| August Strindberg heeft in dit stuk getracht
de onsamenhangende, maar schijnbaar logische vorm van de droom
weer te geven. Er kan
van alles gebeuren, alles is mogelijk en waarachtig. Tijd en ruimte
bestaan niet... Tegen een onbeduidende achtergrond spint de inbeelding
haar net en weeft nieuwe patronen: een vermenging van geheugen, belevenissen,
vrije verzinsels, ongerijmdheden en improvisaties.
De personages verdubbelen, ontdubbelen,
verdunnen, verdikken, verdwijnen, verzamelen.
Maar één
bewustzijn overheerst alles en dat is dat van de dromer; daarvoor
bestaan
geen geheimen, geen inconsequenties, geen scrupules, geen wetten.
Het veroordeelt niet, spreekt niet vrij, maar brengt enkel verslag;
en aangezien de droom meestal pijnlijk is, zelden vrolijk, overheerst
een toon van weemoed en medelijden met al het levende doorheen
de wankelende vertelling. De slaap - de bevrijder - treedt dikwijls
op als smartelijk, maar wanneer de pijn het ondraaglijkst wordt,
komt het ontwaken en verzoent de lijdende met de werkelijkheid,
die, hoe kwellend die ook kan zijn, op dat ogenblik toch als
een bevrijding ervaren wordt, vergeleken met de pijnlijke droom. |