introductie

 

Het evangelie volgens Thomas is één van de 52 koptische handschriften die in 1945 werden ontdekt in de Egyptische woestijn nabij Nag Hammadi en bestaat uit een verzameling uitspraken, die Jezus zou hebben gedaan. Het reveleert ons vandaag een andere dimensie in de getuigenis van de man, die twintig eeuwen terug in Palestina voor enige religieuze beroering zorgde. Want ooit werd hij door een aantal van zijn volgelingen uitgeroepen tot de door hen verwachte Messias, zelfs tot de “zoon van God”, welke betekenis ook er toen aan die uitdrukking mocht worden toegekend.

De geschiedenis van het ontstaan van het christendom, in het spoor van de prediking van een zekere Jezus, bijgenaamd de nazaraios, van de betekenis die aan zijn kruisdood werd toegekend en vooral van het geloof in zijn verrijzenis, behoort nog steeds en ondanks een indrukwekkende literatuur tot de mistige gebieden van onze geschiedenis. In de officiële geschiedschrijving is hij nauwelijks bekend. De in het Nieuwe Testament meest prominent aanwezige getuige, de jood Paulus, heeft aan de inhoud van zijn boodschap zo goed als geen aandacht geschonken. Enkel de evangeliën houden een belangrijke informatie in. Maar zij vertegenwoordigen slechts een selecte keuze, die pas tegen het einde van de vierde eeuw officieel werd erkend, op grond van een welbepaalde interpretatie van de prediking van Jezus. Die geschriften hebben overigens, in de loop van hun opeenvolgende redacties en transcripties, duidelijk de invloed ondergaan van een pauliniaanse visie. Door geschriften van “kerkvaders” weten we dat er andere volgelingen waren, die een totaal verschillend begrip hadden van de kennis waarvan hij getuigde. De vondst van Nag Hammadi bevestigt nu het bestaan van een onvermoede diversiteit aan inzichten, waartoe zijn prediking toen aanleiding heeft gegeven.

Door een nuchtere waarnemer is vrij eenvoudig vast te stellen dat zijn prediking duidelijk niet in de lijn lag van het traditionele joodse geloof. Zij was er zelfs zó onverzoenbaar mee dat de religieuze leiders, verenigd in het Sanhedrin, besloten hem op de meest radicale wijze het zwijgen op te leggen. De vrijheid van meningsuiting, die hij aan zichzelf had toegekend, bekocht Jezus met een kruisdood. Op zich was dit toen overigens geen spraakmakende gebeurtenis. Wanneer we de evangeliën naslaan, blijkt echter dat zijn optreden er wel wordt voorgesteld als geïntegreerd in het joodse geloof en het Oude Testament. Hij zou zelfs de in die schriften verwachte Messias zijn, wat voor de orthodoxe joden totaal onaanvaardbaar was. Wat dissonantie was is consonantie geworden...

Het bijzondere in de getuigenis van zijn discipel Thomas is, dat hij een groot aantal uitspraken van Jezus weergeeft, die ook in de kanonische evangeliën aanwezig zijn. Toch vinden we in dit evangelie de Jezus terug die het niet eens is met de inzichten van het joodse geloof en zijn rituelen. Hierin overstijgen zijn religieuze inzichten inderdaad de begrenzingen van de bijbelse geschiedenis. Het nieuwe waar hij voor staat heeft geen uitstaans met het oude. Het is de nieuwe wijn die niet thuis hoort in oude zakken, het nieuwe kleed dat geen verstelling behoeft met een oude lap, geen boodschap heeft aan een joodse besnijdenis. In het bewustzijn van een innerlijke verbondenheid met een absolute zijnswaarde - een verbondenheid waarvoor hij het beeld van een zoon-vader relatie gebruikte - heeft hij als mens de ware bevrijding gevonden. Die verbondenheid erkende hij bovendien in iedere mens. Zijn betrachting zou het zijn geweest zijn broeders en zusters hiervan bewust te maken.

Het probleem, waar de ontdekking van dit evangelie ons vandaag mee confronteert en dat door de Kerk als te verstorend wordt genegeerd, is de vraag naar de juiste interpretatie van zijn religieuze getuigenis. Dat die vraag zich stelt twintig eeuwen na zijn prediking, maakt het antwoord zeker niet eenvoudiger... De culturele kloof die ons op vandaag van de werkelijkheid van toen scheidt is nauwelijks te overzien ! Godsdiensten behoren ook niet langer meer tot het domein van God maar tot dit van een zó betwistbare en cultuurgebonden menselijke “godskennis”. Onze benadering van zijn onderricht kan daarom niet anders dan grondig verschillend zijn van die van zijn toehoorders toen in Palestina. In de mate nochtans dat zijn getuigenis, zoals die van Boeddha, van Krishna en anderen nog, getuigt van een universeel religieus bewustzijn, kan dit echter geen belemmering inhouden om op vandaag te trachten de diepere betekenis van zijn religieuze boodschap te doorgronden.

 

 

 

het universele religieuze bewustzijn

 

Het evangelie volgens Thomas biedt ons nu de gelegenheid de twintig eeuwen oude boodschap van Jezus te benaderen vanuit de vrijheid van een universeel religieus bewustzijn. In dit bewustzijn worden de begrenzingen overstegen, die godsdiensten aan zichzelf en hun gelovigen hebben opgelegd.

 

Religie komt van het latijnse woord religare, dat verbinden betekent. In religie gaat het dus om een verbondenheid. In een traditionele optiek zou de betekenis ervan kunnen zijn : de verbondenheid van mensen die eenzelfde geloof in goden of in een unieke God belijden. Vanuit een universeel religieus bewustzijn definiëren we religie als : de individuele verbondenheid van iedere mens met een absolute zijnswaarde.

 

De werkelijkheid waarin we leven noemen we relatief, omdat alles met alles verbonden is, alles voortdurend in evolutie ook, afhankelijk van begrippen als tijd, ruimte, energie, materie. Het religieuze bewustzijn houdt het inzicht in dat er aan de oorsprong van die werkelijkheid een oorzaak is, een “Zijn”, dat niet afhankelijk is van die relatieve begrippen. Die oorzaak, gesymboliseerd in het woord God, noemen we daarom absoluut. Dit houdt in dat de mens, vanuit zijn relatieve denkwereld, het absolute niet kan bevatten, niet kan kennen. Ook in de joodse Bijbel wordt Jaweh, de God van de joden, de Onkenbare genoemd.

 

Omdat het onbekende steeds een bron van angst betekent, heeft de mens sinds mensengeheugenis gepoogd zich een kennis van het Onkenbare toe te eigenen. Hiervoor deed hij beroep op zijn verbeelding : het Onkenbare werd “ingebeeld”. Van die inbeelding werd de oorsprong toegeschreven aan een directe “goddelijke” revelatie of openbaring. Aan het beeld werden verwachtingen verbonden, geboden, verboden en rituelen. Zo zijn godsdiensten ontstaan.

Het is evenwel de innerlijke tragiek van godsdiensten dat zij, in hun streven naar een toenadering tot God, naar een godskennis, die absolute zijnswaarde voor de hier en nu levende mens zo goed als ontoegankelijk hebben gemaakt.

 

Dit evangelie wordt gnostisch genoemd. Gnosis is het Griekse woord voor kennis. Een correcte definitie verzinnen voor wat onder gnostisch kan worden begrepen is geen eenvoudige opgave ! Het gnostische karakter van de meeste in Nag Hammadi ontdekte geschriften is overigens erg verschillend van dit in het evangelie volgens Thomas. We stellen daarom volgende definitie van gnosis voor : gnosis is niet de onmogelijke kennis van God maar een ervaringskennis, die berust in het bewustzijn in dit leven met een absolute zijnswaarde verbonden te zijn.

Dit bewustzijn is universeel want toegankelijk voor iedere mens, waar of wanneer ook ter wereld. Gezien elke kennis echter afhankelijk is van de toestand van het individuele bewustzijn, kan gnosis nooit als een waarheid aan een ander worden voorgehouden. Ware gnosis is een dienende en dus bevrijdende kennis. Dit is het gemeenschappelijke merkteken in getuigenissen als die van Krishna in de Bhagavad Gita, van Boeddha en ook van Jezus in dit evangelie.

 

Gnosis is dus de vrucht van een religieus bewustzijn en houdt het inzicht in dat de mens een aan tijd en materie gebonden uitdrukking is van een tijdloos “Zijn”, waarin de oorzaak berust van alle mogelijkheden die hij in zichzelf ervaart. De mogelijkheid te denken, te voelen, zintuiglijk waar te nemen en autonoom te handelen ontvangen we voortdurend uit “iets” dat, zoals een bron, blijvend gevend is. Het bewustzijn met “dit” verbonden te zijn behoeft echter geen kennis van de bron zelf. De erkentelijkheid voor een geschenk is niet afhankelijk van een kennis van de schenker...!

 

Hoewel het absolute “in se” niet kenbaar is, toch is dit, dat door het absolute wordt uitgedrukt, wel kenbaar. Die kennis van het relatieve, van de “wereld der verschijnselen”, noemen we wetenschap. Elke juiste kennis, in welk levensgebied ook, kan of mag niet onverenigbaar zijn met een andere juiste kennis. Een correcte kennis van mens en natuur kan dus niet onverzoenbaar zijn met een juist religieus inzicht. Wel moeten we ons voortdurend bewust zijn van de begrenzing van ieder menselijk weten...

 

De uitdrukking van het niet-manifeste Zijn in een manifeste werkelijkheid heeft haar wet... De kernfysica leert ons inderdaad dat, vanuit een leegte, ook fysisch vacuüm genoemd, zich op ieder ogenblik energetische vibraties manifesteren die materie scheppend zijn. Zo ontstaan eerst elementaire deeltjes, die harmoniëren tot atomen, die zelf onderling harmoniëren en moleculen vormen. Die moleculen harmoniëren op hun beurt tot de opbouw van steeds grotere eenheden, van celletjes tenslotte. Zo ontwikkelt zich het leven, vanuit een leegte, in een voortdurend samenspel van energie en materie, van opbouw en afbraak. De unieke wet aan de basis van dit creatieve gebeuren is harmonie.

 

Leegte is waardeloos, want afwezigheid van iets. Een leegte waarin het gehele levenspotentieel besloten ligt is een wonder dat ons begripsvermogen overstijgt... Met die leegte is nochtans iedere mens verbonden, want in haar heeft ieder atoom van zijn lichaam zijn bedding. Dit betekent ook dat ieder atoom of celletje spontaan luistert naar een wet van harmonie... In het bewustzijn van een integratie in een absolute wet, waaraan we ons bestaan te danken hebben, ligt tevens de revelatie van onze finaliteit als mens : wat we door een creatieve harmonie ontvangen, hebben we, zoals de ganse natuur, in harmonie uit te drukken.

 

Harmonie in denken is intelligentie, het vermogen kennis te verwerven. Harmonie in voelen is liefde, het vermogen goed te zijn. Kennis is slechts zinvol indien zij dient, liefde slechts zinvol indien zij gegeven wordt... Beide samen zijn noodzakelijk om juist te handelen. In een rust, de stilte van de leegte binnenin zichzelf, kan iedere mens een inspiratie ontvangen om beide, onderscheidingsvermogen en liefde, harmonisch te beleven en uit te drukken. Die ervaring reveleert hem een absolute zijnswaarde waar ieder individueel leven mee verbonden is.

 

Ooit is het echter misgelopen, omdat de mens zijn integratie in een absolute wet heeft miskend. In het bijbelse verhaal van de zondeval heeft Adam - de mens - verleid door zijn eigen weten - de slang - de vrucht van de boom van kennis - het gezag dat enkel aan “de Schepper” toebehoorde - aan zichzelf toegekend. Gezag is de harmonische vrucht van kennis. Van gezag heeft hij macht gemaakt. Hierdoor heeft hij zijn verbondenheid met de wet van harmonie verbroken. Dit was en is nog steeds zijn zonde van hoogmoed : wat één was en één hoorde te blijven heeft de mens gescheiden. Voor de verstoringen, die hiervan het gevolg zijn, is alleen hij verantwoordelijk. Zijn opdracht is het nu de eenheid, die was in het begin, opnieuw te herstellen.

 

Het dualisme, waarin we nu de uitdrukking van het leven ervaren, vindt zijn oorsprong in een verstoring van het individuele bewustzijn. Zo ervaren we goed en kwaad, harmonie en disharmonie, licht en duisternis. Maar licht heeft een bron, duisternis niet... Duisternis is slechts afwezigheid van licht, zoals disharmonie afwezigheid is van harmonie en onwetendheid afwezigheid is van kennis... De oorzaak van het niet “zien”, het niet ervaren, het niet bewust zijn, ligt uitsluitend bij de mens zelf. Strijden tegen de afwezigheid van iets, van het goede, het harmonische, is zinloos... Wie licht brengt verdrijft spontaan de duisternis. In het bewustzijn met een absolute zijnswaarde verbonden te zijn, de bron van de mogelijkheden die we in onszelf ervaren in haar wet te erkennen, ligt tevens onze verantwoordelijkheid voor een positieve evolutie in dit leven.

 

Wat verbonden is, is één. De kerngedachte in het evangelie volgens Thomas is eenheid. Omdat onze verbondenheid met een absolute zijnswaarde van een spirituele orde is - zij is slechts te ervaren doorheen een inspiratie die ontvangen wordt - is zij ook zo moeilijk in woorden uit te drukken. Om van die verbondenheid te getuigen deed Jezus daarom beroep op beelden. Maar een beeld is slechts een middel om een werkelijkheid te benaderen. Nooit kan het middel verward worden met het doel, kan het beeld verward worden met de werkelijkheid zelf. Het beeld van de zoon-vader relatie, waarin Jezus zijn innerlijke verbondenheid visualiseerde, werd echter niet als een beeld erkend maar voor werkelijk aanzien... Hij beschouwde zich dus als een zoon van God, zo werd het beeld begrepen... Die verwarring bekocht hij met een kruisiging. Het zal daarom voor iedere toehoorder van dit evangelie een uitdaging zijn de in het beeld verborgen kennis juist te interpreteren en tot de essentie van het begrip eenheid door te dringen.

 

 

 

Een stukje historiek

 

Het lijkt wel een ongeschreven wet dat belangrijke ontdekkingen met toeval te maken hebben. Met de vondst, die Mohammad Ali al Samman en zijn broeders in december 1945 nabij Nag Hammadi in Boven Egypte te beurt viel, was het niet anders. In het gebied van de Jabal al Tarif, een ruwe bergstreek bezaaid met grotten en holen, waren zij op zoek naar een bijzondere soort aarde om hun akkers vruchtbaarder te maken. Terwijl hun houwelen de grond omwoelden stootten zij op een oude kruik. Na enige aarzeling - er kon wel eens een jinn of kwade geest in verscholen zitten - besloten zij de kruik te openen. Wat zij erin ontdekten was, voor hen althans, erg teleurstellend: geen kostbare schat maar een aantal oude manuscripten, geschreven in het koptische schrift en ingepakt in dertien lederen omslagen. Terug thuis gekomen gooiden zij hun vondst bij het stro naast de oven. Een deel ervan zou zelfs gebruikt zijn om het vuur aan te steken.

Het vervolg van dit verhaal bevat alle ingrediënten voor een klassieke thriller, waarin bloedwraak, maffiapraktijken, zwarte handel en gerechtelijke processen de toegang tot de inhoud van die uitzonderlijke archeologische vondst voor langere tijd zouden beletten. Ook de hebzucht van sommige geleerden, die in deze ontdekking een opportuniteit zagen om hun eigen faam behoorlijk wat op te krikken, vertraagde aanzienlijk het onderzoek en kenbaar maken van deze geschriften.

Korte tijd na hun vondst wreekten de broeders de dood van hun vader en vermoordden zij Ahmed Ismaïl. Vrij snel werd hun bloedwraak bij de politie bekend. Uit vrees dat bij onderzoek de boeken zouden worden ontdekt, werden zij toevertrouwd aan een priester uit een nabijgelegen dorp. Benieuwd naar wat de waarde ervan zou zijn, vertrouwde de man één van de boeken toe aan een vriend, die ermee naar Cairo trok. Zo belandde een eerste van de dertien codices, zoals zo’n boeken worden genoemd, op de zwarte markt. Andere zouden volgen. Want de beruchte éénogige Baj Ali, een lokale maffioso, had in Nag Hammadi de hand kunnen leggen op een groot deel van de overige boeken en ze doorverkocht aan een antiquair in Cairo. Een niet onbelangrijk deel van een codex kwam zo ook in het bezit van Albert Eid, een Belgische antiquair, die zich in de Egyptische hoofdstad gevestigd had.

Al spoedig trok die handel de aandacht van de politie, want de waarde van de ontdekking was inmiddels tot de Egyptische overheid doorgedrongen. Reeds in 1947 had de Franse egyptoloog Jean Doresse enkele door de staat gerecupereerde koptische handschriften kunnen onderzoeken. Zijn besluit was indrukwekkend. Doresse stelde noch min noch meer dat deze ontdekking een nieuwe wending zou betekenen in het onderzoek naar de oorsprong van het christendom.

Inmiddels had antiquair Tano, die de codices van Baj Ali had gekocht, deze doorverkocht aan een Italiaanse verzamelaar. Na een jarenlang proces kwamen zij uiteindelijk in het bezit van de Egyptische staat. Albert Eid wist nochtans zijn manuscripten uit Egypte te smokkelen en bood ze te koop aan in de Verenigde Staten. De vrees voor inbeslagname door de Egyptische regering belette echter elke transactie. Uiteindelijk belandden zij in de geborgenheid van een Belgische kluis.

De Nederlandse professor Gilles Quispel, die de wetenschappelijke waarde van de te koop aangeboden papyrusbladen vermoedde maar onwetend was omtrent de illegaliteit ervan, zette het Jung Instituut in Zürich aan zich dit manuscript aan te schaffen. Via een tussenpersoon in een Brussels café en een pak Zwitserse franken slaagde Quispel er in alle onschuld in een vijftigtal papyrusbladen naar Zwitserland te smokkelen. Een hele poos later, nadat hij tot de bevinding was gekomen dat één van de teksten onvolledig was, begaf hij zich naar het koptische museum in Cairo. Daar ontdekte hij de ontbrekende bladen. Zijn verbijstering was totaal toen hij de aanhef ervan las : “dit zijn de verborgen woorden die jezus de levende gesproken heeft en die judas didymos thomas heeft neergeschreven”. Dit was de aanhef van het evangelie volgens Thomas, één van de tweeënvijftig teksten die uit de kruik van Nag Hammadi in de openbaarheid zijn gekomen.

Door allerhande belangenspelletjes van geleerden duurde het nog tot 1977 vooraleer een eerste volledige publicatie in het Engels het daglicht zag in de Verenigde Staten. Inmiddels was duidelijk geworden dat de kruik van Nag Hammadi een soort bibliotheek bevatte van een gnostische gemeenschap. Tot nog toe was het bestaan van het gnosticisme ons vooral bekend door traktaten van kerkvaders die deze ketterij bestreden. De studie van de koptische geschriften zou een meer dan verhelderend licht moeten werpen op het belang van die belevingsvorm in het vroege christendom.

De oorsprong van de manuscripten kon vrij nauwkeurig worden gesitueerd rond de helft van de vierde eeuw, de periode waarin door de Kerk een definitieve selectie werd gemaakt van de door haar erkende “boeken”, die nu deel uitmaken van het Nieuwe Testament. De oudste codices van de kerkelijke kanon, o.m. de Codex Sinaïticus en de Codex Vaticanus, geschreven in de Griekse taal, dateren eveneens uit dezelfde periode. Het was ook in die tijd dat een machtsbevestiging van de katholieke Kerk mogelijk werd door de erkenning die zij kreeg van de romeinse keizer Constantinus. Dit betekende meteen een zweepslag voor de bestrijding van alles wat niet tot de zuivere leer behoorde. Zo gebeurde het dat monniken van een gnostische gemeenschap de getuigenissen van hun geloof in een kruik opborgen en op een onherbergzame plek in de heuvels in veiligheid brachten. Pas zestien eeuwen later zou hun testimonium opnieuw voor de mensheid toegankelijk worden.

Omtrent de datering van het Evangelie volgens Thomas zijn, zoals te verwachten viel, de meningen verdeeld. De auteurs van de “Synopse des quatre Évangiles” van de “École Biblique de Jérusalem”, het meest gezag hebbend instituut voor bijbelstudie binnen de katholieke Kerk, beschouwen dit evangelie als voortijdig aan de redactie van de kanonische evangeliën. Helmut Koester van de Harvard University situeert de oorsprong ervan rond het jaar 50. In die vroege datering wordt hij door een aantal collega’s gevolgd o.m. door Ron Cameron, S.L. Davis en C.W. Hedrick. Een niet onbelangrijke indicatie is de vaststelling dat Paulus in zijn eerste brief aan de korinthiërs quasi letterlijk logion 17 uit dit evangelie aanhaalt, een citaat dat hij evenwel laat voorafgaan door de woorden : “zoals geschreven is”. De levende Jezus en diens evangelie wou Paulus immers niet kennen. Er was dus minstens één uitspraak van Jezus, die niet in de overige evangeliën vermeld wordt, gekend in het midden van de eerste eeuw. Overigens is het allerminst een uitgemaakte zaak of de kanonische evangeliën, althans in de vorm waarin we ze nu kennen, een eeuw later reeds waren voltooid. Tot na het midden van de tweede eeuw is er inderdaad geen enkel citaat uit een evangelie bekend, waaraan de naam van een evangelist expliciet verbonden werd.

Is dit evangelie nu de meest originele en dus authentieke getuige van woorden die ooit door Jezus zouden zijn gesproken ? Op die vraag zal de wetenschap ons wellicht nooit een sluitend antwoord kunnen geven. Het onderzoek naar de Dode Zee rollen bracht aan het licht hoe krampachtig, laat staan vijandig, de relatie tussen geloof en wetenschap kan zijn bij de ontdekking van nieuwe geschriften. Omdat het traditionele geloof een geruststellende zekerheid inhoudt omtrent een tijdloze toekomst na dit leven en dus een oplossing biedt voor existentiële angsten, voelen heel wat gelovigen zich geborgen binnen de veilige muren van hun geloof. Die geborgenheid heeft voor hen ook een heel bijzondere waarde. Het draagvlak van het geloof berust nochtans niet op rationele gronden maar op een gevoelsmatige benadering van een bovennatuurlijke werkelijkheid. Daarom ook kunnen rationele bespiegelingen hierop nauwelijks vat hebben. Dit maakt van de ontmoeting tussen geloof en wetenschap een heel problematische aangelegenheid.         

