introductie

 

Het evangelie volgens Thomas is één van de 52 koptische handschriften die in 1945 werden ontdekt in de Egyptische woestijn nabij Nag Hammadi en bestaat uit een verzameling uitspraken, die Jezus zou hebben gedaan. Het reveleert ons vandaag een andere dimensie in de getuigenis van de man, die twintig eeuwen terug in Palestina voor enige religieuze beroering zorgde. Want ooit werd hij door een aantal van zijn volgelingen uitgeroepen tot de door hen verwachte Messias, zelfs tot de “zoon van God”, welke betekenis ook er toen aan die uitdrukking mocht worden toegekend.

De geschiedenis van het ontstaan van het christendom, in het spoor van de prediking van een zekere Jezus, bijgenaamd de nazaraios, van de betekenis die aan zijn kruisdood werd toegekend en vooral van het geloof in zijn verrijzenis, behoort nog steeds en ondanks een indrukwekkende literatuur tot de mistige gebieden van onze geschiedenis. In de officiële geschiedschrijving is hij nauwelijks bekend. De in het Nieuwe Testament meest prominent aanwezige getuige, de jood Paulus, heeft aan de inhoud van zijn boodschap zo goed als geen aandacht geschonken. Enkel de evangeliën houden een belangrijke informatie in. Maar zij vertegenwoordigen slechts een selecte keuze, die pas tegen het einde van de vierde eeuw officieel werd erkend, op grond van een welbepaalde interpretatie van de prediking van Jezus. Die geschriften hebben overigens, in de loop van hun opeenvolgende redacties en transcripties, duidelijk de invloed ondergaan van een pauliniaanse visie. Door geschriften van “kerkvaders” weten we dat er andere volgelingen waren, die een totaal verschillend begrip hadden van de kennis waarvan hij getuigde. De vondst van Nag Hammadi bevestigt nu het bestaan van een onvermoede diversiteit aan inzichten, waartoe zijn prediking toen aanleiding heeft gegeven.

Door een nuchtere waarnemer is vrij eenvoudig vast te stellen dat zijn prediking duidelijk niet in de lijn lag van het traditionele joodse geloof. Zij was er zelfs zó onverzoenbaar mee dat de religieuze leiders, verenigd in het Sanhedrin, besloten hem op de meest radicale wijze het zwijgen op te leggen. De vrijheid van meningsuiting, die hij aan zichzelf had toegekend, bekocht Jezus met een kruisdood. Op zich was dit toen overigens geen spraakmakende gebeurtenis. Wanneer we de evangeliën naslaan, blijkt echter dat zijn optreden er wel wordt voorgesteld als geïntegreerd in het joodse geloof en het Oude Testament. Hij zou zelfs de in die schriften verwachte Messias zijn, wat voor de orthodoxe joden totaal onaanvaardbaar was. Wat dissonantie was is consonantie geworden...

Het bijzondere in de getuigenis van zijn discipel Thomas is, dat hij een groot aantal uitspraken van Jezus weergeeft, die ook in de kanonische evangeliën aanwezig zijn. Toch vinden we in dit evangelie de Jezus terug die het niet eens is met de inzichten van het joodse geloof en zijn rituelen. Hierin overstijgen zijn religieuze inzichten inderdaad de begrenzingen van de bijbelse geschiedenis. Het nieuwe waar hij voor staat heeft geen uitstaans met het oude. Het is de nieuwe wijn die niet thuis hoort in oude zakken, het nieuwe kleed dat geen verstelling behoeft met een oude lap, geen boodschap heeft aan een joodse besnijdenis. In het bewustzijn van een innerlijke verbondenheid met een absolute zijnswaarde - een verbondenheid waarvoor hij het beeld van een zoon-vader relatie gebruikte - heeft hij als mens de ware bevrijding gevonden. Die verbondenheid erkende hij bovendien in iedere mens. Zijn betrachting zou het zijn geweest zijn broeders en zusters hiervan bewust te maken.

Het probleem, waar de ontdekking van dit evangelie ons vandaag mee confronteert en dat door de Kerk als te verstorend wordt genegeerd, is de vraag naar de juiste interpretatie van zijn religieuze getuigenis. Dat die vraag zich stelt twintig eeuwen na zijn prediking, maakt het antwoord zeker niet eenvoudiger... De culturele kloof die ons op vandaag van de werkelijkheid van toen scheidt is nauwelijks te overzien ! Godsdiensten behoren ook niet langer meer tot het domein van God maar tot dit van een zó betwistbare en cultuurgebonden menselijke “godskennis”. Onze benadering van zijn onderricht kan daarom niet anders dan grondig verschillend zijn van die van zijn toehoorders toen in Palestina. In de mate nochtans dat zijn getuigenis, zoals die van Boeddha, van Krishna en anderen nog, getuigt van een universeel religieus bewustzijn, kan dit echter geen belemmering inhouden om op vandaag te trachten de diepere betekenis van zijn religieuze boodschap te doorgronden.

 

 

 

het universele religieuze bewustzijn

 

Het evangelie volgens Thomas biedt ons nu de gelegenheid de twintig eeuwen oude boodschap van Jezus te benaderen vanuit de vrijheid van een universeel religieus bewustzijn. In dit bewustzijn worden de begrenzingen overstegen, die godsdiensten aan zichzelf en hun gelovigen hebben opgelegd.

 

Religie komt van het latijnse woord religare, dat verbinden betekent. In religie gaat het dus om een verbondenheid. In een traditionele optiek zou de betekenis ervan kunnen zijn : de verbondenheid van mensen die eenzelfde geloof in goden of in een unieke God belijden. Vanuit een universeel religieus bewustzijn definiëren we religie als : de individuele verbondenheid van iedere mens met een absolute zijnswaarde.

 

De werkelijkheid waarin we leven noemen we relatief, omdat alles met alles verbonden is, alles voortdurend in evolutie ook, afhankelijk van begrippen als tijd, ruimte, energie, materie. Het religieuze bewustzijn houdt het inzicht in dat er aan de oorsprong van die werkelijkheid een oorzaak is, een “Zijn”, dat niet afhankelijk is van die relatieve begrippen. Die oorzaak, gesymboliseerd in het woord God, noemen we daarom absoluut. Dit houdt in dat de mens, vanuit zijn relatieve denkwereld, het absolute niet kan bevatten, niet kan kennen. Ook in de joodse Bijbel wordt Jaweh, de God van de joden, de Onkenbare genoemd.

 

Omdat het onbekende steeds een bron van angst betekent, heeft de mens sinds mensengeheugenis gepoogd zich een kennis van het Onkenbare toe te eigenen. Hiervoor deed hij beroep op zijn verbeelding : het Onkenbare werd “ingebeeld”. Van die inbeelding werd de oorsprong toegeschreven aan een directe “goddelijke” revelatie of openbaring. Aan het beeld werden verwachtingen verbonden, geboden, verboden en rituelen. Zo zijn godsdiensten ontstaan.

Het is evenwel de innerlijke tragiek van godsdiensten dat zij, in hun streven naar een toenadering tot God, naar een godskennis, die absolute zijnswaarde voor de hier en nu levende mens zo goed als ontoegankelijk hebben gemaakt.

 

Dit evangelie wordt gnostisch genoemd. Gnosis is het Griekse woord voor kennis. Een correcte definitie verzinnen voor wat onder gnostisch kan worden begrepen is geen eenvoudige opgave ! Het gnostische karakter van de meeste in Nag Hammadi ontdekte geschriften is overigens erg verschillend van dit in het evangelie volgens Thomas. We stellen daarom volgende definitie van gnosis voor : gnosis is niet de onmogelijke kennis van God maar een ervaringskennis, die berust in het bewustzijn in dit leven met een absolute zijnswaarde verbonden te zijn.

Dit bewustzijn is universeel want toegankelijk voor iedere mens, waar of wanneer ook ter wereld. Gezien elke kennis echter afhankelijk is van de toestand van het individuele bewustzijn, kan gnosis nooit als een waarheid aan een ander worden voorgehouden. Ware gnosis is een dienende en dus bevrijdende kennis. Dit is het gemeenschappelijke merkteken in getuigenissen als die van Krishna in de Bhagavad Gita, van Boeddha en ook van Jezus in dit evangelie.

 

Gnosis is dus de vrucht van een religieus bewustzijn en houdt het inzicht in dat de mens een aan tijd en materie gebonden uitdrukking is van een tijdloos “Zijn”, waarin de oorzaak berust van alle mogelijkheden die hij in zichzelf ervaart. De mogelijkheid te denken, te voelen, zintuiglijk waar te nemen en autonoom te handelen ontvangen we voortdurend uit “iets” dat, zoals een bron, blijvend gevend is. Het bewustzijn met “dit” verbonden te zijn behoeft echter geen kennis van de bron zelf. De erkentelijkheid voor een geschenk is niet afhankelijk van een kennis van de schenker...!

 

Hoewel het absolute “in se” niet kenbaar is, toch is dit, dat door het absolute wordt uitgedrukt, wel kenbaar. Die kennis van het relatieve, van de “wereld der verschijnselen”, noemen we wetenschap. Elke juiste kennis, in welk levensgebied ook, kan of mag niet onverenigbaar zijn met een andere juiste kennis. Een correcte kennis van mens en natuur kan dus niet onverzoenbaar zijn met een juist religieus inzicht. Wel moeten we ons voortdurend bewust zijn van de begrenzing van ieder menselijk weten...

 

De uitdrukking van het niet-manifeste Zijn in een manifeste werkelijkheid heeft haar wet... De kernfysica leert ons inderdaad dat, vanuit een leegte, ook fysisch vacuüm genoemd, zich op ieder ogenblik energetische vibraties manifesteren die materie scheppend zijn. Zo ontstaan eerst elementaire deeltjes, die harmoniëren tot atomen, die zelf onderling harmoniëren en moleculen vormen. Die moleculen harmoniëren op hun beurt tot de opbouw van steeds grotere eenheden, van celletjes tenslotte. Zo ontwikkelt zich het leven, vanuit een leegte, in een voortdurend samenspel van energie en materie, van opbouw en afbraak. De unieke wet aan de basis van dit creatieve gebeuren is harmonie.

 

Leegte is waardeloos, want afwezigheid van iets. Een leegte waarin het gehele levenspotentieel besloten ligt is een wonder dat ons begripsvermogen overstijgt... Met die leegte is nochtans iedere mens verbonden, want in haar heeft ieder atoom van zijn lichaam zijn bedding. Dit betekent ook dat ieder atoom of celletje spontaan luistert naar een wet van harmonie... In het bewustzijn van een integratie in een absolute wet, waaraan we ons bestaan te danken hebben, ligt tevens de revelatie van onze finaliteit als mens : wat we door een creatieve harmonie ontvangen, hebben we, zoals de ganse natuur, in harmonie uit te drukken.

 

Harmonie in denken is intelligentie, het vermogen kennis te verwerven. Harmonie in voelen is liefde, het vermogen goed te zijn. Kennis is slechts zinvol indien zij dient, liefde slechts zinvol indien zij gegeven wordt... Beide samen zijn noodzakelijk om juist te handelen. In een rust, de stilte van de leegte binnenin zichzelf, kan iedere mens een inspiratie ontvangen om beide, onderscheidingsvermogen en liefde, harmonisch te beleven en uit te drukken. Die ervaring reveleert hem een absolute zijnswaarde waar ieder individueel leven mee verbonden is.

 

Ooit is het echter misgelopen, omdat de mens zijn integratie in een absolute wet heeft miskend. In het bijbelse verhaal van de zondeval heeft Adam - de mens - verleid door zijn eigen weten - de slang - de vrucht van de boom van kennis - het gezag dat enkel aan “de Schepper” toebehoorde - aan zichzelf toegekend. Gezag is de harmonische vrucht van kennis. Van gezag heeft hij macht gemaakt. Hierdoor heeft hij zijn verbondenheid met de wet van harmonie verbroken. Dit was en is nog steeds zijn zonde van hoogmoed : wat één was en één hoorde te blijven heeft de mens gescheiden. Voor de verstoringen, die hiervan het gevolg zijn, is alleen hij verantwoordelijk. Zijn opdracht is het nu de eenheid, die was in het begin, opnieuw te herstellen.

 

Het dualisme, waarin we nu de uitdrukking van het leven ervaren, vindt zijn oorsprong in een verstoring van het individuele bewustzijn. Zo ervaren we goed en kwaad, harmonie en disharmonie, licht en duisternis. Maar licht heeft een bron, duisternis niet... Duisternis is slechts afwezigheid van licht, zoals disharmonie afwezigheid is van harmonie en onwetendheid afwezigheid is van kennis... De oorzaak van het niet “zien”, het niet ervaren, het niet bewust zijn, ligt uitsluitend bij de mens zelf. Strijden tegen de afwezigheid van iets, van het goede, het harmonische, is zinloos... Wie licht brengt verdrijft spontaan de duisternis. In het bewustzijn met een absolute zijnswaarde verbonden te zijn, de bron van de mogelijkheden die we in onszelf ervaren in haar wet te erkennen, ligt tevens onze verantwoordelijkheid voor een positieve evolutie in dit leven.

 

Wat verbonden is, is één. De kerngedachte in het evangelie volgens Thomas is eenheid. Omdat onze verbondenheid met een absolute zijnswaarde van een spirituele orde is - zij is slechts te ervaren doorheen een inspiratie die ontvangen wordt - is zij ook zo moeilijk in woorden uit te drukken. Om van die verbondenheid te getuigen deed Jezus daarom beroep op beelden. Maar een beeld is slechts een middel om een werkelijkheid te benaderen. Nooit kan het middel verward worden met het doel, kan het beeld verward worden met de werkelijkheid zelf. Het beeld van de zoon-vader relatie, waarin Jezus zijn innerlijke verbondenheid visualiseerde, werd echter niet als een beeld erkend maar voor werkelijk aanzien... Hij beschouwde zich dus als een zoon van God, zo werd het beeld begrepen... Die verwarring bekocht hij met een kruisiging. Het zal daarom voor iedere toehoorder van dit evangelie een uitdaging zijn de in het beeld verborgen kennis juist te interpreteren en tot de essentie van het begrip eenheid door te dringen.

 

 

 

Een stukje historiek

 

Het lijkt wel een ongeschreven wet dat belangrijke ontdekkingen met toeval te maken hebben. Met de vondst, die Mohammad Ali al Samman en zijn broeders in december 1945 nabij Nag Hammadi in Boven Egypte te beurt viel, was het niet anders. In het gebied van de Jabal al Tarif, een ruwe bergstreek bezaaid met grotten en holen, waren zij op zoek naar een bijzondere soort aarde om hun akkers vruchtbaarder te maken. Terwijl hun houwelen de grond omwoelden stootten zij op een oude kruik. Na enige aarzeling - er kon wel eens een jinn of kwade geest in verscholen zitten - besloten zij de kruik te openen. Wat zij erin ontdekten was, voor hen althans, erg teleurstellend: geen kostbare schat maar een aantal oude manuscripten, geschreven in het koptische schrift en ingepakt in dertien lederen omslagen. Terug thuis gekomen gooiden zij hun vondst bij het stro naast de oven. Een deel ervan zou zelfs gebruikt zijn om het vuur aan te steken.

Het vervolg van dit verhaal bevat alle ingrediënten voor een klassieke thriller, waarin bloedwraak, maffiapraktijken, zwarte handel en gerechtelijke processen de toegang tot de inhoud van die uitzonderlijke archeologische vondst voor langere tijd zouden beletten. Ook de hebzucht van sommige geleerden, die in deze ontdekking een opportuniteit zagen om hun eigen faam behoorlijk wat op te krikken, vertraagde aanzienlijk het onderzoek en kenbaar maken van deze geschriften.

Korte tijd na hun vondst wreekten de broeders de dood van hun vader en vermoordden zij Ahmed Ismaïl. Vrij snel werd hun bloedwraak bij de politie bekend. Uit vrees dat bij onderzoek de boeken zouden worden ontdekt, werden zij toevertrouwd aan een priester uit een nabijgelegen dorp. Benieuwd naar wat de waarde ervan zou zijn, vertrouwde de man één van de boeken toe aan een vriend, die ermee naar Cairo trok. Zo belandde een eerste van de dertien codices, zoals zo’n boeken worden genoemd, op de zwarte markt. Andere zouden volgen. Want de beruchte éénogige Baj Ali, een lokale maffioso, had in Nag Hammadi de hand kunnen leggen op een groot deel van de overige boeken en ze doorverkocht aan een antiquair in Cairo. Een niet onbelangrijk deel van een codex kwam zo ook in het bezit van Albert Eid, een Belgische antiquair, die zich in de Egyptische hoofdstad gevestigd had.

Al spoedig trok die handel de aandacht van de politie, want de waarde van de ontdekking was inmiddels tot de Egyptische overheid doorgedrongen. Reeds in 1947 had de Franse egyptoloog Jean Doresse enkele door de staat gerecupereerde koptische handschriften kunnen onderzoeken. Zijn besluit was indrukwekkend. Doresse stelde noch min noch meer dat deze ontdekking een nieuwe wending zou betekenen in het onderzoek naar de oorsprong van het christendom.

Inmiddels had antiquair Tano, die de codices van Baj Ali had gekocht, deze doorverkocht aan een Italiaanse verzamelaar. Na een jarenlang proces kwamen zij uiteindelijk in het bezit van de Egyptische staat. Albert Eid wist nochtans zijn manuscripten uit Egypte te smokkelen en bood ze te koop aan in de Verenigde Staten. De vrees voor inbeslagname door de Egyptische regering belette echter elke transactie. Uiteindelijk belandden zij in de geborgenheid van een Belgische kluis.

De Nederlandse professor Gilles Quispel, die de wetenschappelijke waarde van de te koop aangeboden papyrusbladen vermoedde maar onwetend was omtrent de illegaliteit ervan, zette het Jung Instituut in Zürich aan zich dit manuscript aan te schaffen. Via een tussenpersoon in een Brussels café en een pak Zwitserse franken slaagde Quispel er in alle onschuld in een vijftigtal papyrusbladen naar Zwitserland te smokkelen. Een hele poos later, nadat hij tot de bevinding was gekomen dat één van de teksten onvolledig was, begaf hij zich naar het koptische museum in Cairo. Daar ontdekte hij de ontbrekende bladen. Zijn verbijstering was totaal toen hij de aanhef ervan las : “dit zijn de verborgen woorden die jezus de levende gesproken heeft en die judas didymos thomas heeft neergeschreven”. Dit was de aanhef van het evangelie volgens Thomas, één van de tweeënvijftig teksten die uit de kruik van Nag Hammadi in de openbaarheid zijn gekomen.

Door allerhande belangenspelletjes van geleerden duurde het nog tot 1977 vooraleer een eerste volledige publicatie in het Engels het daglicht zag in de Verenigde Staten. Inmiddels was duidelijk geworden dat de kruik van Nag Hammadi een soort bibliotheek bevatte van een gnostische gemeenschap. Tot nog toe was het bestaan van het gnosticisme ons vooral bekend door traktaten van kerkvaders die deze ketterij bestreden. De studie van de koptische geschriften zou een meer dan verhelderend licht moeten werpen op het belang van die belevingsvorm in het vroege christendom.

De oorsprong van de manuscripten kon vrij nauwkeurig worden gesitueerd rond de helft van de vierde eeuw, de periode waarin door de Kerk een definitieve selectie werd gemaakt van de door haar erkende “boeken”, die nu deel uitmaken van het Nieuwe Testament. De oudste codices van de kerkelijke kanon, o.m. de Codex Sinaïticus en de Codex Vaticanus, geschreven in de Griekse taal, dateren eveneens uit dezelfde periode. Het was ook in die tijd dat een machtsbevestiging van de katholieke Kerk mogelijk werd door de erkenning die zij kreeg van de romeinse keizer Constantinus. Dit betekende meteen een zweepslag voor de bestrijding van alles wat niet tot de zuivere leer behoorde. Zo gebeurde het dat monniken van een gnostische gemeenschap de getuigenissen van hun geloof in een kruik opborgen en op een onherbergzame plek in de heuvels in veiligheid brachten. Pas zestien eeuwen later zou hun testimonium opnieuw voor de mensheid toegankelijk worden.

Omtrent de datering van het Evangelie volgens Thomas zijn, zoals te verwachten viel, de meningen verdeeld. De auteurs van de “Synopse des quatre Évangiles” van de “École Biblique de Jérusalem”, het meest gezag hebbend instituut voor bijbelstudie binnen de katholieke Kerk, beschouwen dit evangelie als voortijdig aan de redactie van de kanonische evangeliën. Helmut Koester van de Harvard University situeert de oorsprong ervan rond het jaar 50. In die vroege datering wordt hij door een aantal collega’s gevolgd o.m. door Ron Cameron, S.L. Davis en C.W. Hedrick. Een niet onbelangrijke indicatie is de vaststelling dat Paulus in zijn eerste brief aan de korinthiërs quasi letterlijk logion 17 uit dit evangelie aanhaalt, een citaat dat hij evenwel laat voorafgaan door de woorden : “zoals geschreven is”. De levende Jezus en diens evangelie wou Paulus immers niet kennen. Er was dus minstens één uitspraak van Jezus, die niet in de overige evangeliën vermeld wordt, gekend in het midden van de eerste eeuw. Overigens is het allerminst een uitgemaakte zaak of de kanonische evangeliën, althans in de vorm waarin we ze nu kennen, een eeuw later reeds waren voltooid. Tot na het midden van de tweede eeuw is er inderdaad geen enkel citaat uit een evangelie bekend, waaraan de naam van een evangelist expliciet verbonden werd.

Is dit evangelie nu de meest originele en dus authentieke getuige van woorden die ooit door Jezus zouden zijn gesproken ? Op die vraag zal de wetenschap ons wellicht nooit een sluitend antwoord kunnen geven. Het onderzoek naar de Dode Zee rollen bracht aan het licht hoe krampachtig, laat staan vijandig, de relatie tussen geloof en wetenschap kan zijn bij de ontdekking van nieuwe geschriften. Omdat het traditionele geloof een geruststellende zekerheid inhoudt omtrent een tijdloze toekomst na dit leven en dus een oplossing biedt voor existentiële angsten, voelen heel wat gelovigen zich geborgen binnen de veilige muren van hun geloof. Die geborgenheid heeft voor hen ook een heel bijzondere waarde. Het draagvlak van het geloof berust nochtans niet op rationele gronden maar op een gevoelsmatige benadering van een bovennatuurlijke werkelijkheid. Daarom ook kunnen rationele bespiegelingen hierop nauwelijks vat hebben. Dit maakt van de ontmoeting tussen geloof en wetenschap een heel problematische aangelegenheid.         

In Jezus ligt de getuigenis besloten dat een juist religieus inzicht nooit aanleiding kan geven tot macht... Daarom kunnen we ook niet om de bedenking heen hoe de machtspolitiek, die door de Kerk eeuwenlang gehuldigd werd, te verzoenen is met de ingesteldheid waarvan Jezus zelf getuigde. Is de Kerk, in haar drang naar zelfbevestiging, niet veel meer Paulus gevolgd dan Jezus...? Waren de gnostische christenen niet veel nauwer verbonden met de levende Jezus dan Paulus ooit is geweest of wou zijn...? De uitklaring van het belang van de gnostische beleving in de eerste eeuwen kan ongetwijfeld bijdragen tot een vernieuwd inzicht in het ontstaansproces van het christendom. Nooit echter zal de wetenschap in staat zijn een antwoord te formuleren op de vraag naar de ware toedracht van de religieuze getuigenis van Jezus.

 

 

 

de commentaar

 

Elke uitspraak of logion van dit evangelie voorzagen we van een hopelijk verhelderend commentaar. De bedoeling ervan is niet een zoveelste religieuze “waarheid” te poneren maar de zoektocht naar de niet conventionele inhoud in de boodschap van Jezus voor ieder die het wenst iets meer toegankelijk te maken. Interpreteren behoort echter tot de vrijheid van ieder individueel bewustzijn. Daarom ook kan een interpretatie nooit als een waarheid aan een ander worden voorgesteld, laat staan worden voorgehouden. In een religieuze context behoort de waarheid overigens tot het pretentieuze menselijke weten, tot het venijn van de paradijselijke slang... Daarom ook belet zij zo vaak elke zinvolle communicatie tussen religieuze gemeenschappen.

Vrijheid is de noodzakelijke basis voor elke menselijke kennis. Vanuit die vrijheid benaderen we Jezus als een mens die, zoals de Boeddha en zovele anderen, ooit getuigenis aflegde van zijn religieuze bewustzijn. Die gebeurtenis gaf aanleiding tot het ontstaan van een nieuw “geloof”. We zijn er ons wel van bewust dat het in vraag stellen van een interpretatie van zijn getuigenis, waaruit het christelijke geloof is ontstaan, bij heel wat gelovigen gevoelig ligt. Voor die gevoeligheid hebben we niet alleen begrip maar ook respect. Vrijheid impliceert echter ook verantwoordelijkheid, want kennis is slechts zinvol indien zij dienend ter beschikking wordt gesteld. Hoe met kennis wordt omgegaan behoort tot de persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid van iedere mens.

Een bevrijde religieuze kennis berust niet in een cultuurgebonden traditie maar in de vrijheid van een universeel religieus bewustzijn. In het zoeken naar een antwoord op levensvragen staat iedere mens in een eenzame naaktheid tegenover zichzelf. Overtuigingen van anderen zijn ons van geen nut... Toch kan elke bevrijde kennis ook voor een ander iets bevrijdend inhouden, een gelegenheid zijn om een straaltje licht te zien waar zoveel duisternis is, een beetje vertrouwen te ervaren waar zoveel wanhoop is...

Voor elke toehoorder van de boodschap in dit evangelie, gelovig of niet, zal het dus een uitdaging zijn eigen inzichten of overtuigingen even opzij te schuiven en open minded, zonder vooringenomenheid, te luisteren en op zoek te gaan naar de diepere betekenis in de religieuze getuigenis van een medemens. De basisvraag, waar we allen in dit leven mee te maken hebben, is niet in de eerste plaats wie of wat God zou kunnen zijn maar wel : wie ben ik, mens in deze wereld, wat is de zin van mijn bestaan, wat mijn finaliteit...?

In verband met de voorgestelde commentaar nog deze opmerking. In de loop van de 114 uitspraken of logia komen dezelfde thema’s bij herhaling aan bod. De essentie van de boodschap is te vatten in een paar “radicale” inzichten. Hiervan worden ook regelmatig nevenaspecten belicht. Het is daarom moeilijk te vermijden met de commentaar in herhaling te vervallen. We zijn er echter bewust vanuit gegaan dat een dergelijke getuigenis een gelegenheid tot bezinning kan betekenen, waarbij de lezer zich tot één of enkele logia kan beperken.

 

 

 

vertalen is verraden...

 

...wordt wel eens en vaak terecht beweerd. De overdracht van een religieuze kennis heeft steeds en in elke cultuur aanleiding gegeven tot een vervorming of een ontaarding van de initiële boodschap. Dit lot werd ook de boodschap van Jezus niet bespaard. Nog steeds is het een realistische vraag hoe zijn getuigenis door discipelen werd begrepen, hoe de schrijvers van de evangeliën hiermee zijn omgegaan, welke interpretatieve manipulaties die geschriften hebben ondergaan in de loop van hun opeenvolgende redacties... Zelfs bij de vertaling van de Griekse basistekst naar een moderne taal vertoont de transcriptie te vaak interpretatieve ingrepen. Aan die werkelijkheid ontsnapt ook deze getuigenis niet...

De taal van dit evangelie is koptisch en is dus reeds een vertaling. Omtrent de waarheidsgetrouwheid ervan zullen steeds niet te beantwoorden vragen blijven bestaan. De vertaling van het koptische origineel naar een moderne taal is weliswaar specialistenwerk maar kan normaliter vrij secuur gebeuren. Uit diverse vertalingen die we konden inkijken blijkt nochtans hoe vaak een vertaler de behoefte vertoont reeds in het vertaalwerk voor zijn lezer de inhoud van de boodschap iets meer toegankelijk te maken. Soms leidde onbegrip tot een ronduit foute vertaling. Interpreteren en vertalen zijn twee verschillende oefeningen die blijkbaar moeilijk van elkaar te scheiden zijn. De vertaling van sommige woorden plaatste ons inderdaad voor een quasi onmogelijke opgave.

Zo is monachos een sleutelwoord in dit evangelie. We hebben het bewust onvertaald gelaten omdat de inhoud ervan niet in één woord is samen te vatten. Monachos is zowel Grieks als koptisch. De stam ervan is monos, dat één of alleen betekent. In monachos herkennen we het woord “monnik” : een persoon die zich van de wereld heeft afgekeerd om dit te zoeken wat “God” genoemd wordt. Niet het uiterlijke gedragspatroon maar de innerlijke ingesteldheid is echter bepalend voor het monachos zijn. Het geeft de eigenschap weer van de mens, die een innerlijke weg is gegaan en tot het bewustzijn is gekomen van een integratie van het individuele “zelf” in een absolute zijnswaarde, die onderliggend is aan de relatieve werkelijkheid van deze leefwereld.

Een gerichtheid naar het innerlijke veronderstelt een zich onthechten aan de gebondenheid aan uiterlijke waarden. In dit “loslaten” richt de zoektocht zich niet naar een God maar naar het diepere wezen van het eigen “zelf”. De ultieme onthechting bestaat erin het zo belangrijke “ikje” en zijn dominante positie binnen het eigen leven te relativeren tot zijn werkelijke waarde van dienende transformator van een inspiratie, die uit het hogere - dit dat binnenin is - kan ontvangen worden. In die bevrijdende ervaring heeft de monachos de initiële én ultieme realiteit van het eigen wezen erkend. Zowel één, eenzaam, onthecht als bevrijd, zijn eigenschappen die horen bij monachos.

Een ander vertaalprobleem stelt zich bij het woord psychè. Nu erkennen we dit woord als de stam van psychologie. Een vertaling door ziel ligt dus voor de hand. Maar is het de ziel in “bezieling” of in “zieleroerselen” of daarentegen die in de uitdrukking : “een mens is een onsterfelijke ziel in een sterfelijk lichaam” ? En wanneer we hierbij aansluitend ook nog het begrip pneuma, dat adem maar ook geest betekent, van een correcte inhoud moeten voorzien, is de klus nog helemaal niet geklaard ! Beide begrippen sluiten bovendien aan bij een lichamelijke realiteit en ook hiervoor worden twee termen gebruikt: soma en sarks. Soma refereert aan het lichaam als de materie gebonden component van de mens. Onder sarks wordt dan eerder het door de psychè “bezielde” lichaam bedoeld, naar het beeld : “een mens van vlees en bloed”, zoals ook Paulus in die betekenis sarks gebruikte. (1 Kor 15, 50)

De mens is een psychosomatische entiteit, een combinatie van psychè en soma, die wordt weergegeven in het woord sarks. De psychè zouden we kunnen omschrijven als een soort innerlijk reservoir, dat zowel mentale als emotionele inhouden bevat, die voortkomen uit de aanhoudende wisselwerking tussen het ik en de buitenwereld en zowel bewust als onbewust werden opgeslagen. Hierdoor bepaalt de psychè het “innerlijke zelf” van de mens en geeft zij inhoud aan zijn ego.

De inhoud van pneuma, dat geest of spiritus betekent, trachten te omschrijven is evenmin een eenvoudige opgave. Zoals een dier beschikking heeft over een inspiratie die leiding gevend is en die we het instinkt noemen, zo ontvangt ook de mens een inspiratie om zijn mogelijkheden juist en dus harmonisch te gebruiken. De bron ervan ligt in het hogere en wordt in een religieuze optiek de “werking van de Geest” genoemd. Op het persoonlijke vlak kan de geest beschouwd worden als wat de mens rest van die leiding gevende inspiratie, nadat zij doorheen de filter van zijn psychè transgresseerde. Door die interferentie wordt de pneuma vooral gekleurd door een persoonlijke kennis en door ik-gebonden verlangens. Hierdoor wordt de oorsprong ervan uitsluitend aan het eigen ik toegeschreven. Zo is iedere mens zich bewust te beschikken over een eigen geest.

Het al dan niet harmonisch samengaan van deze onderscheiden functies binnenin de mens resulteert uiteindelijk in wel bepaalde toestand van zijn bewustzijn. Hoe zuiverder de structuren van het bewustzijn zijn, des te doeltreffender de pneuma zich kan manifesteren en des te beter de kwaliteit van elke beleving zal zijn : van het denken, het voelen, het ervaren en het handelen. Met deze verduidelijkingen hopen we misverstanden, inherent aan een delicate vertaling, te vermijden. We vertaalden dus : psychè door “innerlijk zelf”, pneuma door “geest”, soma door “lichaam” en sarks door “vlees”.

In de evangelische traditie stelt er zich nog een bijzonder vertaalprobleem, namelijk bij de betekenis van het Griekse woord basileia. Aansluitend bij de joodse verwachting werd het vertaald door koninkrijk. De eerste betekenis ervan is echter koningschap en heeft dus te maken met de koninklijke waardigheid. Door extensie kan het ook koninkrijk betekenen. Toch is er een wezenlijk onderscheid tussen beide begrippen. Een koninkrijk verwijst naar een gebied waarover een koning heerst, waarover hij zijn macht uitoefent. Wie tot zijn koninkrijk behoort moet zijn wetten aanvaarden en kan uiteraard ook genieten van de voordelen ervan. Het begrip koningschap legt daarentegen de nadruk op het koninklijke gezag.

De verwarring tussen gezag en macht is tekenend voor onze menselijke samenleving. Wie een kennis dienend ter beschikking stelt oefent gezag uit. Dit resulteert in een bevrijdend effect voor een ander. Wie kennis misbruikt om niet anderen maar zichzelf te dienen, oefent macht uit. Gebruik van macht begrenst de vrijheid van een ander. Het onderscheid kan uitgedrukt worden in één woord : hoogmoed. Wie deel heeft in een gezag heeft een dienende verantwoordelijkheid. Daarom is het de opdracht van iedere mens zich hier en nu opnieuw bewust te worden van zijn integratie in een absoluut gezag en, vanuit die verbondenheid, de mogelijkheden die hij ontvangt dienend uit te drukken.

Op te merken valt dat een Messias een koning was, niet bekleed met macht maar met een enorme verantwoordelijkheid, namelijk die van de komst van het Koninkrijk voor te bereiden. In dit evangelie verwijst de titel van koning overigens niet naar macht maar naar gezag en dus verantwoordelijkheid. In de betrachting geen interpretatie op te dringen hebben we bij de vertaling het traditionele koninkrijk behouden. Aan de lezer om, zo gewenst, de inhoud ervan zelf bij te sturen.

Deze weergave van het evangelie volgens Thomas berust op een vergelijkende studie van diverse vertalingen. Als basistekst maakten we vooral gebruik van de Franse versie van “Évangile selon Thomas” (Collection Metanoia 1979), omdat die uitgave een kritische woord aan woord vertaling bevat vanuit het koptische origineel. Daar waar we dachten te moeten bijsturen, omdat we het vermoeden hadden dat zich transcriptiefouten of een of andere vorm van bezoedeling hadden voorgedaan, deden we dit in alle helderheid. Vele logia hebben herkenbare sporen nagelaten in de kanonische evangeliën. Telkens dit het geval is werden de nodige verwijzingen aangegeven. Zo kan de lezer, indien gewenst, voor zichzelf uitmaken welke weergave de meest originele zou kunnen zijn.

Tenslotte nog dit : het koptische origineel is een doorlopende tekst, zonder spatie tussen de woorden, zonder leestekens noch hoofdletters. Om iets van de oorspronkelijke sfeer te behouden hebben we daarom leestekens en hoofdletters weggelaten en enkel de woorden van elkaar gescheiden.

 

 

 

het evangelie volgens Thomas

 

 

dit zijn de verborgen woorden

die jezus de levende gesproken heeft

en die didymos judas thomas heeft neergeschreven

 

 

De aanhef van dit evangelie maakt meteen de auteur ervan bekend : didymos judas thomas. De eerste naam is Didymos en betekent “tweeling” in het Grieks. Judas was toen een veel voorkomende naam. Thomas betekent tweeling in het aramees. Naar wat die dubbele bijnaam verwijst kan niet met zekerheid worden bepaald. Misschien had Judas gewoon een tweelingbroer of –zus. Misschien verwijst die bijnaam wel naar de spirituele verbondenheid waarin hij met Jezus verenigd was. “Elke volmaakte discipel zal zijn als zijn meester” is een uitspraak van Jezus in het Lucasevangelie (Lc 6, 40). Thomas is ons vooral bekend uit het Johannesevangelie, vanwaar hij de dubieuze reputatie van “ongelovige” te danken heeft. De bijnaam Didymos wordt hem ook in Joh. 11, 16 en 21, 2 toegekend. In Joh. 14, 22 wordt hij gewoon Judas genoemd. De naam Judas Thomas komt eveneens voor in diverse varianten van het Johannesevangelie. (*)

De betekenis van verborgen woorden is voor interpretatie vatbaar. Omdat het een kennis van een hogere orde betreft, die niet rechtstreeks communiceerbaar is, verkondigt Jezus zijn inzichten heel vaak bij middel van een beeldspraak. Zijn kennis ligt verborgen in het beeld. Aan ieder om de betekenis ervan te ontsluieren. Dit is de meest voor de hand liggende interpretatie van verborgen woorden. In de eerste eeuwen van het christendom waren echter een groot aantal geschriften in omloop, waarvan de inhoud afweek van de leer van de jonge Kerk. Die getuigenissen, die niet zijn opgenomen in het Nieuwe Testament, werden “apocrief” genoemd, naar het Griekse woord apocruphos, dat hier gebruikt wordt en verborgen of geheim betekent.

Een vertaling als “geheime woorden” vinden we minder passend, omdat hierdoor de indruk kan worden gewekt dat de verkondigde boodschap een soort esoterische kennis zou bevatten, enkel toegankelijk voor een ingewijde. De boodschap van Jezus getuigt van een universele kennis, waar iedere mens toegang kan toe hebben, op voorwaarde evenwel er zich voor open te stellen. Jezus wordt hier de levende genoemd. De betekenis van de woorden leven en dood heeft in dit evangelie een ander draagvlak dan wat onder natuurlijk of biologisch leven en dood wordt begrepen. Het bewustzijn van een verbondenheid tussen het lagere, het biologische, en het hogere, het spirituele, geeft aan dit leven een absolute dimensie. Wie tot dit bewustzijn is doorgegroeid is levend geworden. Hiervan is Jezus de levende getuige.

 

(*) Over de identiteit van Judas Thomas kan enkel worden gespeculeerd. De naam Judas doet onvermijdelijk terugdenken aan de “verrader”. In het verhaal van de aankondiging door Jezus van zijn verraad, een gebeuren waarvan in de evangelische context de zin of de noodzaak overigens totaal onduidelijk is, worden voor “verraden” twee verschillende Griekse werkwoorden gebruikt : paradidomai en prodidomai. Het eerste betekent : doorgeven, overleveren, zoals een kennis doorgeven. Het tweede heeft de connotatie iets bekend te maken dat niet hoort bekend gemaakt te worden, verraden dus. Gezien de verbazende reactie van de apostelen bij het bekend maken door Jezus dat iemand hem zou “verraden” - “zou ik het zijn?” (Mt 26,22 - Mc 14,19) - is het niet ondenkbeeldig te veronderstellen dat Jezus het had over iemand die de opdracht kreeg zijn boodschap over te leveren. Dit zou ook zijn aansporing tot spoed kunnen rechtvaardigen. De Judas in kwestie zou dan helemaal geen verrader zijn geweest maar de uitvoerder van een opdracht. Indien het om Judas Thomas ging zou dit een erkenning van zijn evangelie inhouden. Wat voor anderen, o.m. de aanhangers van Johannes, niet te aanvaarden was. Zo werd het scenario van een verraad bedacht... De apostel Thomas als een verrader beschouwen was echter uitgesloten. Een andere Judas, de iskariot, werd zo het slachtoffer van een obscure manipulatie. Vermoedelijk zou die naam zijn afgeleid van sica, een soort dolk die hoorde bij de sicariotes, een naam die verbasterde tot iscariot en verwees naar een geweldadige groep binnen de zeloten. Door hem als verrader te brandmerken zou men Jezus tevens afstand hebben laten nemen van die sekte. Het recent ontdekte evangelie van Judas bevestigt dat de mening aanwezig was dat die Judas zich niets te verwijten had en zelfs een trouwe vriend van Jezus zou zijn geweest... Anderzijds weten we uit de evangeliën dat een Judas, zoals Jacobus, een broeder van Jezus was. De polemiek rond die broederschap is overigens een bekend gegeven. Gezien het aantal Judassen waar we mogelijks mee te maken hebben, blijft het dus gissen naar wie in dit verhaal wie zou kunnen zijn...

 

 

1

en hij heeft gezegd

wie de interpretatie van deze woorden vindt zal de dood niet smaken

                                                                                                                             

Joh 8, 51-52: “Voorwaar ik zeg jullie: indien iemand mijn woord in zich bewaart...

nooit zal hij de dood smaken.”

 

 

De uitdaging waar we voor geplaatst worden is het ontsluieren van de kennis die in de woorden van Jezus verborgen ligt. De kwaliteit van een interpretatie is rechtstreeks afhankelijk van de toestand van het bewustzijn : hoe zuiverder het bewustzijn is, des te juister het inzicht zal zijn. Dit houdt in dat een interpretatie steeds persoonlijk zal zijn en evoluerend naargelang de evolutie van het eigen bewustzijn. Daarom ook zal de toegang tot de volledige toedracht van zijn kennis tijd en bezinning vergen.

De uitdrukking zal de dood niet smaken lijkt vreemd maar is niet alleen bij Johannes terug te vinden. Noteer terloops het subtiele onderscheid tussen : de interpretatie vinden en het woord bewaren... Wie de juiste betekenis van zijn verborgen woorden zal ont-dekken en zijn kennis in zich zal opnemen, zal leven. Dood is afwezigheid van leven, zoals duisternis afwezigheid is van licht, onwetendheid afwezigheid is van kennis. De ervaringskennis, die toen gnosis genoemd werd (zie introductie), wordt in gnostische middens rechtstreeks geassocieerd met leven. Toegang hebben tot de gnosis is de voorwaarde om ook toegang te hebben tot het ware leven. De fysische dood mag dan wel blijven bestaan als het eindpunt van een biologisch ik, toch zal hij de mens, die is “thuis gekomen” in zijn absolute innerlijke bron, niet deren.

 

 

2

jezus heeft gezegd

dat hij die zoekt niet ophoudt te zoeken tot hij vindt

en wanneer hij gevonden heeft zal hij in verwarring zijn

en indien hij in verwarring is zal hij in verwondering zijn

en hij zal koning zijn over het al

 

vergelijk: Mt 7, 7-8 - Lc 11, 9-10

 

 

Wie tot een juiste interpretatie wil komen, de kennis van zijn woord in zich wil opnemen, moet zelf een zoekende weg gaan. Dit is een persoonlijke opdracht, waarbij in oprechtheid eigen waarden en inzichten worden in vraag gesteld, het belang van het eigen ik en zijn overtuigingen wordt gerelativeerd in het licht van een nieuwe kennis. Die weg leidt tot een inzicht en een ervaring die aanvankelijk verstorend zijn, want de hoeksteen van religieuze “zekerheden” ondergravend. Wie het nieuwe in zich tracht op te nemen komt, zoals Jezus toen, in conflict met het oude. Verwarring dus. Maar wie het oude kan loslaten en het conflictuele in alle eerlijkheid kan oplossen, ervaart tenslotte een bevrijdende verwondering, die berust in het bewustzijn dienend deel te hebben in het koningschap van de Vader.

