Pandora2
Agenda Cd's / Media Bio's Contact


In dit programma brengen we muziek rond 2 componisten die aktief waren in het mid 16e eeuwse Noord-Italie, nl. Vicenzo Ruffo en Adriaen Willaert, tijdgenoten van de gambabouwer Francesco Linarol.

1. Vicenzo Ruffo & co. - uit Capricci in Musica a tre voci (1564) + (vocale) modellen
* Kyrie & Agnus Dei uit de Missa La sol fa re mi - Josquin des Prez
* La, sol, fa, re, mi - V. Ruffo
* La Gamba in Basso, e Soprano - V. Ruffo
* La Disperata - V. Ruffo
* Trinitas in unitate - V. Ruffo
* Il Capriccioso - V. Ruffo
* Da bei rami scendea - J.Arcadelt (Il primo libro di madrigali, 1539)
* Da bei rami scendea - V.Ruffo
* O felici occhi miei - J.Arcadelt (Il primo libro de i madrigali, 1539)
* O Felici occhi mei - V.Ruffo
* Martin menait son porceau au marche - Clement Janequin (Vingt et six chansons musicales, 1535)
* Martin minoit son portiau au marche - V.Ruffo

2. Adriaen Willaert
* uit Musica Nova (1559)
  - Amor fortuna & Ne spero
* uit Musicque de Joye (1550)
  - Recercar Tertius
* uit Canzone Villanesche alla Napolitana (1545)
  - Cingari simo venit'a giocare
  - Madonna io no lo so perche lo fai
  - Vecchie letrose non valete niente

Marcel Ketels : blokfluit, algemene leiding
Ludwig Van Gyseghem : tenor
Adelheid Glatt : discant & tenor viola da gamba
Catou Pecher : tenor viola da gamba
Xavier Verhelst : bas viola da gamba

Uitvoering: Sint-Medarduskerk Ursel, za. 17 juni 2017 om 20u00






intarsiapaneel uit de Borgia appartementen in het Vaticaan (ca.1510)


Francesco Linarol was een 16e eeuwse muzikant en instrumentenbouwer afkomstig uit Bergamo en werkzaam in Venetië. Zijn eigenlijke naam was Machetti en hij was gehuwd met ene Caterina. Na zijn dood in 1567 zette zijn oudste zoon zijn werk als luthier en musicus (oa in de San Marco basiliek) verder.

Een ongedateerde tenorgamba met label “Franciscus Linarolus Bergomensis Venetiis faciebat”, thans in het Kunsthistorisches Museum in Wenen is waarschijnlijk de oudst bewaarde viola da gamba.
Volgens eerder dendrochronologisch onderzoek kon het instrument niet voor 1582 gebouwd zijn, maar recenter resultaten tonen aan dat de jongste jaarringen in het bovenblad toch 150 jaar ouder zijn en een datering mid 16e eeuw waarschijnlijk is.
Soortgelijke instrumenten van de ook in Venetië werkende Antonio Ciciliano bevinden zich in musea in Wenen, Bologna en Brussel, en zijn ook op schilderijen te zien.

Een proto-viola da gamba met een vlakke kam en die zowel getokkeld als gestreken (bourdon) werd, kwam in het laatste kwart van de 15e eeuw in het kielzog van de Borgia familie vanuit Valencia in Napels terecht. Door er een gebogen kam op te plaatsen kon het instrument gebruikt worden om het uitgebreide repertoire aan polyfone vokale muziek te vertolken en kende spoedig een verspreiding over gans Italië. De getokkelde versie evulueerde naar de vihuela en later naar de gitaar.

De gamba's van F. Linarol en A. Ciciliano hebben een aantal specifieke kenmerken waardoor ze zich onderscheiden van de latere modellen :
- een vlak geschaafd en dan geplooid bovenblad
- geen stapel (ziel), wel horizontale, tegen het bovenblad gelijmde steunbalkjes
- nek en toets zijn evenwijdig aan het bovenblad
- de rug is bovenaan breder dan de voorkant, waardoor de zijkanten naar voor hellen
Gevolgen hiervan zijn de typische nasale, transparante klank met een relatief weinig diepe bas, waardoor het instrument zeer geschikt voor polyfone muziek.