In Jezus ligt de getuigenis besloten dat een juist religieus inzicht nooit aanleiding kan geven tot macht... Daarom kunnen we ook niet om de bedenking heen hoe de machtspolitiek, die door de Kerk eeuwenlang gehuldigd werd, te verzoenen is met de ingesteldheid waarvan Jezus zelf getuigde. Is de Kerk, in haar drang naar zelfbevestiging, niet veel meer Paulus gevolgd dan Jezus...? Waren de gnostische christenen niet veel nauwer verbonden met de levende Jezus dan Paulus ooit is geweest of wou zijn...? De uitklaring van het belang van de gnostische beleving in de eerste eeuwen kan ongetwijfeld bijdragen tot een vernieuwd inzicht in het ontstaansproces van het christendom. Nooit echter zal de wetenschap in staat zijn een antwoord te formuleren op de vraag naar de ware toedracht van de religieuze getuigenis van Jezus.

 

 

 

de commentaar

 

Elke uitspraak of logion van dit evangelie voorzagen we van een hopelijk verhelderend commentaar. De bedoeling ervan is niet een zoveelste religieuze “waarheid” te poneren maar de zoektocht naar de niet conventionele inhoud in de boodschap van Jezus voor ieder die het wenst iets meer toegankelijk te maken. Interpreteren behoort echter tot de vrijheid van ieder individueel bewustzijn. Daarom ook kan een interpretatie nooit als een waarheid aan een ander worden voorgesteld, laat staan worden voorgehouden. In een religieuze context behoort de waarheid overigens tot het pretentieuze menselijke weten, tot het venijn van de paradijselijke slang... Daarom ook belet zij zo vaak elke zinvolle communicatie tussen religieuze gemeenschappen.

Vrijheid is de noodzakelijke basis voor elke menselijke kennis. Vanuit die vrijheid benaderen we Jezus als een mens die, zoals de Boeddha en zovele anderen, ooit getuigenis aflegde van zijn religieuze bewustzijn. Die gebeurtenis gaf aanleiding tot het ontstaan van een nieuw “geloof”. We zijn er ons wel van bewust dat het in vraag stellen van een interpretatie van zijn getuigenis, waaruit het christelijke geloof is ontstaan, bij heel wat gelovigen gevoelig ligt. Voor die gevoeligheid hebben we niet alleen begrip maar ook respect. Vrijheid impliceert echter ook verantwoordelijkheid, want kennis is slechts zinvol indien zij dienend ter beschikking wordt gesteld. Hoe met kennis wordt omgegaan behoort tot de persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid van iedere mens.

Een bevrijde religieuze kennis berust niet in een cultuurgebonden traditie maar in de vrijheid van een universeel religieus bewustzijn. In het zoeken naar een antwoord op levensvragen staat iedere mens in een eenzame naaktheid tegenover zichzelf. Overtuigingen van anderen zijn ons van geen nut... Toch kan elke bevrijde kennis ook voor een ander iets bevrijdend inhouden, een gelegenheid zijn om een straaltje licht te zien waar zoveel duisternis is, een beetje vertrouwen te ervaren waar zoveel wanhoop is...

Voor elke toehoorder van de boodschap in dit evangelie, gelovig of niet, zal het dus een uitdaging zijn eigen inzichten of overtuigingen even opzij te schuiven en open minded, zonder vooringenomenheid, te luisteren en op zoek te gaan naar de diepere betekenis in de religieuze getuigenis van een medemens. De basisvraag, waar we allen in dit leven mee te maken hebben, is niet in de eerste plaats wie of wat God zou kunnen zijn maar wel : wie ben ik, mens in deze wereld, wat is de zin van mijn bestaan, wat mijn finaliteit...?

In verband met de voorgestelde commentaar nog deze opmerking. In de loop van de 114 uitspraken of logia komen dezelfde thema’s bij herhaling aan bod. De essentie van de boodschap is te vatten in een paar “radicale” inzichten. Hiervan worden ook regelmatig nevenaspecten belicht. Het is daarom moeilijk te vermijden met de commentaar in herhaling te vervallen. We zijn er echter bewust vanuit gegaan dat een dergelijke getuigenis een gelegenheid tot bezinning kan betekenen, waarbij de lezer zich tot één of enkele logia kan beperken.

 

 

 

vertalen is verraden...

 

...wordt wel eens en vaak terecht beweerd. De overdracht van een religieuze kennis heeft steeds en in elke cultuur aanleiding gegeven tot een vervorming of een ontaarding van de initiële boodschap. Dit lot werd ook de boodschap van Jezus niet bespaard. Nog steeds is het een realistische vraag hoe zijn getuigenis door discipelen werd begrepen, hoe de schrijvers van de evangeliën hiermee zijn omgegaan, welke interpretatieve manipulaties die geschriften hebben ondergaan in de loop van hun opeenvolgende redacties... Zelfs bij de vertaling van de Griekse basistekst naar een moderne taal vertoont de transcriptie te vaak interpretatieve ingrepen. Aan die werkelijkheid ontsnapt ook deze getuigenis niet...

De taal van dit evangelie is koptisch en is dus reeds een vertaling. Omtrent de waarheidsgetrouwheid ervan zullen steeds niet te beantwoorden vragen blijven bestaan. De vertaling van het koptische origineel naar een moderne taal is weliswaar specialistenwerk maar kan normaliter vrij secuur gebeuren. Uit diverse vertalingen die we konden inkijken blijkt nochtans hoe vaak een vertaler de behoefte vertoont reeds in het vertaalwerk voor zijn lezer de inhoud van de boodschap iets meer toegankelijk te maken. Soms leidde onbegrip tot een ronduit foute vertaling. Interpreteren en vertalen zijn twee verschillende oefeningen die blijkbaar moeilijk van elkaar te scheiden zijn. De vertaling van sommige woorden plaatste ons inderdaad voor een quasi onmogelijke opgave.

Zo is monachos een sleutelwoord in dit evangelie. We hebben het bewust onvertaald gelaten omdat de inhoud ervan niet in één woord is samen te vatten. Monachos is zowel Grieks als koptisch. De stam ervan is monos, dat één of alleen betekent. In monachos herkennen we het woord “monnik” : een persoon die zich van de wereld heeft afgekeerd om dit te zoeken wat “God” genoemd wordt. Niet het uiterlijke gedragspatroon maar de innerlijke ingesteldheid is echter bepalend voor het monachos zijn. Het geeft de eigenschap weer van de mens, die een innerlijke weg is gegaan en tot het bewustzijn is gekomen van een integratie van het individuele “zelf” in een absolute zijnswaarde, die onderliggend is aan de relatieve werkelijkheid van deze leefwereld.

Een gerichtheid naar het innerlijke veronderstelt een zich onthechten aan de gebondenheid aan uiterlijke waarden. In dit “loslaten” richt de zoektocht zich niet naar een God maar naar het diepere wezen van het eigen “zelf”. De ultieme onthechting bestaat erin het zo belangrijke “ikje” en zijn dominante positie binnen het eigen leven te relativeren tot zijn werkelijke waarde van dienende transformator van een inspiratie, die uit het hogere - dit dat binnenin is - kan ontvangen worden. In die bevrijdende ervaring heeft de monachos de initiële én ultieme realiteit van het eigen wezen erkend. Zowel één, eenzaam, onthecht als bevrijd, zijn eigenschappen die horen bij monachos.

Een ander vertaalprobleem stelt zich bij het woord psychè. Nu erkennen we dit woord als de stam van psychologie. Een vertaling door ziel ligt dus voor de hand. Maar is het de ziel in “bezieling” of in “zieleroerselen” of daarentegen die in de uitdrukking : “een mens is een onsterfelijke ziel in een sterfelijk lichaam” ? En wanneer we hierbij aansluitend ook nog het begrip pneuma, dat adem maar ook geest betekent, van een correcte inhoud moeten voorzien, is de klus nog helemaal niet geklaard ! Beide begrippen sluiten bovendien aan bij een lichamelijke realiteit en ook hiervoor worden twee termen gebruikt: soma en sarks. Soma refereert aan het lichaam als de materie gebonden component van de mens. Onder sarks wordt dan eerder het door de psychè “bezielde” lichaam bedoeld, naar het beeld : “een mens van vlees en bloed”, zoals ook Paulus in die betekenis sarks gebruikte. (1 Kor 15, 50)

De mens is een psychosomatische entiteit, een combinatie van psychè en soma, die wordt weergegeven in het woord sarks. De psychè zouden we kunnen omschrijven als een soort innerlijk reservoir, dat zowel mentale als emotionele inhouden bevat, die voortkomen uit de aanhoudende wisselwerking tussen het ik en de buitenwereld en zowel bewust als onbewust werden opgeslagen. Hierdoor bepaalt de psychè het “innerlijke zelf” van de mens en geeft zij inhoud aan zijn ego.

De inhoud van pneuma, dat geest of spiritus betekent, trachten te omschrijven is evenmin een eenvoudige opgave. Zoals een dier beschikking heeft over een inspiratie die leiding gevend is en die we het instinkt noemen, zo ontvangt ook de mens een inspiratie om zijn mogelijkheden juist en dus harmonisch te gebruiken. De bron ervan ligt in het hogere en wordt in een religieuze optiek de “werking van de Geest” genoemd. Op het persoonlijke vlak kan de geest beschouwd worden als wat de mens rest van die leiding gevende inspiratie, nadat zij doorheen de filter van zijn psychè transgresseerde. Door die interferentie wordt de pneuma vooral gekleurd door een persoonlijke kennis en door ik-gebonden verlangens. Hierdoor wordt de oorsprong ervan uitsluitend aan het eigen ik toegeschreven. Zo is iedere mens zich bewust te beschikken over een eigen geest.

Het al dan niet harmonisch samengaan van deze onderscheiden functies binnenin de mens resulteert uiteindelijk in wel bepaalde toestand van zijn bewustzijn. Hoe zuiverder de structuren van het bewustzijn zijn, des te doeltreffender de pneuma zich kan manifesteren en des te beter de kwaliteit van elke beleving zal zijn : van het denken, het voelen, het ervaren en het handelen. Met deze verduidelijkingen hopen we misverstanden, inherent aan een delicate vertaling, te vermijden. We vertaalden dus : psychè door “innerlijk zelf”, pneuma door “geest”, soma door “lichaam” en sarks door “vlees”.

In de evangelische traditie stelt er zich nog een bijzonder vertaalprobleem, namelijk bij de betekenis van het Griekse woord basileia. Aansluitend bij de joodse verwachting werd het vertaald door koninkrijk. De eerste betekenis ervan is echter koningschap en heeft dus te maken met de koninklijke waardigheid. Door extensie kan het ook koninkrijk betekenen. Toch is er een wezenlijk onderscheid tussen beide begrippen. Een koninkrijk verwijst naar een gebied waarover een koning heerst, waarover hij zijn macht uitoefent. Wie tot zijn koninkrijk behoort moet zijn wetten aanvaarden en kan uiteraard ook genieten van de voordelen ervan. Het begrip koningschap legt daarentegen de nadruk op het koninklijke gezag.

De verwarring tussen gezag en macht is tekenend voor onze menselijke samenleving. Wie een kennis dienend ter beschikking stelt oefent gezag uit. Dit resulteert in een bevrijdend effect voor een ander. Wie kennis misbruikt om niet anderen maar zichzelf te dienen, oefent macht uit. Gebruik van macht begrenst de vrijheid van een ander. Het onderscheid kan uitgedrukt worden in één woord : hoogmoed. Wie deel heeft in een gezag heeft een dienende verantwoordelijkheid. Daarom is het de opdracht van iedere mens zich hier en nu opnieuw bewust te worden van zijn integratie in een absoluut gezag en, vanuit die verbondenheid, de mogelijkheden die hij ontvangt dienend uit te drukken.

Op te merken valt dat een Messias een koning was, niet bekleed met macht maar met een enorme verantwoordelijkheid, namelijk die van de komst van het Koninkrijk voor te bereiden. In dit evangelie verwijst de titel van koning overigens niet naar macht maar naar gezag en dus verantwoordelijkheid. In de betrachting geen interpretatie op te dringen hebben we bij de vertaling het traditionele koninkrijk behouden. Aan de lezer om, zo gewenst, de inhoud ervan zelf bij te sturen.

Deze weergave van het evangelie volgens Thomas berust op een vergelijkende studie van diverse vertalingen. Als basistekst maakten we vooral gebruik van de Franse versie van “Évangile selon Thomas” (Collection Metanoia 1979), omdat die uitgave een kritische woord aan woord vertaling bevat vanuit het koptische origineel. Daar waar we dachten te moeten bijsturen, omdat we het vermoeden hadden dat zich transcriptiefouten of een of andere vorm van bezoedeling hadden voorgedaan, deden we dit in alle helderheid. Vele logia hebben herkenbare sporen nagelaten in de kanonische evangeliën. Telkens dit het geval is werden de nodige verwijzingen aangegeven. Zo kan de lezer, indien gewenst, voor zichzelf uitmaken welke weergave de meest originele zou kunnen zijn.

Tenslotte nog dit : het koptische origineel is een doorlopende tekst, zonder spatie tussen de woorden, zonder leestekens noch hoofdletters. Om iets van de oorspronkelijke sfeer te behouden hebben we daarom leestekens en hoofdletters weggelaten en enkel de woorden van elkaar gescheiden.

 

 

 

het evangelie volgens Thomas

 

 

dit zijn de verborgen woorden

die jezus de levende gesproken heeft

en die didymos judas thomas heeft neergeschreven

 

 

De aanhef van dit evangelie maakt meteen de auteur ervan bekend : didymos judas thomas. De eerste naam is Didymos en betekent “tweeling” in het Grieks. Judas was toen een veel voorkomende naam. Thomas betekent tweeling in het aramees. Naar wat die dubbele bijnaam verwijst kan niet met zekerheid worden bepaald. Misschien had Judas gewoon een tweelingbroer of –zus. Misschien verwijst die bijnaam wel naar de spirituele verbondenheid waarin hij met Jezus verenigd was. “Elke volmaakte discipel zal zijn als zijn meester” is een uitspraak van Jezus in het Lucasevangelie (Lc 6, 40). Thomas is ons vooral bekend uit het Johannesevangelie, vanwaar hij de dubieuze reputatie van “ongelovige” te danken heeft. De bijnaam Didymos wordt hem ook in Joh. 11, 16 en 21, 2 toegekend. In Joh. 14, 22 wordt hij gewoon Judas genoemd. De naam Judas Thomas komt eveneens voor in diverse varianten van het Johannesevangelie. (*)

De betekenis van verborgen woorden is voor interpretatie vatbaar. Omdat het een kennis van een hogere orde betreft, die niet rechtstreeks communiceerbaar is, verkondigt Jezus zijn inzichten heel vaak bij middel van een beeldspraak. Zijn kennis ligt verborgen in het beeld. Aan ieder om de betekenis ervan te ontsluieren. Dit is de meest voor de hand liggende interpretatie van verborgen woorden. In de eerste eeuwen van het christendom waren echter een groot aantal geschriften in omloop, waarvan de inhoud afweek van de leer van de jonge Kerk. Die getuigenissen, die niet zijn opgenomen in het Nieuwe Testament, werden “apocrief” genoemd, naar het Griekse woord apocruphos, dat hier gebruikt wordt en verborgen of geheim betekent.

Een vertaling als “geheime woorden” vinden we minder passend, omdat hierdoor de indruk kan worden gewekt dat de verkondigde boodschap een soort esoterische kennis zou bevatten, enkel toegankelijk voor een ingewijde. De boodschap van Jezus getuigt van een universele kennis, waar iedere mens toegang kan toe hebben, op voorwaarde evenwel er zich voor open te stellen. Jezus wordt hier de levende genoemd. De betekenis van de woorden leven en dood heeft in dit evangelie een ander draagvlak dan wat onder natuurlijk of biologisch leven en dood wordt begrepen. Het bewustzijn van een verbondenheid tussen het lagere, het biologische, en het hogere, het spirituele, geeft aan dit leven een absolute dimensie. Wie tot dit bewustzijn is doorgegroeid is levend geworden. Hiervan is Jezus de levende getuige.

 

(*) Over de identiteit van Judas Thomas kan enkel worden gespeculeerd. De naam Judas doet onvermijdelijk terugdenken aan de “verrader”. In het verhaal van de aankondiging door Jezus van zijn verraad, een gebeuren waarvan in de evangelische context de zin of de noodzaak overigens totaal onduidelijk is, worden voor “verraden” twee verschillende Griekse werkwoorden gebruikt : paradidomai en prodidomai. Het eerste betekent : doorgeven, overleveren, zoals een kennis doorgeven. Het tweede heeft de connotatie iets bekend te maken dat niet hoort bekend gemaakt te worden, verraden dus. Gezien de verbazende reactie van de apostelen bij het bekend maken door Jezus dat iemand hem zou “verraden” - “zou ik het zijn?” (Mt 26,22 - Mc 14,19) - is het niet ondenkbeeldig te veronderstellen dat Jezus het had over iemand die de opdracht kreeg zijn boodschap over te leveren. Dit zou ook zijn aansporing tot spoed kunnen rechtvaardigen. De Judas in kwestie zou dan helemaal geen verrader zijn geweest maar de uitvoerder van een opdracht. Indien het om Judas Thomas ging zou dit een erkenning van zijn evangelie inhouden. Wat voor anderen, o.m. de aanhangers van Johannes, niet te aanvaarden was. Zo werd het scenario van een verraad bedacht... De apostel Thomas als een verrader beschouwen was echter uitgesloten. Een andere Judas, de iskariot, werd zo het slachtoffer van een obscure manipulatie. Vermoedelijk zou die naam zijn afgeleid van sica, een soort dolk die hoorde bij de sicariotes, een naam die verbasterde tot iscariot en verwees naar een geweldadige groep binnen de zeloten. Door hem als verrader te brandmerken zou men Jezus tevens afstand hebben laten nemen van die sekte. Het recent ontdekte evangelie van Judas bevestigt dat de mening aanwezig was dat die Judas zich niets te verwijten had en zelfs een trouwe vriend van Jezus zou zijn geweest... Anderzijds weten we uit de evangeliën dat een Judas, zoals Jacobus, een broeder van Jezus was. De polemiek rond die broederschap is overigens een bekend gegeven. Gezien het aantal Judassen waar we mogelijks mee te maken hebben, blijft het dus gissen naar wie in dit verhaal wie zou kunnen zijn...

 

 

1

en hij heeft gezegd

wie de interpretatie van deze woorden vindt zal de dood niet smaken

                                                                                                                             

Joh 8, 51-52: “Voorwaar ik zeg jullie: indien iemand mijn woord in zich bewaart...

nooit zal hij de dood smaken.”

 

 

De uitdaging waar we voor geplaatst worden is het ontsluieren van de kennis die in de woorden van Jezus verborgen ligt. De kwaliteit van een interpretatie is rechtstreeks afhankelijk van de toestand van het bewustzijn : hoe zuiverder het bewustzijn is, des te juister het inzicht zal zijn. Dit houdt in dat een interpretatie steeds persoonlijk zal zijn en evoluerend naargelang de evolutie van het eigen bewustzijn. Daarom ook zal de toegang tot de volledige toedracht van zijn kennis tijd en bezinning vergen.

De uitdrukking zal de dood niet smaken lijkt vreemd maar is niet alleen bij Johannes terug te vinden. Noteer terloops het subtiele onderscheid tussen : de interpretatie vinden en het woord bewaren... Wie de juiste betekenis van zijn verborgen woorden zal ont-dekken en zijn kennis in zich zal opnemen, zal leven. Dood is afwezigheid van leven, zoals duisternis afwezigheid is van licht, onwetendheid afwezigheid is van kennis. De ervaringskennis, die toen gnosis genoemd werd (zie introductie), wordt in gnostische middens rechtstreeks geassocieerd met leven. Toegang hebben tot de gnosis is de voorwaarde om ook toegang te hebben tot het ware leven. De fysische dood mag dan wel blijven bestaan als het eindpunt van een biologisch ik, toch zal hij de mens, die is “thuis gekomen” in zijn absolute innerlijke bron, niet deren.

 

 

2

jezus heeft gezegd

dat hij die zoekt niet ophoudt te zoeken tot hij vindt

en wanneer hij gevonden heeft zal hij in verwarring zijn

en indien hij in verwarring is zal hij in verwondering zijn

en hij zal koning zijn over het al

 

vergelijk: Mt 7, 7-8 - Lc 11, 9-10

 

 

Wie tot een juiste interpretatie wil komen, de kennis van zijn woord in zich wil opnemen, moet zelf een zoekende weg gaan. Dit is een persoonlijke opdracht, waarbij in oprechtheid eigen waarden en inzichten worden in vraag gesteld, het belang van het eigen ik en zijn overtuigingen wordt gerelativeerd in het licht van een nieuwe kennis. Die weg leidt tot een inzicht en een ervaring die aanvankelijk verstorend zijn, want de hoeksteen van religieuze “zekerheden” ondergravend. Wie het nieuwe in zich tracht op te nemen komt, zoals Jezus toen, in conflict met het oude. Verwarring dus. Maar wie het oude kan loslaten en het conflictuele in alle eerlijkheid kan oplossen, ervaart tenslotte een bevrijdende verwondering, die berust in het bewustzijn dienend deel te hebben in het koningschap van de Vader.

Zoals verder nog zal blijken (zie logion 81), verwijst voor Jezus de titel van koning vooral naar verantwoordelijkheid en gezag en niet, zoals later het geval zou zijn, naar heerschappij en macht. Daarom vinden we de vertaling van de laatste lijn door : en hij zal heersen over het al, niet passend.

 

 

3

jezus heeft gezegd

indien zij door wie jullie worden aangetrokken zeggen

zie het koninkrijk is in de hemel

dan zullen de vogels van de hemel jullie vóór zijn

indien zij zeggen het is in de zee

dan zullen de vissen jullie vóór zijn

maar het koninkrijk is binnenin jullie en het is buiten jullie

wanneer jullie jezelf zullen erkennen

dan zullen jullie erkend zijn

en jullie zullen weten dat jullie zijn

de kinderen van de vader de levende

indien daarentegen jullie jezelf niet erkennen

dan verblijven jullie in een armoede

en jullie zijn de armoede

 

Lc 17, 21: “De komst van het koninkrijk van God zal men niet waarnemen, noch zullen zij zeggen: zie het is hier of daar is het want zie, het koninkrijk van God is binnenin u.” In het Grieks staat hier namelijk : entos ùmôn estin.

