Het evangelie volgens Thomas is één van de 52 koptische handschriften
die in 1945 werden ontdekt in de Egyptische woestijn nabij Nag Hammadi en
bestaat uit een verzameling uitspraken, die Jezus zou hebben gedaan. Het reveleert
ons vandaag een andere dimensie in de getuigenis van de man, die twintig eeuwen
terug in Palestina voor enige religieuze beroering zorgde. Want ooit werd hij door
een aantal van zijn volgelingen uitgeroepen tot de door hen verwachte Messias,
zelfs tot de “zoon van God”, welke betekenis ook er toen aan die uitdrukking
mocht worden toegekend.
De geschiedenis van het ontstaan van het christendom, in het spoor van de
prediking van een zekere Jezus, bijgenaamd de nazaraios, van de betekenis die aan zijn kruisdood werd toegekend
en vooral van het geloof in zijn verrijzenis, behoort nog steeds en ondanks een
indrukwekkende literatuur tot de mistige gebieden van onze geschiedenis. In de
officiële geschiedschrijving is hij nauwelijks bekend. De in het Nieuwe
Testament meest prominent aanwezige getuige, de jood Paulus, heeft aan de
inhoud van zijn boodschap zo goed als geen aandacht geschonken. Enkel de
evangeliën houden een belangrijke informatie in. Maar zij vertegenwoordigen
slechts een selecte keuze, die pas tegen het einde van de vierde eeuw officieel
werd erkend, op grond van een welbepaalde interpretatie van de prediking van
Jezus. Die geschriften hebben overigens, in de loop van hun opeenvolgende
redacties en transcripties, duidelijk de invloed ondergaan van een pauliniaanse
visie. Door geschriften van “kerkvaders” weten we dat er andere volgelingen
waren, die een totaal verschillend begrip hadden van de kennis waarvan hij
getuigde. De vondst van Nag Hammadi bevestigt nu het bestaan van een onvermoede
diversiteit aan inzichten, waartoe zijn prediking toen aanleiding heeft gegeven.
Door
een nuchtere waarnemer is vrij eenvoudig vast te stellen dat zijn prediking duidelijk
niet in de lijn lag van het traditionele joodse geloof. Zij was er zelfs zó
onverzoenbaar mee dat de religieuze leiders, verenigd in het Sanhedrin,
besloten hem op de meest radicale wijze het zwijgen op te leggen. De vrijheid
van meningsuiting, die hij aan zichzelf had toegekend, bekocht Jezus met een
kruisdood. Op zich was dit toen overigens geen spraakmakende gebeurtenis.
Wanneer we de evangeliën naslaan, blijkt echter dat zijn optreden er wel wordt
voorgesteld als geïntegreerd in het joodse geloof en het Oude Testament. Hij
zou zelfs de in die schriften verwachte Messias zijn, wat voor de orthodoxe joden
totaal onaanvaardbaar was. Wat
dissonantie was is consonantie geworden...
Het bijzondere in de getuigenis van zijn discipel Thomas is, dat hij een
groot aantal uitspraken van Jezus weergeeft, die ook in de kanonische
evangeliën aanwezig zijn. Toch vinden we in dit evangelie de Jezus terug die
het niet eens is met de inzichten van het joodse geloof en zijn rituelen.
Hierin overstijgen zijn religieuze inzichten inderdaad de begrenzingen van de
bijbelse geschiedenis. Het nieuwe waar hij voor staat heeft geen uitstaans met
het oude. Het is de nieuwe wijn die niet thuis hoort in oude zakken, het nieuwe
kleed dat geen verstelling behoeft met een oude lap, geen boodschap heeft aan
een joodse besnijdenis. In het bewustzijn
van een innerlijke verbondenheid met een absolute zijnswaarde - een
verbondenheid waarvoor hij het beeld van een zoon-vader relatie gebruikte -
heeft hij als mens de ware bevrijding gevonden. Die verbondenheid erkende
hij bovendien in iedere mens. Zijn betrachting zou het zijn geweest zijn
broeders en zusters hiervan bewust te maken.
Het
probleem, waar de ontdekking van dit evangelie ons vandaag mee confronteert en
dat door de Kerk als te verstorend wordt genegeerd, is de vraag naar de juiste
interpretatie van zijn religieuze getuigenis. Dat die vraag zich stelt twintig
eeuwen na zijn prediking, maakt het antwoord zeker niet eenvoudiger... De
culturele kloof die ons op vandaag van de werkelijkheid van toen scheidt is
nauwelijks te overzien ! Godsdiensten behoren ook niet langer meer tot het
domein van God maar tot dit van een zó betwistbare en cultuurgebonden menselijke
“godskennis”. Onze benadering van zijn onderricht kan daarom niet anders dan grondig
verschillend zijn van die van zijn toehoorders toen in Palestina. In de mate nochtans
dat zijn getuigenis, zoals die van Boeddha, van Krishna en anderen nog, getuigt
van een universeel religieus bewustzijn,
kan dit echter geen belemmering inhouden om op vandaag te trachten de diepere
betekenis van zijn religieuze boodschap te doorgronden.
Het evangelie volgens Thomas biedt ons nu de gelegenheid de twintig
eeuwen oude boodschap van Jezus te benaderen vanuit de vrijheid van een
universeel religieus bewustzijn. In dit bewustzijn worden de begrenzingen
overstegen, die godsdiensten aan zichzelf en hun gelovigen hebben opgelegd.
Religie komt van het latijnse woord religare,
dat verbinden betekent. In religie gaat het dus om een verbondenheid. In een traditionele
optiek zou de betekenis ervan kunnen zijn : de verbondenheid van mensen die
eenzelfde geloof in goden of in een unieke God belijden. Vanuit een universeel religieus
bewustzijn definiëren we religie als : de
individuele verbondenheid van iedere mens met een absolute zijnswaarde.
De werkelijkheid waarin we leven noemen we relatief, omdat alles met alles verbonden is, alles voortdurend in
evolutie ook, afhankelijk van begrippen als tijd, ruimte, energie, materie. Het
religieuze bewustzijn houdt het inzicht in dat er aan de oorsprong van die
werkelijkheid een oorzaak is, een “Zijn”, dat niet afhankelijk is van die
relatieve begrippen. Die oorzaak, gesymboliseerd in het woord God, noemen we daarom absoluut. Dit houdt in dat de mens,
vanuit zijn relatieve denkwereld, het absolute niet kan bevatten, niet kan
kennen. Ook in de joodse Bijbel wordt Jaweh, de God van de joden, de Onkenbare
genoemd.
Omdat het onbekende steeds een bron van angst betekent, heeft de mens
sinds mensengeheugenis gepoogd zich een kennis van het Onkenbare toe te eigenen.
Hiervoor deed hij beroep op zijn verbeelding : het Onkenbare werd “ingebeeld”. Van
die inbeelding werd de oorsprong toegeschreven aan een directe “goddelijke”
revelatie of openbaring. Aan het beeld werden verwachtingen verbonden, geboden,
verboden en rituelen. Zo zijn godsdiensten ontstaan.
Het is evenwel de innerlijke
tragiek van godsdiensten dat zij, in hun streven naar een toenadering tot God, naar een
godskennis, die absolute zijnswaarde voor de hier en nu levende mens zo goed
als ontoegankelijk hebben gemaakt.
Dit evangelie wordt gnostisch genoemd.
Gnosis is het Griekse woord voor kennis. Een correcte definitie verzinnen
voor wat onder gnostisch kan worden
begrepen is geen eenvoudige opgave ! Het gnostische karakter van de meeste in
Nag Hammadi ontdekte geschriften is overigens erg verschillend van dit in het
evangelie volgens Thomas. We stellen daarom volgende definitie van gnosis voor :
gnosis is niet de onmogelijke kennis van
God maar een ervaringskennis, die berust in het bewustzijn in dit leven
met een absolute zijnswaarde verbonden te zijn.
Dit bewustzijn is universeel want toegankelijk voor iedere mens, waar of
wanneer ook ter wereld. Gezien elke kennis echter afhankelijk is van de
toestand van het individuele bewustzijn, kan gnosis nooit als een waarheid aan
een ander worden voorgehouden. Ware gnosis is een dienende en dus bevrijdende kennis. Dit is het gemeenschappelijke merkteken
in getuigenissen als die van Krishna in de Bhagavad Gita, van Boeddha en ook
van Jezus in dit evangelie.
Gnosis is dus de vrucht van een religieus bewustzijn en houdt het
inzicht in dat de mens een aan tijd en materie gebonden uitdrukking is van een
tijdloos “Zijn”, waarin de oorzaak berust van alle mogelijkheden die hij in
zichzelf ervaart. De mogelijkheid te denken, te voelen, zintuiglijk waar te nemen
en autonoom te handelen ontvangen we voortdurend uit “iets” dat, zoals een
bron, blijvend gevend is. Het bewustzijn
met “dit” verbonden te zijn behoeft echter geen kennis van de bron zelf. De
erkentelijkheid voor een geschenk is niet afhankelijk van een kennis van de
schenker...!