Zoals verder nog zal blijken (zie logion 81), verwijst voor Jezus de titel van koning vooral naar verantwoordelijkheid en gezag en niet, zoals later het geval zou zijn, naar heerschappij en macht. Daarom vinden we de vertaling van de laatste lijn door : en hij zal heersen over het al, niet passend.

 

 

3

jezus heeft gezegd

indien zij door wie jullie worden aangetrokken zeggen

zie het koninkrijk is in de hemel

dan zullen de vogels van de hemel jullie vóór zijn

indien zij zeggen het is in de zee

dan zullen de vissen jullie vóór zijn

maar het koninkrijk is binnenin jullie en het is buiten jullie

wanneer jullie jezelf zullen erkennen

dan zullen jullie erkend zijn

en jullie zullen weten dat jullie zijn

de kinderen van de vader de levende

indien daarentegen jullie jezelf niet erkennen

dan verblijven jullie in een armoede

en jullie zijn de armoede

 

Lc 17, 21: “De komst van het koninkrijk van God zal men niet waarnemen, noch zullen zij zeggen: zie het is hier of daar is het want zie, het koninkrijk van God is binnenin u.” In het Grieks staat hier namelijk : entos ùmôn estin.

 

 

Hier begint de confrontatie met het nieuwe ! Zich afhankelijk maken van een kennis van anderen is niet zinvol. De weg die we te gaan hebben is vóór alles die van de zelfkennis. Die kennis is niet zozeer een antwoord op de vraag : wat is mijn eigenheid, hoe functioneer ik mentaal of emotioneel, waarin onderscheid ik mij van anderen ? De vraag is veeleer: wie ben ik, mens in deze wereld, wat is mijn opdracht, wat mijn finaliteit ? Wat is de zin van het biologische wonder dat “mens” heet ?

Niet zonder een zekere ironie maakt Jezus hier zijn inzicht bekend omtrent de werkelijkheid die verwoord werd in “het koningrijk van God”. De komst van het koninkrijk, als het herstel van een goddelijke orde op aarde, is een oude joodse droom. Voor de jood Paulus was de verwachting van die nakende gebeurtenis zo intens, dat hij de mannen van Korinthië de raad meegaf af te zien van verdere geslachtsgemeenschap met hun vrouw. Dit zou hen op de nabije “dag des oordeels” zeker ten goede worden aangerekend ! (1Kor 7, 29) Die droom werd, mits een grondige aanpassing - nu zou het koninkrijk tot het hiernamaals behoren - en ondanks de logenstraffing van Jezus in Lc 17, 21, door de christelijke Kerk overgenomen. Blijkbaar is het gezag van Paulus meer overtuigend geweest dan dit van Jezus...

De innerlijke beleving van het koninkrijk - het is binnenin jullie - en de uiterlijke ervaring ervan - en het is buiten jullie - bevestigen dat dit koninkrijk te maken heeft met een reële ervaring hier en nu, in dit leven. Zoals de ganse natuur, luistert ook ieder celletje van ons eigen lichaam naar Zijn wet. Zich bewust worden van die verbondenheid impliceert de erkenning van een levensbron binnenin zichzelf. Wie dit zal erkennen zal ook erkend zijn. De bron in zichzelf erkennen, houdt dus een respons in van de bron zelf : door haar zullen we erkend worden en het licht ontvangen dat de duisternis van onwetendheid kan wegnemen. Indien we dit niet erkennen verblijven we in een armoede. Dit is de toestand waarin Jezus zijn medemensen heeft aangetroffen, een toestand die nog steeds de onze is... (zie logion 28)

Om het intieme karakter van zijn verbondenheid met een absolute levensbron voor zijn medemensen duidelijk te maken, doet Jezus beroep op het beeld van een vader. (zie logion 15) Die verbondenheid is echter niet uitsluitend voor hemzelf voorbehouden ! Allen zijn we, in eenzelfde spirituele verbondenheid, kinderen van de vader, de levende. Terloops kunnen we ook opmerken dat in dit evangelie de hemel niet verwijst naar een goddelijk verblijf maar, zoals de zee, behoort tot de relatieve schepping. Dit belet nochtans niet dat de hemel, zoals elke relatieve werkelijkheid, dienstig kan zijn als een symbool dat naar het hogere verwijst.

 

 

 

4

jezus heeft gezegd

in zijn dagen zal de oude man niet aarzelen

een klein kind van zeven dagen te ondervragen

naar de plaats van het leven

en hij zal leven

want vele eersten zullen zich laatsten maken

en zij zullen één zijn

 

voor “eersten en laatsten” zie: Mt 19, 30 - Mc 10, 31 - Lc 13, 30

 

 

Van deze woorden van Jezus overleefde in de kanonische evangeliën enkel de voorlaatste regel, in wanorde weliswaar... Een vreemde ontmoeting overigens, die een oude man en een kind van zeven dagen verenigt. De eerste heeft een gans leven achter zich, het laatste zeven dagen slechts. Uiteraard is het getal zeven, dat verwijst naar het volmaakte, niet toevallig gekozen. Dit kleine kind leeft, onbewust nog van zichzelf, rustig verblijvend in de harmonie van en met zijn levensbron. Toch is het de katalysator, die het bewustzijn van de oude man zó beroert, dat hij pas nu de ware toedracht van zijn verbondenheid inziet.

Ooit is ook hij een kind van zeven dagen geweest, bevrijd nog van de dwingende eisen van het eigen ik. Nu hij oud geworden is, zijn leven geleefd heeft, zijn strijd gestreden met zichzelf en de anderen en hij zich bewust is dat zijn einde stilaan naderbij sluipt, stelt hij zich vragen. Als een gelovig man heeft hij zijn leven in een gelovige gemeenschap doorgebracht. Hoewel vrijwel iedereen zich aan de voorschriften van het geloof hield, was er van enig concrete invloed van God nochtans weinig te bespeuren geweest. De wereld was er tijdens zijn leven niet echt beter op geworden. Immers, wanneer het er op aan kwam, was het toch steeds weer ieder voor zich, was het eigen ik belangrijker dan die beschermheer van boven. Weliswaar was hij er zich van bewust dat hij van God de mogelijkheden ontvangen had om het hier waar te maken, maar de verdiensten voor wat hij had bereikt had hij toch steeds aan zichzelf toegekend.

Wat hij zich tijdens zijn leven verworven had zou hij weldra moeten achterlaten... “Was het wel de bedoeling van zijn God geweest dat hij hier voor zichzelf iets zou verwerven ? Waren zijn verlangens wel in overeenstemming geweest met het plan dat God met hem had ? Had hij niet moeten leven als een dienaar van de Heer, die hem alles gegeven had, eerder dan zijn eigen ik als heer te beschouwen ? Had hij zich niet van heer vergist en zich zo van zijn ware Heer afgescheiden ?”

Misschien waren het wel dergelijke gedachten die de oude man in de stilte van zijn eenzaamheid tot bezinning hadden gebracht... En toen gebeurde het dat hij het kleine kind van zeven dagen ontmoette. Als door een plotse intuïtie verlicht besefte hij dat hij, de eerste, want de eerstgeborene, in eenzelfde verbondenheid met zijn Heer één is met het kleine kind, het laatste, want het laatstgeborene... Immers, de plaats van het leven, de absolute bron waar het kleine kind nog in verblijft, is ook voor hem de unieke plaats van waaruit hij zijn dienende opdracht als mens te vervullen heeft.

 

 

5

jezus heeft gezegd

erken wat voor je aangezicht is

en wat verborgen is zal zich voor jou ontsluieren

er is inderdaad niets verborgen dat niet zal te voorschijn komen

 

vergelijk: Mc 4, 22 - Mt 10, 26 - Lc 8, 17 en 12, 2

 

 

Dit logion richt onze aandacht op de kennis van het uiterlijke aspect van het koninkrijk, dit dat door ons waarneembaar is: de natuur en haar wetten. Die kennis noemen we wetenschap. Ook langs die weg kunnen we de rijkdom van de bron erkennen. De moderne mens kan zich beroepen op verfijnde technische middelen om de natuurwetten te doorgronden, de fysiologie van het leven te begrijpen, de subtiele maar ook zo kwetsbare ecologische harmonie naar waarde te schatten. Via boeken en filmen hebben we het voorrecht het wonderlijke in de natuur te kunnen aanschouwen. Of het gaat om de minerale, de vegetale of de animale wereld, telkens komen we in bewondering voor een levensproces dat gestuurd wordt door een wet, die niet door een mens kan zijn bedacht. En toch, hoewel de mogelijkheden waarover de mens beschikt de hoogste uitdrukking zijn van die wet, is hij en alleen hij in staat de harmonie zowel buiten als binnenin zichzelf te verstoren... In de mens kan het leven slechts dan tot vervulling komen, indien ook hij zich laat leiden door de unieke wet van harmonie.

Uit dit logion kan ook die bijzondere boodschap worden afgeleid dat een juiste wetenschappelijke kennis niet strijdig kan zijn met een juist religieus inzicht...

 

 

6

zijn discipelen ondervroegen hem en zeiden

wil je dat we vasten

en op welke manier zullen we bidden

en zullen we aalmoezen geven

en welke voedselnormen zullen we in acht nemen

jezus zei

zeg geen leugens

en wat jullie verwerpen doe het niet

want vóór het aanschijn van de hemel wordt alles onthuld

er is immers niets verborgen dat niet zal te voorschijn komen

en niets dat bedekt is dat niet zal ontsluierd worden

 

 

Het joodse geloof is de religieuze bakermat van de discipelen. Dit geloof houdt heel wat regels en rituelen in. Die eerbiedigen is een noodzakelijke voorwaarde om ooit aanspraak te kunnen maken op een toegang tot het koninkrijk van God. De weg die Jezus voorhoudt is die van een persoonlijke, innerlijke zoektocht. Bij die weg horen geen geboden of rituelen. Wie zich bewust is geworden van de bron en haar wet, behoeft geen menselijke voorschriften ! De inspiratie uit de bron is een unieke en feilloze gids. Maar ook de mens die de weg gaat blijft een wezen met tekorten en zwakheden. Zijn voornaamste leidraad is een oprechtheid in woord en daad. Wie juist handelt in het lagere, handelt in harmonie met het scheppende, het hogere. Wie fout handelt ondergaat de wet van het hogere. Alles, het goede als het foute, wordt de mens vóór het aanschijn van de hemel - dit betekent hier en nu - aangerekend. Dit is de wet die in het Oosten de wet van karma genoemd wordt. (zie logion 58)

Rituelen, als symbolische handelingen, kunnen zinvol zijn om een juiste ingesteldheid in het bewustzijn levendig te houden. Aan opgelegde handelingen, zoals het geven van aalmoezen of het tijdelijk in acht nemen van bepaalde voedselnormen, als een middel om voor zichzelf een toegang tot het koninkrijk te verzekeren, heeft Jezus echter geen boodschap. Maar, en dit is toch merkwaardig, ook het gebed weerhoudt zijn aandacht niet...

 

 

7

jezus heeft gezegd

gelukkig is de leeuw die door de mens gegeten wordt

en de leeuw zal mens zijn

en te misprijzen is de mens die door de leeuw gegeten wordt

en de leeuw zal mens zijn

 

 

In de mond van Jezus is dit voor ons een verbijsterende beeldspraak, die vaak werd aangegrepen om aan te tonen hoe ongehoord extravagant dit evangelie wel is... Toegegeven, de interpretatie ervan is niet evident. Sommige commentatoren, en niet de minsten, wijzigden zelfs de volgorde en dus de zin van de woorden om tot een voor hen zinvolle verklaring te kunnen komen.

Het koninkrijk is geen denkbeeldige realiteit in het hiernamaals maar de finaliteit van het leven hier en nu... Omtrent de beleving van dit leven toen en nu nog steeds - blijkbaar is er in twintig eeuwen weinig veranderd - getuigt Jezus hier nochtans van een buitengewone realiteitszin.

Dit logion stelt een dubbele confrontatie voor tussen de mens en de leeuw. Een confrontatie met een weliswaar verschillend verloop, maar die toch leidt tot eenzelfde conclusie : en de leeuw zal mens zijn. De leeuw, als heerser in het dierenrijk, kan beschouwd worden als het symbool voor de heerser in een lagere levensorde, waarin de mens biologisch leeft maar dood is voor hogere levenswaarden. Het is de finaliteit van de mens te leven, niet binnen de begrenzing die armoede is of duisternis, maar door optimaal gebruik te maken van de levensmogelijkheden die hem ter beschikking staan. Om dit te kunnen waarmaken is het noodzakelijk dat hij zijn aandacht richt naar de bron waaruit hij ontvangt, naar het hogere binnenin zichzelf. Blijft hij afgesloten van die bron dan verblijft hij in het gebied van het lagere, daar waar de leeuw heerst. De wet van de leeuw is de wet van de sterkste, die de mens steeds weer aanzet de confrontatie met anderen aan te gaan, hem dwingt zichzelf te bewijzen volgens regels, die door hemzelf werden bedacht.

Soms hoort men wel eens zeggen: in dit leven zijn er twee soorten mensen: winnaars en verliezers. De winnaars zijn zij die, in hun confrontatie met de leeuw, hebben overwonnen. Zij hebben het gemaakt en verkeren in de illusie macht te bezitten. Maar in werkelijkheid is hun macht totaal afhankelijk van de wetten van de leeuw, die dollar heet of euro of gewoon machtswellust. Daarom : gelukkig is de leeuw, want wie macht bezit is ook zijn slaaf geworden. Doorheen de mens zal de leeuw heersen : en de leeuw zal mens zijn. De machtige heerst slechts bij de gratie van de leeuw. Daarom ook is de mens die macht bezit de meest wreedaardige onder de dieren.

De verliezers daarentegen zijn zij die in hun machtsstrijd met de leeuw zijn ten onder gegaan. Hen is een nog minder benijdenswaardig lot beschoren, want machteloos hebben zij de wet van de sterkste te ondergaan. Een totale afhankelijkheid is hun lot geworden. Daarom : te misprijzen is de mens. Want voor de macht van de leeuw is hij het voedsel geworden. Zoals een dier in jungle of savanne is niet meer “leven” maar “overleven” zijn deel. Ook in hem zal het dierlijke overheersen : en de leeuw zal mens zijn.

Wat hebben we hieruit te begrijpen ? Het gebied waarin de mens te handelen heeft is weliswaar het gebied van de leeuw, maar zijn opdracht is verheven boven iedere confrontatie met de leeuw. Wie de machtsstrijd met de leeuw aangaat is so wie so een “loser”. Want macht behoort tot het lagere. Hiertoe kan de mens zich enkel laten verleiden door zijn hoogmoed. Zich onthouden van elke betrokkenheid bij de doelstellingen van de leeuw is daarom de boodschap. Wie zoekt zichzelf te bevestigen volgens wetten van een lagere orde en  macht uit te oefenen, negeert de bron van zijn eigen potentieel en bindt de strijd aan met de leeuw. Of hij overwint en machtig wordt dan wel verliest en ten onder gaat, steeds neemt het lagere, de leeuw, bezit van de mens.

Ambitie is een natuurlijke stimulans om de eigen mogelijkheden te ontwikkelen en tot uitdrukking te brengen. Dat dit gebeurt in een confrontatie met anderen is kenmerkend voor een tijdelijke levensfase. Hieruit heeft de mens nochtans te ontwaken. Wanneer hij tot het bewustzijn is gekomen dat alles wat hij kan niet aan zichzelf is toe te schrijven maar aan een gevende bron binnenin zichzelf, kan hij voor zichzelf geen machtspositie meer opeisen. (zie ook logion 81 en 110) Hij kan enkel dankbaar zijn en dienen. Zijn opdracht is het wat hij ontvangt uit te drukken in harmonie, volgens een wet die hem niet toebehoort. Die wet behoort niet tot het lagere maar tot het hogere.

De betekenis die we aan dit logion toekennen sluit aan bij het ahimsa principe waarvan Gandhi en later ook Martin Luther King getuigden. Gebruik maken van geweld, zowel door een sterke als door de zwakste, als een uiting van macht of van onmacht, is nooit de juiste keuze !

 

 

8

en hij heeft gezegd

de mens is gelijkend aan een attente visser

die zijn net had uitgeworpen in de zee

hij haalde het uit de zee op gevuld met kleine vissen

onder hen vond hij een grote uitstekende vis

alle kleine vissen wierp hij terug in zee

moeiteloos koos hij de grote vis uit

wie oren heeft om te horen dat hij hoort

 

Mt 13, 47-50 “En nog is het rijk der hemelen gelijkend aan een net, dat in de zee geworpen werd en zich vulde met allerhande zaken. Wanneer het vol was trokken zij het langs de oever op, gingen zitten en vulden de manden met wat goed was. Het slechte gooiden zij terug. Zo zal het zijn op het einde van de wereld. Engelen zullen komen en zij zullen de slechten van de rechtvaardigen scheiden en hen in het laaiend vuur werpen. Daar zal geween zijn en tandengeknars.”

 

 

Thomas met Mattheüs vergelijken is meer relevant dan honderd commentaren ! “Wie oren heeft...” De aanwezigheid van vissers onder de discipelen zal aan dit beeld wellicht niet vreemd zijn. Beter dan wie ook waren zij in staat de waarde van die éne grote vis in te schatten. De man is een attente visser (letterlijk : die er met zijn hart bij is), die zijn vangst aandachtig onderzoekt vooraleer de veelheid aan kleine vissen terug in zee te werpen. Zo ontdekte hij die éne grote vis en aarzelde niet langer.

Tot een juist onderscheidingsvermogen komen is de boodschap, aandacht hebben voor het meest waardevolle, zich niet laten afleiden door waarden van een lagere orde. Aan waarden allerhande hebben we in dit leven geen gebrek, noch aan theorieën of ideologieën van verlichte zieners of wetenschappers. Een openheid van geest ontwikkelen is belangrijk maar evenzeer een kritische ingesteldheid om vanuit de eigen levenservaring een correcte waardeschaal aan te leggen. Wat vergankelijk is heeft de waarde van het vergankelijke. Die éne uitzonderlijke waarde, waar de zoekende mens naar uitziet, behoort niet tot het gebied van “hebben” maar tot dit van “zijn”. Een zijnswaarde heeft een absoluut draagvlak, is universeel en tijdloos, want gevestigd in de bron zelf van het Zijn.

Wellicht kan ook de vondst van Nag Hammadi gezien worden als een net vol vissen, waarin het belangrijk is die éne grote uitstekende vis te onderscheiden...

 

 

9

jezus heeft gezegd

zie de zaaier ging uit hij vulde zijn hand en wierp

sommige vielen op de weg

vogels kwamen en pikten ze op

andere vielen op rotsen

en schoten geen wortel in de aarde

noch richtten zij aren naar de hemel

en andere vielen op doornen

zij verstikten het zaad en de worm at het op

en andere vielen op de uitgelezen aarde

en zij richtte een uitstekende vrucht naar de hemel

de opbrengst was zestig per maat en honderdtwintig per maat

 

vergelijk: Mt 13, 1-23 - Mc 4, 1-20 - Lc 8, 4-15

 

 

Het is de kracht van het woord van Jezus én de weg én de finaliteit van het leven te vatten in een natuurlijk beeld dat voor iedereen toegankelijk is. In de drie synoptische evangeliën is dit zijn eerste parabel. Wie de zin ervan in zijn totaliteit heeft doorzien, heeft meteen de essentie van zijn boodschap begrepen! Toch blijkt de eenvoud van het beeld geen waarborg te zijn voor een eenvormig begrip...

In de synoptische evangeliën wordt deze parabel inderdaad gevolgd door een interpretatieve verduidelijking, die Jezus zou hebben gegeven, omtrent de betekenis van de zaden die niet in de goede aarde vallen. Een vrij verwarrende verduidelijking overigens wanneer de verschillende evangeliën aandachtig met elkaar worden vergeleken. De evangelisten zijn niet eensgezind in hun interpretatie... Daarom wordt zij door de auteurs van de Bijbelschool van Jeruzalem afgevoerd als een interpretatie die door aanhangers van de primitieve Kerk in de mond van Jezus zou zijn gelegd. Overigens hebben we hier te maken met de kleine vissen uit het vorige logion : zaden die hun finaliteit niet waarmaken. Het is ook een eeuwenoude twistappel of het nu de goede aarde is dan wel de zaden die de vruchten voortbrengen... In het licht van dit evangelie blijkt ook dit een steriele discussie te zijn.

Zoals het noch de zaadcel van het mannelijke is, noch de eicel van het vrouwelijke die het biologische leven voortbrengt maar de nieuwe eenheid die ontstaat uit hun ver-eniging, zo zijn het noch de zaden noch de goede aarde die de vruchten voortbrengen. Vanuit hun eenheid manifesteert zich het leven spontaan !

De wezenlijke vraag, die hier aan de orde is, is deze : hoe komt de mens tot een leven waarin hij, overeenkomstig zijn finaliteit, vele vruchten kan voortbrengen waar hijzelf kan van genieten ? Ooit is het zaad zelf doorheen de vrucht van een plant ontstaan uit de goede aarde. Wil het zijn finaliteit, dit waarvoor het te dienen heeft, waarmaken dan moet het teruggaan naar de plaats waar zijn oorsprong was. (zie logion 18) Zolang het zaad zaad blijft, brengt het geen vruchten voort en dient het dus het levensproces niet. Wanneer het, in de eenheid met de grond waaruit het zelf is ontstaan, zijn uiterlijke omhulsel loslaat en dus ophoudt zaad te zijn, wordt het dienend voor het leven en brengt het vele vruchten voort. Pas dan heeft het zijn finaliteit waargemaakt.

Zoals in de natuur, kan ook in de mens het nieuwe slechts ontstaan uit een “ontmanteling” van het oude. Het loslaten van het oude is de voorwaarde om, uit de eenheid die was in het begin, de plaats waar het kleine kind van zeven dagen nog in verblijft, het nieuwe te laten ontluiken. We hoeven niet te treuren bij het verlies van het oude. In het loslaten van de hoogmoed, waarmee we onszelf hebben “bekleed”, van onze pretentieuze ik-waarden, van een vermeende godskennis ook, ligt hier en nu de nieuwe geboorte.

Zoals het nirwana voor de Boeddha, is ook voor Jezus het “deel hebben in het koningschap van de Vader” geen realiteit die slechts na een fysische dood kan worden bereikt, maar de vervulling van onze levensopdracht hier en nu! In het licht van dit inzicht krijgen de woorden van het priesterlijke gebed in Joh 17, 21-23 hun volle betekenis : “opdat allen één zijn zoals U Vader in mij en ik in U, ... zodat zij volmaakt zijn in het éne...

 

 

10

jezus heeft gezegd

ik heb een vuur in de wereld gebracht

en zie ik behoed het tot het ontvlamt

 

vergelijk: Lc 12, 49-50

 

 

Misschien zijn dit wel profetische woorden van Jezus. Ongetwijfeld zal hij tot de bevinding zijn gekomen hoe moeilijk de opdracht voor zijn discipelen was om het nieuwe en verstorende van zijn kennis - hier gesymboliseerd in het vuur, dat toen ook een bron was van licht - in zich op te nemen. Meestal was onbegrip hun deel. Het ontvlammen, het doorstromen van zijn kennis, was blijkbaar nog niet aan de orde. Zijn vuur zou een waakvlam blijven tot het collectieve bewustzijn van de mensheid voldoende ontvankelijk zou zijn om het te laten ontbranden.

Wellicht is het niet toevallig dat dit evangelie pas in de tweede helft van de twintigste eeuw in een nieuwe openbaarheid is gekomen. Nu de mensheid aan een bevrijdende bewustwording toe is en dus de openheid heeft te luisteren naar een nieuw geluid, kan het de aanzet betekenen tot een spiritueel ontwaken.

 

 

11

jezus heeft gezegd

deze hemel zal voorbijgaan

en die erboven zal voorbijgaan

en zij die dood zijn leven niet

en zij die levend zijn zullen niet sterven

de dagen dat jullie aten wat dood is maakten jullie er iets levend van

wanneer jullie in het licht zullen zijn wat zullen jullie doen (*)

in de dagen dat jullie één waren hebben jullie de twee gemaakt

wanneer jullie daarentegen twee zijn wat zullen jullie doen (*)

 

vergelijk: Mt 5, 18 - 8, 22 - 24, 34-36 - Mc 13, 30-32 - Lc 9, 60 - 16, 17 - 21, 32-33

 

 

(*) Een interpretatieve verduidelijking zou erin kunnen bestaan na de eerste van beide regels aangeduid met (*) een ... ! te plaatsen en na de laatste een ...?.

Het biochemische proces, waardoor we in de spijsvertering van dode materie iets levend maken, behoort tot een absolute wet die het biologische leven in stand houdt. Bewust van dood naar leven gaan betekent een spirituele geboorte, waarbij het licht van het hogere zich integreert in het lagere. Dit is de weg waarlangs zich in ieder wezen het bewustzijn van een spirituele eenheid kan herstellen. In het verhaal van de zondeval ligt de scheiding besloten van één naar twee. In die scheiding ligt onze spirituele dood. Het beeld van het zaad verduidelijkt onze opdracht : teruggaan naar de eenheid die was in het begin. Zou de werkelijke betekenis van de verrijzenis niet in deze transformatie te zoeken zijn...? Ruim vóór zijn kruisdood zou Jezus dus, binnenin zichzelf, de verrijzenis hebben verwezenlijkt...

Zoals reeds in logion 3 bleek is de hemel niet de verblijfplaats van God, maar overkoepelt hij onze leefwereld. Hierin zijn we weliswaar biologisch levend maar spiritueel nog steeds dood. Een weg van spirituele bewustwording gaan betekent : tot het inzicht komen verbonden te zijn met een absolute bron, die ons alle mogelijkheden biedt en in die verbondenheid onze verantwoordelijkheid erkennen. Wie zich richt naar die innerlijke bron, haar licht ontvangt, bevrijdt zichzelf uit de illusie van zijn of haar pretentieuze ik-waarde en komt tot leven. Een andere hemel zal voortaan dit leven overkoepelen. Niet meer de wet van dualisme maar die van eenheid zal de basis zijn voor een nieuwe beleving. Maar ook aan die ervaring komt een einde, want in de eenheid van het biologische en het spirituele is het biologische tijdgebonden.

Wie verblijft in de duisternis van de gescheidenheid is nog steeds “dood” en ondergaat de wetten van het lagere. Wie het licht ontvangt zal tot leven komen en de dood niet smaken...

 

 

12

de discipelen zeiden tot jezus

we weten dat jij ons zult verlaten

wie zal er groot zijn over ons

jezus zei hen

daar waar jullie zullen zijn gekomen

zullen jullie naar jacobus de rechtvaardige gaan

wat hemel en aarde aanbelangt komt hem toe

 

vergelijk: Mt 18, 1 - Mc 9, 33-34 - Lc 21, 32-33

 

 

De vertaling van de laatste lijn is problematisch. Letterlijk staat er namelijk : hij omwille van wie hemel en aarde zijn geweest. Uiteraard is dit onzinnig. Ofwel hebben we te maken met een transcriptiefout, ofwel is dit een specifieke uitdrukking die niet letterlijk kan vertaald worden.

Blijkbaar hebben de discipelen van Jezus vernomen dat zijn aanwezigheid onder hen slechts van korte duur zal zijn.(*) Bovendien is uit zijn woorden af te leiden dat hij, op het ogenblik dat hij hen dit antwoord geeft, de illusie heeft laten varen hen tot het juiste bewustzijn te kunnen verheffen. De zoektocht die zij, zoals wij allen, te volbrengen hebben is duidelijk nog niet ten einde, want nog steeds hebben zij de behoefte aan een leidsman.

Vermoedelijk is Jacobus de broeder van Jezus (zie Mt 13, 55 en Mc 6, 3), die na de verdwijning van Jezus de verantwoordelijkheid voor de primitieve geloofsgemeenschap op zich nam. Ook hij zou door de joodse overheid worden ter dood gebracht. Hij wordt de rechtvaardige genoemd. Hij heeft dus kennis van rechten en plichten die noodzakelijk zijn om binnen een lagere orde - want hemel en aarde gaan voorbij - de harmonie te handhaven. Hoe waardevol zijn raad ook mag zijn, nooit echter zal hij het licht kunnen brengen, dat in de woorden van Jezus besloten ligt. (zie logion 38)

 

(*) Traditioneel wordt aangenomen dat de duur van het “openbare leven” van Jezus drie jaren zou zijn geweest. Het voornaamste argument hiervoor is de aanwezigheid van drie paasfeesten in het Johannesevangelie. Die voorstelling van de feiten duikt, volgens de Bijbelschool van Jeruzalem, slechts op in de derde redactie van dit evangelie. In de tweede redactie zou er voor zijn openbare optreden een tijdsindeling in zes weken zijn geweest. Hoeveel tijd er tussen elke week kan zijn verlopen is niet bekend. De vermoedelijke duur van zijn prediking zou hoe dan ook heel wat korter zijn geweest. Het valt overigens moeilijk te aanvaarden dat de joodse overheid een dergelijke onorthodoxe prediking drie jaren lang zou hebben getolereerd...

 

 

13

jezus zei tot zijn discipelen

vergelijk me zeg me aan wie ik gelijk

simon petrus zei hem

je gelijkt aan een rechtvaardige engel

mattheüs zei hem

je gelijkt aan een wijze filosoof

thomas zei hem

meester mijn mond zal geen woord aanvaarden dat zegt aan wie je gelijkt

jezus zei

ik ben je meester niet

want je hebt gedronken en je hebt je bedronken

aan de opborrelende bron die ikzelf heb bedeeld (*)

en hij nam hem terzijde en zei hem drie woorden

wanneer thomas terug bij zijn gezellen kwam

ondervroegen zij hem wat heeft jezus je gezegd

thomas zei hen

indien ik jullie één woord zou zeggen van wat hij mij heeft gezegd

dan zouden jullie stenen nemen en naar mij gooien

en vuur zou uit de stenen komen en jullie verbranden

 

vergelijk: Mt 16, 13-20 - Mc 8, 27-30 - Lc 9, 18-21

 

 

 (*) bedeeld : letterlijk gemeten. Het kenmerk van de expressie uit de absolute bron is harmonie en dus maat. Die maat hebben ook wij uit te drukken. (zie logion 50)

Het vorige logion situeerde het niveau van de discipelen. Het zijn nog zeer menselijke bekommernissen die hun bezorgdheid uitmaken. Tot die bekommernissen behoort ook de ambitie de beste onder de discipelen te zijn. Hieromtrent ontstond weleens een discussie, waar o.m. Mc 9, 33-34 en Lc 9, 46 van getuigen. De vraag van Jezus is bedoeld als een test. Enkel Thomas heeft geen woorden om een zinnig antwoord uit te brengen. Om dit duidelijk te maken spreekt hij Jezus aan met meester. Hiervoor wijst Jezus hem terecht. Wat betekent die terechtwijzing ? Dit kan het ogenblik zijn geweest waarop hij in zijn discipel zijn gelijke erkent. Maar het is de opdracht van ieder mensenkind dienend te zijn. Een dienaar is geen meester...

Omtrent de drie woorden die Jezus sprak verblijven we in het ongewisse. Misschien was het iets als “jij bent mij” of “ik ben jou”...? Wat het ook mag zijn geweest, Thomas was zich bewust dat de erkenning die hij had gekregen door zijn gezellen niet in dank zou worden aangenomen. Afgunst zou hun deel zijn en een negatieve of zelfs agressieve reactie uitlokken, waarvan zijzelf, overeenkomstig de karmische wet, het slachtoffer zouden worden.

 

 

14

jezus zei hen

indien jullie vasten zullen jullie een fout begaan

en indien jullie bidden zullen jullie worden veroordeeld

en indien jullie aalmoezen geven

zullen jullie kwaad berokkenen aan jullie geest

en naar welk land jullie ook gaan

welke streken jullie ook doortrekken

wanneer men jullie ontvangt eet wat jullie wordt voorgezet

verzorg hen die ziek zijn

want niet wat in jullie mond komt zal jullie bezoedelen

maar wat uit jullie mond komt dit zal jullie bezoedelen

 

vergelijk: Mt 10, 11-14 - Mc 6, 10-11 - Lc 10, 5-11

 

 

In logion 6 kregen de discipelen geen concreet antwoord op hun vragen. Jezus ontweek ze met de bedenking : wees oprecht met jezelf in woord en daad. Misschien hebben zij op meer duidelijkheid aangedrongen… Ditmaal spreekt hij een onverbloemde taal : wat tot de rituelen van de joodse godsdienst behoort is niet te verzoenen met zijn religieuze bewustzijn. Wie ontvankelijk wil worden voor de inspiratie van de Vader, heeft zich niet in te laten met misleidende rituelen ! Ook in Mt  9, 14, Mc 2, 18 en Lc 5, 33 krijgt Jezus het verwijt te horen dat zijn discipelen niet vasten. (zie ook logion 104) Maar bovendien : indien jullie bidden zullen jullie veroordeeld worden...

Opnieuw worden we geconfronteerd met het nieuwe in de boodschap van Jezus. We bidden tot God. Maar wat betekent God ? Wie is de God van de joden, de God van onze verbeelding en wat is de realiteit waarvoor Jezus beroep doet op het beeld van een vader ? Voor een gelovige zijn dit uitdagende vragen ! In dit evangelie is het joodse begrip van God niet te verzoenen met de werkelijkheid, die Jezus doorheen het beeld van een zoon - vader relatie tracht duidelijk te maken.

De communicatie, die een jood vermeent te hebben met zijn God bij middel van het gebed, is louter denkbeeldig. Communiceren met een zelf verzonnen beeld behoort tot de wereld van de verbeelding en is dus misleidend. De realiteit, die Jezus als een vader in beeld brengt, is absoluut en transcendeert daarom de grenzen van het menselijke bewustzijn. Elke benadering ervan binnen de begrenzingen van dit bewustzijn kan slechts denkbeeldig zijn. (zie logion 53)

Is bidden dan steeds zinloos ? Zeker niet ! Maar het gebed moet wel én de juiste inhoud hebben én de juiste gerichtheid... Onze menselijke verlangens in een gebed verheffen tot een denkbeeldige almachtige bron is een foute ingesteldheid. Wie zich bewust is geworden van zijn of haar dienende opdracht binnen zijn of haar verbondenheid met het hogere, kan zich enkel naar het hogere richten in een dankbare erkenning voor wat ontvangen werd en met het verlangen de juiste inspiratie te mogen ontvangen om die dienende opdracht te blijven uitvoeren. De omstandigheid, die hiervoor het best geschikt is, is een rust in de leegte binnenin zichzelf.

Tenslotte wijst Jezus ook hier op de meest elementaire menselijke plicht : oprecht met zichzelf juist handelen en dienend zijn. Wie in de juiste ingesteldheid verblijft is verheven boven door anderen opgelegde regels, boven een mogelijke bezoedeling ook door een ongepaste voeding. Een juiste voeding is weliswaar belangrijk om een innerlijke biologische harmonie niet te verstoren. Maar, wie zich juist voedt en foute waarheden verkondigt, bezoedelt zich meer dan een ongepaste voeding vermag te doen !

 

 

15

jezus heeft gezegd

wanneer jullie hem zullen zien die niet uit een vrouw is geboren

buig dan jullie aangezicht ten gronde

en verheerlijk hem deze is jullie vader

 

 

Zien” betekent hier uiteraard geen zintuiglijke ervaring maar symboliseert het verwerven van inzicht. Niet de verheerlijking van een zelf verzonnen beeld van God moet in dit leven onze bekommernis zijn, wel het inzicht in de realiteit waarvoor Jezus het beeld van een vader gebruikt. Die realiteit is van een hogere, van een absolute orde, want : die niet uit een vrouw is geboren. Zij behoort dus niet tot onze relatieve wereld en is daarom voor ons ook niet kenbaar. Het bewustzijn van een verbondenheid met een absolute zijnswaarde binnenin zichzelf is niet te verwarren met de onmogelijke kennis van het absolute “in se”.

De ervaring van een innerlijke verbondenheid betekent voor Jezus een alles overstijgende rijkdom. Van die rijkdom wil hij zijn medemensen bewust maken. Maar zij bezitten niet het zuivere bewustzijn dat het zijne is. Om hiervan te getuigen is hij daarom genoodzaakt terug te vallen op een beeld dat tot hun leefwereld behoort, dat voor hun bewustzijn toegankelijk is. Hij spreekt dus over “dat” als over “een vader”.

In de joodse cultuur was de status van de vader heel wat belangrijker dan hij nu in onze cultuur is. De vader is immers niet enkel de bezitter van het familiegoed, niet enkel de biologische verwekker van zijn kinderen, hij is vooral het gezag dat de wet dicteert, dat inspirerend en dus leidinggevend is en waar zijn kinderen naar te luisteren hebben. Van dit beeld maakt Jezus gebruik om het bewustzijn van zijn medemensen ontvankelijk te maken voor een innerlijke realiteit, die van een spirituele natuur is. Helaas, zoals het beeld van Adam en Eva in het bijbelverhaal, zo werd ook het beeld van de vader niet als een beeldspraak begrepen maar voor werkelijk aanzien. Wanneer Jezus in absolute bewoordingen over “zijn vader” sprak dan was het evident, zo dacht men, dat hij de God van de joden bedoelde.

In het Johannesevangelie (hoofdstuk 6) maakt Jezus nochtans duidelijk het onderscheid :

Jullie voorvaderen hebben het manna uit de hemel gegeten en zij zijn gestorven... niet Mozes heeft het brood uit de hemel gegeven maar mijn Vader geeft u het brood, het ware... ik ben het brood... wie dit eet zal leven.

In Ex 16, 15b zegt Mozes : “Dit is het brood dat Jaweh u te eten gegeven heeft”. Niet Mozes maar Jaweh heeft het manna gegeven ! Het onderscheid tussen Jaweh en de Vader is duidelijk. Het gaat noch om hetzelfde brood noch om dezelfde bakker... Om die verstorende tegenstelling te versluieren werd in de loop van de ontwikkeling van het Johannesevangelie het manna niet toegekend aan Jaweh, maar aan Mozes... Het essentiële onderscheid tussen Jaweh en de Vader is dat Jaweh, als God, totaal van de mens gescheiden is, terwijl het beeld van de vader verwijst naar een innerlijke en dus een spirituele verbondenheid.

Wat voor het mensenkind de verheerlijking van de Vader inhoudt ligt in de dankbare erkenning van een alles overstijgende rijkdom, waarin het zelf deelachtig is. Het bewustzijn deel te hebben in het koningschap impliceert de erkenning én van een absoluut gezag én van de eigen dienende verantwoordelijkheid. Hierin ligt tevens de zin van het ware offer besloten : de dienaar verheft de vruchten van zijn dienstbaarheid tot zijn gevende Heer. Ook dit betreft een blijvende ingesteldheid, die geen behoefte heeft aan een ritueel...

De confrontatie van nieuwe inzichten met oude denkbeelden leidt onvermijdelijk tot een innerlijk conflict. Aan ieder om hiermee met zichzelf in het reine te komen. Tenslotte zegt Jezus aan het einde van dit logion niet : deze is mijn vader, wel : deze is jullie vader. In zijn spirituele verbondenheid met de Vader is hij niet de enige zoon...

 

 

16

jezus heeft gezegd

ongetwijfeld denken de mensen dat ik gekomen ben

om de vrede op de wereld te werpen

en zij erkennen niet dat ik gekomen ben

om verdeeldheid op de aarde te werpen

het vuur het zwaard de strijd

want vijf zullen zijn in één huis

drie zullen zijn tegen twee en twee tegen drie

de vader tegen de zoon en de zoon tegen de vader

en monachos zij zullen opstaan

 

vergelijk: Mt 10, 34-36 - Lc 12, 51-53

 

 

Dit logion bevestigt de bedenking die we bij het vorige logion maakten. De uitnodiging van Jezus om het nieuwe in ons op te nemen leidt onvermijdelijk tot een innerlijk conflict, dat slechts een oplossing kan vinden in een doorgedreven en oprechte innerlijke zoektocht.

Die innerlijke strijd is een leidmotief dat in alle religies aanwezig is. Hij is het die in beeld wordt gebracht in de Bhagavad Gita. Arjuna, de edele krijger, heeft aan zijn verheven morele normen, aan zijn kennis van dharma, niet voldoende om tot een juiste beslissing in zijn innerlijke conflict te komen. Krishna, die het goddelijke in de mens belichaamt, onderricht hem omtrent de weg waarlangs het goddelijke zich in de mens kan openbaren. In de islam kennen we het begrip jihad, dat misbruikt wordt als een strijd tegen de “goddelozen” maar oorspronkelijk zou verwijzen naar een noodzakelijke innerlijke strijd. Ook de rituele handelingen van boeddhistische monniken, ons nu bekend als gevechtsmonniken, die in de zesde eeuw door Bodhidharma werden bedacht, zijn in wezen de expressie van een innerlijke strijd die iedere volgeling met zichzelf te voeren heeft.

De bijzondere gaven, waarvan hij getuigde, werden door de volgelingen van Jezus gezien in het licht van de bijbelse geschiedenis. Voor de ene was hij een profeet, voor de andere een Messias. Zo iemand zou de orde herstellen, vrede en vertrouwen geven aan de joodse gemeenschap en de komst van het koninkrijk van God voorbereiden. Die misvatting ontkracht Jezus hier. Het nieuwe waarvan hij getuigt is verstorend ! Wie zijn kennis in zich opneemt komt niet alleen in conflict met de bestaande religieuze orde en haar waarheden maar ook met zichzelf, met persoonlijke waarden en hierdoor ook met relationele banden.

Wie waarden loslaat, banden verbreekt, onthecht zich. Enerzijds is hij of zij bevrijd, anderzijds is conflict en vereenzaming de losprijs. De stam van monachos is monos en betekent alleen. Hiervan is het woord monnik is afgeleid. De begrippen onthecht, bevrijd en eenzaam liggen allen vervat in dit éne woord. Daarom is de vertaling ervan zo moeilijk. Op de weg die we te gaan hebben geeft het een kerngedachte weer, waar we later nog zullen op terugkomen. In essentie gaat het niet om een uiterlijk levenspatroon maar om een innerlijke ingesteldheid. Wie tot het juiste inzicht wil komen in zijn of haar verbondenheid met het hogere, de innerlijke levensbron, heeft zich te ontdoen van verslavende banden met het lagere, zich innerlijk vrij te maken, om te kunnen dienen zoals het zaad. Die ingesteldheid is het waarvan Jezus getuigt.

 

 

17

jezus heeft gezegd

ik zal jullie geven wat het oog niet heeft gezien

en wat het oor niet heeft gehoord

en wat de hand niet heeft geraakt

en wat het hart van de mens niet heeft beroerd

 

1 Kor 2, 9: “maar, zoals geschreven is: wat het oog niet heeft gezien, wat het oor niet heeft gehoord, wat het hart van de mens niet heeft beroerd, alles wat God heeft bereid voor hen die van Hem houden.”

