Het evangelie volgens Thomas is één van de 52 koptische handschriften
die in 1945 werden ontdekt in de Egyptische woestijn nabij Nag Hammadi en
bestaat uit een verzameling uitspraken, die Jezus zou hebben gedaan. Het reveleert
ons vandaag een andere dimensie in de getuigenis van de man, die twintig eeuwen
terug in Palestina voor enige religieuze beroering zorgde. Want ooit werd hij door
een aantal van zijn volgelingen uitgeroepen tot de door hen verwachte Messias,
zelfs tot de “zoon van God”, welke betekenis ook er toen aan die uitdrukking
mocht worden toegekend.
De geschiedenis van het ontstaan van het christendom, in het spoor van de
prediking van een zekere Jezus, bijgenaamd de nazaraios, van de betekenis die aan zijn kruisdood werd toegekend
en vooral van het geloof in zijn verrijzenis, behoort nog steeds en ondanks een
indrukwekkende literatuur tot de mistige gebieden van onze geschiedenis. In de
officiële geschiedschrijving is hij nauwelijks bekend. De in het Nieuwe
Testament meest prominent aanwezige getuige, de jood Paulus, heeft aan de
inhoud van zijn boodschap zo goed als geen aandacht geschonken. Enkel de
evangeliën houden een belangrijke informatie in. Maar zij vertegenwoordigen
slechts een selecte keuze, die pas tegen het einde van de vierde eeuw officieel
werd erkend, op grond van een welbepaalde interpretatie van de prediking van
Jezus. Die geschriften hebben overigens, in de loop van hun opeenvolgende
redacties en transcripties, duidelijk de invloed ondergaan van een pauliniaanse
visie. Door geschriften van “kerkvaders” weten we dat er andere volgelingen
waren, die een totaal verschillend begrip hadden van de kennis waarvan hij
getuigde. De vondst van Nag Hammadi bevestigt nu het bestaan van een onvermoede
diversiteit aan inzichten, waartoe zijn prediking toen aanleiding heeft gegeven.
Door
een nuchtere waarnemer is vrij eenvoudig vast te stellen dat zijn prediking duidelijk
niet in de lijn lag van het traditionele joodse geloof. Zij was er zelfs zó
onverzoenbaar mee dat de religieuze leiders, verenigd in het Sanhedrin,
besloten hem op de meest radicale wijze het zwijgen op te leggen. De vrijheid
van meningsuiting, die hij aan zichzelf had toegekend, bekocht Jezus met een
kruisdood. Op zich was dit toen overigens geen spraakmakende gebeurtenis.
Wanneer we de evangeliën naslaan, blijkt echter dat zijn optreden er wel wordt
voorgesteld als geïntegreerd in het joodse geloof en het Oude Testament. Hij
zou zelfs de in die schriften verwachte Messias zijn, wat voor de orthodoxe joden
totaal onaanvaardbaar was. Wat
dissonantie was is consonantie geworden...
Het bijzondere in de getuigenis van zijn discipel Thomas is, dat hij een
groot aantal uitspraken van Jezus weergeeft, die ook in de kanonische
evangeliën aanwezig zijn. Toch vinden we in dit evangelie de Jezus terug die
het niet eens is met de inzichten van het joodse geloof en zijn rituelen.
Hierin overstijgen zijn religieuze inzichten inderdaad de begrenzingen van de
bijbelse geschiedenis. Het nieuwe waar hij voor staat heeft geen uitstaans met
het oude. Het is de nieuwe wijn die niet thuis hoort in oude zakken, het nieuwe
kleed dat geen verstelling behoeft met een oude lap, geen boodschap heeft aan
een joodse besnijdenis. In het bewustzijn
van een innerlijke verbondenheid met een absolute zijnswaarde - een
verbondenheid waarvoor hij het beeld van een zoon-vader relatie gebruikte -
heeft hij als mens de ware bevrijding gevonden. Die verbondenheid erkende
hij bovendien in iedere mens. Zijn betrachting zou het zijn geweest zijn
broeders en zusters hiervan bewust te maken.
Het
probleem, waar de ontdekking van dit evangelie ons vandaag mee confronteert en
dat door de Kerk als te verstorend wordt genegeerd, is de vraag naar de juiste
interpretatie van zijn religieuze getuigenis. Dat die vraag zich stelt twintig
eeuwen na zijn prediking, maakt het antwoord zeker niet eenvoudiger... De
culturele kloof die ons op vandaag van de werkelijkheid van toen scheidt is
nauwelijks te overzien ! Godsdiensten behoren ook niet langer meer tot het
domein van God maar tot dit van een zó betwistbare en cultuurgebonden menselijke
“godskennis”. Onze benadering van zijn onderricht kan daarom niet anders dan grondig
verschillend zijn van die van zijn toehoorders toen in Palestina. In de mate nochtans
dat zijn getuigenis, zoals die van Boeddha, van Krishna en anderen nog, getuigt
van een universeel religieus bewustzijn,
kan dit echter geen belemmering inhouden om op vandaag te trachten de diepere
betekenis van zijn religieuze boodschap te doorgronden.
Het evangelie volgens Thomas biedt ons nu de gelegenheid de twintig
eeuwen oude boodschap van Jezus te benaderen vanuit de vrijheid van een
universeel religieus bewustzijn. In dit bewustzijn worden de begrenzingen
overstegen, die godsdiensten aan zichzelf en hun gelovigen hebben opgelegd.
Religie komt van het latijnse woord religare,
dat verbinden betekent. In religie gaat het dus om een verbondenheid. In een traditionele
optiek zou de betekenis ervan kunnen zijn : de verbondenheid van mensen die
eenzelfde geloof in goden of in een unieke God belijden. Vanuit een universeel religieus
bewustzijn definiëren we religie als : de
individuele verbondenheid van iedere mens met een absolute zijnswaarde.
De werkelijkheid waarin we leven noemen we relatief, omdat alles met alles verbonden is, alles voortdurend in
evolutie ook, afhankelijk van begrippen als tijd, ruimte, energie, materie. Het
religieuze bewustzijn houdt het inzicht in dat er aan de oorsprong van die
werkelijkheid een oorzaak is, een “Zijn”, dat niet afhankelijk is van die
relatieve begrippen. Die oorzaak, gesymboliseerd in het woord God, noemen we daarom absoluut. Dit houdt in dat de mens,
vanuit zijn relatieve denkwereld, het absolute niet kan bevatten, niet kan
kennen. Ook in de joodse Bijbel wordt Jaweh, de God van de joden, de Onkenbare
genoemd.
Omdat het onbekende steeds een bron van angst betekent, heeft de mens
sinds mensengeheugenis gepoogd zich een kennis van het Onkenbare toe te eigenen.
Hiervoor deed hij beroep op zijn verbeelding : het Onkenbare werd “ingebeeld”. Van
die inbeelding werd de oorsprong toegeschreven aan een directe “goddelijke”
revelatie of openbaring. Aan het beeld werden verwachtingen verbonden, geboden,
verboden en rituelen. Zo zijn godsdiensten ontstaan.
Het is evenwel de innerlijke
tragiek van godsdiensten dat zij, in hun streven naar een toenadering tot God, naar een
godskennis, die absolute zijnswaarde voor de hier en nu levende mens zo goed
als ontoegankelijk hebben gemaakt.
Dit evangelie wordt gnostisch genoemd.
Gnosis is het Griekse woord voor kennis. Een correcte definitie verzinnen
voor wat onder gnostisch kan worden
begrepen is geen eenvoudige opgave ! Het gnostische karakter van de meeste in
Nag Hammadi ontdekte geschriften is overigens erg verschillend van dit in het
evangelie volgens Thomas. We stellen daarom volgende definitie van gnosis voor :
gnosis is niet de onmogelijke kennis van
God maar een ervaringskennis, die berust in het bewustzijn in dit leven
met een absolute zijnswaarde verbonden te zijn.
Dit bewustzijn is universeel want toegankelijk voor iedere mens, waar of
wanneer ook ter wereld. Gezien elke kennis echter afhankelijk is van de
toestand van het individuele bewustzijn, kan gnosis nooit als een waarheid aan
een ander worden voorgehouden. Ware gnosis is een dienende en dus bevrijdende kennis. Dit is het gemeenschappelijke merkteken
in getuigenissen als die van Krishna in de Bhagavad Gita, van Boeddha en ook
van Jezus in dit evangelie.
Gnosis is dus de vrucht van een religieus bewustzijn en houdt het
inzicht in dat de mens een aan tijd en materie gebonden uitdrukking is van een
tijdloos “Zijn”, waarin de oorzaak berust van alle mogelijkheden die hij in
zichzelf ervaart. De mogelijkheid te denken, te voelen, zintuiglijk waar te nemen
en autonoom te handelen ontvangen we voortdurend uit “iets” dat, zoals een
bron, blijvend gevend is. Het bewustzijn
met “dit” verbonden te zijn behoeft echter geen kennis van de bron zelf. De
erkentelijkheid voor een geschenk is niet afhankelijk van een kennis van de
schenker...!
Hoewel het absolute “in se” niet kenbaar is, toch is dit, dat door het absolute
wordt uitgedrukt, wel kenbaar. Die kennis van het relatieve, van de “wereld der
verschijnselen”, noemen we wetenschap. Elke juiste kennis, in welk levensgebied
ook, kan of mag niet onverenigbaar zijn met een andere juiste kennis. Een
correcte kennis van mens en natuur kan dus niet onverzoenbaar zijn met een
juist religieus inzicht. Wel moeten we ons voortdurend bewust zijn van de
begrenzing van ieder menselijk weten...
De uitdrukking van het niet-manifeste Zijn in een manifeste
werkelijkheid heeft haar wet... De kernfysica leert ons inderdaad dat, vanuit
een leegte, ook fysisch vacuüm genoemd, zich op ieder ogenblik energetische
vibraties manifesteren die materie scheppend zijn. Zo ontstaan eerst elementaire
deeltjes, die harmoniëren tot atomen, die zelf onderling harmoniëren en
moleculen vormen. Die moleculen harmoniëren op hun beurt tot de opbouw van
steeds grotere eenheden, van celletjes tenslotte. Zo ontwikkelt zich het leven,
vanuit een leegte, in een voortdurend
samenspel van energie en materie, van opbouw en afbraak. De unieke wet aan de
basis van dit creatieve gebeuren is harmonie.
Leegte is waardeloos, want afwezigheid van iets. Een leegte waarin het
gehele levenspotentieel besloten ligt is een wonder dat ons begripsvermogen
overstijgt... Met die leegte is nochtans iedere mens verbonden, want in haar
heeft ieder atoom van zijn lichaam zijn bedding. Dit betekent ook dat ieder atoom
of celletje spontaan luistert naar een wet van harmonie... In
het bewustzijn van een integratie in een absolute wet, waaraan we ons
bestaan te danken hebben, ligt tevens de revelatie van onze finaliteit als mens
: wat we door een creatieve harmonie
ontvangen, hebben we, zoals de ganse natuur, in harmonie uit te drukken.
Harmonie in denken is intelligentie, het vermogen kennis te verwerven.
Harmonie in voelen is liefde, het vermogen goed te zijn. Kennis is slechts zinvol indien zij dient, liefde slechts zinvol indien
zij gegeven wordt... Beide samen zijn noodzakelijk om juist te handelen. In
een rust, de stilte van de leegte binnenin zichzelf, kan iedere mens een inspiratie ontvangen om beide, onderscheidingsvermogen
en liefde, harmonisch te beleven en uit te drukken. Die ervaring reveleert hem een
absolute zijnswaarde waar ieder individueel leven mee verbonden is.
Ooit is het echter misgelopen, omdat de mens zijn integratie in een
absolute wet heeft miskend. In het bijbelse verhaal van de zondeval heeft Adam
- de mens - verleid door zijn eigen weten - de slang - de vrucht van de boom
van kennis - het gezag dat enkel aan “de Schepper” toebehoorde - aan zichzelf toegekend.
Gezag is de harmonische vrucht van
kennis. Van gezag heeft hij macht gemaakt. Hierdoor heeft hij zijn verbondenheid
met de wet van harmonie verbroken. Dit was en is nog steeds zijn zonde van
hoogmoed : wat één was en één hoorde te
blijven heeft de mens gescheiden. Voor de verstoringen, die hiervan het gevolg
zijn, is alleen hij verantwoordelijk. Zijn opdracht is het nu de eenheid, die
was in het begin, opnieuw te herstellen.
Het dualisme, waarin we nu de uitdrukking van het leven ervaren, vindt
zijn oorsprong in een verstoring van het individuele bewustzijn. Zo ervaren we
goed en kwaad, harmonie en disharmonie, licht en duisternis. Maar licht heeft
een bron, duisternis niet... Duisternis is slechts afwezigheid van licht, zoals disharmonie afwezigheid is van
harmonie en onwetendheid afwezigheid is
van kennis... De oorzaak van het niet “zien”, het niet ervaren, het niet bewust
zijn, ligt uitsluitend bij de mens zelf. Strijden
tegen de afwezigheid van iets, van het goede, het harmonische, is zinloos...
Wie licht brengt verdrijft spontaan de duisternis. In het bewustzijn met
een absolute zijnswaarde verbonden te
zijn, de bron van de mogelijkheden die we in onszelf ervaren in haar wet te
erkennen, ligt tevens onze verantwoordelijkheid voor een positieve evolutie in
dit leven.
Wat verbonden is, is één. De kerngedachte in het evangelie volgens Thomas is eenheid. Omdat onze verbondenheid met
een absolute zijnswaarde van een spirituele
orde is - zij is slechts te ervaren doorheen een inspiratie die ontvangen wordt - is zij ook zo moeilijk in woorden
uit te drukken. Om van die verbondenheid te getuigen deed Jezus daarom beroep
op beelden. Maar een beeld is slechts een middel
om een werkelijkheid te benaderen. Nooit kan het middel verward worden met het
doel, kan het beeld verward worden met de werkelijkheid zelf. Het beeld van de zoon-vader relatie, waarin
Jezus zijn innerlijke verbondenheid visualiseerde, werd echter niet als een
beeld erkend maar voor werkelijk aanzien... Hij beschouwde zich dus als een
zoon van God, zo werd het beeld begrepen... Die verwarring bekocht hij met een
kruisiging. Het zal daarom voor iedere toehoorder van dit evangelie een
uitdaging zijn de in het beeld verborgen kennis juist te
interpreteren en tot de essentie van het begrip eenheid door te dringen.
Het lijkt wel een
ongeschreven wet dat belangrijke ontdekkingen met toeval te maken hebben. Met
de vondst, die Mohammad Ali al Samman en zijn broeders in december 1945 nabij
Nag Hammadi in Boven Egypte te beurt viel, was het niet anders. In het gebied
van de Jabal al Tarif, een ruwe bergstreek bezaaid met grotten en holen, waren
zij op zoek naar een bijzondere soort aarde om hun akkers vruchtbaarder te
maken. Terwijl hun houwelen de grond omwoelden stootten zij op een oude kruik.
Na enige aarzeling - er kon wel eens een jinn of kwade geest in verscholen
zitten - besloten zij de kruik te openen. Wat zij erin ontdekten was, voor hen
althans, erg teleurstellend: geen kostbare schat maar een aantal oude
manuscripten, geschreven in het koptische schrift en ingepakt in dertien
lederen omslagen. Terug thuis gekomen gooiden zij hun vondst bij het stro naast
de oven. Een deel ervan zou zelfs gebruikt zijn om het vuur aan te steken.
Het vervolg van dit
verhaal bevat alle ingrediënten voor een klassieke thriller, waarin bloedwraak,
maffiapraktijken, zwarte handel en gerechtelijke processen de toegang tot de
inhoud van die uitzonderlijke archeologische vondst voor langere tijd zouden
beletten. Ook de hebzucht van sommige geleerden, die in deze ontdekking een
opportuniteit zagen om hun eigen faam behoorlijk wat op te krikken, vertraagde
aanzienlijk het onderzoek en kenbaar maken van deze geschriften.
Korte tijd na hun
vondst wreekten de broeders de dood van hun vader en vermoordden zij Ahmed
Ismaïl. Vrij snel werd hun bloedwraak bij de politie bekend. Uit vrees dat bij
onderzoek de boeken zouden worden ontdekt, werden zij toevertrouwd aan een
priester uit een nabijgelegen dorp. Benieuwd naar wat de waarde ervan zou zijn,
vertrouwde de man één van de boeken toe aan een vriend, die ermee naar Cairo
trok. Zo belandde een eerste van de dertien codices,
zoals zo’n boeken worden genoemd, op de zwarte markt. Andere zouden volgen.
Want de beruchte éénogige Baj Ali, een lokale maffioso, had in Nag Hammadi de
hand kunnen leggen op een groot deel van de overige boeken en ze doorverkocht
aan een antiquair in Cairo. Een niet onbelangrijk deel van een codex kwam zo
ook in het bezit van Albert Eid, een Belgische antiquair, die zich in de
Egyptische hoofdstad gevestigd had.
Al spoedig trok die
handel de aandacht van de politie, want de waarde van de ontdekking was
inmiddels tot de Egyptische overheid doorgedrongen. Reeds in 1947 had de Franse
egyptoloog Jean Doresse enkele door de staat gerecupereerde koptische
handschriften kunnen onderzoeken. Zijn besluit was indrukwekkend. Doresse
stelde noch min noch meer dat deze ontdekking een nieuwe wending zou betekenen
in het onderzoek naar de oorsprong van het christendom.
Inmiddels had
antiquair Tano, die de codices van Baj Ali had gekocht, deze doorverkocht aan
een Italiaanse verzamelaar. Na een jarenlang proces kwamen zij uiteindelijk in
het bezit van de Egyptische staat. Albert Eid wist nochtans zijn manuscripten
uit Egypte te smokkelen en bood ze te koop aan in de Verenigde Staten. De vrees
voor inbeslagname door de Egyptische regering belette echter elke transactie.
Uiteindelijk belandden zij in de geborgenheid van een Belgische kluis.
De Nederlandse
professor Gilles Quispel, die de wetenschappelijke waarde van de te koop
aangeboden papyrusbladen vermoedde maar onwetend was omtrent de illegaliteit
ervan, zette het Jung Instituut in Zürich aan zich dit manuscript aan te
schaffen. Via een tussenpersoon in een Brussels café en een pak Zwitserse
franken slaagde Quispel er in alle onschuld in een vijftigtal papyrusbladen
naar Zwitserland te smokkelen. Een hele poos later, nadat hij tot de bevinding
was gekomen dat één van de teksten onvolledig was, begaf hij zich naar het
koptische museum in Cairo. Daar ontdekte hij de ontbrekende bladen. Zijn
verbijstering was totaal toen hij de aanhef ervan las : “dit zijn de verborgen woorden die jezus de levende gesproken heeft en
die judas didymos thomas heeft neergeschreven”. Dit was de aanhef van het evangelie volgens Thomas, één van de
tweeënvijftig teksten die uit de kruik van Nag Hammadi in de openbaarheid zijn
gekomen.
Door allerhande
belangenspelletjes van geleerden duurde het nog tot 1977 vooraleer een eerste
volledige publicatie in het Engels het daglicht zag in de Verenigde Staten.
Inmiddels was duidelijk geworden dat de kruik van Nag Hammadi een soort
bibliotheek bevatte van een gnostische gemeenschap. Tot nog toe was het bestaan
van het gnosticisme ons vooral bekend door traktaten van kerkvaders die deze
ketterij bestreden. De studie van de koptische geschriften zou een meer dan
verhelderend licht moeten werpen op het belang van die belevingsvorm in het
vroege christendom.
De oorsprong van de
manuscripten kon vrij nauwkeurig worden gesitueerd rond de helft van de vierde
eeuw, de periode waarin door de Kerk een definitieve selectie werd gemaakt van
de door haar erkende “boeken”, die nu deel uitmaken van het Nieuwe Testament.
De oudste codices van de kerkelijke kanon, o.m. de Codex Sinaïticus en de Codex
Vaticanus, geschreven in de Griekse taal, dateren eveneens uit dezelfde
periode. Het was ook in die tijd dat een machtsbevestiging van de katholieke
Kerk mogelijk werd door de erkenning die zij kreeg van de romeinse keizer
Constantinus. Dit betekende meteen een zweepslag voor de bestrijding van alles
wat niet tot de zuivere leer behoorde. Zo gebeurde het dat monniken van een
gnostische gemeenschap de getuigenissen van hun geloof in een kruik opborgen en
op een onherbergzame plek in de heuvels in veiligheid brachten. Pas zestien
eeuwen later zou hun testimonium opnieuw voor de mensheid toegankelijk worden.
Omtrent de datering
van het Evangelie volgens Thomas zijn, zoals te verwachten viel, de meningen
verdeeld. De auteurs van de “Synopse des quatre Évangiles” van de “École
Biblique de Jérusalem”, het meest gezag hebbend instituut voor bijbelstudie
binnen de katholieke Kerk, beschouwen dit evangelie als voortijdig aan de
redactie van de kanonische evangeliën. Helmut Koester van de Harvard University
situeert de oorsprong ervan rond het jaar 50. In die vroege datering wordt hij
door een aantal collega’s gevolgd o.m. door Ron Cameron, S.L. Davis en C.W.
Hedrick. Een niet onbelangrijke indicatie is de vaststelling dat Paulus in zijn
eerste brief aan de korinthiërs quasi letterlijk logion 17 uit dit evangelie
aanhaalt, een citaat dat hij evenwel laat voorafgaan door de woorden : “zoals geschreven is”. De levende Jezus
en diens evangelie wou Paulus immers niet kennen. Er was dus minstens één
uitspraak van Jezus, die niet in de overige evangeliën vermeld wordt, gekend in
het midden van de eerste eeuw. Overigens is het allerminst een uitgemaakte zaak
of de kanonische evangeliën, althans in de vorm waarin we ze nu kennen, een
eeuw later reeds waren voltooid. Tot na het midden van de tweede eeuw is er
inderdaad geen enkel citaat uit een evangelie bekend, waaraan de naam van een
evangelist expliciet verbonden werd.
Is
dit evangelie nu de meest originele en dus authentieke getuige van woorden die
ooit door Jezus zouden zijn gesproken ? Op die vraag zal de wetenschap ons
wellicht nooit een sluitend antwoord kunnen geven. Het onderzoek naar de Dode
Zee rollen bracht aan het licht hoe krampachtig, laat staan vijandig, de
relatie tussen geloof en wetenschap kan zijn bij de ontdekking van nieuwe geschriften.
Omdat het traditionele geloof een geruststellende zekerheid inhoudt omtrent een
tijdloze toekomst na dit leven en dus een oplossing biedt voor existentiële
angsten, voelen heel wat gelovigen zich geborgen binnen de veilige muren van
hun geloof. Die geborgenheid heeft voor hen ook een heel bijzondere waarde. Het
draagvlak van het geloof berust nochtans niet op rationele gronden maar op een
gevoelsmatige benadering van een bovennatuurlijke werkelijkheid. Daarom ook
kunnen rationele bespiegelingen hierop nauwelijks vat hebben. Dit maakt van de
ontmoeting tussen geloof en wetenschap een heel problematische aangelegenheid.