Hoewel het absolute “in se” niet kenbaar is, toch is dit, dat door het absolute
wordt uitgedrukt, wel kenbaar. Die kennis van het relatieve, van de “wereld der
verschijnselen”, noemen we wetenschap. Elke juiste kennis, in welk levensgebied
ook, kan of mag niet onverenigbaar zijn met een andere juiste kennis. Een
correcte kennis van mens en natuur kan dus niet onverzoenbaar zijn met een
juist religieus inzicht. Wel moeten we ons voortdurend bewust zijn van de
begrenzing van ieder menselijk weten...
De uitdrukking van het niet-manifeste Zijn in een manifeste
werkelijkheid heeft haar wet... De kernfysica leert ons inderdaad dat, vanuit
een leegte, ook fysisch vacuüm genoemd, zich op ieder ogenblik energetische
vibraties manifesteren die materie scheppend zijn. Zo ontstaan eerst elementaire
deeltjes, die harmoniëren tot atomen, die zelf onderling harmoniëren en
moleculen vormen. Die moleculen harmoniëren op hun beurt tot de opbouw van
steeds grotere eenheden, van celletjes tenslotte. Zo ontwikkelt zich het leven,
vanuit een leegte, in een voortdurend
samenspel van energie en materie, van opbouw en afbraak. De unieke wet aan de
basis van dit creatieve gebeuren is harmonie.
Leegte is waardeloos, want afwezigheid van iets. Een leegte waarin het
gehele levenspotentieel besloten ligt is een wonder dat ons begripsvermogen
overstijgt... Met die leegte is nochtans iedere mens verbonden, want in haar
heeft ieder atoom van zijn lichaam zijn bedding. Dit betekent ook dat ieder atoom
of celletje spontaan luistert naar een wet van harmonie... In
het bewustzijn van een integratie in een absolute wet, waaraan we ons
bestaan te danken hebben, ligt tevens de revelatie van onze finaliteit als mens
: wat we door een creatieve harmonie
ontvangen, hebben we, zoals de ganse natuur, in harmonie uit te drukken.
Harmonie in denken is intelligentie, het vermogen kennis te verwerven.
Harmonie in voelen is liefde, het vermogen goed te zijn. Kennis is slechts zinvol indien zij dient, liefde slechts zinvol indien
zij gegeven wordt... Beide samen zijn noodzakelijk om juist te handelen. In
een rust, de stilte van de leegte binnenin zichzelf, kan iedere mens een inspiratie ontvangen om beide, onderscheidingsvermogen
en liefde, harmonisch te beleven en uit te drukken. Die ervaring reveleert hem een
absolute zijnswaarde waar ieder individueel leven mee verbonden is.
Ooit is het echter misgelopen, omdat de mens zijn integratie in een
absolute wet heeft miskend. In het bijbelse verhaal van de zondeval heeft Adam
- de mens - verleid door zijn eigen weten - de slang - de vrucht van de boom
van kennis - het gezag dat enkel aan “de Schepper” toebehoorde - aan zichzelf toegekend.
Gezag is de harmonische vrucht van
kennis. Van gezag heeft hij macht gemaakt. Hierdoor heeft hij zijn verbondenheid
met de wet van harmonie verbroken. Dit was en is nog steeds zijn zonde van
hoogmoed : wat één was en één hoorde te
blijven heeft de mens gescheiden. Voor de verstoringen, die hiervan het gevolg
zijn, is alleen hij verantwoordelijk. Zijn opdracht is het nu de eenheid, die
was in het begin, opnieuw te herstellen.
Het dualisme, waarin we nu de uitdrukking van het leven ervaren, vindt
zijn oorsprong in een verstoring van het individuele bewustzijn. Zo ervaren we
goed en kwaad, harmonie en disharmonie, licht en duisternis. Maar licht heeft
een bron, duisternis niet... Duisternis is slechts afwezigheid van licht, zoals disharmonie afwezigheid is van
harmonie en onwetendheid afwezigheid is
van kennis... De oorzaak van het niet “zien”, het niet ervaren, het niet bewust
zijn, ligt uitsluitend bij de mens zelf. Strijden
tegen de afwezigheid van iets, van het goede, het harmonische, is zinloos...
Wie licht brengt verdrijft spontaan de duisternis. In het bewustzijn met
een absolute zijnswaarde verbonden te
zijn, de bron van de mogelijkheden die we in onszelf ervaren in haar wet te
erkennen, ligt tevens onze verantwoordelijkheid voor een positieve evolutie in
dit leven.
Wat verbonden is, is één. De kerngedachte in het evangelie volgens Thomas is eenheid. Omdat onze verbondenheid met
een absolute zijnswaarde van een spirituele
orde is - zij is slechts te ervaren doorheen een inspiratie die ontvangen wordt - is zij ook zo moeilijk in woorden
uit te drukken. Om van die verbondenheid te getuigen deed Jezus daarom beroep
op beelden. Maar een beeld is slechts een middel
om een werkelijkheid te benaderen. Nooit kan het middel verward worden met het
doel, kan het beeld verward worden met de werkelijkheid zelf. Het beeld van de zoon-vader relatie, waarin
Jezus zijn innerlijke verbondenheid visualiseerde, werd echter niet als een
beeld erkend maar voor werkelijk aanzien... Hij beschouwde zich dus als een
zoon van God, zo werd het beeld begrepen... Die verwarring bekocht hij met een
kruisiging. Het zal daarom voor iedere toehoorder van dit evangelie een
uitdaging zijn de in het beeld verborgen kennis juist te
interpreteren en tot de essentie van het begrip eenheid door te dringen.
Het lijkt wel een
ongeschreven wet dat belangrijke ontdekkingen met toeval te maken hebben. Met
de vondst, die Mohammad Ali al Samman en zijn broeders in december 1945 nabij
Nag Hammadi in Boven Egypte te beurt viel, was het niet anders. In het gebied
van de Jabal al Tarif, een ruwe bergstreek bezaaid met grotten en holen, waren
zij op zoek naar een bijzondere soort aarde om hun akkers vruchtbaarder te
maken. Terwijl hun houwelen de grond omwoelden stootten zij op een oude kruik.
Na enige aarzeling - er kon wel eens een jinn of kwade geest in verscholen
zitten - besloten zij de kruik te openen. Wat zij erin ontdekten was, voor hen
althans, erg teleurstellend: geen kostbare schat maar een aantal oude
manuscripten, geschreven in het koptische schrift en ingepakt in dertien
lederen omslagen. Terug thuis gekomen gooiden zij hun vondst bij het stro naast
de oven. Een deel ervan zou zelfs gebruikt zijn om het vuur aan te steken.
Het vervolg van dit
verhaal bevat alle ingrediënten voor een klassieke thriller, waarin bloedwraak,
maffiapraktijken, zwarte handel en gerechtelijke processen de toegang tot de
inhoud van die uitzonderlijke archeologische vondst voor langere tijd zouden
beletten. Ook de hebzucht van sommige geleerden, die in deze ontdekking een
opportuniteit zagen om hun eigen faam behoorlijk wat op te krikken, vertraagde
aanzienlijk het onderzoek en kenbaar maken van deze geschriften.
Korte tijd na hun
vondst wreekten de broeders de dood van hun vader en vermoordden zij Ahmed
Ismaïl. Vrij snel werd hun bloedwraak bij de politie bekend. Uit vrees dat bij
onderzoek de boeken zouden worden ontdekt, werden zij toevertrouwd aan een
priester uit een nabijgelegen dorp. Benieuwd naar wat de waarde ervan zou zijn,
vertrouwde de man één van de boeken toe aan een vriend, die ermee naar Cairo
trok. Zo belandde een eerste van de dertien codices,
zoals zo’n boeken worden genoemd, op de zwarte markt. Andere zouden volgen.
Want de beruchte éénogige Baj Ali, een lokale maffioso, had in Nag Hammadi de
hand kunnen leggen op een groot deel van de overige boeken en ze doorverkocht
aan een antiquair in Cairo. Een niet onbelangrijk deel van een codex kwam zo
ook in het bezit van Albert Eid, een Belgische antiquair, die zich in de
Egyptische hoofdstad gevestigd had.
Al spoedig trok die
handel de aandacht van de politie, want de waarde van de ontdekking was
inmiddels tot de Egyptische overheid doorgedrongen. Reeds in 1947 had de Franse
egyptoloog Jean Doresse enkele door de staat gerecupereerde koptische
handschriften kunnen onderzoeken. Zijn besluit was indrukwekkend. Doresse
stelde noch min noch meer dat deze ontdekking een nieuwe wending zou betekenen
in het onderzoek naar de oorsprong van het christendom.