Jes. 64, 3-4: “neen, geen oor heeft ooit gehoord, geen oog ooit gezien: een God, buiten u, die helpt, op u hoopt, vreugde bereidt voor wie gerechtigheid doet en uw wegen gedenkt”

 

 

Paulus levert hier het bewijs dat hij wel kennis had van uitspraken van Jezus. Enkel het naar zijn gevoel vermoedelijk te sensuele zinnetje : wat de hand niet heeft geraakt ontbreekt in zijn citaat. Maar, omdat hij niets met de “Jezus van vlees” -kata sarka - wou te maken hebben (2 Kor 5, 16), wel alles met de “gekruisigde én verrezen Christus”, versluiert hij diens uitspraak met de woorden: “zoals geschreven is”... Referenties naar de Schriften zijn overigens ver van overtuigend.

Wat kan ontvangen worden behoort noch tot het gebied van de emotionele of zintuiglijke beleving, noch tot dit van de mentale kennis Het is een ervaring van een andere orde waar het bewustzijn van de mens toegang kan toe hebben. De verrijking, die het gevolg is van de integratie van het lagere in het hogere, is echter geen spectaculair gebeuren maar een progressieve evolutie in het bewustzijn. Die ervaring is de vrucht die de monachos ontvangt op zijn of haar weg van onthechting.

 

 

18

de discipelen zeiden tot jezus

hoe zal ons einde zijn

jezus zei

hebben jullie dan het begin ontsluierd

zodat jullie zich bekommeren om het einde

want daar waar het begin is daar zal het einde zijn.

gelukkig wie zich zal vestigen in het begin

hij zal het einde kennen en de dood niet smaken

 

vergelijk: Mt 16, 28 - Mc 9, 1 - Lc 9, 27

 

 

In dit logion beantwoordt Jezus de beangstigde vraag van zijn discipelen, die ook de vraag is die vele mensen onrust inboezemt : wat zal er zijn na de dood ? Zijn antwoord brengt nochtans geen verheldering. Onze bezorgdheid moet zich immers niet richten naar wat er na een biologische dood zou kunnen zijn. Wel zou het onze bekommernis moeten zijn om aan dit leven hier en nu zijn optimale vervulling te geven.

Voor de zaaier ligt de vervulling in de oogst. De plaats van de oogst is daar waar hij zaaide, waar de eenheid van zaad en goede aarde werkelijkheid werd. Dit is de plaats van het begin, de plaats ook waar het kind van zeven dagen nog in verblijft. Die plaats heeft een absolute waarde en is dus tijdloos. Begin en einde, de zaaier en de maaier zijn één. (Joh 4, 35-36) Wie zich bewust is geworden van dit absolute draagvlak van het leven, de permanente levensbron binnenin iedere mens, heeft zijn of haar dienende opdracht erkend. In die erkenning ligt ook de finaliteit. In dit bewustzijn is elke bezorgdheid om het einde onbetekenend...

De weg van de mens is die van het zaad. In de terugkeer naar de goede aarde, het begin waarin het is ontstaan, moet het zaad ophouden zaad te zijn, zijn ikje loslaten, om in anonimiteit dienend te worden. Dit is de weg van de vervulling van het leven, waarin de finaliteit verbonden is met het begin : de terugkomst van de verloren zoon in het vaderhuis, zijn reïntegratie in het gezag van zijn vader.

 

 

19

jezus heeft gezegd

gelukkig hij die reeds was vooraleer hij werd

indien jullie mijn discipelen zijn en mijn woorden aanhoren

zullen deze stenen jullie dienen

voor jullie zijn er inderdaad vijf bomen in het paradijs

die niet bewegen in de zomer noch in de winter

en hun bladeren verliezen zij niet

wie hen zal erkennen zal de dood niet smaken

 

 

De absolute zijnswaarde, waarin ieder ik zijn bedding heeft, wordt in dit logion op een bijzondere manier bevestigd. Zoals met de leeuw van logion 7, worden we ook hier met een bijzondere beeldspraak geconfronteerd. Zijn dit authentieke woorden van Jezus of is het een fantasierijk beeld, eigen aan de gnostische gemeenschap die verantwoordelijk was voor de overdracht van dit evangelie ? Wat er ook van zij, we kunnen steeds een poging wagen om ook deze opmerkelijke beeldspraak te ontsluieren.

In deze wereld is alles onderworpen aan de “wet der veranderingen”. Vandaag is niets meer precies zoals het gisteren was. De wet, die het natuurlijke leven stuurt, die de evolutie en de harmonie in de natuur bepaalt, die ooit gesymboliseerd werd in de boom van kennis van goed en kwaad, die wet behoort geen Adam toe. Binnen die wet heeft niemand aan zichzelf iets toe te kennen ! De finaliteit van de mens is te dienen zoals het zaad.

Het beeld van het zaad brengt ons terug naar het begin. De hier en nu biologisch levende mens maakt deel uit van een absoluut levensconcept, waarvan hij slechts een tijdelijke exponent is. Het biologische leven is een tijdgebonden uitdrukking van een absoluut en dus tijdloos Zijn. Zoals over een bruikleen beschikken we tijdelijk over een eigen lichaam, een eigen identiteit, een bewustzijn van het eigen ik. Dit bewustzijn houdt de mogelijkheid in de realiteit van ons ik juist in te schatten, bewust te worden van de absolute bron waaruit we zijn ontstaan en waarmee we verbonden zijn. Die bron in onszelf erkennen en die verbondenheid als een bewuste ervaring beleven is een essentiële opdracht in dit leven. Van dit leven is tijdloosheid de basis. Wat in het tijdelijke werd, was - in potentie - in het tijdloze... In dit eenheidsbewustzijn ben ik opnieuw wat ik was : een tijdloos zijn in een tijdgemeten dimensie...

Een regendruppel ontstaat uit de oceaan, vervult zijn taak binnen de natuurlijke harmonie en keert vroeg of laat naar de oceaan terug. Hij was oceaan, werd druppel en opnieuw oceaan. Een mens is echter zoveel meer dan een regendruppel, zijn mogelijkheden zijn zoveel rijker, zijn opdracht is zoveel meer verheven. Alles staat hem ter beschikking om dit leven in volheid te ervaren en ervan te genieten : een regendruppel, een kluit aarde, een steen ook... De grond kan slechts goede aarde zijn, kan slechts vruchtbaar worden, indien de regendruppel deel heeft in de harmonie ! Binnen die wet heeft ook de mens dienend te zijn.

Wat zou het leven nu op aarde kunnen zijn, indien iedere mens in de oorspronkelijke harmonie zou zijn verbleven en dus zijn finaliteit juist zou hebben ingeschat...? Een paradijs wellicht ! De ervaring van onze vijf zintuigen - is dit misschien de symboliek van de vijf bomen ? - die ons met de “wereld der verschijnselen” verbindt, is afhankelijk van de toestand van het bewustzijn. De bron van dit bewustzijn is verheven boven alle fenomenen van verandering en vergankelijkheid, want gevestigd in een absoluut Zijn, zonder beweging of veranderlijkheid...

Sorry voor diegenen die in de tweede lijn van dit logion een bevestiging menen te zien van de wet van reïncarnatie. Kan de idee ooit in een ander lichaam in deze wereld te zijn verbleven - een veronderstelling die overigens niet de facto is uit te sluiten - evenwel van enige waarde zijn op de weg van zelfkennis...?

 

 

20

de discipelen zeiden tot jezus

zeg ons waaraan is het rijk der hemelen gelijkend

hij zei hen

het is gelijkend aan een mosterdzaad het kleinste van alle zaden

maar wanneer het in de bewerkte aarde valt verheft het een grote stengel

die bescherming biedt aan de vogels van de hemel

 

vergelijk: Mt 13, 31-32 - Mc 4, 30-32 - Lc 13, 18-19

 

 

De boodschap van Jezus is als een symfonie waarin diverse thema’s steeds opnieuw worden bespeeld. De verwachting van de komst van het koninkrijk in de joodse godsdienst is een reeds bekend verhaal. De discipelen hebben zich echter aan een nieuwe visie van die werkelijkheid aan te passen, wat niet evident is ! Een opmerkelijk detail toch : het zaad moet in de bewerkte aarde vallen.

Het bewustzijn van de mens is als een grond met een niet te overzien potentieel, die echter aan een grondige opknapbeurt toe is. Want de toestand waar het zich thans in bevindt is niet meer die van zijn oorspronkelijke zuiverheid. Schijnwaarden en waanvoorstellingen hebben het vergaand bezoedeld. Wat harmonisch was en hoorde te blijven is disharmonisch geworden. Voor die toestand is enkel de mens zelf verantwoordelijk. Daarom kan alleen hijzelf, dit betekent ieder voor zich, hieraan verhelpen. Bewust binnenin zichzelf de ploeg hanteren is daarom de boodschap.

In de laatste regel van dit logion wordt onze dienende verantwoordelijkheid beeldend uitgedrukt. Zoals het de opdracht is van alles wat groeit en bloeit binnen een natuurlijke harmonie, zo is het ook onze opdracht in dit leven te dienen. De eenheid van het hogere en het lagere kenmerkt zich door een integratie van de waarden van het hogere in het lagere.

 

 

21

mariam zei tot jezus

aan wie zijn jouw discipelen gelijkend

hij zei

zij gelijken aan jonge kinderen

die bezit namen van een veld dat hen niet toebehoort

wanneer de bezitters van het veld zullen komen

zullen zij zeggen laat ons het veld

in hun aanwezigheid ontdoen zij zich van hun klederen

die zij hen achterlaten en geven hen hun veld terug

daarom zeg ik dit

indien de heer des huizes weet dat de dief komt

zal hij waken vóór hij komt

en niet dulden dat hij zou inbreken in het huis van zijn rijk

en er zijn goederen zou wegnemen

jullie daarentegen wees waakzaam ten aanzien van de wereld

omgord jullie lenden stevig

zodat geen rover de weg naar jullie kan vinden

want de winst waar jullie naar uitzien zullen zij ontdekken

mag er binnenin jezelf een oplettend mens zijn

eens de vrucht rijp is hij snel gekomen

de sikkel in de hand heeft hij haar geplukt

wie oren heeft om te horen dat hij hoort

 

vergelijk: Mt 11, 16 en 24, 43-44 - Lc 7, 31-32 en 12, 39-40 - Mc 4, 29

 

 

In dit logion zijn twee onderscheiden delen te herkennen. Vermoedelijk betreft het hier twee verschillende uitspraken die werden samengebracht op grond van de analogie van het gebruikte beeld : de bezitters van een veld enerzijds, de bezitter van een huis anderzijds. In het eerste deel antwoordt Jezus op een vraag van Mariam, in het tweede spreekt hij zijn toehoorders aan met “jullie”. Klaarblijkelijk betreft het hier zijn discipelen.

Zo goed als zeker is Mariam Maria van Magdala, ons beter bekend als Maria Magdalena. Uit het evangelie van Fillipus en dit van Maria Magdalena zelf, die beide eveneens deel uitmaken van de vondst van Nag Hammadi, valt op te maken dat zij een bijzondere band met Jezus had. Door Fillipus wordt zij zelfs voorgesteld als zijn levensgezellin. Uit haar vraag is af te leiden dat zij zichzelf niet als een discipel beschouwt.

Voor de discipelen is het antwoord van Jezus weinig lovend. Zij gebruiken het veld, hun biologische entiteit, die zij in bruikleen ontvingen, om er spelend als kinderen van te genieten, niet vermoedend dat dit veld hen niet toebehoort. Wanneer de bezitters hun veld komen opeisen moeten zij het niet alleen afstaan, ook dit waarmee zij zich hebben “bekleed” moeten zij afleggen. Voor Jezus is het duidelijk dat de discipelen zich nog steeds niet bewust zijn van hun werkelijke opdracht. Hun zoektocht is niet eens begonnen...

Onze biologische entiteit, dit lichaam en het bewustzijn waarover we beschikking hebben, ontvangen we niet als een geschenk maar in bruikleen. Een geschenk behoort ons toe, een bruikleen hebben we terug te geven... Alles zal ons worden ontnomen, het fysische leven en alles waarmee we ons in dit leven hebben bekleed. Wat is de zin van dit bruikleen, wat zijn finaliteit...?

Het tweede deel van dit logion gaat over de bezitter van een huis, die een normale menselijke bezorgdheid heeft om zijn verworven goed voor inbraak te behoeden. Tot de discipelen, die niet geroepen zijn om aardse goederen te vergaren en dus ook geen huis te beschermen hebben, zegt Jezus : jullie, daarentegen, wees waakzaam ten aanzien van de wereld. Want de wereld is het gebied van de leeuw, waarin steeds de verleiding wenkt het eigen ik te betrekken in een machtsstrijd met anderen. Zij, die erop rekenen deel te hebben in het koningschap, moeten hun gebondenheid aan die wereld kunnen loslaten.

Het gaan van een weg van kennis omtrent onze innerlijke verbondenheid met een werkelijkheid, die van een hogere orde is, veronderstelt een groeiproces in het bewustzijn. Dit is een evolutief gebeuren waarbij enkel stap voor stap nieuwe inzichten zich kunnen ontwikkelen. Elk nieuw inzicht is als een stap die een volgende mogelijk maakt, als een vrucht die te plukken is. Ons onderscheidingsvermogen moeten we scherp houden om de vruchten met een absolute waarde te onderscheiden van deze die vergankelijk zijn. Hiervoor is het noodzakelijk, zoals de attente visser in logion 8, steeds alert te blijven. In dit beeld symboliseren de rovers wellicht onze egocentrische verlangens, die nog steeds in de ban zijn van de macht van de leeuw.

 

 

22

jezus zag kleintjes die zoogden

hij zei tot zijn discipelen

deze kleintjes die zogen gelijken aan hen die het koninkrijk binnengaan

zij zeiden hem

zullen wij dan als kleinen het koninkrijk binnengaan

jezus zei hen

wanneer jullie de twee één zullen maken

en het innerlijke als het uiterlijke en het uiterlijke als het innerlijke

en wat boven is als wat beneden is

zodat jullie het mannelijke en het vrouwelijke één maken

opdat het mannelijke zich niet mannelijk maakt

noch het vrouwelijke zich vrouwelijk maakt

wanneer jullie één oog zullen maken in de plaats van ogen(*)

en één hand in de plaats van handen(*)

en één voet in de plaats van voeten(*)

en één beeld in de plaats van beelden(*)

dan zullen jullie het rijk binnengaan

 

vergelijk: Mt 19, 13-14 - Mc 13, 15 - Lc 18, 15-17

2 Clem. 12, 2-6: “Inderdaad, de Heer zelf, ondervraagd over de komst van zijn rijk, zei: wanneer de twee één zullen zijn en het uiterlijke als het innerlijke en het mannelijke met het vrouwelijke, noch mannelijk noch vrouwelijk… wanneer jullie deze dingen zullen doen, zal het rijk van mijn Vader komen.”

 

 

De regels aangeduid met (*) werden, overeenkomstig de basisgedachte : wanneer jullie de twee één zullen maken, gecorrigeerd. De letterlijke vertaling is:

wanneer jullie ogen maken in de plaats van een oog

en een hand in de plaats van een hand

en een voet in de plaats van een voet

en een beeld in de plaats van een beeld

De verwarring bij de discipelen is totaal. Hoe zouden zij opnieuw klein kunnen worden !? De symboliek in het beeld van de zuigelingen is niet aan hen besteed. Zij beschouwen het beeld als een werkelijkheid en die valt niet te rijmen met hun joodse verwachtingen. De verbondenheid van het kind van zeven dagen met zijn levensbron is een beeld waarvan de zin hen ontgaat. De noodzakelijke terugkeer naar de eenheid, die was in het begin, is voor hun bewustzijn nog niet te vatten. Zullen zij ooit bevattelijk zijn...?

Het nieuwe begrip van het “koninkrijk”, als een leven dat bewust ervaren wordt vanuit zijn originele eenheid, behoort tot de essentie van de boodschap van Jezus. In het beeld van de eenheid van het zaad en de goede aarde vindt die realiteit een perfect symbolisme. Meer dan eens echter moet op eenzelfde nagel worden gehamerd wil die komen vast te zitten!

De correctie die we aanbrachten lijkt ons verantwoord. Jezus tracht hier immers het begrip “eenheid” letterlijk met handen en voeten duidelijk te maken: uiterlijk en innerlijk, beneden en boven, mannelijk en vrouwelijk... Ook in Mt. 6, 22 en Lc 11, 34-36 zegt Jezus : “Indien dus je oog enkelvoudig is, zal je lichaam verlicht zijn”. De vertaling van het Griekse haplous door helder en niet door één of enkelvoudig is zonder meer een foute vertaling ! Zo kunnen we vaststellen dat hier zowel de moderne vertaler als de koptische transcriptor, door twintig eeuwen gescheiden, in eenzelfde fout vervielen omwille van hetzelfde onbegrip...

Naar buiten toe zien we met twee ogen en herkennen we een indrukwekkende variatie aan kleuren. Voor een innerlijke gerichtheid zijn twee ogen overbodig. Wie kleuren onderscheidt, zonder het licht te kennen, kent enkel kleuren… Wie het licht kent, kent alle kleuren ! Filmbeelden, die op het scherm van ons bewustzijn verschijnen, zijn niet de ware werkelijkheid, enkel een projectie. In de duisternis van een filmzaal lijken zij nochtans, de tijd dat de vertoning duurt, de werkelijkheid te zijn...

Alles wat tot de manifeste werkelijkheid van deze wereld behoort, het uiterlijke, dit dat beneden is, drukt zich uit doorheen een samenspel van energie en materie en resulteert voor de mens in een ervaring van dualisme. Alles is er polair, elke eigenschap heeft er z’n tegengestelde of z’n complement : warm en koud, licht en duisternis, vreugde en verdriet, mannelijk en vrouwelijk, yin en yang... De unieke waarde, die onderliggend is aan die polariteit, is van een absolute orde en heet harmonie. Harmonie is één en beheerst alles, van het subatomaire tot het kosmische. Van die absolute waarde is de wet van karma, die elke verstoring van de harmonie brandmerkt, de behoeder. Wie, in bewustzijn, terugkeert naar de originele orde, naar de eenheid in de bron, overstijgt het fenomeen van dualisme.

Het beeld van de eenheid van het mannelijke en het vrouwelijke heeft aanleiding gegeven tot allerhande seksuele speculaties, zoals die van het hermafrodiete of het androgyne type. Van dergelijke interpretaties werd gretig gebruik gemaakt om dit evangelie en de ganse gnostische beleving in een troebele sfeer te plaatsen. Hoeveel eenvoudiger kan een interpretatie nochtans zijn... Het beeld van de eenheid van het zaad en de goede aarde is toegankelijk voor ieder die vertrouwd is met de landelijke natuur. Het beeld van de eenheid van het mannelijke en het vrouwelijke kan nu worden verwoord in het meer subtiele beeld van de eenheid van een zaadcel en een eicel aan de oorsprong van ieder menselijk leven. Noch is het de zaadcel, het mannelijke, noch de eicel, het vrouwelijke, die het leven voortbrengt... Uit hun eenheid ontspringt het leven spontaan !

Het begrip van de beeldspraak, het inzicht in de eenheid als de basis voor een spiritueel ontwaken in dit leven, is slechts een vertrekpunt om, vanuit die kennis, tot een bewuste ervaring te komen. De eenheidservaring kan zich immers niet beperken tot een mentaal proces, waarin het dualisme enkel rationeel wordt overstegen...

 

 

23

jezus heeft gezegd

ik zal jullie uitkiezen één uit duizend

en twee uit tienduizend

en één zijnde zullen zij opstaan

 

vergelijk: Mt 22, 14

 

 

In dit logion wordt de mathematische logica genegeerd. Maar met logica komen we in deze materie ook niet zover. De realiteit, waarvoor Jezus onze aandacht opeist, overstijgt zowel het gebied van het logische denken als dit van het emotionele voelen. Tot op een zekere hoogte is het rationele denken een kostbaar hulpmiddel, tot de limiet van het begrijpbare is bereikt. Hier voorbij rest ons enkel de persoonlijke ervaring van de weg die gegaan wordt. En daar gelden de regels van het lagere niet langer. De enige leidraad die ons dan rest is onze eigen kritische oprechtheid. Het nieuwe zou niet nieuw zijn indien er niet iets nieuw te beleven viel !

Het uitkiezen is niet op te vatten als een voorrecht dat iemand toevallig zou te beurt vallen maar als het gevolg van een erkenning. (even teruggaan naar logion 3) In een vorig logion erkende Jezus in Thomas de discipel die in bewustheid één met hem was. Daarom koos hij hem uit. Zichzelf als uitverkozen beschouwen is een hoogmoedig spelletje “wishful thinking”. Dit overkwam het joodse volk, het overkwam ook Paulus en in zijn spoor de katholieke Kerk. Nog steeds beschouwt zij immers zichzelf als de door de bruidegom Christus uitverkoren bruid... Evenmin als aan Paulus kan haar een overdadige nederigheid worden aangerekend.

 

 

24

zijn discipelen zeiden

leer ons de plaats waar jij bent

want voor ons is het noodzakelijk dat wij die zoeken

hij zei hen

hij die oren heeft dat hij hoort

er is licht binnenin een verlicht mens

en hij verlicht de hele wereld

indien hij niet verlicht is hij een duisternis

 

vergelijk: Jn 1, 38-39

 

 

Wisten de discipelen dan niet waar Jezus verbleef...? Soms missen we in dit evangelie de context waarin een uitspraak gedaan werd. Dit is hier zeker het geval. Vermoedelijk bevinden we ons in de situatie van hoofdstuk 14 in het Johannesevangelie. Hierin verwijst Jezus naar zijn verbondenheid met de Vader, naar het vaderhuis waar plaats is voor velen. Het was de bezorgdheid van Thomas de weg naar de Vader te kennen, terwijl Filippus het verzoek had : “toon ons de Vader”... Beiden hadden het verlangen deel te hebben in de ervaring van Jezus.

De komst van het koninkrijk is geen zintuiglijk te ervaren gebeurtenis. Daar waar Jezus zich ophoudt, de plaats van het leven, is evenmin een ruimtelijke locatie maar een innerlijke zijnstoestand. Dit behoort tot het nieuwe begrip van het koningschap... In bewustzijn is Jezus één met de bron. Wie één is met hem verblijft in de bron. Wie één is met de bron kan het water niet voor zich houden, het licht niet verborgen houden. Kennis is slechts zinvol indien zij dient, liefde slechts zinvol indien zij gegeven wordt... Het kenmerk van de ware discipel is dat hij of zij het innerlijke licht, dat ontvangen wordt, ook uitstraalt. Wie niet ontvankelijk is voor dit licht verblijft in de duisternis en kan ook niet verlichten...

 

 

25

jezus heeft gezegd

bemin je broeder als je innerlijke zelf

waak over hem als over je oogappel

 

vergelijk: Mt 22, 37-38 - Mc 12, 29-31 - Lc 10, 27

 

 

In dit leven zijn we allen kinderen van dezelfde Vader en dus broeders en zusters van elkaar. Uiteraard verschillen we genetisch, werden we ook verschillend beïnvloed door een opvoeding, een cultuur, door ethische of godsdienstige overtuigingen van anderen. Die relatieve verschillen overstijgen en onze aandacht toespitsen op die éne realiteit, waarin we allen op eenzelfde wijze verbonden zijn met een absolute levenswet, dit is de uitdaging die we met z’n allen delen. Onze opdracht is het, zoals alle celletjes in ons lichaam, samen te leven in harmonie. Dit houdt in dat we allen ook verantwoordelijk zijn voor elkaar.

“Hieraan zullen allen erkennen dat jullie mijn discipelen zijn: indien jullie elkaar liefhebben.” (Joh. 13, 35). Zoals de naïeve apostelen dachten opnieuw klein te moeten worden om toegang te hebben tot het koninkrijk, zo denken velen nog steeds dat het volstaat het gebod van naastenliefde na te volgen om hun ticket voor het eeuwig leven veilig te stellen. Uiteraard is de bezorgdheid voor anderen een essentiële ingesteldheid in de uitdrukking van de harmonie. Toch is zij niet het middel waarmee een ingebeeld doel - het koninkrijk - kan worden bereikt.

Liefde is de vrucht van de verbondenheid met een bron, waaruit we de mogelijkheid ontvangen om lief te hebben. Aan zichzelf de verdienste van goedheid toekennen is niet zinvol, want alles wat we in liefde kunnen geven ontvangen we. Onze voornaamste opdracht zal er daarom in bestaan de verbondenheid met die bron in onszelf te verankeren. In het bewustzijn van een integratie in de wet van harmonie, van het deel hebben in het koningschap van de Vader, ligt de dienende verantwoordelijkheid van ieder mensenkind.

In het christendom werd vooral het gebod van naastenliefde als de essentie van de goede boodschap weerhouden. In dit evangelie blijkt echter zo vaak hoeveel dieper de woorden van Jezus ons bewustzijn doorploegen. Harmonie is de absolute waarde die aan de oorsprong ligt van elke levensuiting. Harmonie in voelen is liefde, harmonie in denken is intelligentie. Hoewel beide, liefde en intelligentie, symbolische met een verschillende bron worden geassocieerd - het hart en het hoofd - toch ontspringen zij in hetzelfde bewustzijn. Juist handelen doet evenzeer beroep op goedheid als op intelligentie. Kennis gebruiken zonder een ingesteldheid van goedheid is even zinloos als goed willen zijn zonder een juiste kennis te bezitten. Elk individueel bewustzijn kan de juiste inspiratie ontvangen om beide harmonisch te beleven.

Ieder ikje ontspringt op eenzelfde wijze uit een absolute levensbron en is dus even waardevol. De waarde die iedere persoon aan zijn ik toekent is afhankelijk van de eigen psyche. Die ik-waarde kunnen relativeren binnen een universele broederschap maakt het mogelijk in iedere mens, man of vrouw, blank of donker, jood, palestijn of christen, een volwaardig mensenkind te erkennen. Discriminatie hoort niet bij harmonie !

 

 

26

jezus heeft gezegd

het strootje in het oog van je broeder zie je

maar de balk in je eigen oog zie je niet

wanneer je de balk uit je oog zult verwijderd hebben

dan zal je zien

om het strootje uit het oog van je broeder te verwijderen

 

vergelijk: Mt 7, 3-5 en Lc 6, 41-42

 

 

Omdat leven in harmonie de finaliteit van dit leven is, verlangt iedere mens ernaar gelukkig te zijn. Maar de wetten van het lagere, de spelregels die door de mens zelf werden bedacht, eisen ons op om onze eigen ambities waar te maken, onze eigenwaarde steeds weer te bewijzen en de confrontatie met anderen aan te gaan.

Sinds de mens van één twee maakte en zolang hij zijn oorspronkelijke verbondenheid niet opnieuw erkent, zal het lagere gescheiden blijven van het licht van het hogere. In het lagere geldt de wet van de leeuw en is het dus belangrijk de zwakheden van een andere te kennen om er munt te kunnen uit slaan ! Onze kritische aandacht gaat daarom zoveel vlotter naar de gebreken van anderen dan naar de eigen tekorten. Ook hier zijn we toe aan een ommekeer in onze ingesteldheid.

Het vertrekpunt van die ommekeer is een oprechte zelfbeschouwing. Met welke waarden heb ik mezelf bekleed ? Waarin berusten de kennis, de macht en de rechten die ik aan mezelf toeken ? Van welke verwarring ben ik het slachtoffer geworden ? Oprechtheid is het meest doeltreffende wapen tegen de hoogmoed die ons voortdurend belaagt, het middel waardoor wij ons bewust kunnen worden van de balk in het eigen oog, die ons belet te zien.

Binnen de wet van harmonie is geen ruimte voor beoordeling of discriminatie, want allen zijn we op een evenwaardige wijze kind van dezelfde Vader. Ook al gaat iemand zwaar in de fout, nooit kan de achtergrond van zijn of haar daden door een ander juist worden ingeschat. De vaststelling van een fout bij een medemens kan nooit een aanleiding zijn om over de mens zelf een oordeel uit te spreken.

“Z’n vijand liefhebben” is een uitspraak die niet aan Jezus kan worden toegekend... Want voorafgaand aan de erkenning van iemand als z’n vijand ligt een beoordeling. Hierin onderscheidt zich het boeddhistische begrip mededogen : bij onbegrip voor een andere hoort het begrip te hebben voor het eigen onbegrip... Een blinde kan je niet verwijten tegen je aan te lopen...  tenzij je zelf blind bent...

 

 

27

indien jullie niet vasten ten aanzien van de wereld

zullen jullie het koninkrijk niet ontdekken

indien jullie niet van de sabbat de sabbat maken

zullen jullie de vader niet zien

 

 

Opnieuw heeft Jezus het over traditionele praktijken uit de joodse godsdienst. Zijn afwijzende houding ten aanzien van die rituelen is ons reeds bekend. Wat is er dan wel fout mee ? Zowel het vasten als de sabbat verwijzen naar een onthouding, maar beide rituelen werden van hun oorspronkelijke betekenis gescheiden. Het vasten is meer dan een zich tijdelijk onthouden van een traditionele voeding, de sabbat meer dan een wekelijks ritueel, waarbij de aandacht van de geest wordt onttrokken aan dagelijkse bekommernissen, om zich te richten naar “God”.

In logion 21 gaf Jezus aan zijn discipelen de waarschuwing mee waakzaam te zijn ten aanzien van de wereld. Hier gaat hij een stapje verder en heeft hij het over vasten ten aanzien van de wereld. Dit vasten is geen tijdgebonden ritueel maar een blijvende ingesteldheid ! Willen we de confrontatie met de leeuw uit logion 7 uit de weg gaan, dan is het noodzakelijk geen aandacht te besteden aan die waarden, die de wetten van de leeuw voorstaan. Vasten ten aanzien van de wereld betekent niet de wereld de rug toe keren maar zich onthouden van elke betrokkenheid bij de doelstellingen die in het lagere worden voorgehouden. Aandacht hebben voor een juiste voeding is zeker een zinvolle ingesteldheid. Zich gedurende een beperkte periode bepaalde leef- en voedingsregels opleggen, omwille van een “goddelijke” wet, is echter niet zinvol. Wie zich juist voedt behoeft geen vasten ! Ook hier geldt de wet van harmonie.

Eenzelfde gedachtegang kan gevolgd worden voor de sabbat. Bij de ware sabbat horen geen regels die door mensen werden verzonnen. De aandacht voor het hogere kan zich niet beperken tot het wekelijks volgen van een verheffend ritueel. Zo’n ritueel kan weliswaar zinvol zijn, als een hulp om een juiste ingesteldheid levendig te houden, maar niet als een dwingend middel om zich een toegang tot het koninkrijk te verzekeren. Een gerichtheid één dag op zeven naar God, al was het maar de duur van een ritueel, kan nooit als compensatie gelden voor een aardse betrokkenheid gedurende de zes resterende dagen ! Het bewustzijn van een verbondenheid met een bron van hogere levenswaarden hoort een blijvende ingesteldheid te zijn. Dit gaat automatisch gepaard met het loslaten van schijnwaarden uit het lagere. Inhoudelijk zijn het vasten en de sabbat dus niet van elkaar te scheiden.

Het zien van de vader moet uiteraard figuurlijk worden begrepen als het zich bewust worden van een verbondenheid met die realiteit, waarvoor Jezus het beeld van een vader gebruikt. De zintuiglijke ervaringen zien en horen symboliseren in dit evangelie vrijwel steeds het verwerven van inzicht.

 

 

28

jezus heeft gezegd

midden de wereld ben ik opgestaan

en in vlees ben ik hen verschenen

allen heb ik dronken gevonden

onder hen vond ik niemand die dorstig was

en in mijn innerlijke zelf (psychè) had ik pijn omwille van de mensenkinderen

want blind zijn zij in hun hart

en zij zien niet dat zij leeg in de wereld zijn gekomen

en dat zij ook zoeken leeg de wereld te verlaten

ware het niet dat zij nu bedronken zijn

wanneer zij hun wijn zullen hebben uitgebraakt

pas dan zullen zij hun ingesteldheid veranderen

 

 

De vaststelling die Jezus hier maakt is vernietigend voor zijn medemensen... Wat is de zin van een bron indien er niemand is die dorstig is ? De mens is zich niet meer bewust noch van zijn oorsprong, noch van zijn finaliteit. In zijn zelfbewustzijn heeft hij zich bedronken...

Het fysieke lichaam, dat mij werd toevertrouwd en zovele mogelijkheden inhoudt, is een waardevolle maar dienende entiteit. Toch beschouw ik mezelf als de fiere bezitter ervan. Zoals de spelende bengels bezit namen van hun veld, zo ben ik de hautaine eigenaar van mijn lichaam geworden en leef ik nu in de illusie de enige meester te zijn van wat ik kan, bezit en vermeen te weten. Ik ben dronken geworden ! Van de werkelijke bron van mijn mogelijkheden heb ik mij afgescheiden. Van die illusie zal ook het kind van zeven dagen, dat zich wel nog leeg in de oorspronkelijke harmonie met zijn levensbron bevindt, snel het slachtoffer worden. Want dit behoort zijn nu eenmaal tot de regels van het lagere, waar de leeuw het voor het zeggen heeft.

Zoals de goede aarde voor het zaad én zijn oorsprong is én zijn finaliteit, zo zijn beide ook voor de mens één. In het herstel van de eenheid met zijn bron ligt voor hem zijn finaliteit : zelf bron zijn. De mens heeft te dienen als een beker. Een beker kan slechts dienen indien hij leeg is. Pas dan kan hij zich laten vullen door het water uit de bron en, zoals de bron zelf, dienend zijn. Wie tot een juiste zelfkennis is gekomen, kan de toestand van dronkenschap in zichzelf erkennen, de wijn uitbraken en opnieuw leeg worden.

Enkel doorheen een innerlijke zuivering kan een weg van verlossing worden gegaan. Die weg kan niemand voor een ander gaan, noch Krishna, noch Boeddha en ook Jezus niet...

 

 

29

jezus heeft gezegd

indien het vlees is geworden door de Geest

is dit een wonder

indien daarentegen de Geest door het lichaam

is dit het wonder der wonderen

maar ik ben in verwondering over dit

hoe die grote rijkdom is verbleven in die armoede

 

44

jezus heeft gezegd

wie de vader beledigt hem zal vergeven worden

en wie de zoon beledigt hem  zal vergeven worden

wie daarentegen de zuivere Geest beledigt

hem zal niet vergeven worden

noch op aarde noch in de hemel

 

vergelijk: Mt 12, 31-32 - Mc 3, 28-29 - Lc 12, 10

 

 

Voor het eerst brachten we twee logia samen omdat we in beide kennis maken met een nieuw en belangrijk begrip : pneuma, de Geest. Uitzonderlijk gebruiken we hier een hoofdletter om een onderscheid te maken met de menselijke geest : de leidinggevende inspirator, die we binnenin onszelf ervaren als een ego-gebonden component. Uit logion 44 blijkt inderdaad hoe bijzonder de Geest wel is : wie de Geest beledigt begaat een niet te vergeven fout ! Dit is niet het geval noch voor een belediging van de Vader, noch voor die van de zoon.

In logion 29 wordt de relatie toegelicht tussen het vlees (sarks in lijn 2) of het lichaam (soma in lijn 4) en de Geest (pneuma), een relatie die we ook terugvinden in de proloog van het Johannesevangelie: “en het woord (de geest) is vlees geworden”.

Traditioneel wordt in het christendom het goddelijke voorgesteld als een drie-eenheid : God de Vader, Christus als zijn enige zoon en de H.Geest, de goddelijke inspirator van de mens. Zij zijn onderscheiden en toch één. Dit wordt een mysterie genoemd. Het woord mysterie klinkt als een verbloeming voor de pretentie die de mens ertoe bracht een structuur voor het goddelijke te verzinnen. In die structuur wordt de mens Jezus verheven tot een goddelijk wezen, ondanks het feit dat hij zichzelf nooit expliciet als een zoon van God kenbaar maakte. Zij die meenden in hem een zoon van God te erkennen - wat die uitdrukking toen ook mocht betekenen - wees hij overigens met een vermanende vinger terug. (Lc 4, 41 - Mc 3, 12) Toch werd dit het fatale lot van een mens die zich van zijn innerlijke verbondenheid met het goddelijke bewust was geworden. Het goddelijke en het menselijke hoorden immers gescheiden te blijven...

Het nieuwe inzicht in de drie-eenheid houdt in dat de verbondenheid, waarvan Jezus getuigt, tot het wezen van iedere mens behoort. Iedere mens is, in een spirituele verbondenheid, kind van de Vader. Het bewustzijn van die verbondenheid maakt het verschil uit tussen leven en dood. Maar hoe kan een mens zich bewust worden verbonden te zijn met “iets”, dat niet door zijn bewustzijn kan gekend zijn...?

In het scheppingsverhaal, dat verwoord werd in de proloog van het Johannesevangelie, speelt het “woord” een bijzondere rol. Vóór het begin was het bij God, in het woord is het leven, het is het licht dat in de schepping kwam, waardoor de schepping is ontstaan en dat nog steeds in de schepping verblijft. Maar de schepping erkende het niet. Aan hen, die het ontvangen, geeft het de mogelijkheid kinderen van God te worden...

Vóór het begin was “niet iets”, noch tijd noch ruimte, enkel leegte : het niet-manifeste absolute en onberoerde Zijn. In die leegte ligt het totale potentieel van de gehele schepping besloten. Het “woord” symboliseert de initiële vibratie. Vibratie veronderstelt tijd, ruimte en energie. Het verbeeldt de expressie van het absolute Zijn, de manifestatie van het niet-manifeste, waardoor de ganse schepping en dus ook de mens geworden is. In het Oosten wordt die initiële impuls uitgedrukt in de universele mantra “Aum”. Het woord was niet alleen in het begin, het is er nog steeds, op ieder ogenblik. Maar de mens erkent het niet. Toch kan de mens het erkennen, want hij kan ontvankelijk worden voor het “woord”, het innerlijke licht. In die ervaring ligt het bewustzijn kind van de Vader te zijn.

Het “woord” symboliseert de Geest, de Spiritus. Door de Geest is de schepping en dus ook de mens geworden. Hij verblijft in de schepping en dus ook in de mens, voor wie hij kenbaar want te ervaren is. Het absolute in zijn niet-manifeste aspect, de Vader, is niet kenbaar. Geen woord, geen beeld kan “het” bevatten. Elke voorstelling ervan behoort tot een virtuele realiteit ! De Geest is het zichzelf uitdrukkende aspect van de Vader. Daarom is de Geest wel een te ervaren realiteit. Hij is de spirituele brug, die de mens met zijn absolute bron verbindt. De mensenzoon is het sluitstuk in de schepping. Wat hij voortdurend door de Geest ontvangt, heeft hij volgens Zijn wet van harmonie uit te drukken.

De drie-eenheid is niet de eigenschap die ooit door de mens aan het goddelijke werd toegekend maar een zijnswaarde die binnenin iedere mens blijvend aanwezig is. Door de Geest kan de mens zich bewust worden van zijn verbondenheid met zijn absolute levensbron. In het beeld van een bron vindt de eenheid van Vader en Geest een verhelderende symboliek. Een bron is een leegte waaruit water te voorschijn komt. De bron is noch de leegte noch het water maar beide in eenheid verenigd : zonder leegte geen water, zonder water geen bron... De leegte is niet te ervaren, wel te ervaren is het water... Maar wat is de zin van een bron indien er niemand is die dorstig is, niemand in wie of door wie het water tot “leven” kan worden ? Dit nu is de finaliteit van de mens : in eenheid met de bron dienend zijn zoals de bron zelf dienend is. Dit is het inzicht in de drie-eenheid dat behoort tot het nieuwe.

De interpretatie van logion 29 is zeker niet eenvoudig. In het licht van het nieuwe inzicht in de drie-eenheid trachten we de inhoud ervan enigszins anders te verwoorden :

Indien de Geest de oorsprong is van het vlees, de bezielde mens, is dit een wonder : het wonder van de schepping van het biologische leven. Indien echter het lichaam, dat in de duisternis van de onwetendheid verkeert, de mogelijkheid bezit zich bewust te worden van de Geest, is dit een nog veel groter wonder...

Het is het wonder van het biologische leven dat de Geest de oorsprong is van “het vlees”. Het grootste wonder is evenwel dat het lichaam, de materiële basis van het bewustzijn, de Geest kan erkennen en hierdoor tot “leven” kan komen. Dit is de nieuwe geboorte ! Het onderscheid dat hier gemaakt wordt tussen sarks (lijn 2) en soma (lijn 4) is heel subtiel ! Sarks refereert aan het “bezielde lichaam”, de eenheid van psychè en soma. Wil de mens zich opnieuw bewust worden van zijn oorspronkelijke verbondenheid, dan heeft zijn bezielde lichaam leeg te worden (zie vorig logion). Dit betekent dat de psyche tot stilte, tot rust moet komen. Wat dan nog rest zijn de niet meer “bezielde” structuren van sarks : soma, het lichaam. Het personeel heeft de burelen verlaten, de deur werd gesloten, binnenin heerst enkel stilte, rust... Rust is het uitgelezen middel waardoor de psyche zich kan uitzuiveren. Door die zuivering zal de Geest zich doorheen de psyche optimaler kunnen reveleren.

De Geest is de grootste rijkdom die ons ter beschikking staat, want de “drager” van het gehele levenspotentieel. Hij is het water waardoor de bron erkend kan worden. Het is de Geest die de harmonie in de ganse natuur onderhoudt, die alle mogelijkheden van lichaam en psyche blijvend ondersteunt, die ook het licht is dat in zich kennis en inzicht draagt. Toch wordt hij door de mens miskend. Hierdoor leeft de mens nog steeds in de duisternis van de gescheidenheid...

wie de Vader beledigt, beledigt “niet iets”, schiet een pijl af in de leegte...

wie de zoon beledigt, beledigt zichzelf, wat slechts domheid is...

maar wie, door miskenning, de Geest beledigt, miskent dit wat het leven in zich draagt.

We zijn hier ver verwijderd van het dualisme van lichaam en geest, dat algemeen als het kenmerk geldt voor de gnostische visie. Ver verwijderd ook van de dualistische visie van Paulus, die verkondigde :

Vlees en bloed kunnen niet deel hebben in het koninkrijk van God en het vergankelijke heeft geen aandeel in de onvergankelijkheid.  (1 Kor 15, 50)

 

 

30

jezus heeft gezegd

daar waar drie goden zijn daar zijn ze goden

daar waar er twee zijn of één ben ik met hem

 

 

Wanneer de joden Jezus in absolute bewoordingen hoorden spreken over “zijn vader”, begrepen zij dat hij hun God Jaweh bedoelde. Maar zich de zoon van Jaweh noemen kon niet. Dit was godslastering ! Geen mens kan zich immers beroepen op een directe goddelijke afkomst. Een misverstand met ernstige gevolgen zoals zou blijken. Over dit essentiële godsbegrip ondervroegen zij hem dus.

Opnieuw is zijn antwoord verstorend ! Dat drie goden, goden zijn is zonder meer duidelijk. Maar spreken van twee of één, waar hij mee verbonden is... Eens te meer worden we hier voor een raadsel geplaatst. Hoe kan het absolute, gesymboliseerd in het woord God, worden opgesplitst zodat er twee zijn ? Het absolute kan toch niet deelbaar zijn... En toch...