In Jezus ligt de getuigenis besloten dat een juist religieus inzicht
nooit aanleiding kan geven tot macht... Daarom kunnen we ook niet om de bedenking
heen hoe de machtspolitiek, die door
de Kerk eeuwenlang gehuldigd werd, te verzoenen is met de ingesteldheid waarvan
Jezus zelf getuigde. Is de Kerk, in haar drang naar zelfbevestiging, niet veel
meer Paulus gevolgd dan Jezus...? Waren de gnostische christenen niet veel
nauwer verbonden met de levende Jezus
dan Paulus ooit is geweest of wou zijn...? De uitklaring van het belang van de
gnostische beleving in de eerste eeuwen kan ongetwijfeld bijdragen tot een
vernieuwd inzicht in het ontstaansproces van het christendom. Nooit echter zal
de wetenschap in staat zijn een antwoord te formuleren op de vraag naar de ware
toedracht van de religieuze getuigenis van Jezus.
Elke uitspraak of logion van dit evangelie voorzagen we van
een hopelijk verhelderend commentaar. De bedoeling ervan is niet een zoveelste
religieuze “waarheid” te poneren maar de zoektocht naar de niet conventionele
inhoud in de boodschap van Jezus voor ieder die het wenst iets meer
toegankelijk te maken. Interpreteren behoort echter tot de vrijheid van ieder
individueel bewustzijn. Daarom ook kan een interpretatie nooit als een waarheid
aan een ander worden voorgesteld, laat staan worden voorgehouden. In een
religieuze context behoort de waarheid overigens tot het pretentieuze
menselijke weten, tot het venijn van de paradijselijke slang... Daarom ook belet
zij zo vaak elke zinvolle communicatie tussen religieuze gemeenschappen.
Vrijheid is de noodzakelijke
basis voor elke menselijke kennis. Vanuit die vrijheid benaderen we Jezus als
een mens die, zoals de Boeddha en zovele anderen, ooit getuigenis aflegde van
zijn religieuze bewustzijn. Die gebeurtenis gaf aanleiding tot het ontstaan van
een nieuw “geloof”. We zijn er ons wel van bewust dat het in vraag stellen van een
interpretatie van zijn getuigenis, waaruit het christelijke geloof is ontstaan,
bij heel wat gelovigen gevoelig ligt. Voor die gevoeligheid hebben we niet
alleen begrip maar ook respect. Vrijheid impliceert echter ook verantwoordelijkheid,
want kennis is slechts zinvol indien zij
dienend ter beschikking wordt gesteld. Hoe met kennis wordt omgegaan
behoort tot de persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid van iedere mens.
Een bevrijde
religieuze kennis berust niet in een cultuurgebonden traditie maar in de vrijheid van een universeel religieus
bewustzijn. In het zoeken naar een antwoord op levensvragen staat iedere
mens in een eenzame naaktheid tegenover zichzelf. Overtuigingen van anderen
zijn ons van geen nut... Toch kan elke bevrijde kennis ook voor een ander iets
bevrijdend inhouden, een gelegenheid zijn om een straaltje licht te zien waar
zoveel duisternis is, een beetje vertrouwen te ervaren waar zoveel wanhoop
is...
Voor elke toehoorder
van de boodschap in dit evangelie, gelovig of niet, zal het dus een uitdaging zijn
eigen inzichten of overtuigingen even opzij te schuiven en open minded, zonder
vooringenomenheid, te luisteren en op zoek te gaan naar de diepere betekenis in
de religieuze getuigenis van een medemens. De basisvraag, waar we allen in dit
leven mee te maken hebben, is niet in de eerste plaats wie of wat God zou kunnen
zijn maar wel : wie ben ik, mens in deze wereld, wat is de zin van mijn
bestaan, wat mijn finaliteit...?
In verband met de
voorgestelde commentaar nog deze opmerking. In de loop van de 114 uitspraken of
logia komen dezelfde thema’s bij
herhaling aan bod. De essentie van de boodschap is te vatten in een paar
“radicale” inzichten. Hiervan worden ook regelmatig nevenaspecten belicht. Het
is daarom moeilijk te vermijden met de commentaar in herhaling te vervallen. We
zijn er echter bewust vanuit gegaan dat een dergelijke getuigenis een
gelegenheid tot bezinning kan betekenen, waarbij de lezer zich tot één of
enkele logia kan beperken.
...wordt wel eens en
vaak terecht beweerd. De overdracht van een religieuze kennis heeft steeds en
in elke cultuur aanleiding gegeven tot een vervorming of een ontaarding van de
initiële boodschap. Dit lot werd ook de boodschap van Jezus niet bespaard. Nog
steeds is het een realistische vraag hoe zijn getuigenis door discipelen werd
begrepen, hoe de schrijvers van de evangeliën hiermee zijn omgegaan, welke
interpretatieve manipulaties die geschriften hebben ondergaan in de loop van
hun opeenvolgende redacties... Zelfs bij de vertaling van de Griekse basistekst
naar een moderne taal vertoont de transcriptie te vaak interpretatieve
ingrepen. Aan die werkelijkheid ontsnapt ook deze getuigenis niet...
De taal van dit
evangelie is koptisch en is dus reeds een vertaling. Omtrent de
waarheidsgetrouwheid ervan zullen steeds niet te beantwoorden vragen blijven bestaan.
De vertaling van het koptische origineel naar een moderne taal is weliswaar
specialistenwerk maar kan normaliter vrij secuur gebeuren. Uit diverse
vertalingen die we konden inkijken blijkt nochtans hoe vaak een vertaler de
behoefte vertoont reeds in het vertaalwerk voor zijn lezer de inhoud van de
boodschap iets meer toegankelijk te maken. Soms leidde onbegrip tot een ronduit
foute vertaling. Interpreteren en vertalen zijn twee verschillende oefeningen
die blijkbaar moeilijk van elkaar te scheiden zijn. De vertaling van sommige
woorden plaatste ons inderdaad voor een quasi onmogelijke opgave.
Zo is monachos een sleutelwoord in dit
evangelie. We hebben het bewust
onvertaald gelaten omdat de inhoud ervan niet in één woord is samen te vatten. Monachos is zowel Grieks als koptisch.
De stam ervan is monos, dat één of
alleen betekent. In monachos herkennen
we het woord “monnik” : een persoon die zich van de wereld heeft afgekeerd om
dit te zoeken wat “God” genoemd wordt. Niet het uiterlijke gedragspatroon maar
de innerlijke ingesteldheid is echter bepalend voor het monachos zijn. Het geeft de eigenschap weer van de mens, die een
innerlijke weg is gegaan en tot het bewustzijn is gekomen van een integratie van het individuele “zelf” in
een absolute zijnswaarde, die onderliggend is aan de relatieve werkelijkheid
van deze leefwereld.
Een gerichtheid naar
het innerlijke veronderstelt een zich onthechten
aan de gebondenheid aan uiterlijke waarden. In dit “loslaten” richt de
zoektocht zich niet naar een God maar naar het diepere wezen van het eigen
“zelf”. De ultieme onthechting bestaat erin het zo belangrijke “ikje” en zijn
dominante positie binnen het eigen leven te relativeren tot zijn werkelijke
waarde van dienende transformator van een inspiratie, die uit het hogere - dit
dat binnenin is - kan ontvangen worden. In die bevrijdende ervaring heeft de monachos
de initiële én ultieme realiteit van het eigen wezen erkend. Zowel één,
eenzaam, onthecht als bevrijd, zijn eigenschappen die horen bij monachos.
Een ander vertaalprobleem
stelt zich bij het woord psychè. Nu
erkennen we dit woord als de stam van psychologie. Een vertaling door ziel ligt dus voor de hand. Maar is het
de ziel in “bezieling” of in “zieleroerselen” of daarentegen die in de uitdrukking
: “een mens is een onsterfelijke ziel in een sterfelijk lichaam” ? En wanneer
we hierbij aansluitend ook nog het begrip pneuma,
dat adem maar ook geest betekent,
van een correcte inhoud moeten voorzien, is de klus nog helemaal niet geklaard !
Beide begrippen sluiten bovendien aan bij een lichamelijke realiteit en ook
hiervoor worden twee termen gebruikt: soma
en sarks. Soma refereert aan het lichaam als de materie gebonden component
van de mens. Onder sarks wordt dan
eerder het door de psychè “bezielde”
lichaam bedoeld, naar het beeld : “een mens van vlees en bloed”, zoals ook
Paulus in die betekenis sarks
gebruikte. (1 Kor 15, 50)
De mens is een
psychosomatische entiteit, een combinatie van psychè en soma, die wordt
weergegeven in het woord sarks. De psychè zouden we kunnen omschrijven als
een soort innerlijk reservoir, dat zowel mentale als emotionele inhouden bevat,
die voortkomen uit de aanhoudende wisselwerking tussen het ik en de
buitenwereld en zowel bewust als onbewust werden opgeslagen. Hierdoor bepaalt
de psychè het “innerlijke zelf” van
de mens en geeft zij inhoud aan zijn ego.
De inhoud van pneuma, dat geest of spiritus betekent, trachten te
omschrijven is evenmin een eenvoudige opgave. Zoals een dier beschikking heeft
over een inspiratie die leiding gevend is en die we het instinkt noemen, zo
ontvangt ook de mens een inspiratie om zijn mogelijkheden juist en dus
harmonisch te gebruiken. De bron ervan ligt in het hogere en wordt in een
religieuze optiek de “werking van de Geest” genoemd. Op het persoonlijke vlak
kan de geest beschouwd worden als wat de mens rest van die leiding gevende
inspiratie, nadat zij doorheen de filter van zijn psychè transgresseerde. Door die interferentie wordt de pneuma vooral gekleurd door een
persoonlijke kennis en door ik-gebonden verlangens. Hierdoor wordt de oorsprong
ervan uitsluitend aan het eigen ik toegeschreven. Zo is iedere mens zich bewust
te beschikken over een eigen geest.
Het al dan niet
harmonisch samengaan van deze onderscheiden functies binnenin de mens
resulteert uiteindelijk in wel bepaalde toestand van zijn bewustzijn. Hoe
zuiverder de structuren van het bewustzijn zijn, des te doeltreffender de pneuma zich kan manifesteren en des te
beter de kwaliteit van elke beleving zal zijn : van het denken, het voelen, het
ervaren en het handelen. Met deze verduidelijkingen hopen we misverstanden,
inherent aan een delicate vertaling, te vermijden. We vertaalden dus : psychè door “innerlijk zelf”, pneuma door “geest”, soma door “lichaam” en sarks door “vlees”.
In de evangelische
traditie stelt er zich nog een bijzonder vertaalprobleem, namelijk bij de betekenis
van het Griekse woord basileia. Aansluitend
bij de joodse verwachting werd het vertaald door koninkrijk. De eerste betekenis ervan is echter koningschap en heeft dus te maken met de
koninklijke waardigheid. Door
extensie kan het ook koninkrijk
betekenen. Toch is er een wezenlijk onderscheid tussen beide begrippen. Een
koninkrijk verwijst naar een gebied
waarover een koning heerst, waarover
hij zijn macht uitoefent. Wie tot zijn
koninkrijk behoort moet zijn wetten aanvaarden en kan uiteraard ook genieten
van de voordelen ervan. Het begrip koningschap
legt daarentegen de nadruk op het koninklijke gezag.
De verwarring tussen
gezag en macht is tekenend voor onze menselijke samenleving. Wie een kennis dienend ter beschikking stelt oefent
gezag uit. Dit resulteert in een bevrijdend effect voor een ander. Wie kennis
misbruikt om niet anderen maar zichzelf te dienen, oefent macht uit. Gebruik
van macht begrenst de vrijheid van een ander. Het onderscheid kan uitgedrukt
worden in één woord : hoogmoed. Wie deel
heeft in een gezag heeft een dienende verantwoordelijkheid. Daarom is het de
opdracht van iedere mens zich hier en nu opnieuw bewust te worden van
zijn integratie in een absoluut gezag en,
vanuit die verbondenheid, de mogelijkheden die hij ontvangt dienend uit te drukken.
Op te merken valt dat
een Messias een koning was, niet bekleed met macht maar met een enorme
verantwoordelijkheid, namelijk die van de komst van het Koninkrijk voor te
bereiden. In dit evangelie verwijst de titel van koning overigens niet naar macht maar naar gezag en dus
verantwoordelijkheid. In de betrachting geen interpretatie op te dringen hebben
we bij de vertaling het traditionele koninkrijk behouden. Aan de lezer om, zo
gewenst, de inhoud ervan zelf bij te sturen.
Deze
weergave van het evangelie volgens Thomas berust op een vergelijkende studie
van diverse vertalingen. Als basistekst maakten we vooral gebruik van de Franse
versie van “Évangile selon Thomas” (Collection Metanoia 1979), omdat die
uitgave een kritische woord aan woord vertaling bevat vanuit het koptische
origineel. Daar waar we dachten te moeten bijsturen, omdat we het vermoeden
hadden dat zich transcriptiefouten of een of andere vorm van bezoedeling hadden
voorgedaan, deden we dit in alle helderheid. Vele logia hebben herkenbare
sporen nagelaten in de kanonische evangeliën. Telkens dit het geval is werden
de nodige verwijzingen aangegeven. Zo kan de lezer, indien gewenst, voor
zichzelf uitmaken welke weergave de meest originele zou kunnen zijn.
Tenslotte nog dit :
het koptische origineel is een doorlopende tekst, zonder spatie tussen de
woorden, zonder leestekens noch hoofdletters. Om iets van de oorspronkelijke
sfeer te behouden hebben we daarom leestekens en hoofdletters weggelaten en
enkel de woorden van elkaar gescheiden.
dit zijn de verborgen
woorden
die jezus de levende
gesproken heeft
en die didymos judas
thomas heeft neergeschreven
De aanhef van dit evangelie
maakt meteen de auteur ervan bekend : didymos
judas thomas. De eerste naam is Didymos en betekent “tweeling” in het
Grieks. Judas was toen een veel voorkomende naam. Thomas betekent tweeling in
het aramees. Naar wat die dubbele bijnaam verwijst kan niet met zekerheid
worden bepaald. Misschien had Judas gewoon een tweelingbroer of –zus. Misschien
verwijst die bijnaam wel naar de spirituele verbondenheid waarin hij met Jezus
verenigd was. “Elke volmaakte discipel
zal zijn als zijn meester” is een uitspraak van Jezus in het Lucasevangelie
(Lc 6, 40). Thomas is ons vooral bekend uit het Johannesevangelie, vanwaar hij
de dubieuze reputatie van “ongelovige” te danken heeft. De bijnaam Didymos
wordt hem ook in Joh. 11, 16 en 21, 2 toegekend. In Joh. 14, 22 wordt hij
gewoon Judas genoemd. De naam Judas Thomas komt eveneens voor in diverse
varianten van het Johannesevangelie. (*)
De betekenis van verborgen woorden is voor interpretatie vatbaar. Omdat het een
kennis van een hogere orde betreft, die niet rechtstreeks communiceerbaar is,
verkondigt Jezus zijn inzichten heel vaak bij middel van een beeldspraak. Zijn
kennis ligt verborgen in het beeld.
Aan ieder om de betekenis ervan te ontsluieren. Dit is de meest voor de hand
liggende interpretatie van verborgen woorden.
In de eerste eeuwen van het christendom waren echter een groot aantal
geschriften in omloop, waarvan de inhoud afweek van de leer van de jonge Kerk.
Die getuigenissen, die niet zijn opgenomen in het Nieuwe Testament, werden
“apocrief” genoemd, naar het Griekse woord apocruphos,
dat hier gebruikt wordt en verborgen of geheim betekent.
Een vertaling als “geheime woorden”
vinden we minder passend, omdat hierdoor de indruk kan worden gewekt dat de
verkondigde boodschap een soort esoterische kennis zou bevatten, enkel
toegankelijk voor een ingewijde. De boodschap van Jezus getuigt van een
universele kennis, waar iedere mens toegang kan toe hebben, op voorwaarde
evenwel er zich voor open te stellen. Jezus wordt hier de levende genoemd. De betekenis van de woorden leven en dood heeft
in dit evangelie een ander draagvlak dan wat onder natuurlijk of biologisch
leven en dood wordt begrepen. Het bewustzijn van een verbondenheid tussen het
lagere, het biologische, en het hogere, het spirituele, geeft aan dit leven een
absolute dimensie. Wie tot dit bewustzijn is doorgegroeid is levend geworden. Hiervan is Jezus de levende getuige.
(*) Over de identiteit van Judas Thomas kan
enkel worden gespeculeerd. De naam Judas doet onvermijdelijk terugdenken aan de
“verrader”. In het verhaal van de aankondiging door Jezus van zijn verraad, een
gebeuren waarvan in de evangelische context de zin of de noodzaak overigens
totaal onduidelijk is, worden voor “verraden” twee verschillende Griekse
werkwoorden gebruikt : paradidomai en
prodidomai. Het eerste betekent :
doorgeven, overleveren, zoals een kennis doorgeven. Het tweede heeft de
connotatie iets bekend te maken dat niet hoort bekend gemaakt te worden,
verraden dus. Gezien de verbazende reactie van de apostelen bij het bekend maken
door Jezus dat iemand hem zou “verraden” - “zou
ik het zijn?” (Mt 26,22 - Mc 14,19) - is het niet ondenkbeeldig te
veronderstellen dat Jezus het had over iemand die de opdracht kreeg zijn
boodschap over te leveren. Dit zou ook zijn aansporing tot spoed kunnen
rechtvaardigen. De Judas in kwestie zou dan helemaal geen verrader zijn geweest
maar de uitvoerder van een opdracht. Indien het om Judas Thomas ging zou dit
een erkenning van zijn evangelie inhouden. Wat voor anderen, o.m. de aanhangers
van Johannes, niet te aanvaarden was. Zo werd het scenario van een verraad
bedacht... De apostel Thomas als een verrader beschouwen was echter
uitgesloten. Een andere Judas, de iskariot, werd zo het slachtoffer van een
obscure manipulatie. Vermoedelijk zou die naam zijn afgeleid van sica, een soort dolk die hoorde bij de sicariotes, een naam die verbasterde tot iscariot en verwees naar een
geweldadige groep binnen de zeloten. Door hem als verrader te brandmerken zou
men Jezus tevens afstand hebben laten nemen van die sekte. Het recent ontdekte
evangelie van Judas bevestigt dat de mening aanwezig was dat die Judas zich
niets te verwijten had en zelfs een trouwe vriend van Jezus zou zijn geweest...
Anderzijds weten we uit de evangeliën dat een Judas, zoals Jacobus, een broeder
van Jezus was. De polemiek rond die broederschap is overigens een bekend
gegeven. Gezien het aantal Judassen waar we mogelijks mee te maken hebben,
blijft het dus gissen naar wie in dit verhaal wie zou kunnen zijn...
1
en hij heeft gezegd
wie de interpretatie
van deze woorden vindt zal de dood niet smaken
Joh
8, 51-52: “Voorwaar ik zeg jullie: indien iemand mijn woord in zich bewaart...
nooit
zal hij de dood smaken.”
De uitdaging waar we
voor geplaatst worden is het ontsluieren van de kennis die in de woorden van
Jezus verborgen ligt. De kwaliteit van een interpretatie is rechtstreeks
afhankelijk van de toestand van het bewustzijn : hoe zuiverder het bewustzijn
is, des te juister het inzicht zal zijn. Dit houdt in dat een interpretatie
steeds persoonlijk zal zijn en evoluerend naargelang de evolutie van het eigen
bewustzijn. Daarom ook zal de toegang tot de volledige toedracht van zijn
kennis tijd en bezinning vergen.
De uitdrukking zal de dood niet smaken lijkt vreemd maar is niet alleen bij
Johannes terug te vinden. Noteer
terloops het subtiele onderscheid tussen : de interpretatie vinden en het woord
bewaren... Wie de juiste betekenis van zijn verborgen woorden zal
ont-dekken en zijn kennis in zich zal opnemen, zal leven. Dood is afwezigheid
van leven, zoals duisternis afwezigheid is van licht, onwetendheid afwezigheid
is van kennis. De ervaringskennis, die toen gnosis
genoemd werd (zie introductie), wordt in gnostische middens rechtstreeks
geassocieerd met leven. Toegang hebben tot de gnosis is de voorwaarde om ook toegang te hebben tot het ware
leven. De fysische dood mag dan wel blijven bestaan als het eindpunt van een
biologisch ik, toch zal hij de mens, die is “thuis gekomen” in zijn absolute
innerlijke bron, niet deren.
2
jezus heeft gezegd
dat hij die zoekt niet
ophoudt te zoeken tot hij vindt
en wanneer hij gevonden
heeft zal hij in verwarring zijn
en indien hij in
verwarring is zal hij in verwondering zijn
en hij zal koning zijn
over het al
vergelijk:
Mt 7, 7-8 - Lc 11, 9-10
Wie tot een juiste
interpretatie wil komen, de kennis van zijn woord in zich wil opnemen, moet
zelf een zoekende weg gaan. Dit is een persoonlijke opdracht, waarbij in
oprechtheid eigen waarden en inzichten worden in vraag gesteld, het belang van
het eigen ik en zijn overtuigingen wordt gerelativeerd in het licht van een
nieuwe kennis. Die weg leidt tot een inzicht en een ervaring die aanvankelijk
verstorend zijn, want de hoeksteen van religieuze “zekerheden” ondergravend.
Wie het nieuwe in zich tracht op te nemen komt, zoals Jezus toen, in conflict
met het oude. Verwarring dus. Maar wie het oude kan loslaten en het
conflictuele in alle eerlijkheid kan oplossen, ervaart tenslotte een
bevrijdende verwondering, die berust in het bewustzijn dienend deel te hebben in
het koningschap van de Vader.
Zoals verder nog zal blijken (zie logion 81),
verwijst voor Jezus de titel van koning
vooral naar verantwoordelijkheid en gezag en niet, zoals later het geval zou
zijn, naar heerschappij en macht. Daarom vinden we de vertaling van de laatste
lijn door : en hij zal heersen over het al, niet passend.
3
jezus heeft gezegd
indien zij door wie
jullie worden aangetrokken zeggen
zie het koninkrijk is
in de hemel
dan zullen de vogels
van de hemel jullie vóór zijn
indien zij zeggen het
is in de zee
dan zullen de vissen
jullie vóór zijn
maar het koninkrijk is
binnenin jullie en het is buiten jullie
wanneer jullie jezelf
zullen erkennen
dan zullen jullie
erkend zijn
en jullie zullen weten
dat jullie zijn
de kinderen van de
vader de levende
indien daarentegen
jullie jezelf niet erkennen
dan verblijven jullie
in een armoede
en jullie zijn de
armoede
Lc 17, 21: “De komst van het koninkrijk
van God zal men niet waarnemen, noch zullen zij zeggen: zie het is hier of daar
is het want zie, het koninkrijk van God is binnenin
u.” In het Grieks staat hier namelijk : entos
ùmôn estin.