Inmiddels had
antiquair Tano, die de codices van Baj Ali had gekocht, deze doorverkocht aan
een Italiaanse verzamelaar. Na een jarenlang proces kwamen zij uiteindelijk in
het bezit van de Egyptische staat. Albert Eid wist nochtans zijn manuscripten
uit Egypte te smokkelen en bood ze te koop aan in de Verenigde Staten. De vrees
voor inbeslagname door de Egyptische regering belette echter elke transactie.
Uiteindelijk belandden zij in de geborgenheid van een Belgische kluis.
De Nederlandse
professor Gilles Quispel, die de wetenschappelijke waarde van de te koop
aangeboden papyrusbladen vermoedde maar onwetend was omtrent de illegaliteit
ervan, zette het Jung Instituut in Zürich aan zich dit manuscript aan te
schaffen. Via een tussenpersoon in een Brussels café en een pak Zwitserse
franken slaagde Quispel er in alle onschuld in een vijftigtal papyrusbladen
naar Zwitserland te smokkelen. Een hele poos later, nadat hij tot de bevinding
was gekomen dat één van de teksten onvolledig was, begaf hij zich naar het
koptische museum in Cairo. Daar ontdekte hij de ontbrekende bladen. Zijn
verbijstering was totaal toen hij de aanhef ervan las : “dit zijn de verborgen woorden die jezus de levende gesproken heeft en
die judas didymos thomas heeft neergeschreven”. Dit was de aanhef van het evangelie volgens Thomas, één van de
tweeënvijftig teksten die uit de kruik van Nag Hammadi in de openbaarheid zijn
gekomen.
Door allerhande
belangenspelletjes van geleerden duurde het nog tot 1977 vooraleer een eerste
volledige publicatie in het Engels het daglicht zag in de Verenigde Staten.
Inmiddels was duidelijk geworden dat de kruik van Nag Hammadi een soort
bibliotheek bevatte van een gnostische gemeenschap. Tot nog toe was het bestaan
van het gnosticisme ons vooral bekend door traktaten van kerkvaders die deze
ketterij bestreden. De studie van de koptische geschriften zou een meer dan
verhelderend licht moeten werpen op het belang van die belevingsvorm in het
vroege christendom.
De oorsprong van de
manuscripten kon vrij nauwkeurig worden gesitueerd rond de helft van de vierde
eeuw, de periode waarin door de Kerk een definitieve selectie werd gemaakt van
de door haar erkende “boeken”, die nu deel uitmaken van het Nieuwe Testament.
De oudste codices van de kerkelijke kanon, o.m. de Codex Sinaïticus en de Codex
Vaticanus, geschreven in de Griekse taal, dateren eveneens uit dezelfde
periode. Het was ook in die tijd dat een machtsbevestiging van de katholieke
Kerk mogelijk werd door de erkenning die zij kreeg van de romeinse keizer
Constantinus. Dit betekende meteen een zweepslag voor de bestrijding van alles
wat niet tot de zuivere leer behoorde. Zo gebeurde het dat monniken van een
gnostische gemeenschap de getuigenissen van hun geloof in een kruik opborgen en
op een onherbergzame plek in de heuvels in veiligheid brachten. Pas zestien
eeuwen later zou hun testimonium opnieuw voor de mensheid toegankelijk worden.
Omtrent de datering
van het Evangelie volgens Thomas zijn, zoals te verwachten viel, de meningen
verdeeld. De auteurs van de “Synopse des quatre Évangiles” van de “École
Biblique de Jérusalem”, het meest gezag hebbend instituut voor bijbelstudie
binnen de katholieke Kerk, beschouwen dit evangelie als voortijdig aan de
redactie van de kanonische evangeliën. Helmut Koester van de Harvard University
situeert de oorsprong ervan rond het jaar 50. In die vroege datering wordt hij
door een aantal collega’s gevolgd o.m. door Ron Cameron, S.L. Davis en C.W.
Hedrick. Een niet onbelangrijke indicatie is de vaststelling dat Paulus in zijn
eerste brief aan de korinthiërs quasi letterlijk logion 17 uit dit evangelie
aanhaalt, een citaat dat hij evenwel laat voorafgaan door de woorden : “zoals geschreven is”. De levende Jezus
en diens evangelie wou Paulus immers niet kennen. Er was dus minstens één
uitspraak van Jezus, die niet in de overige evangeliën vermeld wordt, gekend in
het midden van de eerste eeuw. Overigens is het allerminst een uitgemaakte zaak
of de kanonische evangeliën, althans in de vorm waarin we ze nu kennen, een
eeuw later reeds waren voltooid. Tot na het midden van de tweede eeuw is er
inderdaad geen enkel citaat uit een evangelie bekend, waaraan de naam van een
evangelist expliciet verbonden werd.
Is
dit evangelie nu de meest originele en dus authentieke getuige van woorden die
ooit door Jezus zouden zijn gesproken ? Op die vraag zal de wetenschap ons
wellicht nooit een sluitend antwoord kunnen geven. Het onderzoek naar de Dode
Zee rollen bracht aan het licht hoe krampachtig, laat staan vijandig, de
relatie tussen geloof en wetenschap kan zijn bij de ontdekking van nieuwe geschriften.
Omdat het traditionele geloof een geruststellende zekerheid inhoudt omtrent een
tijdloze toekomst na dit leven en dus een oplossing biedt voor existentiële
angsten, voelen heel wat gelovigen zich geborgen binnen de veilige muren van
hun geloof. Die geborgenheid heeft voor hen ook een heel bijzondere waarde. Het
draagvlak van het geloof berust nochtans niet op rationele gronden maar op een
gevoelsmatige benadering van een bovennatuurlijke werkelijkheid. Daarom ook
kunnen rationele bespiegelingen hierop nauwelijks vat hebben. Dit maakt van de
ontmoeting tussen geloof en wetenschap een heel problematische aangelegenheid.
In Jezus ligt de getuigenis besloten dat een juist religieus inzicht
nooit aanleiding kan geven tot macht... Daarom kunnen we ook niet om de bedenking
heen hoe de machtspolitiek, die door
de Kerk eeuwenlang gehuldigd werd, te verzoenen is met de ingesteldheid waarvan
Jezus zelf getuigde. Is de Kerk, in haar drang naar zelfbevestiging, niet veel
meer Paulus gevolgd dan Jezus...? Waren de gnostische christenen niet veel
nauwer verbonden met de levende Jezus
dan Paulus ooit is geweest of wou zijn...? De uitklaring van het belang van de
gnostische beleving in de eerste eeuwen kan ongetwijfeld bijdragen tot een
vernieuwd inzicht in het ontstaansproces van het christendom. Nooit echter zal
de wetenschap in staat zijn een antwoord te formuleren op de vraag naar de ware
toedracht van de religieuze getuigenis van Jezus.
Elke uitspraak of logion van dit evangelie voorzagen we van
een hopelijk verhelderend commentaar. De bedoeling ervan is niet een zoveelste
religieuze “waarheid” te poneren maar de zoektocht naar de niet conventionele
inhoud in de boodschap van Jezus voor ieder die het wenst iets meer
toegankelijk te maken. Interpreteren behoort echter tot de vrijheid van ieder
individueel bewustzijn. Daarom ook kan een interpretatie nooit als een waarheid
aan een ander worden voorgesteld, laat staan worden voorgehouden. In een
religieuze context behoort de waarheid overigens tot het pretentieuze
menselijke weten, tot het venijn van de paradijselijke slang... Daarom ook belet
zij zo vaak elke zinvolle communicatie tussen religieuze gemeenschappen.
Vrijheid is de noodzakelijke
basis voor elke menselijke kennis. Vanuit die vrijheid benaderen we Jezus als
een mens die, zoals de Boeddha en zovele anderen, ooit getuigenis aflegde van
zijn religieuze bewustzijn. Die gebeurtenis gaf aanleiding tot het ontstaan van
een nieuw “geloof”. We zijn er ons wel van bewust dat het in vraag stellen van een
interpretatie van zijn getuigenis, waaruit het christelijke geloof is ontstaan,
bij heel wat gelovigen gevoelig ligt. Voor die gevoeligheid hebben we niet
alleen begrip maar ook respect. Vrijheid impliceert echter ook verantwoordelijkheid,
want kennis is slechts zinvol indien zij
dienend ter beschikking wordt gesteld. Hoe met kennis wordt omgegaan
behoort tot de persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid van iedere mens.
Een bevrijde
religieuze kennis berust niet in een cultuurgebonden traditie maar in de vrijheid van een universeel religieus
bewustzijn. In het zoeken naar een antwoord op levensvragen staat iedere
mens in een eenzame naaktheid tegenover zichzelf. Overtuigingen van anderen
zijn ons van geen nut... Toch kan elke bevrijde kennis ook voor een ander iets
bevrijdend inhouden, een gelegenheid zijn om een straaltje licht te zien waar
zoveel duisternis is, een beetje vertrouwen te ervaren waar zoveel wanhoop
is...