 

 

Hier begint de confrontatie met het nieuwe ! Zich afhankelijk maken van een kennis van anderen is niet zinvol. De weg die we te gaan hebben is vóór alles die van de zelfkennis. Die kennis is niet zozeer een antwoord op de vraag : wat is mijn eigenheid, hoe functioneer ik mentaal of emotioneel, waarin onderscheid ik mij van anderen ? De vraag is veeleer: wie ben ik, mens in deze wereld, wat is mijn opdracht, wat mijn finaliteit ? Wat is de zin van het biologische wonder dat “mens” heet ?

Niet zonder een zekere ironie maakt Jezus hier zijn inzicht bekend omtrent de werkelijkheid die verwoord werd in “het koningrijk van God”. De komst van het koninkrijk, als het herstel van een goddelijke orde op aarde, is een oude joodse droom. Voor de jood Paulus was de verwachting van die nakende gebeurtenis zo intens, dat hij de mannen van Korinthië de raad meegaf af te zien van verdere geslachtsgemeenschap met hun vrouw. Dit zou hen op de nabije “dag des oordeels” zeker ten goede worden aangerekend ! (1Kor 7, 29) Die droom werd, mits een grondige aanpassing - nu zou het koninkrijk tot het hiernamaals behoren - en ondanks de logenstraffing van Jezus in Lc 17, 21, door de christelijke Kerk overgenomen. Blijkbaar is het gezag van Paulus meer overtuigend geweest dan dit van Jezus...

De innerlijke beleving van het koninkrijk - het is binnenin jullie - en de uiterlijke ervaring ervan - en het is buiten jullie - bevestigen dat dit koninkrijk te maken heeft met een reële ervaring hier en nu, in dit leven. Zoals de ganse natuur, luistert ook ieder celletje van ons eigen lichaam naar Zijn wet. Zich bewust worden van die verbondenheid impliceert de erkenning van een levensbron binnenin zichzelf. Wie dit zal erkennen zal ook erkend zijn. De bron in zichzelf erkennen, houdt dus een respons in van de bron zelf : door haar zullen we erkend worden en het licht ontvangen dat de duisternis van onwetendheid kan wegnemen. Indien we dit niet erkennen verblijven we in een armoede. Dit is de toestand waarin Jezus zijn medemensen heeft aangetroffen, een toestand die nog steeds de onze is... (zie logion 28)

Om het intieme karakter van zijn verbondenheid met een absolute levensbron voor zijn medemensen duidelijk te maken, doet Jezus beroep op het beeld van een vader. (zie logion 15) Die verbondenheid is echter niet uitsluitend voor hemzelf voorbehouden ! Allen zijn we, in eenzelfde spirituele verbondenheid, kinderen van de vader, de levende. Terloops kunnen we ook opmerken dat in dit evangelie de hemel niet verwijst naar een goddelijk verblijf maar, zoals de zee, behoort tot de relatieve schepping. Dit belet nochtans niet dat de hemel, zoals elke relatieve werkelijkheid, dienstig kan zijn als een symbool dat naar het hogere verwijst.

 

 

 

4

jezus heeft gezegd

in zijn dagen zal de oude man niet aarzelen

een klein kind van zeven dagen te ondervragen

naar de plaats van het leven

en hij zal leven

want vele eersten zullen zich laatsten maken

en zij zullen één zijn

 

voor “eersten en laatsten” zie: Mt 19, 30 - Mc 10, 31 - Lc 13, 30

 

 

Van deze woorden van Jezus overleefde in de kanonische evangeliën enkel de voorlaatste regel, in wanorde weliswaar... Een vreemde ontmoeting overigens, die een oude man en een kind van zeven dagen verenigt. De eerste heeft een gans leven achter zich, het laatste zeven dagen slechts. Uiteraard is het getal zeven, dat verwijst naar het volmaakte, niet toevallig gekozen. Dit kleine kind leeft, onbewust nog van zichzelf, rustig verblijvend in de harmonie van en met zijn levensbron. Toch is het de katalysator, die het bewustzijn van de oude man zó beroert, dat hij pas nu de ware toedracht van zijn verbondenheid inziet.

Ooit is ook hij een kind van zeven dagen geweest, bevrijd nog van de dwingende eisen van het eigen ik. Nu hij oud geworden is, zijn leven geleefd heeft, zijn strijd gestreden met zichzelf en de anderen en hij zich bewust is dat zijn einde stilaan naderbij sluipt, stelt hij zich vragen. Als een gelovig man heeft hij zijn leven in een gelovige gemeenschap doorgebracht. Hoewel vrijwel iedereen zich aan de voorschriften van het geloof hield, was er van enig concrete invloed van God nochtans weinig te bespeuren geweest. De wereld was er tijdens zijn leven niet echt beter op geworden. Immers, wanneer het er op aan kwam, was het toch steeds weer ieder voor zich, was het eigen ik belangrijker dan die beschermheer van boven. Weliswaar was hij er zich van bewust dat hij van God de mogelijkheden ontvangen had om het hier waar te maken, maar de verdiensten voor wat hij had bereikt had hij toch steeds aan zichzelf toegekend.

Wat hij zich tijdens zijn leven verworven had zou hij weldra moeten achterlaten... “Was het wel de bedoeling van zijn God geweest dat hij hier voor zichzelf iets zou verwerven ? Waren zijn verlangens wel in overeenstemming geweest met het plan dat God met hem had ? Had hij niet moeten leven als een dienaar van de Heer, die hem alles gegeven had, eerder dan zijn eigen ik als heer te beschouwen ? Had hij zich niet van heer vergist en zich zo van zijn ware Heer afgescheiden ?”

Misschien waren het wel dergelijke gedachten die de oude man in de stilte van zijn eenzaamheid tot bezinning hadden gebracht... En toen gebeurde het dat hij het kleine kind van zeven dagen ontmoette. Als door een plotse intuïtie verlicht besefte hij dat hij, de eerste, want de eerstgeborene, in eenzelfde verbondenheid met zijn Heer één is met het kleine kind, het laatste, want het laatstgeborene... Immers, de plaats van het leven, de absolute bron waar het kleine kind nog in verblijft, is ook voor hem de unieke plaats van waaruit hij zijn dienende opdracht als mens te vervullen heeft.

 

 

5

jezus heeft gezegd

erken wat voor je aangezicht is

en wat verborgen is zal zich voor jou ontsluieren

er is inderdaad niets verborgen dat niet zal te voorschijn komen

 

vergelijk: Mc 4, 22 - Mt 10, 26 - Lc 8, 17 en 12, 2

 

 

Dit logion richt onze aandacht op de kennis van het uiterlijke aspect van het koninkrijk, dit dat door ons waarneembaar is: de natuur en haar wetten. Die kennis noemen we wetenschap. Ook langs die weg kunnen we de rijkdom van de bron erkennen. De moderne mens kan zich beroepen op verfijnde technische middelen om de natuurwetten te doorgronden, de fysiologie van het leven te begrijpen, de subtiele maar ook zo kwetsbare ecologische harmonie naar waarde te schatten. Via boeken en filmen hebben we het voorrecht het wonderlijke in de natuur te kunnen aanschouwen. Of het gaat om de minerale, de vegetale of de animale wereld, telkens komen we in bewondering voor een levensproces dat gestuurd wordt door een wet, die niet door een mens kan zijn bedacht. En toch, hoewel de mogelijkheden waarover de mens beschikt de hoogste uitdrukking zijn van die wet, is hij en alleen hij in staat de harmonie zowel buiten als binnenin zichzelf te verstoren... In de mens kan het leven slechts dan tot vervulling komen, indien ook hij zich laat leiden door de unieke wet van harmonie.

Uit dit logion kan ook die bijzondere boodschap worden afgeleid dat een juiste wetenschappelijke kennis niet strijdig kan zijn met een juist religieus inzicht...

 

 

6

zijn discipelen ondervroegen hem en zeiden

wil je dat we vasten

en op welke manier zullen we bidden

en zullen we aalmoezen geven

en welke voedselnormen zullen we in acht nemen

jezus zei

zeg geen leugens

en wat jullie verwerpen doe het niet

want vóór het aanschijn van de hemel wordt alles onthuld

er is immers niets verborgen dat niet zal te voorschijn komen

en niets dat bedekt is dat niet zal ontsluierd worden

 

 

Het joodse geloof is de religieuze bakermat van de discipelen. Dit geloof houdt heel wat regels en rituelen in. Die eerbiedigen is een noodzakelijke voorwaarde om ooit aanspraak te kunnen maken op een toegang tot het koninkrijk van God. De weg die Jezus voorhoudt is die van een persoonlijke, innerlijke zoektocht. Bij die weg horen geen geboden of rituelen. Wie zich bewust is geworden van de bron en haar wet, behoeft geen menselijke voorschriften ! De inspiratie uit de bron is een unieke en feilloze gids. Maar ook de mens die de weg gaat blijft een wezen met tekorten en zwakheden. Zijn voornaamste leidraad is een oprechtheid in woord en daad. Wie juist handelt in het lagere, handelt in harmonie met het scheppende, het hogere. Wie fout handelt ondergaat de wet van het hogere. Alles, het goede als het foute, wordt de mens vóór het aanschijn van de hemel - dit betekent hier en nu - aangerekend. Dit is de wet die in het Oosten de wet van karma genoemd wordt. (zie logion 58)

Rituelen, als symbolische handelingen, kunnen zinvol zijn om een juiste ingesteldheid in het bewustzijn levendig te houden. Aan opgelegde handelingen, zoals het geven van aalmoezen of het tijdelijk in acht nemen van bepaalde voedselnormen, als een middel om voor zichzelf een toegang tot het koninkrijk te verzekeren, heeft Jezus echter geen boodschap. Maar, en dit is toch merkwaardig, ook het gebed weerhoudt zijn aandacht niet...

 

 

7

jezus heeft gezegd

gelukkig is de leeuw die door de mens gegeten wordt

en de leeuw zal mens zijn

en te misprijzen is de mens die door de leeuw gegeten wordt

en de leeuw zal mens zijn

 

 

In de mond van Jezus is dit voor ons een verbijsterende beeldspraak, die vaak werd aangegrepen om aan te tonen hoe ongehoord extravagant dit evangelie wel is... Toegegeven, de interpretatie ervan is niet evident. Sommige commentatoren, en niet de minsten, wijzigden zelfs de volgorde en dus de zin van de woorden om tot een voor hen zinvolle verklaring te kunnen komen.

Het koninkrijk is geen denkbeeldige realiteit in het hiernamaals maar de finaliteit van het leven hier en nu... Omtrent de beleving van dit leven toen en nu nog steeds - blijkbaar is er in twintig eeuwen weinig veranderd - getuigt Jezus hier nochtans van een buitengewone realiteitszin.

Dit logion stelt een dubbele confrontatie voor tussen de mens en de leeuw. Een confrontatie met een weliswaar verschillend verloop, maar die toch leidt tot eenzelfde conclusie : en de leeuw zal mens zijn. De leeuw, als heerser in het dierenrijk, kan beschouwd worden als het symbool voor de heerser in een lagere levensorde, waarin de mens biologisch leeft maar dood is voor hogere levenswaarden. Het is de finaliteit van de mens te leven, niet binnen de begrenzing die armoede is of duisternis, maar door optimaal gebruik te maken van de levensmogelijkheden die hem ter beschikking staan. Om dit te kunnen waarmaken is het noodzakelijk dat hij zijn aandacht richt naar de bron waaruit hij ontvangt, naar het hogere binnenin zichzelf. Blijft hij afgesloten van die bron dan verblijft hij in het gebied van het lagere, daar waar de leeuw heerst. De wet van de leeuw is de wet van de sterkste, die de mens steeds weer aanzet de confrontatie met anderen aan te gaan, hem dwingt zichzelf te bewijzen volgens regels, die door hemzelf werden bedacht.

Soms hoort men wel eens zeggen: in dit leven zijn er twee soorten mensen: winnaars en verliezers. De winnaars zijn zij die, in hun confrontatie met de leeuw, hebben overwonnen. Zij hebben het gemaakt en verkeren in de illusie macht te bezitten. Maar in werkelijkheid is hun macht totaal afhankelijk van de wetten van de leeuw, die dollar heet of euro of gewoon machtswellust. Daarom : gelukkig is de leeuw, want wie macht bezit is ook zijn slaaf geworden. Doorheen de mens zal de leeuw heersen : en de leeuw zal mens zijn. De machtige heerst slechts bij de gratie van de leeuw. Daarom ook is de mens die macht bezit de meest wreedaardige onder de dieren.

De verliezers daarentegen zijn zij die in hun machtsstrijd met de leeuw zijn ten onder gegaan. Hen is een nog minder benijdenswaardig lot beschoren, want machteloos hebben zij de wet van de sterkste te ondergaan. Een totale afhankelijkheid is hun lot geworden. Daarom : te misprijzen is de mens. Want voor de macht van de leeuw is hij het voedsel geworden. Zoals een dier in jungle of savanne is niet meer “leven” maar “overleven” zijn deel. Ook in hem zal het dierlijke overheersen : en de leeuw zal mens zijn.

Wat hebben we hieruit te begrijpen ? Het gebied waarin de mens te handelen heeft is weliswaar het gebied van de leeuw, maar zijn opdracht is verheven boven iedere confrontatie met de leeuw. Wie de machtsstrijd met de leeuw aangaat is so wie so een “loser”. Want macht behoort tot het lagere. Hiertoe kan de mens zich enkel laten verleiden door zijn hoogmoed. Zich onthouden van elke betrokkenheid bij de doelstellingen van de leeuw is daarom de boodschap. Wie zoekt zichzelf te bevestigen volgens wetten van een lagere orde en  macht uit te oefenen, negeert de bron van zijn eigen potentieel en bindt de strijd aan met de leeuw. Of hij overwint en machtig wordt dan wel verliest en ten onder gaat, steeds neemt het lagere, de leeuw, bezit van de mens.

Ambitie is een natuurlijke stimulans om de eigen mogelijkheden te ontwikkelen en tot uitdrukking te brengen. Dat dit gebeurt in een confrontatie met anderen is kenmerkend voor een tijdelijke levensfase. Hieruit heeft de mens nochtans te ontwaken. Wanneer hij tot het bewustzijn is gekomen dat alles wat hij kan niet aan zichzelf is toe te schrijven maar aan een gevende bron binnenin zichzelf, kan hij voor zichzelf geen machtspositie meer opeisen. (zie ook logion 81 en 110) Hij kan enkel dankbaar zijn en dienen. Zijn opdracht is het wat hij ontvangt uit te drukken in harmonie, volgens een wet die hem niet toebehoort. Die wet behoort niet tot het lagere maar tot het hogere.

De betekenis die we aan dit logion toekennen sluit aan bij het ahimsa principe waarvan Gandhi en later ook Martin Luther King getuigden. Gebruik maken van geweld, zowel door een sterke als door de zwakste, als een uiting van macht of van onmacht, is nooit de juiste keuze !

 

 

8

en hij heeft gezegd

de mens is gelijkend aan een attente visser

die zijn net had uitgeworpen in de zee

hij haalde het uit de zee op gevuld met kleine vissen

onder hen vond hij een grote uitstekende vis

alle kleine vissen wierp hij terug in zee

moeiteloos koos hij de grote vis uit

wie oren heeft om te horen dat hij hoort

 

Mt 13, 47-50 “En nog is het rijk der hemelen gelijkend aan een net, dat in de zee geworpen werd en zich vulde met allerhande zaken. Wanneer het vol was trokken zij het langs de oever op, gingen zitten en vulden de manden met wat goed was. Het slechte gooiden zij terug. Zo zal het zijn op het einde van de wereld. Engelen zullen komen en zij zullen de slechten van de rechtvaardigen scheiden en hen in het laaiend vuur werpen. Daar zal geween zijn en tandengeknars.”

 

 

Thomas met Mattheüs vergelijken is meer relevant dan honderd commentaren ! “Wie oren heeft...” De aanwezigheid van vissers onder de discipelen zal aan dit beeld wellicht niet vreemd zijn. Beter dan wie ook waren zij in staat de waarde van die éne grote vis in te schatten. De man is een attente visser (letterlijk : die er met zijn hart bij is), die zijn vangst aandachtig onderzoekt vooraleer de veelheid aan kleine vissen terug in zee te werpen. Zo ontdekte hij die éne grote vis en aarzelde niet langer.

Tot een juist onderscheidingsvermogen komen is de boodschap, aandacht hebben voor het meest waardevolle, zich niet laten afleiden door waarden van een lagere orde. Aan waarden allerhande hebben we in dit leven geen gebrek, noch aan theorieën of ideologieën van verlichte zieners of wetenschappers. Een openheid van geest ontwikkelen is belangrijk maar evenzeer een kritische ingesteldheid om vanuit de eigen levenservaring een correcte waardeschaal aan te leggen. Wat vergankelijk is heeft de waarde van het vergankelijke. Die éne uitzonderlijke waarde, waar de zoekende mens naar uitziet, behoort niet tot het gebied van “hebben” maar tot dit van “zijn”. Een zijnswaarde heeft een absoluut draagvlak, is universeel en tijdloos, want gevestigd in de bron zelf van het Zijn.

Wellicht kan ook de vondst van Nag Hammadi gezien worden als een net vol vissen, waarin het belangrijk is die éne grote uitstekende vis te onderscheiden...

 

 

9

jezus heeft gezegd

zie de zaaier ging uit hij vulde zijn hand en wierp

sommige vielen op de weg

vogels kwamen en pikten ze op

andere vielen op rotsen

en schoten geen wortel in de aarde

noch richtten zij aren naar de hemel

en andere vielen op doornen

zij verstikten het zaad en de worm at het op

en andere vielen op de uitgelezen aarde

en zij richtte een uitstekende vrucht naar de hemel

de opbrengst was zestig per maat en honderdtwintig per maat

 

vergelijk: Mt 13, 1-23 - Mc 4, 1-20 - Lc 8, 4-15

 

 

Het is de kracht van het woord van Jezus én de weg én de finaliteit van het leven te vatten in een natuurlijk beeld dat voor iedereen toegankelijk is. In de drie synoptische evangeliën is dit zijn eerste parabel. Wie de zin ervan in zijn totaliteit heeft doorzien, heeft meteen de essentie van zijn boodschap begrepen! Toch blijkt de eenvoud van het beeld geen waarborg te zijn voor een eenvormig begrip...

In de synoptische evangeliën wordt deze parabel inderdaad gevolgd door een interpretatieve verduidelijking, die Jezus zou hebben gegeven, omtrent de betekenis van de zaden die niet in de goede aarde vallen. Een vrij verwarrende verduidelijking overigens wanneer de verschillende evangeliën aandachtig met elkaar worden vergeleken. De evangelisten zijn niet eensgezind in hun interpretatie... Daarom wordt zij door de auteurs van de Bijbelschool van Jeruzalem afgevoerd als een interpretatie die door aanhangers van de primitieve Kerk in de mond van Jezus zou zijn gelegd. Overigens hebben we hier te maken met de kleine vissen uit het vorige logion : zaden die hun finaliteit niet waarmaken. Het is ook een eeuwenoude twistappel of het nu de goede aarde is dan wel de zaden die de vruchten voortbrengen... In het licht van dit evangelie blijkt ook dit een steriele discussie te zijn.

Zoals het noch de zaadcel van het mannelijke is, noch de eicel van het vrouwelijke die het biologische leven voortbrengt maar de nieuwe eenheid die ontstaat uit hun ver-eniging, zo zijn het noch de zaden noch de goede aarde die de vruchten voortbrengen. Vanuit hun eenheid manifesteert zich het leven spontaan !

De wezenlijke vraag, die hier aan de orde is, is deze : hoe komt de mens tot een leven waarin hij, overeenkomstig zijn finaliteit, vele vruchten kan voortbrengen waar hijzelf kan van genieten ? Ooit is het zaad zelf doorheen de vrucht van een plant ontstaan uit de goede aarde. Wil het zijn finaliteit, dit waarvoor het te dienen heeft, waarmaken dan moet het teruggaan naar de plaats waar zijn oorsprong was. (zie logion 18) Zolang het zaad zaad blijft, brengt het geen vruchten voort en dient het dus het levensproces niet. Wanneer het, in de eenheid met de grond waaruit het zelf is ontstaan, zijn uiterlijke omhulsel loslaat en dus ophoudt zaad te zijn, wordt het dienend voor het leven en brengt het vele vruchten voort. Pas dan heeft het zijn finaliteit waargemaakt.

Zoals in de natuur, kan ook in de mens het nieuwe slechts ontstaan uit een “ontmanteling” van het oude. Het loslaten van het oude is de voorwaarde om, uit de eenheid die was in het begin, de plaats waar het kleine kind van zeven dagen nog in verblijft, het nieuwe te laten ontluiken. We hoeven niet te treuren bij het verlies van het oude. In het loslaten van de hoogmoed, waarmee we onszelf hebben “bekleed”, van onze pretentieuze ik-waarden, van een vermeende godskennis ook, ligt hier en nu de nieuwe geboorte.

Zoals het nirwana voor de Boeddha, is ook voor Jezus het “deel hebben in het koningschap van de Vader” geen realiteit die slechts na een fysische dood kan worden bereikt, maar de vervulling van onze levensopdracht hier en nu! In het licht van dit inzicht krijgen de woorden van het priesterlijke gebed in Joh 17, 21-23 hun volle betekenis : “opdat allen één zijn zoals U Vader in mij en ik in U, ... zodat zij volmaakt zijn in het éne...

 

 

10

jezus heeft gezegd

ik heb een vuur in de wereld gebracht

en zie ik behoed het tot het ontvlamt

 

vergelijk: Lc 12, 49-50

 

 

Misschien zijn dit wel profetische woorden van Jezus. Ongetwijfeld zal hij tot de bevinding zijn gekomen hoe moeilijk de opdracht voor zijn discipelen was om het nieuwe en verstorende van zijn kennis - hier gesymboliseerd in het vuur, dat toen ook een bron was van licht - in zich op te nemen. Meestal was onbegrip hun deel. Het ontvlammen, het doorstromen van zijn kennis, was blijkbaar nog niet aan de orde. Zijn vuur zou een waakvlam blijven tot het collectieve bewustzijn van de mensheid voldoende ontvankelijk zou zijn om het te laten ontbranden.

Wellicht is het niet toevallig dat dit evangelie pas in de tweede helft van de twintigste eeuw in een nieuwe openbaarheid is gekomen. Nu de mensheid aan een bevrijdende bewustwording toe is en dus de openheid heeft te luisteren naar een nieuw geluid, kan het de aanzet betekenen tot een spiritueel ontwaken.