De viola da gamba's waar we op spelen werden gebouwd door de veelzijdige Peter Van Wonterghem, waarbij zijn ervaring met het plooien van hout voor luiten, gitaren, draailieren... hem goed van pas kwam.
Hier meer over Peter's instrumenten.



uit het Zeghere van Male liedboek


Vicenzo Ruffo (c1508-1587) werd geboren en opgeleid in Verona. Tijdens zijn wisselvallige carriere zien we hem in de jaren 1540 in dienst bij Alfonso d’Avalos, gouverneur van Milaan.
In jaren '50 keerde hij terug naar Verona als maestro di musica van de Accademia Filarmonica en de kathedraal. Zijn talrijke wereldlijke werken uit die periode schreef hij oa voor de Accademia, op dit ogenblik de meest prestigieuse amateurvereniging in Italie, die ook kon bogen op een uitgebreide muziekbibliotheek.
Rond 1565 keerde hij terug naar Milaan als "maestro di cappella" aan de kathedraal, waar zijn muzikale taal sterk beinvloed werd door de contrareformatorische ideeën van kardinaal Carlo Borromeo en de richtlijnen van het Concilie van Trente. Hij schreef vanaf toen alleen nog religieuze muziek, en in functie van een beter verstaanbaarheid van de tekst werd zijn componeertaal veel homofoner en transparanter.
Zowel op het gebied van religieuze als wereldlijke muziek was Ruffo een van de meest vooraanstaande en veelzijdige componisten van de periode 1540–70. Voor 1565, het keerpunt in zijn carriere, componeerde hij niet minder dan 260 madrigalen.
Zijn "Capricci in musica a tre voci" (Milaan, 1564), tekstloze composities die duidelijk bestemd zijn voor instrumentale uitvoering, zitten tsjokvol technische moeilijkheden en getuigen van zijn beheersing van het contrapunt. Het is ook voor het eerst dat de term 'capriccio' in muzikale context gebruikt werd. De 'capricci' zijn voor een deel wat we nu 'karakterstukken' zouden noemen (El Malenconico, La Brava, El Chiocho,...) en compleet nieuw gecomponeerd; in andere stukken maakte Ruffo gebruik van reeds bestaand muzikaal materiaal, zoals een volledige stem uit een madrigaal of chanson waar hij 2 nieuwe stemmen bij componeerde (bvb Dormendo un Giorno en Hor che'l ciel e la terra van J. Arcadelt), een populaire dans (La gamba, La Piva) of ostinaat.
Uit deze bundel spelen we niet minder dan 9 stukken, aangevuld met de composities die model stonden voor een aantal ervan.

Josquin des Prez (c1450-1520) uit Picardie afkomstig, was zowat de eerste muzikale superster, ook al weten we bitter weinig over zijn leven en persoonlijkheid met zekerheid. Waarschijnlijk kreeg hij zijn opleiding in Saint-Quentin, en van Johannes Ockeghem. In 1477 was hij in dienst van René, Duc d'Anjou in Aix-en-Provence, en in de jaren 1480 van de Sforza familie in Ferrara, Napels en Milaan. Van 1489 tot 1495 was hij lid van het pauselijk koor in Rome. Na een korte periode in dienst bij de Sforza's in Milaan, verbleef hij even aan het Franse hof bij Louis XII, maar in 1503 werd hij ingehuurd door Ercole I d'Este in Ferrara. Toen in 1504 de pest daar uitbrak keerde Josquin naar zijn geboortestreek terug waar hij provost werd van de Notre-Dame kerk van Condé-sur-l'Escaut.
In de laatste 20 jaar van zijn leven groeide zijn bekendheid, onder meer doordat een van de eerste muziekdrukken compleet aan hem gewijd was, nl. een verzameling missen waaronder de "Missa La sol fa re mi" (Ottaviano Petrucci, Venetië, 1502). Deze mis is zowat het oudst gekende werk met een 'soggetto cavato', een techniek waarbij de klanken van een tekst omgezet worden in notennamen. In dit geval was de tekst "Lascia fare mi" (laat mij maar doen). Het enigmatische en dubbelzinnige van deze tekst heeft later nog een aantal componisten, waaronder V. Ruffo, Costantino Festa, Tiburtino, Orlando di Lasso en Girolamo Frescobaldi geïnspireerd.

Jacques Arcadelt (c1505-1575?) waarschijnlijk in Luik geboren en na een kort verblijf in Firenze van 1539 tot omstreeks 1555 "Magister capellae" aan de Sixtijnse kapel in Rome. De rest van zijn leven verbleef hij vermoedelijk in Frankrijk. Hij is vooral gekend om zijn madrigalen (meer dan 40 herdrukken tot haverwege de 17e eeuw) in een verfijnde, transparante en melodieuze stijl.

Clement Janequin (c1485-1558) van rond Bordeaux afkomstig, is, hoewel vooral in dienst vd kerk en zelf geestelijke, vooral bekend om chansons en meer in het bijzonder die met klanknabootsingen (Le chant des oiseaux, La Chasse, Les cris de Paris, La Bataille).