Hier begint de
confrontatie met het nieuwe ! Zich afhankelijk maken van een kennis van anderen
is niet zinvol. De weg die we te gaan hebben is vóór alles die van de
zelfkennis. Die kennis is niet zozeer een antwoord op de vraag : wat is mijn
eigenheid, hoe functioneer ik mentaal of emotioneel, waarin onderscheid ik mij
van anderen ? De vraag is veeleer: wie ben ik, mens in deze wereld, wat is mijn
opdracht, wat mijn finaliteit ? Wat is de zin van het biologische wonder dat
“mens” heet ?
Niet zonder een zekere ironie maakt Jezus hier zijn inzicht bekend
omtrent de werkelijkheid die verwoord werd in “het koningrijk van God”. De
komst van het koninkrijk, als het herstel van een goddelijke orde op aarde, is
een oude joodse droom. Voor de jood Paulus was de verwachting van die nakende
gebeurtenis zo intens, dat hij de mannen van Korinthië de raad meegaf af te
zien van verdere geslachtsgemeenschap met hun vrouw. Dit zou hen op de nabije
“dag des oordeels” zeker ten goede worden aangerekend ! (1Kor 7, 29) Die droom
werd, mits een grondige aanpassing - nu zou het koninkrijk tot het hiernamaals
behoren - en ondanks de logenstraffing van Jezus in Lc 17, 21, door de
christelijke Kerk overgenomen. Blijkbaar is het gezag van Paulus meer
overtuigend geweest dan dit van Jezus...
De innerlijke beleving van het koninkrijk - het is binnenin jullie - en de
uiterlijke ervaring ervan - en het is
buiten jullie - bevestigen dat dit koninkrijk te maken heeft met een reële
ervaring hier en nu, in dit leven. Zoals de ganse natuur, luistert ook ieder
celletje van ons eigen lichaam naar Zijn wet. Zich bewust worden van die
verbondenheid impliceert de erkenning van een levensbron binnenin zichzelf. Wie
dit zal erkennen zal ook erkend zijn. De bron in zichzelf erkennen, houdt dus
een respons in van de bron zelf : door haar zullen we erkend worden en het
licht ontvangen dat de duisternis van onwetendheid kan wegnemen. Indien we dit
niet erkennen verblijven we in een armoede. Dit is de toestand waarin Jezus
zijn medemensen heeft aangetroffen, een toestand die nog steeds de onze is...
(zie logion 28)
Om het intieme karakter van zijn
verbondenheid met een absolute levensbron voor zijn medemensen duidelijk te
maken, doet Jezus beroep op het beeld van een vader. (zie logion 15) Die
verbondenheid is echter niet uitsluitend voor hemzelf voorbehouden ! Allen zijn
we, in eenzelfde spirituele verbondenheid, kinderen van de vader, de levende. Terloops
kunnen we ook opmerken dat in dit evangelie de hemel niet verwijst naar een goddelijk verblijf maar, zoals de zee, behoort tot de relatieve schepping.
Dit belet nochtans niet dat de hemel, zoals elke relatieve werkelijkheid,
dienstig kan zijn als een symbool dat naar het hogere verwijst.
4
jezus heeft gezegd
in zijn dagen zal de
oude man niet aarzelen
een klein kind van
zeven dagen te ondervragen
naar de plaats van het
leven
en hij zal leven
want vele eersten
zullen zich laatsten maken
en zij zullen één zijn
voor “eersten en laatsten” zie: Mt 19, 30
- Mc 10, 31 - Lc 13, 30
Van deze woorden van
Jezus overleefde in de kanonische evangeliën enkel de voorlaatste regel, in
wanorde weliswaar... Een vreemde ontmoeting overigens, die een oude man en een
kind van zeven dagen verenigt. De eerste heeft een gans leven achter zich, het
laatste zeven dagen slechts. Uiteraard is het getal zeven, dat verwijst naar
het volmaakte, niet toevallig gekozen. Dit kleine kind leeft, onbewust nog van zichzelf, rustig verblijvend in de harmonie
van en met zijn levensbron. Toch is het de katalysator, die het bewustzijn van
de oude man zó beroert, dat hij pas nu de ware toedracht van zijn verbondenheid
inziet.
Ooit is ook hij een kind van zeven dagen
geweest, bevrijd nog van de dwingende eisen van het eigen ik. Nu hij oud
geworden is, zijn leven geleefd heeft, zijn strijd gestreden met zichzelf en de
anderen en hij zich bewust is dat zijn einde stilaan naderbij sluipt, stelt hij
zich vragen. Als een gelovig man heeft hij zijn leven in een gelovige
gemeenschap doorgebracht. Hoewel vrijwel iedereen zich aan de voorschriften van
het geloof hield, was er van enig concrete invloed van God nochtans weinig te
bespeuren geweest. De wereld was er tijdens zijn leven niet echt beter op
geworden. Immers, wanneer het er op aan kwam, was het toch steeds weer ieder
voor zich, was het eigen ik belangrijker dan die beschermheer van boven.
Weliswaar was hij er zich van bewust dat hij van God de mogelijkheden ontvangen
had om het hier waar te maken, maar de verdiensten voor wat hij had bereikt had
hij toch steeds aan zichzelf toegekend.
Wat hij zich tijdens zijn leven verworven had
zou hij weldra moeten achterlaten... “Was het wel de bedoeling van zijn God
geweest dat hij hier voor zichzelf iets zou verwerven ? Waren zijn verlangens
wel in overeenstemming geweest met het plan dat God met hem had ? Had hij niet
moeten leven als een dienaar van de Heer, die hem alles gegeven had, eerder dan
zijn eigen ik als heer te beschouwen ? Had hij zich niet van heer vergist en
zich zo van zijn ware Heer afgescheiden ?”
Misschien waren het wel dergelijke gedachten die de oude man in de
stilte van zijn eenzaamheid tot bezinning hadden gebracht... En toen gebeurde
het dat hij het kleine kind van zeven dagen ontmoette. Als door een plotse
intuïtie verlicht besefte hij dat hij, de eerste,
want de eerstgeborene, in eenzelfde verbondenheid met zijn Heer één is met het
kleine kind, het laatste, want het
laatstgeborene... Immers, de plaats van het leven, de absolute bron
waar het kleine kind nog in verblijft, is ook voor hem de unieke plaats van
waaruit hij zijn dienende opdracht als mens te vervullen heeft.
5
jezus heeft gezegd
erken wat voor je
aangezicht is
en wat verborgen is zal
zich voor jou ontsluieren
er is inderdaad niets verborgen
dat niet zal te voorschijn komen
vergelijk: Mc 4, 22 - Mt 10, 26 - Lc 8,
17 en 12, 2
Dit logion richt onze aandacht op de kennis van
het uiterlijke aspect van het koninkrijk, dit dat door ons waarneembaar is: de
natuur en haar wetten. Die kennis noemen we wetenschap. Ook langs die weg
kunnen we de rijkdom van de bron erkennen. De moderne mens kan zich beroepen op
verfijnde technische middelen om de natuurwetten te doorgronden, de fysiologie
van het leven te begrijpen, de subtiele maar ook zo kwetsbare ecologische
harmonie naar waarde te schatten. Via boeken en filmen hebben we het voorrecht
het wonderlijke in de natuur te kunnen aanschouwen. Of het gaat om de minerale,
de vegetale of de animale wereld, telkens komen we in bewondering voor een levensproces
dat gestuurd wordt door een wet, die niet door een mens kan zijn bedacht. En
toch, hoewel de mogelijkheden waarover de mens beschikt de hoogste uitdrukking
zijn van die wet, is hij en alleen hij in staat de harmonie zowel buiten als
binnenin zichzelf te verstoren... In de mens kan het leven slechts dan tot
vervulling komen, indien ook hij zich laat leiden door de unieke wet van
harmonie.
Uit dit logion kan ook die bijzondere boodschap
worden afgeleid dat een juiste wetenschappelijke kennis niet strijdig kan zijn
met een juist religieus inzicht...
6
zijn discipelen
ondervroegen hem en zeiden
wil je dat we vasten
en op welke manier
zullen we bidden
en zullen we aalmoezen
geven
en welke voedselnormen
zullen we in acht nemen
jezus zei
zeg geen leugens
en wat jullie verwerpen
doe het niet
want vóór het aanschijn
van de hemel wordt alles onthuld
er is immers niets
verborgen dat niet zal te voorschijn komen
en niets dat bedekt is
dat niet zal ontsluierd worden
Het joodse geloof is
de religieuze bakermat van de discipelen. Dit geloof houdt heel wat regels en
rituelen in. Die eerbiedigen is een noodzakelijke voorwaarde om ooit aanspraak
te kunnen maken op een toegang tot het koninkrijk van God. De weg die Jezus
voorhoudt is die van een persoonlijke, innerlijke zoektocht. Bij die weg horen
geen geboden of rituelen. Wie zich bewust is geworden van de bron en haar wet,
behoeft geen menselijke voorschriften ! De inspiratie uit de bron is een unieke
en feilloze gids. Maar ook de mens die de weg gaat blijft een wezen met
tekorten en zwakheden. Zijn voornaamste leidraad is een oprechtheid in woord en daad. Wie juist handelt in het lagere,
handelt in harmonie met het scheppende, het hogere. Wie fout handelt ondergaat
de wet van het hogere. Alles, het goede als het foute, wordt de mens vóór het aanschijn van de hemel - dit
betekent hier en nu - aangerekend. Dit is de wet die in het Oosten de wet van karma genoemd wordt. (zie logion 58)
Rituelen, als symbolische handelingen, kunnen zinvol zijn om een juiste
ingesteldheid in het bewustzijn levendig te houden. Aan opgelegde handelingen,
zoals het geven van aalmoezen of het tijdelijk in acht nemen van bepaalde
voedselnormen, als een middel om voor
zichzelf een toegang tot het koninkrijk te verzekeren, heeft Jezus echter geen
boodschap. Maar, en dit is toch merkwaardig, ook het gebed weerhoudt zijn
aandacht niet...
7
jezus heeft gezegd
gelukkig is de leeuw die
door de mens gegeten wordt
en de leeuw zal mens
zijn
en te misprijzen is de
mens die door de leeuw gegeten wordt
en de leeuw zal mens
zijn
In de mond van Jezus
is dit voor ons een verbijsterende beeldspraak, die vaak werd aangegrepen om
aan te tonen hoe ongehoord extravagant dit evangelie wel is... Toegegeven, de
interpretatie ervan is niet evident. Sommige commentatoren, en niet de minsten,
wijzigden zelfs de volgorde en dus de zin van de woorden om tot een voor hen
zinvolle verklaring te kunnen komen.
Het koninkrijk is geen denkbeeldige realiteit
in het hiernamaals maar de finaliteit van het leven hier en nu... Omtrent de
beleving van dit leven toen en nu nog steeds - blijkbaar is er in twintig
eeuwen weinig veranderd - getuigt Jezus hier nochtans van een buitengewone
realiteitszin.
Dit logion stelt een dubbele confrontatie voor tussen de mens en de
leeuw. Een confrontatie met een weliswaar verschillend verloop, maar die toch
leidt tot eenzelfde conclusie : en de
leeuw zal mens zijn. De leeuw, als heerser in het dierenrijk, kan beschouwd
worden als het symbool voor de heerser in een lagere levensorde, waarin de mens
biologisch leeft maar dood is voor hogere levenswaarden. Het is de finaliteit
van de mens te leven, niet binnen de begrenzing die armoede is of duisternis,
maar door optimaal gebruik te maken van de levensmogelijkheden die hem ter
beschikking staan. Om dit te kunnen waarmaken is het noodzakelijk dat hij zijn
aandacht richt naar de bron waaruit hij ontvangt, naar het hogere binnenin
zichzelf. Blijft hij afgesloten van die bron dan verblijft hij in het gebied
van het lagere, daar waar de leeuw heerst. De wet van de leeuw is de wet van de
sterkste, die de mens steeds weer aanzet de confrontatie met anderen aan te
gaan, hem dwingt zichzelf te bewijzen volgens regels, die door hemzelf werden
bedacht.
Soms hoort men wel eens zeggen: in dit leven zijn er twee soorten
mensen: winnaars en verliezers. De winnaars zijn zij die, in hun confrontatie
met de leeuw, hebben overwonnen. Zij hebben het gemaakt en verkeren in de
illusie macht te bezitten. Maar in werkelijkheid is hun macht totaal
afhankelijk van de wetten van de leeuw, die dollar heet of euro of gewoon
machtswellust. Daarom : gelukkig is de
leeuw, want wie macht bezit is ook zijn slaaf geworden. Doorheen de mens
zal de leeuw heersen : en de leeuw zal
mens zijn. De machtige heerst slechts bij de gratie van de leeuw. Daarom
ook is de mens die macht bezit de meest wreedaardige onder de dieren.
De verliezers daarentegen zijn zij die in hun machtsstrijd met de leeuw
zijn ten onder gegaan. Hen is een nog minder benijdenswaardig lot beschoren,
want machteloos hebben zij de wet van de sterkste te ondergaan. Een totale
afhankelijkheid is hun lot geworden. Daarom : te misprijzen is de mens. Want voor de macht van de leeuw is hij
het voedsel geworden. Zoals een dier in jungle of savanne is niet meer “leven”
maar “overleven” zijn deel. Ook in hem zal het dierlijke overheersen : en de leeuw zal mens zijn.
Wat hebben we hieruit te begrijpen ? Het gebied waarin de mens te
handelen heeft is weliswaar het gebied van de leeuw, maar zijn opdracht is verheven boven iedere confrontatie met de leeuw.
Wie de machtsstrijd met de leeuw aangaat is so wie so een “loser”. Want macht
behoort tot het lagere. Hiertoe kan de mens zich enkel laten verleiden door
zijn hoogmoed. Zich onthouden van elke betrokkenheid bij de doelstellingen van de
leeuw is daarom de boodschap. Wie zoekt zichzelf te bevestigen volgens wetten
van een lagere orde en macht uit te
oefenen, negeert de bron van zijn eigen potentieel en bindt de strijd aan met
de leeuw. Of hij overwint en machtig wordt dan wel verliest en ten onder gaat,
steeds neemt het lagere, de leeuw, bezit van de mens.
Ambitie is een natuurlijke stimulans om de eigen mogelijkheden te
ontwikkelen en tot uitdrukking te brengen. Dat dit gebeurt in een confrontatie
met anderen is kenmerkend voor een tijdelijke levensfase. Hieruit heeft de mens nochtans te ontwaken. Wanneer hij tot het
bewustzijn is gekomen dat alles wat hij kan niet aan zichzelf is toe te
schrijven maar aan een gevende bron binnenin zichzelf, kan hij voor zichzelf
geen machtspositie meer opeisen. (zie ook logion 81 en 110) Hij kan enkel
dankbaar zijn en dienen. Zijn
opdracht is het wat hij ontvangt uit te drukken in harmonie, volgens een wet
die hem niet toebehoort. Die wet behoort niet tot het lagere maar tot het
hogere.
De betekenis die we aan dit logion toekennen sluit aan bij het ahimsa principe waarvan Gandhi en later
ook Martin Luther King getuigden. Gebruik maken van geweld, zowel door een
sterke als door de zwakste, als een uiting van macht of van onmacht, is nooit
de juiste keuze !
8
en hij heeft gezegd
de mens is gelijkend
aan een attente visser
die zijn net had
uitgeworpen in de zee
hij haalde het uit de
zee op gevuld met kleine vissen
onder hen vond hij een
grote uitstekende vis
alle kleine vissen
wierp hij terug in zee
moeiteloos koos hij de
grote vis uit
wie oren heeft om te
horen dat hij hoort
Mt 13, 47-50 “En nog is het rijk der hemelen gelijkend aan een net, dat in de zee geworpen werd en zich
vulde met allerhande zaken. Wanneer het vol was trokken zij het langs de oever
op, gingen zitten en vulden de manden met wat goed was. Het slechte gooiden zij
terug. Zo zal het zijn op het einde van de wereld. Engelen zullen komen en zij
zullen de slechten van de rechtvaardigen scheiden en hen in het laaiend vuur
werpen. Daar zal geween zijn en tandengeknars.”
Thomas met Mattheüs
vergelijken is meer relevant dan honderd commentaren ! “Wie oren heeft...” De aanwezigheid van vissers onder de discipelen
zal aan dit beeld wellicht niet vreemd zijn. Beter dan wie ook waren zij in
staat de waarde van die éne grote vis in te schatten. De man is een attente visser (letterlijk : die er met
zijn hart bij is), die zijn vangst aandachtig onderzoekt vooraleer de veelheid
aan kleine vissen terug in zee te werpen. Zo ontdekte hij die éne grote vis en
aarzelde niet langer.
Tot een juist onderscheidingsvermogen
komen is de boodschap, aandacht hebben voor het meest waardevolle, zich niet
laten afleiden door waarden van een lagere orde. Aan waarden allerhande hebben
we in dit leven geen gebrek, noch aan theorieën of ideologieën van verlichte
zieners of wetenschappers. Een openheid van geest ontwikkelen is belangrijk
maar evenzeer een kritische ingesteldheid om vanuit de eigen levenservaring een
correcte waardeschaal aan te leggen. Wat vergankelijk is heeft de waarde van
het vergankelijke. Die éne uitzonderlijke waarde, waar de zoekende mens naar
uitziet, behoort niet tot het gebied van “hebben” maar tot dit van “zijn”. Een
zijnswaarde heeft een absoluut draagvlak, is universeel en tijdloos, want
gevestigd in de bron zelf van het Zijn.
Wellicht kan ook de vondst van Nag Hammadi gezien worden als een net
vol vissen, waarin het belangrijk is die éne
grote uitstekende vis te onderscheiden...
9
jezus heeft gezegd
zie de zaaier ging uit
hij vulde zijn hand en wierp
sommige vielen op de
weg
vogels kwamen en pikten
ze op
andere vielen op rotsen
en schoten geen wortel
in de aarde
noch richtten zij aren
naar de hemel
en andere vielen op
doornen
zij verstikten het zaad
en de worm at het op
en andere vielen op de
uitgelezen aarde
en zij richtte een
uitstekende vrucht naar de hemel
de opbrengst was zestig
per maat en honderdtwintig per maat
vergelijk: Mt 13, 1-23 - Mc 4, 1-20 - Lc
8, 4-15
Het is de kracht van
het woord van Jezus én de weg én de finaliteit van het leven te vatten in een natuurlijk
beeld dat voor iedereen toegankelijk is. In de drie synoptische evangeliën is
dit zijn eerste parabel. Wie de zin ervan in zijn totaliteit heeft doorzien,
heeft meteen de essentie van zijn boodschap begrepen! Toch blijkt de eenvoud
van het beeld geen waarborg te zijn voor een eenvormig begrip...
In de synoptische evangeliën wordt deze parabel
inderdaad gevolgd door een interpretatieve verduidelijking, die Jezus zou
hebben gegeven, omtrent de betekenis van de zaden die niet in de goede aarde
vallen. Een vrij verwarrende verduidelijking overigens wanneer de verschillende
evangeliën aandachtig met elkaar worden vergeleken. De evangelisten zijn niet
eensgezind in hun interpretatie... Daarom wordt zij door de auteurs van de Bijbelschool
van Jeruzalem afgevoerd als een interpretatie die door aanhangers van de
primitieve Kerk in de mond van Jezus zou zijn gelegd. Overigens hebben we hier
te maken met de kleine vissen uit het vorige logion : zaden die hun finaliteit
niet waarmaken. Het is ook een eeuwenoude twistappel of het nu de goede aarde is
dan wel de zaden die de vruchten voortbrengen... In het licht van dit evangelie
blijkt ook dit een steriele discussie te zijn.
Zoals het noch de zaadcel van het mannelijke is, noch de eicel van het
vrouwelijke die het biologische leven voortbrengt maar de nieuwe eenheid die ontstaat uit hun ver-eniging, zo zijn het noch de zaden noch de goede aarde die de
vruchten voortbrengen. Vanuit hun eenheid
manifesteert zich het leven spontaan !
De wezenlijke vraag, die hier aan de orde is,
is deze : hoe komt de mens tot een leven waarin hij, overeenkomstig zijn
finaliteit, vele vruchten kan voortbrengen waar hijzelf kan van genieten ? Ooit
is het zaad zelf doorheen de vrucht van een plant ontstaan uit de goede aarde.
Wil het zijn finaliteit, dit waarvoor het te dienen heeft, waarmaken dan moet
het teruggaan naar de plaats waar zijn oorsprong was. (zie logion 18) Zolang
het zaad zaad blijft, brengt het geen vruchten voort en dient het dus het
levensproces niet. Wanneer het, in de eenheid met de grond waaruit het zelf is
ontstaan, zijn uiterlijke omhulsel loslaat en dus ophoudt zaad te zijn, wordt
het dienend voor het leven en brengt het vele vruchten voort. Pas dan heeft het
zijn finaliteit waargemaakt.
Zoals in de natuur, kan ook in de mens het nieuwe slechts ontstaan uit
een “ontmanteling” van het oude. Het loslaten van het oude is de voorwaarde om,
uit de eenheid die was in het begin, de plaats waar het kleine kind van zeven
dagen nog in verblijft, het nieuwe te laten ontluiken. We hoeven niet te
treuren bij het verlies van het oude. In het loslaten van de hoogmoed, waarmee we onszelf hebben “bekleed”, van
onze pretentieuze ik-waarden, van een vermeende godskennis ook, ligt hier en nu
de nieuwe geboorte.
Zoals het nirwana voor de
Boeddha, is ook voor Jezus het “deel hebben in het koningschap van de Vader”
geen realiteit die slechts na een fysische dood kan worden bereikt, maar de
vervulling van onze levensopdracht hier en nu! In het licht van dit inzicht
krijgen de woorden van het priesterlijke gebed in Joh 17, 21-23 hun volle
betekenis : “opdat allen één zijn zoals U Vader in mij en ik in U, ...
zodat zij volmaakt zijn in het éne...”
10
jezus heeft gezegd
ik heb een vuur in de
wereld gebracht
en zie ik behoed het tot
het ontvlamt
vergelijk: Lc 12, 49-50
Misschien zijn dit wel
profetische woorden van Jezus. Ongetwijfeld zal hij tot de bevinding zijn
gekomen hoe moeilijk de opdracht voor zijn discipelen was om het nieuwe en
verstorende van zijn kennis - hier gesymboliseerd in het vuur, dat toen ook een
bron was van licht - in zich op te nemen. Meestal was onbegrip hun deel. Het
ontvlammen, het doorstromen van zijn kennis, was blijkbaar nog niet aan de
orde. Zijn vuur zou een waakvlam blijven tot het collectieve bewustzijn van de
mensheid voldoende ontvankelijk zou zijn om het te laten ontbranden.
Wellicht is het niet toevallig dat dit
evangelie pas in de tweede helft van de twintigste eeuw in een nieuwe
openbaarheid is gekomen. Nu de mensheid aan een bevrijdende bewustwording toe is
en dus de openheid heeft te luisteren naar een nieuw geluid, kan het de aanzet
betekenen tot een spiritueel ontwaken.