Voor elke toehoorder
van de boodschap in dit evangelie, gelovig of niet, zal het dus een uitdaging zijn
eigen inzichten of overtuigingen even opzij te schuiven en open minded, zonder
vooringenomenheid, te luisteren en op zoek te gaan naar de diepere betekenis in
de religieuze getuigenis van een medemens. De basisvraag, waar we allen in dit
leven mee te maken hebben, is niet in de eerste plaats wie of wat God zou kunnen
zijn maar wel : wie ben ik, mens in deze wereld, wat is de zin van mijn
bestaan, wat mijn finaliteit...?
In verband met de
voorgestelde commentaar nog deze opmerking. In de loop van de 114 uitspraken of
logia komen dezelfde thema’s bij
herhaling aan bod. De essentie van de boodschap is te vatten in een paar
“radicale” inzichten. Hiervan worden ook regelmatig nevenaspecten belicht. Het
is daarom moeilijk te vermijden met de commentaar in herhaling te vervallen. We
zijn er echter bewust vanuit gegaan dat een dergelijke getuigenis een
gelegenheid tot bezinning kan betekenen, waarbij de lezer zich tot één of
enkele logia kan beperken.
...wordt wel eens en
vaak terecht beweerd. De overdracht van een religieuze kennis heeft steeds en
in elke cultuur aanleiding gegeven tot een vervorming of een ontaarding van de
initiële boodschap. Dit lot werd ook de boodschap van Jezus niet bespaard. Nog
steeds is het een realistische vraag hoe zijn getuigenis door discipelen werd
begrepen, hoe de schrijvers van de evangeliën hiermee zijn omgegaan, welke
interpretatieve manipulaties die geschriften hebben ondergaan in de loop van
hun opeenvolgende redacties... Zelfs bij de vertaling van de Griekse basistekst
naar een moderne taal vertoont de transcriptie te vaak interpretatieve
ingrepen. Aan die werkelijkheid ontsnapt ook deze getuigenis niet...
De taal van dit
evangelie is koptisch en is dus reeds een vertaling. Omtrent de
waarheidsgetrouwheid ervan zullen steeds niet te beantwoorden vragen blijven bestaan.
De vertaling van het koptische origineel naar een moderne taal is weliswaar
specialistenwerk maar kan normaliter vrij secuur gebeuren. Uit diverse
vertalingen die we konden inkijken blijkt nochtans hoe vaak een vertaler de
behoefte vertoont reeds in het vertaalwerk voor zijn lezer de inhoud van de
boodschap iets meer toegankelijk te maken. Soms leidde onbegrip tot een ronduit
foute vertaling. Interpreteren en vertalen zijn twee verschillende oefeningen
die blijkbaar moeilijk van elkaar te scheiden zijn. De vertaling van sommige
woorden plaatste ons inderdaad voor een quasi onmogelijke opgave.
Zo is monachos een sleutelwoord in dit
evangelie. We hebben het bewust
onvertaald gelaten omdat de inhoud ervan niet in één woord is samen te vatten. Monachos is zowel Grieks als koptisch.
De stam ervan is monos, dat één of
alleen betekent. In monachos herkennen
we het woord “monnik” : een persoon die zich van de wereld heeft afgekeerd om
dit te zoeken wat “God” genoemd wordt. Niet het uiterlijke gedragspatroon maar
de innerlijke ingesteldheid is echter bepalend voor het monachos zijn. Het geeft de eigenschap weer van de mens, die een
innerlijke weg is gegaan en tot het bewustzijn is gekomen van een integratie van het individuele “zelf” in
een absolute zijnswaarde, die onderliggend is aan de relatieve werkelijkheid
van deze leefwereld.
Een gerichtheid naar
het innerlijke veronderstelt een zich onthechten
aan de gebondenheid aan uiterlijke waarden. In dit “loslaten” richt de
zoektocht zich niet naar een God maar naar het diepere wezen van het eigen
“zelf”. De ultieme onthechting bestaat erin het zo belangrijke “ikje” en zijn
dominante positie binnen het eigen leven te relativeren tot zijn werkelijke
waarde van dienende transformator van een inspiratie, die uit het hogere - dit
dat binnenin is - kan ontvangen worden. In die bevrijdende ervaring heeft de monachos
de initiële én ultieme realiteit van het eigen wezen erkend. Zowel één,
eenzaam, onthecht als bevrijd, zijn eigenschappen die horen bij monachos.
Een ander vertaalprobleem
stelt zich bij het woord psychè. Nu
erkennen we dit woord als de stam van psychologie. Een vertaling door ziel ligt dus voor de hand. Maar is het
de ziel in “bezieling” of in “zieleroerselen” of daarentegen die in de uitdrukking
: “een mens is een onsterfelijke ziel in een sterfelijk lichaam” ? En wanneer
we hierbij aansluitend ook nog het begrip pneuma,
dat adem maar ook geest betekent,
van een correcte inhoud moeten voorzien, is de klus nog helemaal niet geklaard !
Beide begrippen sluiten bovendien aan bij een lichamelijke realiteit en ook
hiervoor worden twee termen gebruikt: soma
en sarks. Soma refereert aan het lichaam als de materie gebonden component
van de mens. Onder sarks wordt dan
eerder het door de psychè “bezielde”
lichaam bedoeld, naar het beeld : “een mens van vlees en bloed”, zoals ook
Paulus in die betekenis sarks
gebruikte. (1 Kor 15, 50)
De mens is een
psychosomatische entiteit, een combinatie van psychè en soma, die wordt
weergegeven in het woord sarks. De psychè zouden we kunnen omschrijven als
een soort innerlijk reservoir, dat zowel mentale als emotionele inhouden bevat,
die voortkomen uit de aanhoudende wisselwerking tussen het ik en de
buitenwereld en zowel bewust als onbewust werden opgeslagen. Hierdoor bepaalt
de psychè het “innerlijke zelf” van
de mens en geeft zij inhoud aan zijn ego.
De inhoud van pneuma, dat geest of spiritus betekent, trachten te
omschrijven is evenmin een eenvoudige opgave. Zoals een dier beschikking heeft
over een inspiratie die leiding gevend is en die we het instinkt noemen, zo
ontvangt ook de mens een inspiratie om zijn mogelijkheden juist en dus
harmonisch te gebruiken. De bron ervan ligt in het hogere en wordt in een
religieuze optiek de “werking van de Geest” genoemd. Op het persoonlijke vlak
kan de geest beschouwd worden als wat de mens rest van die leiding gevende
inspiratie, nadat zij doorheen de filter van zijn psychè transgresseerde. Door die interferentie wordt de pneuma vooral gekleurd door een
persoonlijke kennis en door ik-gebonden verlangens. Hierdoor wordt de oorsprong
ervan uitsluitend aan het eigen ik toegeschreven. Zo is iedere mens zich bewust
te beschikken over een eigen geest.
Het al dan niet
harmonisch samengaan van deze onderscheiden functies binnenin de mens
resulteert uiteindelijk in wel bepaalde toestand van zijn bewustzijn. Hoe
zuiverder de structuren van het bewustzijn zijn, des te doeltreffender de pneuma zich kan manifesteren en des te
beter de kwaliteit van elke beleving zal zijn : van het denken, het voelen, het
ervaren en het handelen. Met deze verduidelijkingen hopen we misverstanden,
inherent aan een delicate vertaling, te vermijden. We vertaalden dus : psychè door “innerlijk zelf”, pneuma door “geest”, soma door “lichaam” en sarks door “vlees”.
In de evangelische
traditie stelt er zich nog een bijzonder vertaalprobleem, namelijk bij de betekenis
van het Griekse woord basileia. Aansluitend
bij de joodse verwachting werd het vertaald door koninkrijk. De eerste betekenis ervan is echter koningschap en heeft dus te maken met de
koninklijke waardigheid. Door
extensie kan het ook koninkrijk
betekenen. Toch is er een wezenlijk onderscheid tussen beide begrippen. Een
koninkrijk verwijst naar een gebied
waarover een koning heerst, waarover
hij zijn macht uitoefent. Wie tot zijn
koninkrijk behoort moet zijn wetten aanvaarden en kan uiteraard ook genieten
van de voordelen ervan. Het begrip koningschap
legt daarentegen de nadruk op het koninklijke gezag.
De verwarring tussen
gezag en macht is tekenend voor onze menselijke samenleving. Wie een kennis dienend ter beschikking stelt oefent
gezag uit. Dit resulteert in een bevrijdend effect voor een ander. Wie kennis
misbruikt om niet anderen maar zichzelf te dienen, oefent macht uit. Gebruik
van macht begrenst de vrijheid van een ander. Het onderscheid kan uitgedrukt
worden in één woord : hoogmoed. Wie deel
heeft in een gezag heeft een dienende verantwoordelijkheid. Daarom is het de
opdracht van iedere mens zich hier en nu opnieuw bewust te worden van
zijn integratie in een absoluut gezag en,
vanuit die verbondenheid, de mogelijkheden die hij ontvangt dienend uit te drukken.