 

 

11

jezus heeft gezegd

deze hemel zal voorbijgaan

en die erboven zal voorbijgaan

en zij die dood zijn leven niet

en zij die levend zijn zullen niet sterven

de dagen dat jullie aten wat dood is maakten jullie er iets levend van

wanneer jullie in het licht zullen zijn wat zullen jullie doen (*)

in de dagen dat jullie één waren hebben jullie de twee gemaakt

wanneer jullie daarentegen twee zijn wat zullen jullie doen (*)

 

vergelijk: Mt 5, 18 - 8, 22 - 24, 34-36 - Mc 13, 30-32 - Lc 9, 60 - 16, 17 - 21, 32-33

 

 

(*) Een interpretatieve verduidelijking zou erin kunnen bestaan na de eerste van beide regels aangeduid met (*) een ... ! te plaatsen en na de laatste een ...?.

Het biochemische proces, waardoor we in de spijsvertering van dode materie iets levend maken, behoort tot een absolute wet die het biologische leven in stand houdt. Bewust van dood naar leven gaan betekent een spirituele geboorte, waarbij het licht van het hogere zich integreert in het lagere. Dit is de weg waarlangs zich in ieder wezen het bewustzijn van een spirituele eenheid kan herstellen. In het verhaal van de zondeval ligt de scheiding besloten van één naar twee. In die scheiding ligt onze spirituele dood. Het beeld van het zaad verduidelijkt onze opdracht : teruggaan naar de eenheid die was in het begin. Zou de werkelijke betekenis van de verrijzenis niet in deze transformatie te zoeken zijn...? Ruim vóór zijn kruisdood zou Jezus dus, binnenin zichzelf, de verrijzenis hebben verwezenlijkt...

Zoals reeds in logion 3 bleek is de hemel niet de verblijfplaats van God, maar overkoepelt hij onze leefwereld. Hierin zijn we weliswaar biologisch levend maar spiritueel nog steeds dood. Een weg van spirituele bewustwording gaan betekent : tot het inzicht komen verbonden te zijn met een absolute bron, die ons alle mogelijkheden biedt en in die verbondenheid onze verantwoordelijkheid erkennen. Wie zich richt naar die innerlijke bron, haar licht ontvangt, bevrijdt zichzelf uit de illusie van zijn of haar pretentieuze ik-waarde en komt tot leven. Een andere hemel zal voortaan dit leven overkoepelen. Niet meer de wet van dualisme maar die van eenheid zal de basis zijn voor een nieuwe beleving. Maar ook aan die ervaring komt een einde, want in de eenheid van het biologische en het spirituele is het biologische tijdgebonden.

Wie verblijft in de duisternis van de gescheidenheid is nog steeds “dood” en ondergaat de wetten van het lagere. Wie het licht ontvangt zal tot leven komen en de dood niet smaken...

 

 

12

de discipelen zeiden tot jezus

we weten dat jij ons zult verlaten

wie zal er groot zijn over ons

jezus zei hen

daar waar jullie zullen zijn gekomen

zullen jullie naar jacobus de rechtvaardige gaan

wat hemel en aarde aanbelangt komt hem toe

 

vergelijk: Mt 18, 1 - Mc 9, 33-34 - Lc 21, 32-33

 

 

De vertaling van de laatste lijn is problematisch. Letterlijk staat er namelijk : hij omwille van wie hemel en aarde zijn geweest. Uiteraard is dit onzinnig. Ofwel hebben we te maken met een transcriptiefout, ofwel is dit een specifieke uitdrukking die niet letterlijk kan vertaald worden.

Blijkbaar hebben de discipelen van Jezus vernomen dat zijn aanwezigheid onder hen slechts van korte duur zal zijn.(*) Bovendien is uit zijn woorden af te leiden dat hij, op het ogenblik dat hij hen dit antwoord geeft, de illusie heeft laten varen hen tot het juiste bewustzijn te kunnen verheffen. De zoektocht die zij, zoals wij allen, te volbrengen hebben is duidelijk nog niet ten einde, want nog steeds hebben zij de behoefte aan een leidsman.

Vermoedelijk is Jacobus de broeder van Jezus (zie Mt 13, 55 en Mc 6, 3), die na de verdwijning van Jezus de verantwoordelijkheid voor de primitieve geloofsgemeenschap op zich nam. Ook hij zou door de joodse overheid worden ter dood gebracht. Hij wordt de rechtvaardige genoemd. Hij heeft dus kennis van rechten en plichten die noodzakelijk zijn om binnen een lagere orde - want hemel en aarde gaan voorbij - de harmonie te handhaven. Hoe waardevol zijn raad ook mag zijn, nooit echter zal hij het licht kunnen brengen, dat in de woorden van Jezus besloten ligt. (zie logion 38)

 

(*) Traditioneel wordt aangenomen dat de duur van het “openbare leven” van Jezus drie jaren zou zijn geweest. Het voornaamste argument hiervoor is de aanwezigheid van drie paasfeesten in het Johannesevangelie. Die voorstelling van de feiten duikt, volgens de Bijbelschool van Jeruzalem, slechts op in de derde redactie van dit evangelie. In de tweede redactie zou er voor zijn openbare optreden een tijdsindeling in zes weken zijn geweest. Hoeveel tijd er tussen elke week kan zijn verlopen is niet bekend. De vermoedelijke duur van zijn prediking zou hoe dan ook heel wat korter zijn geweest. Het valt overigens moeilijk te aanvaarden dat de joodse overheid een dergelijke onorthodoxe prediking drie jaren lang zou hebben getolereerd...

 

 

13

jezus zei tot zijn discipelen

vergelijk me zeg me aan wie ik gelijk

simon petrus zei hem

je gelijkt aan een rechtvaardige engel

mattheüs zei hem

je gelijkt aan een wijze filosoof

thomas zei hem

meester mijn mond zal geen woord aanvaarden dat zegt aan wie je gelijkt

jezus zei

ik ben je meester niet

want je hebt gedronken en je hebt je bedronken

aan de opborrelende bron die ikzelf heb bedeeld (*)

en hij nam hem terzijde en zei hem drie woorden

wanneer thomas terug bij zijn gezellen kwam

ondervroegen zij hem wat heeft jezus je gezegd

thomas zei hen

indien ik jullie één woord zou zeggen van wat hij mij heeft gezegd

dan zouden jullie stenen nemen en naar mij gooien

en vuur zou uit de stenen komen en jullie verbranden

 

vergelijk: Mt 16, 13-20 - Mc 8, 27-30 - Lc 9, 18-21

 

 

 (*) bedeeld : letterlijk gemeten. Het kenmerk van de expressie uit de absolute bron is harmonie en dus maat. Die maat hebben ook wij uit te drukken. (zie logion 50)

Het vorige logion situeerde het niveau van de discipelen. Het zijn nog zeer menselijke bekommernissen die hun bezorgdheid uitmaken. Tot die bekommernissen behoort ook de ambitie de beste onder de discipelen te zijn. Hieromtrent ontstond weleens een discussie, waar o.m. Mc 9, 33-34 en Lc 9, 46 van getuigen. De vraag van Jezus is bedoeld als een test. Enkel Thomas heeft geen woorden om een zinnig antwoord uit te brengen. Om dit duidelijk te maken spreekt hij Jezus aan met meester. Hiervoor wijst Jezus hem terecht. Wat betekent die terechtwijzing ? Dit kan het ogenblik zijn geweest waarop hij in zijn discipel zijn gelijke erkent. Maar het is de opdracht van ieder mensenkind dienend te zijn. Een dienaar is geen meester...

Omtrent de drie woorden die Jezus sprak verblijven we in het ongewisse. Misschien was het iets als “jij bent mij” of “ik ben jou”...? Wat het ook mag zijn geweest, Thomas was zich bewust dat de erkenning die hij had gekregen door zijn gezellen niet in dank zou worden aangenomen. Afgunst zou hun deel zijn en een negatieve of zelfs agressieve reactie uitlokken, waarvan zijzelf, overeenkomstig de karmische wet, het slachtoffer zouden worden.

 

 

14

jezus zei hen

indien jullie vasten zullen jullie een fout begaan

en indien jullie bidden zullen jullie worden veroordeeld

en indien jullie aalmoezen geven

zullen jullie kwaad berokkenen aan jullie geest

en naar welk land jullie ook gaan

welke streken jullie ook doortrekken

wanneer men jullie ontvangt eet wat jullie wordt voorgezet

verzorg hen die ziek zijn

want niet wat in jullie mond komt zal jullie bezoedelen

maar wat uit jullie mond komt dit zal jullie bezoedelen

 

vergelijk: Mt 10, 11-14 - Mc 6, 10-11 - Lc 10, 5-11

 

 

In logion 6 kregen de discipelen geen concreet antwoord op hun vragen. Jezus ontweek ze met de bedenking : wees oprecht met jezelf in woord en daad. Misschien hebben zij op meer duidelijkheid aangedrongen… Ditmaal spreekt hij een onverbloemde taal : wat tot de rituelen van de joodse godsdienst behoort is niet te verzoenen met zijn religieuze bewustzijn. Wie ontvankelijk wil worden voor de inspiratie van de Vader, heeft zich niet in te laten met misleidende rituelen ! Ook in Mt  9, 14, Mc 2, 18 en Lc 5, 33 krijgt Jezus het verwijt te horen dat zijn discipelen niet vasten. (zie ook logion 104) Maar bovendien : indien jullie bidden zullen jullie veroordeeld worden...

Opnieuw worden we geconfronteerd met het nieuwe in de boodschap van Jezus. We bidden tot God. Maar wat betekent God ? Wie is de God van de joden, de God van onze verbeelding en wat is de realiteit waarvoor Jezus beroep doet op het beeld van een vader ? Voor een gelovige zijn dit uitdagende vragen ! In dit evangelie is het joodse begrip van God niet te verzoenen met de werkelijkheid, die Jezus doorheen het beeld van een zoon - vader relatie tracht duidelijk te maken.

De communicatie, die een jood vermeent te hebben met zijn God bij middel van het gebed, is louter denkbeeldig. Communiceren met een zelf verzonnen beeld behoort tot de wereld van de verbeelding en is dus misleidend. De realiteit, die Jezus als een vader in beeld brengt, is absoluut en transcendeert daarom de grenzen van het menselijke bewustzijn. Elke benadering ervan binnen de begrenzingen van dit bewustzijn kan slechts denkbeeldig zijn. (zie logion 53)

Is bidden dan steeds zinloos ? Zeker niet ! Maar het gebed moet wel én de juiste inhoud hebben én de juiste gerichtheid... Onze menselijke verlangens in een gebed verheffen tot een denkbeeldige almachtige bron is een foute ingesteldheid. Wie zich bewust is geworden van zijn of haar dienende opdracht binnen zijn of haar verbondenheid met het hogere, kan zich enkel naar het hogere richten in een dankbare erkenning voor wat ontvangen werd en met het verlangen de juiste inspiratie te mogen ontvangen om die dienende opdracht te blijven uitvoeren. De omstandigheid, die hiervoor het best geschikt is, is een rust in de leegte binnenin zichzelf.

Tenslotte wijst Jezus ook hier op de meest elementaire menselijke plicht : oprecht met zichzelf juist handelen en dienend zijn. Wie in de juiste ingesteldheid verblijft is verheven boven door anderen opgelegde regels, boven een mogelijke bezoedeling ook door een ongepaste voeding. Een juiste voeding is weliswaar belangrijk om een innerlijke biologische harmonie niet te verstoren. Maar, wie zich juist voedt en foute waarheden verkondigt, bezoedelt zich meer dan een ongepaste voeding vermag te doen !

 

 

15

jezus heeft gezegd

wanneer jullie hem zullen zien die niet uit een vrouw is geboren

buig dan jullie aangezicht ten gronde

en verheerlijk hem deze is jullie vader

 

 

Zien” betekent hier uiteraard geen zintuiglijke ervaring maar symboliseert het verwerven van inzicht. Niet de verheerlijking van een zelf verzonnen beeld van God moet in dit leven onze bekommernis zijn, wel het inzicht in de realiteit waarvoor Jezus het beeld van een vader gebruikt. Die realiteit is van een hogere, van een absolute orde, want : die niet uit een vrouw is geboren. Zij behoort dus niet tot onze relatieve wereld en is daarom voor ons ook niet kenbaar. Het bewustzijn van een verbondenheid met een absolute zijnswaarde binnenin zichzelf is niet te verwarren met de onmogelijke kennis van het absolute “in se”.

De ervaring van een innerlijke verbondenheid betekent voor Jezus een alles overstijgende rijkdom. Van die rijkdom wil hij zijn medemensen bewust maken. Maar zij bezitten niet het zuivere bewustzijn dat het zijne is. Om hiervan te getuigen is hij daarom genoodzaakt terug te vallen op een beeld dat tot hun leefwereld behoort, dat voor hun bewustzijn toegankelijk is. Hij spreekt dus over “dat” als over “een vader”.

In de joodse cultuur was de status van de vader heel wat belangrijker dan hij nu in onze cultuur is. De vader is immers niet enkel de bezitter van het familiegoed, niet enkel de biologische verwekker van zijn kinderen, hij is vooral het gezag dat de wet dicteert, dat inspirerend en dus leidinggevend is en waar zijn kinderen naar te luisteren hebben. Van dit beeld maakt Jezus gebruik om het bewustzijn van zijn medemensen ontvankelijk te maken voor een innerlijke realiteit, die van een spirituele natuur is. Helaas, zoals het beeld van Adam en Eva in het bijbelverhaal, zo werd ook het beeld van de vader niet als een beeldspraak begrepen maar voor werkelijk aanzien. Wanneer Jezus in absolute bewoordingen over “zijn vader” sprak dan was het evident, zo dacht men, dat hij de God van de joden bedoelde.

In het Johannesevangelie (hoofdstuk 6) maakt Jezus nochtans duidelijk het onderscheid :

Jullie voorvaderen hebben het manna uit de hemel gegeten en zij zijn gestorven... niet Mozes heeft het brood uit de hemel gegeven maar mijn Vader geeft u het brood, het ware... ik ben het brood... wie dit eet zal leven.

In Ex 16, 15b zegt Mozes : “Dit is het brood dat Jaweh u te eten gegeven heeft”. Niet Mozes maar Jaweh heeft het manna gegeven ! Het onderscheid tussen Jaweh en de Vader is duidelijk. Het gaat noch om hetzelfde brood noch om dezelfde bakker... Om die verstorende tegenstelling te versluieren werd in de loop van de ontwikkeling van het Johannesevangelie het manna niet toegekend aan Jaweh, maar aan Mozes... Het essentiële onderscheid tussen Jaweh en de Vader is dat Jaweh, als God, totaal van de mens gescheiden is, terwijl het beeld van de vader verwijst naar een innerlijke en dus een spirituele verbondenheid.

Wat voor het mensenkind de verheerlijking van de Vader inhoudt ligt in de dankbare erkenning van een alles overstijgende rijkdom, waarin het zelf deelachtig is. Het bewustzijn deel te hebben in het koningschap impliceert de erkenning én van een absoluut gezag én van de eigen dienende verantwoordelijkheid. Hierin ligt tevens de zin van het ware offer besloten : de dienaar verheft de vruchten van zijn dienstbaarheid tot zijn gevende Heer. Ook dit betreft een blijvende ingesteldheid, die geen behoefte heeft aan een ritueel...

De confrontatie van nieuwe inzichten met oude denkbeelden leidt onvermijdelijk tot een innerlijk conflict. Aan ieder om hiermee met zichzelf in het reine te komen. Tenslotte zegt Jezus aan het einde van dit logion niet : deze is mijn vader, wel : deze is jullie vader. In zijn spirituele verbondenheid met de Vader is hij niet de enige zoon...

 

 

16

jezus heeft gezegd

ongetwijfeld denken de mensen dat ik gekomen ben

om de vrede op de wereld te werpen

en zij erkennen niet dat ik gekomen ben

om verdeeldheid op de aarde te werpen

het vuur het zwaard de strijd

want vijf zullen zijn in één huis

drie zullen zijn tegen twee en twee tegen drie

de vader tegen de zoon en de zoon tegen de vader

en monachos zij zullen opstaan

 

vergelijk: Mt 10, 34-36 - Lc 12, 51-53

 

 

Dit logion bevestigt de bedenking die we bij het vorige logion maakten. De uitnodiging van Jezus om het nieuwe in ons op te nemen leidt onvermijdelijk tot een innerlijk conflict, dat slechts een oplossing kan vinden in een doorgedreven en oprechte innerlijke zoektocht.

Die innerlijke strijd is een leidmotief dat in alle religies aanwezig is. Hij is het die in beeld wordt gebracht in de Bhagavad Gita. Arjuna, de edele krijger, heeft aan zijn verheven morele normen, aan zijn kennis van dharma, niet voldoende om tot een juiste beslissing in zijn innerlijke conflict te komen. Krishna, die het goddelijke in de mens belichaamt, onderricht hem omtrent de weg waarlangs het goddelijke zich in de mens kan openbaren. In de islam kennen we het begrip jihad, dat misbruikt wordt als een strijd tegen de “goddelozen” maar oorspronkelijk zou verwijzen naar een noodzakelijke innerlijke strijd. Ook de rituele handelingen van boeddhistische monniken, ons nu bekend als gevechtsmonniken, die in de zesde eeuw door Bodhidharma werden bedacht, zijn in wezen de expressie van een innerlijke strijd die iedere volgeling met zichzelf te voeren heeft.

De bijzondere gaven, waarvan hij getuigde, werden door de volgelingen van Jezus gezien in het licht van de bijbelse geschiedenis. Voor de ene was hij een profeet, voor de andere een Messias. Zo iemand zou de orde herstellen, vrede en vertrouwen geven aan de joodse gemeenschap en de komst van het koninkrijk van God voorbereiden. Die misvatting ontkracht Jezus hier. Het nieuwe waarvan hij getuigt is verstorend ! Wie zijn kennis in zich opneemt komt niet alleen in conflict met de bestaande religieuze orde en haar waarheden maar ook met zichzelf, met persoonlijke waarden en hierdoor ook met relationele banden.

Wie waarden loslaat, banden verbreekt, onthecht zich. Enerzijds is hij of zij bevrijd, anderzijds is conflict en vereenzaming de losprijs. De stam van monachos is monos en betekent alleen. Hiervan is het woord monnik is afgeleid. De begrippen onthecht, bevrijd en eenzaam liggen allen vervat in dit éne woord. Daarom is de vertaling ervan zo moeilijk. Op de weg die we te gaan hebben geeft het een kerngedachte weer, waar we later nog zullen op terugkomen. In essentie gaat het niet om een uiterlijk levenspatroon maar om een innerlijke ingesteldheid. Wie tot het juiste inzicht wil komen in zijn of haar verbondenheid met het hogere, de innerlijke levensbron, heeft zich te ontdoen van verslavende banden met het lagere, zich innerlijk vrij te maken, om te kunnen dienen zoals het zaad. Die ingesteldheid is het waarvan Jezus getuigt.

 

 

17

jezus heeft gezegd

ik zal jullie geven wat het oog niet heeft gezien

en wat het oor niet heeft gehoord

en wat de hand niet heeft geraakt

en wat het hart van de mens niet heeft beroerd

 

1 Kor 2, 9: “maar, zoals geschreven is: wat het oog niet heeft gezien, wat het oor niet heeft gehoord, wat het hart van de mens niet heeft beroerd, alles wat God heeft bereid voor hen die van Hem houden.”

Jes. 64, 3-4: “neen, geen oor heeft ooit gehoord, geen oog ooit gezien: een God, buiten u, die helpt, op u hoopt, vreugde bereidt voor wie gerechtigheid doet en uw wegen gedenkt”

 

 

Paulus levert hier het bewijs dat hij wel kennis had van uitspraken van Jezus. Enkel het naar zijn gevoel vermoedelijk te sensuele zinnetje : wat de hand niet heeft geraakt ontbreekt in zijn citaat. Maar, omdat hij niets met de “Jezus van vlees” -kata sarka - wou te maken hebben (2 Kor 5, 16), wel alles met de “gekruisigde én verrezen Christus”, versluiert hij diens uitspraak met de woorden: “zoals geschreven is”... Referenties naar de Schriften zijn overigens ver van overtuigend.

Wat kan ontvangen worden behoort noch tot het gebied van de emotionele of zintuiglijke beleving, noch tot dit van de mentale kennis Het is een ervaring van een andere orde waar het bewustzijn van de mens toegang kan toe hebben. De verrijking, die het gevolg is van de integratie van het lagere in het hogere, is echter geen spectaculair gebeuren maar een progressieve evolutie in het bewustzijn. Die ervaring is de vrucht die de monachos ontvangt op zijn of haar weg van onthechting.

 

 

18

de discipelen zeiden tot jezus

hoe zal ons einde zijn

jezus zei

hebben jullie dan het begin ontsluierd

zodat jullie zich bekommeren om het einde

want daar waar het begin is daar zal het einde zijn.

gelukkig wie zich zal vestigen in het begin

hij zal het einde kennen en de dood niet smaken

 

vergelijk: Mt 16, 28 - Mc 9, 1 - Lc 9, 27

 

 

In dit logion beantwoordt Jezus de beangstigde vraag van zijn discipelen, die ook de vraag is die vele mensen onrust inboezemt : wat zal er zijn na de dood ? Zijn antwoord brengt nochtans geen verheldering. Onze bezorgdheid moet zich immers niet richten naar wat er na een biologische dood zou kunnen zijn. Wel zou het onze bekommernis moeten zijn om aan dit leven hier en nu zijn optimale vervulling te geven.

Voor de zaaier ligt de vervulling in de oogst. De plaats van de oogst is daar waar hij zaaide, waar de eenheid van zaad en goede aarde werkelijkheid werd. Dit is de plaats van het begin, de plaats ook waar het kind van zeven dagen nog in verblijft. Die plaats heeft een absolute waarde en is dus tijdloos. Begin en einde, de zaaier en de maaier zijn één. (Joh 4, 35-36) Wie zich bewust is geworden van dit absolute draagvlak van het leven, de permanente levensbron binnenin iedere mens, heeft zijn of haar dienende opdracht erkend. In die erkenning ligt ook de finaliteit. In dit bewustzijn is elke bezorgdheid om het einde onbetekenend...

De weg van de mens is die van het zaad. In de terugkeer naar de goede aarde, het begin waarin het is ontstaan, moet het zaad ophouden zaad te zijn, zijn ikje loslaten, om in anonimiteit dienend te worden. Dit is de weg van de vervulling van het leven, waarin de finaliteit verbonden is met het begin : de terugkomst van de verloren zoon in het vaderhuis, zijn reïntegratie in het gezag van zijn vader.