11
jezus heeft gezegd
deze hemel zal
voorbijgaan
en die erboven zal
voorbijgaan
en zij die dood zijn
leven niet
en zij die levend zijn
zullen niet sterven
de dagen dat jullie
aten wat dood is maakten jullie er iets levend van
wanneer jullie in het
licht zullen zijn wat zullen jullie doen (*)
in de dagen dat jullie
één waren hebben jullie de twee gemaakt
wanneer jullie
daarentegen twee zijn wat zullen jullie doen (*)
vergelijk: Mt 5, 18 - 8, 22 - 24, 34-36 -
Mc 13, 30-32 - Lc 9, 60 - 16, 17 - 21, 32-33
(*) Een
interpretatieve verduidelijking zou erin kunnen bestaan na de eerste van beide
regels aangeduid met (*) een ... ! te plaatsen en na de laatste een ...?.
Het biochemische proces, waardoor we in de
spijsvertering van dode materie iets levend maken, behoort tot een absolute wet
die het biologische leven in stand houdt. Bewust van dood naar leven gaan betekent
een spirituele geboorte, waarbij het
licht van het hogere zich integreert in het lagere. Dit is de weg waarlangs
zich in ieder wezen het bewustzijn van een spirituele eenheid kan herstellen.
In het verhaal van de zondeval ligt de scheiding besloten van één naar twee. In
die scheiding ligt onze spirituele dood. Het beeld van het zaad verduidelijkt
onze opdracht : teruggaan naar de eenheid die was in het begin. Zou de
werkelijke betekenis van de verrijzenis
niet in deze transformatie te zoeken
zijn...? Ruim vóór zijn kruisdood zou Jezus dus, binnenin zichzelf, de
verrijzenis hebben verwezenlijkt...
Zoals reeds in logion 3 bleek is de hemel
niet de verblijfplaats van God, maar overkoepelt hij onze leefwereld. Hierin zijn
we weliswaar biologisch levend maar spiritueel nog steeds dood. Een weg van spirituele
bewustwording gaan betekent : tot het inzicht komen verbonden te zijn met een absolute
bron, die ons alle mogelijkheden biedt en in die verbondenheid onze
verantwoordelijkheid erkennen. Wie zich richt naar die innerlijke bron, haar
licht ontvangt, bevrijdt zichzelf uit de illusie van zijn of haar pretentieuze ik-waarde
en komt tot leven. Een andere hemel zal voortaan dit leven overkoepelen. Niet
meer de wet van dualisme maar die van eenheid zal de basis zijn voor een nieuwe
beleving. Maar ook aan die ervaring komt een einde, want in de eenheid van het
biologische en het spirituele is het biologische tijdgebonden.
Wie verblijft in de duisternis van de
gescheidenheid is nog steeds “dood” en ondergaat de wetten van het lagere. Wie
het licht ontvangt zal tot leven komen en de dood niet smaken...
12
de discipelen zeiden
tot jezus
we weten dat jij ons
zult verlaten
wie zal er groot zijn
over ons
jezus zei hen
daar waar jullie zullen
zijn gekomen
zullen jullie naar
jacobus de rechtvaardige gaan
wat hemel en aarde
aanbelangt komt hem toe
vergelijk: Mt 18, 1 - Mc 9,
33-34 - Lc 21, 32-33
De vertaling van de
laatste lijn is problematisch. Letterlijk staat er namelijk : hij omwille van wie hemel en aarde zijn geweest.
Uiteraard is dit onzinnig. Ofwel hebben we te maken met een transcriptiefout,
ofwel is dit een specifieke uitdrukking die niet letterlijk kan vertaald
worden.
Blijkbaar hebben de discipelen van Jezus
vernomen dat zijn aanwezigheid onder hen slechts van korte duur zal zijn.(*)
Bovendien is uit zijn woorden af te leiden dat hij, op het ogenblik dat hij hen
dit antwoord geeft, de illusie heeft laten varen hen tot het juiste bewustzijn
te kunnen verheffen. De zoektocht die zij, zoals wij allen, te volbrengen
hebben is duidelijk nog niet ten einde, want nog steeds hebben zij de behoefte
aan een leidsman.
Vermoedelijk is Jacobus de broeder van Jezus
(zie Mt 13, 55 en Mc 6, 3), die na de verdwijning van Jezus de
verantwoordelijkheid voor de primitieve geloofsgemeenschap op zich nam. Ook hij
zou door de joodse overheid worden ter dood gebracht. Hij wordt de rechtvaardige genoemd. Hij heeft dus
kennis van rechten en plichten die noodzakelijk zijn om binnen een lagere orde -
want hemel en aarde gaan voorbij - de harmonie te handhaven. Hoe waardevol zijn
raad ook mag zijn, nooit echter zal hij het licht kunnen brengen, dat in de
woorden van Jezus besloten ligt. (zie logion 38)
(*) Traditioneel wordt
aangenomen dat de duur van het “openbare leven” van Jezus drie jaren zou zijn
geweest. Het voornaamste argument hiervoor is de aanwezigheid van drie
paasfeesten in het Johannesevangelie. Die voorstelling van de feiten duikt,
volgens de Bijbelschool van Jeruzalem, slechts op in de derde redactie van dit
evangelie. In de tweede redactie zou er voor zijn openbare optreden een
tijdsindeling in zes weken zijn geweest. Hoeveel tijd er tussen elke week kan
zijn verlopen is niet bekend. De vermoedelijke duur van zijn prediking zou hoe
dan ook heel wat korter zijn geweest. Het valt overigens moeilijk te aanvaarden
dat de joodse overheid een dergelijke onorthodoxe prediking drie jaren lang zou
hebben getolereerd...
13
jezus zei tot zijn
discipelen
vergelijk me zeg me aan
wie ik gelijk
simon petrus zei hem
je gelijkt aan een rechtvaardige
engel
mattheüs zei hem
je gelijkt aan een
wijze filosoof
thomas zei hem
meester mijn mond zal
geen woord aanvaarden dat zegt aan wie je gelijkt
jezus zei
ik ben je meester niet
want je hebt gedronken
en je hebt je bedronken
aan de opborrelende
bron die ikzelf heb bedeeld (*)
en hij nam hem terzijde
en zei hem drie woorden
wanneer thomas terug
bij zijn gezellen kwam
ondervroegen zij hem wat
heeft jezus je gezegd
thomas zei hen
indien ik jullie één
woord zou zeggen van wat hij mij heeft gezegd
dan zouden jullie
stenen nemen en naar mij gooien
en vuur zou uit de
stenen komen en jullie verbranden
vergelijk: Mt 16, 13-20 - Mc 8, 27-30 -
Lc 9, 18-21
(*) bedeeld
: letterlijk gemeten. Het kenmerk
van de expressie uit de absolute bron is harmonie en dus maat. Die maat hebben ook wij uit te drukken. (zie logion 50)
Het vorige logion situeerde het niveau van de discipelen. Het zijn nog
zeer menselijke bekommernissen die hun bezorgdheid uitmaken. Tot die
bekommernissen behoort ook de ambitie de beste onder de discipelen te zijn.
Hieromtrent ontstond weleens een discussie, waar o.m. Mc 9, 33-34 en Lc 9, 46
van getuigen. De vraag van Jezus is bedoeld als een test. Enkel Thomas heeft
geen woorden om een zinnig antwoord uit te brengen. Om dit duidelijk te maken
spreekt hij Jezus aan met meester.
Hiervoor wijst Jezus hem terecht. Wat betekent die terechtwijzing ? Dit kan het
ogenblik zijn geweest waarop hij in zijn discipel zijn gelijke erkent. Maar het
is de opdracht van ieder mensenkind dienend te zijn. Een dienaar is geen
meester...
Omtrent de drie woorden die
Jezus sprak verblijven we in het ongewisse. Misschien was het iets als “jij
bent mij” of “ik ben jou”...? Wat het ook mag zijn geweest, Thomas was zich
bewust dat de erkenning die hij had gekregen door zijn gezellen niet in dank
zou worden aangenomen. Afgunst zou hun deel zijn en een negatieve of zelfs
agressieve reactie uitlokken, waarvan zijzelf, overeenkomstig de karmische wet,
het slachtoffer zouden worden.
14
jezus zei hen
indien jullie vasten
zullen jullie een fout begaan
en indien jullie bidden
zullen jullie worden veroordeeld
en indien jullie
aalmoezen geven
zullen jullie kwaad
berokkenen aan jullie geest
en naar welk land
jullie ook gaan
welke streken jullie
ook doortrekken
wanneer men jullie
ontvangt eet wat jullie wordt voorgezet
verzorg hen die ziek
zijn
want niet wat in jullie
mond komt zal jullie bezoedelen
maar wat uit jullie
mond komt dit zal jullie bezoedelen
vergelijk: Mt 10, 11-14 - Mc 6, 10-11 -
Lc 10, 5-11
In logion 6 kregen de
discipelen geen concreet antwoord op hun vragen. Jezus ontweek ze met de
bedenking : wees oprecht met jezelf in
woord en daad. Misschien hebben zij op meer duidelijkheid aangedrongen…
Ditmaal spreekt hij een onverbloemde taal : wat tot de rituelen van de joodse
godsdienst behoort is niet te verzoenen met zijn religieuze bewustzijn. Wie
ontvankelijk wil worden voor de inspiratie van de Vader, heeft zich niet in te
laten met misleidende rituelen ! Ook in Mt
9, 14, Mc 2, 18 en Lc 5, 33 krijgt Jezus het verwijt te horen dat zijn
discipelen niet vasten. (zie ook logion 104) Maar bovendien : indien jullie bidden zullen jullie
veroordeeld worden...
Opnieuw worden we geconfronteerd met het nieuwe in de boodschap van
Jezus. We bidden tot God. Maar wat betekent God ? Wie is de God van de joden,
de God van onze verbeelding en wat is de realiteit waarvoor Jezus beroep doet
op het beeld van een vader ? Voor een gelovige zijn dit uitdagende vragen ! In
dit evangelie is het joodse begrip van God niet te verzoenen met de
werkelijkheid, die Jezus doorheen het beeld van een zoon - vader relatie tracht
duidelijk te maken.
De communicatie, die een jood vermeent te hebben met zijn God bij
middel van het gebed, is louter denkbeeldig. Communiceren met een zelf
verzonnen beeld behoort tot de wereld van de verbeelding en is dus misleidend.
De realiteit, die Jezus als een vader in beeld brengt, is absoluut en transcendeert daarom de grenzen van het menselijke
bewustzijn. Elke benadering ervan binnen de begrenzingen van dit bewustzijn
kan slechts denkbeeldig zijn. (zie logion 53)
Is bidden dan steeds zinloos ? Zeker niet ! Maar het gebed moet wel én
de juiste inhoud hebben én de juiste gerichtheid... Onze menselijke verlangens
in een gebed verheffen tot een denkbeeldige almachtige bron is een foute
ingesteldheid. Wie zich bewust is geworden van zijn of haar dienende opdracht
binnen zijn of haar verbondenheid met het hogere, kan zich enkel naar het
hogere richten in een dankbare erkenning voor wat ontvangen werd en met het
verlangen de juiste inspiratie te mogen ontvangen om die dienende opdracht te
blijven uitvoeren. De omstandigheid, die hiervoor het best geschikt is, is een
rust in de leegte binnenin zichzelf.
Tenslotte wijst Jezus ook hier op de meest elementaire menselijke plicht
: oprecht met zichzelf juist handelen en dienend zijn. Wie in de juiste
ingesteldheid verblijft is verheven boven door anderen opgelegde regels, boven
een mogelijke bezoedeling ook door een ongepaste voeding. Een juiste voeding is
weliswaar belangrijk om een innerlijke biologische harmonie niet te verstoren.
Maar, wie zich juist voedt en foute waarheden verkondigt, bezoedelt zich meer
dan een ongepaste voeding vermag te doen !
15
jezus heeft gezegd
wanneer jullie hem
zullen zien die niet uit een vrouw is geboren
buig dan jullie
aangezicht ten gronde
en verheerlijk hem deze
is jullie vader
“Zien”
betekent hier uiteraard geen zintuiglijke ervaring maar symboliseert het
verwerven van inzicht. Niet de
verheerlijking van een zelf verzonnen beeld van God moet in dit leven onze
bekommernis zijn, wel het inzicht in
de realiteit waarvoor Jezus het beeld van een vader gebruikt. Die realiteit is
van een hogere, van een absolute orde, want : die niet uit een vrouw is geboren. Zij behoort dus niet tot onze
relatieve wereld en is daarom voor ons ook niet kenbaar. Het bewustzijn van een verbondenheid met een absolute zijnswaarde binnenin
zichzelf is niet te verwarren met de onmogelijke kennis van het absolute “in
se”.
De ervaring van een innerlijke verbondenheid betekent voor Jezus een
alles overstijgende rijkdom. Van die rijkdom wil hij zijn medemensen bewust
maken. Maar zij bezitten niet het zuivere bewustzijn dat het zijne is. Om
hiervan te getuigen is hij daarom genoodzaakt terug te vallen op een beeld dat
tot hun leefwereld behoort, dat voor hun bewustzijn toegankelijk is. Hij
spreekt dus over “dat” als over “een vader”.
In de joodse cultuur was de status van de vader heel wat belangrijker
dan hij nu in onze cultuur is. De vader is immers niet enkel de bezitter van
het familiegoed, niet enkel de biologische verwekker van zijn kinderen, hij is
vooral het gezag dat de wet dicteert,
dat inspirerend en dus leidinggevend is en waar zijn kinderen naar te luisteren
hebben. Van dit beeld maakt Jezus gebruik om het bewustzijn van zijn medemensen
ontvankelijk te maken voor een innerlijke realiteit, die van een spirituele natuur
is. Helaas, zoals het beeld van Adam en Eva in het bijbelverhaal, zo werd ook
het beeld van de vader niet als een beeldspraak begrepen maar voor werkelijk
aanzien. Wanneer Jezus in absolute bewoordingen over “zijn vader” sprak dan was
het evident, zo dacht men, dat hij de God van de joden bedoelde.
In het Johannesevangelie (hoofdstuk 6) maakt Jezus nochtans duidelijk
het onderscheid :
Jullie voorvaderen hebben het manna uit de hemel gegeten en zij zijn
gestorven... niet Mozes heeft het brood uit de hemel gegeven maar mijn Vader
geeft u het brood, het ware... ik ben het brood... wie dit eet zal leven.
In Ex 16, 15b zegt
Mozes : “Dit is het brood dat Jaweh u te
eten gegeven heeft”. Niet Mozes maar Jaweh heeft het manna gegeven ! Het
onderscheid tussen Jaweh en de Vader
is duidelijk. Het gaat noch om hetzelfde brood noch om dezelfde bakker... Om
die verstorende tegenstelling te versluieren werd in de loop van de
ontwikkeling van het Johannesevangelie het manna niet toegekend aan Jaweh, maar
aan Mozes... Het essentiële onderscheid tussen Jaweh en de Vader is dat Jaweh, als
God, totaal van de mens gescheiden
is, terwijl het beeld van de vader verwijst naar een innerlijke en dus een spirituele verbondenheid.
Wat voor het mensenkind de verheerlijking
van de Vader inhoudt ligt in de dankbare
erkenning van een alles overstijgende rijkdom, waarin het zelf deelachtig
is. Het bewustzijn deel te hebben in het koningschap impliceert de erkenning én
van een absoluut gezag én van de eigen dienende verantwoordelijkheid. Hierin
ligt tevens de zin van het ware offer besloten : de dienaar verheft de vruchten
van zijn dienstbaarheid tot zijn gevende Heer. Ook dit betreft een blijvende ingesteldheid,
die geen behoefte heeft aan een ritueel...
De confrontatie van nieuwe inzichten met oude denkbeelden leidt
onvermijdelijk tot een innerlijk conflict. Aan ieder om hiermee met zichzelf in
het reine te komen. Tenslotte zegt Jezus aan het einde van dit logion niet :
deze is mijn vader, wel : deze is jullie vader. In zijn spirituele
verbondenheid met de Vader is hij niet de enige
zoon...
16
jezus heeft gezegd
ongetwijfeld denken de
mensen dat ik gekomen ben
om de vrede op de
wereld te werpen
en zij erkennen niet
dat ik gekomen ben
om verdeeldheid op de
aarde te werpen
het vuur het zwaard de
strijd
want vijf zullen zijn
in één huis
drie zullen zijn tegen
twee en twee tegen drie
de vader tegen de zoon
en de zoon tegen de vader
en monachos zij zullen opstaan
vergelijk: Mt 10, 34-36 - Lc 12, 51-53
Dit logion bevestigt
de bedenking die we bij het vorige logion maakten. De uitnodiging van Jezus om
het nieuwe in ons op te nemen leidt onvermijdelijk tot een innerlijk conflict,
dat slechts een oplossing kan vinden in een doorgedreven en oprechte innerlijke
zoektocht.
Die innerlijke strijd is een leidmotief dat in alle religies aanwezig
is. Hij is het die in beeld wordt gebracht in de Bhagavad Gita. Arjuna, de
edele krijger, heeft aan zijn verheven morele normen, aan zijn kennis van dharma, niet voldoende om tot een juiste
beslissing in zijn innerlijke conflict te komen. Krishna, die het goddelijke in
de mens belichaamt, onderricht hem omtrent de weg waarlangs het goddelijke zich
in de mens kan openbaren. In de islam kennen we het begrip jihad, dat misbruikt wordt als een strijd tegen de “goddelozen”
maar oorspronkelijk zou verwijzen naar een noodzakelijke innerlijke strijd. Ook
de rituele handelingen van boeddhistische monniken, ons nu bekend als
gevechtsmonniken, die in de zesde eeuw door Bodhidharma werden bedacht, zijn in
wezen de expressie van een innerlijke strijd die iedere volgeling met zichzelf
te voeren heeft.
De bijzondere gaven, waarvan hij getuigde, werden door de volgelingen
van Jezus gezien in het licht van de bijbelse geschiedenis. Voor de ene was hij
een profeet, voor de andere een Messias. Zo iemand zou de orde herstellen,
vrede en vertrouwen geven aan de joodse gemeenschap en de komst van het
koninkrijk van God voorbereiden. Die misvatting ontkracht Jezus hier. Het
nieuwe waarvan hij getuigt is verstorend ! Wie zijn kennis in zich opneemt komt
niet alleen in conflict met de bestaande religieuze orde en haar waarheden maar
ook met zichzelf, met persoonlijke waarden en hierdoor ook met relationele
banden.
Wie waarden loslaat, banden verbreekt, onthecht zich. Enerzijds is hij of zij bevrijd, anderzijds is conflict en vereenzaming de losprijs. De stam van monachos is monos en
betekent alleen. Hiervan is het woord monnik is afgeleid. De begrippen
onthecht, bevrijd en eenzaam liggen allen vervat in dit éne woord. Daarom is de
vertaling ervan zo moeilijk. Op de weg die we te gaan hebben geeft het een
kerngedachte weer, waar we later nog zullen op terugkomen. In essentie gaat het
niet om een uiterlijk levenspatroon maar om een innerlijke ingesteldheid. Wie
tot het juiste inzicht wil komen in zijn of haar verbondenheid met het hogere,
de innerlijke levensbron, heeft zich te ontdoen van verslavende banden met het
lagere, zich innerlijk vrij te maken, om te kunnen dienen zoals het zaad. Die
ingesteldheid is het waarvan Jezus getuigt.
17
jezus heeft gezegd
ik zal jullie geven wat
het oog niet heeft gezien
en wat het oor niet
heeft gehoord
en wat de hand niet
heeft geraakt
en wat het hart van de
mens niet heeft beroerd
1 Kor 2, 9: “maar, zoals
geschreven is: wat het oog niet heeft gezien, wat het oor niet heeft gehoord,
wat het hart van de mens niet heeft beroerd, alles wat God heeft bereid voor
hen die van Hem houden.”
Jes. 64, 3-4: “neen, geen oor
heeft ooit gehoord, geen oog ooit gezien: een God, buiten u, die helpt, op u
hoopt, vreugde bereidt voor wie gerechtigheid doet en uw wegen gedenkt”
Paulus levert hier het
bewijs dat hij wel kennis had van uitspraken van Jezus. Enkel het naar zijn
gevoel vermoedelijk te sensuele zinnetje : wat
de hand niet heeft geraakt ontbreekt in zijn citaat. Maar, omdat hij niets
met de “Jezus van vlees” -kata sarka
- wou te maken hebben (2 Kor 5, 16), wel alles met de “gekruisigde én verrezen
Christus”, versluiert hij diens uitspraak met de woorden: “zoals geschreven is”... Referenties naar de Schriften zijn
overigens ver van overtuigend.
Wat kan ontvangen worden behoort noch tot het gebied van de emotionele
of zintuiglijke beleving, noch tot dit van de mentale kennis Het is een
ervaring van een andere orde waar het bewustzijn van de mens toegang kan toe
hebben. De verrijking, die het gevolg is van de integratie van het lagere in
het hogere, is echter geen spectaculair gebeuren maar een progressieve evolutie
in het bewustzijn. Die ervaring is de vrucht die de monachos ontvangt op zijn of haar weg van onthechting.
18
de discipelen zeiden
tot jezus
hoe zal ons einde zijn
jezus zei
hebben jullie dan het
begin ontsluierd
zodat jullie zich
bekommeren om het einde
want daar waar het
begin is daar zal het einde zijn.
gelukkig wie zich zal
vestigen in het begin
hij zal het einde
kennen en de dood niet smaken
vergelijk: Mt 16, 28 - Mc 9,
1 - Lc 9, 27
In dit logion
beantwoordt Jezus de beangstigde vraag van zijn discipelen, die ook de vraag is
die vele mensen onrust inboezemt : wat zal er zijn na de dood ? Zijn antwoord
brengt nochtans geen verheldering. Onze bezorgdheid moet zich immers niet
richten naar wat er na een biologische dood zou kunnen zijn. Wel zou het onze
bekommernis moeten zijn om aan dit leven hier en nu zijn optimale vervulling te
geven.
Voor de zaaier ligt de vervulling in de oogst. De plaats van de oogst
is daar waar hij zaaide, waar de eenheid van zaad en goede aarde werkelijkheid
werd. Dit is de plaats van het begin,
de plaats ook waar het kind van zeven dagen
nog in verblijft. Die plaats heeft een absolute waarde en is dus tijdloos.
Begin en einde, de zaaier en de maaier zijn één. (Joh 4, 35-36) Wie zich bewust
is geworden van dit absolute draagvlak van het leven, de permanente levensbron
binnenin iedere mens, heeft zijn of haar dienende opdracht erkend. In die
erkenning ligt ook de finaliteit. In
dit bewustzijn is elke bezorgdheid om het einde onbetekenend...
De weg van de mens is die van het zaad. In de terugkeer naar de goede
aarde, het begin waarin het is ontstaan, moet het zaad ophouden zaad te zijn,
zijn ikje loslaten, om in anonimiteit dienend te worden. Dit is de weg van de
vervulling van het leven, waarin de finaliteit verbonden is met het begin : de
terugkomst van de verloren zoon in het vaderhuis, zijn reïntegratie in het
gezag van zijn vader.