Adriaen Willaert of Adriano Vuigliart (Roeselare c1490 - Venetie 1562) studeerde waarschijnlijk in Parijs bij Jean Mouton, en was van 1514 tot 1527 in Ferrara in dienst bij de d'Este familie. De rest van zijn leven was hij kapelmeester aan de San Marco in Venetie, waar zijn faam als componist en pedagoog gelijke tred hield met zijn salaris. Hij was ongetwijfeld de beroemdste en meest gerespecteerde componist van de generatie tussen Josquin en Lassus en Palestrina. Als een van de veelzijdigste musici van de 16e eeuw - hij schreef in zowat elk religieus en wereldlijk genre en speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling het motet, de meerkorige psalmzetting, het Italiaans madrigaal, het canzona villanesca (in oorsprong Napolitaanse liederen in volkse stijl) en de instrumentale ricercare. Door zijn tijdgenoten werd hij geroemd om zijn ernst, eruditie, uitzonderlijke beheersing van het contrapunt en zijn affiniteit met de Italiaanse taal.
In 1559 verscheen, onder impuls van Willaert's vriend en leerling Francesco Viola, een verzameling van 27 motetten en 25 madrigalen - op 1 na alle zettingen van sonetten van Petrarcha - met als titel "Musica Nova" in druk. Deze prestigieuze uitgave werd gefinancieerd door Alfonso II d'Este die de handschriften in 1554 gekocht van de zangeres Polissena Pecorina (de bundel was ook bekend als ‘La Pecorina’).
Dat Willaert ook internationaal een groot aanzien had blijkt uit de uitgave van "Musicque de Joye" (Lyon, 1550) door Jacques Moderne. Dit is een belangrijke bron van 4-stemmige instrumentale recercars, zowel van Willaert zelf als van zijn leerlingen.


uit het Zeghere van Male liedboek


Teksten:

Da bei rami scendea - tekst : Francesco Petrarca (1304-1374), Canzoniere, uit canzone CXXVI, "Chiare e fresche e dolce acque"
Da bei rami scendea
(dolce nella memoria)
una pioggia de fior sovr’al suo grembo;
ed ella si sedea,
umil in tanta gloria,
coperta già dell’amoroso nembo.
Qual fior cadea sul lembo,
qual sulle trecce bionde,
ch’oro forbito e perle
eran quel dì a vederle;
qual si posava in terra e qual sull’onde,
qual con un vago errore
girando parea dir:
Qui regna amore.
Vanaf schone takken daalde
(Hoe zoet in mijn herinnering!)
Een regen van bloemen op haar schoot neer;
En zij zat daar,
Nederig bij zo grote roem,
Reeds bedekt door de aureool der liefde;
De ene bloem viel op haar zoom,
De andere op haar blonde vlechten,
Die blinkend goud en paarlen
Waren om te zien die dag;
Nu eens kwam er een op de grond terecht, dan een op de golven,
Een andere, met een bevallige zwaai
Cirkelend, scheen te zeggen:
hier heerst Amor.

O felici occhi miei - anonieme tekst
O felici occhi miei,
felici voi che siete
car’al mio sol perché sembianz’avete
de gli occhi che gli fur sì dolci e rei.
Voi ben voi siete voi,
voi, voi felici ed io,
io no che per quetar vostro desio
corro a mirarl’onde mi struggo poi.
O gelukkige ogen van mij,
gelukkig die zo dierbaar zijt aan mijn zon
omdat jullie zo lijken
op de ogen van haar, zo zoet en schuldbewust
Jij, ja jij bent het
jij die gelukkig bent, en ik,
ik niet, die om je verlangen te vervullen
me haast om te zien waar ik wegkwijn.

Martin minoit son portiau au marche - tekst : Clément Marot, Epigrammes, Livre VII, XXV
Martin menoit son pourceau au marché,
avec Alix qui en la plaine grande
pria Martin de faire le peché
de l’ung sur l’aultre, et Martin luy demande:
«Et qui tiendroit nostre pourceau, friande?»
«Qui, dist Alix, bon remede il y a».
Lors le pourceau à sa jambe lya,
et Martin juche qui lourdement engaine.
Le porc eut peur et Alix s’escria:
«Serre Martin, nostre pourceau m’entraine».
Martin leidde zijn big naar de markt
samen met Alix, die, temidden de weidse velden,
hem smeekte de zonde te doen van de een op de ander,
waarop Martin vroeg:
"Maar schat, wie zal ons varken vasthouden"
"Daar weet ik goede raad op" zei Alix
en ze bond de big vast aan haar been.
Terwijl Martin duchtig bezig was
kreeg het varken schrik, en Alix riep:
"Hou me goed vast Martin, onze big sleurt me mee"

Amor fortuna & Ne spero - tekst : Francesco Petrarca, Canzoniere, Sonnetto LXXXV
Amor, Fortuna, e la mia menta schiva
Di quel che vede, e nel passato volta,
M'affligon si, ch'io porto alcuna volta
Invidia a quei che son su l'altra riva

Amor mi strugge'l cor, Fortuna il priva
D'ogni conforto: onde la mente stolta
S'adira, e piange; e cosi in pena molta
Sempre convien che combattendo viva.

