keuken op. Als je klaar bent, gaan we naar de tandarts.’

‘Maar dat moet toch niet. Ik voel geen pijn meer.’

‘Kindje, je hebt een gaatje in je kies. De tandarts moet het vullen, anders komt de pijn terug.’

‘Je kunt me dan toch zo’n pilletje geven, dan gaat de pijn ook weg. Dan moet ik toch niet naar de tandarts; ik ben bang van hem en van die rare stoel. Ik ben eens met Martijntje mee geweest toen hij een kies liet verzorgen, maar toen ik al die enge dingen zag, ben ik terug naar de wachtkamer gegaan.’

‘Zo,zo… en heeft Martijntje geweend?’

‘Nee, dat niet, maar…’

‘Kom, Margreet, wees jij dan ook flink, binnen een uurtje is alles voorbij. Je zult zien, bij de tandarts valt het best mee.’

Met een bonzend hartje gaat Margreet met mama bij de tandarts binnen. Nog even de wachtkamer in, dan gaat er een deur open, en een meneer in een witte schort komt binnen.

‘Dag mevrouw, dag meisje, kom maar binnen, dan zullen we eens kijken wat we voor jou kunnen doen.’

Margreet kruipt achter mama’s rug. O, wat is ze bang. Daar staat die enge stoel en daar is de kast met die rare tangetjes.

‘Kom, Margreet, kruip eens even in de stoel, dan mag jij hem omhoog laten gaan. Kijk, hier is de knop, druk maar.’

Margreet vindt het wel leuk. Dit is toch niet zo’n enge stoel.

‘Doe je mond nu eens open’, zegt de tandarts,’en als je wat bang bent, dan doe je je oogjes maar dicht en denk je aan iets prettigs. Je zult niets voelen, dat beloof ik je. Als je flink bent, mag je straks de stoel weer omlaag laten.’

Margreet knijpt haar ogen dicht. Eerst voelt ze een klein prikje en daarna hoort ze wat gezoem. Dan hoort ze de tandarts in een potje roeren. Nu doet ze haar ogen toch maar even open, ze moet weten wat er gebeurt.

‘Kijk, Margreet. In dit potje zit de vulling voor het gaatje in de kies. Doe nog even je mond open, dan stop ik het gaatje dicht.’

Margreet voelt er niets van, echt waar. Haar kies is vlug weer in orde en ze laat haar stoel, zoals beloofd, terug omlaag.

‘Ziezo, dat was het dan’, zegt de tandarts.

‘Poets alle dagen goed je tanden, dan zal dit niet zo vaak moeten gebeuren.’

Naar de tandarts

Jimmy is bijna twee jaar geworden en mag samen met zijn mama en papa naar de tandarts toe. Als ze bij het huis van de tandarts aankomen, gaat Jimmy eerst in de kamer die de wachtkamer heet. Er ligt een heleboel speelgoed en eigenlijk vindt Jimmy het helemaal niet leuk als een mevrouw vraagt of we binnenkomen.

Jimmy hoort van zijn papa dat deze mevrouw de tandarts is. Jimmy is best wel nieuwsgierig, dus aan de hand van zijn mama gaat hij de andere kamer binnen.

Eerst gaat papa in een grote stoel liggen en zit ik bij mama op de schoot te kijken. Ik hoor allemaal vreemde geluiden van een machine en pap huilt niet eens! Dan is papa klaar en mag mama in de stoel zitten. Boven die grote stoel hangt een grote lamp en ik mag bij mam op schoot zitten.

De tandarts is heel lief en vriendelijk tegen mij. Ze vraagt of ik ook al tandjes heb en of ze mijn tandjes mag zien. ‘Nou, heel eventjes dan’, denkt Jimmy. Hij opent zijn mondje en ziet de vriendelijk ogen van de tandarts boven zich. Gelukkig duurt het niet zo lang. Hup, hij mag van de stoel afspringen en gaat naar zijn papa toe.

Mama is gauw klaar en dan krijg ik een cadeautje van de tandarts. Ze vond het heel goed van mij dat ik op die grote stoel durfde zitten en mijn mondje opendeed. Ik krijg een mooie tandenborstel cadeau.