19
jezus heeft gezegd
gelukkig hij die reeds
was vooraleer hij werd
indien jullie mijn
discipelen zijn en mijn woorden aanhoren
zullen deze stenen
jullie dienen
voor jullie zijn er
inderdaad vijf bomen in het paradijs
die niet bewegen in de
zomer noch in de winter
en hun bladeren
verliezen zij niet
wie hen zal erkennen
zal de dood niet smaken
De absolute
zijnswaarde, waarin ieder ik zijn bedding heeft, wordt in dit logion op een
bijzondere manier bevestigd. Zoals met de leeuw van logion 7, worden we ook
hier met een bijzondere beeldspraak geconfronteerd. Zijn dit authentieke
woorden van Jezus of is het een fantasierijk beeld, eigen aan de gnostische
gemeenschap die verantwoordelijk was voor de overdracht van dit evangelie ? Wat
er ook van zij, we kunnen steeds een poging wagen om ook deze opmerkelijke
beeldspraak te ontsluieren.
In deze wereld is alles onderworpen aan de “wet der veranderingen”.
Vandaag is niets meer precies zoals het gisteren was. De wet, die het
natuurlijke leven stuurt, die de evolutie en de harmonie in de natuur bepaalt,
die ooit gesymboliseerd werd in de boom van kennis van goed en kwaad, die wet behoort
geen Adam toe. Binnen die wet heeft niemand aan zichzelf iets toe te kennen !
De finaliteit van de mens is te dienen zoals het zaad.
Het beeld van het zaad brengt ons terug naar het begin. De hier en nu
biologisch levende mens maakt deel uit van een absoluut levensconcept, waarvan
hij slechts een tijdelijke exponent is. Het biologische leven is een
tijdgebonden uitdrukking van een absoluut en dus tijdloos Zijn. Zoals over een
bruikleen beschikken we tijdelijk over een eigen lichaam, een eigen identiteit,
een bewustzijn van het eigen ik. Dit bewustzijn houdt de mogelijkheid in de
realiteit van ons ik juist in te schatten, bewust te worden van de absolute
bron waaruit we zijn ontstaan en waarmee we verbonden zijn. Die bron in onszelf
erkennen en die verbondenheid als een bewuste ervaring beleven is een
essentiële opdracht in dit leven. Van dit leven is tijdloosheid de basis. Wat
in het tijdelijke werd, was - in potentie - in het tijdloze...
In dit eenheidsbewustzijn ben ik opnieuw wat ik was : een tijdloos zijn in een
tijdgemeten dimensie...
Een regendruppel ontstaat uit de oceaan, vervult zijn taak binnen de
natuurlijke harmonie en keert vroeg of laat naar de oceaan terug. Hij was
oceaan, werd druppel en opnieuw oceaan. Een mens is echter zoveel meer dan een
regendruppel, zijn mogelijkheden zijn zoveel rijker, zijn opdracht is zoveel
meer verheven. Alles staat hem ter beschikking om dit leven in volheid te
ervaren en ervan te genieten : een regendruppel, een kluit aarde, een steen ook... De grond kan slechts goede
aarde zijn, kan slechts vruchtbaar worden, indien de regendruppel deel heeft in
de harmonie ! Binnen die wet heeft ook de mens dienend te zijn.
Wat zou het leven nu op aarde kunnen zijn, indien iedere mens in de
oorspronkelijke harmonie zou zijn verbleven en dus zijn finaliteit juist zou
hebben ingeschat...? Een paradijs wellicht ! De ervaring van onze vijf
zintuigen - is dit misschien de symboliek van de vijf bomen ? - die ons met de “wereld der verschijnselen”
verbindt, is afhankelijk van de toestand van het bewustzijn. De bron van dit
bewustzijn is verheven boven alle fenomenen van verandering en
vergankelijkheid, want gevestigd in een absoluut Zijn, zonder beweging of
veranderlijkheid...
Sorry voor diegenen die in de tweede lijn van dit logion een
bevestiging menen te zien van de wet van reïncarnatie. Kan de idee ooit in een
ander lichaam in deze wereld te zijn verbleven - een veronderstelling die
overigens niet de facto is uit te sluiten - evenwel van enige waarde zijn op de
weg van zelfkennis...?
20
de discipelen zeiden
tot jezus
zeg ons waaraan is het
rijk der hemelen gelijkend
hij zei hen
het is gelijkend aan
een mosterdzaad het kleinste van alle zaden
maar wanneer het in de
bewerkte aarde valt verheft het een grote stengel
die bescherming biedt
aan de vogels van de hemel
vergelijk: Mt 13, 31-32 - Mc 4, 30-32 -
Lc 13, 18-19
De boodschap van Jezus
is als een symfonie waarin diverse thema’s steeds opnieuw worden bespeeld. De
verwachting van de komst van het koninkrijk in de joodse godsdienst is een
reeds bekend verhaal. De discipelen hebben zich echter aan een nieuwe visie van
die werkelijkheid aan te passen, wat niet evident is ! Een opmerkelijk detail
toch : het zaad moet in de bewerkte aarde
vallen.
Het bewustzijn van de mens is als een grond met een niet te overzien
potentieel, die echter aan een grondige opknapbeurt toe is. Want de toestand
waar het zich thans in bevindt is niet meer die van zijn oorspronkelijke
zuiverheid. Schijnwaarden en waanvoorstellingen hebben het vergaand bezoedeld.
Wat harmonisch was en hoorde te blijven is disharmonisch geworden. Voor die
toestand is enkel de mens zelf verantwoordelijk. Daarom kan alleen hijzelf, dit
betekent ieder voor zich, hieraan verhelpen. Bewust binnenin zichzelf de ploeg
hanteren is daarom de boodschap.
In de laatste regel van dit logion wordt onze dienende
verantwoordelijkheid beeldend uitgedrukt. Zoals het de opdracht is van alles
wat groeit en bloeit binnen een natuurlijke harmonie, zo is het ook onze
opdracht in dit leven te dienen. De eenheid van het hogere en het lagere
kenmerkt zich door een integratie van de waarden van het hogere in het lagere.
21
mariam zei tot jezus
aan wie zijn jouw
discipelen gelijkend
hij zei
zij gelijken aan jonge
kinderen
die bezit namen van een
veld dat hen niet toebehoort
wanneer de bezitters
van het veld zullen komen
zullen zij zeggen laat
ons het veld
in hun aanwezigheid
ontdoen zij zich van hun klederen
die zij hen achterlaten
en geven hen hun veld terug
daarom zeg ik dit
indien de heer des
huizes weet dat de dief komt
zal hij waken vóór hij
komt
en niet dulden dat hij
zou inbreken in het huis van zijn rijk
en er zijn goederen zou
wegnemen
jullie daarentegen wees
waakzaam ten aanzien van de wereld
omgord jullie lenden
stevig
zodat geen rover de weg
naar jullie kan vinden
want de winst waar
jullie naar uitzien zullen zij ontdekken
mag er binnenin jezelf
een oplettend mens zijn
eens de vrucht rijp is
hij snel gekomen
de sikkel in de hand
heeft hij haar geplukt
wie oren heeft om te
horen dat hij hoort
vergelijk: Mt 11, 16 en 24, 43-44 - Lc 7,
31-32 en 12, 39-40 - Mc 4, 29
In dit logion zijn
twee onderscheiden delen te herkennen. Vermoedelijk betreft het hier twee
verschillende uitspraken die werden samengebracht op grond van de analogie van
het gebruikte beeld : de bezitters van een veld enerzijds, de bezitter van een
huis anderzijds. In het eerste deel antwoordt Jezus op een vraag van Mariam, in
het tweede spreekt hij zijn toehoorders aan met “jullie”. Klaarblijkelijk
betreft het hier zijn discipelen.
Zo goed als zeker is Mariam Maria van Magdala, ons beter bekend als
Maria Magdalena. Uit het evangelie van Fillipus en dit van Maria Magdalena
zelf, die beide eveneens deel uitmaken van de vondst van Nag Hammadi, valt op
te maken dat zij een bijzondere band met Jezus had. Door Fillipus wordt zij
zelfs voorgesteld als zijn levensgezellin. Uit haar vraag is af te leiden dat
zij zichzelf niet als een discipel beschouwt.
Voor de discipelen is het antwoord van Jezus weinig lovend. Zij
gebruiken het veld, hun biologische entiteit, die zij in bruikleen ontvingen,
om er spelend als kinderen van te genieten, niet vermoedend dat dit veld hen
niet toebehoort. Wanneer de bezitters hun veld komen opeisen moeten zij het
niet alleen afstaan, ook dit waarmee zij zich hebben “bekleed” moeten zij
afleggen. Voor Jezus is het duidelijk dat de discipelen zich nog steeds niet
bewust zijn van hun werkelijke opdracht. Hun zoektocht is niet eens begonnen...
Onze biologische entiteit, dit lichaam en het bewustzijn waarover we
beschikking hebben, ontvangen we niet als een geschenk maar in bruikleen. Een
geschenk behoort ons toe, een bruikleen hebben we terug te geven... Alles zal
ons worden ontnomen, het fysische leven en alles waarmee we ons in dit leven
hebben bekleed. Wat is de zin van dit bruikleen, wat zijn finaliteit...?
Het tweede deel van dit logion gaat over de bezitter van een huis, die
een normale menselijke bezorgdheid heeft om zijn verworven goed voor inbraak te
behoeden. Tot de discipelen, die niet geroepen zijn om aardse goederen te
vergaren en dus ook geen huis te beschermen hebben, zegt Jezus : jullie, daarentegen, wees waakzaam ten
aanzien van de wereld. Want de wereld is het gebied van de leeuw, waarin
steeds de verleiding wenkt het eigen ik te betrekken in een machtsstrijd met
anderen. Zij, die erop rekenen deel te hebben in het koningschap, moeten hun
gebondenheid aan die wereld kunnen loslaten.
Het gaan van een weg van kennis omtrent onze innerlijke verbondenheid
met een werkelijkheid, die van een hogere orde is, veronderstelt een groeiproces
in het bewustzijn. Dit is een evolutief gebeuren waarbij enkel stap voor stap
nieuwe inzichten zich kunnen ontwikkelen. Elk nieuw inzicht is als een stap die
een volgende mogelijk maakt, als een
vrucht die te plukken is. Ons onderscheidingsvermogen moeten we scherp
houden om de vruchten met een absolute waarde te onderscheiden van deze die
vergankelijk zijn. Hiervoor is het noodzakelijk, zoals de attente visser in
logion 8, steeds alert te blijven. In dit beeld symboliseren de rovers wellicht
onze egocentrische verlangens, die nog steeds in de ban zijn van de macht van
de leeuw.
22
jezus zag kleintjes die zoogden
hij zei tot zijn discipelen
deze kleintjes die zogen gelijken aan hen die het koninkrijk binnengaan
zij zeiden hem
zullen wij dan als kleinen het koninkrijk binnengaan
jezus zei hen
wanneer jullie de twee één zullen maken
en het innerlijke als het uiterlijke en het uiterlijke als het
innerlijke
en wat boven is als wat beneden is
zodat jullie het mannelijke en het vrouwelijke één maken
opdat het mannelijke zich niet mannelijk maakt
noch het vrouwelijke zich vrouwelijk maakt
wanneer jullie één oog zullen maken in de plaats van ogen(*)
en één hand in de plaats van handen(*)
en één voet in de plaats van voeten(*)
en één beeld in de plaats van beelden(*)
dan zullen jullie het rijk binnengaan
vergelijk:
Mt 19, 13-14 - Mc 13, 15 - Lc 18, 15-17
2 Clem. 12, 2-6: “Inderdaad, de Heer zelf,
ondervraagd over de komst van zijn rijk, zei: wanneer de twee één zullen zijn
en het uiterlijke als het innerlijke en het mannelijke met het vrouwelijke,
noch mannelijk noch vrouwelijk… wanneer jullie deze dingen zullen doen, zal het
rijk van mijn Vader komen.”
De regels aangeduid
met (*) werden, overeenkomstig de basisgedachte : wanneer jullie de twee één zullen maken, gecorrigeerd. De letterlijke
vertaling is:
wanneer jullie ogen
maken in de plaats van een oog
en een hand in de
plaats van een hand
en een voet in de
plaats van een voet
en een beeld in de
plaats van een beeld
De verwarring bij de
discipelen is totaal. Hoe zouden zij opnieuw klein kunnen worden !? De
symboliek in het beeld van de zuigelingen is niet aan hen besteed. Zij
beschouwen het beeld als een werkelijkheid en die valt niet te rijmen met hun
joodse verwachtingen. De verbondenheid van het kind van zeven dagen met zijn
levensbron is een beeld waarvan de zin hen ontgaat. De noodzakelijke terugkeer
naar de eenheid, die was in het begin, is voor hun bewustzijn nog niet te
vatten. Zullen zij ooit bevattelijk zijn...?
Het nieuwe begrip van het “koninkrijk”, als een leven dat bewust
ervaren wordt vanuit zijn originele eenheid, behoort tot de essentie van de
boodschap van Jezus. In het beeld van de eenheid van het zaad en de goede aarde
vindt die realiteit een perfect symbolisme. Meer dan eens echter moet op
eenzelfde nagel worden gehamerd wil die komen vast te zitten!
De correctie die we aanbrachten lijkt ons verantwoord. Jezus tracht
hier immers het begrip “eenheid” letterlijk met handen en voeten duidelijk te
maken: uiterlijk en innerlijk, beneden en boven, mannelijk en vrouwelijk... Ook
in Mt. 6, 22 en Lc 11, 34-36 zegt Jezus : “Indien
dus je oog enkelvoudig is, zal je lichaam verlicht zijn”. De
vertaling van het Griekse haplous
door helder en niet door één of enkelvoudig is zonder meer een
foute vertaling ! Zo kunnen we vaststellen dat hier zowel de moderne vertaler
als de koptische transcriptor, door twintig eeuwen gescheiden, in eenzelfde
fout vervielen omwille van hetzelfde onbegrip...
Naar buiten toe zien we met twee ogen en herkennen we een indrukwekkende
variatie aan kleuren. Voor een innerlijke gerichtheid zijn twee ogen overbodig.
Wie kleuren onderscheidt, zonder het licht te kennen, kent enkel kleuren… Wie
het licht kent, kent alle kleuren ! Filmbeelden, die op het scherm van ons
bewustzijn verschijnen, zijn niet de ware werkelijkheid, enkel een projectie.
In de duisternis van een filmzaal lijken zij nochtans, de tijd dat de vertoning
duurt, de werkelijkheid te zijn...
Alles wat tot de manifeste werkelijkheid van deze wereld behoort, het
uiterlijke, dit dat beneden is, drukt zich uit doorheen een samenspel van
energie en materie en resulteert voor de mens in een ervaring van dualisme.
Alles is er polair, elke eigenschap heeft er z’n tegengestelde of z’n
complement : warm en koud, licht en duisternis, vreugde en verdriet, mannelijk
en vrouwelijk, yin en yang... De unieke waarde, die onderliggend is aan die
polariteit, is van een absolute orde en heet harmonie. Harmonie is één en
beheerst alles, van het subatomaire tot het kosmische. Van die absolute waarde
is de wet van karma, die elke verstoring van de harmonie brandmerkt, de
behoeder. Wie, in bewustzijn, terugkeert naar de originele orde, naar de
eenheid in de bron, overstijgt het fenomeen van dualisme.
Het beeld van de eenheid van het mannelijke en het vrouwelijke heeft
aanleiding gegeven tot allerhande seksuele speculaties, zoals die van het
hermafrodiete of het androgyne type. Van dergelijke interpretaties werd gretig
gebruik gemaakt om dit evangelie en de ganse gnostische beleving in een troebele
sfeer te plaatsen. Hoeveel eenvoudiger kan een interpretatie nochtans zijn...
Het beeld van de eenheid van het zaad en de goede aarde is toegankelijk voor
ieder die vertrouwd is met de landelijke natuur. Het beeld van de eenheid van
het mannelijke en het vrouwelijke kan nu worden verwoord in het meer subtiele
beeld van de eenheid van een zaadcel en een eicel aan de oorsprong van ieder
menselijk leven. Noch is het de zaadcel, het mannelijke, noch de eicel, het
vrouwelijke, die het leven voortbrengt... Uit
hun eenheid ontspringt het leven spontaan !
Het begrip van de beeldspraak, het inzicht in de eenheid als de basis
voor een spiritueel ontwaken in dit leven, is slechts een vertrekpunt om,
vanuit die kennis, tot een bewuste ervaring te komen. De eenheidservaring kan
zich immers niet beperken tot een mentaal proces, waarin het dualisme enkel
rationeel wordt overstegen...
23
jezus heeft gezegd
ik zal jullie uitkiezen
één uit duizend
en twee uit tienduizend
en één zijnde zullen
zij opstaan
vergelijk: Mt 22, 14
In dit logion wordt de
mathematische logica genegeerd. Maar met logica komen we in deze materie ook
niet zover. De realiteit, waarvoor Jezus onze aandacht opeist, overstijgt zowel
het gebied van het logische denken als dit van het emotionele voelen. Tot op
een zekere hoogte is het rationele denken een kostbaar hulpmiddel, tot de
limiet van het begrijpbare is bereikt. Hier voorbij rest ons enkel de
persoonlijke ervaring van de weg die gegaan wordt. En daar gelden de regels van
het lagere niet langer. De enige leidraad die ons dan rest is onze eigen
kritische oprechtheid. Het nieuwe zou niet nieuw zijn indien er niet iets nieuw
te beleven viel !
Het uitkiezen
is niet op te vatten als een voorrecht dat iemand toevallig zou te beurt vallen
maar als het gevolg van een erkenning. (even teruggaan naar logion 3) In een
vorig logion erkende Jezus in Thomas de discipel die in bewustheid één met hem
was. Daarom koos hij hem uit. Zichzelf als uitverkozen beschouwen is een
hoogmoedig spelletje “wishful thinking”. Dit overkwam het joodse volk, het
overkwam ook Paulus en in zijn spoor de katholieke Kerk. Nog steeds beschouwt
zij immers zichzelf als de door de bruidegom Christus uitverkoren bruid...
Evenmin als aan Paulus kan haar een overdadige nederigheid worden aangerekend.
24
zijn discipelen zeiden
leer ons de plaats waar
jij bent
want voor ons is het
noodzakelijk dat wij die zoeken
hij zei hen
hij die oren heeft dat
hij hoort
er is licht binnenin
een verlicht mens
en hij verlicht de hele
wereld
indien hij niet verlicht
is hij een duisternis
vergelijk: Jn 1, 38-39
Wisten de discipelen
dan niet waar Jezus verbleef...? Soms missen we in dit evangelie de context
waarin een uitspraak gedaan werd. Dit is hier zeker het geval. Vermoedelijk
bevinden we ons in de situatie van hoofdstuk 14 in het Johannesevangelie.
Hierin verwijst Jezus naar zijn verbondenheid met de Vader, naar het vaderhuis
waar plaats is voor velen. Het was de bezorgdheid van Thomas de weg naar de
Vader te kennen, terwijl Filippus het verzoek had : “toon ons de Vader”... Beiden
hadden het verlangen deel te hebben in de ervaring van Jezus.
De komst van het koninkrijk is geen zintuiglijk te ervaren gebeurtenis.
Daar waar Jezus zich ophoudt, de plaats
van het leven, is evenmin een ruimtelijke locatie maar een innerlijke
zijnstoestand. Dit behoort tot het nieuwe begrip van het koningschap... In bewustzijn is Jezus één met de bron.
Wie één is met hem verblijft in de bron. Wie één is met de bron kan het water
niet voor zich houden, het licht niet verborgen houden. Kennis is slechts zinvol indien zij dient, liefde slechts zinvol indien
zij gegeven wordt... Het kenmerk van de ware discipel is dat hij of zij het
innerlijke licht, dat ontvangen wordt, ook uitstraalt. Wie niet ontvankelijk is
voor dit licht verblijft in de duisternis en kan ook niet verlichten...
25
jezus heeft gezegd
bemin je broeder als je
innerlijke zelf
waak over hem als over
je oogappel
vergelijk: Mt 22, 37-38 - Mc 12, 29-31 -
Lc 10, 27
In dit leven zijn we
allen kinderen van dezelfde Vader en dus broeders en zusters van elkaar.
Uiteraard verschillen we genetisch, werden we ook verschillend beïnvloed door
een opvoeding, een cultuur, door ethische of godsdienstige overtuigingen van
anderen. Die relatieve verschillen overstijgen en onze aandacht toespitsen op
die éne realiteit, waarin we allen op eenzelfde wijze verbonden zijn met een
absolute levenswet, dit is de uitdaging die we met z’n allen delen. Onze
opdracht is het, zoals alle celletjes in ons lichaam, samen te leven in
harmonie. Dit houdt in dat we allen ook verantwoordelijk zijn voor elkaar.
“Hieraan zullen allen
erkennen dat jullie mijn discipelen zijn: indien jullie elkaar liefhebben.” (Joh. 13, 35). Zoals de naïeve apostelen dachten
opnieuw klein te moeten worden om toegang te hebben tot het koninkrijk, zo
denken velen nog steeds dat het volstaat het gebod van naastenliefde na te
volgen om hun ticket voor het eeuwig leven veilig te stellen. Uiteraard is de
bezorgdheid voor anderen een essentiële ingesteldheid in de uitdrukking van de
harmonie. Toch is zij niet het middel waarmee
een ingebeeld doel - het koninkrijk - kan worden bereikt.
Liefde is de vrucht van de verbondenheid met een bron, waaruit we de mogelijkheid ontvangen om lief te
hebben. Aan zichzelf de verdienste van goedheid toekennen is niet zinvol, want
alles wat we in liefde kunnen geven ontvangen we. Onze voornaamste opdracht zal
er daarom in bestaan de verbondenheid met die bron in onszelf te verankeren. In
het bewustzijn van een integratie in de wet van harmonie, van het deel hebben
in het koningschap van de Vader, ligt de dienende verantwoordelijkheid van
ieder mensenkind.
In het christendom werd vooral het gebod van naastenliefde als de
essentie van de goede boodschap weerhouden. In dit evangelie blijkt echter zo
vaak hoeveel dieper de woorden van Jezus ons bewustzijn doorploegen. Harmonie
is de absolute waarde die aan de oorsprong ligt van elke levensuiting. Harmonie
in voelen is liefde, harmonie in denken is intelligentie. Hoewel beide, liefde
en intelligentie, symbolische met een verschillende bron worden geassocieerd -
het hart en het hoofd - toch ontspringen zij in hetzelfde bewustzijn. Juist
handelen doet evenzeer beroep op goedheid als op intelligentie. Kennis
gebruiken zonder een ingesteldheid van goedheid is even zinloos als goed willen
zijn zonder een juiste kennis te bezitten. Elk individueel bewustzijn kan de
juiste inspiratie ontvangen om beide harmonisch te beleven.