Op te merken valt dat
een Messias een koning was, niet bekleed met macht maar met een enorme
verantwoordelijkheid, namelijk die van de komst van het Koninkrijk voor te
bereiden. In dit evangelie verwijst de titel van koning overigens niet naar macht maar naar gezag en dus
verantwoordelijkheid. In de betrachting geen interpretatie op te dringen hebben
we bij de vertaling het traditionele koninkrijk behouden. Aan de lezer om, zo
gewenst, de inhoud ervan zelf bij te sturen.
Deze
weergave van het evangelie volgens Thomas berust op een vergelijkende studie
van diverse vertalingen. Als basistekst maakten we vooral gebruik van de Franse
versie van “Évangile selon Thomas” (Collection Metanoia 1979), omdat die
uitgave een kritische woord aan woord vertaling bevat vanuit het koptische
origineel. Daar waar we dachten te moeten bijsturen, omdat we het vermoeden
hadden dat zich transcriptiefouten of een of andere vorm van bezoedeling hadden
voorgedaan, deden we dit in alle helderheid. Vele logia hebben herkenbare
sporen nagelaten in de kanonische evangeliën. Telkens dit het geval is werden
de nodige verwijzingen aangegeven. Zo kan de lezer, indien gewenst, voor
zichzelf uitmaken welke weergave de meest originele zou kunnen zijn.
Tenslotte nog dit :
het koptische origineel is een doorlopende tekst, zonder spatie tussen de
woorden, zonder leestekens noch hoofdletters. Om iets van de oorspronkelijke
sfeer te behouden hebben we daarom leestekens en hoofdletters weggelaten en
enkel de woorden van elkaar gescheiden.
dit zijn de verborgen
woorden
die jezus de levende
gesproken heeft
en die didymos judas
thomas heeft neergeschreven
De aanhef van dit evangelie
maakt meteen de auteur ervan bekend : didymos
judas thomas. De eerste naam is Didymos en betekent “tweeling” in het
Grieks. Judas was toen een veel voorkomende naam. Thomas betekent tweeling in
het aramees. Naar wat die dubbele bijnaam verwijst kan niet met zekerheid
worden bepaald. Misschien had Judas gewoon een tweelingbroer of –zus. Misschien
verwijst die bijnaam wel naar de spirituele verbondenheid waarin hij met Jezus
verenigd was. “Elke volmaakte discipel
zal zijn als zijn meester” is een uitspraak van Jezus in het Lucasevangelie
(Lc 6, 40). Thomas is ons vooral bekend uit het Johannesevangelie, vanwaar hij
de dubieuze reputatie van “ongelovige” te danken heeft. De bijnaam Didymos
wordt hem ook in Joh. 11, 16 en 21, 2 toegekend. In Joh. 14, 22 wordt hij
gewoon Judas genoemd. De naam Judas Thomas komt eveneens voor in diverse
varianten van het Johannesevangelie. (*)
De betekenis van verborgen woorden is voor interpretatie vatbaar. Omdat het een
kennis van een hogere orde betreft, die niet rechtstreeks communiceerbaar is,
verkondigt Jezus zijn inzichten heel vaak bij middel van een beeldspraak. Zijn
kennis ligt verborgen in het beeld.
Aan ieder om de betekenis ervan te ontsluieren. Dit is de meest voor de hand
liggende interpretatie van verborgen woorden.
In de eerste eeuwen van het christendom waren echter een groot aantal
geschriften in omloop, waarvan de inhoud afweek van de leer van de jonge Kerk.
Die getuigenissen, die niet zijn opgenomen in het Nieuwe Testament, werden
“apocrief” genoemd, naar het Griekse woord apocruphos,
dat hier gebruikt wordt en verborgen of geheim betekent.
Een vertaling als “geheime woorden”
vinden we minder passend, omdat hierdoor de indruk kan worden gewekt dat de
verkondigde boodschap een soort esoterische kennis zou bevatten, enkel
toegankelijk voor een ingewijde. De boodschap van Jezus getuigt van een
universele kennis, waar iedere mens toegang kan toe hebben, op voorwaarde
evenwel er zich voor open te stellen. Jezus wordt hier de levende genoemd. De betekenis van de woorden leven en dood heeft
in dit evangelie een ander draagvlak dan wat onder natuurlijk of biologisch
leven en dood wordt begrepen. Het bewustzijn van een verbondenheid tussen het
lagere, het biologische, en het hogere, het spirituele, geeft aan dit leven een
absolute dimensie. Wie tot dit bewustzijn is doorgegroeid is levend geworden. Hiervan is Jezus de levende getuige.
(*) Over de identiteit van Judas Thomas kan
enkel worden gespeculeerd. De naam Judas doet onvermijdelijk terugdenken aan de
“verrader”. In het verhaal van de aankondiging door Jezus van zijn verraad, een
gebeuren waarvan in de evangelische context de zin of de noodzaak overigens
totaal onduidelijk is, worden voor “verraden” twee verschillende Griekse
werkwoorden gebruikt : paradidomai en
prodidomai. Het eerste betekent :
doorgeven, overleveren, zoals een kennis doorgeven. Het tweede heeft de
connotatie iets bekend te maken dat niet hoort bekend gemaakt te worden,
verraden dus. Gezien de verbazende reactie van de apostelen bij het bekend maken
door Jezus dat iemand hem zou “verraden” - “zou
ik het zijn?” (Mt 26,22 - Mc 14,19) - is het niet ondenkbeeldig te
veronderstellen dat Jezus het had over iemand die de opdracht kreeg zijn
boodschap over te leveren. Dit zou ook zijn aansporing tot spoed kunnen
rechtvaardigen. De Judas in kwestie zou dan helemaal geen verrader zijn geweest
maar de uitvoerder van een opdracht. Indien het om Judas Thomas ging zou dit
een erkenning van zijn evangelie inhouden. Wat voor anderen, o.m. de aanhangers
van Johannes, niet te aanvaarden was. Zo werd het scenario van een verraad
bedacht... De apostel Thomas als een verrader beschouwen was echter
uitgesloten. Een andere Judas, de iskariot, werd zo het slachtoffer van een
obscure manipulatie. Vermoedelijk zou die naam zijn afgeleid van sica, een soort dolk die hoorde bij de sicariotes, een naam die verbasterde tot iscariot en verwees naar een
geweldadige groep binnen de zeloten. Door hem als verrader te brandmerken zou
men Jezus tevens afstand hebben laten nemen van die sekte. Het recent ontdekte
evangelie van Judas bevestigt dat de mening aanwezig was dat die Judas zich
niets te verwijten had en zelfs een trouwe vriend van Jezus zou zijn geweest...
Anderzijds weten we uit de evangeliën dat een Judas, zoals Jacobus, een broeder
van Jezus was. De polemiek rond die broederschap is overigens een bekend
gegeven. Gezien het aantal Judassen waar we mogelijks mee te maken hebben,
blijft het dus gissen naar wie in dit verhaal wie zou kunnen zijn...
1
en hij heeft gezegd
wie de interpretatie
van deze woorden vindt zal de dood niet smaken
Joh
8, 51-52: “Voorwaar ik zeg jullie: indien iemand mijn woord in zich bewaart...
nooit
zal hij de dood smaken.”
De uitdaging waar we
voor geplaatst worden is het ontsluieren van de kennis die in de woorden van
Jezus verborgen ligt. De kwaliteit van een interpretatie is rechtstreeks
afhankelijk van de toestand van het bewustzijn : hoe zuiverder het bewustzijn
is, des te juister het inzicht zal zijn. Dit houdt in dat een interpretatie
steeds persoonlijk zal zijn en evoluerend naargelang de evolutie van het eigen
bewustzijn. Daarom ook zal de toegang tot de volledige toedracht van zijn
kennis tijd en bezinning vergen.
De uitdrukking zal de dood niet smaken lijkt vreemd maar is niet alleen bij
Johannes terug te vinden. Noteer
terloops het subtiele onderscheid tussen : de interpretatie vinden en het woord
bewaren... Wie de juiste betekenis van zijn verborgen woorden zal
ont-dekken en zijn kennis in zich zal opnemen, zal leven. Dood is afwezigheid
van leven, zoals duisternis afwezigheid is van licht, onwetendheid afwezigheid
is van kennis. De ervaringskennis, die toen gnosis
genoemd werd (zie introductie), wordt in gnostische middens rechtstreeks
geassocieerd met leven. Toegang hebben tot de gnosis is de voorwaarde om ook toegang te hebben tot het ware
leven. De fysische dood mag dan wel blijven bestaan als het eindpunt van een
biologisch ik, toch zal hij de mens, die is “thuis gekomen” in zijn absolute
innerlijke bron, niet deren.