Jimmy hoopt dat ze weer gauw naar de tandarts gaan, want dan mag hij zonder mama in de grote stoel zitten en krijgt hij vast weer een cadeautje van die aardige tandarts.

Thuis poetst hij eigenlijk liever met de elektrische tandenborstel. Dat is ook een machine net zoals bij de tandarts en die maakt ook geluid. Jimmy vindt het heerlijk om voor het slapen gaan zijn tandjes te poetsen. Eerst poetst mama of papa zijn tandjes en dan mag hij het zelf doen. Helemaal alleen.

NAAR DE TANDARTS

“Au!”roept  Nancy als ze een hap van haar appel neemt.

“Wat is er?” vraagt Job.  Hij wil net het laatste blokje op zijn mooie toren leggen.

“Mijn kies! Hij doet zo’n pijn!” Nancy wrijft met haar hand over haar wang.

“Oh, je wang is heel erg dik. Veel dikker dan de andere,”zegt Job.

“Niks tegen mama zeggen, hoor. Anders moet ik misschien naar de dokter,”zegt Nancy.

“Wat mag hij niet tegen mij zeggen?” vraagt mama, die toevallig hoort wat hij zegt.

“Och niks. Ikke…Ik ga straks iets moois voor je maken. Maar dat is nog geheim,”jokt Nancy.

Ze verstopt snel haar gezicht achter een boek. Alleen haar ogen komen erboven uit.

“Wat lief van je. Je maakt me wel nieuwsgierig,”lacht mama. “Maak je niet teveel rommel?”

“ Nee, nee.” Ze schudt met haar hoofd. Dat had ze beter niet kunnen doen. Ze voelt een scherpe steek. Oei, dat doet pijn. Ze knijpt haar ogen stijf dicht.

“Wat is er. Heb je pijn?”wil mama weten.

“Ze heeft pijn aan haar kies,”zegt Job. Nancy kijkt boos naar hem. Waarom moet hij dat nu zeggen?

“Nee hoor. Kijk maar, het is al over.” Nancy probeert heel vrolijk te kijken. Maar nu ziet mama haar gezicht.

“Volgens mij jok je een beetje,”zegt mama. Nancy knikt.

“Moet ik nu naar de dokter,”piept ze zacht.

“Nee, maar wel naar de tandarts.”

Nancy weet wel wat een tandarts is. Dat is een soort dokter, die kijkt of je tanden wel goed gepoetst zijn.

“Ik zal gelijk even bellen of we vandaag nog kunnen komen,” zegt mama. Ze loopt de kamer uit.

“Kijk maar uit!”waarschuwt Job. De tandarts heeft  zo’n grote boor en daarmee gaat hij in je mond.” Hij houdt zijn handen ver uit elkaar om het te laten zien.

Nancy kijkt heel zielig.

“Ik wil niet,”jammert ze en verstopt zich achter het gordijn.

“We kunnen meteen naar de tandarts,”zegt mama. Maar waar is Nancy nu gebleven? Dan ziet ze twee voetjes onder het gordijn uitsteken.

“Kom maar te voorschijn. Ik heb je gezien. Je hoeft echt niet bang te zijn. Voor je het weet is het voorbij,”stelt ze haar gerust.

“Mag Job ook mee?”vraagt ze zacht. Dat vindt mama goed.

 

Job, Nancy en mama zitten in de wachtkamer. Stiekem kijkt Nancy naar de mevrouw die naast haar zit. Ze leest een boekje. Zou zij niet bang zijn? Aan de andere kant zit een hele grote meneer. Hij is net binnengekomen. Hij is zo groot, dat hij  zich moet bukken om door de deur te komen.

Dan gaat de deur open. Er komt een mevrouw naar buiten. Ze heeft een lange witte jas aan. Maar ze is niet de tandarts. Dat weet Nancy wel. Zij helpt de tandarts altijd. Maar ze is niet met hem getrouwd, hoor. Dat heeft ze vorige keer zelf aan haar gevraagd.