Ieder ikje ontspringt op eenzelfde wijze uit een absolute levensbron en
is dus even waardevol. De waarde die iedere persoon aan zijn ik toekent is
afhankelijk van de eigen psyche. Die ik-waarde kunnen relativeren binnen een
universele broederschap maakt het mogelijk in iedere mens, man of vrouw, blank
of donker, jood, palestijn of christen, een volwaardig mensenkind te erkennen.
Discriminatie hoort niet bij harmonie !
26
jezus heeft gezegd
het strootje in het oog
van je broeder zie je
maar de balk in je
eigen oog zie je niet
wanneer je de balk uit
je oog zult verwijderd hebben
dan zal je zien
om het strootje uit het
oog van je broeder te verwijderen
vergelijk: Mt 7, 3-5 en Lc 6, 41-42
Omdat leven in
harmonie de finaliteit van dit leven is, verlangt iedere mens ernaar gelukkig
te zijn. Maar de wetten van het lagere, de spelregels die door de mens zelf
werden bedacht, eisen ons op om onze eigen ambities waar te maken, onze
eigenwaarde steeds weer te bewijzen en de confrontatie met anderen aan te gaan.
Sinds de mens van één twee maakte en zolang hij zijn oorspronkelijke
verbondenheid niet opnieuw erkent, zal het lagere gescheiden blijven van het
licht van het hogere. In het lagere geldt de wet van de leeuw en is het dus
belangrijk de zwakheden van een
andere te kennen om er munt te kunnen uit slaan ! Onze kritische aandacht gaat
daarom zoveel vlotter naar de gebreken van anderen dan naar de eigen tekorten.
Ook hier zijn we toe aan een ommekeer in onze ingesteldheid.
Het vertrekpunt van die ommekeer is een oprechte zelfbeschouwing. Met
welke waarden heb ik mezelf bekleed ? Waarin berusten de kennis, de macht en de
rechten die ik aan mezelf toeken ? Van welke verwarring ben ik het slachtoffer
geworden ? Oprechtheid is het meest doeltreffende wapen tegen de hoogmoed die
ons voortdurend belaagt, het middel waardoor wij ons bewust kunnen worden van
de balk in het eigen oog, die ons belet te zien.
Binnen de wet van harmonie is geen ruimte voor beoordeling of
discriminatie, want allen zijn we op een evenwaardige wijze kind van dezelfde
Vader. Ook al gaat iemand zwaar in de fout, nooit kan de achtergrond van zijn
of haar daden door een ander juist worden ingeschat. De vaststelling van een
fout bij een medemens kan nooit een aanleiding zijn om over de mens zelf een
oordeel uit te spreken.
“Z’n vijand liefhebben” is een uitspraak die niet aan Jezus kan worden
toegekend... Want voorafgaand aan de erkenning van iemand als z’n vijand ligt
een beoordeling. Hierin onderscheidt zich het boeddhistische begrip mededogen : bij onbegrip voor een andere
hoort het begrip te hebben voor het eigen onbegrip... Een blinde kan je niet verwijten tegen je aan te lopen... tenzij je zelf blind bent...
27
indien jullie niet
vasten ten aanzien van de wereld
zullen jullie het
koninkrijk niet ontdekken
indien jullie niet van
de sabbat de sabbat maken
zullen jullie de vader
niet zien
Opnieuw heeft Jezus
het over traditionele praktijken uit de joodse godsdienst. Zijn afwijzende
houding ten aanzien van die rituelen is ons reeds bekend. Wat is er dan wel
fout mee ? Zowel het vasten als de sabbat verwijzen naar een onthouding, maar
beide rituelen werden van hun oorspronkelijke betekenis gescheiden. Het vasten
is meer dan een zich tijdelijk onthouden van een traditionele voeding, de
sabbat meer dan een wekelijks ritueel, waarbij de aandacht van de geest wordt
onttrokken aan dagelijkse bekommernissen, om zich te richten naar “God”.
In logion 21 gaf Jezus aan zijn discipelen de waarschuwing mee waakzaam
te zijn ten aanzien van de wereld. Hier gaat hij een stapje verder en heeft hij
het over vasten ten aanzien van de wereld.
Dit vasten is geen tijdgebonden ritueel maar een blijvende ingesteldheid !
Willen we de confrontatie met de leeuw uit logion 7 uit de weg gaan, dan is het
noodzakelijk geen aandacht te besteden aan die waarden, die de wetten van de
leeuw voorstaan. Vasten ten aanzien van
de wereld betekent niet de wereld de rug toe keren maar zich onthouden van elke
betrokkenheid bij de doelstellingen die in het lagere worden voorgehouden.
Aandacht hebben voor een juiste voeding is zeker een zinvolle ingesteldheid.
Zich gedurende een beperkte periode bepaalde leef- en voedingsregels opleggen,
omwille van een “goddelijke” wet, is echter niet zinvol. Wie zich juist voedt
behoeft geen vasten ! Ook hier geldt de wet van harmonie.
Eenzelfde gedachtegang kan gevolgd worden voor de sabbat. Bij de ware
sabbat horen geen regels die door mensen werden verzonnen. De aandacht voor het
hogere kan zich niet beperken tot het wekelijks volgen van een verheffend
ritueel. Zo’n ritueel kan weliswaar
zinvol zijn, als een hulp om een juiste ingesteldheid levendig te houden, maar
niet als een dwingend middel om zich een toegang tot het koninkrijk te
verzekeren. Een gerichtheid één dag op zeven naar God, al was het maar de
duur van een ritueel, kan nooit als compensatie gelden voor een aardse
betrokkenheid gedurende de zes resterende dagen ! Het bewustzijn van een
verbondenheid met een bron van hogere levenswaarden hoort een blijvende
ingesteldheid te zijn. Dit gaat automatisch gepaard met het loslaten van
schijnwaarden uit het lagere. Inhoudelijk zijn het vasten en de sabbat dus niet
van elkaar te scheiden.
Het zien van de vader moet
uiteraard figuurlijk worden begrepen als het zich bewust worden van een verbondenheid met die realiteit,
waarvoor Jezus het beeld van een vader gebruikt. De zintuiglijke ervaringen zien
en horen symboliseren in dit evangelie vrijwel steeds het verwerven van
inzicht.
28
jezus heeft gezegd
midden de wereld ben ik
opgestaan
en in vlees ben ik hen
verschenen
allen heb ik dronken
gevonden
onder hen vond ik
niemand die dorstig was
en in mijn innerlijke
zelf (psychè)
had ik pijn omwille van de mensenkinderen
want blind zijn zij in
hun hart
en zij zien niet dat
zij leeg in de wereld zijn gekomen
en dat zij ook zoeken
leeg de wereld te verlaten
ware het niet dat zij
nu bedronken zijn
wanneer zij hun wijn
zullen hebben uitgebraakt
pas dan zullen zij hun
ingesteldheid veranderen
De vaststelling die
Jezus hier maakt is vernietigend voor zijn medemensen... Wat is de zin van een
bron indien er niemand is die dorstig is ? De mens is zich niet meer bewust
noch van zijn oorsprong, noch van zijn finaliteit. In zijn zelfbewustzijn heeft
hij zich bedronken...
Het fysieke lichaam, dat mij werd toevertrouwd en zovele mogelijkheden
inhoudt, is een waardevolle maar dienende entiteit. Toch beschouw ik mezelf als
de fiere bezitter ervan. Zoals de spelende bengels bezit namen van hun veld, zo
ben ik de hautaine eigenaar van mijn lichaam geworden en leef ik nu in de
illusie de enige meester te zijn van wat ik kan, bezit en vermeen te weten. Ik
ben dronken geworden ! Van de werkelijke bron van mijn mogelijkheden heb ik mij
afgescheiden. Van die illusie zal ook het kind van zeven dagen, dat zich wel
nog leeg in de oorspronkelijke
harmonie met zijn levensbron bevindt, snel het slachtoffer worden. Want dit
behoort zijn nu eenmaal tot de regels van het lagere, waar de leeuw het voor
het zeggen heeft.
Zoals de goede aarde voor het zaad én zijn oorsprong is én zijn
finaliteit, zo zijn beide ook voor de mens één. In het herstel van de eenheid
met zijn bron ligt voor hem zijn finaliteit : zelf bron zijn. De mens heeft te
dienen als een beker. Een beker kan slechts dienen indien hij leeg is. Pas dan kan hij zich laten
vullen door het water uit de bron en, zoals de bron zelf, dienend zijn. Wie tot
een juiste zelfkennis is gekomen, kan de toestand van dronkenschap in zichzelf
erkennen, de wijn uitbraken en opnieuw leeg
worden.
Enkel doorheen een innerlijke zuivering kan een weg van verlossing worden
gegaan. Die weg kan niemand voor een ander gaan, noch Krishna, noch Boeddha en
ook Jezus niet...
29
jezus heeft gezegd
indien het vlees is
geworden door de Geest
is dit een wonder
indien daarentegen de
Geest door het lichaam
is dit het wonder der
wonderen
maar ik ben in
verwondering over dit
hoe die grote rijkdom is
verbleven in die armoede
44
jezus heeft gezegd
wie de vader beledigt
hem zal vergeven worden
en wie de zoon beledigt
hem zal vergeven worden
wie daarentegen de
zuivere Geest beledigt
hem zal niet vergeven
worden
noch op aarde noch in
de hemel
vergelijk: Mt 12, 31-32 - Mc 3, 28-29 -
Lc 12, 10
Voor het eerst
brachten we twee logia samen omdat we in beide kennis maken met een nieuw en
belangrijk begrip : pneuma, de Geest.
Uitzonderlijk gebruiken we hier een hoofdletter om een onderscheid te maken met
de menselijke geest : de leidinggevende inspirator, die we binnenin onszelf
ervaren als een ego-gebonden component. Uit logion 44 blijkt inderdaad hoe
bijzonder de Geest wel is : wie de Geest beledigt begaat een niet te vergeven
fout ! Dit is niet het geval noch voor een belediging van de Vader, noch voor
die van de zoon.
In logion 29 wordt de relatie toegelicht tussen het vlees (sarks in lijn 2) of het lichaam (soma in lijn 4) en de Geest (pneuma), een relatie die we ook terugvinden in de proloog van het
Johannesevangelie: “en het woord (de
geest) is vlees geworden”.
Traditioneel wordt in het christendom het goddelijke voorgesteld als
een drie-eenheid : God de Vader, Christus als zijn enige zoon en de H.Geest, de
goddelijke inspirator van de mens. Zij zijn onderscheiden en toch één. Dit
wordt een mysterie genoemd. Het woord mysterie klinkt als een verbloeming voor
de pretentie die de mens ertoe bracht een structuur voor het goddelijke te
verzinnen. In die structuur wordt de mens Jezus verheven tot een goddelijk
wezen, ondanks het feit dat hij zichzelf nooit expliciet als een zoon van God
kenbaar maakte. Zij die meenden in hem een zoon van God te erkennen - wat die
uitdrukking toen ook mocht betekenen - wees hij overigens met een vermanende
vinger terug. (Lc 4, 41 - Mc 3, 12) Toch werd dit het fatale lot van een mens
die zich van zijn innerlijke verbondenheid met het goddelijke bewust was
geworden. Het goddelijke en het
menselijke hoorden immers gescheiden te blijven...
Het nieuwe inzicht in de drie-eenheid houdt in dat de verbondenheid,
waarvan Jezus getuigt, tot het wezen van iedere mens behoort. Iedere mens is, in een spirituele
verbondenheid, kind van de Vader. Het bewustzijn van die verbondenheid
maakt het verschil uit tussen leven en dood. Maar hoe kan een mens zich bewust
worden verbonden te zijn met “iets”, dat niet door zijn bewustzijn kan gekend
zijn...?
In het scheppingsverhaal, dat verwoord werd in de proloog van het
Johannesevangelie, speelt het “woord” een bijzondere rol. Vóór het begin was
het bij God, in het woord is het leven, het is het licht dat in de schepping
kwam, waardoor de schepping is ontstaan en dat nog steeds in de schepping verblijft. Maar de schepping erkende het
niet. Aan hen, die het ontvangen, geeft het de mogelijkheid kinderen van God te
worden...
Vóór het begin was “niet iets”, noch tijd noch ruimte, enkel leegte :
het niet-manifeste absolute en onberoerde Zijn. In die leegte ligt het totale
potentieel van de gehele schepping besloten. Het “woord” symboliseert de
initiële vibratie. Vibratie veronderstelt tijd, ruimte en energie. Het
verbeeldt de expressie van het
absolute Zijn, de manifestatie van het niet-manifeste, waardoor de ganse
schepping en dus ook de mens geworden is. In het Oosten wordt die initiële
impuls uitgedrukt in de universele mantra “Aum”.
Het woord was niet alleen in het begin, het is er nog steeds, op ieder
ogenblik. Maar de mens erkent het niet.
Toch kan de mens het erkennen, want hij kan ontvankelijk worden voor het
“woord”, het innerlijke licht. In die ervaring ligt het bewustzijn kind van de Vader te zijn.
Het “woord” symboliseert de Geest, de Spiritus. Door de Geest is de
schepping en dus ook de mens geworden. Hij verblijft in de schepping en dus ook
in de mens, voor wie hij kenbaar want te ervaren is. Het absolute in zijn
niet-manifeste aspect, de Vader, is niet kenbaar. Geen woord, geen beeld kan
“het” bevatten. Elke voorstelling ervan behoort tot een virtuele realiteit ! De
Geest is het zichzelf uitdrukkende aspect van de Vader. Daarom is de Geest
wel een te ervaren realiteit. Hij is de spirituele brug, die de mens met zijn
absolute bron verbindt. De mensenzoon is het sluitstuk in de schepping. Wat hij
voortdurend door de Geest ontvangt, heeft hij volgens Zijn wet van harmonie uit
te drukken.
De drie-eenheid is
niet de eigenschap die ooit door de mens aan het goddelijke werd toegekend maar
een
zijnswaarde die binnenin iedere mens
blijvend aanwezig is. Door de Geest kan de mens zich bewust worden van zijn
verbondenheid met zijn absolute levensbron. In het beeld van een bron vindt de
eenheid van Vader en Geest een verhelderende symboliek. Een bron is een leegte
waaruit water te voorschijn komt. De bron is noch de leegte noch het water maar
beide in eenheid verenigd : zonder leegte geen water, zonder water geen bron...
De leegte is niet te ervaren, wel te ervaren is het water... Maar wat is de zin
van een bron indien er niemand is die dorstig is, niemand in wie of door wie
het water tot “leven” kan worden ? Dit nu is de finaliteit van de mens : in
eenheid met de bron dienend zijn zoals de bron zelf dienend is. Dit is het
inzicht in de drie-eenheid dat behoort tot het nieuwe.
De interpretatie van logion 29 is zeker niet eenvoudig. In het licht
van het nieuwe inzicht in de drie-eenheid trachten we de inhoud ervan enigszins
anders te verwoorden :
Indien de Geest de oorsprong is van het vlees, de bezielde mens, is dit
een wonder : het wonder van de schepping van het biologische leven. Indien
echter het lichaam, dat in de duisternis van de onwetendheid verkeert, de
mogelijkheid bezit zich bewust te worden van de Geest, is dit een nog veel
groter wonder...
Het is het wonder van
het biologische leven dat de Geest de oorsprong is van “het vlees”. Het
grootste wonder is evenwel dat het lichaam, de materiële basis van het
bewustzijn, de Geest kan erkennen en hierdoor tot “leven” kan komen. Dit is de
nieuwe geboorte ! Het onderscheid dat hier gemaakt wordt tussen sarks (lijn 2) en soma (lijn 4) is heel subtiel ! Sarks
refereert aan het “bezielde lichaam”, de eenheid van psychè en soma. Wil de
mens zich opnieuw bewust worden van zijn oorspronkelijke verbondenheid, dan
heeft zijn bezielde lichaam leeg te
worden (zie vorig logion). Dit betekent dat de psyche tot stilte, tot rust moet
komen. Wat dan nog rest zijn de niet meer “bezielde” structuren van sarks : soma, het lichaam. Het personeel heeft de burelen verlaten, de deur
werd gesloten, binnenin heerst enkel stilte, rust... Rust is het uitgelezen
middel waardoor de psyche zich kan uitzuiveren. Door die zuivering zal de Geest
zich doorheen de psyche optimaler kunnen reveleren.
De Geest is de grootste rijkdom die ons ter beschikking staat, want de
“drager” van het gehele levenspotentieel. Hij is het water waardoor de bron
erkend kan worden. Het is de Geest die de harmonie in de ganse natuur onderhoudt,
die alle mogelijkheden van lichaam en psyche blijvend ondersteunt, die ook het
licht is dat in zich kennis en inzicht draagt. Toch wordt hij door de mens
miskend. Hierdoor leeft de mens nog steeds in de duisternis van de
gescheidenheid...
wie de Vader beledigt, beledigt “niet iets”, schiet een pijl af in de
leegte...
wie de zoon beledigt, beledigt zichzelf, wat slechts domheid is...
maar wie, door miskenning, de Geest beledigt, miskent dit wat het leven
in zich draagt.
We zijn hier ver
verwijderd van het dualisme van lichaam en geest, dat algemeen als het kenmerk
geldt voor de gnostische visie. Ver verwijderd ook van de dualistische visie
van Paulus, die verkondigde :
Vlees en bloed kunnen niet deel hebben in het koninkrijk van God en het
vergankelijke heeft geen aandeel in de onvergankelijkheid. (1 Kor 15, 50)
30
jezus heeft gezegd
daar waar drie goden
zijn daar zijn ze goden
daar waar er twee zijn
of één ben ik met hem
Wanneer de joden Jezus
in absolute bewoordingen hoorden spreken over “zijn vader”, begrepen zij dat
hij hun God Jaweh bedoelde. Maar zich de zoon van Jaweh noemen kon niet. Dit
was godslastering ! Geen mens kan zich immers beroepen op een directe
goddelijke afkomst. Een misverstand met ernstige gevolgen zoals zou blijken. Over
dit essentiële godsbegrip ondervroegen zij hem dus.
Opnieuw is zijn antwoord verstorend ! Dat drie goden, goden zijn is
zonder meer duidelijk. Maar spreken van twee
of één, waar hij mee verbonden is... Eens te meer worden we hier voor een
raadsel geplaatst. Hoe kan het absolute, gesymboliseerd in het woord God,
worden opgesplitst zodat er twee zijn
? Het absolute kan toch niet deelbaar zijn... En toch...
Wanneer Jezus, om te getuigen van zijn innerlijke verbondenheid met een
absolute Zijnswaarde, het beeld van een vader gebruikt is dit beeld enkelvoudig.
Zo is het ook wanneer hij, zoals in logion 74, gebruik maakt van het beeld van
een bron. Wanneer we echter in een bron de leegte en het water onderscheiden
als symbolen voor de Vader en de Geest (zie commentaar bij vorig logion), is
het beeld niet meer enkelvoudig maar tweevoudig... Geen twee evenwel als een
onmogelijke deelbaarheid van één, maar als twee onderscheiden aspecten van één Zijn : het tijdloze
onberoerde Zijn en het zich uitdrukkende Zijn. In geleerde bewoordingen noemt
men dit het transcendente en immanente aspect van God. Met die werkelijkheid is
Jezus ver-enigd : ik ben met hem.
Zo geeft hij uitdrukking aan zijn bewustzijn van verbondenheid, van
eenheid met een absolute Zijnswaarde. Dit houdt echter niet in dat hij zich met
die Zijnswaarde identificeert ! De
zoon en de vader zijn één maar niet identiek... Ook het kind van zeven dagen
verblijft nog steeds in de eenheid met zijn levensbron... Eenheid en
identificatie zijn twee verschillende begrippen... Jezus verheft zich hier niet
tot een goddelijke status !
Omdat de twee-eenheid van Vader en Geest beschouwd werd als de
oorsprong zelf van het leven, lag het als het ware voor de hand de menselijke
begrippen mannelijk en vrouwelijk op het goddelijke te projecteren. Zo wordt de
Geest - ruah in het hebreeuws is
vrouwelijk - in diverse gnostische geschriften voorgesteld als de Moeder naast
de Vader.
Per definitie is het absolute niet te vatten door het relatieve. We
kunnen dus enkel pogen het te benaderen
met behulp van beelden, waarin ons analytische vermogen opsplitst wat in
werkelijkheid één is. Essentieel bij de interpretatie van een beeldspraak is
zich steeds bewust te zijn van de functie van het beeld als middel. Nooit echter kan het beeld
verward worden met de werkelijkheid die erdoor benaderd wordt.
Zoals
Geest en Vader één zijn, zo is ook het mensenkind één met de bron. Want de
mogelijkheden, die de mens in zichzelf ervaart en die hij zo graag aan zichzelf
toekent, ontvangt hij door de Geest van de Vader. Omdat de schepping bestaat,
bestaat ook de mens en omdat de mens bestaat, bestaat het begrip “God”.
Vooraleer de mens op aarde verscheen, was alles één : het geschapene en het
scheppende, het lagere en het hogere. Door de mens werden beide gescheiden in
natuur en bovennatuur. Het is de zin van de religieuze weg het inzicht in de
originele verbondenheid opnieuw in het bewustzijn te integreren.
31
jezus heeft gezegd
een profeet wordt niet
aanvaard in zijn dorp
een therapeut verzorgt
niet hen die hem kennen
vergelijk: Mt 13, 57-58 - Mc 6, 4-5 - Lc
4, 23-24 - Jn 4, 44
Het is de opdracht van
een profeet een juiste religieuze kennis te brengen omtrent de verbondenheid
van het lagere met het hogere. Van een therapeut is het de taak een verstoorde
lichamelijke of psychische harmonie te herstellen. Jezus is een therapeut in
wie beide opdrachten verenigd zijn. Uit logion 14 blijkt dat dit ook de
opdracht is van zijn discipelen. Zowel vermeende kennis als ziekte of lijden
zijn symptomen van een verstoorde innerlijke harmonie. Zijn kennis is
holistisch, want zij ontspringt uit de eenheid.
Wellicht
is deze uitspraak ingegeven door de eigen ervaring van Jezus. Als jood heeft
hijzelf de begrenzingen van zijn cultuur moeten overstijgen om tot de
religieuze inzichten te komen die nu de zijne zijn. Vertrouwde mensen in dit nieuwe
bewustzijn deelachtig maken is geen eenvoudige opdracht ! Voor vreemde geluiden
hebben we nu eenmaal meer ontzag dan voor vertrouwde stemmen... Ook voor ons
geldt dat Jezus ons zoveel meer nabij is dan Boeddha. Toch zullen zijn
vernieuwende inzichten in dit evangelie op heel wat minder luisterbereidheid
kunnen rekenen dan de weliswaar vaak boeiende woorden van een Dalai Lama...