2
jezus heeft gezegd
dat hij die zoekt niet
ophoudt te zoeken tot hij vindt
en wanneer hij gevonden
heeft zal hij in verwarring zijn
en indien hij in
verwarring is zal hij in verwondering zijn
en hij zal koning zijn
over het al
vergelijk:
Mt 7, 7-8 - Lc 11, 9-10
Wie tot een juiste
interpretatie wil komen, de kennis van zijn woord in zich wil opnemen, moet
zelf een zoekende weg gaan. Dit is een persoonlijke opdracht, waarbij in
oprechtheid eigen waarden en inzichten worden in vraag gesteld, het belang van
het eigen ik en zijn overtuigingen wordt gerelativeerd in het licht van een
nieuwe kennis. Die weg leidt tot een inzicht en een ervaring die aanvankelijk
verstorend zijn, want de hoeksteen van religieuze “zekerheden” ondergravend.
Wie het nieuwe in zich tracht op te nemen komt, zoals Jezus toen, in conflict
met het oude. Verwarring dus. Maar wie het oude kan loslaten en het
conflictuele in alle eerlijkheid kan oplossen, ervaart tenslotte een
bevrijdende verwondering, die berust in het bewustzijn dienend deel te hebben in
het koningschap van de Vader.
Zoals verder nog zal blijken (zie logion 81),
verwijst voor Jezus de titel van koning
vooral naar verantwoordelijkheid en gezag en niet, zoals later het geval zou
zijn, naar heerschappij en macht. Daarom vinden we de vertaling van de laatste
lijn door : en hij zal heersen over het al, niet passend.
3
jezus heeft gezegd
indien zij door wie
jullie worden aangetrokken zeggen
zie het koninkrijk is
in de hemel
dan zullen de vogels
van de hemel jullie vóór zijn
indien zij zeggen het
is in de zee
dan zullen de vissen
jullie vóór zijn
maar het koninkrijk is
binnenin jullie en het is buiten jullie
wanneer jullie jezelf
zullen erkennen
dan zullen jullie
erkend zijn
en jullie zullen weten
dat jullie zijn
de kinderen van de
vader de levende
indien daarentegen
jullie jezelf niet erkennen
dan verblijven jullie
in een armoede
en jullie zijn de
armoede
Lc 17, 21: “De komst van het koninkrijk
van God zal men niet waarnemen, noch zullen zij zeggen: zie het is hier of daar
is het want zie, het koninkrijk van God is binnenin
u.” In het Grieks staat hier namelijk : entos
ùmôn estin.
Hier begint de
confrontatie met het nieuwe ! Zich afhankelijk maken van een kennis van anderen
is niet zinvol. De weg die we te gaan hebben is vóór alles die van de
zelfkennis. Die kennis is niet zozeer een antwoord op de vraag : wat is mijn
eigenheid, hoe functioneer ik mentaal of emotioneel, waarin onderscheid ik mij
van anderen ? De vraag is veeleer: wie ben ik, mens in deze wereld, wat is mijn
opdracht, wat mijn finaliteit ? Wat is de zin van het biologische wonder dat
“mens” heet ?
Niet zonder een zekere ironie maakt Jezus hier zijn inzicht bekend
omtrent de werkelijkheid die verwoord werd in “het koningrijk van God”. De
komst van het koninkrijk, als het herstel van een goddelijke orde op aarde, is
een oude joodse droom. Voor de jood Paulus was de verwachting van die nakende
gebeurtenis zo intens, dat hij de mannen van Korinthië de raad meegaf af te
zien van verdere geslachtsgemeenschap met hun vrouw. Dit zou hen op de nabije
“dag des oordeels” zeker ten goede worden aangerekend ! (1Kor 7, 29) Die droom
werd, mits een grondige aanpassing - nu zou het koninkrijk tot het hiernamaals
behoren - en ondanks de logenstraffing van Jezus in Lc 17, 21, door de
christelijke Kerk overgenomen. Blijkbaar is het gezag van Paulus meer
overtuigend geweest dan dit van Jezus...
De innerlijke beleving van het koninkrijk - het is binnenin jullie - en de
uiterlijke ervaring ervan - en het is
buiten jullie - bevestigen dat dit koninkrijk te maken heeft met een reële
ervaring hier en nu, in dit leven. Zoals de ganse natuur, luistert ook ieder
celletje van ons eigen lichaam naar Zijn wet. Zich bewust worden van die
verbondenheid impliceert de erkenning van een levensbron binnenin zichzelf. Wie
dit zal erkennen zal ook erkend zijn. De bron in zichzelf erkennen, houdt dus
een respons in van de bron zelf : door haar zullen we erkend worden en het
licht ontvangen dat de duisternis van onwetendheid kan wegnemen. Indien we dit
niet erkennen verblijven we in een armoede. Dit is de toestand waarin Jezus
zijn medemensen heeft aangetroffen, een toestand die nog steeds de onze is...
(zie logion 28)
Om het intieme karakter van zijn
verbondenheid met een absolute levensbron voor zijn medemensen duidelijk te
maken, doet Jezus beroep op het beeld van een vader. (zie logion 15) Die
verbondenheid is echter niet uitsluitend voor hemzelf voorbehouden ! Allen zijn
we, in eenzelfde spirituele verbondenheid, kinderen van de vader, de levende. Terloops
kunnen we ook opmerken dat in dit evangelie de hemel niet verwijst naar een goddelijk verblijf maar, zoals de zee, behoort tot de relatieve schepping.
Dit belet nochtans niet dat de hemel, zoals elke relatieve werkelijkheid,
dienstig kan zijn als een symbool dat naar het hogere verwijst.
4
jezus heeft gezegd
in zijn dagen zal de
oude man niet aarzelen
een klein kind van
zeven dagen te ondervragen
naar de plaats van het
leven
en hij zal leven
want vele eersten
zullen zich laatsten maken
en zij zullen één zijn
voor “eersten en laatsten” zie: Mt 19, 30
- Mc 10, 31 - Lc 13, 30
Van deze woorden van
Jezus overleefde in de kanonische evangeliën enkel de voorlaatste regel, in
wanorde weliswaar... Een vreemde ontmoeting overigens, die een oude man en een
kind van zeven dagen verenigt. De eerste heeft een gans leven achter zich, het
laatste zeven dagen slechts. Uiteraard is het getal zeven, dat verwijst naar
het volmaakte, niet toevallig gekozen. Dit kleine kind leeft, onbewust nog van zichzelf, rustig verblijvend in de harmonie
van en met zijn levensbron. Toch is het de katalysator, die het bewustzijn van
de oude man zó beroert, dat hij pas nu de ware toedracht van zijn verbondenheid
inziet.
Ooit is ook hij een kind van zeven dagen
geweest, bevrijd nog van de dwingende eisen van het eigen ik. Nu hij oud
geworden is, zijn leven geleefd heeft, zijn strijd gestreden met zichzelf en de
anderen en hij zich bewust is dat zijn einde stilaan naderbij sluipt, stelt hij
zich vragen. Als een gelovig man heeft hij zijn leven in een gelovige
gemeenschap doorgebracht. Hoewel vrijwel iedereen zich aan de voorschriften van
het geloof hield, was er van enig concrete invloed van God nochtans weinig te
bespeuren geweest. De wereld was er tijdens zijn leven niet echt beter op
geworden. Immers, wanneer het er op aan kwam, was het toch steeds weer ieder
voor zich, was het eigen ik belangrijker dan die beschermheer van boven.
Weliswaar was hij er zich van bewust dat hij van God de mogelijkheden ontvangen
had om het hier waar te maken, maar de verdiensten voor wat hij had bereikt had
hij toch steeds aan zichzelf toegekend.
Wat hij zich tijdens zijn leven verworven had
zou hij weldra moeten achterlaten... “Was het wel de bedoeling van zijn God
geweest dat hij hier voor zichzelf iets zou verwerven ? Waren zijn verlangens
wel in overeenstemming geweest met het plan dat God met hem had ? Had hij niet
moeten leven als een dienaar van de Heer, die hem alles gegeven had, eerder dan
zijn eigen ik als heer te beschouwen ? Had hij zich niet van heer vergist en
zich zo van zijn ware Heer afgescheiden ?”
Misschien waren het wel dergelijke gedachten die de oude man in de
stilte van zijn eenzaamheid tot bezinning hadden gebracht... En toen gebeurde
het dat hij het kleine kind van zeven dagen ontmoette. Als door een plotse
intuïtie verlicht besefte hij dat hij, de eerste,
want de eerstgeborene, in eenzelfde verbondenheid met zijn Heer één is met het
kleine kind, het laatste, want het
laatstgeborene... Immers, de plaats van het leven, de absolute bron
waar het kleine kind nog in verblijft, is ook voor hem de unieke plaats van
waaruit hij zijn dienende opdracht als mens te vervullen heeft.