 

 

19

jezus heeft gezegd

gelukkig hij die reeds was vooraleer hij werd

indien jullie mijn discipelen zijn en mijn woorden aanhoren

zullen deze stenen jullie dienen

voor jullie zijn er inderdaad vijf bomen in het paradijs

die niet bewegen in de zomer noch in de winter

en hun bladeren verliezen zij niet

wie hen zal erkennen zal de dood niet smaken

 

 

De absolute zijnswaarde, waarin ieder ik zijn bedding heeft, wordt in dit logion op een bijzondere manier bevestigd. Zoals met de leeuw van logion 7, worden we ook hier met een bijzondere beeldspraak geconfronteerd. Zijn dit authentieke woorden van Jezus of is het een fantasierijk beeld, eigen aan de gnostische gemeenschap die verantwoordelijk was voor de overdracht van dit evangelie ? Wat er ook van zij, we kunnen steeds een poging wagen om ook deze opmerkelijke beeldspraak te ontsluieren.

In deze wereld is alles onderworpen aan de “wet der veranderingen”. Vandaag is niets meer precies zoals het gisteren was. De wet, die het natuurlijke leven stuurt, die de evolutie en de harmonie in de natuur bepaalt, die ooit gesymboliseerd werd in de boom van kennis van goed en kwaad, die wet behoort geen Adam toe. Binnen die wet heeft niemand aan zichzelf iets toe te kennen ! De finaliteit van de mens is te dienen zoals het zaad.

Het beeld van het zaad brengt ons terug naar het begin. De hier en nu biologisch levende mens maakt deel uit van een absoluut levensconcept, waarvan hij slechts een tijdelijke exponent is. Het biologische leven is een tijdgebonden uitdrukking van een absoluut en dus tijdloos Zijn. Zoals over een bruikleen beschikken we tijdelijk over een eigen lichaam, een eigen identiteit, een bewustzijn van het eigen ik. Dit bewustzijn houdt de mogelijkheid in de realiteit van ons ik juist in te schatten, bewust te worden van de absolute bron waaruit we zijn ontstaan en waarmee we verbonden zijn. Die bron in onszelf erkennen en die verbondenheid als een bewuste ervaring beleven is een essentiële opdracht in dit leven. Van dit leven is tijdloosheid de basis. Wat in het tijdelijke werd, was - in potentie - in het tijdloze... In dit eenheidsbewustzijn ben ik opnieuw wat ik was : een tijdloos zijn in een tijdgemeten dimensie...

Een regendruppel ontstaat uit de oceaan, vervult zijn taak binnen de natuurlijke harmonie en keert vroeg of laat naar de oceaan terug. Hij was oceaan, werd druppel en opnieuw oceaan. Een mens is echter zoveel meer dan een regendruppel, zijn mogelijkheden zijn zoveel rijker, zijn opdracht is zoveel meer verheven. Alles staat hem ter beschikking om dit leven in volheid te ervaren en ervan te genieten : een regendruppel, een kluit aarde, een steen ook... De grond kan slechts goede aarde zijn, kan slechts vruchtbaar worden, indien de regendruppel deel heeft in de harmonie ! Binnen die wet heeft ook de mens dienend te zijn.

Wat zou het leven nu op aarde kunnen zijn, indien iedere mens in de oorspronkelijke harmonie zou zijn verbleven en dus zijn finaliteit juist zou hebben ingeschat...? Een paradijs wellicht ! De ervaring van onze vijf zintuigen - is dit misschien de symboliek van de vijf bomen ? - die ons met de “wereld der verschijnselen” verbindt, is afhankelijk van de toestand van het bewustzijn. De bron van dit bewustzijn is verheven boven alle fenomenen van verandering en vergankelijkheid, want gevestigd in een absoluut Zijn, zonder beweging of veranderlijkheid...

Sorry voor diegenen die in de tweede lijn van dit logion een bevestiging menen te zien van de wet van reïncarnatie. Kan de idee ooit in een ander lichaam in deze wereld te zijn verbleven - een veronderstelling die overigens niet de facto is uit te sluiten - evenwel van enige waarde zijn op de weg van zelfkennis...?

 

 

20

de discipelen zeiden tot jezus

zeg ons waaraan is het rijk der hemelen gelijkend

hij zei hen

het is gelijkend aan een mosterdzaad het kleinste van alle zaden

maar wanneer het in de bewerkte aarde valt verheft het een grote stengel

die bescherming biedt aan de vogels van de hemel

 

vergelijk: Mt 13, 31-32 - Mc 4, 30-32 - Lc 13, 18-19

 

 

De boodschap van Jezus is als een symfonie waarin diverse thema’s steeds opnieuw worden bespeeld. De verwachting van de komst van het koninkrijk in de joodse godsdienst is een reeds bekend verhaal. De discipelen hebben zich echter aan een nieuwe visie van die werkelijkheid aan te passen, wat niet evident is ! Een opmerkelijk detail toch : het zaad moet in de bewerkte aarde vallen.

Het bewustzijn van de mens is als een grond met een niet te overzien potentieel, die echter aan een grondige opknapbeurt toe is. Want de toestand waar het zich thans in bevindt is niet meer die van zijn oorspronkelijke zuiverheid. Schijnwaarden en waanvoorstellingen hebben het vergaand bezoedeld. Wat harmonisch was en hoorde te blijven is disharmonisch geworden. Voor die toestand is enkel de mens zelf verantwoordelijk. Daarom kan alleen hijzelf, dit betekent ieder voor zich, hieraan verhelpen. Bewust binnenin zichzelf de ploeg hanteren is daarom de boodschap.

In de laatste regel van dit logion wordt onze dienende verantwoordelijkheid beeldend uitgedrukt. Zoals het de opdracht is van alles wat groeit en bloeit binnen een natuurlijke harmonie, zo is het ook onze opdracht in dit leven te dienen. De eenheid van het hogere en het lagere kenmerkt zich door een integratie van de waarden van het hogere in het lagere.

 

 

21

mariam zei tot jezus

aan wie zijn jouw discipelen gelijkend

hij zei

zij gelijken aan jonge kinderen

die bezit namen van een veld dat hen niet toebehoort

wanneer de bezitters van het veld zullen komen

zullen zij zeggen laat ons het veld

in hun aanwezigheid ontdoen zij zich van hun klederen

die zij hen achterlaten en geven hen hun veld terug

daarom zeg ik dit

indien de heer des huizes weet dat de dief komt

zal hij waken vóór hij komt

en niet dulden dat hij zou inbreken in het huis van zijn rijk

en er zijn goederen zou wegnemen

jullie daarentegen wees waakzaam ten aanzien van de wereld

omgord jullie lenden stevig

zodat geen rover de weg naar jullie kan vinden

want de winst waar jullie naar uitzien zullen zij ontdekken

mag er binnenin jezelf een oplettend mens zijn

eens de vrucht rijp is hij snel gekomen

de sikkel in de hand heeft hij haar geplukt

wie oren heeft om te horen dat hij hoort

 

vergelijk: Mt 11, 16 en 24, 43-44 - Lc 7, 31-32 en 12, 39-40 - Mc 4, 29

 

 

In dit logion zijn twee onderscheiden delen te herkennen. Vermoedelijk betreft het hier twee verschillende uitspraken die werden samengebracht op grond van de analogie van het gebruikte beeld : de bezitters van een veld enerzijds, de bezitter van een huis anderzijds. In het eerste deel antwoordt Jezus op een vraag van Mariam, in het tweede spreekt hij zijn toehoorders aan met “jullie”. Klaarblijkelijk betreft het hier zijn discipelen.

Zo goed als zeker is Mariam Maria van Magdala, ons beter bekend als Maria Magdalena. Uit het evangelie van Fillipus en dit van Maria Magdalena zelf, die beide eveneens deel uitmaken van de vondst van Nag Hammadi, valt op te maken dat zij een bijzondere band met Jezus had. Door Fillipus wordt zij zelfs voorgesteld als zijn levensgezellin. Uit haar vraag is af te leiden dat zij zichzelf niet als een discipel beschouwt.

Voor de discipelen is het antwoord van Jezus weinig lovend. Zij gebruiken het veld, hun biologische entiteit, die zij in bruikleen ontvingen, om er spelend als kinderen van te genieten, niet vermoedend dat dit veld hen niet toebehoort. Wanneer de bezitters hun veld komen opeisen moeten zij het niet alleen afstaan, ook dit waarmee zij zich hebben “bekleed” moeten zij afleggen. Voor Jezus is het duidelijk dat de discipelen zich nog steeds niet bewust zijn van hun werkelijke opdracht. Hun zoektocht is niet eens begonnen...

Onze biologische entiteit, dit lichaam en het bewustzijn waarover we beschikking hebben, ontvangen we niet als een geschenk maar in bruikleen. Een geschenk behoort ons toe, een bruikleen hebben we terug te geven... Alles zal ons worden ontnomen, het fysische leven en alles waarmee we ons in dit leven hebben bekleed. Wat is de zin van dit bruikleen, wat zijn finaliteit...?

Het tweede deel van dit logion gaat over de bezitter van een huis, die een normale menselijke bezorgdheid heeft om zijn verworven goed voor inbraak te behoeden. Tot de discipelen, die niet geroepen zijn om aardse goederen te vergaren en dus ook geen huis te beschermen hebben, zegt Jezus : jullie, daarentegen, wees waakzaam ten aanzien van de wereld. Want de wereld is het gebied van de leeuw, waarin steeds de verleiding wenkt het eigen ik te betrekken in een machtsstrijd met anderen. Zij, die erop rekenen deel te hebben in het koningschap, moeten hun gebondenheid aan die wereld kunnen loslaten.

Het gaan van een weg van kennis omtrent onze innerlijke verbondenheid met een werkelijkheid, die van een hogere orde is, veronderstelt een groeiproces in het bewustzijn. Dit is een evolutief gebeuren waarbij enkel stap voor stap nieuwe inzichten zich kunnen ontwikkelen. Elk nieuw inzicht is als een stap die een volgende mogelijk maakt, als een vrucht die te plukken is. Ons onderscheidingsvermogen moeten we scherp houden om de vruchten met een absolute waarde te onderscheiden van deze die vergankelijk zijn. Hiervoor is het noodzakelijk, zoals de attente visser in logion 8, steeds alert te blijven. In dit beeld symboliseren de rovers wellicht onze egocentrische verlangens, die nog steeds in de ban zijn van de macht van de leeuw.

 

 

22

jezus zag kleintjes die zoogden

hij zei tot zijn discipelen

deze kleintjes die zogen gelijken aan hen die het koninkrijk binnengaan

zij zeiden hem

zullen wij dan als kleinen het koninkrijk binnengaan

jezus zei hen

wanneer jullie de twee één zullen maken

en het innerlijke als het uiterlijke en het uiterlijke als het innerlijke

en wat boven is als wat beneden is

zodat jullie het mannelijke en het vrouwelijke één maken

opdat het mannelijke zich niet mannelijk maakt

noch het vrouwelijke zich vrouwelijk maakt

wanneer jullie één oog zullen maken in de plaats van ogen(*)

en één hand in de plaats van handen(*)

en één voet in de plaats van voeten(*)

en één beeld in de plaats van beelden(*)

dan zullen jullie het rijk binnengaan

 

vergelijk: Mt 19, 13-14 - Mc 13, 15 - Lc 18, 15-17

2 Clem. 12, 2-6: “Inderdaad, de Heer zelf, ondervraagd over de komst van zijn rijk, zei: wanneer de twee één zullen zijn en het uiterlijke als het innerlijke en het mannelijke met het vrouwelijke, noch mannelijk noch vrouwelijk… wanneer jullie deze dingen zullen doen, zal het rijk van mijn Vader komen.”

 

 

De regels aangeduid met (*) werden, overeenkomstig de basisgedachte : wanneer jullie de twee één zullen maken, gecorrigeerd. De letterlijke vertaling is:

wanneer jullie ogen maken in de plaats van een oog

en een hand in de plaats van een hand

en een voet in de plaats van een voet

en een beeld in de plaats van een beeld

De verwarring bij de discipelen is totaal. Hoe zouden zij opnieuw klein kunnen worden !? De symboliek in het beeld van de zuigelingen is niet aan hen besteed. Zij beschouwen het beeld als een werkelijkheid en die valt niet te rijmen met hun joodse verwachtingen. De verbondenheid van het kind van zeven dagen met zijn levensbron is een beeld waarvan de zin hen ontgaat. De noodzakelijke terugkeer naar de eenheid, die was in het begin, is voor hun bewustzijn nog niet te vatten. Zullen zij ooit bevattelijk zijn...?

Het nieuwe begrip van het “koninkrijk”, als een leven dat bewust ervaren wordt vanuit zijn originele eenheid, behoort tot de essentie van de boodschap van Jezus. In het beeld van de eenheid van het zaad en de goede aarde vindt die realiteit een perfect symbolisme. Meer dan eens echter moet op eenzelfde nagel worden gehamerd wil die komen vast te zitten!

De correctie die we aanbrachten lijkt ons verantwoord. Jezus tracht hier immers het begrip “eenheid” letterlijk met handen en voeten duidelijk te maken: uiterlijk en innerlijk, beneden en boven, mannelijk en vrouwelijk... Ook in Mt. 6, 22 en Lc 11, 34-36 zegt Jezus : “Indien dus je oog enkelvoudig is, zal je lichaam verlicht zijn”. De vertaling van het Griekse haplous door helder en niet door één of enkelvoudig is zonder meer een foute vertaling ! Zo kunnen we vaststellen dat hier zowel de moderne vertaler als de koptische transcriptor, door twintig eeuwen gescheiden, in eenzelfde fout vervielen omwille van hetzelfde onbegrip...

Naar buiten toe zien we met twee ogen en herkennen we een indrukwekkende variatie aan kleuren. Voor een innerlijke gerichtheid zijn twee ogen overbodig. Wie kleuren onderscheidt, zonder het licht te kennen, kent enkel kleuren… Wie het licht kent, kent alle kleuren ! Filmbeelden, die op het scherm van ons bewustzijn verschijnen, zijn niet de ware werkelijkheid, enkel een projectie. In de duisternis van een filmzaal lijken zij nochtans, de tijd dat de vertoning duurt, de werkelijkheid te zijn...

Alles wat tot de manifeste werkelijkheid van deze wereld behoort, het uiterlijke, dit dat beneden is, drukt zich uit doorheen een samenspel van energie en materie en resulteert voor de mens in een ervaring van dualisme. Alles is er polair, elke eigenschap heeft er z’n tegengestelde of z’n complement : warm en koud, licht en duisternis, vreugde en verdriet, mannelijk en vrouwelijk, yin en yang... De unieke waarde, die onderliggend is aan die polariteit, is van een absolute orde en heet harmonie. Harmonie is één en beheerst alles, van het subatomaire tot het kosmische. Van die absolute waarde is de wet van karma, die elke verstoring van de harmonie brandmerkt, de behoeder. Wie, in bewustzijn, terugkeert naar de originele orde, naar de eenheid in de bron, overstijgt het fenomeen van dualisme.

Het beeld van de eenheid van het mannelijke en het vrouwelijke heeft aanleiding gegeven tot allerhande seksuele speculaties, zoals die van het hermafrodiete of het androgyne type. Van dergelijke interpretaties werd gretig gebruik gemaakt om dit evangelie en de ganse gnostische beleving in een troebele sfeer te plaatsen. Hoeveel eenvoudiger kan een interpretatie nochtans zijn... Het beeld van de eenheid van het zaad en de goede aarde is toegankelijk voor ieder die vertrouwd is met de landelijke natuur. Het beeld van de eenheid van het mannelijke en het vrouwelijke kan nu worden verwoord in het meer subtiele beeld van de eenheid van een zaadcel en een eicel aan de oorsprong van ieder menselijk leven. Noch is het de zaadcel, het mannelijke, noch de eicel, het vrouwelijke, die het leven voortbrengt... Uit hun eenheid ontspringt het leven spontaan !

Het begrip van de beeldspraak, het inzicht in de eenheid als de basis voor een spiritueel ontwaken in dit leven, is slechts een vertrekpunt om, vanuit die kennis, tot een bewuste ervaring te komen. De eenheidservaring kan zich immers niet beperken tot een mentaal proces, waarin het dualisme enkel rationeel wordt overstegen...

 

 

23

jezus heeft gezegd

ik zal jullie uitkiezen één uit duizend

en twee uit tienduizend

en één zijnde zullen zij opstaan

 

vergelijk: Mt 22, 14

 

 

In dit logion wordt de mathematische logica genegeerd. Maar met logica komen we in deze materie ook niet zover. De realiteit, waarvoor Jezus onze aandacht opeist, overstijgt zowel het gebied van het logische denken als dit van het emotionele voelen. Tot op een zekere hoogte is het rationele denken een kostbaar hulpmiddel, tot de limiet van het begrijpbare is bereikt. Hier voorbij rest ons enkel de persoonlijke ervaring van de weg die gegaan wordt. En daar gelden de regels van het lagere niet langer. De enige leidraad die ons dan rest is onze eigen kritische oprechtheid. Het nieuwe zou niet nieuw zijn indien er niet iets nieuw te beleven viel !

Het uitkiezen is niet op te vatten als een voorrecht dat iemand toevallig zou te beurt vallen maar als het gevolg van een erkenning. (even teruggaan naar logion 3) In een vorig logion erkende Jezus in Thomas de discipel die in bewustheid één met hem was. Daarom koos hij hem uit. Zichzelf als uitverkozen beschouwen is een hoogmoedig spelletje “wishful thinking”. Dit overkwam het joodse volk, het overkwam ook Paulus en in zijn spoor de katholieke Kerk. Nog steeds beschouwt zij immers zichzelf als de door de bruidegom Christus uitverkoren bruid... Evenmin als aan Paulus kan haar een overdadige nederigheid worden aangerekend.

 

 

24

zijn discipelen zeiden

leer ons de plaats waar jij bent

want voor ons is het noodzakelijk dat wij die zoeken

hij zei hen

hij die oren heeft dat hij hoort

er is licht binnenin een verlicht mens

en hij verlicht de hele wereld

indien hij niet verlicht is hij een duisternis

 

vergelijk: Jn 1, 38-39

 

 

Wisten de discipelen dan niet waar Jezus verbleef...? Soms missen we in dit evangelie de context waarin een uitspraak gedaan werd. Dit is hier zeker het geval. Vermoedelijk bevinden we ons in de situatie van hoofdstuk 14 in het Johannesevangelie. Hierin verwijst Jezus naar zijn verbondenheid met de Vader, naar het vaderhuis waar plaats is voor velen. Het was de bezorgdheid van Thomas de weg naar de Vader te kennen, terwijl Filippus het verzoek had : “toon ons de Vader”... Beiden hadden het verlangen deel te hebben in de ervaring van Jezus.

De komst van het koninkrijk is geen zintuiglijk te ervaren gebeurtenis. Daar waar Jezus zich ophoudt, de plaats van het leven, is evenmin een ruimtelijke locatie maar een innerlijke zijnstoestand. Dit behoort tot het nieuwe begrip van het koningschap... In bewustzijn is Jezus één met de bron. Wie één is met hem verblijft in de bron. Wie één is met de bron kan het water niet voor zich houden, het licht niet verborgen houden. Kennis is slechts zinvol indien zij dient, liefde slechts zinvol indien zij gegeven wordt... Het kenmerk van de ware discipel is dat hij of zij het innerlijke licht, dat ontvangen wordt, ook uitstraalt. Wie niet ontvankelijk is voor dit licht verblijft in de duisternis en kan ook niet verlichten...

 

 

25

jezus heeft gezegd

bemin je broeder als je innerlijke zelf

waak over hem als over je oogappel

 

vergelijk: Mt 22, 37-38 - Mc 12, 29-31 - Lc 10, 27

 

 

In dit leven zijn we allen kinderen van dezelfde Vader en dus broeders en zusters van elkaar. Uiteraard verschillen we genetisch, werden we ook verschillend beïnvloed door een opvoeding, een cultuur, door ethische of godsdienstige overtuigingen van anderen. Die relatieve verschillen overstijgen en onze aandacht toespitsen op die éne realiteit, waarin we allen op eenzelfde wijze verbonden zijn met een absolute levenswet, dit is de uitdaging die we met z’n allen delen. Onze opdracht is het, zoals alle celletjes in ons lichaam, samen te leven in harmonie. Dit houdt in dat we allen ook verantwoordelijk zijn voor elkaar.

“Hieraan zullen allen erkennen dat jullie mijn discipelen zijn: indien jullie elkaar liefhebben.” (Joh. 13, 35). Zoals de naïeve apostelen dachten opnieuw klein te moeten worden om toegang te hebben tot het koninkrijk, zo denken velen nog steeds dat het volstaat het gebod van naastenliefde na te volgen om hun ticket voor het eeuwig leven veilig te stellen. Uiteraard is de bezorgdheid voor anderen een essentiële ingesteldheid in de uitdrukking van de harmonie. Toch is zij niet het middel waarmee een ingebeeld doel - het koninkrijk - kan worden bereikt.

Liefde is de vrucht van de verbondenheid met een bron, waaruit we de mogelijkheid ontvangen om lief te hebben. Aan zichzelf de verdienste van goedheid toekennen is niet zinvol, want alles wat we in liefde kunnen geven ontvangen we. Onze voornaamste opdracht zal er daarom in bestaan de verbondenheid met die bron in onszelf te verankeren. In het bewustzijn van een integratie in de wet van harmonie, van het deel hebben in het koningschap van de Vader, ligt de dienende verantwoordelijkheid van ieder mensenkind.

In het christendom werd vooral het gebod van naastenliefde als de essentie van de goede boodschap weerhouden. In dit evangelie blijkt echter zo vaak hoeveel dieper de woorden van Jezus ons bewustzijn doorploegen. Harmonie is de absolute waarde die aan de oorsprong ligt van elke levensuiting. Harmonie in voelen is liefde, harmonie in denken is intelligentie. Hoewel beide, liefde en intelligentie, symbolische met een verschillende bron worden geassocieerd - het hart en het hoofd - toch ontspringen zij in hetzelfde bewustzijn. Juist handelen doet evenzeer beroep op goedheid als op intelligentie. Kennis gebruiken zonder een ingesteldheid van goedheid is even zinloos als goed willen zijn zonder een juiste kennis te bezitten. Elk individueel bewustzijn kan de juiste inspiratie ontvangen om beide harmonisch te beleven.