32
jezus heeft gezegd
een stad die gebouwd
werd op een hoge berg en sterk is
noch kan zij worden
ingenomen
noch kan zij verborgen
blijven
33
jezus heeft gezegd
dit dat je met je oor
zult horen
met het andere oor
schreeuw het uit over de daken
er is toch niemand die
een olielamp aansteekt
en haar onder een struik
plaatst of haar verbergt
maar de lamp wordt op
een staander geplaatst
zodat ieder die
binnenkomt of naar buiten gaat haar licht kan zien
vergelijk: Mt 5, 14-16 - 7, 24-27 en 10,
27 - Lc 6, 47-49 - 8, 16 - 11, 33 - 12, 3 - Mc 4, 21
In beide logia tracht
Jezus, met een niet verdoken enthoesiasme, de waarde van de rijkdom die hij in
zichzelf ervaart beeldend voor te stellen. De kracht die hij uit zijn
innerlijke bron ontvangt vergelijkt hij met een versterkte stad. Elk nieuw
inzicht, dat een mens in zichzelf uit het hogere kan verwerven, ook al is hij
nog ver van zijn einddoel verwijderd, heeft een absolute waarde. Het is een
rijkdom die niet door anderen kan worden ingenomen, tenzij door het eigen
falen. (zie logion 35) Zoals het licht van een lamp kan het ook niet verborgen
blijven, want het draagt in zich een kracht die in staat is duisternis te
verdrijven.
Het beeld van een versterkte stad roept
spontaan de gedachte op aan macht. Ook begrippen als rijkdom en kracht bezitten
die co-notatie. Licht daarentegen
associëren we niet met macht ! Omdat het licht de uitdrukking is van een
absolute wet - een versterkte stad is daarentegen mensenwerk - kan het enkel
dienend zijn en dus nooit een bron zijn van macht, tenzij het door de mens
wordt misbruikt. Zoals het licht, zo hoort elke juiste kennis dienend te zijn.
De vrucht van een dienende kennis is gezag, nooit macht !
34
jezus heeft gezegd
indien een blinde een
andere blinde leidt
vallen zij beiden in
een put
vergelijk: Mt 15, 14 - Lc 6, 19
Zolang een mens geen
kennis heeft van zijn ware natuur, zolang hij in bewustzijn gescheiden blijft
van het licht uit zijn innerlijke bron, verkeert hij in een duisternis die ook
armoede is. Daarom is lijden zijn dagelijkse partner. Het is niet de finaliteit
van de mens te lijden noch in de duisternis te verblijven. Zoals hij beschikt
over twee ogen om naar buiten te zien, zo kan hij ook de aandacht van zijn
geest naar binnen richten en vaststellen dat hieruit een ander licht straalt,
dat niet met twee ogen te ervaren is. De ontvankelijkheid voor dit licht
bepaalt wie blind is en wie niet.
Leiders volgen die in de mening verkeren in de duisternis de weg te
kennen is niet zinvol. Velen denken nochtans de waarheid in pacht te hebben en
voelen zich geroepen om als een lichtbaken te fungeren. Zolang we zelf in de
duisternis verblijven, zijn we niet in staat een onderscheid te maken tussen
een blinde en een ziende ! Wie in zichzelf zijn of haar gerichtheid wijzigt en
het innerlijke licht ervaart, heeft geen behoefte meer aan blinde leiders.
In het evangelie van Fillipus, dat eerder reeds werd aangehaald (zie
logion 21), lezen we deze merkwaardige uitspraak van Jezus. Wanneer de
discipelen hem het verwijt maken meer te houden van Maria Magdalena dan van hen
- want hij kuste haar vaak - antwoordt hij hen : wel, indien een blinde en een ziende samen in de duisternis verblijven,
verschillen zij niet van elkaar. Maar wanneer het licht komt zal de ziende zien
en de blinde in de duisternis blijven...
35
jezus heeft gezegd
het is niet mogelijk
dat iemand met geweld
het huis van een sterke
man binnenvalt
tenzij hij hem de
handen boeit
pas dan zal hij zijn
huis door elkaar halen
vergelijk: Mt 12, 29 - Mc 3, 27 - Lc 11,
21-22
Logion 21 bevatte
reeds een aanmaning tot waakzaamheid. Die waarschuwing herhaalt zich hier. Wat
we uit het hogere kunnen ontvangen heeft weliswaar een absolute waarde, die ons
sterkte geeft, toch blijven we steeds mensen van vlees en bloed. Verleidingen
uit het lagere zijn nooit ver weg, onze zwakheden evenmin. Met beide ogen zien
we zovele schitteringen, die in schijn het innerlijke licht tijdelijk kunnen
overtreffen. Zo laat de sterke zich
door schijnwaarden toch beetnemen, laat hij of zij zich de handen boeien…
De vijand die we het meest te vrezen hebben, die onze verworven
vrijheid opnieuw aan banden kan leggen, onze innerlijke harmonie grondig kan
verstoren, is tenslotte ons eigen ikje en zijn egocentrische verlangens. Wie
aan het lagere gebonden is stelt het juist op prijs die verlangens waar te
maken. Dit betekent pas vrijheid ! Maar wie zoekt zichzelf te dienen verslaaft
zich, want egocentrische verlangens verkeren steeds in de ban van de leeuw en
verlangen daarom steeds meer...
Het behoort tot een natuurlijk proces dat onze verlangens de inhoud van
onze wil inkleuren en zo de gerichtheid van ons handelen bepalen. “Leven zonder
verlangens” als een ideaal beschouwen, berust op een foute inschatting van
oosterse wijsheden. Wat wel tot onze opdracht behoort is de gerichtheid van onze verlangens te
wijzigen. Onze sterkte en onze vrijheid liggen niet in het dominante maar in
het dienende ik... Ook die ommekeer behoort tot het nieuwe. Het leven is geen
“self service”...
36
jezus heeft gezegd
wees niet bezorgd van
de ochtend tot de avond
en van de avond tot de
ochtend
om wat jullie zullen
aantrekken
vergelijk: Mt 6, 25 en volg. - Lc 12, 22
en volg.
Dit logion sluit aan
zowel bij het vorige als bij het volgende. De bezorgdheid om wat we zullen aantrekken, om dit waarmee
we ons in dit leven “bekleden”, is een zinloze bezorgdheid. Uiteraard zijn de
klederen niet letterlijk op te vatten. Zij symboliseren alle relatieve waarden,
waardoor we onszelf in de ogen van anderen belangrijk kunnen maken. IJdelheid,
de bezorgdheid om het eigen imago, is er slechts één van.
Dit logion houdt echter geen veroordeling in van de aandacht die we aan
zovele relatieve waarden kunnen schenken. Zij maken immers deel uit van de
rijkdom, die dit leven aangenaam en mooi kan maken. Hiervan genieten hoort bij
het beleven ! De wet van het leven is evenwel een wet van harmonie en dus van
maat. Van de ochtend tot de avond en van
de avond tot de ochtend is mateloos... Hoe maak ik gebruik van de tijd en
het onderscheidingsvermogen die mij ter beschikking staan ?
37
de discipelen zeiden
welke dag zal je ons
verschijnen en welke dag zullen wij je zien
jezus zei
wanneer jullie zich
hebben ontdaan van jullie schroom
en jullie klederen
hebben genomen
ze aan jullie voeten
hebben neergelegd en vertrappeld
zoals de kleine
kinderen doen
dan zullen jullie de
zoon zien van hem die levend is
en jullie zullen niet
vrezen
Blijkbaar verkeren de
discipelen in de verwachting dat Jezus hen op een dag, nadat hij hen heeft
verlaten, (zie logion 12) opnieuw zal verschijnen. Die hoop is slechts een
illusie (zie volgend logion), zoals ook de messiaanse verwachting een droom is
die deel uitmaakt van een religieus concept, waarin het joodse volk zichzelf
beschouwt als door Jaweh uitverkozen. Met die ijdele gedachte heeft een gans
volk zich bekleed… Ook religieuze voorstellingen, waarin onze onwetendheid werd
verhuld, behoren tot onze klederdracht…
De ommekeer die Jezus zijn discipelen voorhoudt is radicaal.
Schijnwaarden moeten worden ingeruild voor een reële zoektocht naar de zoon van hem die levend is. De term
“mensenzoon” werd in het christelijke geloof voorbehouden voor de Christus. De zoon zien van hem die levend is betekent
niet enkel Jezus erkennen als een bewust geworden mensenkind maar ook en vooral
die potentiële hoedanigheid in zichzelf erkennen. Hiervoor is het evenwel
noodzakelijk dat we, zoals het kind van zeven dagen, innerlijk opnieuw leeg en
dus naakt worden. Ons bewustzijn moet
de weg teruggaan naar de zuiverheid die was in het begin.
De schroom, die ons weerhoudt
onszelf in naaktheid te zien, is onze hoogmoed. Wie zich hiervan heeft ontdaan, die wijn heeft uitgebraakt, die klederen vertrappeld heeft, kan in
zichzelf zijn of haar ware zelf erkennen : het mensenkind dat kind is van hem die levend is. Het verdwaalde kind,
dat de weg naar het vaderhuis heeft teruggevonden en zichzelf opnieuw erkent
als kind van zijn vader, hoeft niet meer
te vrezen. De hereniging heeft slechts een naam : vreugde !
38
jezus heeft gezegd
hoe vaak hebben jullie
er niet naar verlangd
de woorden te horen die
ik jullie zeg
en voor jullie is er
geen ander van wie ze te horen
er zullen dagen komen
waarop jullie mij zullen zoeken
en mij niet zullen
vinden
vergelijk: Lc 17, 22 - Jn 7, 33-34 en 8,
21
Het vorige logion
verduidelijkte de weg van de discipelen : een ontluistering van hun ego, een
ontmanteling van de schijnwaarden waarmee zij zich hebben bekleed... Ook
geloofswaarheden die anderen ons voorhouden hebben slechts een relatieve
waarde. Zij zijn niet in staat twijfels en onzekerheden weg te nemen. Die
kunnen slechts door kennis worden opgelost. Naar die kennis verlangt iedere
mens, ook de discipelen. Maar Jezus spreekt een onverwachte taal ! De kennis
die hij hen voorhoudt behoort niet tot het gebied van het weten maar tot dit van het zijn.
Gnosis is immers een ervaringskennis. De weg van zelfkennis moeten de
discipelen zelf gaan. Die tocht kan niemand in hun plaats volbrengen. Ook hij
niet... Zijn opdracht is te dienen door de richting van de weg aan te geven. Hierin
onderscheidt hij zich van de anderen.
De joden hebben hun hoop gevestigd in een verlossing die komen moet.
Voor de christenen is de verlossing er gekomen door het kruis... Het woord van
Jezus is verstorend : de verlossing ligt
in een weg die jullie, in jullie eenzame zelf moeten gaan... De naam van de weg
is bewustwording. Op die weg moeten jullie niet mij zoeken maar jezelf...
39
jezus heeft gezegd
de farizeeërs en de
schriftgeleerden
hebben de sleutels van
de kennis (gnosis) genomen
en hebben ze verborgen
noch zijn zij zelf
binnengegaan
noch lieten zij toe dat
zij die wilden zouden binnengaan
jullie daarentegen wees
bedachtzaam als de slangen
en zuiver als de duiven
102
jezus heeft gezegd
beklagenswaardig zijn
zij de farizeeërs
want zij gelijken aan
een hond die slaapt in de voerbak van de ossen
want noch eet hijzelf
noch laat hij toe dat de ossen zich voeren
vergelijk: Mt 23, 13 en 10, 16 - Lc 11,
52
Geloofswaarheden die
anderen ons voorhouden hebben slechts een relatieve waarde... Wat Jezus hier
aan de kaak stelt is de houding van die mensen, die in de mening verkeren het
onkenbare te kennen en hierdoor anderen beletten de weg van de ware kennis, de gnosis, te gaan. Het proces dat hij hier
wezenlijk voert is dit van het onderscheid tussen godsdienst, als een geheel van door mensen bedachte waarheden
omtrent God, en gnosis of religie, als een ervaringskennis, waarin
de verbondenheid van het individuele “zelf" met zijn absolute levensbron
zich reveleert.
We kennen inmiddels de veelheid aan godsdiensten, die zich over de
wereld heeft ontwikkeld. De fascinatie voor een absolute macht, die de
natuurlijke grenzen overstijgt, is een universeel menselijk gegeven. Sinds de
mens op aarde verscheen heeft hij zich een kennis van Het Onkenbare toegeëigend
en aan anderen doorgegeven. Zowel het jodendom, het christendom als de islam
hebben hun wortels in het Midden Oosten, want in de hebreeuwse Bijbel. Hun
gemeenschappelijke stamvader is Abraham. Samen delen zij het geloof in een
enige God. Maar ieder van hen verkondigt zijn waarheden omtrent de gescheidenheid tussen de mens en zijn
God. Hiervoor beroepen zij zich op goddelijke revelaties. Die revelaties werden
echter niet eenvormig waargenomen... Elke godsdienst blijft nochtans overtuigd
van zijn eigen goddelijke uitverkiezing. Broederlijke confrontaties in naam van
YHWH, God of Allah hebben in onze geschiedenis bloedige sporen nagelaten en
laten die nog steeds na. Behoeft de menselijke hoogmoed een meer overtuigende
bewijsvoering...?
Er is kennis en onwetendheid, werkelijkheid en verzinsel. Nooit zal
iemand een andere kunnen beletten voor zichzelf zijn of haar onwetendheid met
verzinsels te verhullen. Begrenzing is het kenmerk van het menselijke weten.
Dit in onszelf erkennen is een eerste stap op de weg van zelfkennis. In wat we
denken te weten, in wat we als een waarheid erkennen, zijn we aanvankelijk
totaal van anderen afhankelijk. Willen we religieus volwassen worden dan moeten
we die afhankelijkheid afbouwen. De weg van gnosis is een zelfbevrijdende weg.
Nooit kan het gaan van die weg een aanleiding zijn om een ander in zijn of haar
vrijheid te beperken !
Wie een religieuze kennis aan een ander als dé waarheid voorhoudt,
begaat een fout van hoogmoed en draagt hierin een grote verantwoordelijkheid.
Kennis hoort dienend te zijn, bevrijdend voor een ander. Van zijn gnosis maakte Jezus nooit macht !
De waarschuwing aan het einde van logion 39 geldt zowel naar anderen
toe als naar onszelf : wees bedachtzaam
als de slangen en zuiver als de duiven... Innerlijke zuiverheid is de
voorwaarde om niet in dezelfde fout te vervallen als die waar we ooit zelf het
slachtoffer van werden. De bedachtzaamheid herinnert aan de alertheid van de
attente visser uit logion 8.
40
jezus heeft gezegd
een wijnstok werd
geplant buiten de vader
en gezien hij niet
sterk is
zal hij met de wortel
worden uitgerukt
en zal hij vergaan
vergelijk: Mt 15, 12-13 - Jn 15, 5-6
Elke investering in
het lagere behoort tot het lagere en is dus vergankelijk. Elke kennis is er
relatief en dus begrensd. Ook alles wat buiten ons is en waarvan we een kennis
kunnen verwerven is onderworpen aan de “wet der veranderingen”. Elke menselijke
ervaring is afhankelijk van de toestand van het individuele bewustzijn en ook dit
is voortdurend in evolutie. Voor die
evolutie zijn we ook zelf verantwoordelijk... Want wanneer we de gerichtheid
van onze aandacht wijzigen, niet meer naar buiten maar naar binnen, naar de
stilte binnenin onszelf, die ook leegte is, kan het bewustzijn tot rust komen
en een weg terug gaan naar zijn oorspronkelijke zuiverheid. Kennis die berust
in een zuiver bewustzijn heeft haar wortels in de Vader en is geïnspireerd door
de Geest. Die kennis heeft een absoluut draagvlak.
41
jezus heeft gezegd
aan wie heeft in zijn
hand hem zal gegeven worden
aan wie niet heeft
zelfs het weinige dat
hij heeft
zal uit zijn hand
ontnomen worden
vergelijk Mt 13, 12 en 25, 29 - Lc 8, 18
en 19, 26 - Mc 4, 25
Wat we in de hand hebben is slechts waardevol indien het
een zijnswaarde heeft, indien het de
vrucht is van wat binnen de vader
werd geplant. Elk streven om dit te bereiken wordt erkend. Op die weg heeft
elke stap positieve gevolgen voor onszelf en voor anderen. Ook dit is een niet
onbelangrijk aspect van de wet van karma,
dat door Krishna in de Bhagavad Gita duidelijk wordt onderkend. Wat daarentegen
volgens de wetten van het lagere verworven werd, hoe weinig het ook mag zijn,
zal onherroepelijk worden ontnomen. Dit is een logisch vervolg op het vorige
logion en vindt zijn eenvoudige conclusie in logion 42.
42
Jezus heeft gezegd
jullie wees
voorbijgaand
Dit is het kortste
logion in dit evangelie. Voorbijgaand
zijn betekent niet onverschillig zijn
! Dit leven is een weg die we in een dienende betrokkenheid met anderen te gaan
hebben. Aan aardse en dus tijdelijke verworvenheden hebben we evenwel voorbijgaand te zijn.
In dit leven is het ons gegeven te genieten van de vele rijkdommen die
de natuur ons biedt, andere mensen en culturen te ontdekken en in alle
levensgebieden kennis te verwerven. Vooral is het ons gegeven in harmonie met
mens en natuur te leven en te handelen. Harmonisch handelen betekent handelen
zonder een gebondenheid aan de vruchten van de handeling, zonder de bezorgdheid
iets aan onszelf toe te kennen. Onthecht zijn en vrij blijven is de boodschap.
Dit is het merkteken van de monachos.
In
het begin van deze eeuw ontdekte men dit opschrift boven de grote stadspoort
van de oude stad Fateh pur Sikri, ten zuiden van Delhi, gebouwd door de grote
Mogol Akbar, de rechtvaardige :
Jezus - vrede ruste op hem - heeft gezegd
de wereld is een brug
ga erover maar vestig er je woning niet
Die uitspraak van
Jezus was reeds in de XI° eeuw bekend bij de muzelmaanse schrijver Al-Ghazali.
43
de discipelen zeiden
hem
wie ben je die ons dit
zegt
door dit dat ik jullie
zeg weten jullie niet wie ik ben
maar jullie zijn als de
joden
want zij houden van de
boom en verwerpen zijn vrucht
en zij houden van de
vrucht en verwerpen de boom
Joh 8, 25: “Zij zeiden hem:
wie ben je? Jezus zei hen: eerst wat ik jullie zeg.”
Van Joh
8, 25 zijn verschillende versies in omloop. We volgen de lezing van de
Bijbelschool van Jeruzalem, die doorgaans heel betrouwbaar is.
Blijkbaar was “wie ben je ?” ook voor zijn discipelen
een intrigerende vraag. Wie is die man die, zoals uit andere bronnen blijkt,
zieken geneest, onvoorstelbare dingen doet en vooral een beeldentaal spreekt
die hen in verwarring brengt. Zijn antwoord is duidelijk : dit dat ik jullie zeg. Belangrijker dan zijn daden is de inhoud van
zijn woord. Zijn voornaamste opdracht is het een kennis te brengen die getuigt
van de spirituele verbondenheid die hij in zichzelf ervaart. In dit bewustzijn
wil hij zijn medemensen deelachtig maken. Maar het godsbeeld dat hen wordt
voorgehouden is niet te verzoenen met het beeld van een vader, dat Jezus
gebruikt om zijn innerlijke verbondenheid duidelijk te maken.
Daarom sluit hij dit logion af met een verwijzing naar de
tegenstrijdige houding van de joden. Wat kan de betekenis zijn van de boom waar
de joden van houden, zonder evenwel zijn vruchten te waarderen en wat betekenen
de vruchten die zij wel op prijs stellen maar waarvan zij de boom verwerpen ?
De joden hebben een geloof in een God maar de vruchten van hun geloof
smaken bitter. Jaweh is immers een almachtige en vreesaanjagende God, die het
lot van iedere mens in zijn hand houdt. Willen zij kunnen rekenen op een mild
oordeel, dan moeten zij in dit leven Zijn wet nauwgezet onderhouden, hun
rituelen plichtsbewust volbrengen. Met hun God leven zij in een soort
afhankelijkheid die dwingend is, voortdurend eisen stelt, niet aangenaam te
beleven is. De vruchten van hun geloof smaken inderdaad bitter...
De vruchten waar zij wel van houden zijn die waar iedere mens van houdt
: een leven in harmonie met zichzelf en de anderen. Die vruchten behoren tot de
boom die Jezus “vader” noemt maar niet door de joden wordt erkend. Bij die
vruchten horen geen dwingende wetten of rituelen. De mens, die in zichzelf zijn
verbondenheid met de Vader erkent, ontvangt meteen de vruchten - Zijn harmonische
inspiratie - als een gave uit de bron. Dit reveleert hem het leven in een
steeds toenemende vervulling. Die boom is het die de joden verwerpen, hoewel
ook zij van zijn vruchten houden...
Dit onderstreept nog maar eens dat het zien van een verbondenheid
tussen de boodschap van Jezus en het joodse geloof enkel het gevolg kan zijn
van een misbegrip van zijn woord of, zoals voor Paulus het geval was, van een
miskenning ervan.
44 zie
logion 29
45
jezus heeft gezegd
druiven worden niet
geoogst op doornen
noch worden vijgen
geoogst op distels
zij geven inderdaad
geen vruchten
uit zijn rijkdom geeft
een goed mens het goede
een slecht mens brengt
het kwade voort
uit de verderfelijke
schat die in zijn hart is
en hij spreekt met een
kwade tong
zo brengt hij uit de
overvloed van zijn hart het kwade naar buiten
vergelijk: Mt 7, 15-20 - Lc 6, 43-45
Elke handeling is de
uitdrukking van een ingesteldheid. Het bewustzijn, waarin onze gedachten en
gevoelens ontstaan, bepaalt ook onze ingesteldheid en de keuzen die we maken.
De oorzaak van foute daden, van onjuiste inzichten, van een verkeerde
ingesteldheid, ligt niet in een of andere bron van het kwade maar in de mens
zelf, in de verstoring van zijn bewustzijn. Wie handelt vanuit de duisternis
kan enkel verstoring naar buiten brengen. Licht kan niet ontstaan uit de
duisternis, wel uit een bron van licht. Duisternis heeft geen bron, zij is
enkel afwezigheid van licht. Daarom heeft de duisternis geen macht op het licht
en is strijden tegen de duisternis, tegen het kwade, zinloos. Wie licht
brengt verdrijft spontaan de
duisternis !
Zich de wereld voorstellen als een strijdtoneel tussen de machten van
het goede en het kwade is een voorstelling die weliswaar sterk aanspreekt maar
behoort tot de wereld van de verbeelding. De oorzaak van het kwade toeschrijven
aan een satan kan niet, want hierdoor ontvlucht de mens zijn eigen
verantwoordelijkheid. Die
verantwoordelijkheid is het spontane gevolg van zijn deelachtig zijn in het
koningschap van de Vader.
De bron van het bewustzijn is tevens de bron waaruit het innerlijke
licht straalt. Wie geen aandacht heeft voor een gerichtheid naar die bron
binnenin zichzelf en verkiest zich te richten naar de duisternis buiten, is
zelf verantwoordelijkheid voor de verstoring in de eigen psyche of, zo men
verkiest, in het eigen hart. De vruchten van zijn of haar daden zijn navenant...