“Wie is de volgende?”vraagt de mevrouw.

“Dat zijn wij,”roept mama.

 Bibberend kijkt Nancy naar de deuropening.

“Kijk uit voor de haak!”fluistert Job in zijn oor. Mama neemt Nancy bij de hand en trekt haar mee naar binnen.

“Hallo, ik ben de tandarts en wie ben jij?” vraagt de meneer in de witte jas.

“Ik ben Nancy ,” piept het meisje.

“Dat is een leuke naam. Weet je wat, ga maar alvast in die stoel zitten. Ik ga even met je mama praten.”

De tandarts loopt met mama naar buiten. Job en Nancy blijven alleen in de tandartskamer.

Kijk, daar heb je die grappige stoel. De vorige keer kon hij omhoog en omlaag. Dat wist Nancy nog wel.

Ze springt er boven op. Ze drukt op een knopje en ja hoor, de stoel gaat langzaam omhoog.

“Nu wil ik,”roept Job en springt ook op de stoel. Hij duwt zijn vriendinnetje eraf.  Nancy stoot tegen een stapel bekertjes. Ze vallen één voor één op de grond.

Waarvoor zou deze knop zijn? vraagt Job zich af en drukt erop. Een straal water spuit in de lucht.

“Kijk, ik kan het laten regenen,”roept hij. Hij houdt zijn wijsvinger op de straal. Het water spuit alle kanten op. Alles wordt nat: de stoel, de grond en ook Job en Nancy.

“Wat is hier aan de hand?” De tandarts staat bij de deur. Hij kijkt boos. Stil kijken Job en Nancy hem aan. De waterdruppels druipen langs hun haren en langs hun kleren.

“Het ging per ongeluk, ècht waar!”roept Job.

Nancy zit in de stoel. Alles is weer droog.

Ze was bijna vergeten, dat ze zo’n pijn had.

“Doe je mond maar open, dan zal ik eens kijken waarom je kies zo’n pijn doet,”zegt de tandarts. Hij is gelukkig niet meer boos. “Ik zie het al. Er zit een gaatje in je kies." Hij tikt voorzichtig op de kies.

Nancy geeft een harde gil en bijt op de vingers van tandarts.

 Nu schreeuwt ook de tandarts.

"Hebt u ook pijn aan uw tand?"vraagt Nancy bezorgd.

"Nee, maar wel aan mijn vingers,"roept de tandarts.

"Maar u deed mij ook pijn,"zegt Nancy.

"Dat is waar. Maar ik moet de kies wel vullen.

Als ik je dit prikje heb gegeven, dan voel je geen pijn meer. Dan kan ik je kies maken."

“Ik wil geen prikje!”schreeuwt Nancy geschrokken.

“Als je niet huilt? Dan heb ik straks een mooie verrassing voor je!”belooft de tandarts. “Echt, je voelt er bijna niks van.” Nancy denkt na. Ze is heel bang voor het prikje, maar ze wil wel van de pijn af en ze krijgt een verrassing. Dat heeft de tandarts beloofd.

“Oké!”zegt Nancy en doet haar mond weer open. Daar komt die enge naald. Nancy houdt haar ogen stijfdicht. Heel even voelt ze een steekje.

“Ziezo. Het prikje is klaar,”zegt de tandarts. Dat viel eigelijk best wel mee. “Nu ga ik je kies maken,goed?” Nancy kan alleen maar knikken. Haar mond voelt heel gek aan.

“Zo, je bent klaar,”zegt de tandarts. Nancy mag van de stoel af. Dat viel reuze mee. Goed, ze voelde wel iets van het prikje, maar dat was maar even.

“En dat gekke gevoel in je mond is straks ook over,”belooft de tandarts. “En hier is je verrassing,”zegt hij en geeft haar een paar mooie stickers en een knalrode tandenborstel en een tube tandpasta. Te gek!

Trots gaat Nancy weer naar huis.

“Dit was echt een makkie!”schept ze op.

“Vond je het niet eng?”vraagt Job.

“Eng? Wel nee. Ik ben toch geen baby!!!!”