5
jezus heeft gezegd
erken wat voor je
aangezicht is
en wat verborgen is zal
zich voor jou ontsluieren
er is inderdaad niets verborgen
dat niet zal te voorschijn komen
vergelijk: Mc 4, 22 - Mt 10, 26 - Lc 8,
17 en 12, 2
Dit logion richt onze aandacht op de kennis van
het uiterlijke aspect van het koninkrijk, dit dat door ons waarneembaar is: de
natuur en haar wetten. Die kennis noemen we wetenschap. Ook langs die weg
kunnen we de rijkdom van de bron erkennen. De moderne mens kan zich beroepen op
verfijnde technische middelen om de natuurwetten te doorgronden, de fysiologie
van het leven te begrijpen, de subtiele maar ook zo kwetsbare ecologische
harmonie naar waarde te schatten. Via boeken en filmen hebben we het voorrecht
het wonderlijke in de natuur te kunnen aanschouwen. Of het gaat om de minerale,
de vegetale of de animale wereld, telkens komen we in bewondering voor een levensproces
dat gestuurd wordt door een wet, die niet door een mens kan zijn bedacht. En
toch, hoewel de mogelijkheden waarover de mens beschikt de hoogste uitdrukking
zijn van die wet, is hij en alleen hij in staat de harmonie zowel buiten als
binnenin zichzelf te verstoren... In de mens kan het leven slechts dan tot
vervulling komen, indien ook hij zich laat leiden door de unieke wet van
harmonie.
Uit dit logion kan ook die bijzondere boodschap
worden afgeleid dat een juiste wetenschappelijke kennis niet strijdig kan zijn
met een juist religieus inzicht...
6
zijn discipelen
ondervroegen hem en zeiden
wil je dat we vasten
en op welke manier
zullen we bidden
en zullen we aalmoezen
geven
en welke voedselnormen
zullen we in acht nemen
jezus zei
zeg geen leugens
en wat jullie verwerpen
doe het niet
want vóór het aanschijn
van de hemel wordt alles onthuld
er is immers niets
verborgen dat niet zal te voorschijn komen
en niets dat bedekt is
dat niet zal ontsluierd worden
Het joodse geloof is
de religieuze bakermat van de discipelen. Dit geloof houdt heel wat regels en
rituelen in. Die eerbiedigen is een noodzakelijke voorwaarde om ooit aanspraak
te kunnen maken op een toegang tot het koninkrijk van God. De weg die Jezus
voorhoudt is die van een persoonlijke, innerlijke zoektocht. Bij die weg horen
geen geboden of rituelen. Wie zich bewust is geworden van de bron en haar wet,
behoeft geen menselijke voorschriften ! De inspiratie uit de bron is een unieke
en feilloze gids. Maar ook de mens die de weg gaat blijft een wezen met
tekorten en zwakheden. Zijn voornaamste leidraad is een oprechtheid in woord en daad. Wie juist handelt in het lagere,
handelt in harmonie met het scheppende, het hogere. Wie fout handelt ondergaat
de wet van het hogere. Alles, het goede als het foute, wordt de mens vóór het aanschijn van de hemel - dit
betekent hier en nu - aangerekend. Dit is de wet die in het Oosten de wet van karma genoemd wordt. (zie logion 58)
Rituelen, als symbolische handelingen, kunnen zinvol zijn om een juiste
ingesteldheid in het bewustzijn levendig te houden. Aan opgelegde handelingen,
zoals het geven van aalmoezen of het tijdelijk in acht nemen van bepaalde
voedselnormen, als een middel om voor
zichzelf een toegang tot het koninkrijk te verzekeren, heeft Jezus echter geen
boodschap. Maar, en dit is toch merkwaardig, ook het gebed weerhoudt zijn
aandacht niet...
7
jezus heeft gezegd
gelukkig is de leeuw die
door de mens gegeten wordt
en de leeuw zal mens
zijn
en te misprijzen is de
mens die door de leeuw gegeten wordt
en de leeuw zal mens
zijn
In de mond van Jezus
is dit voor ons een verbijsterende beeldspraak, die vaak werd aangegrepen om
aan te tonen hoe ongehoord extravagant dit evangelie wel is... Toegegeven, de
interpretatie ervan is niet evident. Sommige commentatoren, en niet de minsten,
wijzigden zelfs de volgorde en dus de zin van de woorden om tot een voor hen
zinvolle verklaring te kunnen komen.
Het koninkrijk is geen denkbeeldige realiteit
in het hiernamaals maar de finaliteit van het leven hier en nu... Omtrent de
beleving van dit leven toen en nu nog steeds - blijkbaar is er in twintig
eeuwen weinig veranderd - getuigt Jezus hier nochtans van een buitengewone
realiteitszin.
Dit logion stelt een dubbele confrontatie voor tussen de mens en de
leeuw. Een confrontatie met een weliswaar verschillend verloop, maar die toch
leidt tot eenzelfde conclusie : en de
leeuw zal mens zijn. De leeuw, als heerser in het dierenrijk, kan beschouwd
worden als het symbool voor de heerser in een lagere levensorde, waarin de mens
biologisch leeft maar dood is voor hogere levenswaarden. Het is de finaliteit
van de mens te leven, niet binnen de begrenzing die armoede is of duisternis,
maar door optimaal gebruik te maken van de levensmogelijkheden die hem ter
beschikking staan. Om dit te kunnen waarmaken is het noodzakelijk dat hij zijn
aandacht richt naar de bron waaruit hij ontvangt, naar het hogere binnenin
zichzelf. Blijft hij afgesloten van die bron dan verblijft hij in het gebied
van het lagere, daar waar de leeuw heerst. De wet van de leeuw is de wet van de
sterkste, die de mens steeds weer aanzet de confrontatie met anderen aan te
gaan, hem dwingt zichzelf te bewijzen volgens regels, die door hemzelf werden
bedacht.
Soms hoort men wel eens zeggen: in dit leven zijn er twee soorten
mensen: winnaars en verliezers. De winnaars zijn zij die, in hun confrontatie
met de leeuw, hebben overwonnen. Zij hebben het gemaakt en verkeren in de
illusie macht te bezitten. Maar in werkelijkheid is hun macht totaal
afhankelijk van de wetten van de leeuw, die dollar heet of euro of gewoon
machtswellust. Daarom : gelukkig is de
leeuw, want wie macht bezit is ook zijn slaaf geworden. Doorheen de mens
zal de leeuw heersen : en de leeuw zal
mens zijn. De machtige heerst slechts bij de gratie van de leeuw. Daarom
ook is de mens die macht bezit de meest wreedaardige onder de dieren.
De verliezers daarentegen zijn zij die in hun machtsstrijd met de leeuw
zijn ten onder gegaan. Hen is een nog minder benijdenswaardig lot beschoren,
want machteloos hebben zij de wet van de sterkste te ondergaan. Een totale
afhankelijkheid is hun lot geworden. Daarom : te misprijzen is de mens. Want voor de macht van de leeuw is hij
het voedsel geworden. Zoals een dier in jungle of savanne is niet meer “leven”
maar “overleven” zijn deel. Ook in hem zal het dierlijke overheersen : en de leeuw zal mens zijn.
Wat hebben we hieruit te begrijpen ? Het gebied waarin de mens te
handelen heeft is weliswaar het gebied van de leeuw, maar zijn opdracht is verheven boven iedere confrontatie met de leeuw.
Wie de machtsstrijd met de leeuw aangaat is so wie so een “loser”. Want macht
behoort tot het lagere. Hiertoe kan de mens zich enkel laten verleiden door
zijn hoogmoed. Zich onthouden van elke betrokkenheid bij de doelstellingen van de
leeuw is daarom de boodschap. Wie zoekt zichzelf te bevestigen volgens wetten
van een lagere orde en macht uit te
oefenen, negeert de bron van zijn eigen potentieel en bindt de strijd aan met
de leeuw. Of hij overwint en machtig wordt dan wel verliest en ten onder gaat,
steeds neemt het lagere, de leeuw, bezit van de mens.
Ambitie is een natuurlijke stimulans om de eigen mogelijkheden te
ontwikkelen en tot uitdrukking te brengen. Dat dit gebeurt in een confrontatie
met anderen is kenmerkend voor een tijdelijke levensfase. Hieruit heeft de mens nochtans te ontwaken. Wanneer hij tot het
bewustzijn is gekomen dat alles wat hij kan niet aan zichzelf is toe te
schrijven maar aan een gevende bron binnenin zichzelf, kan hij voor zichzelf
geen machtspositie meer opeisen. (zie ook logion 81 en 110) Hij kan enkel
dankbaar zijn en dienen. Zijn
opdracht is het wat hij ontvangt uit te drukken in harmonie, volgens een wet
die hem niet toebehoort. Die wet behoort niet tot het lagere maar tot het
hogere.
De betekenis die we aan dit logion toekennen sluit aan bij het ahimsa principe waarvan Gandhi en later
ook Martin Luther King getuigden. Gebruik maken van geweld, zowel door een
sterke als door de zwakste, als een uiting van macht of van onmacht, is nooit
de juiste keuze !
