Nieuwe reglementering voor het windsurfen op zee

Wijzigingen aan de wet van 4/8/1981 van Mei 2001

31 MEI 2001. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 4 augustus 1981 houdende politie- en scheepvaartreglement voor de Belgische territoriale zee, de havens en de stranden van de Belgische kust, wat het windsurfen betreft

ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 24 november 1975 houdende goedkeuring en uitvoering van het Verdrag inzake de internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, bijgevoegd reglement en zijn bijlagen, opgemaakt te Londen op 20 oktober 1972, inzonderheid op artikel 2, § 4;

Gelet op het koninklijk besluit van 4 augustus 1981 houdende politie- en scheepvaartreglement voor de Belgische territoriale zee, de havens en de stranden van de Belgische kust, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 4 juni 1987, 9 februari 1996, 9 december 1998, 3 mei 1999, 4 mei 1999 en 4 juni 1999;

Gelet op de omstandigheid tot de gewestregeringen bij het ontwerpen van dit besluit betrokken zijn;

Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat uit de praktijk is gebleken dat de veiligheid van windsurfers op zee bij kracht 8 op de schaal van Beaufort niet kan worden gegarandeerd; dat het bijgevolg noodzakelijk is het windsurfen te verbieden vanaf kracht 7 op de schaal van Beaufort en dat dit onmiddellijk dient te gebeuren gelet op het nieuwe toeristische seizoen mede gelet op de vraag van de burgemeesters van de kustgemeenten, en de plaatselijke reddingsdiensten;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 7 mei 2001 met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Mobiliteit en Vervoer,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1. In artikel 37bis, in het koninklijk besluit van 4 augustus 1981 houdende politie- en scheepvaartreglement voor de Belgische territoriale zee, de havens en de stranden van de Belgische kust ingevoegd bij het koninkijk besluit van 4 mei 1999, worden de woorden " bij windkracht 8 of meer " vervangen door de woorden " bij windkracht 7 of meer ".

Art. 2. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 3. Onze Minister van Mobiliteit en Vervoer is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Ponza, 31 mei 2001.

ALBERT
Van Koningswege :

De Minister van Mobiliteit en Vervoer,
Mevr. I. DURANT

Wijzigingen aan de wet van 4/8/1981 van Juni 1999

Nog voor de zomer verschijnt in het Belgisch Staatsblad een nieuwe, aangepaste reglementering in verband met het windsurfen op zee. De huidige regiementering houdt geen rekening met het, specifieke karakter van het windsurfen en maakt dat windsurfers die hun sport op zee wensen te beoefenen noodgedwongen de wet moeten overtreden. De nieuwe reglementering op het windsurfen is het resultaat van gezamenlijke inspanningen van de Landelijke Windsurffederatie (LWF), de SCS Johan Vande Lanotte en de Vlaamse volksvertegenwoordigers Jacky Maes en André van Nieuwkerke.


Het windsurfen op ze lijdt momenteel onder een reglementering die volledig in strijd is met de eigenheid van deze populaire sport. Zo bepaalt het K.B. van 4 augustus 1981 dat surfers geen zee mogen kiezen bij een windkracht van meer dan 4 Beaufort. "Windsurfen is evenwel een planeersport wat betekent dat hiervoor een voldoende windsterkte - minimum 4 Beaufort - noodzakelijk is. Winsurfen op zee bij zwakke wind wordt zelfs, omwille van de sterke stroming, onveilig geacht", aldus Johan Kindt, afgevaardigd beheerder van de Landelijke Windsurffederatie. Hetzelfde K.B. verbiedt de surfers bovendien om zich buiten de 200-meterzone te begeven. "Op een strook van 200 meter is het echter onmogelijk om efficiënt op te kruisen met een surfplank, zeker als de stroming nog eens tegenwerkt. Helemaal archaïsch en zelfs ronduit gevaarlijk is de verplichting in huidige reglementeringen om bij het surfen een reddingsvest te dragen. Het belangrijkste onderdeel van de surfer is immers zijn isothermisch pak. De Landelijke Windsurffederatie is de mening toegedaan dat het dragen van een isothermisch pak, zelfs op de warmste zomerdagen, een verplichting moet zijn die bij een inbreuk streng moet gesanctioneerd worden. "Onderkoeling vormt immers het grootste gevaar bij het surfen op zee en overmoedige en onervaren surfers moeten tegen zichzelf beschermd worden, zo meent de LWF.