Ieder ikje ontspringt op eenzelfde wijze uit een absolute levensbron en is dus even waardevol. De waarde die iedere persoon aan zijn ik toekent is afhankelijk van de eigen psyche. Die ik-waarde kunnen relativeren binnen een universele broederschap maakt het mogelijk in iedere mens, man of vrouw, blank of donker, jood, palestijn of christen, een volwaardig mensenkind te erkennen. Discriminatie hoort niet bij harmonie !

 

 

26

jezus heeft gezegd

het strootje in het oog van je broeder zie je

maar de balk in je eigen oog zie je niet

wanneer je de balk uit je oog zult verwijderd hebben

dan zal je zien

om het strootje uit het oog van je broeder te verwijderen

 

vergelijk: Mt 7, 3-5 en Lc 6, 41-42

 

 

Omdat leven in harmonie de finaliteit van dit leven is, verlangt iedere mens ernaar gelukkig te zijn. Maar de wetten van het lagere, de spelregels die door de mens zelf werden bedacht, eisen ons op om onze eigen ambities waar te maken, onze eigenwaarde steeds weer te bewijzen en de confrontatie met anderen aan te gaan.

Sinds de mens van één twee maakte en zolang hij zijn oorspronkelijke verbondenheid niet opnieuw erkent, zal het lagere gescheiden blijven van het licht van het hogere. In het lagere geldt de wet van de leeuw en is het dus belangrijk de zwakheden van een andere te kennen om er munt te kunnen uit slaan ! Onze kritische aandacht gaat daarom zoveel vlotter naar de gebreken van anderen dan naar de eigen tekorten. Ook hier zijn we toe aan een ommekeer in onze ingesteldheid.

Het vertrekpunt van die ommekeer is een oprechte zelfbeschouwing. Met welke waarden heb ik mezelf bekleed ? Waarin berusten de kennis, de macht en de rechten die ik aan mezelf toeken ? Van welke verwarring ben ik het slachtoffer geworden ? Oprechtheid is het meest doeltreffende wapen tegen de hoogmoed die ons voortdurend belaagt, het middel waardoor wij ons bewust kunnen worden van de balk in het eigen oog, die ons belet te zien.

Binnen de wet van harmonie is geen ruimte voor beoordeling of discriminatie, want allen zijn we op een evenwaardige wijze kind van dezelfde Vader. Ook al gaat iemand zwaar in de fout, nooit kan de achtergrond van zijn of haar daden door een ander juist worden ingeschat. De vaststelling van een fout bij een medemens kan nooit een aanleiding zijn om over de mens zelf een oordeel uit te spreken.

“Z’n vijand liefhebben” is een uitspraak die niet aan Jezus kan worden toegekend... Want voorafgaand aan de erkenning van iemand als z’n vijand ligt een beoordeling. Hierin onderscheidt zich het boeddhistische begrip mededogen : bij onbegrip voor een andere hoort het begrip te hebben voor het eigen onbegrip... Een blinde kan je niet verwijten tegen je aan te lopen...  tenzij je zelf blind bent...

 

 

27

indien jullie niet vasten ten aanzien van de wereld

zullen jullie het koninkrijk niet ontdekken

indien jullie niet van de sabbat de sabbat maken

zullen jullie de vader niet zien

 

 

Opnieuw heeft Jezus het over traditionele praktijken uit de joodse godsdienst. Zijn afwijzende houding ten aanzien van die rituelen is ons reeds bekend. Wat is er dan wel fout mee ? Zowel het vasten als de sabbat verwijzen naar een onthouding, maar beide rituelen werden van hun oorspronkelijke betekenis gescheiden. Het vasten is meer dan een zich tijdelijk onthouden van een traditionele voeding, de sabbat meer dan een wekelijks ritueel, waarbij de aandacht van de geest wordt onttrokken aan dagelijkse bekommernissen, om zich te richten naar “God”.

In logion 21 gaf Jezus aan zijn discipelen de waarschuwing mee waakzaam te zijn ten aanzien van de wereld. Hier gaat hij een stapje verder en heeft hij het over vasten ten aanzien van de wereld. Dit vasten is geen tijdgebonden ritueel maar een blijvende ingesteldheid ! Willen we de confrontatie met de leeuw uit logion 7 uit de weg gaan, dan is het noodzakelijk geen aandacht te besteden aan die waarden, die de wetten van de leeuw voorstaan. Vasten ten aanzien van de wereld betekent niet de wereld de rug toe keren maar zich onthouden van elke betrokkenheid bij de doelstellingen die in het lagere worden voorgehouden. Aandacht hebben voor een juiste voeding is zeker een zinvolle ingesteldheid. Zich gedurende een beperkte periode bepaalde leef- en voedingsregels opleggen, omwille van een “goddelijke” wet, is echter niet zinvol. Wie zich juist voedt behoeft geen vasten ! Ook hier geldt de wet van harmonie.

Eenzelfde gedachtegang kan gevolgd worden voor de sabbat. Bij de ware sabbat horen geen regels die door mensen werden verzonnen. De aandacht voor het hogere kan zich niet beperken tot het wekelijks volgen van een verheffend ritueel. Zo’n ritueel kan weliswaar zinvol zijn, als een hulp om een juiste ingesteldheid levendig te houden, maar niet als een dwingend middel om zich een toegang tot het koninkrijk te verzekeren. Een gerichtheid één dag op zeven naar God, al was het maar de duur van een ritueel, kan nooit als compensatie gelden voor een aardse betrokkenheid gedurende de zes resterende dagen ! Het bewustzijn van een verbondenheid met een bron van hogere levenswaarden hoort een blijvende ingesteldheid te zijn. Dit gaat automatisch gepaard met het loslaten van schijnwaarden uit het lagere. Inhoudelijk zijn het vasten en de sabbat dus niet van elkaar te scheiden.

Het zien van de vader moet uiteraard figuurlijk worden begrepen als het zich bewust worden van een verbondenheid met die realiteit, waarvoor Jezus het beeld van een vader gebruikt. De zintuiglijke ervaringen zien en horen symboliseren in dit evangelie vrijwel steeds het verwerven van inzicht.

 

 

28

jezus heeft gezegd

midden de wereld ben ik opgestaan

en in vlees ben ik hen verschenen

allen heb ik dronken gevonden

onder hen vond ik niemand die dorstig was

en in mijn innerlijke zelf (psychè) had ik pijn omwille van de mensenkinderen

want blind zijn zij in hun hart

en zij zien niet dat zij leeg in de wereld zijn gekomen

en dat zij ook zoeken leeg de wereld te verlaten

ware het niet dat zij nu bedronken zijn

wanneer zij hun wijn zullen hebben uitgebraakt

pas dan zullen zij hun ingesteldheid veranderen

 

 

De vaststelling die Jezus hier maakt is vernietigend voor zijn medemensen... Wat is de zin van een bron indien er niemand is die dorstig is ? De mens is zich niet meer bewust noch van zijn oorsprong, noch van zijn finaliteit. In zijn zelfbewustzijn heeft hij zich bedronken...

Het fysieke lichaam, dat mij werd toevertrouwd en zovele mogelijkheden inhoudt, is een waardevolle maar dienende entiteit. Toch beschouw ik mezelf als de fiere bezitter ervan. Zoals de spelende bengels bezit namen van hun veld, zo ben ik de hautaine eigenaar van mijn lichaam geworden en leef ik nu in de illusie de enige meester te zijn van wat ik kan, bezit en vermeen te weten. Ik ben dronken geworden ! Van de werkelijke bron van mijn mogelijkheden heb ik mij afgescheiden. Van die illusie zal ook het kind van zeven dagen, dat zich wel nog leeg in de oorspronkelijke harmonie met zijn levensbron bevindt, snel het slachtoffer worden. Want dit behoort zijn nu eenmaal tot de regels van het lagere, waar de leeuw het voor het zeggen heeft.

Zoals de goede aarde voor het zaad én zijn oorsprong is én zijn finaliteit, zo zijn beide ook voor de mens één. In het herstel van de eenheid met zijn bron ligt voor hem zijn finaliteit : zelf bron zijn. De mens heeft te dienen als een beker. Een beker kan slechts dienen indien hij leeg is. Pas dan kan hij zich laten vullen door het water uit de bron en, zoals de bron zelf, dienend zijn. Wie tot een juiste zelfkennis is gekomen, kan de toestand van dronkenschap in zichzelf erkennen, de wijn uitbraken en opnieuw leeg worden.

Enkel doorheen een innerlijke zuivering kan een weg van verlossing worden gegaan. Die weg kan niemand voor een ander gaan, noch Krishna, noch Boeddha en ook Jezus niet...

 

 

29

jezus heeft gezegd

indien het vlees is geworden door de Geest

is dit een wonder

indien daarentegen de Geest door het lichaam

is dit het wonder der wonderen

maar ik ben in verwondering over dit

hoe die grote rijkdom is verbleven in die armoede

 

44

jezus heeft gezegd

wie de vader beledigt hem zal vergeven worden

en wie de zoon beledigt hem  zal vergeven worden

wie daarentegen de zuivere Geest beledigt

hem zal niet vergeven worden

noch op aarde noch in de hemel

 

vergelijk: Mt 12, 31-32 - Mc 3, 28-29 - Lc 12, 10

 

 

Voor het eerst brachten we twee logia samen omdat we in beide kennis maken met een nieuw en belangrijk begrip : pneuma, de Geest. Uitzonderlijk gebruiken we hier een hoofdletter om een onderscheid te maken met de menselijke geest : de leidinggevende inspirator, die we binnenin onszelf ervaren als een ego-gebonden component. Uit logion 44 blijkt inderdaad hoe bijzonder de Geest wel is : wie de Geest beledigt begaat een niet te vergeven fout ! Dit is niet het geval noch voor een belediging van de Vader, noch voor die van de zoon.

In logion 29 wordt de relatie toegelicht tussen het vlees (sarks in lijn 2) of het lichaam (soma in lijn 4) en de Geest (pneuma), een relatie die we ook terugvinden in de proloog van het Johannesevangelie: “en het woord (de geest) is vlees geworden”.

Traditioneel wordt in het christendom het goddelijke voorgesteld als een drie-eenheid : God de Vader, Christus als zijn enige zoon en de H.Geest, de goddelijke inspirator van de mens. Zij zijn onderscheiden en toch één. Dit wordt een mysterie genoemd. Het woord mysterie klinkt als een verbloeming voor de pretentie die de mens ertoe bracht een structuur voor het goddelijke te verzinnen. In die structuur wordt de mens Jezus verheven tot een goddelijk wezen, ondanks het feit dat hij zichzelf nooit expliciet als een zoon van God kenbaar maakte. Zij die meenden in hem een zoon van God te erkennen - wat die uitdrukking toen ook mocht betekenen - wees hij overigens met een vermanende vinger terug. (Lc 4, 41 - Mc 3, 12) Toch werd dit het fatale lot van een mens die zich van zijn innerlijke verbondenheid met het goddelijke bewust was geworden. Het goddelijke en het menselijke hoorden immers gescheiden te blijven...

Het nieuwe inzicht in de drie-eenheid houdt in dat de verbondenheid, waarvan Jezus getuigt, tot het wezen van iedere mens behoort. Iedere mens is, in een spirituele verbondenheid, kind van de Vader. Het bewustzijn van die verbondenheid maakt het verschil uit tussen leven en dood. Maar hoe kan een mens zich bewust worden verbonden te zijn met “iets”, dat niet door zijn bewustzijn kan gekend zijn...?

In het scheppingsverhaal, dat verwoord werd in de proloog van het Johannesevangelie, speelt het “woord” een bijzondere rol. Vóór het begin was het bij God, in het woord is het leven, het is het licht dat in de schepping kwam, waardoor de schepping is ontstaan en dat nog steeds in de schepping verblijft. Maar de schepping erkende het niet. Aan hen, die het ontvangen, geeft het de mogelijkheid kinderen van God te worden...

Vóór het begin was “niet iets”, noch tijd noch ruimte, enkel leegte : het niet-manifeste absolute en onberoerde Zijn. In die leegte ligt het totale potentieel van de gehele schepping besloten. Het “woord” symboliseert de initiële vibratie. Vibratie veronderstelt tijd, ruimte en energie. Het verbeeldt de expressie van het absolute Zijn, de manifestatie van het niet-manifeste, waardoor de ganse schepping en dus ook de mens geworden is. In het Oosten wordt die initiële impuls uitgedrukt in de universele mantra “Aum”. Het woord was niet alleen in het begin, het is er nog steeds, op ieder ogenblik. Maar de mens erkent het niet. Toch kan de mens het erkennen, want hij kan ontvankelijk worden voor het “woord”, het innerlijke licht. In die ervaring ligt het bewustzijn kind van de Vader te zijn.

Het “woord” symboliseert de Geest, de Spiritus. Door de Geest is de schepping en dus ook de mens geworden. Hij verblijft in de schepping en dus ook in de mens, voor wie hij kenbaar want te ervaren is. Het absolute in zijn niet-manifeste aspect, de Vader, is niet kenbaar. Geen woord, geen beeld kan “het” bevatten. Elke voorstelling ervan behoort tot een virtuele realiteit ! De Geest is het zichzelf uitdrukkende aspect van de Vader. Daarom is de Geest wel een te ervaren realiteit. Hij is de spirituele brug, die de mens met zijn absolute bron verbindt. De mensenzoon is het sluitstuk in de schepping. Wat hij voortdurend door de Geest ontvangt, heeft hij volgens Zijn wet van harmonie uit te drukken.

De drie-eenheid is niet de eigenschap die ooit door de mens aan het goddelijke werd toegekend maar een zijnswaarde die binnenin iedere mens blijvend aanwezig is. Door de Geest kan de mens zich bewust worden van zijn verbondenheid met zijn absolute levensbron. In het beeld van een bron vindt de eenheid van Vader en Geest een verhelderende symboliek. Een bron is een leegte waaruit water te voorschijn komt. De bron is noch de leegte noch het water maar beide in eenheid verenigd : zonder leegte geen water, zonder water geen bron... De leegte is niet te ervaren, wel te ervaren is het water... Maar wat is de zin van een bron indien er niemand is die dorstig is, niemand in wie of door wie het water tot “leven” kan worden ? Dit nu is de finaliteit van de mens : in eenheid met de bron dienend zijn zoals de bron zelf dienend is. Dit is het inzicht in de drie-eenheid dat behoort tot het nieuwe.

De interpretatie van logion 29 is zeker niet eenvoudig. In het licht van het nieuwe inzicht in de drie-eenheid trachten we de inhoud ervan enigszins anders te verwoorden :

Indien de Geest de oorsprong is van het vlees, de bezielde mens, is dit een wonder : het wonder van de schepping van het biologische leven. Indien echter het lichaam, dat in de duisternis van de onwetendheid verkeert, de mogelijkheid bezit zich bewust te worden van de Geest, is dit een nog veel groter wonder...

Het is het wonder van het biologische leven dat de Geest de oorsprong is van “het vlees”. Het grootste wonder is evenwel dat het lichaam, de materiële basis van het bewustzijn, de Geest kan erkennen en hierdoor tot “leven” kan komen. Dit is de nieuwe geboorte ! Het onderscheid dat hier gemaakt wordt tussen sarks (lijn 2) en soma (lijn 4) is heel subtiel ! Sarks refereert aan het “bezielde lichaam”, de eenheid van psychè en soma. Wil de mens zich opnieuw bewust worden van zijn oorspronkelijke verbondenheid, dan heeft zijn bezielde lichaam leeg te worden (zie vorig logion). Dit betekent dat de psyche tot stilte, tot rust moet komen. Wat dan nog rest zijn de niet meer “bezielde” structuren van sarks : soma, het lichaam. Het personeel heeft de burelen verlaten, de deur werd gesloten, binnenin heerst enkel stilte, rust... Rust is het uitgelezen middel waardoor de psyche zich kan uitzuiveren. Door die zuivering zal de Geest zich doorheen de psyche optimaler kunnen reveleren.

De Geest is de grootste rijkdom die ons ter beschikking staat, want de “drager” van het gehele levenspotentieel. Hij is het water waardoor de bron erkend kan worden. Het is de Geest die de harmonie in de ganse natuur onderhoudt, die alle mogelijkheden van lichaam en psyche blijvend ondersteunt, die ook het licht is dat in zich kennis en inzicht draagt. Toch wordt hij door de mens miskend. Hierdoor leeft de mens nog steeds in de duisternis van de gescheidenheid...

wie de Vader beledigt, beledigt “niet iets”, schiet een pijl af in de leegte...

wie de zoon beledigt, beledigt zichzelf, wat slechts domheid is...

maar wie, door miskenning, de Geest beledigt, miskent dit wat het leven in zich draagt.

We zijn hier ver verwijderd van het dualisme van lichaam en geest, dat algemeen als het kenmerk geldt voor de gnostische visie. Ver verwijderd ook van de dualistische visie van Paulus, die verkondigde :

Vlees en bloed kunnen niet deel hebben in het koninkrijk van God en het vergankelijke heeft geen aandeel in de onvergankelijkheid.  (1 Kor 15, 50)

 

 

30

jezus heeft gezegd

daar waar drie goden zijn daar zijn ze goden

daar waar er twee zijn of één ben ik met hem

 

 

Wanneer de joden Jezus in absolute bewoordingen hoorden spreken over “zijn vader”, begrepen zij dat hij hun God Jaweh bedoelde. Maar zich de zoon van Jaweh noemen kon niet. Dit was godslastering ! Geen mens kan zich immers beroepen op een directe goddelijke afkomst. Een misverstand met ernstige gevolgen zoals zou blijken. Over dit essentiële godsbegrip ondervroegen zij hem dus.

Opnieuw is zijn antwoord verstorend ! Dat drie goden, goden zijn is zonder meer duidelijk. Maar spreken van twee of één, waar hij mee verbonden is... Eens te meer worden we hier voor een raadsel geplaatst. Hoe kan het absolute, gesymboliseerd in het woord God, worden opgesplitst zodat er twee zijn ? Het absolute kan toch niet deelbaar zijn... En toch...

Wanneer Jezus, om te getuigen van zijn innerlijke verbondenheid met een absolute Zijnswaarde, het beeld van een vader gebruikt is dit beeld enkelvoudig. Zo is het ook wanneer hij, zoals in logion 74, gebruik maakt van het beeld van een bron. Wanneer we echter in een bron de leegte en het water onderscheiden als symbolen voor de Vader en de Geest (zie commentaar bij vorig logion), is het beeld niet meer enkelvoudig maar tweevoudig... Geen twee evenwel als een onmogelijke deelbaarheid van één, maar als twee onderscheiden aspecten van één Zijn : het tijdloze onberoerde Zijn en het zich uitdrukkende Zijn. In geleerde bewoordingen noemt men dit het transcendente en immanente aspect van God. Met die werkelijkheid is Jezus ver-enigd : ik ben met hem.

Zo geeft hij uitdrukking aan zijn bewustzijn van verbondenheid, van eenheid met een absolute Zijnswaarde. Dit houdt echter niet in dat hij zich met die Zijnswaarde identificeert ! De zoon en de vader zijn één maar niet identiek... Ook het kind van zeven dagen verblijft nog steeds in de eenheid met zijn levensbron... Eenheid en identificatie zijn twee verschillende begrippen... Jezus verheft zich hier niet tot een goddelijke status !

Omdat de twee-eenheid van Vader en Geest beschouwd werd als de oorsprong zelf van het leven, lag het als het ware voor de hand de menselijke begrippen mannelijk en vrouwelijk op het goddelijke te projecteren. Zo wordt de Geest - ruah in het hebreeuws is vrouwelijk - in diverse gnostische geschriften voorgesteld als de Moeder naast de Vader.

Per definitie is het absolute niet te vatten door het relatieve. We kunnen dus enkel pogen het te benaderen met behulp van beelden, waarin ons analytische vermogen opsplitst wat in werkelijkheid één is. Essentieel bij de interpretatie van een beeldspraak is zich steeds bewust te zijn van de functie van het beeld als middel. Nooit echter kan het beeld verward worden met de werkelijkheid die erdoor benaderd wordt.

Zoals Geest en Vader één zijn, zo is ook het mensenkind één met de bron. Want de mogelijkheden, die de mens in zichzelf ervaart en die hij zo graag aan zichzelf toekent, ontvangt hij door de Geest van de Vader. Omdat de schepping bestaat, bestaat ook de mens en omdat de mens bestaat, bestaat het begrip “God”. Vooraleer de mens op aarde verscheen, was alles één : het geschapene en het scheppende, het lagere en het hogere. Door de mens werden beide gescheiden in natuur en bovennatuur. Het is de zin van de religieuze weg het inzicht in de originele verbondenheid opnieuw in het bewustzijn te integreren.

 

 

31

jezus heeft gezegd

een profeet wordt niet aanvaard in zijn dorp

een therapeut verzorgt niet hen die hem kennen

 

vergelijk: Mt 13, 57-58 - Mc 6, 4-5 - Lc 4, 23-24 - Jn 4, 44

 

 

Het is de opdracht van een profeet een juiste religieuze kennis te brengen omtrent de verbondenheid van het lagere met het hogere. Van een therapeut is het de taak een verstoorde lichamelijke of psychische harmonie te herstellen. Jezus is een therapeut in wie beide opdrachten verenigd zijn. Uit logion 14 blijkt dat dit ook de opdracht is van zijn discipelen. Zowel vermeende kennis als ziekte of lijden zijn symptomen van een verstoorde innerlijke harmonie. Zijn kennis is holistisch, want zij ontspringt uit de eenheid.

Wellicht is deze uitspraak ingegeven door de eigen ervaring van Jezus. Als jood heeft hijzelf de begrenzingen van zijn cultuur moeten overstijgen om tot de religieuze inzichten te komen die nu de zijne zijn. Vertrouwde mensen in dit nieuwe bewustzijn deelachtig maken is geen eenvoudige opdracht ! Voor vreemde geluiden hebben we nu eenmaal meer ontzag dan voor vertrouwde stemmen... Ook voor ons geldt dat Jezus ons zoveel meer nabij is dan Boeddha. Toch zullen zijn vernieuwende inzichten in dit evangelie op heel wat minder luisterbereidheid kunnen rekenen dan de weliswaar vaak boeiende woorden van een Dalai Lama...