46
jezus heeft gezegd
van allen die door een
vrouw werden gebaard
van adam tot johannes
de doper
is niemand meer
verheven dan johannes de doper
zodat zijn ogen niet
zullen gebroken worden
ik heb daarentegen
gezegd
wie onder jullie klein
zal zijn zal het koninkrijk kennen
en meer verheven zijn
dan johannes
vergelijk: Mt 11, 11 en Lc 7, 28
De verwijzing naar het
kleine kind behoeft geen commentaar meer. Opmerkelijk hier is de erkenning van
Johannes de doper als de meest verhevene. Wie is die man ? Uit evangelische
getuigenissen kennen we hem als een originele woestijnprediker, die de komst
van het koninkrijk aankondigde en ooit Jezus zou hebben gedoopt. Hij is tot een
juist inzicht gekomen, want het zien kan hem niet meer worden ontnomen. Hierdoor overstijgt hij alle bekende
figuren uit het Oude Testament... Toch heeft ook hij het eindpunt nog niet
bereikt, want nog niet klein geworden...
Eens
te meer blijkt hoe Jezus afstand neemt van hen, die hem in de joodse religieuze
geschiedenis zijn voorgegaan. In het Johannesevangelie brandmerkt hij hen zelfs
als “rovers en dieven”. (Joh 10, 8)
47
jezus heeft gezegd
het is niet mogelijk
dat een man twee paarden bestijgt
of twee bogen spant
en het is niet mogelijk
dat een dienaar twee meesters dient
want hij zal de ene
eren en de andere beledigen
nooit zal een man oude
wijn drinken
zonder meteen te
verlangen de nieuwe wijn te drinken
en men doet geen nieuwe
wijn in oude zakken
omdat er barsten zouden
ontstaan
en oude wijn doet men
niet in een nieuwe zak opdat hij niet zou bederven
men naait geen oude lap
aan een nieuw kleed
want er zou een scheur
ontstaan
vergelijk: Mt 6, 24 en 9, 16-17 - Mc 2,
21-22 - Lc 16, 13 en 5, 36-39
In het eerste gedeelte
van dit logion wordt duidelijk gemaakt dat we voor een keuze worden geplaatst,
waar geen compromissen bijhoren. Het maken van keuzen is inherent aan onze
vrijheid en behoort tot onze dagelijkse bekommernis. In het gebied van het
lagere is kiezen voor een compromis vaak de beste keuze. Hier gaat het echter
om een essentiële keuze, die de gerichtheid van het leven bepaalt. Naar wie of
wat heb ik mijn leven te richten ? Voor wie of wat heb ik hier te dienen ?
Mensen die een religieuze keuze hebben gemaakt en er naar streven de
“wil van God” in dit leven te volbrengen verdienen zeker alle respect. Maar wat
betekent het volbrengen van de “wil van God” ? Is dit het volgen van morele
gedragsregels, die door een religieus gezag werden vastgelegd ? Hoe
verschillend is de “wil” van Allah van die van Jaweh, van de God der
katholieken, protestanten of orthodoxen ? Welke God verbiedt het gebruik van
condomen en welke niet...? Welke God staat het priesterschap voor vrouwen in de
weg...? Zolang mensen bepalen wat de wil is van God, hebben we keuzen in
overvloed...
De projectie van een menselijke
eigenschap - de wil - op een absolute Zijnswaarde is een zinloze oefening ! Dit, dat Jezus
“vader” noemt, dat hij ervaart als zijn innerlijke inspiratiebron, is niet te
verzoenen noch met het beeld van Jaweh, noch met dit van “God de Vader”, zoals het
ons in het christelijke geloof wordt voorgehouden. De keuze, waar Jezus in dit
logion iedere gelovige mee confronteert, is even radicaal als ingrijpend ! Dit
hoort nu eenmaal bij de weg waartoe hij ons uitnodigt en die een uitdaging is
voor de persoonlijke vrijheid én verantwoordelijkheid van iedere mens.
Het tweede deel van dit logion komt ons bekend voor. De wijnliefhebber
heeft evenwel oog te hebben voor een verschillende wijncultuur. Het bewaren van
wijn in landelijke streken was toen immers geen eenvoudige opgave. Daarom was
de nieuwe wijn “het van het” ! Verder is het opvallend dat zich, in de drie
synoptische evangeliën, eenzelfde merkwaardige afwijking heeft voorgedaan. In
dit logion is inderdaad sprake van het zinloze herstel van een nieuw kleed met
een oude lap. Dit lijkt de evidentie zelf ! In de synoptische evangeliën gaat
het eigenaardig genoeg om het herstel van een oud kleed met een nieuw stuk
stof, dat niet zou kunnen... Vraag maar eens aan oma wat zij (of haar mama)
deed toen de knie van een broek of de elleboog van een vest versleten waren.
Jawel, zij naaide er een nieuw stuk in...
Belangrijker nochtans is de symboliek in het beeld te achterhalen. Wat
betekenen het nieuwe kleed en de oude lap, de nieuwe en de oude wijn, de nieuwe
en de oude zakken ? Het nieuwe, waar het in de boodschap van Jezus om gaat, is
het inzicht in de innerlijke verbondenheid van iedere mens met zijn absolute
levensbron, hier en nu, in dit leven. Die verbondenheid is universeel, want zij
kan behoren tot de persoonlijke ervaring van iedere mens en overstijgt hierdoor
elke religieuze beeldvorming. Ofwel
verwerven we dit inzicht in het nieuwe en behoeven we niets meer van het oude,
ofwel verblijven we in het oude. Twee meesters dienen, de God van het oude en
de Vader van het nieuwe, kan niet !
Toch werd de God van het oude ook die van een nieuwe godsdienst, die verschillend
was van de joodse... We kunnen nu trachten te begrijpen hoe dit nieuwe geloof zich
toen heeft kunnen vestigen. Het ligt voor de hand dat de enige overlevingskans voor
een nieuw geloof erin bestond zich te grondvesten in het voorvaderlijke geloof
en dus in het Oude Testament. De religieuze leiders van toen beschouwden echter
de prediking van Jezus als onverzoenbaar met dit voorvaderlijke geloof... En toen
verscheen Paulus ten tonele...
Als farizeïsche jood en, naar eigen bewering, de vurigste onder de
vervolgers van de volgelingen van Jezus, kon Paulus niet onwetend zijn geweest
omtrent het verderfelijke karakter van diens prediking. Desalniettemin zou hij,
na de spectaculaire gebeurtenissen op de weg naar Damascus en zijn plotselinge
bekering, in de gekruisigde en verrezen
Jezus, de door de joden verwachte Messias erkennen... ! Dit belette echter niet
dat de boodschap van Jezus bleef wat zij was : een doorn in het oog van vele
joden en ook van Paulus. Zijn genie bestond er echter in zijn evangelie te
substitueren aan dit van Jezus, dat tenslotte overbodig was want : onze gedachte is de gedachte van Christus...
Dit poneerde hij, zonder enige valse
bescheidenheid overigens, in zijn eerste brief aan de korinthiërs... (2. 16)
Het evangelie dat Paulus predikte was het zijne, niet dat van Jezus !
Zijn erkenning van Jezus als de Christos
- dit is de Griekse vertaling van het hebreeuwse Mashiah - had bovendien twee merkwaardige gevolgen. Enerzijds werd
de verzoening van Jezus met het voorvaderlijke geloof een feit en anderzijds onderging
Paulus de banbliksems van zijn eigen joodse geloof. Een nieuwe godsdienst, die berustte op het theologische concept
van Paulus en niet op het evangelie van Jezus, was geboren...
48
jezus heeft gezegd
indien twee vrede
sluiten in dit ene huis
zullen zij zeggen tot
de berg verwijder je
en hij zal zich
verwijderen
vergelijk; Mt 17, 20 - 21, 21 - 18, 19 Lc 17, 6
Mc 11, 22-23
Twee hebben dus vrede
te sluiten en opnieuw één te zijn. In dit
ene huis kan refereren aan het lichaam waarin we dit leven te volbrengen
hebben. Het kan ook verwijzen naar het vaderhuis waarin we allen genodigd zijn
om “thuis te komen”.
In
dit leven ervaren we alles in termen van dualisme, oordelen we ook zo graag
volgens normen van goed en kwaad. Zo zijn nu eenmaal de regels in het lagere.
De mens heeft zichzelf wetten aangemeten, zijn eigenwijsheid geponeerd en
hierdoor de absolute waardeschaal in verwarring gebracht. Door de wet van
harmonie te miskennen heeft hij zich afgescheiden van zijn inspiratiebron. Wat
één was werd gescheiden, werd twee...
De
noodzakelijke terugweg ligt voor de hand : van twee opnieuw één maken, hier en nu.
Wie z’n vergissing inziet kan de weg naar de oorspronkelijke eenheid teruggaan,
de weg die ooit de verloren zoon ging. Hierdoor kan hij of zij zich opnieuw
bewust worden deel te hebben in het gezag van de Vader, in Zijn wet van
harmonie. Zijn inspiratie werkt zoals het licht : zij verdrijft de duisternis,
is in staat elke verstoring ongedaan te maken, elke hindernis weg te vlakken,
zoals het beeld van de berg duidelijk maakt.
Terloops mag ook dit duidelijk zijn : het is niet het “geloof” in wie
of wat dan ook dat in staat is bergen te verzetten... Zoals godsdiensten in hun
geloof de ware zin van de religieuze
eenheid hebben miskend, zo hebben zij niet alleen geen bergen verzet maar
onder de mensen diepe kloven geslagen.
49
jezus heeft gezegd
gelukkig zij die monachos zijn en werden uitgekozen
want jullie zullen het
koninkrijk ontdekken
omdat jullie uit hem
zijn voortgekomen zullen jullie opnieuw daarheen gaan
De voorwaarde om onze
finaliteit in dit leven waar te maken, om deel te hebben in het koningschap, is
de weg van de monachos te gaan. De
betekenis van monachos werd reeds
toegelicht in de inleiding en bij logion 16. Wie tot een spirituele
volwassenheid wil komen moet zich uit verslavende banden met het lagere
bevrijden. Misleidende en dwingende “waarden”, ook religieuze, moeten worden
losgelaten om in onthechting een
verlossende weg te gaan. Zekerheid biedende “waarheden”, die door mensen worden
aangeboden, zijn waardeloos. Het waardevolle is door ieder voor en in zichzelf
te ontdekken. Loslaten, om op zoek te gaan naar een inzicht en een ervaring die
bevrijdend zijn, dit is de uitdaging van het nieuwe.
De finaliteit van de weg is in bewustzijn thuis
te komen in de bron waaruit we zijn ontstaan. Zoals het zaad, om zijn
finaliteit waar te maken zichzelf moet loslaten in de eenheid met de goede
aarde die ook zijn oorsprong is, zo is het bewustzijn van de monachos de noodzakelijke voorwaarde om
de eenheid met de bron opnieuw te ervaren. De uitverkiezing is het voorrecht van de monachos.
50
jezus heeft gezegd
indien zij jullie
zeggen vanwaar zijn jullie gekomen
zeg hen wij zijn
gekomen uit het licht
daar waar het licht is
ontstaan
uit zichzelf heeft het
zich opgericht
en is het verschenen in
hun beeld
indien zij jullie
zeggen wie zijn jullie
zeg wij {zijn} zijn kinderen
en de uitverkorenen van
de vader de levende
indien zij jullie
ondervragen
wat is het teken van
jullie vader die in jullie is
zeg hen het is een
beweging met een rust
In dit evangelie is
dit één van de meest indringende uitspraken. Dit logion is als het ware een minischeppingsverhaal,
vergelijkbaar met de proloog van het Johannesevangelie, waarin de symboliek van
het woord wordt overgenomen en verduidelijkt door die van het licht. Het
inzicht in de volledige toedracht van de in dit logion voorgehouden kennis
vraagt tijd en bezinning : “dat hij (of
zij) die zoekt niet ophoudt te zoeken...”.
Het
licht is een rijk en universeel gebruikt symbool. Het ligt immers niet alleen
aan de oorsprong van het vermogen te zien, het regelt ook de ritmen van dag en
nacht, van activiteit en rust, van de seizoenen. Het zorgt bovendien en voor warmte
en voor zuurstof. Zonder het licht is leven op aarde gewoon ondenkbaar. Daarom
is het, als een leven onderhoudende energie, het uitgelezen symbool voor de werking
van de Geest.
De
meest aansprekende eigenschap van het licht is ongetwijfeld zichtbaarheid te
brengen. Symbolisch betekent zien : inzicht en dus kennis verwerven. Toch is
het licht zelf niet zichtbaar ! Beelden reveleren zich slechts doorheen een harmonisch
samenspel van licht en materie… Een filmprojectie heeft een scherm nodig om het
beeld, dat in het licht is, zichtbaar te maken.
Wat is nu het teken waardoor het kind
van de vader, de levende, dat in zich het licht draagt en uit te stralen
heeft, herkenbaar is ? Het is een getuigenis van harmonie, de basiswet waardoor
het leven zich reveleert. In haar uitdrukking betekent harmonie : evenwicht,
maat. Het essentiële ritme in de schepping is beweging en rust, handelen en niet-handelen, dag en nacht, zomer en
winter. Die wet van maat is het die de ganse natuur stuurt en ondersteunt, die
de eenheid achter het dualisme reveleert, de ordelijkheid achter de schijnbare
chaos. Enkel in de totale vervulling van de eenheid, in het bewustzijn van de monachos, zijn beweging en rust,
handelen en niet-handelen, één... (zie verder logion 83)
In het Johannesevangelie (13, 35) formuleert Jezus het herkenningsteken
van zijn discipelen als : indien jullie
elkaar liefhebben. Hier is het teken : het
is een beweging met een rust. Hoe zijn beide uitspraken met elkaar te
verzoenen ? Zoals intelligentie de vrucht is van harmonie in het denken, zo is
liefde de vrucht van harmonie in de gevoelens... Deel hebben in Zijn wet van
harmonie is daarom de noodzakelijke voorwaarde om de ware liefde tot
uitdrukking te brengen.
51
zijn discipelen vroegen
hem
welke dag zal er rust
zijn voor hen die dood zijn
en welke dag komt de
nieuwe wereld
hij zei hen
dit waar jullie naar
uitzien is gekomen
maar jullie erkennen dit
niet
52
zijn discipelen zeiden
hem
vierentwintig profeten
hebben in israël gesproken
en allen hebben zij
door jouw hart gesproken
hij zei hen
aan hem die levend voor
jullie staat zijn jullie voorbijgegaan
en jullie hebben
gesproken over hen die dood zijn
Bij de beide vragen
van zijn discipelen komt Jezus tot eenzelfde bittere vaststelling : daar waar
kennis hoort te zijn is nog steeds onwetendheid. Nog maar eens is hier het oude
en de verwachting die het heeft opgeroepen aan de orde en blijkt het hoe
spiritueel onvolwassen de discipelen nog zijn... Nog steeds hebben zij niet
begrepen dat de realiteit van het koninkrijk in potentie aanwezig is, dat die
realiteit van een innerlijke orde is en niets te maken heeft met een
apocalyptisch gebeuren, waarvan de schriften de verwachting hebben opgeroepen.
Ook voor ons geldt dat het gebed : “Uw rijk
kome...” niet zo zinvol is. Want het rijk van de Vader is er ! Zijn gezag ís gevestigd en staat ons dienend ter
beschikking... Niets hoeven we nog te vragen want alles wordt ons aangeboden.
Allen zijn we op ieder ogenblik genodigd tot de bruiloft, het feestmaal van de
eenheid, tot het deel hebben in het koningschap van de Vader. Dit bewustzijn
verklaart de afwijzende houding van Jezus ten aanzien van het vragende gebed
van de joden, dat ook het gebed van de christenen zou worden.
Voor de discipelen, die nog steeds in het oude
verblijven, betekent de boodschap van Jezus : die van alle profeten samen. Zijn
antwoord is onverbloemd : jullie zijn niet in staat het onderscheid te maken
tussen hem die levend voor jullie staat
en zij die dood zijn...
Het is begrijpelijk dat deze logia geen sporen
hebben nagelaten in de kanonische geschriften. Enkel Johannes heeft in 10, 8
een parallelle uitspraak : “allen, die
vóór mij zijn gekomen, zijn rovers en dieven...” Merkwaardig is dat Augustinus wel kennis
blijkt te hebben van logion 52. In “Contra
adversarium legis et prophetarum” XI. 4.14 lezen we : “Wanneer de apostelen... aan de Heer vroegen wat zij te denken hadden
omtrent de profeten van de joden... antwoordde hij : hij die levend voor jullie
staat hebben jullie verworpen, en wij praten over doden !”
53
zijn discipelen zeiden
hem
is de besnijdenis
nuttig of niet
hij zei hen
zo zij nuttig was zou
hun vader hen besneden uit hun moeder laten geboren worden
maar het is in de geest
dat de ware besnijdenis haar totale waarde gevonden heeft
Opnieuw is een joods
ritueel in opspraak : de besnijdenis. Het antwoord van Jezus aan zijn
discipelen is even duidelijk als vanzelfsprekend : aan een dergelijk ritueel valt
geen religieuze betekenis toe te kennen. Wat de Vader voorzien heeft behoeft
geen bijstelling door een menselijke hand... Belangrijker evenwel is de
transpositie van de rituele handeling naar de geest. Echte waarden hebben met
de geest, niet met de penis te maken...
In logion 27 werd het vasten verduidelijkt als
een vasten ten aanzien van de wereld.
Dit begrepen we, niet als een vlucht uit de werkelijkheid, wel als een
aanbeveling tot onthechting aan die normen en waarden die in het lagere
overheersen. Het object van het vasten is het
gebied van het handelen. De besnijdenis is een ritueel waarbij een heel
concrete daad van onthechting centraal
staat. De transpositie ervan naar de geest maakt van dit ritueel een innerlijk gebeuren en situeert de zin
ervan in het gebied van het niet-handelen.
Handelen en niet-handelen zijn intiem met
elkaar verbonden, want elke handeling ontspringt uit een rust. Doorheen onze
psyche manifesteert zich de geest, pneuma,
als een leidinggevende energie, die de keuze van onze handelingen bepaalt.
Doorheen een rustige en dus een meer harmonische psyche zal de handeling zoveel
meer kans maken harmonisch te zijn. De besnijdenis
in de geest betekent een mentale ommekeer, een metanoia, waarbij de geest zich onthecht
aan zijn gerichtheid naar het handelen en zich richt naar de rust van zijn
innerlijke bron.
In Mt
6, 6 heeft Jezus deze merkwaardige uitspraak :
Maar jij, wanneer je bidt, ga binnen in je kamer en, nadat je de deur
gesloten hebt, bid de Vader die in het verborgene is en de Vader, die in het
verborgene ziet, zal je teruggeven.
Ook hier volgen we de
vertaling van de Bijbelschool van Jeruzalem. De Griekse tekst vermeldt
inderdaad : bid de vader die in het
verborgene is en dus niet : bid in
het verborgen tot de vader...
Opnieuw hebben we met een beeldspraak te maken.
De kamer, waarvan we de deur moeten sluiten, is onze binnenkamer, daar waar het
bewustzijn gevestigd is. Willen we ons richten naar de Vader, de bron waaruit
we ontvangen, dan is het nodig de aandacht van het bewustzijn af te sluiten
van, te onthechten aan het gebied
waarin het de handelingen dicteert : de
deur moet gesloten worden. Dit is de toestand waarin het bewustzijn,
bevrijd van elke betrokkenheid bij de buitenwereld, tot een intense en bewuste rust kan komen en hierdoor optimaal ontvankelijk wordt voor
de gaven van de Geest. Dit is ook de finaliteit van het ware gebed : een gerichtheid naar de gevende Vader, die
zelf in het verborgene is. Voor ons
bewustzijn is de Vader niet toegankelijk... De Vader ziet maar wij kunnen hem niet kennen ! In een gerichtheid naar de Vader maken we ons evenwel ontvankelijk voor
wat Hij ons te bieden heeft.
Het is een elementaire natuurwet dat elke
toestand van toenemende rust, van lagere energie, steeds een toestand van
toenemende orde, van juistere harmonie induceert. Wat in die intense en bewuste rust ontvangen wordt is een harmonie herstellende impuls, waardoor het centrale zenuwstelsel,
de fysiologische basis van het bewustzijn, telkens iets meer van zijn
oorspronkelijke zuiverheid kan terugvinden. Vanuit een meer ordelijk bewustzijn
zullen zowel de gedachten, de gevoelens, als de handelingen die hierbij
aansluiten, juister en dus harmonischer zijn. Dit is de weg waarlangs de Geest
en Zijn natuurwet zich in en doorheen de mens manifesteert. Ook hier horen
wetenschap en religie samen.
Uit de oosterse tradities leren we dat meditatie de basis is van elke
persoonlijke evolutie. Het doel van meditatie is de aandacht of de gerichtheid
van het bewustzijn tijdelijk te onthechten aan het gebied waarin het
voortdurend bij de handeling betrokken is, om zo tot een bewuste rust te komen. De betrokkenheid van onze geest bij de
buitenwereld is echter zo hecht, zo dwangmatig geworden, dat het loslaten van
die gerichtheid, hoe natuurlijk het ook mag zijn, blijkbaar niet meer of zelden
nog tot onze spontane mogelijkheden behoort. Daarom zijn we nu genoodzaakt onze
toevlucht te nemen tot een hulpmiddel om een toestand van bewuste rust in het
bewustzijn opnieuw mogelijk te maken.
Er bestaan heel wat technieken die tot een
meditatieve rust kunnen leiden. Gebruik maken van een mantra is wellicht de
meest verspreide. Een mantra is een klank, uitgedrukt in een woord zonder inhoud, die repetitief in
de geest wordt opgeroepen. De aandacht van de geest wordt als het ware
opgevangen in een inhoudsloze klank.
Dit is een weg waarlangs een fysiologische toestand van intense en toch bewuste
rust kan worden geïnduceerd.
Ook in het Westen kennen we het gebruik van een
dergelijke techniek. Gregoriaanse gezangen, litanieën met het steeds herhaalde
“bid voor ons”, het bidden van “de paternoster”, het zijn allen middelen die
kunnen leiden tot een toestand van meditatieve rust, op voorwaarde evenwel geen
aandacht te schenken aan de inhoud van de woorden. In de gedachteloosheid van een meditatieve stilte is er geen “ik” meer,
enkel een “zijn” waarin ontvangen wordt. In die rust lost het ik-bewustzijn
zich als het ware op in een universeel bewustzijn. De regendruppel gaat
spontaan de weg terug naar de oceaan, zijn natuurlijke moeder. Die rust is de
noodzakelijke component die leidt tot het herstel van het oorspronkelijke
evenwicht in het basisritme van beweging
en rust (zie logion 50).
De sabbat en het ware gebed hebben beide met
een gerichtheid naar de Vader te maken, niet met een onmogelijke communicatie met
de Vader ! Het is een gerichtheid naar de leegte binnenin onszelf, waarin we
zelf leeg worden. Om die toestand te bereiken is een besnijdenis in de geest de noodzakelijke voorwaarde.
54