Nieuwe reglementering maakt windsurfen op zee wettelijk én veiliger
Door de Landelijke Windsurffederatie, de SCS en de volksvertegenwoordigers Johan Vande Lanotte, Jacky Maes en André Van Nieuwkerke werd een voorstel van nieuwe reglementering uitgewerkt. Dit voorstel werd door de kustparlementairen besproken op het kabinet van minister van vervoer Daerden. Dit resulteert in een wijziging van het K.B. waarvan de tekst nog vòòr de zomer in het staatsblad zal verschijnen. Hierdoor zal kunnen worden gesurft op zee tot een windkracht van 8 beaufort en wordt de zone waarin kan worden gesurft uitgebreid tot een halve zeemijl of nagenoeg 950 meter. Daarenboven worden surfers, zoals gevraagd door de LWF, verplicht om i.p.v. een reddingsvest een isothermisch pak te dragen en telkens 2 waterdichte vuurpijlen bij zich te hebben. "Deze nieuwe reglementering houdt rekening met de eigenheid van het surfen op zee en maakt deze sport hierdoor een stuk veiliger"', aldus de drie kustparlementairen.

Oplossing voor Jetscooters
Ook voor de jetscooters of waterkrachtscooters, die niet mogen worden verward met de kleinere jetski's is een oplossing in de maak. Deze waterkrachtscooters zijn immers volwaardige vaartuigen die volledig voldoen aan de reglementering ter zake. Aan deze waterkrachtscooters zal dan ook eerlang opnieuw vlaggenbrieven worden uitgereikt. Sedert 1997 weigert het ministerie van verkeer nog vlaggebrieven uit te reiken aan jetscooters. Dit document is echter noodzakelijk om met dit pleziervaartuig uit een haven te vertrekken en buiten de 200-meterzone te kunnen varen. Ook hiervoor werd door Johan Vande Lanotte, Maes en Van Nieuwkerke een regeling uitgewerkt.

LWF, Juni 1999

 


De gepubliceerde wettekst

Overwegende dat, met het oog op de veiligheid van de plankzeilers op zee en om te voldoen aan de eisen van de tijd dringend rekening moet worden gehouden met de evolutie van de materialen en de technologie inzake zeilplanken en kledij van plankzeilers; dat bij aanvang van het nieuwe toeristische seizoen onverwijld de nodige maatregelen moeten worden getroffen.

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer

Hebben wij besloten en besluiten wij:

Artikel 1. - In het koninklijk besluit van 4 augustus 1981 houdende politie- en scheepvaartreglement voor de Belgische territoriale zee, de havens en de stranden van de Belgische kust, wordt een artikel 37bis ingevoegd, luidende: "Art 37bis. Zeilplanken mogen geen zee kiezen bij windkracht 8 of meer (op de schaal van Beaufort). Plankzeilen is verboden tussen zonsondergang en zonsopgang."

Art. 2. - In artikel 39 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij koninklijk besluit van 9 februari 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° §1, tweede zin, wordt vervangen als volgt: "Zeilplanken mogen zich bovendien aldaar niet verder van de kust verwijderen dan tot op een afstand van een halve zeemijl (negenhonderd zesentwintig meter)";
2° § 3 wordt vervangen als volgt: "§3 de in de §§1 en 2 bedoelde afstanden worden gerekend vanaf de laagwaterlijn zoals deze op de grote schaal uitgevoerde officiële Belgische zeekaarten is aangebracht."

Art. 3. Artikel 17, § ", van het koninklijk besluit van 15 maart 1966 betreffende de vlaggebrieven en de uitrusting van de pleziervaartuigen, gewijzigd door het koninklijk besluit van 4 augustus 1981, wordt vervangen als volgt : "§ 3. Plankzeilers moeten een isothermisch pak in goede staat dragen en twee waterdichte verpakte handstakellichten bij zich hebben. De zeilplanken moeten voorzien zijn van een bevestigings-systeem van de mast aan de plank."

Art. 4. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 5. Onze Minister van Vervoer is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 4 Mei 1999