Wanneer Jezus, om te getuigen van zijn innerlijke verbondenheid met een absolute Zijnswaarde, het beeld van een vader gebruikt is dit beeld enkelvoudig. Zo is het ook wanneer hij, zoals in logion 74, gebruik maakt van het beeld van een bron. Wanneer we echter in een bron de leegte en het water onderscheiden als symbolen voor de Vader en de Geest (zie commentaar bij vorig logion), is het beeld niet meer enkelvoudig maar tweevoudig... Geen twee evenwel als een onmogelijke deelbaarheid van één, maar als twee onderscheiden aspecten van één Zijn : het tijdloze onberoerde Zijn en het zich uitdrukkende Zijn. In geleerde bewoordingen noemt men dit het transcendente en immanente aspect van God. Met die werkelijkheid is Jezus ver-enigd : ik ben met hem.

Zo geeft hij uitdrukking aan zijn bewustzijn van verbondenheid, van eenheid met een absolute Zijnswaarde. Dit houdt echter niet in dat hij zich met die Zijnswaarde identificeert ! De zoon en de vader zijn één maar niet identiek... Ook het kind van zeven dagen verblijft nog steeds in de eenheid met zijn levensbron... Eenheid en identificatie zijn twee verschillende begrippen... Jezus verheft zich hier niet tot een goddelijke status !

Omdat de twee-eenheid van Vader en Geest beschouwd werd als de oorsprong zelf van het leven, lag het als het ware voor de hand de menselijke begrippen mannelijk en vrouwelijk op het goddelijke te projecteren. Zo wordt de Geest - ruah in het hebreeuws is vrouwelijk - in diverse gnostische geschriften voorgesteld als de Moeder naast de Vader.

Per definitie is het absolute niet te vatten door het relatieve. We kunnen dus enkel pogen het te benaderen met behulp van beelden, waarin ons analytische vermogen opsplitst wat in werkelijkheid één is. Essentieel bij de interpretatie van een beeldspraak is zich steeds bewust te zijn van de functie van het beeld als middel. Nooit echter kan het beeld verward worden met de werkelijkheid die erdoor benaderd wordt.

Zoals Geest en Vader één zijn, zo is ook het mensenkind één met de bron. Want de mogelijkheden, die de mens in zichzelf ervaart en die hij zo graag aan zichzelf toekent, ontvangt hij door de Geest van de Vader. Omdat de schepping bestaat, bestaat ook de mens en omdat de mens bestaat, bestaat het begrip “God”. Vooraleer de mens op aarde verscheen, was alles één : het geschapene en het scheppende, het lagere en het hogere. Door de mens werden beide gescheiden in natuur en bovennatuur. Het is de zin van de religieuze weg het inzicht in de originele verbondenheid opnieuw in het bewustzijn te integreren.

 

 

31

jezus heeft gezegd

een profeet wordt niet aanvaard in zijn dorp

een therapeut verzorgt niet hen die hem kennen

 

vergelijk: Mt 13, 57-58 - Mc 6, 4-5 - Lc 4, 23-24 - Jn 4, 44

 

 

Het is de opdracht van een profeet een juiste religieuze kennis te brengen omtrent de verbondenheid van het lagere met het hogere. Van een therapeut is het de taak een verstoorde lichamelijke of psychische harmonie te herstellen. Jezus is een therapeut in wie beide opdrachten verenigd zijn. Uit logion 14 blijkt dat dit ook de opdracht is van zijn discipelen. Zowel vermeende kennis als ziekte of lijden zijn symptomen van een verstoorde innerlijke harmonie. Zijn kennis is holistisch, want zij ontspringt uit de eenheid.

Wellicht is deze uitspraak ingegeven door de eigen ervaring van Jezus. Als jood heeft hijzelf de begrenzingen van zijn cultuur moeten overstijgen om tot de religieuze inzichten te komen die nu de zijne zijn. Vertrouwde mensen in dit nieuwe bewustzijn deelachtig maken is geen eenvoudige opdracht ! Voor vreemde geluiden hebben we nu eenmaal meer ontzag dan voor vertrouwde stemmen... Ook voor ons geldt dat Jezus ons zoveel meer nabij is dan Boeddha. Toch zullen zijn vernieuwende inzichten in dit evangelie op heel wat minder luisterbereidheid kunnen rekenen dan de weliswaar vaak boeiende woorden van een Dalai Lama...

 

 

32

jezus heeft gezegd

een stad die gebouwd werd op een hoge berg en sterk is

noch kan zij worden ingenomen

noch kan zij verborgen blijven

 

33

jezus heeft gezegd

dit dat je met je oor zult horen

met het andere oor schreeuw het uit over de daken

er is toch niemand die een olielamp aansteekt

en haar onder een struik plaatst of haar verbergt

maar de lamp wordt op een staander geplaatst

zodat ieder die binnenkomt of naar buiten gaat haar licht kan zien

 

vergelijk: Mt 5, 14-16 - 7, 24-27 en 10, 27 - Lc 6, 47-49 - 8, 16 - 11, 33 - 12, 3 - Mc 4, 21

 

 

In beide logia tracht Jezus, met een niet verdoken enthoesiasme, de waarde van de rijkdom die hij in zichzelf ervaart beeldend voor te stellen. De kracht die hij uit zijn innerlijke bron ontvangt vergelijkt hij met een versterkte stad. Elk nieuw inzicht, dat een mens in zichzelf uit het hogere kan verwerven, ook al is hij nog ver van zijn einddoel verwijderd, heeft een absolute waarde. Het is een rijkdom die niet door anderen kan worden ingenomen, tenzij door het eigen falen. (zie logion 35) Zoals het licht van een lamp kan het ook niet verborgen blijven, want het draagt in zich een kracht die in staat is duisternis te verdrijven.

Het beeld van een versterkte stad roept spontaan de gedachte op aan macht. Ook begrippen als rijkdom en kracht bezitten die co-notatie. Licht daarentegen associëren we niet met macht ! Omdat het licht de uitdrukking is van een absolute wet - een versterkte stad is daarentegen mensenwerk - kan het enkel dienend zijn en dus nooit een bron zijn van macht, tenzij het door de mens wordt misbruikt. Zoals het licht, zo hoort elke juiste kennis dienend te zijn. De vrucht van een dienende kennis is gezag, nooit macht !

 

 

34

jezus heeft gezegd

indien een blinde een andere blinde leidt

vallen zij beiden in een put

 

vergelijk: Mt 15, 14 - Lc 6, 19

 

 

Zolang een mens geen kennis heeft van zijn ware natuur, zolang hij in bewustzijn gescheiden blijft van het licht uit zijn innerlijke bron, verkeert hij in een duisternis die ook armoede is. Daarom is lijden zijn dagelijkse partner. Het is niet de finaliteit van de mens te lijden noch in de duisternis te verblijven. Zoals hij beschikt over twee ogen om naar buiten te zien, zo kan hij ook de aandacht van zijn geest naar binnen richten en vaststellen dat hieruit een ander licht straalt, dat niet met twee ogen te ervaren is. De ontvankelijkheid voor dit licht bepaalt wie blind is en wie niet.

Leiders volgen die in de mening verkeren in de duisternis de weg te kennen is niet zinvol. Velen denken nochtans de waarheid in pacht te hebben en voelen zich geroepen om als een lichtbaken te fungeren. Zolang we zelf in de duisternis verblijven, zijn we niet in staat een onderscheid te maken tussen een blinde en een ziende ! Wie in zichzelf zijn of haar gerichtheid wijzigt en het innerlijke licht ervaart, heeft geen behoefte meer aan blinde leiders.

In het evangelie van Fillipus, dat eerder reeds werd aangehaald (zie logion 21), lezen we deze merkwaardige uitspraak van Jezus. Wanneer de discipelen hem het verwijt maken meer te houden van Maria Magdalena dan van hen - want hij kuste haar vaak - antwoordt hij hen : wel, indien een blinde en een ziende samen in de duisternis verblijven, verschillen zij niet van elkaar. Maar wanneer het licht komt zal de ziende zien en de blinde in de duisternis blijven...

 

 

35

jezus heeft gezegd

het is niet mogelijk dat iemand met geweld

het huis van een sterke man binnenvalt

tenzij hij hem de handen boeit

pas dan zal hij zijn huis door elkaar halen

 

vergelijk: Mt 12, 29 - Mc 3, 27 - Lc 11, 21-22

 

 

Logion 21 bevatte reeds een aanmaning tot waakzaamheid. Die waarschuwing herhaalt zich hier. Wat we uit het hogere kunnen ontvangen heeft weliswaar een absolute waarde, die ons sterkte geeft, toch blijven we steeds mensen van vlees en bloed. Verleidingen uit het lagere zijn nooit ver weg, onze zwakheden evenmin. Met beide ogen zien we zovele schitteringen, die in schijn het innerlijke licht tijdelijk kunnen overtreffen. Zo laat de sterke zich door schijnwaarden toch beetnemen, laat hij of zij zich de handen boeien

De vijand die we het meest te vrezen hebben, die onze verworven vrijheid opnieuw aan banden kan leggen, onze innerlijke harmonie grondig kan verstoren, is tenslotte ons eigen ikje en zijn egocentrische verlangens. Wie aan het lagere gebonden is stelt het juist op prijs die verlangens waar te maken. Dit betekent pas vrijheid ! Maar wie zoekt zichzelf te dienen verslaaft zich, want egocentrische verlangens verkeren steeds in de ban van de leeuw en verlangen daarom steeds meer...

Het behoort tot een natuurlijk proces dat onze verlangens de inhoud van onze wil inkleuren en zo de gerichtheid van ons handelen bepalen. “Leven zonder verlangens” als een ideaal beschouwen, berust op een foute inschatting van oosterse wijsheden. Wat wel tot onze opdracht behoort is de gerichtheid van onze verlangens te wijzigen. Onze sterkte en onze vrijheid liggen niet in het dominante maar in het dienende ik... Ook die ommekeer behoort tot het nieuwe. Het leven is geen “self service”...

 

 

36

jezus heeft gezegd

wees niet bezorgd van de ochtend tot de avond

en van de avond tot de ochtend

om wat jullie zullen aantrekken

 

vergelijk: Mt 6, 25 en volg. - Lc 12, 22 en volg.

 

 

Dit logion sluit aan zowel bij het vorige als bij het volgende. De bezorgdheid om wat we zullen aantrekken, om dit waarmee we ons in dit leven “bekleden”, is een zinloze bezorgdheid. Uiteraard zijn de klederen niet letterlijk op te vatten. Zij symboliseren alle relatieve waarden, waardoor we onszelf in de ogen van anderen belangrijk kunnen maken. IJdelheid, de bezorgdheid om het eigen imago, is er slechts één van.

Dit logion houdt echter geen veroordeling in van de aandacht die we aan zovele relatieve waarden kunnen schenken. Zij maken immers deel uit van de rijkdom, die dit leven aangenaam en mooi kan maken. Hiervan genieten hoort bij het beleven ! De wet van het leven is evenwel een wet van harmonie en dus van maat. Van de ochtend tot de avond en van de avond tot de ochtend is mateloos... Hoe maak ik gebruik van de tijd en het onderscheidingsvermogen die mij ter beschikking staan ?

 

 

37

de discipelen zeiden

welke dag zal je ons verschijnen en welke dag zullen wij je zien

jezus zei

wanneer jullie zich hebben ontdaan van jullie schroom

en jullie klederen hebben genomen

ze aan jullie voeten hebben neergelegd en vertrappeld

zoals de kleine kinderen doen

dan zullen jullie de zoon zien van hem die levend is

en jullie zullen niet vrezen

 

 

Blijkbaar verkeren de discipelen in de verwachting dat Jezus hen op een dag, nadat hij hen heeft verlaten, (zie logion 12) opnieuw zal verschijnen. Die hoop is slechts een illusie (zie volgend logion), zoals ook de messiaanse verwachting een droom is die deel uitmaakt van een religieus concept, waarin het joodse volk zichzelf beschouwt als door Jaweh uitverkozen. Met die ijdele gedachte heeft een gans volk zich bekleed… Ook religieuze voorstellingen, waarin onze onwetendheid werd verhuld, behoren tot onze klederdracht…

De ommekeer die Jezus zijn discipelen voorhoudt is radicaal. Schijnwaarden moeten worden ingeruild voor een reële zoektocht naar de zoon van hem die levend is. De term “mensenzoon” werd in het christelijke geloof voorbehouden voor de Christus. De zoon zien van hem die levend is betekent niet enkel Jezus erkennen als een bewust geworden mensenkind maar ook en vooral die potentiële hoedanigheid in zichzelf erkennen. Hiervoor is het evenwel noodzakelijk dat we, zoals het kind van zeven dagen, innerlijk opnieuw leeg en dus naakt worden. Ons bewustzijn moet de weg teruggaan naar de zuiverheid die was in het begin.

De schroom, die ons weerhoudt onszelf in naaktheid te zien, is onze hoogmoed. Wie zich hiervan heeft ontdaan, die wijn heeft uitgebraakt, die klederen vertrappeld heeft, kan in zichzelf zijn of haar ware zelf erkennen : het mensenkind dat kind is van hem die levend is. Het verdwaalde kind, dat de weg naar het vaderhuis heeft teruggevonden en zichzelf opnieuw erkent als kind van zijn vader, hoeft niet meer te vrezen. De hereniging heeft slechts een naam : vreugde !

 

 

38

jezus heeft gezegd

hoe vaak hebben jullie er niet naar verlangd

de woorden te horen die ik jullie zeg

en voor jullie is er geen ander van wie ze te horen

er zullen dagen komen waarop jullie mij zullen zoeken

en mij niet zullen vinden

 

vergelijk: Lc 17, 22 - Jn 7, 33-34 en 8, 21

 

 

Het vorige logion verduidelijkte de weg van de discipelen : een ontluistering van hun ego, een ontmanteling van de schijnwaarden waarmee zij zich hebben bekleed... Ook geloofswaarheden die anderen ons voorhouden hebben slechts een relatieve waarde. Zij zijn niet in staat twijfels en onzekerheden weg te nemen. Die kunnen slechts door kennis worden opgelost. Naar die kennis verlangt iedere mens, ook de discipelen. Maar Jezus spreekt een onverwachte taal ! De kennis die hij hen voorhoudt behoort niet tot het gebied van het weten maar tot dit van het zijn. Gnosis is immers een ervaringskennis. De weg van zelfkennis moeten de discipelen zelf gaan. Die tocht kan niemand in hun plaats volbrengen. Ook hij niet... Zijn opdracht is te dienen door de richting van de weg aan te geven. Hierin onderscheidt hij zich van de anderen.

De joden hebben hun hoop gevestigd in een verlossing die komen moet. Voor de christenen is de verlossing er gekomen door het kruis... Het woord van Jezus is verstorend : de verlossing ligt in een weg die jullie, in jullie eenzame zelf moeten gaan... De naam van de weg is bewustwording. Op die weg moeten jullie niet mij zoeken maar jezelf...

 

 

39

jezus heeft gezegd

de farizeeërs en de schriftgeleerden

hebben de sleutels van de kennis (gnosis) genomen

en hebben ze verborgen

noch zijn zij zelf binnengegaan

noch lieten zij toe dat zij die wilden zouden binnengaan

jullie daarentegen wees bedachtzaam als de slangen

en zuiver als de duiven

 

102

jezus heeft gezegd

beklagenswaardig zijn zij de farizeeërs

want zij gelijken aan een hond die slaapt in de voerbak van de ossen

want noch eet hijzelf noch laat hij toe dat de ossen zich voeren

 

vergelijk: Mt 23, 13 en 10, 16 - Lc 11, 52

 

 

Geloofswaarheden die anderen ons voorhouden hebben slechts een relatieve waarde... Wat Jezus hier aan de kaak stelt is de houding van die mensen, die in de mening verkeren het onkenbare te kennen en hierdoor anderen beletten de weg van de ware kennis, de gnosis, te gaan. Het proces dat hij hier wezenlijk voert is dit van het onderscheid tussen godsdienst, als een geheel van door mensen bedachte waarheden omtrent God, en gnosis of religie, als een ervaringskennis, waarin de verbondenheid van het individuele “zelf" met zijn absolute levensbron zich reveleert.

We kennen inmiddels de veelheid aan godsdiensten, die zich over de wereld heeft ontwikkeld. De fascinatie voor een absolute macht, die de natuurlijke grenzen overstijgt, is een universeel menselijk gegeven. Sinds de mens op aarde verscheen heeft hij zich een kennis van Het Onkenbare toegeëigend en aan anderen doorgegeven. Zowel het jodendom, het christendom als de islam hebben hun wortels in het Midden Oosten, want in de hebreeuwse Bijbel. Hun gemeenschappelijke stamvader is Abraham. Samen delen zij het geloof in een enige God. Maar ieder van hen verkondigt zijn waarheden omtrent de gescheidenheid tussen de mens en zijn God. Hiervoor beroepen zij zich op goddelijke revelaties. Die revelaties werden echter niet eenvormig waargenomen... Elke godsdienst blijft nochtans overtuigd van zijn eigen goddelijke uitverkiezing. Broederlijke confrontaties in naam van YHWH, God of Allah hebben in onze geschiedenis bloedige sporen nagelaten en laten die nog steeds na. Behoeft de menselijke hoogmoed een meer overtuigende bewijsvoering...?

Er is kennis en onwetendheid, werkelijkheid en verzinsel. Nooit zal iemand een andere kunnen beletten voor zichzelf zijn of haar onwetendheid met verzinsels te verhullen. Begrenzing is het kenmerk van het menselijke weten. Dit in onszelf erkennen is een eerste stap op de weg van zelfkennis. In wat we denken te weten, in wat we als een waarheid erkennen, zijn we aanvankelijk totaal van anderen afhankelijk. Willen we religieus volwassen worden dan moeten we die afhankelijkheid afbouwen. De weg van gnosis is een zelfbevrijdende weg. Nooit kan het gaan van die weg een aanleiding zijn om een ander in zijn of haar vrijheid te beperken !

Wie een religieuze kennis aan een ander als dé waarheid voorhoudt, begaat een fout van hoogmoed en draagt hierin een grote verantwoordelijkheid. Kennis hoort dienend te zijn, bevrijdend voor een ander. Van zijn gnosis maakte Jezus nooit macht !

De waarschuwing aan het einde van logion 39 geldt zowel naar anderen toe als naar onszelf : wees bedachtzaam als de slangen en zuiver als de duiven... Innerlijke zuiverheid is de voorwaarde om niet in dezelfde fout te vervallen als die waar we ooit zelf het slachtoffer van werden. De bedachtzaamheid herinnert aan de alertheid van de attente visser uit logion 8.

 

 

40

jezus heeft gezegd

een wijnstok werd geplant buiten de vader

en gezien hij niet sterk is

zal hij met de wortel worden uitgerukt

en zal hij vergaan

 

vergelijk: Mt 15, 12-13 - Jn 15, 5-6

 

 

Elke investering in het lagere behoort tot het lagere en is dus vergankelijk. Elke kennis is er relatief en dus begrensd. Ook alles wat buiten ons is en waarvan we een kennis kunnen verwerven is onderworpen aan de “wet der veranderingen”. Elke menselijke ervaring is afhankelijk van de toestand van het individuele bewustzijn en ook dit is voortdurend in evolutie. Voor die evolutie zijn we ook zelf verantwoordelijk... Want wanneer we de gerichtheid van onze aandacht wijzigen, niet meer naar buiten maar naar binnen, naar de stilte binnenin onszelf, die ook leegte is, kan het bewustzijn tot rust komen en een weg terug gaan naar zijn oorspronkelijke zuiverheid. Kennis die berust in een zuiver bewustzijn heeft haar wortels in de Vader en is geïnspireerd door de Geest. Die kennis heeft een absoluut draagvlak.

 

 

41

jezus heeft gezegd

aan wie heeft in zijn hand hem zal gegeven worden

aan wie niet heeft

zelfs het weinige dat hij heeft

zal uit zijn hand ontnomen worden

 

vergelijk Mt 13, 12 en 25, 29 - Lc 8, 18 en 19, 26 - Mc 4, 25

 

 

Wat we in de hand hebben is slechts waardevol indien het een zijnswaarde heeft, indien het de vrucht is van wat binnen de vader werd geplant. Elk streven om dit te bereiken wordt erkend. Op die weg heeft elke stap positieve gevolgen voor onszelf en voor anderen. Ook dit is een niet onbelangrijk aspect van de wet van karma, dat door Krishna in de Bhagavad Gita duidelijk wordt onderkend. Wat daarentegen volgens de wetten van het lagere verworven werd, hoe weinig het ook mag zijn, zal onherroepelijk worden ontnomen. Dit is een logisch vervolg op het vorige logion en vindt zijn eenvoudige conclusie in logion 42.

 

 

42

Jezus heeft gezegd

jullie wees voorbijgaand

 

 

Dit is het kortste logion in dit evangelie. Voorbijgaand zijn betekent niet onverschillig zijn ! Dit leven is een weg die we in een dienende betrokkenheid met anderen te gaan hebben. Aan aardse en dus tijdelijke verworvenheden hebben we evenwel voorbijgaand te zijn.

In dit leven is het ons gegeven te genieten van de vele rijkdommen die de natuur ons biedt, andere mensen en culturen te ontdekken en in alle levensgebieden kennis te verwerven. Vooral is het ons gegeven in harmonie met mens en natuur te leven en te handelen. Harmonisch handelen betekent handelen zonder een gebondenheid aan de vruchten van de handeling, zonder de bezorgdheid iets aan onszelf toe te kennen. Onthecht zijn en vrij blijven is de boodschap. Dit is het merkteken van de monachos.

In het begin van deze eeuw ontdekte men dit opschrift boven de grote stadspoort van de oude stad Fateh pur Sikri, ten zuiden van Delhi, gebouwd door de grote Mogol Akbar, de rechtvaardige :

Jezus - vrede ruste op hem - heeft gezegd

de wereld is een brug

ga erover maar vestig er je woning niet

Die uitspraak van Jezus was reeds in de XI° eeuw bekend bij de muzelmaanse schrijver Al-Ghazali.

 

 

43

de discipelen zeiden hem

wie ben je die ons dit zegt

door dit dat ik jullie zeg weten jullie niet wie ik ben

maar jullie zijn als de joden

want zij houden van de boom en verwerpen zijn vrucht

en zij houden van de vrucht en verwerpen de boom

 

Joh 8, 25: “Zij zeiden hem: wie ben je? Jezus zei hen: eerst wat ik jullie zeg.”

Van Joh 8, 25 zijn verschillende versies in omloop. We volgen de lezing van de Bijbelschool van Jeruzalem, die doorgaans heel betrouwbaar is.

 

                                 

Blijkbaar was “wie ben je ?” ook voor zijn discipelen een intrigerende vraag. Wie is die man die, zoals uit andere bronnen blijkt, zieken geneest, onvoorstelbare dingen doet en vooral een beeldentaal spreekt die hen in verwarring brengt. Zijn antwoord is duidelijk : dit dat ik jullie zeg. Belangrijker dan zijn daden is de inhoud van zijn woord. Zijn voornaamste opdracht is het een kennis te brengen die getuigt van de spirituele verbondenheid die hij in zichzelf ervaart. In dit bewustzijn wil hij zijn medemensen deelachtig maken. Maar het godsbeeld dat hen wordt voorgehouden is niet te verzoenen met het beeld van een vader, dat Jezus gebruikt om zijn innerlijke verbondenheid duidelijk te maken.

Daarom sluit hij dit logion af met een verwijzing naar de tegenstrijdige houding van de joden. Wat kan de betekenis zijn van de boom waar de joden van houden, zonder evenwel zijn vruchten te waarderen en wat betekenen de vruchten die zij wel op prijs stellen maar waarvan zij de boom verwerpen ?

De joden hebben een geloof in een God maar de vruchten van hun geloof smaken bitter. Jaweh is immers een almachtige en vreesaanjagende God, die het lot van iedere mens in zijn hand houdt. Willen zij kunnen rekenen op een mild oordeel, dan moeten zij in dit leven Zijn wet nauwgezet onderhouden, hun rituelen plichtsbewust volbrengen. Met hun God leven zij in een soort afhankelijkheid die dwingend is, voortdurend eisen stelt, niet aangenaam te beleven is. De vruchten van hun geloof smaken inderdaad bitter...

De vruchten waar zij wel van houden zijn die waar iedere mens van houdt : een leven in harmonie met zichzelf en de anderen. Die vruchten behoren tot de boom die Jezus “vader” noemt maar niet door de joden wordt erkend. Bij die vruchten horen geen dwingende wetten of rituelen. De mens, die in zichzelf zijn verbondenheid met de Vader erkent, ontvangt meteen de vruchten - Zijn harmonische inspiratie - als een gave uit de bron. Dit reveleert hem het leven in een steeds toenemende vervulling. Die boom is het die de joden verwerpen, hoewel ook zij van zijn vruchten houden...

Dit onderstreept nog maar eens dat het zien van een verbondenheid tussen de boodschap van Jezus en het joodse geloof enkel het gevolg kan zijn van een misbegrip van zijn woord of, zoals voor Paulus het geval was, van een miskenning ervan.

 

 

44  zie  logion 29

 

45

jezus heeft gezegd

druiven worden niet geoogst op doornen

noch worden vijgen geoogst op distels

zij geven inderdaad geen vruchten

uit zijn rijkdom geeft een goed mens het goede

een slecht mens brengt het kwade voort

uit de verderfelijke schat die in zijn hart is

en hij spreekt met een kwade tong

zo brengt hij uit de overvloed van zijn hart het kwade naar buiten

 

vergelijk: Mt 7, 15-20 - Lc 6, 43-45

 

 

Elke handeling is de uitdrukking van een ingesteldheid. Het bewustzijn, waarin onze gedachten en gevoelens ontstaan, bepaalt ook onze ingesteldheid en de keuzen die we maken. De oorzaak van foute daden, van onjuiste inzichten, van een verkeerde ingesteldheid, ligt niet in een of andere bron van het kwade maar in de mens zelf, in de verstoring van zijn bewustzijn. Wie handelt vanuit de duisternis kan enkel verstoring naar buiten brengen. Licht kan niet ontstaan uit de duisternis, wel uit een bron van licht. Duisternis heeft geen bron, zij is enkel afwezigheid van licht. Daarom heeft de duisternis geen macht op het licht en is strijden tegen de duisternis, tegen het kwade, zinloos. Wie licht brengt verdrijft spontaan de duisternis !

Zich de wereld voorstellen als een strijdtoneel tussen de machten van het goede en het kwade is een voorstelling die weliswaar sterk aanspreekt maar behoort tot de wereld van de verbeelding. De oorzaak van het kwade toeschrijven aan een satan kan niet, want hierdoor ontvlucht de mens zijn eigen verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid is het spontane gevolg van zijn deelachtig zijn in het koningschap van de Vader.

De bron van het bewustzijn is tevens de bron waaruit het innerlijke licht straalt. Wie geen aandacht heeft voor een gerichtheid naar die bron binnenin zichzelf en verkiest zich te richten naar de duisternis buiten, is zelf verantwoordelijkheid voor de verstoring in de eigen psyche of, zo men verkiest, in het eigen hart. De vruchten van zijn of haar daden zijn navenant...

 

 

46

jezus heeft gezegd

van allen die door een vrouw werden gebaard

van adam tot johannes de doper

is niemand meer verheven dan johannes de doper

zodat zijn ogen niet zullen gebroken worden

ik heb daarentegen gezegd

wie onder jullie klein zal zijn zal het koninkrijk kennen

en meer verheven zijn dan johannes

 

vergelijk: Mt 11, 11 en Lc 7, 28

 

 

De verwijzing naar het kleine kind behoeft geen commentaar meer. Opmerkelijk hier is de erkenning van Johannes de doper als de meest verhevene. Wie is die man ? Uit evangelische getuigenissen kennen we hem als een originele woestijnprediker, die de komst van het koninkrijk aankondigde en ooit Jezus zou hebben gedoopt. Hij is tot een juist inzicht gekomen, want het zien kan hem niet meer worden ontnomen. Hierdoor overstijgt hij alle bekende figuren uit het Oude Testament... Toch heeft ook hij het eindpunt nog niet bereikt, want nog niet klein geworden...

Eens te meer blijkt hoe Jezus afstand neemt van hen, die hem in de joodse religieuze geschiedenis zijn voorgegaan. In het Johannesevangelie brandmerkt hij hen zelfs als “rovers en dieven”. (Joh 10, 8)

 

 

47

jezus heeft gezegd

het is niet mogelijk dat een man twee paarden bestijgt

of twee bogen spant

en het is niet mogelijk dat een dienaar twee meesters dient

want hij zal de ene eren en de andere beledigen

nooit zal een man oude wijn drinken

zonder meteen te verlangen de nieuwe wijn te drinken

en men doet geen nieuwe wijn in oude zakken

omdat er barsten zouden ontstaan

en oude wijn doet men niet in een nieuwe zak opdat hij niet zou bederven

men naait geen oude lap aan een nieuw kleed

want er zou een scheur ontstaan

 

vergelijk: Mt 6, 24 en 9, 16-17 - Mc 2, 21-22 - Lc 16, 13 en 5, 36-39

 

 

In het eerste gedeelte van dit logion wordt duidelijk gemaakt dat we voor een keuze worden geplaatst, waar geen compromissen bijhoren. Het maken van keuzen is inherent aan onze vrijheid en behoort tot onze dagelijkse bekommernis. In het gebied van het lagere is kiezen voor een compromis vaak de beste keuze. Hier gaat het echter om een essentiële keuze, die de gerichtheid van het leven bepaalt. Naar wie of wat heb ik mijn leven te richten ? Voor wie of wat heb ik hier te dienen ?

Mensen die een religieuze keuze hebben gemaakt en er naar streven de “wil van God” in dit leven te volbrengen verdienen zeker alle respect. Maar wat betekent het volbrengen van de “wil van God” ? Is dit het volgen van morele gedragsregels, die door een religieus gezag werden vastgelegd ? Hoe verschillend is de “wil” van Allah van die van Jaweh, van de God der katholieken, protestanten of orthodoxen ? Welke God verbiedt het gebruik van condomen en welke niet...? Welke God staat het priesterschap voor vrouwen in de weg...? Zolang mensen bepalen wat de wil is van God, hebben we keuzen in overvloed...

De projectie van een menselijke eigenschap - de wil - op een absolute Zijnswaarde is een zinloze oefening ! Dit, dat Jezus “vader” noemt, dat hij ervaart als zijn innerlijke inspiratiebron, is niet te verzoenen noch met het beeld van Jaweh, noch met dit van “God de Vader”, zoals het ons in het christelijke geloof wordt voorgehouden. De keuze, waar Jezus in dit logion iedere gelovige mee confronteert, is even radicaal als ingrijpend ! Dit hoort nu eenmaal bij de weg waartoe hij ons uitnodigt en die een uitdaging is voor de persoonlijke vrijheid én verantwoordelijkheid van iedere mens.

Het tweede deel van dit logion komt ons bekend voor. De wijnliefhebber heeft evenwel oog te hebben voor een verschillende wijncultuur. Het bewaren van wijn in landelijke streken was toen immers geen eenvoudige opgave. Daarom was de nieuwe wijn “het van het” ! Verder is het opvallend dat zich, in de drie synoptische evangeliën, eenzelfde merkwaardige afwijking heeft voorgedaan. In dit logion is inderdaad sprake van het zinloze herstel van een nieuw kleed met een oude lap. Dit lijkt de evidentie zelf ! In de synoptische evangeliën gaat het eigenaardig genoeg om het herstel van een oud kleed met een nieuw stuk stof, dat niet zou kunnen... Vraag maar eens aan oma wat zij (of haar mama) deed toen de knie van een broek of de elleboog van een vest versleten waren. Jawel, zij naaide er een nieuw stuk in...

Belangrijker nochtans is de symboliek in het beeld te achterhalen. Wat betekenen het nieuwe kleed en de oude lap, de nieuwe en de oude wijn, de nieuwe en de oude zakken ? Het nieuwe, waar het in de boodschap van Jezus om gaat, is het inzicht in de innerlijke verbondenheid van iedere mens met zijn absolute levensbron, hier en nu, in dit leven. Die verbondenheid is universeel, want zij kan behoren tot de persoonlijke ervaring van iedere mens en overstijgt hierdoor elke religieuze beeldvorming. Ofwel verwerven we dit inzicht in het nieuwe en behoeven we niets meer van het oude, ofwel verblijven we in het oude. Twee meesters dienen, de God van het oude en de Vader van het nieuwe, kan niet !

Toch werd de God van het oude ook die van een nieuwe godsdienst, die verschillend was van de joodse... We kunnen nu trachten te begrijpen hoe dit nieuwe geloof zich toen heeft kunnen vestigen. Het ligt voor de hand dat de enige overlevingskans voor een nieuw geloof erin bestond zich te grondvesten in het voorvaderlijke geloof en dus in het Oude Testament. De religieuze leiders van toen beschouwden echter de prediking van Jezus als onverzoenbaar met dit voorvaderlijke geloof... En toen verscheen Paulus ten tonele...

Als farizeïsche jood en, naar eigen bewering, de vurigste onder de vervolgers van de volgelingen van Jezus, kon Paulus niet onwetend zijn geweest omtrent het verderfelijke karakter van diens prediking. Desalniettemin zou hij, na de spectaculaire gebeurtenissen op de weg naar Damascus en zijn plotselinge bekering, in de gekruisigde en verrezen Jezus, de door de joden verwachte Messias erkennen... ! Dit belette echter niet dat de boodschap van Jezus bleef wat zij was : een doorn in het oog van vele joden en ook van Paulus. Zijn genie bestond er echter in zijn evangelie te substitueren aan dit van Jezus, dat tenslotte overbodig was want : onze gedachte is de gedachte van Christus... Dit poneerde hij, zonder enige valse bescheidenheid overigens, in zijn eerste brief aan de korinthiërs... (2. 16)

 Het evangelie dat Paulus predikte was het zijne, niet dat van Jezus ! Zijn erkenning van Jezus als de Christos - dit is de Griekse vertaling van het hebreeuwse Mashiah - had bovendien twee merkwaardige gevolgen. Enerzijds werd de verzoening van Jezus met het voorvaderlijke geloof een feit en anderzijds onderging Paulus de banbliksems van zijn eigen joodse geloof. Een nieuwe godsdienst, die berustte op het theologische concept van Paulus en niet op het evangelie van Jezus, was geboren...

 

 

48

jezus heeft gezegd

indien twee vrede sluiten in dit ene huis

zullen zij zeggen tot de berg verwijder je

en hij zal zich verwijderen

 

vergelijk; Mt 17, 20 - 21, 21 - 18, 19  Lc 17, 6  Mc 11, 22-23

 

 

Twee hebben dus vrede te sluiten en opnieuw één te zijn. In dit ene huis kan refereren aan het lichaam waarin we dit leven te volbrengen hebben. Het kan ook verwijzen naar het vaderhuis waarin we allen genodigd zijn om “thuis te komen”.

In dit leven ervaren we alles in termen van dualisme, oordelen we ook zo graag volgens normen van goed en kwaad. Zo zijn nu eenmaal de regels in het lagere. De mens heeft zichzelf wetten aangemeten, zijn eigenwijsheid geponeerd en hierdoor de absolute waardeschaal in verwarring gebracht. Door de wet van harmonie te miskennen heeft hij zich afgescheiden van zijn inspiratiebron. Wat één was werd gescheiden, werd twee...

De noodzakelijke terugweg ligt voor de hand : van twee opnieuw één maken, hier en nu. Wie z’n vergissing inziet kan de weg naar de oorspronkelijke eenheid teruggaan, de weg die ooit de verloren zoon ging. Hierdoor kan hij of zij zich opnieuw bewust worden deel te hebben in het gezag van de Vader, in Zijn wet van harmonie. Zijn inspiratie werkt zoals het licht : zij verdrijft de duisternis, is in staat elke verstoring ongedaan te maken, elke hindernis weg te vlakken, zoals het beeld van de berg duidelijk maakt.

Terloops mag ook dit duidelijk zijn : het is niet het “geloof” in wie of wat dan ook dat in staat is bergen te verzetten... Zoals godsdiensten in hun geloof de ware zin van de religieuze eenheid hebben miskend, zo hebben zij niet alleen geen bergen verzet maar onder de mensen diepe kloven geslagen.

 

 

49

jezus heeft gezegd

gelukkig zij die monachos zijn en werden uitgekozen

want jullie zullen het koninkrijk ontdekken

omdat jullie uit hem zijn voortgekomen zullen jullie opnieuw daarheen gaan

 

 

De voorwaarde om onze finaliteit in dit leven waar te maken, om deel te hebben in het koningschap, is de weg van de monachos te gaan. De betekenis van monachos werd reeds toegelicht in de inleiding en bij logion 16. Wie tot een spirituele volwassenheid wil komen moet zich uit verslavende banden met het lagere bevrijden. Misleidende en dwingende “waarden”, ook religieuze, moeten worden losgelaten om in onthechting een verlossende weg te gaan. Zekerheid biedende “waarheden”, die door mensen worden aangeboden, zijn waardeloos. Het waardevolle is door ieder voor en in zichzelf te ontdekken. Loslaten, om op zoek te gaan naar een inzicht en een ervaring die bevrijdend zijn, dit is de uitdaging van het nieuwe.

De finaliteit van de weg is in bewustzijn thuis te komen in de bron waaruit we zijn ontstaan. Zoals het zaad, om zijn finaliteit waar te maken zichzelf moet loslaten in de eenheid met de goede aarde die ook zijn oorsprong is, zo is het bewustzijn van de monachos de noodzakelijke voorwaarde om de eenheid met de bron opnieuw te ervaren. De uitverkiezing is het voorrecht van de monachos.

 

 

50

jezus heeft gezegd

indien zij jullie zeggen vanwaar zijn jullie gekomen

zeg hen wij zijn gekomen uit het licht

daar waar het licht is ontstaan

uit zichzelf heeft het zich opgericht

en is het verschenen in hun beeld

indien zij jullie zeggen wie zijn jullie

zeg wij {zijn} zijn kinderen

en de uitverkorenen van de vader de levende

indien zij jullie ondervragen

wat is het teken van jullie vader die in jullie is

zeg hen het is een beweging met een rust

 

 

In dit evangelie is dit één van de meest indringende uitspraken. Dit logion is als het ware een minischeppingsverhaal, vergelijkbaar met de proloog van het Johannesevangelie, waarin de symboliek van het woord wordt overgenomen en verduidelijkt door die van het licht. Het inzicht in de volledige toedracht van de in dit logion voorgehouden kennis vraagt tijd en bezinning : “dat hij (of zij) die zoekt niet ophoudt te zoeken...”.

Het licht is een rijk en universeel gebruikt symbool. Het ligt immers niet alleen aan de oorsprong van het vermogen te zien, het regelt ook de ritmen van dag en nacht, van activiteit en rust, van de seizoenen. Het zorgt bovendien en voor warmte en voor zuurstof. Zonder het licht is leven op aarde gewoon ondenkbaar. Daarom is het, als een leven onderhoudende energie, het uitgelezen symbool voor de werking van de Geest.

De meest aansprekende eigenschap van het licht is ongetwijfeld zichtbaarheid te brengen. Symbolisch betekent zien : inzicht en dus kennis verwerven. Toch is het licht zelf niet zichtbaar ! Beelden reveleren zich slechts doorheen een harmonisch samenspel van licht en materie… Een filmprojectie heeft een scherm nodig om het beeld, dat in het licht is, zichtbaar te maken.

Wat is nu het teken waardoor het kind van de vader, de levende, dat in zich het licht draagt en uit te stralen heeft, herkenbaar is ? Het is een getuigenis van harmonie, de basiswet waardoor het leven zich reveleert. In haar uitdrukking betekent harmonie : evenwicht, maat. Het essentiële ritme in de schepping is beweging en rust, handelen en niet-handelen, dag en nacht, zomer en winter. Die wet van maat is het die de ganse natuur stuurt en ondersteunt, die de eenheid achter het dualisme reveleert, de ordelijkheid achter de schijnbare chaos. Enkel in de totale vervulling van de eenheid, in het bewustzijn van de monachos, zijn beweging en rust, handelen en niet-handelen, één... (zie verder logion 83)

In het Johannesevangelie (13, 35) formuleert Jezus het herkenningsteken van zijn discipelen als : indien jullie elkaar liefhebben. Hier is het teken : het is een beweging met een rust. Hoe zijn beide uitspraken met elkaar te verzoenen ? Zoals intelligentie de vrucht is van harmonie in het denken, zo is liefde de vrucht van harmonie in de gevoelens... Deel hebben in Zijn wet van harmonie is daarom de noodzakelijke voorwaarde om de ware liefde tot uitdrukking te brengen.

 

 

51

zijn discipelen vroegen hem

welke dag zal er rust zijn voor hen die dood zijn

en welke dag komt de nieuwe wereld

hij zei hen

dit waar jullie naar uitzien is gekomen

maar jullie erkennen dit niet

 

52

zijn discipelen zeiden hem

vierentwintig profeten hebben in israël gesproken

en allen hebben zij door jouw hart gesproken

hij zei hen

aan hem die levend voor jullie staat zijn jullie voorbijgegaan

en jullie hebben gesproken over hen die dood zijn

 

 

Bij de beide vragen van zijn discipelen komt Jezus tot eenzelfde bittere vaststelling : daar waar kennis hoort te zijn is nog steeds onwetendheid. Nog maar eens is hier het oude en de verwachting die het heeft opgeroepen aan de orde en blijkt het hoe spiritueel onvolwassen de discipelen nog zijn... Nog steeds hebben zij niet begrepen dat de realiteit van het koninkrijk in potentie aanwezig is, dat die realiteit van een innerlijke orde is en niets te maken heeft met een apocalyptisch gebeuren, waarvan de schriften de verwachting hebben opgeroepen.

Ook voor ons geldt dat het gebed : “Uw rijk kome...” niet zo zinvol is. Want het rijk van de Vader is er ! Zijn gezag ís gevestigd en staat ons dienend ter beschikking... Niets hoeven we nog te vragen want alles wordt ons aangeboden. Allen zijn we op ieder ogenblik genodigd tot de bruiloft, het feestmaal van de eenheid, tot het deel hebben in het koningschap van de Vader. Dit bewustzijn verklaart de afwijzende houding van Jezus ten aanzien van het vragende gebed van de joden, dat ook het gebed van de christenen zou worden.

Voor de discipelen, die nog steeds in het oude verblijven, betekent de boodschap van Jezus : die van alle profeten samen. Zijn antwoord is onverbloemd : jullie zijn niet in staat het onderscheid te maken tussen hem die levend voor jullie staat en zij die dood zijn...

Het is begrijpelijk dat deze logia geen sporen hebben nagelaten in de kanonische geschriften. Enkel Johannes heeft in 10, 8 een parallelle uitspraak : “allen, die vóór mij zijn gekomen, zijn rovers en dieven...”  Merkwaardig is dat Augustinus wel kennis blijkt te hebben van logion 52. In “Contra adversarium legis et prophetarum” XI. 4.14 lezen we : “Wanneer de apostelen... aan de Heer vroegen wat zij te denken hadden omtrent de profeten van de joden... antwoordde hij : hij die levend voor jullie staat hebben jullie verworpen, en wij praten over doden !”

 

 

53

zijn discipelen zeiden hem

is de besnijdenis nuttig of niet

hij zei hen

zo zij nuttig was zou hun vader hen besneden uit hun moeder laten geboren worden

maar het is in de geest dat de ware besnijdenis haar totale waarde gevonden heeft

 

 

Opnieuw is een joods ritueel in opspraak : de besnijdenis. Het antwoord van Jezus aan zijn discipelen is even duidelijk als vanzelfsprekend : aan een dergelijk ritueel valt geen religieuze betekenis toe te kennen. Wat de Vader voorzien heeft behoeft geen bijstelling door een menselijke hand... Belangrijker evenwel is de transpositie van de rituele handeling naar de geest. Echte waarden hebben met de geest, niet met de penis te maken...