 

 

32

jezus heeft gezegd

een stad die gebouwd werd op een hoge berg en sterk is

noch kan zij worden ingenomen

noch kan zij verborgen blijven

 

33

jezus heeft gezegd

dit dat je met je oor zult horen

met het andere oor schreeuw het uit over de daken

er is toch niemand die een olielamp aansteekt

en haar onder een struik plaatst of haar verbergt

maar de lamp wordt op een staander geplaatst

zodat ieder die binnenkomt of naar buiten gaat haar licht kan zien

 

vergelijk: Mt 5, 14-16 - 7, 24-27 en 10, 27 - Lc 6, 47-49 - 8, 16 - 11, 33 - 12, 3 - Mc 4, 21

 

 

In beide logia tracht Jezus, met een niet verdoken enthoesiasme, de waarde van de rijkdom die hij in zichzelf ervaart beeldend voor te stellen. De kracht die hij uit zijn innerlijke bron ontvangt vergelijkt hij met een versterkte stad. Elk nieuw inzicht, dat een mens in zichzelf uit het hogere kan verwerven, ook al is hij nog ver van zijn einddoel verwijderd, heeft een absolute waarde. Het is een rijkdom die niet door anderen kan worden ingenomen, tenzij door het eigen falen. (zie logion 35) Zoals het licht van een lamp kan het ook niet verborgen blijven, want het draagt in zich een kracht die in staat is duisternis te verdrijven.

Het beeld van een versterkte stad roept spontaan de gedachte op aan macht. Ook begrippen als rijkdom en kracht bezitten die co-notatie. Licht daarentegen associëren we niet met macht ! Omdat het licht de uitdrukking is van een absolute wet - een versterkte stad is daarentegen mensenwerk - kan het enkel dienend zijn en dus nooit een bron zijn van macht, tenzij het door de mens wordt misbruikt. Zoals het licht, zo hoort elke juiste kennis dienend te zijn. De vrucht van een dienende kennis is gezag, nooit macht !

 

 

34

jezus heeft gezegd

indien een blinde een andere blinde leidt

vallen zij beiden in een put

 

vergelijk: Mt 15, 14 - Lc 6, 19

 

 

Zolang een mens geen kennis heeft van zijn ware natuur, zolang hij in bewustzijn gescheiden blijft van het licht uit zijn innerlijke bron, verkeert hij in een duisternis die ook armoede is. Daarom is lijden zijn dagelijkse partner. Het is niet de finaliteit van de mens te lijden noch in de duisternis te verblijven. Zoals hij beschikt over twee ogen om naar buiten te zien, zo kan hij ook de aandacht van zijn geest naar binnen richten en vaststellen dat hieruit een ander licht straalt, dat niet met twee ogen te ervaren is. De ontvankelijkheid voor dit licht bepaalt wie blind is en wie niet.

Leiders volgen die in de mening verkeren in de duisternis de weg te kennen is niet zinvol. Velen denken nochtans de waarheid in pacht te hebben en voelen zich geroepen om als een lichtbaken te fungeren. Zolang we zelf in de duisternis verblijven, zijn we niet in staat een onderscheid te maken tussen een blinde en een ziende ! Wie in zichzelf zijn of haar gerichtheid wijzigt en het innerlijke licht ervaart, heeft geen behoefte meer aan blinde leiders.

In het evangelie van Fillipus, dat eerder reeds werd aangehaald (zie logion 21), lezen we deze merkwaardige uitspraak van Jezus. Wanneer de discipelen hem het verwijt maken meer te houden van Maria Magdalena dan van hen - want hij kuste haar vaak - antwoordt hij hen : wel, indien een blinde en een ziende samen in de duisternis verblijven, verschillen zij niet van elkaar. Maar wanneer het licht komt zal de ziende zien en de blinde in de duisternis blijven...

 

 

35

jezus heeft gezegd

het is niet mogelijk dat iemand met geweld

het huis van een sterke man binnenvalt

tenzij hij hem de handen boeit

pas dan zal hij zijn huis door elkaar halen

 

vergelijk: Mt 12, 29 - Mc 3, 27 - Lc 11, 21-22

 

 

Logion 21 bevatte reeds een aanmaning tot waakzaamheid. Die waarschuwing herhaalt zich hier. Wat we uit het hogere kunnen ontvangen heeft weliswaar een absolute waarde, die ons sterkte geeft, toch blijven we steeds mensen van vlees en bloed. Verleidingen uit het lagere zijn nooit ver weg, onze zwakheden evenmin. Met beide ogen zien we zovele schitteringen, die in schijn het innerlijke licht tijdelijk kunnen overtreffen. Zo laat de sterke zich door schijnwaarden toch beetnemen, laat hij of zij zich de handen boeien

De vijand die we het meest te vrezen hebben, die onze verworven vrijheid opnieuw aan banden kan leggen, onze innerlijke harmonie grondig kan verstoren, is tenslotte ons eigen ikje en zijn egocentrische verlangens. Wie aan het lagere gebonden is stelt het juist op prijs die verlangens waar te maken. Dit betekent pas vrijheid ! Maar wie zoekt zichzelf te dienen verslaaft zich, want egocentrische verlangens verkeren steeds in de ban van de leeuw en verlangen daarom steeds meer...

Het behoort tot een natuurlijk proces dat onze verlangens de inhoud van onze wil inkleuren en zo de gerichtheid van ons handelen bepalen. “Leven zonder verlangens” als een ideaal beschouwen, berust op een foute inschatting van oosterse wijsheden. Wat wel tot onze opdracht behoort is de gerichtheid van onze verlangens te wijzigen. Onze sterkte en onze vrijheid liggen niet in het dominante maar in het dienende ik... Ook die ommekeer behoort tot het nieuwe. Het leven is geen “self service”...

 

 

36

jezus heeft gezegd

wees niet bezorgd van de ochtend tot de avond

en van de avond tot de ochtend

om wat jullie zullen aantrekken

 

vergelijk: Mt 6, 25 en volg. - Lc 12, 22 en volg.

 

 

Dit logion sluit aan zowel bij het vorige als bij het volgende. De bezorgdheid om wat we zullen aantrekken, om dit waarmee we ons in dit leven “bekleden”, is een zinloze bezorgdheid. Uiteraard zijn de klederen niet letterlijk op te vatten. Zij symboliseren alle relatieve waarden, waardoor we onszelf in de ogen van anderen belangrijk kunnen maken. IJdelheid, de bezorgdheid om het eigen imago, is er slechts één van.

Dit logion houdt echter geen veroordeling in van de aandacht die we aan zovele relatieve waarden kunnen schenken. Zij maken immers deel uit van de rijkdom, die dit leven aangenaam en mooi kan maken. Hiervan genieten hoort bij het beleven ! De wet van het leven is evenwel een wet van harmonie en dus van maat. Van de ochtend tot de avond en van de avond tot de ochtend is mateloos... Hoe maak ik gebruik van de tijd en het onderscheidingsvermogen die mij ter beschikking staan ?

 

 

37

de discipelen zeiden

welke dag zal je ons verschijnen en welke dag zullen wij je zien

jezus zei

wanneer jullie zich hebben ontdaan van jullie schroom

en jullie klederen hebben genomen

ze aan jullie voeten hebben neergelegd en vertrappeld

zoals de kleine kinderen doen

dan zullen jullie de zoon zien van hem die levend is

en jullie zullen niet vrezen

 

 

Blijkbaar verkeren de discipelen in de verwachting dat Jezus hen op een dag, nadat hij hen heeft verlaten, (zie logion 12) opnieuw zal verschijnen. Die hoop is slechts een illusie (zie volgend logion), zoals ook de messiaanse verwachting een droom is die deel uitmaakt van een religieus concept, waarin het joodse volk zichzelf beschouwt als door Jaweh uitverkozen. Met die ijdele gedachte heeft een gans volk zich bekleed… Ook religieuze voorstellingen, waarin onze onwetendheid werd verhuld, behoren tot onze klederdracht…

De ommekeer die Jezus zijn discipelen voorhoudt is radicaal. Schijnwaarden moeten worden ingeruild voor een reële zoektocht naar de zoon van hem die levend is. De term “mensenzoon” werd in het christelijke geloof voorbehouden voor de Christus. De zoon zien van hem die levend is betekent niet enkel Jezus erkennen als een bewust geworden mensenkind maar ook en vooral die potentiële hoedanigheid in zichzelf erkennen. Hiervoor is het evenwel noodzakelijk dat we, zoals het kind van zeven dagen, innerlijk opnieuw leeg en dus naakt worden. Ons bewustzijn moet de weg teruggaan naar de zuiverheid die was in het begin.

De schroom, die ons weerhoudt onszelf in naaktheid te zien, is onze hoogmoed. Wie zich hiervan heeft ontdaan, die wijn heeft uitgebraakt, die klederen vertrappeld heeft, kan in zichzelf zijn of haar ware zelf erkennen : het mensenkind dat kind is van hem die levend is. Het verdwaalde kind, dat de weg naar het vaderhuis heeft teruggevonden en zichzelf opnieuw erkent als kind van zijn vader, hoeft niet meer te vrezen. De hereniging heeft slechts een naam : vreugde !

 

 

38

jezus heeft gezegd

hoe vaak hebben jullie er niet naar verlangd

de woorden te horen die ik jullie zeg

en voor jullie is er geen ander van wie ze te horen

er zullen dagen komen waarop jullie mij zullen zoeken

en mij niet zullen vinden

 

vergelijk: Lc 17, 22 - Jn 7, 33-34 en 8, 21

 

 

Het vorige logion verduidelijkte de weg van de discipelen : een ontluistering van hun ego, een ontmanteling van de schijnwaarden waarmee zij zich hebben bekleed... Ook geloofswaarheden die anderen ons voorhouden hebben slechts een relatieve waarde. Zij zijn niet in staat twijfels en onzekerheden weg te nemen. Die kunnen slechts door kennis worden opgelost. Naar die kennis verlangt iedere mens, ook de discipelen. Maar Jezus spreekt een onverwachte taal ! De kennis die hij hen voorhoudt behoort niet tot het gebied van het weten maar tot dit van het zijn. Gnosis is immers een ervaringskennis. De weg van zelfkennis moeten de discipelen zelf gaan. Die tocht kan niemand in hun plaats volbrengen. Ook hij niet... Zijn opdracht is te dienen door de richting van de weg aan te geven. Hierin onderscheidt hij zich van de anderen.

De joden hebben hun hoop gevestigd in een verlossing die komen moet. Voor de christenen is de verlossing er gekomen door het kruis... Het woord van Jezus is verstorend : de verlossing ligt in een weg die jullie, in jullie eenzame zelf moeten gaan... De naam van de weg is bewustwording. Op die weg moeten jullie niet mij zoeken maar jezelf...

 

 

39

jezus heeft gezegd

de farizeeërs en de schriftgeleerden

hebben de sleutels van de kennis (gnosis) genomen

en hebben ze verborgen

noch zijn zij zelf binnengegaan

noch lieten zij toe dat zij die wilden zouden binnengaan

jullie daarentegen wees bedachtzaam als de slangen

en zuiver als de duiven

 

102

jezus heeft gezegd

beklagenswaardig zijn zij de farizeeërs

want zij gelijken aan een hond die slaapt in de voerbak van de ossen

want noch eet hijzelf noch laat hij toe dat de ossen zich voeren

 

vergelijk: Mt 23, 13 en 10, 16 - Lc 11, 52

 

 

Geloofswaarheden die anderen ons voorhouden hebben slechts een relatieve waarde... Wat Jezus hier aan de kaak stelt is de houding van die mensen, die in de mening verkeren het onkenbare te kennen en hierdoor anderen beletten de weg van de ware kennis, de gnosis, te gaan. Het proces dat hij hier wezenlijk voert is dit van het onderscheid tussen godsdienst, als een geheel van door mensen bedachte waarheden omtrent God, en gnosis of religie, als een ervaringskennis, waarin de verbondenheid van het individuele “zelf" met zijn absolute levensbron zich reveleert.

We kennen inmiddels de veelheid aan godsdiensten, die zich over de wereld heeft ontwikkeld. De fascinatie voor een absolute macht, die de natuurlijke grenzen overstijgt, is een universeel menselijk gegeven. Sinds de mens op aarde verscheen heeft hij zich een kennis van Het Onkenbare toegeëigend en aan anderen doorgegeven. Zowel het jodendom, het christendom als de islam hebben hun wortels in het Midden Oosten, want in de hebreeuwse Bijbel. Hun gemeenschappelijke stamvader is Abraham. Samen delen zij het geloof in een enige God. Maar ieder van hen verkondigt zijn waarheden omtrent de gescheidenheid tussen de mens en zijn God. Hiervoor beroepen zij zich op goddelijke revelaties. Die revelaties werden echter niet eenvormig waargenomen... Elke godsdienst blijft nochtans overtuigd van zijn eigen goddelijke uitverkiezing. Broederlijke confrontaties in naam van YHWH, God of Allah hebben in onze geschiedenis bloedige sporen nagelaten en laten die nog steeds na. Behoeft de menselijke hoogmoed een meer overtuigende bewijsvoering...?

Er is kennis en onwetendheid, werkelijkheid en verzinsel. Nooit zal iemand een andere kunnen beletten voor zichzelf zijn of haar onwetendheid met verzinsels te verhullen. Begrenzing is het kenmerk van het menselijke weten. Dit in onszelf erkennen is een eerste stap op de weg van zelfkennis. In wat we denken te weten, in wat we als een waarheid erkennen, zijn we aanvankelijk totaal van anderen afhankelijk. Willen we religieus volwassen worden dan moeten we die afhankelijkheid afbouwen. De weg van gnosis is een zelfbevrijdende weg. Nooit kan het gaan van die weg een aanleiding zijn om een ander in zijn of haar vrijheid te beperken !

Wie een religieuze kennis aan een ander als dé waarheid voorhoudt, begaat een fout van hoogmoed en draagt hierin een grote verantwoordelijkheid. Kennis hoort dienend te zijn, bevrijdend voor een ander. Van zijn gnosis maakte Jezus nooit macht !

De waarschuwing aan het einde van logion 39 geldt zowel naar anderen toe als naar onszelf : wees bedachtzaam als de slangen en zuiver als de duiven... Innerlijke zuiverheid is de voorwaarde om niet in dezelfde fout te vervallen als die waar we ooit zelf het slachtoffer van werden. De bedachtzaamheid herinnert aan de alertheid van de attente visser uit logion 8.

 

 

40

jezus heeft gezegd

een wijnstok werd geplant buiten de vader

en gezien hij niet sterk is

zal hij met de wortel worden uitgerukt

en zal hij vergaan

 

vergelijk: Mt 15, 12-13 - Jn 15, 5-6

 

 

Elke investering in het lagere behoort tot het lagere en is dus vergankelijk. Elke kennis is er relatief en dus begrensd. Ook alles wat buiten ons is en waarvan we een kennis kunnen verwerven is onderworpen aan de “wet der veranderingen”. Elke menselijke ervaring is afhankelijk van de toestand van het individuele bewustzijn en ook dit is voortdurend in evolutie. Voor die evolutie zijn we ook zelf verantwoordelijk... Want wanneer we de gerichtheid van onze aandacht wijzigen, niet meer naar buiten maar naar binnen, naar de stilte binnenin onszelf, die ook leegte is, kan het bewustzijn tot rust komen en een weg terug gaan naar zijn oorspronkelijke zuiverheid. Kennis die berust in een zuiver bewustzijn heeft haar wortels in de Vader en is geïnspireerd door de Geest. Die kennis heeft een absoluut draagvlak.

 

 

41

jezus heeft gezegd

aan wie heeft in zijn hand hem zal gegeven worden

aan wie niet heeft

zelfs het weinige dat hij heeft

zal uit zijn hand ontnomen worden

 

vergelijk Mt 13, 12 en 25, 29 - Lc 8, 18 en 19, 26 - Mc 4, 25

 

 

Wat we in de hand hebben is slechts waardevol indien het een zijnswaarde heeft, indien het de vrucht is van wat binnen de vader werd geplant. Elk streven om dit te bereiken wordt erkend. Op die weg heeft elke stap positieve gevolgen voor onszelf en voor anderen. Ook dit is een niet onbelangrijk aspect van de wet van karma, dat door Krishna in de Bhagavad Gita duidelijk wordt onderkend. Wat daarentegen volgens de wetten van het lagere verworven werd, hoe weinig het ook mag zijn, zal onherroepelijk worden ontnomen. Dit is een logisch vervolg op het vorige logion en vindt zijn eenvoudige conclusie in logion 42.

 

 

42

Jezus heeft gezegd

jullie wees voorbijgaand

 

 

Dit is het kortste logion in dit evangelie. Voorbijgaand zijn betekent niet onverschillig zijn ! Dit leven is een weg die we in een dienende betrokkenheid met anderen te gaan hebben. Aan aardse en dus tijdelijke verworvenheden hebben we evenwel voorbijgaand te zijn.

In dit leven is het ons gegeven te genieten van de vele rijkdommen die de natuur ons biedt, andere mensen en culturen te ontdekken en in alle levensgebieden kennis te verwerven. Vooral is het ons gegeven in harmonie met mens en natuur te leven en te handelen. Harmonisch handelen betekent handelen zonder een gebondenheid aan de vruchten van de handeling, zonder de bezorgdheid iets aan onszelf toe te kennen. Onthecht zijn en vrij blijven is de boodschap. Dit is het merkteken van de monachos.

In het begin van deze eeuw ontdekte men dit opschrift boven de grote stadspoort van de oude stad Fateh pur Sikri, ten zuiden van Delhi, gebouwd door de grote Mogol Akbar, de rechtvaardige :

Jezus - vrede ruste op hem - heeft gezegd

de wereld is een brug

ga erover maar vestig er je woning niet

Die uitspraak van Jezus was reeds in de XI° eeuw bekend bij de muzelmaanse schrijver Al-Ghazali.

 

 

43

de discipelen zeiden hem

wie ben je die ons dit zegt

door dit dat ik jullie zeg weten jullie niet wie ik ben

maar jullie zijn als de joden

want zij houden van de boom en verwerpen zijn vrucht

en zij houden van de vrucht en verwerpen de boom

 

Joh 8, 25: “Zij zeiden hem: wie ben je? Jezus zei hen: eerst wat ik jullie zeg.”

Van Joh 8, 25 zijn verschillende versies in omloop. We volgen de lezing van de Bijbelschool van Jeruzalem, die doorgaans heel betrouwbaar is.

 

                                 

Blijkbaar was “wie ben je ?” ook voor zijn discipelen een intrigerende vraag. Wie is die man die, zoals uit andere bronnen blijkt, zieken geneest, onvoorstelbare dingen doet en vooral een beeldentaal spreekt die hen in verwarring brengt. Zijn antwoord is duidelijk : dit dat ik jullie zeg. Belangrijker dan zijn daden is de inhoud van zijn woord. Zijn voornaamste opdracht is het een kennis te brengen die getuigt van de spirituele verbondenheid die hij in zichzelf ervaart. In dit bewustzijn wil hij zijn medemensen deelachtig maken. Maar het godsbeeld dat hen wordt voorgehouden is niet te verzoenen met het beeld van een vader, dat Jezus gebruikt om zijn innerlijke verbondenheid duidelijk te maken.

Daarom sluit hij dit logion af met een verwijzing naar de tegenstrijdige houding van de joden. Wat kan de betekenis zijn van de boom waar de joden van houden, zonder evenwel zijn vruchten te waarderen en wat betekenen de vruchten die zij wel op prijs stellen maar waarvan zij de boom verwerpen ?

De joden hebben een geloof in een God maar de vruchten van hun geloof smaken bitter. Jaweh is immers een almachtige en vreesaanjagende God, die het lot van iedere mens in zijn hand houdt. Willen zij kunnen rekenen op een mild oordeel, dan moeten zij in dit leven Zijn wet nauwgezet onderhouden, hun rituelen plichtsbewust volbrengen. Met hun God leven zij in een soort afhankelijkheid die dwingend is, voortdurend eisen stelt, niet aangenaam te beleven is. De vruchten van hun geloof smaken inderdaad bitter...

De vruchten waar zij wel van houden zijn die waar iedere mens van houdt : een leven in harmonie met zichzelf en de anderen. Die vruchten behoren tot de boom die Jezus “vader” noemt maar niet door de joden wordt erkend. Bij die vruchten horen geen dwingende wetten of rituelen. De mens, die in zichzelf zijn verbondenheid met de Vader erkent, ontvangt meteen de vruchten - Zijn harmonische inspiratie - als een gave uit de bron. Dit reveleert hem het leven in een steeds toenemende vervulling. Die boom is het die de joden verwerpen, hoewel ook zij van zijn vruchten houden...

Dit onderstreept nog maar eens dat het zien van een verbondenheid tussen de boodschap van Jezus en het joodse geloof enkel het gevolg kan zijn van een misbegrip van zijn woord of, zoals voor Paulus het geval was, van een miskenning ervan.

 

 

44  zie  logion 29

 

45

jezus heeft gezegd

druiven worden niet geoogst op doornen

noch worden vijgen geoogst op distels

zij geven inderdaad geen vruchten

uit zijn rijkdom geeft een goed mens het goede

een slecht mens brengt het kwade voort

uit de verderfelijke schat die in zijn hart is

en hij spreekt met een kwade tong

zo brengt hij uit de overvloed van zijn hart het kwade naar buiten

 

vergelijk: Mt 7, 15-20 - Lc 6, 43-45

 

 

Elke handeling is de uitdrukking van een ingesteldheid. Het bewustzijn, waarin onze gedachten en gevoelens ontstaan, bepaalt ook onze ingesteldheid en de keuzen die we maken. De oorzaak van foute daden, van onjuiste inzichten, van een verkeerde ingesteldheid, ligt niet in een of andere bron van het kwade maar in de mens zelf, in de verstoring van zijn bewustzijn. Wie handelt vanuit de duisternis kan enkel verstoring naar buiten brengen. Licht kan niet ontstaan uit de duisternis, wel uit een bron van licht. Duisternis heeft geen bron, zij is enkel afwezigheid van licht. Daarom heeft de duisternis geen macht op het licht en is strijden tegen de duisternis, tegen het kwade, zinloos. Wie licht brengt verdrijft spontaan de duisternis !

Zich de wereld voorstellen als een strijdtoneel tussen de machten van het goede en het kwade is een voorstelling die weliswaar sterk aanspreekt maar behoort tot de wereld van de verbeelding. De oorzaak van het kwade toeschrijven aan een satan kan niet, want hierdoor ontvlucht de mens zijn eigen verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid is het spontane gevolg van zijn deelachtig zijn in het koningschap van de Vader.

De bron van het bewustzijn is tevens de bron waaruit het innerlijke licht straalt. Wie geen aandacht heeft voor een gerichtheid naar die bron binnenin zichzelf en verkiest zich te richten naar de duisternis buiten, is zelf verantwoordelijkheid voor de verstoring in de eigen psyche of, zo men verkiest, in het eigen hart. De vruchten van zijn of haar daden zijn navenant...