Né spero i dolci di tornino indietro,
Ma pur di mal in peggio quel ch'avanza,
Et di mio corso hò già passato il mezo.

Lasso, non di diamante, ma d'un vetro
Veggio di man cadermi ogni speranza,
E tutti i miei pensier romper nel mezo.


Quest’anima gentil, che si diparte
Anzi tempo chiamata a l’altra vita,
Se lassuso è quant’esser de’ gradita,
Terrà del ciel la più beata parte.

S’ella rimanfra ’l terzo lume e Marte,
Fia la vista del Sole scolorita,
Poi ch’a mirar sua bellezza infinita
L’anime degne intorno a lei fien sparte.

Se si posasse sotto al quarto nido,
Ciascuna del le tre saria men bella,
Et essa sola havria la fama e’l grido.

Nel quinto giro non habitrebb’ella;
Ma se vola più alto, assai mi fido
Che con Giove sia vinta ogni altra stella.
Amor, Fortuin, mijn geest die zich afkeert
Van 't heden - want daar ziet hij wat hem schaadt -
Doen mij zo'n pijn dat ik afgunstig praat
Van elk die reeds aan gene zij verkeert.

Fortuin troost niet nu Amor mij verteert
Met liefde, en mijn dwaze geest wordt kwaad
En weent, immers, een zo groot lijden laat
Niet toe dat vrede mijn bestaan regeert.

Ik hoop niet meer op 't keren van het tij,
Maar zie het nu van het kwaad naar erger gaan;
Mijn halve leven ligt al achter mij.

Mijn hoop was niet van diamant maar glas;
Ik heb die mij uit handen laten slaan,
Waarna de geest in mij gebroken was.


Als deze edele ziel ten hemel ging en
in hoger sfeer moest toeven vóór haar tijd,
en als men oog had voor haar heerlijkheid,
kreeg zij de ereplaats voor hemelingen.

Is 't tussen Mars' en Venus' hemelkringen,
dan raakt de zon iets van haar lichtglans kwijt,
want uit bewondering voor haar lieflijkheid
zouden de zielen zich om haar verdringen.

Blijft zij onder het vierde huis daarboven,
dan overstraalt zij alle eerste drie,
en haar alleen geldt ieders lof en eer.

Ze zou niet talen naar de vijfde sfeer,
maar stijgt ze hoger, dan, naar ik voorzie,
zou 't Jupiter en alle sterren doven.   vert. Peter Verstegen


Cingari simo venit'a giocare
Donn'alla coriolla de bon core.
Ch'el è dentro ch'el è fuore
S'el è dentr'ha più sapore.

Calate iuso per ve solazare
Ca iocarimo un po per vostr'amore.
Quelle dentro ...

Et ve mettimo per ve contentare
Questo bastone in mano a tutte l’hore
Quelle dentro quelle ...

Se noi perdimo pagamo un carlino
Et se perdite voi pagate il vino
Quelle dentro ...
Wij zijn zigeuners en zijn gekomen om met gans ons hart
voor u "De Dame met de Bloemenkroon" te spelen.
het kan binnen zijn, en het kan buiten zijn
die binnen is heeft meer smaak

Om je tevreden te stellen
mag je deze stok gans de tijd in handen houden
het kan binnen zijn, ...

Kom naar beneden om u te ontspannen
want we spelen ook voor uw liefde
het kan binnen zijn, ...

Als wij verliezen betalen we je een zilverling
Als jij verliest, betaal je de wijn
het kan binnen zijn, ...


Madonn'io non lo so perché lo fai,
che me ti mostri in tutto scorrucciata.
Perché sei così ingrata
se sai per te son cieco?
Dolor sia sempre meco

O dio famme ne scir da tanti guai
ca non gin camparaggio un'altra fiata.
Perché...

O mora o camp' hormai non me ne curo
sto mondo latr' e fatto a chi ha ventura.
Perché...
Mevrouw, Ik weet niet waarom je het doet,
Waarom ben je altijd zo kwaad over alles?
Waarom zo ondankbaar,
Je weet dat ik blind ben door jouw
En altijd hartpijn heb.

O God, verlos me van al die kwalen,
WAnt ik xil daar niet langer mee leven
Waarom zo ondankbaar,...

Het kan me niet meer schelen of ik leef of sterf,
Men moet geluk hebben om het te maken in deze bandietenweeld
Waarom zo ondankbaar,...


Vecchie letrose non valete niente
Se non a far l'aguaito per la chiazza:
Tira alla mazza.
Vecchie letrose, scannaros'e pazze
Oude heksen, jullie deugen voor niets
tenzij om op de markt op de loer te liggen.
Sla maar met je stok
oude heksen, gekke kletskousen.