In logion 27 werd het vasten verduidelijkt als een vasten ten aanzien van de wereld. Dit begrepen we, niet als een vlucht uit de werkelijkheid, wel als een aanbeveling tot onthechting aan die normen en waarden die in het lagere overheersen. Het object van het vasten is het gebied van het handelen. De besnijdenis is een ritueel waarbij een heel concrete daad van onthechting centraal staat. De transpositie ervan naar de geest maakt van dit ritueel een innerlijk gebeuren en situeert de zin ervan in het gebied van het niet-handelen.

Handelen en niet-handelen zijn intiem met elkaar verbonden, want elke handeling ontspringt uit een rust. Doorheen onze psyche manifesteert zich de geest, pneuma, als een leidinggevende energie, die de keuze van onze handelingen bepaalt. Doorheen een rustige en dus een meer harmonische psyche zal de handeling zoveel meer kans maken harmonisch te zijn. De besnijdenis in de geest betekent een mentale ommekeer, een metanoia, waarbij de geest zich onthecht aan zijn gerichtheid naar het handelen en zich richt naar de rust van zijn innerlijke bron.

In Mt 6, 6 heeft Jezus deze merkwaardige uitspraak :

Maar jij, wanneer je bidt, ga binnen in je kamer en, nadat je de deur gesloten hebt, bid de Vader die in het verborgene is en de Vader, die in het verborgene ziet, zal je teruggeven.

Ook hier volgen we de vertaling van de Bijbelschool van Jeruzalem. De Griekse tekst vermeldt inderdaad : bid de vader die in het verborgene is en dus niet : bid in het verborgen tot de vader...

Opnieuw hebben we met een beeldspraak te maken. De kamer, waarvan we de deur moeten sluiten, is onze binnenkamer, daar waar het bewustzijn gevestigd is. Willen we ons richten naar de Vader, de bron waaruit we ontvangen, dan is het nodig de aandacht van het bewustzijn af te sluiten van, te onthechten aan het gebied waarin het de handelingen dicteert : de deur moet gesloten worden. Dit is de toestand waarin het bewustzijn, bevrijd van elke betrokkenheid bij de buitenwereld, tot een intense en bewuste rust kan komen en hierdoor optimaal ontvankelijk wordt voor de gaven van de Geest. Dit is ook de finaliteit van het ware gebed : een gerichtheid naar de gevende Vader, die zelf in het verborgene is. Voor ons bewustzijn is de Vader niet toegankelijk... De Vader ziet maar wij kunnen hem niet kennen ! In een gerichtheid naar de Vader maken we ons evenwel ontvankelijk voor wat Hij ons te bieden heeft.

Het is een elementaire natuurwet dat elke toestand van toenemende rust, van lagere energie, steeds een toestand van toenemende orde, van juistere harmonie induceert. Wat in die intense en bewuste rust ontvangen wordt is een harmonie herstellende impuls, waardoor het centrale zenuwstelsel, de fysiologische basis van het bewustzijn, telkens iets meer van zijn oorspronkelijke zuiverheid kan terugvinden. Vanuit een meer ordelijk bewustzijn zullen zowel de gedachten, de gevoelens, als de handelingen die hierbij aansluiten, juister en dus harmonischer zijn. Dit is de weg waarlangs de Geest en Zijn natuurwet zich in en doorheen de mens manifesteert. Ook hier horen wetenschap en religie samen.

Uit de oosterse tradities leren we dat meditatie de basis is van elke persoonlijke evolutie. Het doel van meditatie is de aandacht of de gerichtheid van het bewustzijn tijdelijk te onthechten aan het gebied waarin het voortdurend bij de handeling betrokken is, om zo tot een bewuste rust te komen. De betrokkenheid van onze geest bij de buitenwereld is echter zo hecht, zo dwangmatig geworden, dat het loslaten van die gerichtheid, hoe natuurlijk het ook mag zijn, blijkbaar niet meer of zelden nog tot onze spontane mogelijkheden behoort. Daarom zijn we nu genoodzaakt onze toevlucht te nemen tot een hulpmiddel om een toestand van bewuste rust in het bewustzijn opnieuw mogelijk te maken.

Er bestaan heel wat technieken die tot een meditatieve rust kunnen leiden. Gebruik maken van een mantra is wellicht de meest verspreide. Een mantra is een klank, uitgedrukt in een woord zonder inhoud, die repetitief in de geest wordt opgeroepen. De aandacht van de geest wordt als het ware opgevangen in een inhoudsloze klank. Dit is een weg waarlangs een fysiologische toestand van intense en toch bewuste rust kan worden geïnduceerd.

Ook in het Westen kennen we het gebruik van een dergelijke techniek. Gregoriaanse gezangen, litanieën met het steeds herhaalde “bid voor ons”, het bidden van “de paternoster”, het zijn allen middelen die kunnen leiden tot een toestand van meditatieve rust, op voorwaarde evenwel geen aandacht te schenken aan de inhoud van de woorden. In de gedachteloosheid van een meditatieve stilte is er geen “ik” meer, enkel een “zijn” waarin ontvangen wordt. In die rust lost het ik-bewustzijn zich als het ware op in een universeel bewustzijn. De regendruppel gaat spontaan de weg terug naar de oceaan, zijn natuurlijke moeder. Die rust is de noodzakelijke component die leidt tot het herstel van het oorspronkelijke evenwicht in het basisritme van beweging en rust (zie logion 50).

De sabbat en het ware gebed hebben beide met een gerichtheid naar de Vader te maken, niet met een onmogelijke communicatie met de Vader ! Het is een gerichtheid naar de leegte binnenin onszelf, waarin we zelf leeg worden. Om die toestand te bereiken is een besnijdenis in de geest de noodzakelijke voorwaarde.

 

 

54

jezus heeft gezegd

gelukkig zijn de armen

want van jullie is het rijk der hemelen.

 

vergelijk: Mt 5, 3 - Lc 6, 20

 

 

“Arm zijn” betekent niet noodzakelijk in een toestand van ontbering verkeren. Zij die in staat zijn te voorzien in hun elementaire levensbehoeften, zonder aanspraak te kunnen maken op enig overbodige luxe, kunnen zich ook niet hechten aan waarden, die tenslotte oppervlakkig en misleidend blijken te zijn. Spontaan leert het leven hen die waarden te erkennen die niet aan vergankelijkheid onderhevig zijn. Hoe vaak stellen we niet vast dat solidariteit, als een elementaire uiting van harmonie, onder minder bedeelden zoveel oprechter is dan onder welstellenden. Hoe weinig zij ook hebben, toch is het hen een vreugde dit met anderen, soms totaal vreemden, te delen. Dit leren we vooral van die mensen en volkeren, die zogenaamd “primitiever” zijn dan wij. Toch beschouwen we het voor niemand als een voorrecht niet rijk te zijn...

In de uitdrukking van harmonie is alles een kwestie van maat. Arm zijn kan betekenen : niets teveel hebben. Zeker is dat rijk zijn geen voorwaarde is voor geluk ! Aan wat we niet bezitten kunnen we ons ook niet hechten. Wie onthecht is aan het overbodige kan zich des te vrijer richten naar die waarden die niet met vergankelijkheid te maken hebben. Wat maakt meer gelukkig : hebben of zijn...?

 

 

55

jezus heeft gezegd

wie niet zijn vader en zijn moeder afwijst

zal mijn discipel niet kunnen zijn

en wie niet zijn broeders en zusters afwijst

en zijn kruis draagt zoals ik

zal mij niet waardig zijn

 

101

wie niet zijn vader en zijn moeder afwijst zoals ik

zal mijn discipel niet kunnen zijn

en wie niet van zijn vader en zijn moeder houdt zoals ik

zal mijn discipel niet kunnen zijn

want mijn moeder heeft me ter wereld gebracht

maar mijn ware moeder heeft me het leven geschonken

 

vergelijk: Lc 14, 26-27 - Mt 10, 37-38

 

 

De reden waarom we beide logia samenbrachten ligt voor de hand. In beide stelt er zich trouwens eenzelfde vertaalprobleem. Vertalen is een delicate oefening. Woorden zijn cultuurgebonden uitingen van een ingesteldheid op een bepaald ogenblik. Van dit ogenblik zijn we door twintig eeuwen evolutie gescheiden. Het werkwoord dat we hier vertaalden door afwijzen werd in de kanonische evangeliën vertaald door haten. Die vertaling van het Griekse misein is filologisch verantwoord. Toch blijft de vraag waarom gekozen werd voor de meest extreme betekenis ervan. Ons lijkt de inhoud, die wij nu aan “haten” toekennen, niet te verzoenen met de mens Jezus. Welk woord gebruikte hij toen in zijn taal en wat was de weerklank ervan in zijn cultuur ? Naar onze cultuur toe zou een vertaling door afstand nemen van wellicht de meest adequate kunnen zijn. In logion 101 wordt immers ook de waarde van houden van benadrukt.

Voor een kind betekent volwassen worden : afstand nemen van een zekerheid biedende geborgenheid binnen het ouderlijke gezin om in vrijheid een weg van persoonlijke levenskeuzen te gaan. Dit “afstand nemen van” heeft niets met haten te maken...! Toch is het duidelijk dat Jezus een radicale lijn aanhoudt : wie het nieuwe in zich wil opnemen moet afstand nemen van het oude. Daarom houdt religieus volwassen worden in : door anderen opgelegde inzichten loslaten, om in oprechtheid een eigen zoekende weg te gaan. Die weg wordt in de eenzaamheid van een individuele vrijheid gegaan.

De kennis in de woorden van Jezus is een bevrijdende kennis, zijn discipel is een bevrijde mens die de kiem van het nieuwe leven in zich heeft opgenomen. Die noodzakelijke mentale vrijheid kan o.m. in de weg worden gestaan door sentimentele bindingen. Hiervan afstand nemen hoort bij de pijn van het volwassen worden, gesymboliseerd in het dragen van een kruis. Toch kan die vrijheid de waarde van het liefhebben niet in de weg staan. Steeds kunnen liefde en onderscheidingsvermogen harmonisch worden beleefd !

Opmerkelijk in logion 101 is dat Jezus het beeld van de vader even inruilt voor dit van de moeder. Dit was toen cultureel zeker verstorend en zal het begrip van zijn beeldspraak niet eenvoudiger hebben gemaakt. (zie ook logion 114) Hiermee benadrukt hij het onderscheid tussen het biologische leven, dat door de moeder gegeven wordt, en het ware leven, dat we van onze ware moeder kunnen ontvangen. Het ene, de geboorte, ondergaan we. Voor het andere hebben we zelf een bewuste keuze te maken...

Het beeld van het kruis kan geen referentie zijn aan Golgotha, want Jezus spreekt hier in de tegenwoordige tijd. Ook hij heeft de gevolgen van zijn keuzen te aanvaarden. Toen konden die gevolgen nog leiden tot een vernedering aan een reëel kruis...

 

 

56

jezus heeft gezegd

wie de wereld gekend heeft

heeft een lijk gevonden

en wie een lijk gevonden heeft

de wereld is hem niet waardig

 

80

jezus heeft gezegd

wie de wereld gekend heeft

heeft het lichaam gevonden

wie daarentegen het lichaam gevonden heeft

de wereld is hem niet waardig

 

 

Twee logia die zich nauwelijks van elkaar onderscheiden. Vermoedelijk zijn dit twee varianten van eenzelfde uitspraak. Toch kan het belangrijk zijn op het verschil te letten. Want een lijk en een lichaam zijn inderdaad verschillend en niet alleen biologisch ! Het ene, een lijk, is nutteloos. Het andere, het lichaam, is waardevol want het is het middel waardoor de Geest zich in de mens kan uitdrukken. (zie logion 29) Een lichaam, dat binnenin zichzelf de Geest erkent, is levend, zo niet is het slechts een lijk ! Wie dit in zichzelf erkend heeft : de wereld is hem of haar niet waardig...

De waarden die in onze leefwereld overheersen zijn slechts relatief en dus tijdgebonden. Die waarden bepalen echter onze ik-waarde, ons zelfbewustzijn. Wat beteken ik binnen mijn samenleving, wat maakt mij belangrijk...? Hier geldt vooral de wet van de leeuw, van de sterkste, de invloedrijkste, want aan hem of haar behoort de macht. Van die macht ben ik afhankelijk geworden. Langs sluipwegen werd mijn vrijheid aan banden gelegd. Die bewustwording houdt een uitnodiging in om echte waarden in een andere richting te zoeken. Lijken kunnen tot leven komen, levende lichamen worden door in zichzelf de Geest te erkennen. Wie dit in zichzelf heeft erkend overstijgt meteen alle wereldlijke waarden...

 

 

57

jezus heeft gezegd

het koninkrijk van de vader is gelijkend aan een man

die een uitstekend zaaigoed bezat

zijn vijand kwam bij nacht

en verspreidde onkruid onder het uitstekende zaaigoed

de man liet niet toe dat men het onkruid zou uitrukken

uit vrees zo zei hij hen dat jullie zouden gaan en zeggen

wij zullen het onkruid uitrukken

en jullie tevens het koren zouden uitrukken

inderdaad de dag van de oogst zal het onkruid zichtbaar zijn

het zal worden uitgerukt en verbrand

 

vergelijk: Mt 13, 24-43

 

 

Enkel Mattheüs vermeldt deze parabel in zijn evangelie, zij het in een wat opgeklopte versie en bovendien voorzien van een interpretatie, waarvan met grote waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat zij, zoals dit voor de parabel van de zaaier het geval was, in de mond van Jezus werd gelegd. Zijn interpretatie kan overigens gelden als een voorbeeld voor het onkruid dat in de duisternis gezaaid werd... Helaas is dit het lot geworden van vele evangelische commentaren.

Ooit waren ook wij een kind van zeven dagen. Onbezoedeld nog verblijft dit kind in de zuiverheid van de eenheid met zijn levensbron, de Vader. Wat het ontvangt beantwoordt aan Zijn wet van harmonie. Van die wet heeft de mens zich echter afgescheiden. De vrucht van de boom van kennis, het gezag dat enkel de Schepper toebehoort, heeft de Adam zich toegeëigend. Zijn weten werd wet... Wie handelt vanuit een vermeende kennis, die haar oorsprong heeft in hoogmoed, veroorzaakt sowieso verstoringen. Hiervan werd ieder kind het slachtoffer. Het onbezoedelde werd, ongewild en ongewenst, verstoord door een pretentieus menselijk weten.

Zich hiervan bewust worden vergt, zoals de oude man in logion 4 illustreert, tijd en bezinning. Geduld is een mooie deugd ! Het is niet evident het onkruid snel te onderscheiden van de vruchten van het goede zaad. Onderscheidingsvermogen heeft met intelligentie en dus met levenservaring te maken. Juiste inzichten kunnen zich slechts ontwikkelen indien de basis van kennis, het bewustzijn, voldoende gezuiverd en dus gelouterd is.

De wet van karma verbindt elke handeling met haar gevolgen : wat je zaait, oogst je. In het vierde hoofdstuk van het Johannesevangelie gebruikt Jezus dit merkwaardige beeld : de zaaier en de maaier zijn één. De dag van de oogst, die door Mattheüs werd geïnterpreteerd als de “dag des oordeels” met de dreiging van het helse vuur, is onlosmakelijk verbonden met het ogenblik waarop het zaad de eenheid met de goede aarde terugvindt. Daar waar het begin is, daar zal het einde zijn. Zoals in het ganzenspel keert men hier even terug naar logion 18...

 

 

58

jezus heeft gezegd

gelukkig de mens die de beproeving gekend heeft

hij heeft het leven gevonden

 

 

Dit logion confronteert ons met één van de meest delicate aspecten in dit leven : de erkenning van de zin van lijden en pijn. De noodzakelijk loutering, waarvan sprake in het vorige logion, kan zich niet voltrekken zonder het kennen van beproevingen... Eerder gebruikte Jezus hiervoor het beeld van het dragen van een kruis. Het kennen van de beproeving kan begrepen worden als het ondergaan ervan. Het kan ook worden geïnterpreteerd als het begrijpen en dus het aanvaarden van een pijnlijke ervaring, waarvan de zin voor ons aanvankelijk verborgen was. Soms overkomt het ons dat we pas jaren later de betekenis inzien van een beproeving, die ons ooit in de diepste vertwijfeling bracht...

Soms is het nodig op een pijnlijke manier met de neus op de feiten te worden gedrukt vooraleer tot een juiste bezinning te komen, vooraleer onze eigen vergissingen in te zien. Maar dit inzicht is nu juist een essentieel gegeven op de weg van loutering die we te gaan hebben. Vaak fungeert het lijden als een persoonlijke dwangbuis, zoals de wet van karma kan beschouwd worden als een dwangbuis voor de universele harmonie...

Een kennis van het creatieve gebeuren, waar het menselijke leven deel van uitmaakt, leert ons dat die werkelijkheid gedragen wordt door een wet van harmonie, waarin elementaire deeltjes, atomen, moleculen en celletjes blijvend samengaan in een creatieve evolutie. Omdat alleen de mens een vrijheid van handelen heeft ontvangen, kan hij en alleen hij in die harmonie interfereren en oorzaak zijn van verstoringen. Maar de wet van harmonie is absoluut en dus vraagt elke verstoring om herstel. Dit is de zin van de wet van karma, de wet van oorzaak en gevolg, die de orde in het lagere in de hand houdt.

Karma betekent handeling. Wanneer we fout handelen verstoren we een evenwicht dat zichzelf zoekt te herstellen. Onvermijdelijk en onverbiddelijk ook krijgen we daarom de rekening gepresenteerd. Zolang we het verband inzien tussen oorzaak en gevolg zijn we in staat de gevolgen, hoe pijnlijk ook, te aanvaarden. Ontberen we dit inzicht dan worden we geconfronteerd met het onaanvaardbare onrechtvaardige... Een essentieel kenmerk van de manifeste schepping is dat alles met alles verbonden is. Die solidariteit heeft tot gevolg dat elke individuele verstoring collectieve gevolgen zal hebben, zoals elke juiste individuele handeling het geheel ten goede komt.

Sinds de mens het op aarde voor het zeggen heeft veroorzaakte hij echter zovele verstoringen, dat enig inzicht in de collectieve consequenties van de wet van oorzaak en gevolg nu voor ons totaal is uitgesloten. Het is echter niet, omdat ik de zin van iets niet inzie, dat ik mag zeggen dat het zinloos is... Dit gebrek aan inzicht toedekken, door de oorzaak van het kwade toe te schrijven aan de ondoorgrondelijke wil van een God, aan een satan of aan de grilligheid van het lot, betekent onze onwetendheid verhullen met verzinsels en onze verantwoordelijkheid als mens miskennen. Omdat iedere mens, bewust of onbewust, deel heeft in het koningschap van de Vader, in Zijn wet van harmonie en dus in de ontwikkeling van het levensproces op aarde, draagt iedere mens ook zijn deel in de verantwoordelijkheid voor de evolutie in de schepping.

Niemand is vrij van fouten. In het dragen van die foutenlast zijn we allen solidair, of we dit rechtvaardig vinden of niet... Hoe we met die ervaring omgaan, tot welke diepgaande bezinning zij een aanleiding kan zijn, bepaalt in een niet onbelangrijke mate voor onszelf het groeiproces in dit leven. Nooit echter kan het lijden een meester zijn, aan wie we ons in fatalisme te onderwerpen hebben, noch kan het gelden als een middel dat voor ons, in navolging van het lijden van Christus, de poorten van de hemel kan openen.

In Christus werden liefde en lijden verenigd. Dit houdt een opmerkelijke tegenstelling in, want liefde is een uiting van harmonie, lijden het gevolg van disharmonie...

 

 

59

jezus heeft gezegd

hou jullie blik gericht naar hem die levend is

zolang jullie levend zijn   

zodat jullie niet sterven

en zoekend hem te zien niet meer kunnen zien

 

 

Bij herhaling houdt Jezus ons voor onze alertheid niet op te geven. Wat verworven is kan steeds door onachtzaamheid verloren gaan. We zijn nu eenmaal mensen met zwakheden en begrenzingen. Ook al zijn we bewust van de opdracht die de onze is, van de weg die we te gaan hebben, toch kan dit bewustzijn overwoekerd worden door het onkruid waar we dagelijks mee te maken hebben en ons in de verleiding kan brengen een foute gerichtheid te kiezen. “Z’n blik gericht houden op hem die levend is” betekent onze aandacht gericht houden naar de innerlijke bron waaruit we het licht kunnen ontvangen om juist te zien. De ontvankelijkheid voor dit licht bepaalt het onderscheid tussen leven en dood.

 

 

60

{zij zagen} een samaritaan die een lam droeg en judea binnen ging

hij zei tot zijn discipelen

wat gaat hij aanvangen met het lam

zij zeiden hem

hij zal het doden en het opeten

hij zei hen

zolang het levend is zal hij het niet opeten

maar wel indien hij het doodt en het een lijk geworden is

zij zeiden

op een andere wijze zal hij het niet kunnen

hij zei hen

jullie zoek voor jezelf een plaats binnenin een rust

zodat jullie geen lijken worden en worden opgegeten

 

 

De waarschuwing in het vorige logion herhaalt zich hier op een meer expliciete wijze. Ook al zijn we tot een nieuw inzicht gekomen, al hebben we het belang van ons ik gerelativeerd in een mentale erkenning van de absolute bron van onze mogelijkheden, al zijn we tot een juister bewustzijn van onszelf gekomen, toch geeft het oude zijn macht niet zomaar uit handen. De weerbaarheid van het eens zo belangrijke ikje is niet te onderschatten ! Die macht is het die van ons opnieuw een lijk kan maken, waardoor we onszelf verlagen tot voedsel voor de leeuw...

Opmerkelijk is de richtlijn die Jezus telkens geeft om ons tegen onszelf te beschermen. In logion 59 was dit : hou jullie blik gericht naar hem die levend is, hier : zoek voor jezelf een plaats binnenin een rust… Logisch dus dat er een verband zou bestaan tussen de juiste gerichtheid van onze geest en het zoeken van een plaats binnenin een rust. Dit doet spontaan terug denken aan het beeld van logion 53 : de besnijdenis in de geest. De gerichtheid naar een innerlijke rust, naar de leegte binnenin onszelf, is een gerichtheid naar hem die levend is...

Een niet onbelangrijke overweging kan hier eveneens aan de orde zijn. Het hebreeuwse woord voor lam is namelijk talya. Maar talya betekent ook dienaar. Vandaar de mogelijke verwarring tussen “lam Gods” en “dienaar Gods”. Jezus is de dienaar, niet het lam...! Het essentiële onderscheid is dat de dienaar dient zolang hij levend is. Een lam dient slechts wanneer het een lijk geworden is...  Wat is belangrijker : de boodschap van de levende Jezus of de menselijke associatie van zijn kruisdood met het joodse offerfeest, waarbij ter nagedachtenis van Abraham een lam geofferd werd...?

 

 

 

61

jezus heeft gezegd

twee zullen daar rusten op één bed

de ene zal sterven de andere zal leven

salome zei

wie ben je mens

vanuit het ene heb je mijn bed bestegen en aan mijn tafel gegeten

jezus zei haar

ik ben die is  uit de gelijke (*)

mij is gegeven wat van mijn vader is

- ik ben jouw discipel

daarom zeg ik dit

wanneer hij leeg zal zijn geworden zal hij vervuld zijn van licht

maar indien hij verdeeld is zal hij vervuld zijn van duisternis

 

vergelijk: Lc 17, 34-35 -  Mt 24, 40-41 - Jn 14, 10 en 16, 15

 

 

Een bijzondere ontmoeting tussen Jezus en een vrouw, Salomé. Een gesprek onder vier ogen - zoals de ontmoeting van Jezus en een samaritaanse vrouw in het Johannesevangelie - doet steeds vragen rijzen bij de correcte weergave van wat gezegd werd. Waren er getuigen bij deze ontmoeting ? De omstandigheden wijzen op een zekere intimiteit. Een ongehoorde situatie dus voor een religieus gesprek dat toen uitsluitend tot het mannelijke territorium behoorde. Die discriminatie hoort echter niet bij de gnosis van Jezus...

De voornaamste thema’s van zijn getuigenis zijn hier aan de orde :

- de keuze tussen levend worden of dood blijven

- het bewustzijn één te zijn met de Vader

- de noodzaak innerlijk opnieuw leeg te worden

Het inzicht waarvan Jezus getuigt is radicaal : ofwel komen we tot leven ofwel blijven we dood. Een tussenweg is er niet. Ofwel zijn we bevrijd van de wijn die ons dronken maakte, zijn we opnieuw leeg geworden en hierdoor ontvankelijk voor het innerlijke licht, ofwel verblijven we binnen de begrenzingen van de gescheidenheid, de verdeeldheid en is de duisternis ons deel.

Lijn 9, aangeduid met (*), kan een gelegenheid zijn tot een diepgaande bezinning ! Wat is de natuur van de verbondenheid van het mensenkind met de Vader ? “Ik en de Vader zijn één” zegt Jezus in Joh 10, 30. Betekent één zijn evenwel ook identiek zijn...? Zaad en grond zijn één, zaadcel en eicel zijn één... toch zijn zij niet identiek ! Hier definieert Jezus zichzelf als die is uit de gelijke. De vrucht van het zaad is zaad... Het begrip “gelijkheid” is een relatief en dus een dualistisch begrip ! De regendruppel die zich bewust is van zijn oorsprong, de oceaan, kan bezwaarlijk de oceaan als zijn “gelijke” beschouwen. Toch zijn beide H2O...

Jezus mag dan wel, zoals de Boeddha, een buitengewoon mens zijn geweest, ook hij is, zoals uit de traditionele evangeliën blijkt, een mens “van vlees en bloed”, voor wie het niet altijd eenvoudig is zijn kennis in een voor zijn medemensen toegankelijke taal te verwoorden. Soms gelijken zijn uitspraken aan de koans in het zenboeddhisme...

 

 

62

jezus heeft gezegd:

ik spreek mijn verdoken woorden tot hen die ze waardig zijn  (*)

wat je rechter zal doen

je linker hoeft niet te weten wat zij doet

 

vergelijk: Mt 6, 3-4

noteer ook de hoogmoedige ontaarding in: Mt 13, 10-13 - Mc 4, 10-12 - Lc 8, 9-10

 

 

(*) het koptische woord dat vertaald werd als verdoken woorden is mysterion.

Een mysterion inderdaad, dat ook sporen heeft nagelaten in de kanonische evangeliën. Wie handelt vanuit de eenheid handelt juist. Een juiste handeling is én een dienende én een aan zijn vruchten onthechte handeling. Dus niet : met de ene hand geven en met de andere verwachten te ontvangen.

Handel omwille van de handeling, niet omwille van de vruchten” zegt Krishna in de Bhagavad Gita. “Zolang de eigen verlangens de gedrevenheid tot het handelen bepalen, verblijven we in een kringloop waar enkel lijden het gevolg van is.” zo spreekt de Boeddha. In hoofdstuk 4 van het Johannesevangelie zegt Jezus : “de zaaier en de maaier zijn één”...

De gevolgen van de handeling zijn inherent aan de handeling zelf. Wat we zaaien oogsten we : zaaier en maaier zijn inderdaad één. Er valt geen rekenschap af te leggen, noch van rechts aan links, noch aan een grote Rechter : de vereffening ligt in de handeling. Dit is inherent aan de wet van karma.

Het is de taak van de dienaar te dienen vanuit de eenheid met zijn heer. Noch wat hij dienend geeft, noch de gevolgen van zijn daden behoren hem toe. Ook de goedheid, die we zo graag aan onszelf toekennen, behoort ons niet toe... We kunnen enkel dankbaar zijn omdat we de mogelijkheid ontvangen goed te kunnen zijn. Wie aan zichzelf enige verdienste toekent bindt zich aan de vruchten van de handeling. Wie zich bindt maakt zich afhankelijk. In Zijn wet is geen ruimte voor afhankelijkheid, enkel voor een harmonische verbondenheid...

 

 

63

jezus heeft gezegd

er was een rijke man die een groot fortuin bezat

hij zei

ik zal mijn fortuin aanwenden om te zaaien te oogsten te planten

zodat ik mijn zolders kan vullen met vruchten

en van niets een tekort zal hebben

zo dacht hij bij zichzelf en die nacht stierf hij

wie oren heeft dat hij hoort

 

vergelijk: Lc 12, 16-21

 

 

Wie hier commentaar behoeft kan teruggaan naar logion 42 of 54.

 

 

64

jezus heeft gezegd

een man had gasten en nadat hij het maal bereid had

zond hij zijn dienaar om de gasten te nodigen

hij ging naar de eerste en zei hem mijn meester nodigt u

deze antwoordde

ik heb geld klaar liggen voor handelaren

vanavond komen zij bij mij en ik zal hen mijn orders geven

ik excuseer me voor het maal

hij ging naar een andere en zei hem mijn meester nodigt u

deze zei hem

ik heb een huis gekocht en moet hiervoor een dag vrijmaken

ik zal niet vrij zijn

hij kwam bij een andere en zei hem mijn meester nodigt u

deze zei hem

mijn vriend gaat huwen en ik moet het feestmaal bereiden

ik zal niet kunnen komen verontschuldig me voor het maal

hij ging naar een andere en zei hem mijn meester nodigt u

deze zei hem

ik heb een hoeve gekocht en moet de opbrengst ervan ophalen

ik zal niet kunnen komen sorry

de dienaar kwam en zei tot zijn meester

allen die je genodigd hebt hebben zich verontschuldigd

de meester zei tot zijn dienaar

ga langs de weg staan

hen die je zult ontmoeten breng hen naar hier om de maaltijd te nuttigen

waar mijn vader is zullen kopers noch handelaren binnen gaan

 

vergelijk: Mt 22, 1-10 - Lc 14, 15-24

 

 

Wat is de zin van het feestmaal waartoe zij, wij dus, genodigd zijn maar waarvan wij de waarde niet juist weten in te schatten en waarvoor wij dus ook niet de nodige aandacht opbrengen ? Is het een hemelse beloning die ons te wachten staat na deze aardse beproevingen ? De laatste lijn van het logion maakt immers duidelijk dat het bij de Vader is dat we genodigd zijn. En wie zijn zij op wie hij rekende en die het lieten afweten ? En zij die niet voorkomen op de lijst van de genodigden maar die wel op de weg te ontmoeten zijn ? Omdat zij reeds onder weg zijn komen zij in aanmerking om deel te hebben in het feestmaal... Zou dit feestmaal dan toch kunnen behoren tot de werkelijkheid van dit aardse leven...?

Het aardse paradijs, waarvan sprake in de Bijbel, beschouwen we als een sprookje. De mogelijkheid dit leven te beleven als een feestmaal kan evenmin gelden als een realistische visie. Onze dagelijkse ervaring spreekt dit grondig tegen ! Toch is het niet voor het eerst dat we in dit evangelie met een onwaarschijnlijke voorstelling geconfronteerd worden… Vanuit onze dronkenschap, ons verblijf in de armoede van de duisternis, vanuit ons pretentieus weten over God en zijn geboden, over de plaats van Zijn rijk, kortom vanuit onze hoogmoed te denken over een juiste kennis te beschikken, valt het ons bijzonder moeilijk open te staan voor een alternatief, dat het gevolg zou zijn van een juist begrip en een consequent beleven van Zijn wet van harmonie. Voor die wet, waar nochtans elke plant, elk dier, elk celletje van ons eigen lichaam spontaan naar luistert, voor haar uitnodiging is ons ikje doof geworden...

Wat jullie verwachten is gekomen, maar jullie kennen het niet werd in logion 51 gezegd. Zoals het nirwana voor de Boeddha, zo behoort ook voor Jezus het deel hebben in het koningschap van de Vader tot de realiteit van dit leven. Ook in Luc. 17, 21 zegt hij : “want het koninkrijk van God is binnenin u”... Het beleven van dit leven vanuit een bewuste verbondenheid met een absoluut levensprincipium, dat én bron is én wet, dat Jezus verbeeldt in het beeld van een vader, dit zou dus het feestmaal zijn dat ons hier en nu wordt aangeboden.

Indien dit beeld van een feestmaal, zoals dit van het aardse paradijs, toch in het scheppingsplan zou besloten liggen, wat is dan de oorzaak waardoor alles zo schromelijk is misgelopen ? Kan het scenario nu nog worden bijgestuurd ? Het antwoord op deze vragen confronteert ons met onze verantwoordelijkheid als mens in deze wereld. Want in de schepping is het enkel de mens gegeven vrij zijn handelingen te bepalen. Het prijskaartje dat aan die vrijheid kleeft heet verantwoordelijkheid, niet alleen individueel maar ook collectief. Bij logion 58 deden we een poging om de wet van karma toe te lichten : in de handeling zelf ligt de vergelding ervan. Juist handelen is harmonie herstellend, fout handelen harmonie verstorend. Handelen vanuit een foute ingesteldheid, waarin de echte levenswaarden worden miskend, zal steeds verstorende gevolgen hebben !

Dit is het dat sinds mensengeheugenis gebeurde. De Adam negeerde het gezag van de Vader, zijn wet van harmonie. Nog steeds zijn wij de Adam, zijn onze egocentrische verlangens de leidraad voor de keuzen die we maken, voor de beslissingen die we nemen. Wat boven alles heilig is in dit leven is “ik” en “mijn”. Dit is mijn gezin, mijn huis, mijn werk, mijn recht, mijn volk, mijn cultuur, mijn geloof..., mijn, mijn... We zijn dringend aan “ont-mijn-ing” toe ! Niet dat we onze eigenheden moeten verloochenen, maar een flinke dosis relativering mag best !

Een boom bestaat uit miljarden celletjes die allen luisteren naar Zijn wet. Indien die celletjes zich zouden gedragen zoals wij mensen, zou er geen boom zijn maar een hoopje stof, omdat elke harmonische coherentie zou zijn verdwenen... Niet de harmonie van het geheel maar het eigenbelang regeert onze gedragingen. Die ingesteldheid ligt, sinds de zondeval, aan de oorsprong van een spiraal van negativiteit waarvan de gevolgen nu niet meer zijn te overzien. Want onverbiddelijk straft de wet van oorzaak en gevolg elke verstoring af. Zoals Jezus in logion 28, kunnen ook wij nu enkel het onheil vaststellen en onze verantwoordelijkheid hiervoor erkennen.

Wat ons allen op dit kleine planeetje verbindt is zoveel belangrijker dan wat ons scheidt ! Oog hebben voor die waarden, die ons verenigen in de gemeenschap met eenzelfde levensbron en haar wet, vereist echter het loslaten van egocentrische bezorgdheden, die ons doof maken voor de meest essentiële uitnodiging. Wie dit heeft ingezien en de juiste weg gaat, is genodigd tot het feestmaal bij de Vader.

Welke voorstelling van deze aardse realiteit we ook voor ogen hebben, nooit kan zij een excuus zijn om onze verantwoordelijkheid hier en nu te ontvluchten. Want allen samen bepalen we nu de levenskwaliteit voor hen die na ons komen.

 

 

65

hij heeft gezegd

een welstellend man had een wijngaard

die hij aan wijnbouwers had gegeven om hem te bewerken

zodat hij de vruchten ervan uit hun handen zou ontvangen

hij zond zijn dienaar naar de wijnbouwers

om de opbrengst van de wijngaard in ontvangst te nemen

zij overmeesterden zijn dienaar sloegen hem bijna doodden zij hem

de dienaar ging en meldde dit aan zijn meester

de meester zei

misschien heeft hij hen niet herkend (*)

hij zond een andere dienaar

de wijnbouwers sloegen ook hem

toen zond de meester zijn zoon en zei

misschien zullen zij hem mijn zoon eerbiedigen

de wijnbouwers nu omdat zij hem herkenden als de erfgenaam van de wijngaard

grepen en doodden hem

hij die oren heeft dat hij hoort

 

vergelijk: Mt 21, 33-41 - Mc 12, 1-9 - Lc 20, 9-16

 

 

De regel aangeduid met (*) werd letterlijk vertaald. Vermoedelijk betreft het hier een transcriptiefout. Meer logisch zou inderdaad zijn : misschien hebben zij hem niet herkend.

Dit biologische leven ontvangen we, zoals de wijnbouwers de wijngaard ontvingen : niet als een geschenk maar in bruikleen. Een geschenk behoort ons toe, een bruikleen hebben we terug te geven... Willen we ten volle genieten van wat ons werd toevertrouwd, dan is het noodzakelijk elementaire regels te eerbiedigen. Vóór alles hebben we ons bewust te zijn en te blijven dat de mogelijkheden, die we in onszelf ervaren, ons niet toebehoren. Zij zijn slechts een bruikleen. Ook de vruchten van dit bruikleen kunnen we niet aan onszelf toekennen, zo niet vervallen we in de fout van hoogmoed : het aan onszelf toekennen van iets dat ons niet toebehoort. Dit geldt niet alleen voor de vruchten die we hier kunnen verwerven maar ook voor de kennis, het recht, de macht en zelfs de goedheid waarmee we onszelf bekleden.

Zijn de levensomstandigheden ons gunstig en beschikken we over een relatieve welstand, dan kunnen we aardig wat ontdekken en genieten in dit leven, onder meer van lekkere wijn... Daar is niets fout mee, op voorwaarde bewust te blijven van de bron waaruit we ontvangen en van haar wet van harmonie. Want genieten kan niet ten koste van anderen, noch ten koste van de harmonie in de natuur. Het is de bedoeling het bruikleen, dat ons werd toevertrouwd, zinvol aan te wenden. Dit bruikleen, de wijngaard, moeten we dus als goede dienaren bewerken zodat we optimaal de vruchten ervan kunnen oogsten.

Onze opdracht is het dienend te zijn en de vruchten van onze dienstbaarheid in dankbaarheid te verheffen tot de heer van de wijngaard. Dit is de zin van het ware offer, waardoor de mens zich verheft tot mensenkind, tot kind van de Vader. Pas dan zal hij optimaal genieten van de wijn die hij, in eenheid met zijn Heer, heeft voortgebracht. Wijn hoort nu eenmaal bij een feestmaal...

Vanuit een christelijk perspectief ligt het voor de hand Jezus hier te erkennen als de zoon die zijn status van erfgenaam met de dood heeft bekocht. Dit zou dus een profetisch beeld kunnen zijn. Dit beeld mag ons echter niet afleiden van de essentie van de boodschap, die is dat iedere mens in wezen volwaardig kind is van de Vader. De zin van de unieke erfgenaam hoort bij het gebruikte beeld, waarin wordt duidelijk gemaakt dat de mens bereid is tot het uiterste te gaan om aan zichzelf macht en bezit, die hem in wezen niet toebehoren, toe te kennen. Het beeld van de bezitter van de wijngaard staat symbool voor een werkelijkheid die van een absolute orde is. Wat zinvol is binnen de structuur van het beeld is het niet in de werkelijkheid zelf. In het absolute valt immers niet te erven...

 

 

66

jezus heeft gezegd

laat me de steen zien die de bouwlieden hebben miskend

hij is de hoeksteen

 

vergelijk: Mt 21, 42-43 - Mc 12, 10-11 - Lc 20, 17-18

 

 

De plaatsing van de hoeksteen was de aanzet bij het optrekken van een gebouw, het referentiepunt waar de bouwlieden zich op richtten. De keuze ervan was bepalend voor de kwaliteit van het gehele bouwwerk. Symbolisch verwijst de hoeksteen naar een essentiële waarde in de kennis van Jezus. De noodzakelijke voorwaarde om tot een juist religieus inzicht te komen is een persoonlijke zoektocht. Die veronderstelt een bereidheid om zichzelf in vraag te stellen, verworven waarden los te laten en in een mentale onthechting een zelfbevrijdende weg te gaan. Die hoeksteen werd echter door de religieuze leiders miskend. De sleutels tot de gnosis hielden zij verborgen. (zie logion 39) In de plaats hiervan poneerden zij hun eigen waarheden omtrent God en zijn geboden. Een vermeende, want voor de mens niet te vatten kennis, verving de ervaringskennis, macht verving gezag. Het gaan van een persoonlijke onderzoekende weg stelt echter heel wat hogere eisen dan het volgen van voorschriften van religieuze leiders...

Zoals muziek ontspringt uit de stilte en het water uit de leegte van de bron, zo ontspringt kennis uit het bewustzijn. De toestand van het bewustzijn is bepalend voor de kwaliteit van elke kennis. Enkel in een zuiver bewustzijn kan zich een juiste zelfkennis ontwikkelen. Daarom is het bewustzijn zelf de uiteindelijke hoeksteen, die de waarde van iedere persoonlijke zoektocht bepaalt.

Blijkbaar werd en wordt nog steeds die hoeksteen door weinigen erkend. In die erkenning zijn nochtans Krishna, Boeddha en Jezus verenigd. De aandacht voor het gaan van een persoonlijke weg, waarin meditatie een belangrijk onderdeel is, behoort nog steeds tot de oosterse religieuze tradities. In het Westen werden we de erfgenamen van een joods-christelijke cultuur. Zeshonderd jaren na Jezus verkondigde Mohammed zijn inzichten. Zowel het jodendom, het christendom als de islam, stoelen enerzijds op de hebreeuwse Bijbel en anderzijds op de inbeelding van mensen die zichzelf erkenden als uitverkorenen van God. Hun vermeende kennis van het onkenbare, leidde en leidt nog steeds tot een religieus dogmatisch denken met zovele pijnlijke confrontaties tot gevolg.

 

 

67

jezus heeft gezegd

wie het al kent

indien hij verstoken is van zichzelf

is hij verstoken van het gehele veld

 

 

Zelfkennis zou dus de basiswaarde zijn, waarvan de kwaliteit van elk menselijk weten omtrent het gehele veld van kennis afhankelijk is. Zelfkennis is de “kennis van de kenner”, van het wezen van het eigen “zelf”, die de begoochelingen, door het ik-bewustzijn in het leven geroepen, heeft doorzien en overstegen.

Binnen de natuurlijke rijkdom, waarin zijn levensgeluk een vervulling kan vinden, heeft de mens zichzelf verheven tot heerser in de schepping. Alles behoorde hem toe. In die dronkenschap negeerde hij de bron van zijn mogelijkheden en haar inspirerende wet, die in alles de harmonie tot uitdrukking brengt. De duisternis van onwetendheid werd zijn deel. In vermeende kennis berust nog steeds zijn schijnmacht… Tot een juist inzicht komen in zichzelf betekent : zich bewust worden binnenin zichzelf verbonden te zijn met een absolute bron en in die verbondenheid zijn dienende taak als mens erkennen. Dit inzicht impliceert dus het bestaan van een “zelf”, dat een raakvlak heeft met de absolute werkelijkheid. Dit “zelf” is het ik, dat ontdaan is van zijn psychische en somatische kenmerken. In dit “zelf” is iedere mens op eenzelfde wijze één met de bron. Doorheen dit “zelf” geeft de Geest vorm en inhoud aan structuren, waarin zowel het lichaam, de psyche als het ego hun bedding vinden.

Iedere boom is verschillend en toch op eenzelfde wijze verbonden met de aarde : door zijn wortels. Doorheen zijn wortels ontvangt hij het levensvocht uit de aarde. Aan de oppervlakte van de fijnste wortelharen, daar waar de transformatie plaats vindt van het grondwater naar het individuele sap, waardoor elke boom tot een unieke individuele expressie kan uitgroeien, daar ligt het mysterie van het individuele “zelf”...