 

 

46

jezus heeft gezegd

van allen die door een vrouw werden gebaard

van adam tot johannes de doper

is niemand meer verheven dan johannes de doper

zodat zijn ogen niet zullen gebroken worden

ik heb daarentegen gezegd

wie onder jullie klein zal zijn zal het koninkrijk kennen

en meer verheven zijn dan johannes

 

vergelijk: Mt 11, 11 en Lc 7, 28

 

 

De verwijzing naar het kleine kind behoeft geen commentaar meer. Opmerkelijk hier is de erkenning van Johannes de doper als de meest verhevene. Wie is die man ? Uit evangelische getuigenissen kennen we hem als een originele woestijnprediker, die de komst van het koninkrijk aankondigde en ooit Jezus zou hebben gedoopt. Hij is tot een juist inzicht gekomen, want het zien kan hem niet meer worden ontnomen. Hierdoor overstijgt hij alle bekende figuren uit het Oude Testament... Toch heeft ook hij het eindpunt nog niet bereikt, want nog niet klein geworden...

Eens te meer blijkt hoe Jezus afstand neemt van hen, die hem in de joodse religieuze geschiedenis zijn voorgegaan. In het Johannesevangelie brandmerkt hij hen zelfs als “rovers en dieven”. (Joh 10, 8)

 

 

47

jezus heeft gezegd

het is niet mogelijk dat een man twee paarden bestijgt

of twee bogen spant

en het is niet mogelijk dat een dienaar twee meesters dient

want hij zal de ene eren en de andere beledigen

nooit zal een man oude wijn drinken

zonder meteen te verlangen de nieuwe wijn te drinken

en men doet geen nieuwe wijn in oude zakken

omdat er barsten zouden ontstaan

en oude wijn doet men niet in een nieuwe zak opdat hij niet zou bederven

men naait geen oude lap aan een nieuw kleed

want er zou een scheur ontstaan

 

vergelijk: Mt 6, 24 en 9, 16-17 - Mc 2, 21-22 - Lc 16, 13 en 5, 36-39

 

 

In het eerste gedeelte van dit logion wordt duidelijk gemaakt dat we voor een keuze worden geplaatst, waar geen compromissen bijhoren. Het maken van keuzen is inherent aan onze vrijheid en behoort tot onze dagelijkse bekommernis. In het gebied van het lagere is kiezen voor een compromis vaak de beste keuze. Hier gaat het echter om een essentiële keuze, die de gerichtheid van het leven bepaalt. Naar wie of wat heb ik mijn leven te richten ? Voor wie of wat heb ik hier te dienen ?

Mensen die een religieuze keuze hebben gemaakt en er naar streven de “wil van God” in dit leven te volbrengen verdienen zeker alle respect. Maar wat betekent het volbrengen van de “wil van God” ? Is dit het volgen van morele gedragsregels, die door een religieus gezag werden vastgelegd ? Hoe verschillend is de “wil” van Allah van die van Jaweh, van de God der katholieken, protestanten of orthodoxen ? Welke God verbiedt het gebruik van condomen en welke niet...? Welke God staat het priesterschap voor vrouwen in de weg...? Zolang mensen bepalen wat de wil is van God, hebben we keuzen in overvloed...

De projectie van een menselijke eigenschap - de wil - op een absolute Zijnswaarde is een zinloze oefening ! Dit, dat Jezus “vader” noemt, dat hij ervaart als zijn innerlijke inspiratiebron, is niet te verzoenen noch met het beeld van Jaweh, noch met dit van “God de Vader”, zoals het ons in het christelijke geloof wordt voorgehouden. De keuze, waar Jezus in dit logion iedere gelovige mee confronteert, is even radicaal als ingrijpend ! Dit hoort nu eenmaal bij de weg waartoe hij ons uitnodigt en die een uitdaging is voor de persoonlijke vrijheid én verantwoordelijkheid van iedere mens.

Het tweede deel van dit logion komt ons bekend voor. De wijnliefhebber heeft evenwel oog te hebben voor een verschillende wijncultuur. Het bewaren van wijn in landelijke streken was toen immers geen eenvoudige opgave. Daarom was de nieuwe wijn “het van het” ! Verder is het opvallend dat zich, in de drie synoptische evangeliën, eenzelfde merkwaardige afwijking heeft voorgedaan. In dit logion is inderdaad sprake van het zinloze herstel van een nieuw kleed met een oude lap. Dit lijkt de evidentie zelf ! In de synoptische evangeliën gaat het eigenaardig genoeg om het herstel van een oud kleed met een nieuw stuk stof, dat niet zou kunnen... Vraag maar eens aan oma wat zij (of haar mama) deed toen de knie van een broek of de elleboog van een vest versleten waren. Jawel, zij naaide er een nieuw stuk in...

Belangrijker nochtans is de symboliek in het beeld te achterhalen. Wat betekenen het nieuwe kleed en de oude lap, de nieuwe en de oude wijn, de nieuwe en de oude zakken ? Het nieuwe, waar het in de boodschap van Jezus om gaat, is het inzicht in de innerlijke verbondenheid van iedere mens met zijn absolute levensbron, hier en nu, in dit leven. Die verbondenheid is universeel, want zij kan behoren tot de persoonlijke ervaring van iedere mens en overstijgt hierdoor elke religieuze beeldvorming. Ofwel verwerven we dit inzicht in het nieuwe en behoeven we niets meer van het oude, ofwel verblijven we in het oude. Twee meesters dienen, de God van het oude en de Vader van het nieuwe, kan niet !

Toch werd de God van het oude ook die van een nieuwe godsdienst, die verschillend was van de joodse... We kunnen nu trachten te begrijpen hoe dit nieuwe geloof zich toen heeft kunnen vestigen. Het ligt voor de hand dat de enige overlevingskans voor een nieuw geloof erin bestond zich te grondvesten in het voorvaderlijke geloof en dus in het Oude Testament. De religieuze leiders van toen beschouwden echter de prediking van Jezus als onverzoenbaar met dit voorvaderlijke geloof... En toen verscheen Paulus ten tonele...

Als farizeïsche jood en, naar eigen bewering, de vurigste onder de vervolgers van de volgelingen van Jezus, kon Paulus niet onwetend zijn geweest omtrent het verderfelijke karakter van diens prediking. Desalniettemin zou hij, na de spectaculaire gebeurtenissen op de weg naar Damascus en zijn plotselinge bekering, in de gekruisigde en verrezen Jezus, de door de joden verwachte Messias erkennen... ! Dit belette echter niet dat de boodschap van Jezus bleef wat zij was : een doorn in het oog van vele joden en ook van Paulus. Zijn genie bestond er echter in zijn evangelie te substitueren aan dit van Jezus, dat tenslotte overbodig was want : onze gedachte is de gedachte van Christus... Dit poneerde hij, zonder enige valse bescheidenheid overigens, in zijn eerste brief aan de korinthiërs... (2. 16)

 Het evangelie dat Paulus predikte was het zijne, niet dat van Jezus ! Zijn erkenning van Jezus als de Christos - dit is de Griekse vertaling van het hebreeuwse Mashiah - had bovendien twee merkwaardige gevolgen. Enerzijds werd de verzoening van Jezus met het voorvaderlijke geloof een feit en anderzijds onderging Paulus de banbliksems van zijn eigen joodse geloof. Een nieuwe godsdienst, die berustte op het theologische concept van Paulus en niet op het evangelie van Jezus, was geboren...

 

 

48

jezus heeft gezegd

indien twee vrede sluiten in dit ene huis

zullen zij zeggen tot de berg verwijder je

en hij zal zich verwijderen

 

vergelijk; Mt 17, 20 - 21, 21 - 18, 19  Lc 17, 6  Mc 11, 22-23

 

 

Twee hebben dus vrede te sluiten en opnieuw één te zijn. In dit ene huis kan refereren aan het lichaam waarin we dit leven te volbrengen hebben. Het kan ook verwijzen naar het vaderhuis waarin we allen genodigd zijn om “thuis te komen”.

In dit leven ervaren we alles in termen van dualisme, oordelen we ook zo graag volgens normen van goed en kwaad. Zo zijn nu eenmaal de regels in het lagere. De mens heeft zichzelf wetten aangemeten, zijn eigenwijsheid geponeerd en hierdoor de absolute waardeschaal in verwarring gebracht. Door de wet van harmonie te miskennen heeft hij zich afgescheiden van zijn inspiratiebron. Wat één was werd gescheiden, werd twee...

De noodzakelijke terugweg ligt voor de hand : van twee opnieuw één maken, hier en nu. Wie z’n vergissing inziet kan de weg naar de oorspronkelijke eenheid teruggaan, de weg die ooit de verloren zoon ging. Hierdoor kan hij of zij zich opnieuw bewust worden deel te hebben in het gezag van de Vader, in Zijn wet van harmonie. Zijn inspiratie werkt zoals het licht : zij verdrijft de duisternis, is in staat elke verstoring ongedaan te maken, elke hindernis weg te vlakken, zoals het beeld van de berg duidelijk maakt.

Terloops mag ook dit duidelijk zijn : het is niet het “geloof” in wie of wat dan ook dat in staat is bergen te verzetten... Zoals godsdiensten in hun geloof de ware zin van de religieuze eenheid hebben miskend, zo hebben zij niet alleen geen bergen verzet maar onder de mensen diepe kloven geslagen.

 

 

49

jezus heeft gezegd

gelukkig zij die monachos zijn en werden uitgekozen

want jullie zullen het koninkrijk ontdekken

omdat jullie uit hem zijn voortgekomen zullen jullie opnieuw daarheen gaan

 

 

De voorwaarde om onze finaliteit in dit leven waar te maken, om deel te hebben in het koningschap, is de weg van de monachos te gaan. De betekenis van monachos werd reeds toegelicht in de inleiding en bij logion 16. Wie tot een spirituele volwassenheid wil komen moet zich uit verslavende banden met het lagere bevrijden. Misleidende en dwingende “waarden”, ook religieuze, moeten worden losgelaten om in onthechting een verlossende weg te gaan. Zekerheid biedende “waarheden”, die door mensen worden aangeboden, zijn waardeloos. Het waardevolle is door ieder voor en in zichzelf te ontdekken. Loslaten, om op zoek te gaan naar een inzicht en een ervaring die bevrijdend zijn, dit is de uitdaging van het nieuwe.

De finaliteit van de weg is in bewustzijn thuis te komen in de bron waaruit we zijn ontstaan. Zoals het zaad, om zijn finaliteit waar te maken zichzelf moet loslaten in de eenheid met de goede aarde die ook zijn oorsprong is, zo is het bewustzijn van de monachos de noodzakelijke voorwaarde om de eenheid met de bron opnieuw te ervaren. De uitverkiezing is het voorrecht van de monachos.

 

 

50

jezus heeft gezegd

indien zij jullie zeggen vanwaar zijn jullie gekomen

zeg hen wij zijn gekomen uit het licht

daar waar het licht is ontstaan

uit zichzelf heeft het zich opgericht

en is het verschenen in hun beeld

indien zij jullie zeggen wie zijn jullie

zeg wij {zijn} zijn kinderen

en de uitverkorenen van de vader de levende

indien zij jullie ondervragen

wat is het teken van jullie vader die in jullie is

zeg hen het is een beweging met een rust

 

 

In dit evangelie is dit één van de meest indringende uitspraken. Dit logion is als het ware een minischeppingsverhaal, vergelijkbaar met de proloog van het Johannesevangelie, waarin de symboliek van het woord wordt overgenomen en verduidelijkt door die van het licht. Het inzicht in de volledige toedracht van de in dit logion voorgehouden kennis vraagt tijd en bezinning : “dat hij (of zij) die zoekt niet ophoudt te zoeken...”.

Het licht is een rijk en universeel gebruikt symbool. Het ligt immers niet alleen aan de oorsprong van het vermogen te zien, het regelt ook de ritmen van dag en nacht, van activiteit en rust, van de seizoenen. Het zorgt bovendien en voor warmte en voor zuurstof. Zonder het licht is leven op aarde gewoon ondenkbaar. Daarom is het, als een leven onderhoudende energie, het uitgelezen symbool voor de werking van de Geest.

De meest aansprekende eigenschap van het licht is ongetwijfeld zichtbaarheid te brengen. Symbolisch betekent zien : inzicht en dus kennis verwerven. Toch is het licht zelf niet zichtbaar ! Beelden reveleren zich slechts doorheen een harmonisch samenspel van licht en materie… Een filmprojectie heeft een scherm nodig om het beeld, dat in het licht is, zichtbaar te maken.

Wat is nu het teken waardoor het kind van de vader, de levende, dat in zich het licht draagt en uit te stralen heeft, herkenbaar is ? Het is een getuigenis van harmonie, de basiswet waardoor het leven zich reveleert. In haar uitdrukking betekent harmonie : evenwicht, maat. Het essentiële ritme in de schepping is beweging en rust, handelen en niet-handelen, dag en nacht, zomer en winter. Die wet van maat is het die de ganse natuur stuurt en ondersteunt, die de eenheid achter het dualisme reveleert, de ordelijkheid achter de schijnbare chaos. Enkel in de totale vervulling van de eenheid, in het bewustzijn van de monachos, zijn beweging en rust, handelen en niet-handelen, één... (zie verder logion 83)

In het Johannesevangelie (13, 35) formuleert Jezus het herkenningsteken van zijn discipelen als : indien jullie elkaar liefhebben. Hier is het teken : het is een beweging met een rust. Hoe zijn beide uitspraken met elkaar te verzoenen ? Zoals intelligentie de vrucht is van harmonie in het denken, zo is liefde de vrucht van harmonie in de gevoelens... Deel hebben in Zijn wet van harmonie is daarom de noodzakelijke voorwaarde om de ware liefde tot uitdrukking te brengen.

 

 

51

zijn discipelen vroegen hem

welke dag zal er rust zijn voor hen die dood zijn

en welke dag komt de nieuwe wereld

hij zei hen

dit waar jullie naar uitzien is gekomen

maar jullie erkennen dit niet

 

52

zijn discipelen zeiden hem

vierentwintig profeten hebben in israël gesproken

en allen hebben zij door jouw hart gesproken

hij zei hen

aan hem die levend voor jullie staat zijn jullie voorbijgegaan

en jullie hebben gesproken over hen die dood zijn

 

 

Bij de beide vragen van zijn discipelen komt Jezus tot eenzelfde bittere vaststelling : daar waar kennis hoort te zijn is nog steeds onwetendheid. Nog maar eens is hier het oude en de verwachting die het heeft opgeroepen aan de orde en blijkt het hoe spiritueel onvolwassen de discipelen nog zijn... Nog steeds hebben zij niet begrepen dat de realiteit van het koninkrijk in potentie aanwezig is, dat die realiteit van een innerlijke orde is en niets te maken heeft met een apocalyptisch gebeuren, waarvan de schriften de verwachting hebben opgeroepen.

Ook voor ons geldt dat het gebed : “Uw rijk kome...” niet zo zinvol is. Want het rijk van de Vader is er ! Zijn gezag ís gevestigd en staat ons dienend ter beschikking... Niets hoeven we nog te vragen want alles wordt ons aangeboden. Allen zijn we op ieder ogenblik genodigd tot de bruiloft, het feestmaal van de eenheid, tot het deel hebben in het koningschap van de Vader. Dit bewustzijn verklaart de afwijzende houding van Jezus ten aanzien van het vragende gebed van de joden, dat ook het gebed van de christenen zou worden.

Voor de discipelen, die nog steeds in het oude verblijven, betekent de boodschap van Jezus : die van alle profeten samen. Zijn antwoord is onverbloemd : jullie zijn niet in staat het onderscheid te maken tussen hem die levend voor jullie staat en zij die dood zijn...

Het is begrijpelijk dat deze logia geen sporen hebben nagelaten in de kanonische geschriften. Enkel Johannes heeft in 10, 8 een parallelle uitspraak : “allen, die vóór mij zijn gekomen, zijn rovers en dieven...”  Merkwaardig is dat Augustinus wel kennis blijkt te hebben van logion 52. In “Contra adversarium legis et prophetarum” XI. 4.14 lezen we : “Wanneer de apostelen... aan de Heer vroegen wat zij te denken hadden omtrent de profeten van de joden... antwoordde hij : hij die levend voor jullie staat hebben jullie verworpen, en wij praten over doden !”

 

 

53

zijn discipelen zeiden hem

is de besnijdenis nuttig of niet

hij zei hen

zo zij nuttig was zou hun vader hen besneden uit hun moeder laten geboren worden

maar het is in de geest dat de ware besnijdenis haar totale waarde gevonden heeft

 

 

Opnieuw is een joods ritueel in opspraak : de besnijdenis. Het antwoord van Jezus aan zijn discipelen is even duidelijk als vanzelfsprekend : aan een dergelijk ritueel valt geen religieuze betekenis toe te kennen. Wat de Vader voorzien heeft behoeft geen bijstelling door een menselijke hand... Belangrijker evenwel is de transpositie van de rituele handeling naar de geest. Echte waarden hebben met de geest, niet met de penis te maken...

In logion 27 werd het vasten verduidelijkt als een vasten ten aanzien van de wereld. Dit begrepen we, niet als een vlucht uit de werkelijkheid, wel als een aanbeveling tot onthechting aan die normen en waarden die in het lagere overheersen. Het object van het vasten is het gebied van het handelen. De besnijdenis is een ritueel waarbij een heel concrete daad van onthechting centraal staat. De transpositie ervan naar de geest maakt van dit ritueel een innerlijk gebeuren en situeert de zin ervan in het gebied van het niet-handelen.

Handelen en niet-handelen zijn intiem met elkaar verbonden, want elke handeling ontspringt uit een rust. Doorheen onze psyche manifesteert zich de geest, pneuma, als een leidinggevende energie, die de keuze van onze handelingen bepaalt. Doorheen een rustige en dus een meer harmonische psyche zal de handeling zoveel meer kans maken harmonisch te zijn. De besnijdenis in de geest betekent een mentale ommekeer, een metanoia, waarbij de geest zich onthecht aan zijn gerichtheid naar het handelen en zich richt naar de rust van zijn innerlijke bron.

In Mt 6, 6 heeft Jezus deze merkwaardige uitspraak :

Maar jij, wanneer je bidt, ga binnen in je kamer en, nadat je de deur gesloten hebt, bid de Vader die in het verborgene is en de Vader, die in het verborgene ziet, zal je teruggeven.

Ook hier volgen we de vertaling van de Bijbelschool van Jeruzalem. De Griekse tekst vermeldt inderdaad : bid de vader die in het verborgene is en dus niet : bid in het verborgen tot de vader...

Opnieuw hebben we met een beeldspraak te maken. De kamer, waarvan we de deur moeten sluiten, is onze binnenkamer, daar waar het bewustzijn gevestigd is. Willen we ons richten naar de Vader, de bron waaruit we ontvangen, dan is het nodig de aandacht van het bewustzijn af te sluiten van, te onthechten aan het gebied waarin het de handelingen dicteert : de deur moet gesloten worden. Dit is de toestand waarin het bewustzijn, bevrijd van elke betrokkenheid bij de buitenwereld, tot een intense en bewuste rust kan komen en hierdoor optimaal ontvankelijk wordt voor de gaven van de Geest. Dit is ook de finaliteit van het ware gebed : een gerichtheid naar de gevende Vader, die zelf in het verborgene is. Voor ons bewustzijn is de Vader niet toegankelijk... De Vader ziet maar wij kunnen hem niet kennen ! In een gerichtheid naar de Vader maken we ons evenwel ontvankelijk voor wat Hij ons te bieden heeft.

Het is een elementaire natuurwet dat elke toestand van toenemende rust, van lagere energie, steeds een toestand van toenemende orde, van juistere harmonie induceert. Wat in die intense en bewuste rust ontvangen wordt is een harmonie herstellende impuls, waardoor het centrale zenuwstelsel, de fysiologische basis van het bewustzijn, telkens iets meer van zijn oorspronkelijke zuiverheid kan terugvinden. Vanuit een meer ordelijk bewustzijn zullen zowel de gedachten, de gevoelens, als de handelingen die hierbij aansluiten, juister en dus harmonischer zijn. Dit is de weg waarlangs de Geest en Zijn natuurwet zich in en doorheen de mens manifesteert. Ook hier horen wetenschap en religie samen.

Uit de oosterse tradities leren we dat meditatie de basis is van elke persoonlijke evolutie. Het doel van meditatie is de aandacht of de gerichtheid van het bewustzijn tijdelijk te onthechten aan het gebied waarin het voortdurend bij de handeling betrokken is, om zo tot een bewuste rust te komen. De betrokkenheid van onze geest bij de buitenwereld is echter zo hecht, zo dwangmatig geworden, dat het loslaten van die gerichtheid, hoe natuurlijk het ook mag zijn, blijkbaar niet meer of zelden nog tot onze spontane mogelijkheden behoort. Daarom zijn we nu genoodzaakt onze toevlucht te nemen tot een hulpmiddel om een toestand van bewuste rust in het bewustzijn opnieuw mogelijk te maken.

Er bestaan heel wat technieken die tot een meditatieve rust kunnen leiden. Gebruik maken van een mantra is wellicht de meest verspreide. Een mantra is een klank, uitgedrukt in een woord zonder inhoud, die repetitief in de geest wordt opgeroepen. De aandacht van de geest wordt als het ware opgevangen in een inhoudsloze klank. Dit is een weg waarlangs een fysiologische toestand van intense en toch bewuste rust kan worden geïnduceerd.

Ook in het Westen kennen we het gebruik van een dergelijke techniek. Gregoriaanse gezangen, litanieën met het steeds herhaalde “bid voor ons”, het bidden van “de paternoster”, het zijn allen middelen die kunnen leiden tot een toestand van meditatieve rust, op voorwaarde evenwel geen aandacht te schenken aan de inhoud van de woorden. In de gedachteloosheid van een meditatieve stilte is er geen “ik” meer, enkel een “zijn” waarin ontvangen wordt. In die rust lost het ik-bewustzijn zich als het ware op in een universeel bewustzijn. De regendruppel gaat spontaan de weg terug naar de oceaan, zijn natuurlijke moeder. Die rust is de noodzakelijke component die leidt tot het herstel van het oorspronkelijke evenwicht in het basisritme van beweging en rust (zie logion 50).

De sabbat en het ware gebed hebben beide met een gerichtheid naar de Vader te maken, niet met een onmogelijke communicatie met de Vader ! Het is een gerichtheid naar de leegte binnenin onszelf, waarin we zelf leeg worden. Om die toestand te bereiken is een besnijdenis in de geest de noodzakelijke voorwaarde.

 

 

54