Om zijn finaliteit waar te maken en te dienen door talrijke vruchten voor te brengen, moet elk zaadje in de eenheid met de goede aarde een “ontmantelingproces” doormaken. Wie in zichzelf de rijkdom van de bron wil ervaren moet evenzo, in een gerichtheid naar de leegte binnenin zichzelf, elke mentale gebondenheid aan het ik loslaten. In die onthechting reveleert zich de totale waarde van de besnijdenis in de geest. Pas dan kan die rijkdom zich reveleren doorheen de individuele eigenheid die besloten ligt in het “zelf”.

In die zelfkennis, het bewustzijn in het diepste van zichzelf één te zijn met het hogere, de universele levensgrond, de leegte waarvan alles doordrongen is, ligt de waarde en de verantwoordelijkheid van ieder individueel leven. In dit bewustzijn bestaat de verleiding niet langer de vruchten die wij voortbrengen aan ons ik toe te kennen !

Het relativeren van de ik-waarde, het herplaatsen ervan binnen de context van een universele harmonie, houdt nochtans geen miskenning in, laat staan een negatie van de ik-waarde. Steeds zal in de mens zijn ego het centraliserende principe van het individuele bewustzijn zijn. Dit ego is dus een grote schat ! Maar binnen de wet van harmonie dient elke individuele eenheid de eenheid van het geheel. In die dienstbaarheid bestaat er geen onderlinge afhankelijkheid : het ene maakt zich niet belangrijker dan het andere. Machtsverhoudingen zijn hier niet aan de orde... Van die wet heeft de mens zich echter afgescheiden. De dienende opdracht van zijn ego werd miskend en maakte plaats voor het dominerende ego. Door zijn hoogmoed werd hij bedronken. Wat steeds een grote schat is, werd zo zijn grootste vijand...

 

 

68

jezus heeft gezegd

gelukkigen zijn jullie wanneer men jullie haat en vervolgt

en er in jullie geen spoor zal zijn gevonden

waar jullie zijn vervolgd

 

vergelijk: Mt 5, 11 - Lc 6, 22

 

 

Een correcte vertaling van de laatste twee regels is bijzonder delicaat! Spoor is een mogelijke vertaling voor plaats of plek (topos). Waar vertaald werd door waar, staat letterlijk in de plaats. De betekenis komt hoe dan ook steeds op hetzelfde neer: indien jullie door anderen worden vervolgd zal men, binnenin jezelf, geen kwetsbare plaats vinden...

Wanneer het ik zich heeft onthecht, zijn eigenwaarde heeft losgemaakt zowel van zijn psychische als van zijn somatische kenmerken en zich bewust is geworden van zijn ware “zelf”, is het onkwetsbaar voor vervolgingen door anderen. Lijden en pijn behoren tot het gebied van het lagere en gelden zolang het ik afhankelijk is van de  wetten van het lagere. Daarom draagt tenslotte ieder de oorzaak van het eigen lijden in zich... Een totale zelfbevrijding houdt in dat de wet van karma kan worden overstegen en dus ook het door anderen aangerichte kwaad... Een kaakslag op de rechter of de linker wang zal niet meer deren...

Ook dit mooie sprookje, dat eveneens in de kanonische evangeliën is terug te vinden, is nauwelijks te verzoenen met een realistische levensvisie ! Toch leert de ervaring van het gaan van de weg dat het gevoel van kwetsbaarheid, hoewel het steeds aanwezig blijft, toch in opmerkelijke mate kan verminderen. Hoe meer we in onszelf het licht ervaren, des te minder we ons door schaduwbeelden laten verstoren... Hoewel dit ideale beeld moeilijk te aanvaarden is, toch voedt elke positieve ervaring op die weg een droom van iets dat nog mooier kan zijn...

De getuigenis van Jezus is gedragen door zijn ervaringskennis, zijn gnosis. Hier is zijn boodschap : wanneer jullie verblijven binnen de harmonie van de eenheid, kunnen jullie niet meer geraakt worden door het kwade opzet van anderen. Dit zou dus in de eerste plaats moeten gelden voor hemzelf. Kan het dan zijn dat hijzelf zou hebben geleden...? Wat hebben mensen menen waar te nemen en wat was de innerlijke werkelijkheid binnenin hem...? Wat is overigens de zin van de verheerlijking van het lijden...? Kan het lijden van een mens, dat tenslotte de consequentie is van een innerlijke disharmonie, voor anderen enige verlossende waarde hebben...? Is het wel zinvol aan de kruisdood van één man een verlossende waarde toe te kennen voor een ganse mensheid...? Werd, door de verheerlijking van het kruis in het spoor van een pauliniaanse theologie, de bevrijdende waarde van zijn woord niet totaal genegeerd...? Betekent de verlossing door het kruis voor de christenen ook niet een gemakkelijkheidoplossing...?

 

 

69

jezus heeft gezegd

gelukkigen zijn zij die vervolgd werden in hun hart

zij zijn het die waarlijk de vader hebben gekend

gelukkigen zijn zij die hongerig zijn

want wie wil diens maag zal verzadigd worden

 

vergelijk: Mt 5, 6 - Lc 6, 21 - Jn 4, 14 en 7, 37-38

 

 

Dit logion is te associëren met het vorige, met logion 58 ook. Elke ervaring van lijden of pijn is slechts een middel waardoor we ons bewust kunnen worden van onze kwetsbaarheid, van onze begrenzingen. De zin van wat ons kan overkomen is niet te achterhalen. De gevolgen van de karmische wet stellen voortdurend ons rechtvaardigheidsgevoel op de proef. Het inzicht waarmee we kunnen oordelen is niet van een absolute orde... In die begrenzing ligt ook onze kwetsbaarheid.

Elke beproeving kan een gelegenheid zijn om iets wijzer te worden. Hoe meer we aan vergankelijke waarden gehecht zijn - en ook mensen zijn vergankelijk - des te sterker we onze kwetsbaarheid ervaren. Die ervaring hebben we helaas nodig om in te zien welke banden ons kwetsbaar en welke ons sterk maken, in welke verbondenheid we ons leven kunnen vestigen. Want de duisternis bestaat slechts bij de gratie van het licht... Wie hunkert naar licht, wie hongerig is naar harmonie, kan in zichzelf de bron ontdekken en de sterkte ervaren die zij bieden kan.

In het vierde hoofdstuk van het Johannesevangelie wordt het beeld van het water uit de bron ingeruild voor dit van het brood. De betekenis van de beeldspraak blijft evenwel ongewijzigd. Wie de ware bron in zichzelf ontdekt, zal niet enkel nooit meer dorstig of hongerig zijn maar bovendien zelf bron zijn. “Zij die het manna uit de hemel hebben gegeten zijn gestorven, maar wie het brood eet dat de Vader geeft zal leven.” (Joh. 6, 30 en vlg) Een voorwaarde evenwel om dit brood te waarderen is hongerig te zijn...

 

 

70

jezus heeft gezegd

wanneer jullie dit in jezelf laten ontstaan

dit dat van jezelf is zal jullie redden

indien jullie dit niet in jezelf hebben

dit dat niet van jezelf is zal jullie doden

 

 

Het leven is een spontaan groeiproces, gestuurd door een absolute wet. De dienende opdracht van de zaaier is te zaaien. Wat binnenin de goede aarde ontstaat behoort niet meer tot zijn bevoegdheid. Het gebeurt spontaan. (zie o.m. logia 96 en 97) Zo ook het nieuwe dat in het bewustzijn kan ontluiken. Om dit in onszelf te laten ontstaan is het evenwel noodzakelijk iets te doen aan de ontvankelijkheid van het bewustzijn. Die grond is nog geen goede aarde... Willen we ontvankelijk worden dan moeten we vóór alles bewust worden van de verstoringen in het eigen bewustzijn, van de balk in ons oog en hieraan verhelpen. Dit kunnen we slechts door een weg van innerlijke zuivering te gaan. Pas dan kan het leven, door een integratie van het hogere in het lagere, zich geleidelijk reveleren in een meer harmonische vervulling.

Wat de vrucht is van het hogere heeft een absolute waarde. Dit is geen bruikleen meer maar een geschenk...! Wie het licht ontvangt is geen duisternis meer. Wie dit niet in zich heeft is dodelijk ziek...

 

 

71

jezus heeft gezegd

ik zal dit huis omvergooien

en niemand zal het kunnen heropbouwen

 

 

Opnieuw worden we geconfronteerd met de vraag in welke omstandigheid deze woorden werden gesproken. Wat is de betekenis van het huis waarvan sprake ? Het kan toch niet de opdracht zijn van een mensenkind te vernietigen, te vechten “tegen”, omver te gooien... Een zinvolle interpretatie konden we slechts bedenken in een associatie met logion 66 en zijn hoeksteen.

Wanneer de juiste hoeksteen door de bouwlieden wordt miskend kan het gebouw niet degelijk zijn. Door het omver te gooien kan dit worden duidelijk gemaakt. Hoeveel “heilige huisjes” werden niet opgetrokken op meer dan dubieuze hoekstenen...?

 

 

72

een man zei hem

spreek mijn broeders aan

zodat zij de goederen van mijn vader met mij delen

jezus zei hem

man wie heeft van mij een bemiddelaar gemaakt

hij keerde zich tot zijn discipelen en zei hen

ben ik een bemiddelaar

 

vergelijk: Lc 12, 13-15

 

 

De taak van Jezus is verheven boven de wetten die de orde in het lagere regelen en die door mensen werden bedacht. Verordeningen, ook democratisch gestemde wetten, kunnen goed zijn of niet. Hiermee heeft hij zich niet in te laten... Wanneer, overeenkomstig de wet, een vrouw zou worden gestenigd, nam Jezus geen standpunt in tegen een vonnis of een wet. Hij zei enkel dat wie zonder fouten was de eerste steen kon gooien... Hij confronteert de mens met zichzelf, met zijn verantwoordelijkheid in dit leven.

Anderzijds is Jezus ook niet te beschouwen als een bemiddelaar tussen de Vader en de mensen. Zoals het licht, heeft zijn woord een verhelderende functie. Licht verlicht maar bemiddelt niet... De relatie tussen de mens en zijn diepste zijnskern is intiem en persoonlijk. Noch “het geloof” in een of andere interpretatie van zijn woord, noch het kruis, houden een verlossing in ! Maar wie zich ontvankelijk maakt voor zijn woord en zelf een zoekende weg gaat, kan in zichzelf een bevrijdend inzicht ervaren. Die weg van verlossing heeft ieder voor en in zichzelf te gaan, zonder bemiddelaar... Zo nodig even terug gaan naar logion 38.

 

 

 

73

jezus heeft gezegd

in wezen is de oogst overvloedig

de arbeiders daarentegen zijn zeldzaam

verzoek dus de meester dat hij arbeiders stuurt naar de oogst

 

vergelijk: Mt 9, 37-38 - Lc 10, 2

 

 

In zijn volheid staat het leven ons ter beschikking, want de oogst - het feestmaal - is overvloedig. De zeldzame arbeiders, die de plaats van de oogst bereiken, doen ons terugdenken aan hen die in logion 64 werkelijk toegang kregen tot het feestmaal, omdat zij reeds onder weg waren. Het gaan van de weg vereist inderdaad een bewuste inzet, de bereidheid te zoeken, in vraag te stellen, het bewustzijn uit te zuiveren, zodat het ontvankelijk kan worden voor die unieke uitnodiging. Waar het begin is, de plaats waar werd gezaaid, waar zaad en goede aarde één werden, daar is ook de plaats van de oogst ! Wie de plaats van de eenheid kent, kent ook de weg erheen en zal deel hebben in de oogst: “ik ben de weg, de waarheid en het leven”... (Joh 14, 6) Zoals voor het feestmaal ligt ook hier de uitnodiging bij de meester, de Vader. Het antwoord ligt echter bij de mens zelf.

Ook dit beeld van de overvloedige oogst valt moeilijk te verzoenen met een realistische levensvisie. Is de verwachting van een oogst in het hiernamaals nochtans meer realistisch...?

 

 

74

hij heeft gezegd

meester talrijk zijn zij rond de put

niemand daarentegen in de put

 

75

jezus heeft gezegd

talrijk zijn zij die zich ophouden bij de deur

maar zij die monachos zijn

zij zijn het die de plaats van de bruiloft zullen binnengaan

 

 

In logion 74 maakt Jezus gebruik van het beeld van een waterput, die in schrale gebieden een bron is van leven. In logion 75 heeft hij het over de plaats van de bruiloft, daar waar het feest wordt gevierd van de eenheid waarin het nieuwe leven ontstaat. De symboliek van de bron werd reeds bij herhaling gebruikt en toegelicht. (zie o.m. logion 29) De symboliek in het beeld van de bruiloft is identiek aan die in het beeld van het zaad en de goede aarde. Zowel voor de bron als voor de bruiloft is het de uitnodiging naar binnen te gaan...

Voor ieder is het nu duidelijk dat het biologische leven ontstaat uit de eenheid van het mannelijke en het vrouwelijke, van een zaadcel en een eicel. Dit beeld verheffen tot een spirituele werkelijkheid bleek echter een bijzonder moeilijke opgave te zijn, waar men in de evangeliën duidelijk aan is voorbijgegaan. Blijkbaar was het toen cultureel niet denkbaar aan de vrouw een gelijkwaardigheid met de man toe te kennen. (zie verder logion 114!) In zijn verheffing van Jezus tot de status van zoon van God was het voor Paulus ondenkbaar dat hij zou bezoedeld zijn door enige seksuele activiteit. Bij de voorstelling van Jezus als bruidegom hoorde dus geen bruid... Toch slaagt men erin aan die absurde amputatie nog een zin toe te kennen ! We weten hoe de Kerk later voor zichzelf die lacune heeft bijgesteld...

Rond de plaats van de bruiloft vertoeven is zinloos, rond de put evenzeer. Wat maakt het verschil uit tussen een buitenstaander en hem of haar die binnenin is? Het antwoord in logion 75 is duidelijk : de monachos. Zij die rond de put kuieren, die nieuwsgierig vóór de deur samentroepen, geprikkeld door het onbekende, verkiezen toch de veilige grond die hun voeten draagt of de beschermende zekerheid binnen de “vertrouwde muren” van hun geloof... Nieuwsgierigheid betekent nog niet de bereidheid om los te laten en zelf een zoekende weg te gaan !

De monachos heeft zichzelf in z’n geest vrij gemaakt, heeft zijn of haar eigenwaarde gerelativeerd ten aanzien van normen die in de samenleving gelden. Hij of zij is tot het inzicht gekomen dat het wezen van het eigen zelf verbonden is met een absoluut Zijn en heeft in die verbondenheid de dienende opdracht van het eigen ik erkend. In het licht van die éne verticale verbondenheid werden horizontale banden losgelaten. Onthecht, bevrijd, is de monachos één geworden in de bron en deelt in het feest van de bruiloft.

Niet het uiterlijke vertoon maar de innerlijke ingesteldheid is in dit relatieve bestaan het kenmerk van de monachos. De practische weg die gekozen wordt om hieraan een uitdrukking te geven is niet belangrijk. Hoe met de waarden in de menselijke samenleving wordt omgegaan vindt zijn motivering in het licht van een bewustzijn van hogere waarden. Het is niet de opdracht van de monachos de disharmonie in het lagere te ontvluchten of te bestrijden maar het innerlijke licht te laten doorstralen in het lagere.

Het gaan van een spirituele weg veronderstelt een gerichtheid naar het innerlijke. Die gerichtheid maakt deel uit van een natuurlijk evenwicht dat bepalend is voor de evolutie van iedere mens. De vrijheid een persoonlijk zoekende weg te gaan werd echter in onze cultuur door het religieuze gezag miskend. Die weg werd voor ons bepaald door geboden en verboden, waaraan de dreiging van een helse verdoemenis verbonden werd. Op die wijze dacht de Kerk de boodschap van Jezus - of was het vooral die van Paulus... - te moeten vertolken.

De laatste decennia stellen we in onze westerse wereld een toenemende behoefte vast voor een vernieuwende spirituele beleving, geïnspireerd door de oosterse tradities. Dit fenomeen wordt ook wel het “new age” syndroom genoemd. Dit evangelie is echter zoveel meer dan een “new age” buitenbeentje. De ommekeer, waartoe Jezus zijn medemensen twintig eeuwen terug uitnodigde, was toen blijkbaar te radicaal om ontvankelijk te kunnen zijn. Vandaag is zijn uitnodiging niet minder actueel. Toch is het de vraag wat de mensheid heeft geleerd uit twintig eeuwen geschiedenis... of de mens vandaag toe is aan een grondige en noodzakelijke introspectie... of hij in staat is de vrijheid, het onderscheidingsvermogen, de liefde en de verantwoordelijkheid, die hem werden toevertrouwd, in een spirituele verbondenheid met de bron van zijn mogelijkheden te beleven...

 

 

76

jezus heeft gezegd

het koninkrijk van de vader is gelijkend aan een koopman

die goederen bezat en een parel ontdekte

de koopman was een wijze man

hij verkocht de goederen en kocht voor zichzelf die unieke parel

zo ook jullie zoek naar de schat die niet vergaat

die daar verblijft waar geen mot erin kan komen en opeten

noch de worm hem kan vernietigen

 

vergelijk: Mt 13, 45-46 en 6, 19-20 - Lc 12, 33

 

 

Dit logion doet terugdenken aan de keuze van de attente visser uit logion 8. Hier opteert de wijze koopman voor de onvergankelijke waarde van de parel boven het vergankelijke van zijn goederen. Opnieuw wordt de waarde van het onderscheidingsvermogen benadrukt. In tegenstelling tot de kanonische evangeliën, waarin vooral gevoelswaarden, zoals naastenliefde en offerzin aan de orde zijn, doet dit evangelie zoveel vaker beroep op een juiste intelligentie. Het religieuze denken werd echter sinds eeuwen aan banden gelegd. Zoals we de mogelijkheid ontvangen om lief te hebben en het daarom ook tot onze verantwoordelijkheid behoort liefde tot uitdrukking te brengen, zo behoort het evenzeer tot onze verantwoordelijk de mogelijkheid om juist te denken optimaal te gebruiken. Wat we in liefde kunnen geven kan slechts waardevol zijn indien het berust in een juiste kennis...

 

 

77

jezus heeft gezegd

ik ben het licht dat op hen allen schijnt

ik ben het al

het al is uit mij gekomen (*)

het al is tot mij gekomen

klief het hout daar ben ik

hef de steen daar zal je mij ontdekken

 

vergelijk: Jn 8, 12

 

 

(*) We vermoeden hier een omwisseling van lijn 4 en 5. De ervaring van het innerlijke licht, van de leegte waar het al van doordrongen is, is immers voorafgaand aan de expressie ervan...

Een eenheidsbeleving, waarvan ook mystici en yogi’s getuigen, is nauwelijks onder woorden te brengen. Woorden behoren immers tot de relatieve werkelijkheid, die zich uit in dualisme. Het licht en zijn bron zijn één. Wie het licht in zichzelf erkent, is één met het licht en dus één met de bron, die ook leegte is. Leegte is “dat” waar alles - het al - van doordrongen is, dat de expressie van elke vibratie, van elk elementair deeltje mogelijk maakt. In het lagere drukt “dat” zich uit in energie en materie, in beelden en kleuren. In het diepste zelf van de monachos wordt het ervaren als een alles begeesterend licht : “ik ben mens omdat de leegte mij doordringt van haar licht en mij verheft tot lichtbron.” Dit is geen zelf verheerlijkende uitspraak maar de erkenning van de eigen dienende integratie in een absolute levenswet.

Wie in het lagere ziet, onderscheidt enkel kleuren. Wie het licht kent, kent alle kleuren. Wie in de leegte de bron erkent, ziet het al in zichzelf en zichzelf in het al. Het verwijt van pantheïsme, dat aan dit logion wordt toegeschreven, hoort bij hen die zien met twee ogen en enkel kleuren onderscheiden. Voor het licht in de kleuren zijn hun ogen nog te blind...

 

 

78

jezus heeft gezegd

waarom zijn jullie naar buiten gekomen in het veld

om een rietstengel te zien beroerd door de wind

en om een mens te zien gehuld in fijne klederen

daar zijn jullie koningen en jullie oversten

zij dragen fijne klederen

en de waarheid zullen zij niet kennen

 

vergelijk: Mt 11, 7-10 - Lc 7, 24-27

 

 

Waar komt de rietstengel vandaan en vanwaar de wind die hem beroert...? Zij getuigen van een zuiver, spontaan en natuurlijk leven. Ook doorheen een kennis van de natuur en haar wetten kunnen we ons bewust worden van de relativiteit van elk menselijk weten en kunnen. Aan de grondslag van de expressie van het natuurlijke leven ligt een absolute wet van harmonie. In de erkenning van een permanente verbondenheid van elke relatieve expressie met haar absolute bron ligt de basis van het universele religieuze bewustzijn.

Onze interesse gaat echter zoveel vlotter naar een kunstmatig spektakel van hooggeplaatste heren, die zichzelf hebben bekleed met mooie gewaden. Toch is het niet bij die heren, die getooid in mooie klederen het voor het zeggen hebben, dat we wijsheid kunnen opdoen. De natuur is voor ons een zoveel wijzere leermeester dan een stoet professoren of kardinalen...

 

 

79

een vrouw uit de menigte zei hem

zalig de buik die je gedragen heeft

en de borsten die je gevoed hebben

hij zei haar

zalig zij die het woord van de vader hebben gehoord

en het in waarheid hebben bewaard

er zullen inderdaad dagen zijn waarop jullie zullen zeggen

zalig de buik die niet heeft gebaard

en de borsten die geen melk hebben gegeven

 

vergelijk: Lc 11, 27-28 en 23, 29

 

 

De geschiedenis van de joden, het door Jaweh uitverkoren volk, is overschaduwd door vreemde overheersingen. Zoals ook Paulus hiervan uitdrukkelijk getuigde, was de hoop op of de verwachting van een reële bevrijding bij de joden levendig aanwezig. Want eens zou het herstel van Gods rijk er komen. Hiervoor was evenwel de komst van een Messias noodzakelijk. Wellicht erkende de vrouw in Jezus een soort verlossende engel, die misschien wel die Messias kon zijn. Helaas moet hij de vrouw ont-goochelen. Zij staan niet op dezelfde golflengte...

De bevrijding waar de joden op rekenen is een illusie, zoals het verbond dat zij met Jaweh menen te hebben een illusie is. Het is niet eenvoudig diep ingewortelde overtuigingen, die een antwoord bieden op existentiële angsten, in vraag te stellen. Dit geldt zowel voor de mens van de eenentwintigste eeuw als het toen voor de joden gold. De realiteit, verbeeld in het rijk van de Vader, bestaat maar beantwoordt niet aan de verwachting van de joden. De komst van het koninkrijk is niet de gebeurtenis aangekondigd in de Hebreeuwse Bijbel ! Wel is het een individuele innerlijke ervaring, die zich reveleert door zelf een bevrijdende weg te gaan. Die gnosis, het woord van de Vader aan de mens, kan geen mens aan een ander voorhouden. Dit poogt Jezus aan de mensen duidelijk te maken. Helaas, zij luisteren niet... Hij kan enkel het misverstand vaststellen en hen behoeden voor foute verwachtingen en misplaatste “alleluja’s”.

De wet van karma zal haar taak blijven vervullen en blijvend verstoringen afstraffen, ook doorheen onschuldige slachtoffers... Dit is wellicht in strijd met ons rechtvaardigheidsgevoel en met het beeld van een goede en rechtvaardige God. Voor beelden zijn enkel mensen verantwoordelijk... De wet is wat zij is, onaantastbaar en onverbiddelijk...

 

 

80  zie logion 56

 

81

jezus heeft gezegd

wie zich belangrijk heeft gemaakt dat hij zich koning maakt

en wie macht bezit dat hij verzaakt

 

110

jezus heeft gezegd

wie de wereld heeft gevonden zich belangrijk heeft gemaakt

dat hij de wereld verzaakt

 

 

Gezag en macht zijn twee begrippen die in onze samenleving, en vermoedelijk sinds mensengeheugenis, heel vlot worden verward. De natuurlijke vrucht van kennis, ooit gesymboliseerd in de paradijselijke appel, is gezag. Misbruik van kennis leidt tot macht. In gezag is kennis dienend en dus bevrijdend naar de anderen toe. Wie daarentegen macht uitoefent dient enkel zichzelf en begrenst de vrijheid van een ander. Die verwarring is ook de erfgenamen van de discipelen zuur opgebroken. Sinds de romeinse keizer Constantinus in de vierde eeuw het christendom als staatsgodsdienst erkende, zouden het religieuze gezag en de wereldlijke macht, God en caesar, hand in hand gaan. Uiteraard kan dit niet. Zeker niet in naam van Jezus, de dienende, die zich nooit aan de kant van de machtigen opstelde maar steeds partij koos voor de zwakkeren. In Jezus zelf ligt immers de getuigenis besloten dat gezag, dat berust in een juiste religieuze kennis, nooit aanleiding kan geven tot macht...

Haar vermeende kennis van God drukte de Kerk uit in geboden en verboden, die zogenaamd van goddelijke inspiratie en bijgevolg onbespreekbaar waren en nog steeds zijn. Die kennis was echter niet dienend, niet bevrijdend voor de mens maar dwingend : kennis werd macht... Wie omgaat met macht ondergaat de wet van de leeuw. Verzaken aan iedere betrokkenheid bij de uitoefening van macht is daarom de evidente boodschap die in beide logia besloten ligt.

In logion 81 blijkt opnieuw dat de titel van koning niet te verwarren is met het uitoefenen van macht ! Ook van een koning hoort het gezag dienend te zijn... De verwarring tussen gezag en macht heeft haar oorsprong in het individuele bewustzijn en behoort dus tot de verantwoordelijkheid iedere mens. Wanneer, door een bewustzijnsbeneveling, het eigen ik hoogmoedig wordt en aan zichzelf macht toekent, gaat het in de fout. Hiervan getuigt het verhaal van de zondeval. Adam - de mens - eigende zich de vrucht van de boom van kennis - het gezag van de Schepper - toe en verhief hierdoor zichzelf tot de dirigerende leider in de schepping. Hij verwarde hebben met zijn, nemen met geven. Het gebaar van Adam was niet gevend maar nemend... De wet van karma strafte dit ongenadig af. Toch is zijn hoogmoed nog steeds ons deel en zijn we, ondanks het kruis, hiervan nog steeds niet bevrijd...

Het inzicht in de noodlottige gevolgen van onze hoogmoed conditioneert in een niet geringe mate onze respons op de uitnodiging van Jezus in dit evangelie.

 

 

82

jezus heeft gezegd

wie mij nabij is is bij de vlam

en wie ver van mij is is ver van het koninkrijk

 

Origenes (Homelia in Jeremiam 20, 3) :  “ik las ergens dat de Verlosser gezegd heeft - ik vraag me af of die woorden in de mond van de Verlosser werden gelegd, of ze gewoon uit het geheugen komen, dan wel of dit ware woorden zijn - hoe dan ook, ziehier wat de Verlosser zei: wie mij nabij is is bij het vuur, wie ver van mij is is ver van het koninkrijk.

 

 

Afgezien van de zon en de maan was een vlam toen de enige bron van licht. De bron van het ware licht ervaart Jezus binnenin zichzelf. Wie hem nabij is, is bij de bron. Nabij Jezus zijn betekent uiteraard geen fysische nabijheid. De ervaring van een spirituele verbondenheid berust noch in ruimte noch in tijd. Wie tot het bewustzijn komt dat het zijne is, ook al is hij of zij in tijd en ruimte ver van hem verwijderd, zal het licht ervaren en met hem één zijn in het koningschap.

 

 

83

jezus heeft gezegd

beelden verschijnen aan de mens

en het licht binnenin {het beeld} is verborgen

in het beeld van het licht van de vader zal het zich onthullen

en zijn beeld is verborgen door zijn licht

 

 

Dit logion is een ware doordenker ! De symboliek van het licht werd reeds bespeeld in logion 50. Licht laat toe te zien maar zelf is het onzichtbaar ! ‘s Nachts zien we de maan. Rondom de maan is alles duisternis. Toch weten we dat de maan geen licht geeft. Zij weerkaatst enkel het zonlicht, dat er dus wel is maar onzichtbaar voor ons oog. Zo heeft ook een filmprojectie een scherm nodig om de beelden die in het licht zijn zichtbaar te maken. Het licht “dient” om, in harmonie met de materie, het beeld dat het in zich draagt zichtbaar te maken.

Het licht van de Vader is een ander soort licht. Het is het innerlijke licht, dat bron is van inspiratie tot kennis, liefde en juist handelen. Het wordt ook pneuma genoemd, de Geest, de “adem” van de Vader. Enkel door dit licht is de realiteit, gesymboliseerd in het beeld van de Vader, te ervaren binnenin onszelf. Die ervaring houdt evenwel geen kennis in van de bron zelf...

Zoals op een zonnige zomerdag het beeld van de zon verborgen is door haar licht, zo zal het beeld van de Vader steeds verborgen zijn... door Zijn licht ! Geen mens kan zich ooit beroepen op een kennis van de Vader, hij kan enkel verblind zijn... Och arme theoloog...

 

 

84

jezus heeft gezegd

de dagen dat jullie jullie gelijkenis zien zijn jullie verblijd

wanneer jullie daarentegen jullie beelden zullen zien

die vóór jullie waren in het begin

die niet sterven noch naar buiten zichtbaar worden

hoeveel zullen jullie verdragen

 

 

Het thema van licht en beeld is ook hier aan de orde. In de beelden die we van onszelf opvangen, doorheen de spiegel die anderen ons voorhouden, erkennen we ons ik. Die spiegelbeelden kunnen ons verblijden of ontgoochelen, maar zij zijn niettemin bepalend voor het beeld dat we van onszelf hebben. Hoe belangrijk het zelfbeeld ook mag zijn, toch is de waarde ervan slechts relatief, want het is gedragen door waarden uit het lagere, die steeds aan veranderlijkheid onderhevig zijn. Willen we het werkelijke beeld achter het ik-beeld zien, dan is het noodzakelijk het relatieve te overstijgen. Want het “zelf”, waarvan het ik slechts het tijdelijke en tastbare beeld is, berust in het innerlijke licht dat tijdloos en onzichtbaar is. Daarom is het ook onkwetsbaar. In dit zelf is iedere mens op eenzelfde wijze één met de Vader. Zo nodig even teruggaan naar logion 67.

 

 

85

jezus heeft gezegd

adam is ontstaan uit een grote kracht en een grote rijkdom

en hij is jullie niet waardig geweest

indien hij immers waardig was geweest

zou hij de dood niet hebben gesmaakt

 

 

Jezus valt terug op een voor zijn discipelen vertrouwd beeld. Het verhaal van Adam is hen bekend. Zijn fout evenzeer. Toch blijft het een indringende vraag hoe het beeldverhaal uit de Bijbel door mensen begrepen werd. Was de zondeval van Adam een eenmalige fout van ongehoorzaamheid van één mens, waarvoor de ganse mensheid door God werd afgestraft of symboliseert hij de hoogmoedige houding van de mens, die aan zichzelf een gezag heeft toegekend, dat enkel tot “het hogere” behoort ?

De wet van harmonie is absoluut en hoort dus bij het hogere. Zij stuurt de uitdrukking van het leven in haar niet te overziene verscheidenheid. Aan die wet is alles onderworpen. Van die wet kan geen mens zich het gezag toe-eigenen. Gebeurt dit wel dan is dit een daad van hoogmoed. Door zijn daad heeft de Adam zich afgescheiden van het ware gezag dat het leven stuurt : een grote kracht en een grote rijkdom.

Nog steeds zijn wij met z’n allen de Adam en kennen wij aan onszelf ongeoorloofd gezag en kennis toe. Sinds Abraham en tot op heden stellen mensen zich voor een “goddelijke wil” te verwoorden. Nog steeds denken zovelen de waarheid in pacht te hebben en hierdoor macht over een ander te kunnen uitoefenen. Van die oerzonde zijn we, ondanks het kruis, nog helemaal niet verlost ! Het bewustzijn van onze hoogmoed, waardoor we nog steeds de bron miskennen waaruit de Adam is ontstaan, is de voornaamste voorwaarde om, door een juiste zelfkennis, een weg van verlossing te gaan en onze dienende opdracht als mens te vervullen.

De uitdrukking “hij is jullie niet waardig geweest” kan het vermoeden wekken dat Jezus zijn discipelen beschouwt als volmaakte wezens. In dit evangelie blijkt echter zo vaak het tegendeel. Vermoedelijk alludeert hij hier aan het beeld uit het vorige logion : het absolute potentieel dat in ieder mensenkind aanwezig is.

 

 

86

jezus heeft gezegd

vossen hebben hun hol en vogels hun nest

maar de mensenzoon heeft geen plaats

om z’n hoofd neer te leggen en te rusten

 

vergelijk: Mt 8, 19-20 - Lc 9, 57-58

 

 

De natuur is de universele baarmoeder waaruit mens en dier biologisch zijn ontstaan, de voedingsbodem ook waarin zij zich in vrijheid kunnen ontwikkelen, een wijze leermeester bovendien, nu eens hard en pijnlijk dan weer prachtig genietbaar. Als een ware moeder is zij dienend om ons de juiste waarden van harmonie bij te brengen. Want de wet die de ganse natuur stuurt is ook de stem waar ieder celletje van ons lichaam spontaan naar luistert... Binnenin de mens is de verfijning van zijn bewustzijn evenwel zodanig dat hij zich, in zijn relatie tot de natuur, superieur gaat voelen. In een zekere mate is hij immers in staat de natuur te beheersen, dieren aan zijn wil te onderwerpen.

Maar ook hier heeft de hoogmoed van de Adam toegeslagen. De mens kan de natuur niet straffeloos naar zijn hand, laat staan naar zijn profijt, zetten. Zij is een bruikleen waarvan niets hem toebehoort, geen plaats, geen hol of nest. Ook hier geldt de wet van karma en krijgt de Adam onverbiddelijk het deksel op de neus. Toch blijft hij nog steeds te blind voor de talrijke waarschuwingen die de natuur hem toestuurt. De noodzaak te leven in een harmonische verbondenheid met de natuur is nochtans een toekomst gerichte bezorgdheid die zoveel concreter is dan de erkenning van een absolute bron van harmonie zowel in de natuur als binnenin onszelf... Indien echter een innerlijke harmonie ontbreekt, kan ook de harmonie met onze omgeving slechts utopisch zijn !

 

 

87

jezus heeft gezegd

armzalig is het lichaam dat afhankelijk is van een lichaam

en armzalig is het innerlijke zelf dat afhankelijk is van deze beide

 

 

Het vorige logion belichtte de mens in zijn relatie met zijn natuurlijke leefomgeving. In dit logion worden we geconfronteerd met onze afhankelijkheid van het lichamelijke. Zoals de natuur een bruikleen is waarin de mens zich harmonisch kan ontwikkelen, zo is ook ons lichaam een bruikleen dat we individueel ontvangen. Het is het middel waarlangs het ik, doorheen de psyche, tot een persoonlijke expressie kan komen. Zoals de natuur is ook het lichaam dienend om de wet van harmonie in onszelf te erkennen en te beleven.

Het bewustzijn, dat werkzaam is doorheen de meest verfijnde structuren van het centrale zenuwstelsel, dient om door juist te handelen de harmonie naar buiten toe uit te drukken. Harmonie in voelen is liefde, harmonie in denken is intelligentie. Beide zijn noodzakelijk om horizontaal tot een harmonisch beleven te komen. Het bewustzijn dient evenzeer om, in een verticale gerichtheid naar zijn innerlijke bron, in de rust van het niet-handelen, een harmonische inspiratie te ontvangen.

Sinds de mens echter zijn eigen weten in het lagere poneerde, is niet meer harmonie maar afhankelijkheid het kenmerk van zijn samenleving geworden. Horizontale bindingen werden zoveel belangrijker dan die éne verticale verbondenheid. Afhankelijkheid is een beknotting van de vrijheid en leidt dus tot verslaving, tot machtsverhoudingen en confrontaties. Door zich af te scheiden van zijn bron, door haar wet te miskennen, werd niet meer het dienende maar het dominerende ik de dirigerende kracht binnen de menselijke orde.

Hierdoor werd het evenwicht binnenin de mens grondig verstoord. De inspiratie, die in het begin de harmonie in het bewustzijn stuurde, kon haar taak slechts gebrekkig vervullen. De harmonische eenheid van lichaam en geest werd disharmonisch. In de psyche stapelden verstoringen zich op. Omdat het onderscheidingsvermogen vertroebeld werd nam vermeende kennis de plaats in van een juiste kennis. Het ik werd afhankelijk van het lichaam zoals het lichaam afhankelijk werd van het ik. Lichamen werden afhankelijk van lichamen en van hun verhouding werden weer ik-jes afhankelijk...

Elke lichamelijke afhankelijkheid roept ik-gebonden verlangens op. Zolang die verlangens onze keuzen bepalen, verblijven we in een kwetsbaarheid die het ons heel moeilijk maakt onze relaties harmonisch te beleven. Onze verwachtingen zijn niet meer realistisch omdat onze verlangens niet meer beantwoorden aan harmonische normen. Zowel kennis als liefde zijn slechts zinvol indien zij worden gegeven. De mogelijkheid om harmonisch te geven ontvangen we uit een innerlijke levensbron. Daarom is een bewuste verbondenheid met die bron de noodzakelijke voorwaarde om elke menselijke verbondenheid harmonisch te beleven.

Binnen de harmonie is alles één en dienend : de geest, de psyche en het lichaam. Groeien naar het ideaal van harmonie kan enkel door elke vorm van mentale en fysische afhankelijkheid los te laten. Dit betekent evenwel niet dat, naar het woord van Paulus, “het vlees en het bloed” moeten worden veracht ! Zoals het licht zijn zichtbaarheid slechts ten dienste kan stellen doorheen een harmonisch samenspel met de materie, zo heeft de Geest het “vlees” nodig om Zijn waarden in het lagere tot uitdrukking te brengen. Tot die waarden behoort ook het seksuele beleven... Zijn wet is harmonie. Buiten de harmonie heerst verdeeldheid, afhankelijkheid en dus verslaving...

 

 

88

jezus heeft gezegd

engelen komen naar jullie en profeten

en wat van jullie is zullen zij jullie geven

en jullie geef hen wat in je hand is

denk bij jezelf welke dag zullen zij komen

en zullen zij ontvangen wat van hen is

 

 

Dit logion behoort ongetwijfeld tot de meest cryptische in dit evangelie. Hier wordt een toekomstbeeld opgehangen waarvan de zin niet meteen duidelijk is. De aanhaling van engelen en profeten roept vragen op, zeker wanneer we weten hoe Jezus over de profeten denkt. (zie logion 52) Bovendien is dit, in zijn mond, de enige vermelding van engelen. Ook het “geven” en “ontvangen” lijken op een verdachte handel, waarbij engelen en profeten, broederlijk verenigd, zouden betrokken zijn... Dit ruikt heel sterk naar het oude...

Bij dit logion overheerst het vermoeden van een manipulatie : een fantasierijke variante op logion 41, die in de mond van Jezus zou zijn gelegd. In de kanonische evangeliën zijn dergelijke praktijken helaas schering en inslag. Sommigen beweren zelfs dat soortgelijke manipulaties er talrijker zijn dan authentieke uitspraken van Jezus. Ook in logion 114 is eenzelfde problematiek aan de orde. “Voorbijgaand zijn” is hier, zo denken we, de aangewezen ingesteldheid...

 

 

89

Jezus heeft gezegd

waarom reinigen jullie de buitenzijde van de beker

begrijpen jullie niet dat wie de binnenzijde heeft gemaakt

ook de buitenzijde gemaakt heeft

 

vergelijk: Lc 11, 37-40 - Mt 23, 25

 

 

De verschillende nuancering in Lc 11, 40 lijkt ons logischer: “heeft hij, die de buitenzijde gemaakt heeft, ook niet de binnenzijde gemaakt ?”. Die mogelijke inversie blijft inhoudelijk evenwel zonder gevolgen.

Ook hier is de waardeverhouding tussen uiterlijk en innerlijk aan de orde. De dienaar heeft te dienen als een beker. De waarde van een beker wordt bepaald door zijn inhoud, de binnenzijde dus. Maar enkel wanneer de binnenzijde zuiver en de beker dus leeg is, kan hij dienen. Er is evenwel geen binnenzijde zonder buitenzijde. Het uiterlijke dient het innerlijke, zoals het innerlijke de bron dient. Een aandacht voor het uiterlijke is niet te misprijzen maar enkel zinvol binnen een dienende harmonie. Uiterlijk en innerlijk zijn één in dienstbaarheid.

 

 

90

jezus heeft gezegd

kom tot mij want mijn juk is doeltreffend

en zacht is mijn gezag

en jullie zullen een rust vinden voor jezelf

 

vergelijk: Mt 11, 28-30

 

 

Een juk is geen last maar een verbindingstuk ! Het zorgt voor een verbondenheid waardoor de last voor de mens licht om dragen wordt. Ook in dit beeld wordt een eenheid gesymboliseerd. In het bewustzijn van eenheid is geen opdracht zwaar om dragen, is geen gezag dwingend. Daar is ook de plaats waar een innerlijke rust te vinden is...

Het is een verhelderende vaststelling dat het sanskriete yug zowel de stam is van juk als van yoga. De diepere betekenis van yoga heeft inderdaad met verbondenheid en dus met religie te maken. In het beeld van het juk reveleert zich een universeel religieus bewustzijn waarin tijd en cultuur worden overstegen...

 

 

91

zij zeiden hem

zeg ons wie je bent zodat we in jou geloven

hij zei hen

jullie doorgronden het aanschijn van hemel en aarde

en hij die voor jullie staat erkennen jullie niet

en in dit ogenblik zijn jullie niet in staat hem te doorgronden

 

vergelijk: Jn 14, 8-9 - Lc 12, 54-56 - Mt 16, 1-3

 

 

Wie zijn de heren die Jezus hier aanspreken ? Blijkbaar zijn zij mannen van aanzien, want zij hebben kennis van hemel en aarde. Onze wetenschappers dus, onze “geleerden” : zij die hun vakbekwaamheid hebben bewezen. Hun vraag verraadt enige verwarring. Zij willen wel in hem geloven maar wensen te weten wie hij is, welk bewijs van gezag hij kan voorleggen. Voor hen staat de identiteit van een persoon inderdaad borg voor de waarde van zijn of haar kennis. Zo hoort het nu eenmaal in hun vakgebied. Zij hebben hun waardeschaal, hun criteria, waardoor zij belangrijke mensen van anderen onderscheiden. Wie het aandurft over religieuze zaken te praten hoort minstens een godgeleerde te zijn...

Gnosis heeft echter niets met geleerdheid te maken. Ook een godgeleerde is een leek in gnosis… Want gnosis is een kennis die je niet door de autoriteit van anderen kunt ontvangen, die je niet aan een universiteit kunt studeren. Toegang hebben tot die kennis stelt andere eisen aan de discipel. En de eerste van die eisen is de bereidheid de eigen kennis, die je in de ogen van anderen zo belangrijk kan maken, te relativeren. Elke overtuiging de waarheid in pacht te hebben staat haaks op de eerste regel van de weg die Jezus voorstaat: “dat hij die zoekt niet ophoudt te zoeken...”.

Deze heren zijn wel zoekers maar niet in de juiste richting. Zij stellen zich nog niet de juiste vragen. Hun bewustzijn is nog niet afgestemd op de kennis die Jezus hen als mensenkind ten dienste stelt...

 

 

92

jezus heeft gezegd

zoek en jullie zullen vinden

maar dit waarover jullie me vroeger ondervroegen

en waarop ik jullie toen geen antwoord gaf

nu ik het wil zeggen vragen jullie er niet naar

 

 

In de oosterse tradities beantwoordt een guru slechts de vraag van een discipel wanneer hij vermoedt dat zijn antwoord door de discipel te vatten is. Vaak neemt dit antwoord de vorm aan van een nieuwe vraag, waarop het antwoord moet leiden naar de oplossing van de initiële vraag. Zo is elk nieuw inzicht als een vrucht die door de discipel geplukt kan worden op zijn of haar zoekende weg. (zie logion 21)

Jezus weet dat zijn tijd gemeten is. Wat hij hen vroeger onthouden heeft, omdat zij er nog niet klaar voor waren, verlangt hij hen nu te zeggen. Maar hun vragen blijven uit... De zoektocht, waartoe hij hen uitgenodigde, is blijkbaar blijven stokken. Het kan dus geen verwondering wekken dat zijn boodschap, zoals zij in dit evangelie wordt verwoord, door evangelisten niet in zuiverheid kon worden doorgegeven. De opdracht zelf naar de diepere betekenis van zijn woorden te zoeken werd afgevoerd en vervangen door de plicht te “geloven” wat anderen hadden begrepen en, in een vrome waan, als dé waarheid voorhielden.

 

 

93

geef niet wat zuiver is aan honden

zodat zij het niet op de mesthoop werpen

gooi de parels niet naar varkens

zodat zij er geen viezigheid van maken

 

vergelijk: Mt 7, 6

 

 

Wat een onvergankelijke waarde heeft, hoort met aanzien en omzichtigheid te worden behandeld. De kennis, die Jezus ten dienste stelt, is van een andere orde dan het “weten” dat een mens in de ogen van anderen belangrijk maakt. Wetenschap is een kennis die je kunt aanleren, kunt doorgeven, vragen die te beantwoorden zijn. Zoals een guru in het Oosten geeft Jezus echter geen antwoorden, tenzij in een bedekte vorm, in een beeldspraak, waarvan de inhoud door de discipel zelf te ontsluieren is. Dit is de weg waarlangs gnosis zich voor de zoekende reveleert in een persoonlijke ervaringskennis. Die kennis is te waardevol om zo maar geschikt te zijn voor massaconsumptie. Gnosis is geen “snelle hap” !

 

 

94

jezus heeft gezegd

wie zoekt zal vinden

en aan wie aanklopt naar binnen zal worden opengedaan

 

vergelijk: Mt 7, 7-11 en Lc 11, 9-13

 

 

De bron staat ter beschikking, de tafel van het bruiloftsmaal is gedekt... Enkel weten we niet waar... Wie oprecht begaan is met levensvragen en niet ophoudt te zoeken zal vinden. Op voorwaarde evenwel in de juiste richting te zoeken... naar binnen ! Maar ook die gerichtheid heeft gradaties. Wie kuiert in zijn eigen binnentuintje, wat zeker zinvol kan zijn, is er echter nog niet toe gekomen de deur van zijn of haar binnenkamer achter zich te sluiten ! Binnenin de leegte van die kamer verblijft de Vader in het verborgene... (zie commentaar bij logion 53) Aan wie zich richt naar de leegte binnenin, aan hem of haar zal worden opengedaan. Wie toegang krijgt staat evenwel geen spectaculaire ervaring te wachten ! Want de weg naar de bron is lang en enkel stap voor stap reveleert zich de waarde ervan... Hoe dichter we nochtans de bron naderen des te helder het water is...

 

 

95

jezus heeft gezegd

indien jullie geld hebben leen het niet met interest

maar geef het aan hem van wie jullie niet uit zijn hand zullen ontvangen

 

vergelijk: Lc 6, 34

 

 

Er is hebben en er is zijn... Wat is de zin van te veel, van te weinig...? De organisatie in onze samenleving is nu eenmaal zó dat geld noodzakelijk is om behoorlijk te leven. Toch is geld slechts een middel, geen doel. Het doel is te leven in harmonie, zowel met zichzelf als met alle mensen. Solidariteit is een woord dat vele redevoeringen siert. De praktische beleving ervan wordt helaas door zoveel eigenbelang in de weg gestaan.

Wat middel was is doel geworden... Niet meer een economische kennis in functie van het geluk van de mens maar de mens in dienst van wetten van economie... Het “weten” van de mens heeft de waarden in verwarring gebracht ! Wat is de zin van wat ik hier aan mezelf toeken, van mijn verdiensten, van de aalmoezen die ik geef...? Hoe consequent zijn wij, christenen of niet, in het waarmaken van mooie principes, al dan niet verpakt in een evangelische boodschap...?

 

 

96

jezus heeft gezegd

het koninkrijk van de vader is gelijkend aan een vrouw

zij nam een weinig gist stopte het in het deeg

en maakte er grote broden mee

wie oren heeft dat hij hoort

 

vergelijk: Mt 13, 33 - Lc 13, 20-21

noteer terloops dat zowel bij Mattheüs als bij Lucas het beeld van het koninkrijk niet in de eerste plaats verbonden wordt met de vrouw, wel met de gist. Een analoge ontaarding gebeurde met de visser in logion 8.

 

 

Binnenin het deeg is de gist werkzaam en brengt, in harmonie met het deeg, grote broden voort. Deel hebben in het koningschap van de vader is een innerlijk gebeuren, dat zich in dit leven spontaan kan reveleren, op voorwaarde evenwel eerst zelf de eenheid van gist en deeg bewerkt te hebben... Zoals de werpende hand van de zaaier, zo is hier de knedende hand van de vrouw de noodzakelijke voorwaarde om de revelatie van een natuurlijk proces mogelijk te maken. Gist in deeg, zaad in grond... Een eenvoudige opdracht, zo lijkt het, maar die in werkelijkheid een nieuwe ingesteldheid vereist, omdat het weten van de mens de waarden in verwarring heeft gebracht. Het verwerken van de gist in het deeg behoort niet meer tot onze bezorgdheid. We verorberen broden die anderen voor ons klaarmaakten, al dan niet met religieus gemanipuleerd meel... Zo was er ooit het manna dat van Jaweh kwam en niet te verwarren is met het brood dat de Vader geeft...

Het beeld van de gist werd het symbool van het geloof dat bergen zou verzetten, van de begeestering ook waarmee het woord van het evangelie de wereld zou inspireren... Helaas verhieven te vele “geïnspireerde” Adam’s zich tot bakker en kreeg de vrouw, die de waarde van de gist kende, zó zelden de aandacht die zij verdiende...

 

 

97

Jezus heeft gezegd

het koninkrijk van de vader is gelijkend aan een vrouw

die een kruik droeg gevuld met meel

terwijl zij een lange weg ging brak het oor van de kruik

het meel verspreidde zich achter haar op de weg

gezien zij onwetend was kon zij er niet om bedroefd zijn

wanneer zij in haar huis was aangekomen

zette zij de kruik neer en zag dat ze leeg was

 

 

Het ontsluieren van de kennis, die in een beeldspraak ligt ingebed, is een mentaal proces. Het doet beroep op begrip en inzicht. Soms overstijgt het beeld de logica van het rationele... Dit maakt het ook zo mooi !

Het is een lange weg die de vrouw gaat, een levensweg wellicht. De weg die we allen in een eenzame onthechting te gaan hebben. Wat er tijdens haar tocht gebeurt ontsnapt aan haar bewustzijn : zij is zich niet bewust iets te verliezen. De leegte is het waardevolle dat spontaan en moeiteloos in de plaats komt van iets dat slechts een relatieve waarde heeft... Maar leegte behoort niet tot onze mentale waardeschaal. Hoe meer we weten des te belangrijker we zijn, zo denken we. We zijn “stapel-gekken” geworden...

De aandacht van de geest richten naar de eigen denkwereld en in bezinning ruimte maken voor nieuwe inzichten is zeker nuttig en zinvol maar blijft “tuinieren in de eigen binnentuin”. Wie zich in de geest kan onthechten, zijn of haar bewustzijn kan verstillen in de rust van de leegte waarin het zijn bedding heeft, kan de ervaring van het “leeg worden” naar waarde schatten. Wat dan ontvangen wordt manifesteert zich spontaan en moeiteloos, zoals in de kruik van de niet wetende vrouw de leegte spontaan en moeiteloos de plaats inneemt van het meel... Een juist inzicht in levenswaarden, dit dat gnosis genoemd wordt, ontspringt zoals het water van de bron uit de leegte... Die ervaring is de vrucht die de monachos in zijn of haar eenzame vrijheid ontvangt op een weg van loslaten, van onthechting.

Dienen kan een beker slechts indien hij leeg is... Met welke bizarre mengeling van waarden en denkbeelden werd de kruik van ons bewustzijn gevuld...? Wat het ook mag zijn, we zijn dringend aan een zuivering toe ! We kunnen hier terugdenken aan de woorden van logion 28 of aan die van logion 61. Telkens ging het over de noodzaak leeg te worden. Ook logion 53, met de besnijdenis die in de geest zijn volle waarde vindt, wordt hier op een unieke wijze bevestigd.

Het beeld van de eenheid van het zaad en de goede aarde is fascinerend door zijn alles omvattende eenvoud. Dit beeld van de vrouw met haar kruik heeft iets onwezenlijk door het subtiele van zijn bijna inhoudsloze inhoud. We raken hier aan de limiet van het zegbare, de grens waar het woord nog net niet overbodig is...

 

 

98

jezus heeft gezegd

het koninkrijk van de vader is gelijkend aan een man

die een sterke man wou doden

in zijn huis trok hij het zwaard doorboorde de muur

om de stevigheid van zijn hand te testen

pas dan doodde hij de sterke

 

 

Het zou even simpel zijn als naïef in dit beeld een aansporing tot geweld te zien. Het beeld dient slechts om een werkelijkheid duidelijk te maken. Het moet dus herkenbaar zijn door het bewustzijn van de toehoorders. De werkelijkheid van menselijke conflicten is hen niet vreemd, gebruik van geweld evenmin.

Wie anders dan het eigen ik zouden we in het beeld van de sterke man, met wie valt af te rekenen, kunnen herkennen? Een ik dat vervuld is van de wetten van de leeuw, zich bedronken heeft aan schijnwaarden, zichzelf op een troon heeft geplaatst en in de mening verkeert sterk te zijn. Met die ik-illusie moeten we eens en voor goed afrekenen. De wijn die ons dronken maakte (zie logion 28) moeten we dringend uitbraken, de balk uit ons oog nu verwijderen... De enige zinvolle machtsstrijd die we te voeren hebben, is die met onszelf. (zie logion 16).

 

 

99

zijn discipelen zeiden hem

jouw broeders en jouw moeder staan buiten

hij zei hen

zij die hier zijn die de wil van mijn vader volbrengen

zij zijn mijn broeders en mijn moeder

zij zijn het die het rijk van mijn vader zullen binnengaan

 

vergelijk: Mt 12, 46-50 - Mc 3, 31-35 - Lc 8, 19-21

 

 

We hebben een biologische moeder, biologische broeders en zusters. We hebben ook spirituele broeders en zusters en een spirituele Moeder of Vader. Van die Moeder of Vader is Jezus niet de enige zoon...!

Een spirituele verbondenheid overschrijdt de grenzen zowel van de mentale als van de fysieke ervaring. Daarom is zij enkel te benaderen met behulp van een beeld. Ook de wil van de vader behoort tot het beeld... Willen is immers een menselijke eigenschap ! Het is een energie die tot handelen drijft, waarvan de inhoud wordt ingekleurd door persoonlijke verlangens. Omdat we de wil als een menselijke eigenschap op een God projecteren, staan we perplex voor wat de “wil van God” kan toelaten. Oprechtheid dwingt ons te erkennen dat het godsbeeld, dat ons werd voorgehouden, onmachtig is ten aanzien van “het willen” van de mens... Het volbrengen van Zijn wil, de vervulling van Zijn wet van harmonie, heeft de Vader immers aan het mensenkind gedelegeerd. Hierin ligt de basis van zijn vrijheid en dus van zijn verantwoordelijkheid. In zijn integratie in het gezag van de Vader komt het de mens toe beslissingen te nemen, niet de Vader...!

“Uw wil geschiede”... “Inch Allah”... Ook dit is een waangedachte waaruit we te ontwaken hebben. De verantwoordelijkheid voor wat hier in deze wereld gebeurt moeten wij niet toedichten aan een ondoorgrondelijke “wil van God”, noch aan een hypothetische satan, noch aan een fataliteit. Door zijn vrijheid draagt de Adam zelf de totale verantwoordelijkheid voor zijn daden. Binnen die werkelijkheid heerst de wet die alles vergeldt, het foute als het goede...

De monachos, die verblijft in een bewuste verbondenheid met de Vader, laat zich leiden door Zijn inspiratie en vervult zo spontaan “Zijn wil”. In die werkelijkheid is iedere mens broeder of zuster van elkaar, want één in eenzelfde verbondenheid met de Vader. Tot dit bewustzijn kwam ook de oude man van logion 4 in zijn ontmoeting met het kind van zeven dagen.

 

 

100

zij toonden een goudstuk aan jezus en zeiden hem

de gezanten van caesar eisen een belasting van ons

hij zei hen

geef aan caesar wat aan caesar toekomt

geef aan god wat aan god toekomt

en wat het mijne is geef het mij

 

vergelijk: Mt 22, 15-22 - Mc 12, 13-17 - Lc 20, 20-26

 

 

Uitzonderlijk in dit evangelie spreekt Jezus hier niet over de Vader maar over God. Zij die hem de vraag stellen vereren een God. Jaweh is zijn naam. Over hem gaat het hier dus en niet over de Vader. Bovendien neemt Jezus ook afstand van dit godsbeeld want : en wat het mijne is geef het mij... Niet toevallig is dit laatste zinnetje in de kanonische evangeliën zoek geraakt...

Jezus confronteert ons hier met drie voorbeelden van gezag. Er is caesar, die symbool staat voor het politieke en militaire gezag. Dit gezag is belust op macht. De joden leefden toen onder een vreemde bezetting. Van die onprettige en voor een vrij mens moeilijk te aanvaarden situatie moeten zij de gevolgen ondergaan. Hun vraag naar Jezus toe is wat uitdagend, alsof zij zijn politieke engagement willen testen. Zijn opdracht is echter verheven boven politieke toestanden. Hij is geen vrijheidsstrijder in een wereldse betekenis, geen vechter tegen onrecht of kwaad. Het is dus ook niet zijn taak onrust te stoken tegen de bezetter. De wet van de sterkste behoort tot de wetten van de leeuw. Mensen, die de strijd aangaan met de leeuw, hebben hiervan de consequenties te aanvaarden. De toestand zijnde wat hij is, moeten zij dus aan caesar geven wat hem toekomt, overeenkomstig de wet van de sterkste.

Het tweede gezag is God, de God van de joden, de vrucht van hun verbeelding, van wie zij zich voorstellen totaal gescheiden te zijn. Ook Zijn gezag is dwingend. Weliswaar op een ander vlak of in een ander levensgebied dan daar waar caesar heerst. Maar de gevolgen voor het levensgeluk van de joden zijn nog meer ingrijpend. Want hun godsdienst legt hen op voortdurend rekening te houden met de “wil” en de geboden van hun God. Een jood heeft dus aan heel wat verplichtingen te voldoen : offeren, bidden, aalmoezen geven, vasten, zich laten besnijden, rituelen waarvoor Jezus in dit evangelie weinig begrip heeft. Leuk leven is anders. Maar een mens moet er iets voor over hebben om zich een plaats in het koninkrijk te verzekeren. Voor hun religieuze inzichten heeft Jezus evenwel mededogen. Daarom: geef aan jullie God wat Hem toekomt, indien dit jullie overtuiging is.

Jezus zelf is het derde gezag. Een gezag dat niet belust is op dwang of macht maar dienend is. Een gezag dat getuigenis aflegt, niet van zichzelf maar van een innerlijke bron waar hij mee verbonden is. Voor die verbondenheid gebruikt Jezus het beeld van een zoon - vader relatie. Hij houdt de mensen voor de gerichtheid van hun geest te wijzigen, te richten naar die bron binnenin henzelf en zo haar inspiratie te ontvangen. Macht verwerven is hem geen zorg noch het vestigen van een goddelijke macht hier en nu. Het gezag van de Vader is gevestigd. Zijn inspiratie, de Spiritus, staat dienend ter beschikking van ieder die er zich voor openstelt. Wat Jezus toekomt is onze aandacht, onze luisterbereidheid. Zijn boodschap is een persoonlijke uitnodiging : verander je ingesteldheid, word je bewust van wat je werkelijk bent, ervaar de verbondenheid met de Vader binnenin jezelf en dien zoals ik dien.

De God van het oude en de Vader van het nieuwe hebben inderdaad niets met elkaar gemeen ! Het nieuwe kleed, waarvan Jezus getuigt, behoeft geen herstel met een oude lap, de nieuwe wijn hoort niet thuis in oude zakken...

 

 

101  zie logion 55

 

102  zie logion 39

 

103

jezus heeft gezegd

gelukkig is de mens die de plaats kent waar de rovers naar binnen komen

zodat hij zich zal oprichten en zijn krachten zal bundelen

en reeds zijn lenden zal omgorden vooraleer zij binnendringen

 

 

Dit logion is analoog aan het tweede deel van logion 21, aan logion 98 ook. De rovers, de trawanten van de leeuw, die bij nader inzien wellicht onze eigen ik-gebonden verlangens zijn, betekenen een steeds dreigend gevaar. Kennis hebben van de kwetsbare plaatsen in het eigen ik, van de eigen zwakheden, is een belangrijke kennis die het ik tegen zichzelf kan beschermen en een harmonisch samengaan met anderen kan vrijwaren. Vechten tegen is evenwel steeds zinloos! Zichzelf sterk maken, om het hoofd te kunnen bieden aan verleidingen, is daarentegen wel een juiste ingesteldheid. Tenslotte zijn we zelf verantwoordelijk voor het waardevolle dat we kunnen verwerven en dat we ook kunnen verliezen.

 

 

104

zij zeiden hem

kom laten we vandaag bidden en vasten

jezus zei

welke fout heb ik begaan of waarin werd ik bedwongen

maar wanneer de bruidegom uit de bruidskamer zal zijn gekomen

dan dat men bidt en dat men vast

 

vergelijk: Mt 9, 14-15 - Mc 2, 18-20 - Lc 5, 33-35

 

 

Naast het beeld van het zaad en dit van het kind van zeven dagen, naast het beeld van de gist en van het juk, het beeld vooral van de verbondenheid van de zoon met zijn vader, is de bruidskamer het ultieme beeld, waarmee de kerngedachte in dit evangelie nog maar eens wordt gevisualiseerd.

De bruidskamer is slechts eenmalig een bruidskamer : de dag waarop man en vrouw voor het eerst één zijn. In die eenheid ligt de unieke realiteit waaruit het nieuwe leven kan ontstaan. Daar is ook de plaats waar het kind van zeven dagen nog in verblijft, waar het zaad thuis hoort om zijn finaliteit waar te maken, waar de bron zelf is... De bevruchte eicel, de vrucht van de eenheid van het mannelijke en het vrouwelijke, van de bruidegom en de bruid, is het nieuwe dat niets meer met het oude te maken heeft. In de gescheidenheid van het oude wacht enkel de dood... Hoe nutteloos is de eicel die niet werd bevrucht... hoe nutteloos de zaadcel die niet bevruchtte...

Het nieuwe is niet te beoordelen met de waarden van het oude ! De nieuwe waarheid is afwezigheid van gevestigde waarheden, de nieuwe weg afwezigheid van een uitgetekende weg, enkel het gaan is belangrijk... Voor dit nieuwe staan we naakt, is elke verdienste die we aan ons ik toekennen pure pretentie... Dit leven kan slechts zijn totale rijkdom onthullen wanneer het, in bewustheid, gegrondvest is in de eenheid met zijn bron. Wiens bewustzijn hierin gevestigd is heeft geen boodschap aan vasten, bidden of meditatie ! Wanneer echter de eenheid verbroken is, wanneer de bruidegom de bruidskamer verlaten heeft en gescheidenheid een feit geworden is, dan kan beroep worden gedaan op gebed en onthechting om van “twee” opnieuw “één” te maken.

 

 

105

jezus heeft gezegd

wie de vader en de moeder zal erkennen

zullen zij hem hoerenzoon noemen

 

 

Zoals o.m. met de logia 24 en 71 het geval was, missen we ook hier de omstandigheid waarin deze uitspraak gedaan werd. Waarom gebruikt Jezus hier een scheldwoord ? Werd één van zijn discipelen of hijzelf soms op die manier uitgescholden ?

Een hoerenzoon kan niet tot de gemeenschap behoren omdat hij zijn vader niet kent. De vrucht van zijn onwetendheid is conflict, sociale verstoting... Velen kennen hun vader wel maar niet hun ware Vader of Moeder... Wie tot het juiste inzicht zal komen, zijn of haar ware Vader of Moeder zal erkennen, kan geen hoerenkind meer zijn ! Want in die kennis is alle onwetendheid opgelost.

Ook hier, zoals in logion 101, is de verwijzing naar de moeder opmerkelijk. In de joodse religieuze cultuur was de plaats van de vrouw immers totaal ondergeschikt aan die van de man. In de gnosis van Jezus is geen ruimte voor die discriminatie. Het verschil met de ingesteldheid van Paulus is schrijnend... Waarom volgde de Kerk ook hierin zoveel meer Paulus dan Jezus...? De bijzondere verering van de biologische moeder van Jezus zou in latere tijden een ver-voerende overcompensatie worden voor de vrouwelijke afwezigheid binnen een Kerk die zich ooit katholiek noemde... De universaliteit, waarvoor het woord katholiek staat, betreft blijkbaar vooral het mannelijke gedeelte van het universum...

 

 

106

jezus heeft gezegd

wanneer jullie de twee één zullen maken zullen jullie mensenzoon zijn

en indien jullie zeggen berg verwijder je zal hij zich verwijderen

 

 

Dit logion is een meer expliciete variante van logion 48. De helderheid is opmerkelijk. Wie de weg van de monachos is gegaan, tot het bewustzijn van eenheid is gekomen, heeft zijn of haar ware wezen erkend : dit van het mensenkind dat kind is van de Vader of de Moeder. Het gaan van die weg is de uitdaging van het nieuwe waar Jezus voor staat. Aan zijn uitnodiging koppelt hij bovendien de belofte van ongekende mogelijkheden : geen hindernis zal jullie nog deren...

Nogmaals blijkt hier in alle duidelijkheid dat het woord mensenzoon niet uitsluitend op Jezus van toepassing is. Want iedere mens is in potentie een mensenkind, een kind van de Vader, de levende.

 

 

107

jezus heeft gezegd

het koninkrijk is gelijkend aan een herder die honderd schapen bezat

één van hen het grootste verdwaalde

hij liet de negenennegentig achter en zocht het ene tot hij het vond

gezien hij zich moeite gegeven had zei hij tot het schaap

jou wil ik meer dan van de overige negenennegentig

 

vergelijk: Mt 18, 12-14 - Lc 15, 4-7

 

 

De inhoud van de beeldspraak in dit logion is analoog aan die van de attente visser in logion 8 of van de wijze koopman in logion 76. De vrouw met haar kruik - logion 97 - kon niet bedroefd zijn om wat zij verloor, want zij was er zich niet van bewust. Bovendien was de waarde van het verlies relatief banaal. Het gemis van iets belangrijk - hier gaat het om het grootste schaap - doet de waarde ervan inzien. De vreugde om het herstel van een verlies is te meten aan de moeite die men zich voor dit herstel heeft getroost. Het is evenwel niet evident een beslissing te nemen, waarbij we afstand doen van dit dat ons in de ogen van anderen belangrijk maakt - en soms is dit een hele kudde - in de hoop het éne, het meest waardevolle te ontdekken...

De drie logia vullen elkaar in een zekere zin aan. Wat het kind van zeven dagen werd ontnomen, kan het terugvinden dankzij het onderscheidingsvermogen van de attente visser, de wijsheid van de koopman en de inzet van de bezorgde herder.

 

 

108

jezus heeft gezegd

wie drinkt uit mijn mond zal zijn zoals ik

ikzelf zal zijn zoals hij

en wat verborgen is zal zich voor hem onthullen

 

vergelijk: Jn  4, 13-14 en 6, 53

 

 

Iedere mens is uniek, allen zijn we verschillend van elkaar... Dit is gewoon een biologische werkelijkheid. Hoe kan Jezus dan in iemand zijn gelijke erkennen... ? Omdat zijn kennis de biologische werkelijkheid transcendeert. Hij heeft het over een zijnswaarde, die onderliggend is aan de uitdrukking van het relatieve leven. In het bewustzijn van een verbondenheid met die zijnswaarde berust de bron van zijn kennis. Die kennis dient niet om juist te weten maar om juist te zijn.

Wie het water drinkt dat ik zal geven zal zelf bron worden...” zegt Jezus in het Johannesevangelie. Dit is het punt waarop hij en zijn discipel in bewustheid één zijn. De ontvankelijkheid van de discipel is de essentiële voorwaarde om deel te hebben in het bewustzijn dat het zijne is. Die ontvankelijkheid heeft met innerlijke leegte te maken... Zoals het water uit de bron, ontspringt gnosis uit de leegte waarin het bewustzijn zijn bedding heeft... Wanneer Jezus zich zoveel moeite getroost om zijn kennis, het bewustzijn van het licht dat hij in zichzelf ervaart, aan anderen door te geven, dan doet hij dit omdat hij zich bewust is dat niemand verschillend is van hem in zijn of haar verbondenheid met de Vader.

Door Jezus te erkennen als een unieke zoon van God werden we op het verkeerde been geplaatst... Vóór alles is hij, zoals wij allen, een mensenkind. Worden zoals hij, tot het bewustzijn komen dat het zijne is, dit is de uitdaging van het nieuwe. In Jn 6, 56 drukt hij dit uit in een verbazend beeld : “wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt verblijft in mij en ik in hem”. Die woorden klinken als een schreeuw uit het hart, als een extreem beeld waardoor hij poogt duidelijk te maken dat iedere mens kan worden zoals hij, zijn vlees en bloed kan zijn... Helaas werd in dit beeld niet de “in vlees en bloed” levende Jezus erkend, de dienaar die dient omdat hij levend is. Want precies die man was het die Paulus weigerde te erkennen... (2 Kor 5, 16) Zo gaf dit beeld in het katholieke geloof aanleiding tot een ritueel waarin het voor ons vergoten bloed van de gekruisigde en verrezen Christus - de enige die wel de aandacht van Paulus waardig was - wordt herdacht. De levende dienaar werd een lijk geworden lam... (zie commentaar bij logion 60)

 

 

109

jezus heeft gezegd

het koninkrijk is gelijkend aan een man

in wiens akker een schat verborgen was waar hij niet van afwist

na zijn dood werd de akker het bezit van zijn zoon

de zoon die onwetend was verkocht de akker

de man die de akker gekocht had kwam bewerkte hem en ontdekte de schat

en hij leende geld aan wie hij wou

 

vergelijk: Mt 13, 44

 

 

Dit logion illustreert de waardeverhouding tussen kennis en onwetendheid, de weg ook die te gaan is om tot kennis te komen. De akker van ons bewustzijn moeten we zelf bewerken, zelf omploegen. In oprechtheid en met volharding geen vragen uit de weg gaan, geen “waarheden” ongemoeid laten... Dit hoort nu eenmaal bij de weg die, tegen de stroom in, leidt naar de bron. Wie bewust geworden is van de bron binnenin zichzelf, heeft de schat gevonden en kan blijvend geven...

 

 

110  zie logion 81

 

111

jezus heeft gezegd

voor jullie aanschijn zullen de hemelen en de aarde zich oprollen

en de levende voortgekomen uit de levende zal noch dood noch angst zien

want jezus zegt dit

wie zichzelf ontdekt de wereld is hem niet waardig

 

 

Alles wat in deze relatieve wereld tot uitdrukking komt, wat tot onze concrete leefwereld behoort, onze lichamelijke aanwezigheid ook, dit alles is een aan tijd gebonden werkelijkheid die voortdurend aan veranderingen onderhevig is. Aan de oorsprong ervan ligt een absoluut en tijdloos Zijn, dat leven is, in een niet te bevatten leegte, stilte, rust... Wat niet te bevatten is behoort tot het onbekende en wat onbekend is maakt angstig. Enkel kennis is in staat onwetendheid en de ermee verbonden angsten op te lossen.

Zoals we tijdens een filmprojectie beelden ervaren als een reële werkelijkheid maar door de kennis van het gebeuren ook kunnen relativeren als een tijdelijke visuele voorstelling, zo kan elke uiting van veranderlijkheid in dit leven door een juiste kennis erkend worden als de manifestatie van een absoluut en dus onveranderlijk Zijn. Aan alles komt een einde : aan een filmvoorstelling, aan het biologische leven ook. Geboorte en dood komen en gaan... bladeren sterven aan de boom... Dit betekent echter niet het einde van Leven...

Wie zich in dit leven bewust is geworden één te zijn met een absolute levensbron, is in die bron zelf levend geworden. Want van dit leven zijn de wortels gevestigd in de Vader, de levende. In die verbondenheid werd de ware natuur van het eigen wezen ont-dekt, werd de eigen biologische werkelijkheid erkend als een individuele en tijdelijke expressie van een universeel en tijdloos Zijn. In dit bewustzijn zijn we bevrijd van elke afhankelijkheid van veranderlijkheid en overstijgen we daarom de wereldlijke waarden... Hierin ligt ook de zekerheid ingebed van een terugkeer naar een veilige want absolute thuishaven. Wie als mens niet tot dit bewustzijn is doorgegroeid verblijft in de angst van het onbekende.

 

 

112

jezus heeft gezegd

beklagenswaardig is het vlees dat afhankelijk is van het innerlijke zelf

beklagenswaardig is het innerlijke zelf dat afhankelijk is van het vlees

 

 

Wat in dit logion eens te meer aan de kaak wordt gesteld zijn de gevolgen van afhankelijkheid. In de inleiding (zie vertalen is verraden) deden we een poging om begrippen als soma (lichaam), sarks (de mens van vlees en bloed) en psychè (het innerlijke zelf) van elkaar te onderscheiden. Ook in logion 29 en 87 waren die begrippen aan de orde. De “in vlees en bloed” levende mens is een combinatie van soma en psychè. Binnen die relatie speelt de psychè, zowel in haar bewuste als in haar onbewuste component, een bepalende rol. Want in de psychè heeft het ik-bewustzijn zijn bedding.

In de gevoeligheid van de psychè voor zovele invloeden, die haar innerlijke harmonie kunnen verstoren, ligt ook onze kwetsbaarheid. Enerzijds is de psychè afhankelijk van de ervaringen van de sarks, die oorzaak kunnen zijn van verstoringen. Anderzijds zal de disharmonie in de psychè steeds een verstorende factor zijn, die de keuze van ons handelen beïnvloedt. Dit is de vicieuze cirkel die het wiel van samsara, het aan tijd en materie gebonden levenswiel, draaiende houdt : elke handeling is het gevolg van een vorige en de oorzaak van een volgende... Die vicieuze cirkel kunnen we doorbreken. Het middel om dit te bereiken is een onthechting in de geest, waar o.m. in logion 53 naar wordt verwezen. Onze geest is aan onthechting toe, aan een rust in het “niet-handelen”, in de stilte van de innerlijke leegte. De deur van onze binnenkamer moet af en toe gesloten worden...

In de oorspronkelijke zuiverheid van het leven, in de eenheid waarin het hogere en het lagere verbonden zijn, is elk celletje van het lichaam harmonisch met alle andere verbonden. Waar harmonie het leven stuurt is geen ruimte voor afhankelijkheid, enkel voor verbondenheid. Afhankelijkheid behoort tot het lagere. In het dualisme, waarin we de uitdrukking van het lagere ervaren, onderscheiden we waardeverhoudingen. Het ene maakt zich belangrijker dan het andere. In de originele eenheid geldt dit onderscheid niet. De goede aarde is niet belangrijker dan het zaad, de zaadcel niet belangrijker dan de eicel, de man niet belangrijker dan de vrouw... Enkel hun harmonische verbondenheid heeft een reële waarde.

Hebben en afhankelijkheid behoren tot het oude, bevrijd “zijn” in de harmonie van de eenheid tot het nieuwe ! Voor het licht van het nieuwe zijn onze ogen nog te zwak, is ons bewustzijn nog te blind... Dit maakt voor ons de toegang tot de gnosis van Jezus nog zo moeilijk...

Zijn woorden in dit logion horen eerder bij een psychologische dan bij een religieuze kennis, zo zijn we althans geneigd te denken. De gnosis van Jezus is echter een holistische kennis, die berust in de eenheid, waarin alles met elkaar verbonden is : het innerlijke en het uiterlijke, het hogere en het lagere. Zowel de religieuze als de wetenschappelijke weg streven naar een juist inzicht in die waarden of wetten, waardoor een harmonische verbondenheid in dit leven tot uitdrukking komt of kan komen.

 

 

113

zijn discipelen zeiden hem

welke dag zal het koninkrijk komen

naar zijn komst kan men niet uitzien

noch zal men zeggen zie het is langs hier of zie nu is het er

maar het koninkrijk van de vader strekt zich uit over de aarde

en de mensen zien het niet

 

vergelijk: Lc 17, 20-21: “de komst van het koninkrijk van God kan niet worden  waargenomen, noch zullen zij zeggen zie het is hier of daar is het, want zie het koninkrijk van God is binnenin u.”

 

 

Eens te meer maakt de vraag van de discipelen duidelijk hoe sterk hun gebondenheid aan het oude nog is. Toch kan het nieuwe slechts ontluiken indien het oude wordt losgelaten ! Bij het begin van dit evangelie, in logion 3, liet Jezus geen twijfel bestaan omtrent zijn concept van het koninkrijk: het is binnenin jullie en het is buiten jullie. In logion 51 stelde hij: wat jullie verwachten is gekomen maar jullie erkennen het niet. Hier bevestigt hij nogmaals dat de komst van het koninkrijk niet de happening is waar Paulus zo intens naar uitkeek maar een werkelijkheid die zich uitstrekt over de aarde. Die werkelijkheid kan evenwel slechts tot het bewustzijn van de mens doordringen, indien hij de mogelijkheid om juist te zien oordeelkundig aanwendt.

Uiteraard heeft zien hier geen visuele betekenis. Het symboliseert het verwerven van kennis, van in-zicht. Wat de mens ontbeert is een juist inzicht in zichzelf en in de levenswet, die zowel de ganse natuur als zijn eigen wezen stuurt. Met die wet leeft de mens in een verbondenheid waar hij zich niet meer ten volle van bewust is. Een juiste zelfkennis kan hem die verbondenheid opnieuw reveleren.

Alles wat op deze aarde tot uitdrukking komt, ieder celletje in een plant, een dier of in het eigen lichaam luistert spontaan naar Zijn wet van harmonie, het woord van de Vader in de schepping. Enkel aan de mens is het gegeven te luisteren naar zijn eigen stem en zelfbewuste keuzen te maken. Die hoedanigheid verheft hem weliswaar boven alle overige levensvormen maar houdt ook een bijzondere verantwoordelijkheid in. Zoals de natuur getuigt van een totale integratie van het lagere in het hogere, zo is het de opdracht van de mens tot het bewustzijn te komen van zijn integratie in het hogere. In het bewustzijn deel te hebben in het koningschap van de Vader ligt zijn dienende verantwoordelijkheid in dit leven.

Omdat de mens niet ziet en ook niet luistert is hij nu blind en doof. Het innerlijke licht beroert zijn bewustzijn niet. In de duisternis van zijn onwetendheid is zijn onderscheidingsvermogen hem van geen nut. Hij is bedronken door zijn eigen weten en kunnen. Tot die teleurstellende vaststelling is Jezus gekomen. Van die werkelijkheid is het laatste logion een perfecte illustratie.

 

 

114

simon petrus zei hen

dat mariam zich uit ons midden verwijdert

want vrouwen zijn het leven niet waardig

jezus zei

zie ik zal haar aantrekken om haar mannelijk te maken

zodat zij een levende geest zal zijn die gelijkend is aan jullie mannen

want elke vrouw die zich mannelijk zal maken

zal het rijk der hemelen binnengaan

 

 

Het laatste logion van dit merkwaardige evangelie getuigt van een ontnuchterende anticlimax. Het werpt ons terug in een o zó menselijke werkelijkheid die, zoals blijkt, weinig ontvankelijk is voor het woord van Jezus. Het platvloerse van de opmerking van Petrus - ook in de kanonische evangeliën leerden we hem kennen als een impulsieve persoonlijkheid - laat geen twijfel bestaan omtrent de plaats van de vrouw, hier belichaamd in Maria Magdalena, in zijn religieuze cultuur. Van die ingesteldheid getuigde ook Paulus op een ondubbelzinnige wijze. Voor hem, die nochtans in lyrische bewoordingen over de liefde schreef, was Jezus zoveel belangrijker als de “gekruisigde verlosser” dan als de man die in een vrouw zijn gelijke erkende. Zijn ingesteldheid zou het christendom nog tot op heden zoveel meer brandmerken dan de ingesteldheid van Jezus... Ten aanzien van hun superioriteitsgevoel is de vrouwvriendelijkheid van Jezus als een aanslag op hun mannelijke eerbaarheid. Hier pikt Petrus het niet dat een vrouw in hun midden verblijft. Religie hoorde immers een exclusieve mannenzaak te zijn.

Als symbool voor een spirituele verbondenheid, de eenheid waaruit het leven zich in zijn volheid kan ontplooien, maakte Jezus eerder in dit evangelie, o.m. in logion 22, gebruik van het beeld van de eenheid van het mannelijke en het vrouwelijke. Ook in het beeld van de bruiloft en de bruidskamer is dezelfde symboliek aan de orde. Begrijpelijk dus dat bij sommige discipelen enige commotie ontstond. Ook de bijzondere relatie die Jezus blijkt te hebben gehad met Maria Magdalena - niet toevallig is zij voor Johannes de eerste getuige van de levende gekruisigde - viel bij enkele onder hen duidelijk niet in goede aarde.

In dit logion ondergaat de beeldspraak van Jezus een opmerkelijke transformatie. Het beeld van de eenheid van het mannelijke en het vrouwelijke ontaardt hier immers tot het mannelijk maken van het vrouwelijke... Het mag duidelijk zijn dat de woorden, die hier in de mond van Jezus werden gelegd, niet aan hem kunnen worden toegeschreven ! Het vrouwelijke hoort immers evenmin mannelijk te worden als het mannelijke hoort vrouwelijk te worden. De vrucht van hun eenheid is het leven in de bevruchte eicel, zoals het leven in de kiem de vrucht is van de eenheid van het zaad en de goede aarde...

Hoe kan de symboliek in een beeld worden erkend indien het beeld zelf niet wordt aanvaard...? De manipulatie die het beeld in dit logion onderging kan enkel het werk zijn van een transcriptor die, bedronken door zijn mannelijke zelfbesef, evenmin als Petrus in staat was de gelijkwaardigheid van man en vrouw als een symbool voor de eenheid te aanvaarden. Petrus en zijn gezellen kunnen nochtans aanspraak maken op enig mededogen. De ontsluiering van de symboliek in de beeldspraak van het mannelijke en het vrouwelijke, in die van de bruiloft en de bruidskamer ook, het maken van een grens overschrijdende stap van een biologische naar een spirituele eenheid, bleef immers ook voor twintig eeuwen christelijke theologie een onbeantwoorde uitdaging... Noch de radicale betekenis van de eenheid, noch de talrijke beelden die naar de eenheid verwijzen, beroerden het bewustzijn van hen die zich beschouwden als de spirituele erfgenamen van de discipelen. Zoals de discipelen dachten opnieuw klein te moeten worden om toegang te hebben tot het koninkrijk, zo gelijken hun erfgenamen aan kinderen die nog steeds geloven dat het leven ontstaat uit een bloemkool of door bemiddeling van een ooievaar en niet uit de eenheid van papa en mama...  De pauliniaanse afkeer voor elke betrokkenheid bij de zondige wereld van het vlees en het bloed - zeg maar seksualiteit - heeft overigens in het christendom meer dan pijnlijke sporen nagelaten...

De betrachting van Jezus om het bewustzijn van zijn medemensen te verheffen en te vestigen in een perspectief van verbondenheid - en niet van gescheidenheid - van het lagere met het hogere, was blijkbaar voor een meerderheid onder hen te verstorend om aanvaardbaar te zijn. Dit laatste logion bevestigt hoe moeilijk het voor de mannen was om hun prerogatieven los te laten en, doorheen een juist begrip van zijn beeldspraak, het te vernieuwende van zijn kennis in zich op te nemen. Zowel cultureel en als religieus was dit toen voor hen, zoals vermoedelijk nu nog steeds voor velen onder ons, een te revolutionaire stap. Voor de meesten predikte Jezus in de woestijn. Slechts weinigen was het gegeven zich open te stellen voor een metanoia, een mentaal bevrijdende ommekeer, waartoe hij hen uitnodigde. Tot die weinigen behoorden Maria Magdalena en Judas Thomas...

 

 

 

 

 

 

 

 

Jezus en de Bijbel

 

 

 

a -  Het ontstaan van een epos

 

 

In de westerse cultuur werd het religieuze denken onmiskenbaar beheerst door het christendom. Hoewel die godsdienst zich intussen over de ganse wereld vertakte in ontelbare en gediversifieerde geloofsgemeenschappen, die zich bewust wensen te onderscheiden van elkaar, is in elke belevingsvorm ervan Jezus, die de Christus wordt genoemd, de centrale figuur. Zoals een moslim in Mohammed of een boeddhist in de Boeddha kan iedere christen in Jezus een gelegenheid of een uitnodiging vinden zich door een ideaal beeld te laten inspireren. De betekenis, die aan die man werd toegekend, is dus enorm. Maar wie was hij ? Waarom is hij, ondanks de korte duur van zijn optreden in de openbaarheid, zo belangrijk geworden ? Wat was de reële inhoud van zijn religieuze getuigenis en welke motivering heeft hem hiertoe aangezet ? Wat zou er overigens van zijn getuigenis zijn overgebleven, indien hij niet zou zijn erkend als een afstammeling van koning David of indien er geen fenomeen zou zijn geweest, die Paulus heette en die van hem het definitieve sluitstuk van de Bijbel maakte ? De associatie van Jezus met de Bijbel lijkt vandaag zó evident, dat het in vraagstellen van zijn bijbelse integratie bij vele gelovigen wellicht als ongepast of zelfs oneerbiedig zal overkomen. Toch zou die vraag wel eens realistischer kunnen zijn dan we vermoeden. Uit het evangelie volgens Thomas blijkt immers dat hij zichzelf niet alleen nooit in de lijn van de bijbelse traditie plaatste maar dat hij zich bovendien duidelijk distantieerde én van de profeten uit de Bijbel én van de rituelen, waarmee de joden hun bijbelse geloof beleefden.

Laten we eerst in alle duidelijkheid stellen dat, wanneer we het over de Bijbel hebben, we dit boek bedoelen dat behoort tot het culturele erfgoed van het joodse volk. De Hebreeuwse Bijbel dus, die door de christenen het Oude Testament wordt genoemd. Het betreft een buitengewone saga, waarin de roots van het Hebreeuwse volk en hun unieke alliantie met YHWH in een dramatisch epos werden vastgelegd. Voor de christenen bestaat de Bijbel echter niet alleen uit het Oude maar ook uit het Nieuwe Testament, waarin het leven en de boodschap van Jezus centraal staan.

De compilatie van dit indrukwekkende epos zou, volgens de meest recente archeologische bevindingen, een aanvang hebben genomen in de zevende eeuw vóór Chr., toen Jozias koning was in Juda. De bedoeling ervan was zowel politiek als religieus : aan het Hebreeuwse volk een historische basis geven, waardoor het zich opnieuw kon bewust worden van zijn uitzonderlijke lotsbestemming, gedicteerd door een unieke alliantie met de enige God YHWH. Jozias beschouwde het immers als zijn messiaanse opdracht Israël en Juda opnieuw te verenigen onder het hiërarchische gezag van het koningshuis van David. Even wat geschiedenis dus.

In de periode die voorafging aan de regering van koning Jozias onderscheidde men in het land van Canaän, dat nu Palestina wordt genoemd, twee deelgebieden : Israël in het noorden en Juda ten zuiden. Omdat Israël kon genieten van een vruchtbare natuur en bovendien op de verbindingsroute lag tussen twee bijzondere culturen, die van Egypte en van Mesopotamië, had het een voorspoedige ontwikkeling gekend. Een aantal belangrijke nederzettingen getuigden van een georganiseerde en bloeiende samenleving. Juda daarentegen was een onherbergzame en moeilijk toegankelijke streek met kleine woongemeenschappen, die in ondankbare omstandigheden leefden. Hierdoor was het een vrij geïsoleerd gebied gebleven. Echte steden waren er niet. De voornaamste nederzetting in het noorden van Juda, Jeruzalem, was toen niet meer dan een uitgebreid dorp.

Een totale omwenteling vond plaats toen koning Teglat-Phalasaar III van Assyrië in 738 v.Chr. zijn oog liet vallen op het voorspoedige Israël. Hij verwoestte er zowat alle belangrijke nederzettingen en deporteerde een groot aantal inwoners naar het oosten. Assyrische onderdanen namen hun plaats in. Dit betekende zo goed als het einde van Israël. Een deel van de inwoners vluchtte echter naar het zuiden, naar Juda, waardoor ook dit gebied op vrij korte tijd een totale transformatie onderging. Van enkele tienduizenden inwoners steeg de bevolking plotseling tot ongeveer 120.000. In de tijd van één generatie breidde Jeruzalem zich uit van 6 tot 75 hectaren. Een versterkte vesting omgordde voortaan de nieuwe stad.

Dit alles gebeurde toen Achaz in Juda een door de Bijbel vermaledijde koning was (743–727 v.Chr.). Onder zijn bewind kenden de hoogvlakten van Juda nochtans een toenemende voorspoed. Zijn zoon en opvolger, Ezechias, was in de ogen van de bijbelschrijvers wel een voorbeeldige koning. Hij bestreed immers de vele bijgeloven en streefde ernaar het gezag van YHWH te herstellen. Ook hij koesterde reeds de droom van een hereniging met het noorden en verzette zich daarom tegen de bezetter. Dit zou hem zuur opbreken, want de Assyriërs veroverden nu ook grote delen van Juda. Alleen Jeruzalem werd gespaard. Zijn zoon Manassé was dan weer, net als zijn grootvader, een door de Bijbel verdoemde koning. Want hij aanvaardde de overheersing van Assyrië en was vooral religieus veel toleranter dan zijn vader. Maar hij zorgde er wel voor dat Juda opnieuw voorspoed kende o.m. door een bloeiende handel in olijfolie. Zijn bewind liep van 698 tot 642 v. Chr.

Koning Jozias regeerde in Juda van 639 tot 609 v.Chr. Onder zijn regering taande de macht van de Assyriërs, omdat zij zowel aan hun noordelijke als oostelijke grenzen werden bedreigd. Hun greep op de bezette gebieden van Israël nam zodanig af dat Jozias hierin een opportuniteit zag om zijn messiaanse droom van een hereniging van het Hebreeuwse volk te verwezenlijken. De belangrijkste voorwaarde om aan zijn plan enige kans op slagen te geven was echter te kunnen rekenen op de steun van zijn God. Ten tijde van Jozias werden immers naast YHWH ook heel wat andere goden vereerd. Zijn volk moest er dus worden van overtuigd dat zijn lot totaal afhankelijk was van zijn trouw aan de enige God, de alles bepalende macht. Die onvoorwaardelijke betrokkenheid had steeds en zou steeds de toekomst van het Hebreeuwse volk bepalen. Hij nam dus het initiatief de historiek van zijn volk te laten uitschrijven in een onovertroffen episch verhaal, waarin heel wat tot de verbeelding sprekende oude legenden werden verwerkt. Maar zowel een aantal verhalen als hun positionering in de tijd roepen thans, wanneer zij worden geconfronteerd met de bevindingen van de moderne archeologie, heel wat vragen op.

Zo kan men zich moeilijk voorstellen dat de uittocht uit Egypte onder de leiding van Mozes van 600.000 mannen met hun gezinnen en hun bezittingen geen enkel archeologisch spoor zou hebben nagelaten. Koningen als David en Salomon zouden wel historische figuren zijn geweest maar zowel de veroveringen en heldendaden van David als de praal en de spectaculaire bouwwerken van Salomon blijken te behoren tot de romaneske verbeelding van de auteurs van de Bijbel. Zo werd in Jeruzalem geen enkel archeologisch spoor aangetroffen van een tempel, die in de periode van de bijbelse koning Salomon zou zijn gebouwd. Ook is duidelijk dat verhalen als de strijd tussen de jonge David en de reus Goliath of de instorting van de muren van Jericho door het bazuingeschal van de krijgers van Josue eerder thuis horen in een boeiende jeugdroman dan in een historische reconstructie. Maar wanneer de “hand Gods” in het spel is blijkt niets onmogelijk te zijn, zo weerklinkt het bijbelse loflied.

Bovendien was het een geniale vondst van de bijbelschrijvers de blijvende verbondenheid van hun volk met YHWH steeds weer te benadrukken door de bemiddeling in te roepen van bijzondere goddelijke gezanten, profeten genaamd. Hen was het gegeven het goddelijke oordeel en zijn intenties voor de toekomst aan de mensen te onthullen. Eén van de meest opvallende en tevens voor de bedoeling van de Bijbel revelerende profetische “ingrepen” situeert zich aan het einde van de X° eeuw v.Chr., toen Jeroboam koning was. Een niet bij naam genoemde godsgezant profeteerde toen de komst van Jozias als de redder des vaderlands. Pas drie eeuwen later zou die profetie de plannen van Jozias ten goede komen... In hun merkwaardige boek “The Bible unearthed” vergelijken de auteurs Finkelstein en Silberman dit voorval met een denkbeeldige voorspelling, die in de XVII° eeuw door een lid van de afro-amerikaanse gemeenschap zou zijn gemaakt en waarin de komst van Martin Luther King zou zijn aangekondigd...

Heel wat verhalen die toegeschreven werden aan de patriarchen, aan Mozes of aan koningen blijken nu een projectie te zijn van de problematische situatie in Juda zeven eeuwen voor Christus. In die verhalen zou heel vaak een loopje zijn genomen met de historische werkelijkheid, zoals die blijkt uit archeologische onderzoeken en waarvoor meestal joodse wetenschappers verantwoordelijk zijn. We kunnen enkel respect opbrengen voor de eerlijkheid van wetenschappers, die de historische roots van hun eigen cultuur in vraag durven te stellen.

Het is niet onze bedoeling ons in te laten met een kritische studie van de historische waarde van de Bijbel. Toch lijkt het ons aangewezen erop te wijzen welke storende rol het geloof kan spelen in de appreciatie van nieuwe archeologische ontdekkingen, zeker wanneer het de geloofwaardigheid betreft van een voor de monotheïstische godsdiensten zo heilig boek als de Bijbel. Bovendien is onfeilbaarheid aan niemand gegeven ! Zoals het uit de geschiedenisboeken onomstotelijk blijkt dat godsdienst en macht elkaar al te vaak uitstekend konden vinden, zo is het eveneens duidelijk dat de relatie tussen wetenschap en godsdienst heel wat gevoeliger ligt. Het blijft dus een uiterst delicaat gegeven één van de fundamenten van onze westerse beschaving kritisch te benaderen. Een elementaire eerlijkheid houdt ons nochtans voor elke religieuze voorstelling te relativeren als een menselijke benadering van een mystieke werkelijkheid, waaraan zowel intrinsieke menselijke waarden als minder positieve uitwasemingen verbonden zijn.

 

 

 

b -  Was Jezus een Messias... ?

 

 

Het is opvallend dat voor Jezus zoveel vaker de naam Christus wordt gebruikt dan zijn persoonlijke naam. Christos is de Griekse vertaling van het Hebreeuwse Mashiah, ons beter bekend als Messias. Die titel werd aan diverse bijbelse koningen, zoals ondermeer David en Salomon, toegekend. Hij werd bekrachtigd door een koninklijke zalving en verwees naar hun verantwoordelijkheid t.a.v. YHWH en de alliantie die Hij met het volk van Abraham gesloten had. Een Messias had als opdracht het herstel van Gods koninkrijk op aarde voor te bereiden. Bij die titel hoorde ook de kwalificatie “zoon van God”, die dient te worden begrepen als “uitverkorene van God” en niet, zoals het nu het geval is, als “van goddelijke oorsprong”. Die bijbelse logica zou dus ook voor Jezus moeten gelden.

Door hem de titel van Messias toe te kennen werd Jezus erkend als een wetmatige opvolger van koning David. In de evangeliën werd overigens de nodige ijver aan de dag gelegd om zijn verbondenheid met het nageslacht van David te bevestigen. De genealogie van Mattheüs is nochtans verschillend van die van Lucas... Bethlehem, de geboorteplaats die aan Jezus werd toegekend, was toeval of niet ook de plaats waar David het levenslicht zou hebben gezien. Het opschrift aan het kruis : “koning van de joden” getuigt bovendien, zij het op sarcastische wijze, van die status. Wat Jezus zelf betreft heeft hij zichzelf nooit als een Messias of een “zoon van God” kenbaar gemaakt. Noch uit de canonieke evangeliën, noch uit dit volgens Thomas blijkt dat Jezus enige koninklijke ambities koesterde. Zo verhaalt Marcus dat, toen mensen in hem een “zoon van God” meenden te erkennen, hij dit kordaat weerlegde. (Mc 3,12) Verwijzend naar zichzelf gebruikte hij bij voorkeur de uitdrukking “mensenzoon”. Desondanks is hij steeds de Christos en dus de Messias gebleven.

Het is de jood Paulus geweest die aan het begrip Messias een nieuwe dimensie gegeven heeft. Tot dan toe was geen koning er immers in geslaagd zijn messiaanse opdracht tot een goed einde te brengen. Het einde van de scheiding tussen de mens en God was nog steeds een droom gebleven. Van die scheiding is de oorzaak verwoord in het Boek Genesis, waarin het paradijselijke verhaal werd opgevoerd van Adam en Eva en hun zondeval. Dit mythisch bijbelse verhaal zou de historische basis worden voor een andere integratie van Jezus als Messias in de Bijbel. Paulus bedacht immers dat Jezus, door zijn offer aan het kruis, de ban van de scheiding tussen de mens en God - waarvoor in zijn ogen vooral de vrouw Eva verantwoordelijk was - gebroken had en aldus de weg had vrij gemaakt voor het herstel van Gods koninkrijk op aarde. De verwezenlijking van die droom, waaraan de Bijbel een apocalyptische realiteit en het “Laatste Oordeel” verbond, behoorde voor Paulus tot een heel nabije toekomst, want hiervan zou hijzelf de bevoorrechte getuige zijn. Jezus was dus de enige ware Messias, die door zijn daad van zelfopoffering het pad voor de komst van Gods koningrijk geëffend had. Bovendien maakte zijn overwinning op de dood duidelijk dat zijn natuur niet menselijk maar goddelijk was. Dit is zowat de kern van het christelijke geloof, waarvan de reële inspirator niet Jezus maar Paulus is geweest. Hij was het die aan de kruisdood en de verrijzenis een “catholica” - wat universeel betekent - dimensie gaf en hierdoor de grenzen van de Bijbel oversteeg. Het inzicht in de noodzaak de religieuze begrenzing eigen aan het jodendom te doorbreken is tenslotte het enige dat Paulus met Jezus gemeen heeft.

De bijbelse betekenis, zowel van Messias - en dus van Christus - als die van “zoon van God”, blijkt dus niet van toepassing te zijn op het actuele beeld dat we van Jezus hebben. Dit beeld hebben we vooral aan Paulus te danken. Hij was er heilig van overtuigd door God te zijn uitverkoren om Zijn woord te vertolken. En hiervoor stoorde hij zich noch aan de boodschap van Jezus zelf, noch aan de bijbelse inzichten van zijn joodse geloofsgenoten.

 

 

 

c -  Het woord van God

 

 

De Hebreeuwse Bijbel is heilig want hij verkondigt het “woord van God”, zo wordt ons voorgehouden. In de Bijbel heeft God zichzelf geopenbaard... Dit geloof geldt zowel voor de joden als voor de christenen. Zeshonderd jaar na Jezus zou ook Mohammed het woord van de bijbelse God aanhoren en laten optekenen in wat de Koran zou worden. Blijkbaar zijn er dus bevoorrechte mensen geweest, die het “woord van God” hebben ontvangen en aan anderen meegedeeld. In de Bijbel werden zij profeten genoemd. Ook Mohammed wordt als een profeet erkend. Maar wat betekent de uitdrukking “woord van God” ? Het produceren van woorden is immers een menselijke eigenschap, die we zoals zovele andere uit een absolute bron ontvangen en die het ons mogelijk maakt met elkaar te communiceren.

Om de kloof tussen twee onderscheiden werelden, de natuurlijke en de bovennatuurlijke, te overbruggen maken mensen sinds lang gebruik van woorden in gebeden en rituelen. Maar kunnen de rollen ook worden omgekeerd ? Kan men het bedenken dat het hogere zich in woorden naar de mens gaat richten ? Is het wel zinvol aan een mystieke werkelijkheid het gebruik van die menselijke eigenschap toe te kennen ? Herleid men hiermee niet een mystieke of spirituele werkelijkheid tot een menselijke dimensie ? Het bewustzijn met “iets hogers” verbonden te zijn is één zaak. Zich een kennis van “het hogere” aanmeten door “Zijn woord” te vertolken is een totaal ander gegeven. Het lijkt er inderdaad op alsof sommige mensen toegang hadden tot “een goddelijk bewustzijn”... Is dit wel geloofwaardig ? Kan aan mensen zoals Paulus, Mohammed of de profeten van de Bijbel het gezag worden toegekend zichzelf als tolken van het “woord van God” op te voeren ? In de getuigenis van Thomas heeft Jezus zich overigens nooit in de hoedanigheid van een goddelijke woordvoerder kenbaar gemaakt...

In zijn gesublimeerde aspect, uitgedrukt door het Griekse woord logos, kan “het woord” weliswaar dienstig zijn als symbool voor een blijvende manifestatie van de Spiritus. Zo dachten we dat het in de proloog van het Johannesevangelie hoorde begrepen te worden. Het door mensen gesproken of geschreven woord is echter een uiting van het menselijke bewustzijn, van menselijke gedachten en gevoelens. Indien aan het menselijke bewustzijn de zuiverheid van een lelie kon worden toegekend, zou zijn woord wellicht, zoals de ganse natuur, de uitdrukking van het mystieke hogere kunnen dienen. De werkelijkheid onderschrijft echter die veronderstelling niet. Het menselijke bewustzijn is nu eenmaal door zwakheden getekend. De vraag is dan ook : wat heeft mensen bewogen om op die wijze het onkenbare hogere kenbaar te maken ? Hoe religieus of politiek belangeloos was bovendien de motivering van de bijbelschrijvers of van andere “vertolkers” van Zijn woord ?

Het religieuze bewustzijn, waarin het leven in al zijn aspecten ervaren wordt als de uitdrukking van een mystieke werkelijkheid, maakt “goddelijke woorden” evenwel overbodig. Wie luistert naar de natuur, de wetten van harmonie in de natuur erkent, luistert naar “Zijn woord”... Dit is geen verbeelding meer maar werkelijkheid ! Zo eenvoudig kan een religieus inzicht zijn. De wet van harmonie erkennen, er respect voor opbrengen, zich door haar laten inspireren, maken de tien geboden van Mozes of de honderd en één voorschriften van de Talmud overbodig. Ook Jezus kreeg volgens de evangeliën het verwijt te horen dat hij het niet zo nauw nam met de joodse voorschriften omtrent vasten of sabbat. Zou het bovendien toeval zijn geweest dat hij in de eerste parabel, vermeld in drie van de vier evangeliën, verwijst naar de manifestatie van het leven zoals het ontstaat uit de eenheid, waarin het zaad en de goede aarde harmonisch verenigd zijn...? Overigens is die parabel niet zijn enige verwijzing naar het natuurlijke leven.

 

 

d -  De geboorte van een godsdienst

 

 

Zoals ooit de Boeddha, zes eeuwen vóór hem, op rijpere leeftijd het besluit nam op stap te gaan om tenslotte een nieuwe visie op de relatie tussen de mens en zijn levenswetten te verkondigen, zo legde ook Jezus op een volwassen leeftijd getuigenis af van zijn religieuze bewustzijn. Voor de christelijke gelovige beperkt de informatie over zijn woorden en handelingen zich tot de vier evangeliën, die in de Canon van de Kerk zijn opgenomen. Zij worden daarom canonieke evangeliën genoemd. Hierdoor onderscheiden zij zich van het grote aantal niet erkende evangelische geschriften, die als apocrief wordt aangeduid, naar het Griekse woord apocruphos dat verborgen of geheim betekent. Naast de vier evangeliën bevat de Canon van de Kerk ook nog de Handelingen van de Apostelen, de Openbaring van Johannes en een aantal brieven van discipelen en van Paulus. Die verzameling, ook het Nieuwe Testament genoemd, verkreeg pas een officiële erkenning tegen het einde van de vierde eeuw.

De evangeliën kunnen worden beschouwd als schriftelijke getuigenissen, die zich ontwikkeld hebben in verschillende joodse gemeenschappen en die zich beroepen op de geestelijke leiding van een discipel. Het is geen eenvoudige opdracht een juiste inschatting te maken van hun informatieve waarde. We maakten reeds melding van de studie van de Bijbelschool van Jeruzalem omtrent hun ontstaan- en ontwikkelingsproces. Hierin wordt o.m. gewezen op de onderlinge beïnvloedingen en aanpassingen, die deze geschriften gedurende een langere periode hebben ondergaan. Zo onderscheidt die studie in het Johannesevangelie vier verschillende redactionele niveaus, waarbij drie auteurs zouden zijn betrokken. (1) Het volume van het meest oorspronkelijke document zou in die periode ongeveer vertienvoudigd zijn. Ook valt op te merken dat, van de vier officiële evangelisten, twee alvast geen apostelen waren : Marcus en Lucas. Maar ook over de identiteit van Mattheüs en Johannes als evangelisten bestaan twijfels. Indien zij de apostelen waren zou hun informatie de meest waardevolle moeten zijn, want het minst verwijderd van de bron. Toch vertoont hun verslaggeving opvallende verschillen en wordt nu algemeen aangenomen dat het evangelie volgens Marcus, althans een precursor ervan, de eerste referentie zou zijn geweest. Maar, volgens Papias, een kerkvader uit de tweede eeuw, verwoordde Marcus wat hij uit het onderricht van Petrus had vernomen. De beschrijving die Papias geeft, zowel van het geschrift van Marcus als van dit van Mattheüs, beantwoordt echter niet aan hun evangeliën zoals we ze nu kennen. Een bijzondere vaststelling is dat de uitverkiezing van Petrus, als de steenrots waarop de Kerk gegrondvest zou zijn (Mt. 16, 18), enkel door Mattheüs wordt vermeld en dus blijkbaar niet bekend was door Marcus, die toch de bevoorrechte discipel van Petrus was... Die vermelding door Mattheüs wordt overigens door de studie van de Bijbelschool van Jeruzalem beoordeeld als een toevoeging van de laatste redacteur van dit evangelie. Dit zou dus gebeurd zijn tegen het einde van de tweede eeuw.

 Wat in deze materie de leek vooral opvalt, is de complexiteit van het netwerk waarin de evangeliën zijn tot stand gekomen. De geschiedenis van de schriftelijke getuigenissen, zowel van de religieuze boodschap van Jezus als van de erkenning van zijn bijzondere hoedanigheid als God zelf, getuigt immers niet van een heldere of consonante perceptie ervan. De manier, waarop in verschillende gemeenschappen op zijn onderricht is gereageerd, draagt zoveel meer het kenmerk van menselijke factoren dan van een eenvormige inspiratie van de Geest. De verwarring, die het vernieuwende van zijn boodschap in die gemeenschappen veroorzaakte, zou wellicht niet die omvang hebben genomen indien er een eenstemmigheid was geweest tussen het onderricht van Jezus en de Bijbelse traditie. Die verwarring werd bovendien nog in de hand gewerkt door de originele ideeën van een zekere Paulus, die op een eigen wijze een verband legde tussen zijn bijbelse geloof en de komst van Jezus.

 Een harmonisatie van de verschillende getuigenissen drong zich daarom op. Die lukte vooral voor drie van de vier evangeliën, die nu de synoptische evangeliën worden genoemd omwille van hun onderlinge samenhang. Dit zijn de evangeliën van Marcus, Mattheüs en Lucas. Op vele vlakken onderscheidt het evangelie van Johannes zich van de overige drie. Zo is het o.m. een merkwaardige vaststelling dat het meest tot de verbeelding sprekende mirakel dat Jezus ooit zou hebben verricht, de opwekking uit de dood van Lazarus, de broeder van Maria Magdalena en Martha, bij de overige evangelisten onbekend is gebleven... Was dit voor Johannes het ultieme bewijs van de goddelijkheid van Jezus, een erkenning die niet door de anderen werd gedeeld ? Bovendien beschouwt Johannes dit mirakel als de fatale druppel, die de emmer van de joodse ergernis deed overlopen en aldus de rechtstreekse aanleiding zou zijn geweest tot de aanhouding van Jezus.

Het was een evidente noodzaak de nieuwe leer te grondvesten op de vroegste schriftelijke getuigenissen. Hoewel het logisch lijkt aan te nemen dat de redactie van de evangeliën een aanvang heeft genomen in de eerste eeuw, is het toch merkwaardig dat, vóór het midden van de tweede eeuw, geen enkele kerkvader een citaat produceert uit één van de vier, met de expliciete vermelding van een evangelist. Wel worden citaten gedaan uit “het evangelie van de Heer”. Doorgaans vertonen zij nochtans een meer archaïsche formulering dan wat in de eindredacties van de evangeliën is terug te vinden. Het lijkt ons hier ook passend eraan te herinneren dat de oudste documenten waarover we beschikken, o.m. de codex Sinaïticus en de codex Vaticanus, geschreven zijn in de Griekse taal en dateren uit het midden van de vierde eeuw.

De verscheidenheid in de perceptie van de prediking van Jezus lag ook aan de basis van soms dramatische conflicten, die de nieuwe godsdienst kende in de eerste eeuwen van zijn bestaan. Zij betroffen vooral de goddelijkheid van Jezus en het hieraan verbonden mysterie van de drie-eenheid. De ergernis van de romeinse keizer Constantinus, aan wie het christendom zijn bestaansrecht te danken had, was in het begin van de vierde eeuw zo groot dat hij zelf het dwingende initiatief nam de kerkelijke leiders voor hun verantwoordelijkheid te plaatsen door hen in een concilie samen te brengen. Het mysterie moest maar eens worden uitgeklaard... Wat uiteraard een onbegonnen zaak was. Wanneer we bovendien ook nog rekening houden met de inbreng van het gnosticisme, waartegen Irenaeus, rond het jaar 180 bisschop in Lyon, zo heftig ten strijde trok, is de situatie nauwelijks nog te overzien. Het blijft dus een actuele en belangrijke uitdaging in dit kluwen van menselijke inzichten en ambities de ware toedracht van de getuigenis van Jezus te achterhalen.

 

 (1) Synopse des quatre Évangiles Tome III  par M-E Boismard et A. Lamouille.

 

 

 

e - Een verschillende benadering

 

 

Indien de mens zich wil integreren in een positieve levensevolutie is het noodzakelijk dat hij een weg van kennis gaat. Geen dogmatische kennis, een dwingende waarheid die door anderen wordt voorgehouden, maar een ervaringskennis die leidt tot bewustwording en dus tot wijsheid. Onwetendheid is een afwezigheid van kennis die oorzaak is van angst, afhankelijkheid en dus van kwetsbaarheid. Juiste kennis maakt vrij en tevens bewust van de eigen verantwoordelijkheid. Het is daarom de opdracht voor al wie over een juiste kennis beschikt haar ten dienste te stellen van anderen. Niet dwingend maar gewoon dienend. Aan zo iemand kan gezag worden toegekend. Wie van zijn of haar kennis een dwingende waarheid maakt loopt in de val van de hoogmoed en begeeft zich op het drijfzand van de macht.

Het is overbodig te onderstrepen hoe dominant de ambitie van macht in onze samenleving aanwezig is. “Ik kan meer dan jij, ik ben beter, sterker, mooier...” Het is een puberaal verschijnsel dat bevestigt hoe weinig volwassen onze samenleving geworden is. Het bewustzijn van eenheid, waarin we allen met elkaar verbonden zijn en waarin niemand belangrijker is dan een ander, is zoveel minder de leidraad voor ons handelen dan de behoefte onze eigenwaarde te bevestigen.

Onwetendheid kan voor onszelf het verlangen genereren een weg van kennis te gaan. Te vaak echter is zij voor anderen een gelegenheid tot het uitoefenen van macht. Het is daarom belangrijk dat de mens, vanuit zijn bewustzijn onwetend te zijn - wat reeds een eerste stap betekent op het pad van wijsheid - een onderscheid leert maken tussen die mensen die een juiste en zij die een vermeende of ingebeelde kennis aanbieden.

In het evangelie volgens Thomas nodigt Jezus uit tot het gaan van een weg van zelfkennis, tot het in vraag te stellen van onszelf en onze inzichten en, naar het voorbeeld van de attente visser, tot het verwerven van een juist onderscheidingsvermogen. Zo confronteert hij ons én met onze persoonlijke vrijheid én met onze individuele verantwoordelijkheid. In een religieuze optiek is dit de weg van gnosis. In zijn eerste brief aan de Galaten (1, 9) daarentegen vermaant Paulus hen zijn inzichten onvoorwaardelijk te aanvaarden : “indien iemand een ander evangelie verkondigt dan dit dat gij (van mij...) ontvangen hebt, hij weze vervloekt...” Voor hem is zijn evangelie de enige boodschap van waarheid en is elke afwijkende gedachte of inzicht onaanvaardbaar. Maar van het onderricht van Jezus is in zijn evangelie geen spoor te bekennen... De tegenstelling tussen de uitnodiging van Jezus en de vermaning van Paulus is treffend !

De ingesteldheid van Paulus roept vragen op... Was het zijn bedoeling, zoals het die van Jezus was, mensen behulpzaam te zijn en dus vrij te maken bij het zoeken naar hun juiste religieuze relatie met die realiteit, die gesymboliseerd wordt in het woord “God” of voelde hij zich door zijn bijbelse God geroepen om aan de mensheid zijn waarheid te verkondigen...? Wiens houding berust op kennis en genereert gezag en wiens berust op verbeelding en leidt tot macht...?

In  het spoor van Paulus heeft ook de Kerk aan de verleiding van macht niet kunnen weerstaan. Het beeld van de almachtige God, zoals het ons door de Bijbel wordt aangeboden, is ook het godsbeeld van de katholieke Kerk geworden. De integratie van Jezus in dit godsbeeld zorgde evenwel voor een grondige bijsturing, waardoor de vreesaanjagende want almachtige God van de Bijbel een barmhartige God van liefde werd.  De bedoeling aan de oorsprong van de redactie van de Bijbel was het herstel van de hiërarchische machtstructuur waarvan koning David het boegbeeld was. Hiervoor werd gerekend op de steun van de goddelijke macht. Het kan dus niemand verbazen dat de bijbelse cultuur, waarin menselijke en goddelijke macht verenigd zijn, ook de katholieke Kerk heeft bezoedeld.

De projectie van de menselijke machtsambitie op een goddelijke realiteit illustreert hoe flinterdun soms de ruimte is die beeld en onzin van elkaar scheiden...

Macht is dwingend, gezag maakt vrij... Ruimte laten voor een persoonlijke zoektocht of, naar het voorbeeld van Jezus zelf, aansporen tot het gaan van een zoekende weg waarin de persoonlijke betrokkenheid in een religieuze verbondenheid centraal staat, is voor de Kerk nooit een optie geweest. Dit beschouwde zij steeds als een ongewenste inmenging in haar geloof en dus als een ondermijning van haar machtspositie. De geschiedenis bevestigt ons, dat op enkele individuele en zeer waardevolle uitzonderingen na, twintig eeuwen christendom geen aanspraak kunnen maken op de verdienste het leven te hebben gediend door mensen meer vrij en dus meer verantwoordelijk te maken.

 

 

 

f -  Eenheid of gescheidenheid

 

 

Omdat God, als symbool voor een unieke en absolute levensbron, tot een bovennatuurlijke realiteit behoort is Hij gescheiden van de mens, die wel tot de natuur behoort, zo wordt ons door godsdienstleraren voorgehouden. De religieuze gedachte één te zijn met de bron of deel te hebben in het koninkrijk van God kan daarom slechts tot een reële vervulling komen na onze biologische dood. De plaats van hereniging wordt het Rijk Gods genoemd. Toch was voor Paulus de komst van het Rijk Gods en dus onze hereniging met Hem eerder een kwestie van dagen dan van maanden.. Zijn illusie werd echter door de werkelijkheid achterhaald en hierdoor gaandeweg pragmatisch bijgesteld. De evolutie van de verwachting van een reëel gebeuren naar een “post mortem” werkelijkheid, waarin de scheiding tussen mens en God zou worden opgeheven, is zo de ultieme hoop van elke christen geworden.

Wat dit concrete leven betreft is het inzicht van het geloof duidelijk : gezien de aanwezigheid van God alomtegenwoordig is, zonder dat wij Hem evenwel kunnen waarnemen en omdat Zijn wil, zoals de Bijbel ons leert, alles bepalend maar door ons niet te doorgronden is, blijft de goddelijke realiteit voor de mens een overheersende maar ontoegankelijke werkelijkheid. Hier en nu zijn we totaal van God afhankelijk maar tevens fataal van Hem gescheiden... Een integratie van de mens in Zijn koningschap is in dit leven niet aan de orde ! Toch getuigt één canonieke evangelist van een andere kijk op de realiteit die het Rijk Gods wordt genoemd. In het Lucasevangelie (17, 20-21) lezen we immers volgende uitspraak van Jezus :

Wanneer hem door farizeeën de vraag werd gesteld wanneer het Rijk Gods zou komen, antwoordde hij hen : de komst van het Rijk Gods kan je niet waarnemen, men zal niet zeggen zie het is hier of daar is het, want het Rijk Gods is binnen in u.

Zowel de vertaling van de laatste Griekse woorden : entos umôn estin - we namen de vertaling van de Bijbelschool van Jeruzalem over - als de interpretatie ervan zijn een voorwerp van discussie. De traditionele vertaling van de laatste woorden van Lc 17, 21 is : want het Rijk Gods is midden onder u. Maar ook die interpretatie verwijst naar een actuele en niet naar een toekomstige werkelijkheid...! Ook in deze discussie brengt Thomas verheldering : want het koninkrijk is binnen in jullie en het is buiten jullie... wanneer jullie de twee één zullen maken... dan zullen jullie het koninkrijk binnengaan... De boodschap is duidelijk : hier en nu maken we integrerend deel uit van Zijn koninkrijk maar van die eenheid zijn we ons blijkbaar nog steeds niet bewust. 

Blijft dus de vraag hoe we ons bewust kunnen worden hier en nu niet gescheiden maar één te zijn met een absolute levensbron, hier en nu deel te hebben in die werkelijkheid die Jezus het koninkrijk van God noemde ? Indien die ervaring, die uiteraard buiten het gebied van het zintuiglijke valt, mogelijk is dan kan het niet anders dan dat zij van een spirituele orde is.

De religieuze werkelijkheid heeft met leven te maken, met het gaan van een weg van bewustwording, waarvan het de finaliteit is tot een juist inzicht - de waarheid - te komen. Weg, waarheid en leven : het zijn “officiële” woorden van Jezus. Het is de verdienste van de Boeddha geweest een onderscheid te maken tussen het gaan van een religieuze weg en het zich verbeelden van een God. Nooit heeft hij zich een vermeende godskennis toegeëigend ! In de getuigenis van Thomas bevestigt ook Jezus impliciet dit onderscheid, ook al maakte hij gebruik van het beeld van een vader.

Beelden zijn het enige hulpmiddel dat toegang kan verschaffen tot een juist inzicht in een bovennatuurlijke want spirituele werkelijkheid. Elk beeld is als een baken die het mogelijk maakt de weg die we gaan te toetsen aan de werkelijkheid. Nooit echter kan een beeld de plaats innemen van de werkelijkheid die het tracht te onthullen. Het goddelijke reveleert zich inderdaad als een inspirerende vader maar het is geen vader... Zolang we, zoals Jezus, gebruik maken van het beeld van een vader, in het bewustzijn een beeld te hanteren, is daar niets mis mee ! Elke verwarring tussen beeld en werkelijkheid leidt echter tot onjuiste inzichten.

De finaliteit van de weg die we te gaan hebben is tenslotte ontvankelijk te worden voor een inspiratie - hierin zit het woord Spiritus - uit het Hogere, waardoor onze verbondenheid in een ervaringskennis bevestigd wordt. Van die inspiratie getuigde Jezus. Door echter aan Jezus een goddelijke natuur toe te kennen moeten we er ons fataal bij neerleggen dat zijn ervaring niet tot de onze kan behoren. Want hij is goddelijk en wij niet ! Hoe nauw we ons ook met de mens Jezus verbonden voelen toch overstijgt zijn natuur de onze en zijn we dus ook van hem gescheiden...

Maar is het wel redelijk te aanvaarden dat een mens door andere mensen tot een goddelijke status kan verheven worden ? Volstaan menselijke getuigenissen, die een overleden persoon levend zouden hebben terug gezien, om die persoon als God zelf te beschouwen ? In de oosterse religieuze tradities zijn dergelijke fenomenen overigens veelvuldig aanwezig. Uit de getuigenis van Thomas blijkt echter dat Jezus zichzelf nooit onderscheidde van zijn medemensen. Wat tot zijn mogelijkheden behoort, behoort ook tot de onze... Maar in dit geval zou hij niet méér goddelijk zijn dan ieder ander mens of... zou ieder mens even goddelijk zijn als hij ! Waarom ervaren wij dan niet die inspiratie waarvan Jezus getuigde ? Het antwoord op die vraag kan enkel zijn : omdat de kwaliteit van zijn bewustzijn blijkbaar verschillend was van de onze. Daarom ervaren de meesten onder ons niet die inspirerende aanwezigheid waardoor hij zich met het Hogere verbonden voelde. Het meest boeiende en ook het meest uitdagende in zijn boodschap, zoals Thomas ons die heeft nagelaten, is dat die ervaring tot de mogelijkheden van ieder menselijk bewustzijn behoort. Want dit bewustzijn leeft en de kwaliteit ervan is dus aan evolutie onderhevig.

Zo is nu de vraag aan de orde hoe we zelf iets kunnen doen aan een juiste evolutie in ons bewustzijn. Of, concreter gezegd, hoe kunnen we de fysiologische structuren, die de kwaliteit van het bewustzijn bepalen, uitzuiveren, in een juistere harmonie brengen, zodat de werking ervan aan zijn initiële functie kan beantwoorden ?

Wie de getuigenis van Thomas en de bijgaande commentaren heeft gelezen zal ook wel begrepen hebben in welke richting we het antwoord op die vraag menen te moeten zoeken. Die richting wordt ons het meest expliciet door Jezus aangegeven aan het slot van logion 60 :

jullie zoek voor jezelf een plaats binnenin een rust

zodat jullie geen lijken worden en worden opgegeten

De oosterse religieuze traditie wijst ons de weg waardoor we toegang kunnen hebben tot een zodanige kwaliteit van innerlijke rust, zodat de harmonie in de structuren van ons bewustzijn zich geleidelijk kan herstellen. We hebben het over de beoefening van meditatie.

 

 

 

Tenslotte...

 

 

Geconfronteerd met de religieuze uitdaging hebben mensen, door de eeuwen en de culturen heen, uiteenlopende inzichten bedacht, waarvan de getuigenissen bewaard zijn gebleven. Voor velen betekent de Hebreeuwse Bijbel de meest waardevolle leidraad voor hun religieuze beleving. Vele anderen laten zich dan weer inspireren door de Maha Bharata, de Koran of door het onderricht en het leven van Boeddha of van Jezus. Onze religieuze verantwoordelijkheid ligt echter niet in het aanvaarden van denkbeelden die anderen, vanuit een totaal van de onze verschillende cultuur, aan hun medemensen hebben aangeboden. Hun inzichten mogen dan wel heel waardevol zijn, zij vertegenwoordigen tenslotte niet meer dan de getuigenis van de religieuze betrokkenheid van mensen binnen een begrensde en tijdsgebonden samenleving.

Ieder mens is een kind van zijn cultuur... Maar wie vrij wil zijn moet banden loslaten, zo leert Jezus ons. Dit is een noodzakelijke stap op de weg die we aan onszelf verplicht zijn. Op zijn uitnodiging ingaan betekent onze vrijheid omzetten in een intellectuele verantwoordelijkheid, niet in een utopische hoop. Wat ons in de Hebreeuwse Bijbel wordt voorgesteld blijkt nu toch wel behoorlijk afwijkend te zijn van de historische werkelijkheid. Dit betekent ook dat in dit epische verhaal heel wat doelgerichte verbeeldingskracht werd verwerkt. Daarom is het meer dan ooit realistisch zich de vraag te stellen of de absolute dimensie in de boodschap van Jezus wel gediend is door een koppeling aan een zo menselijk verhaal als de Bijbel. De verbondenheid tussen Jezus - het nieuwe - en de Bijbel - het oude - wat tot de eenheid van het Oude en het Nieuwe Testament heeft geleid, werd chronologisch het eerst door Paulus bevestigd. Hij had ook de meest strikte joodsreligieuze opleiding ondergaan. Voor hem kon een religieuze visie enkel een waardevolle betekenis hebben binnen de context van de Hebreeuwse Bijbel.

In die Bijbel gaat het om de alliantie tussen een volk en zijn alles bepalende God. In de getuigenis van Jezus, zoals zij ons door Thomas werd overgeleverd, staat de eenheid van iedere mens met zijn levensbron centraal. Elke connectie tussen beide boodschappen kan slechts een aanleiding zijn tot een interferentie bij het zoeken naar de juiste interpretatie van de woorden van Jezus.

Oprechtheid gebied ons te aanvaarden dat er vragen zijn waarop ons huidige begripsvermogen geen antwoord kan formuleren. Het is intellectuele onzin die begrenzing te willen loochenen bij middel van ingebeelde verhalen, hoe goed de bedoeling ervan ook mag zijn. De realiteit is dat we leven in een wereld waarvan zowel de oorsprong als de finaliteit ons overstijgen. Maar, omdat we leven, zijn we op ieder ogenblik met de absolute oorsprong ervan verbonden, zoals ieder atoom ermee verbonden is, naar het beeld ook van de verbondenheid van een kind met zijn moeder. In die eenheid berust tevens het principe van gelijkheid en solidariteit waarin alle mensen verbonden zijn en van hun betrokkenheid met de ganse natuur.

Het is het wezen van de tragiek dat, in de oprechte betrachting het goede na te streven, het fatale tegengestelde wordt veroorzaakt. In zijn betrachting toenadering te zoeken tot “Dit”, dat de oorzaak is van de schepping en dus van alle leven op aarde, heeft de mens, naar zijn eigen beeld, van “Dit” “Iemand” gemaakt. Intellectueel beschouwd is die beeldvorming begrijpelijk maar het blijft een tragische vergissing. Want het absolute onvatbare werd verloochend en vervangen door een beeld. Hierdoor werd de mens van zijn ware levensbron gescheiden. Daar waar een toenadering werd betracht is een fatale verwijdering het gevolg geworden...

Religie heeft alles met een bewustzijn van verbondenheid te maken. In de plaats hiervan werd ons de fataliteit van een gescheidenheid voorgehouden, verbonden weliswaar aan het geloof in de verwachting dat die scheiding ooit zou worden opgeheven. Zo werden we, door de bijbelse voorstelling van God en door de erkenning dat ook de mens Jezus in wezen God is, religieus op een dwaalspoor gebracht. Daarom is het nu onze opdracht mensen en hun beelden juist in te schatten, begrip op te brengen voor de wijsheden en de dwalingen van de enen en de anderen maar vooral onze persoonlijke verantwoordelijkheid niet te ontlopen.

Onze benadering heeft niets met verbeelding te maken maar gaat uit van een concreet gegeven : een aantal papyrusvellen waarop ons door een zekere Judas Thomas uitspraken van een mens, Jezus genaamd, werden overgeleverd. De talrijke overeenkomsten met de uitspraken, die in de canonieke evangeliën werden opgetekend, vormen een aanvaardbare basis om aan te nemen dat het om dezelfde persoon gaat, die ooit in de bijbelse geschiedenis werd geïntegreerd en de sleutelfiguur van het christendom is geworden. Over het werkelijke leven van Jezus is historisch en niettegenstaande heel wat hypothetische verhalen heel weinig bekend. Maar zou het niet passend zijn ook zijn privacy niet eerbiedigen... De essentiële vraag is namelijk niet : wat is de waarheid omtrent de persoon en het leven van Jezus ? Maar wel : wat vangen we aan met zijn onderricht, zijn uitnodiging, zijn uitdaging, zoals die blijkt uit de getuigenis van Judas Thomas ?

Men kan zich door de getuigenis van Thomas aangesproken voelen of niet. Zeker is zij een waardevolle opportuniteit om in vrijheid en oprechtheid onze religieuze verantwoordelijkheid op een andere en meer realistische basis te funderen dan op bijbelse verhalen. Vereist onze intellectuele verantwoordelijkheid niet dat we ons in de eenentwintigste eeuw kunnen vrij maken - wat een besnijdenis in de geest...! - van inzichten en bedoelingen van mensen die in de zevende eeuw v. Chr. in Juda om religieuze en strategische redenen tot de aanzet van de redactie van de Bijbel hebben besloten ?

Vandaag maakt opnieuw de natuur ons bewust dat een ontwaken dringend aan de orde is... De keuze banden los te laten door het gaan van een weg die noopt tot een individuele bewustwording is niet de meest voor de hand liggende optie ! Maar tenslotte ligt het enig waardevolle antwoord op de religieuze uitdaging in de persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid van iedere mens...

 

 

 

 

 

 

 

de auteur

 

Wie wenst te reageren op deze site kan dit doen via e-mail :

info-thomasevangelie@telenet.be

 

 

 

 

Begin...                           Home