8
en hij heeft gezegd
de mens is gelijkend
aan een attente visser
die zijn net had
uitgeworpen in de zee
hij haalde het uit de
zee op gevuld met kleine vissen
onder hen vond hij een
grote uitstekende vis
alle kleine vissen
wierp hij terug in zee
moeiteloos koos hij de
grote vis uit
wie oren heeft om te
horen dat hij hoort
Mt 13, 47-50 “En nog is het rijk der hemelen gelijkend aan een net, dat in de zee geworpen werd en zich
vulde met allerhande zaken. Wanneer het vol was trokken zij het langs de oever
op, gingen zitten en vulden de manden met wat goed was. Het slechte gooiden zij
terug. Zo zal het zijn op het einde van de wereld. Engelen zullen komen en zij
zullen de slechten van de rechtvaardigen scheiden en hen in het laaiend vuur
werpen. Daar zal geween zijn en tandengeknars.”
Thomas met Mattheüs
vergelijken is meer relevant dan honderd commentaren ! “Wie oren heeft...” De aanwezigheid van vissers onder de discipelen
zal aan dit beeld wellicht niet vreemd zijn. Beter dan wie ook waren zij in
staat de waarde van die éne grote vis in te schatten. De man is een attente visser (letterlijk : die er met
zijn hart bij is), die zijn vangst aandachtig onderzoekt vooraleer de veelheid
aan kleine vissen terug in zee te werpen. Zo ontdekte hij die éne grote vis en
aarzelde niet langer.
Tot een juist onderscheidingsvermogen
komen is de boodschap, aandacht hebben voor het meest waardevolle, zich niet
laten afleiden door waarden van een lagere orde. Aan waarden allerhande hebben
we in dit leven geen gebrek, noch aan theorieën of ideologieën van verlichte
zieners of wetenschappers. Een openheid van geest ontwikkelen is belangrijk
maar evenzeer een kritische ingesteldheid om vanuit de eigen levenservaring een
correcte waardeschaal aan te leggen. Wat vergankelijk is heeft de waarde van
het vergankelijke. Die éne uitzonderlijke waarde, waar de zoekende mens naar
uitziet, behoort niet tot het gebied van “hebben” maar tot dit van “zijn”. Een
zijnswaarde heeft een absoluut draagvlak, is universeel en tijdloos, want
gevestigd in de bron zelf van het Zijn.
Wellicht kan ook de vondst van Nag Hammadi gezien worden als een net
vol vissen, waarin het belangrijk is die éne
grote uitstekende vis te onderscheiden...
9
jezus heeft gezegd
zie de zaaier ging uit
hij vulde zijn hand en wierp
sommige vielen op de
weg
vogels kwamen en pikten
ze op
andere vielen op rotsen
en schoten geen wortel
in de aarde
noch richtten zij aren
naar de hemel
en andere vielen op
doornen
zij verstikten het zaad
en de worm at het op
en andere vielen op de
uitgelezen aarde
en zij richtte een
uitstekende vrucht naar de hemel
de opbrengst was zestig
per maat en honderdtwintig per maat
vergelijk: Mt 13, 1-23 - Mc 4, 1-20 - Lc
8, 4-15
Het is de kracht van
het woord van Jezus én de weg én de finaliteit van het leven te vatten in een natuurlijk
beeld dat voor iedereen toegankelijk is. In de drie synoptische evangeliën is
dit zijn eerste parabel. Wie de zin ervan in zijn totaliteit heeft doorzien,
heeft meteen de essentie van zijn boodschap begrepen! Toch blijkt de eenvoud
van het beeld geen waarborg te zijn voor een eenvormig begrip...
In de synoptische evangeliën wordt deze parabel
inderdaad gevolgd door een interpretatieve verduidelijking, die Jezus zou
hebben gegeven, omtrent de betekenis van de zaden die niet in de goede aarde
vallen. Een vrij verwarrende verduidelijking overigens wanneer de verschillende
evangeliën aandachtig met elkaar worden vergeleken. De evangelisten zijn niet
eensgezind in hun interpretatie... Daarom wordt zij door de auteurs van de Bijbelschool
van Jeruzalem afgevoerd als een interpretatie die door aanhangers van de
primitieve Kerk in de mond van Jezus zou zijn gelegd. Overigens hebben we hier
te maken met de kleine vissen uit het vorige logion : zaden die hun finaliteit
niet waarmaken. Het is ook een eeuwenoude twistappel of het nu de goede aarde is
dan wel de zaden die de vruchten voortbrengen... In het licht van dit evangelie
blijkt ook dit een steriele discussie te zijn.
Zoals het noch de zaadcel van het mannelijke is, noch de eicel van het
vrouwelijke die het biologische leven voortbrengt maar de nieuwe eenheid die ontstaat uit hun ver-eniging, zo zijn het noch de zaden noch de goede aarde die de
vruchten voortbrengen. Vanuit hun eenheid
manifesteert zich het leven spontaan !
De wezenlijke vraag, die hier aan de orde is,
is deze : hoe komt de mens tot een leven waarin hij, overeenkomstig zijn
finaliteit, vele vruchten kan voortbrengen waar hijzelf kan van genieten ? Ooit
is het zaad zelf doorheen de vrucht van een plant ontstaan uit de goede aarde.
Wil het zijn finaliteit, dit waarvoor het te dienen heeft, waarmaken dan moet
het teruggaan naar de plaats waar zijn oorsprong was. (zie logion 18) Zolang
het zaad zaad blijft, brengt het geen vruchten voort en dient het dus het
levensproces niet. Wanneer het, in de eenheid met de grond waaruit het zelf is
ontstaan, zijn uiterlijke omhulsel loslaat en dus ophoudt zaad te zijn, wordt
het dienend voor het leven en brengt het vele vruchten voort. Pas dan heeft het
zijn finaliteit waargemaakt.
Zoals in de natuur, kan ook in de mens het nieuwe slechts ontstaan uit
een “ontmanteling” van het oude. Het loslaten van het oude is de voorwaarde om,
uit de eenheid die was in het begin, de plaats waar het kleine kind van zeven
dagen nog in verblijft, het nieuwe te laten ontluiken. We hoeven niet te
treuren bij het verlies van het oude. In het loslaten van de hoogmoed, waarmee we onszelf hebben “bekleed”, van
onze pretentieuze ik-waarden, van een vermeende godskennis ook, ligt hier en nu
de nieuwe geboorte.
Zoals het nirwana voor de
Boeddha, is ook voor Jezus het “deel hebben in het koningschap van de Vader”
geen realiteit die slechts na een fysische dood kan worden bereikt, maar de
vervulling van onze levensopdracht hier en nu! In het licht van dit inzicht
krijgen de woorden van het priesterlijke gebed in Joh 17, 21-23 hun volle
betekenis : “opdat allen één zijn zoals U Vader in mij en ik in U, ...
zodat zij volmaakt zijn in het éne...”
10
jezus heeft gezegd
ik heb een vuur in de
wereld gebracht
en zie ik behoed het tot
het ontvlamt
vergelijk: Lc 12, 49-50
Misschien zijn dit wel
profetische woorden van Jezus. Ongetwijfeld zal hij tot de bevinding zijn
gekomen hoe moeilijk de opdracht voor zijn discipelen was om het nieuwe en
verstorende van zijn kennis - hier gesymboliseerd in het vuur, dat toen ook een
bron was van licht - in zich op te nemen. Meestal was onbegrip hun deel. Het
ontvlammen, het doorstromen van zijn kennis, was blijkbaar nog niet aan de
orde. Zijn vuur zou een waakvlam blijven tot het collectieve bewustzijn van de
mensheid voldoende ontvankelijk zou zijn om het te laten ontbranden.
Wellicht is het niet toevallig dat dit
evangelie pas in de tweede helft van de twintigste eeuw in een nieuwe
openbaarheid is gekomen. Nu de mensheid aan een bevrijdende bewustwording toe is
en dus de openheid heeft te luisteren naar een nieuw geluid, kan het de aanzet
betekenen tot een spiritueel ontwaken.
11
jezus heeft gezegd
deze hemel zal
voorbijgaan
en die erboven zal
voorbijgaan
en zij die dood zijn
leven niet
en zij die levend zijn
zullen niet sterven
de dagen dat jullie
aten wat dood is maakten jullie er iets levend van
wanneer jullie in het
licht zullen zijn wat zullen jullie doen (*)
in de dagen dat jullie
één waren hebben jullie de twee gemaakt
wanneer jullie
daarentegen twee zijn wat zullen jullie doen (*)
vergelijk: Mt 5, 18 - 8, 22 - 24, 34-36 -
Mc 13, 30-32 - Lc 9, 60 - 16, 17 - 21, 32-33
(*) Een
interpretatieve verduidelijking zou erin kunnen bestaan na de eerste van beide
regels aangeduid met (*) een ... ! te plaatsen en na de laatste een ...?.
Het biochemische proces, waardoor we in de
spijsvertering van dode materie iets levend maken, behoort tot een absolute wet
die het biologische leven in stand houdt. Bewust van dood naar leven gaan betekent
een spirituele geboorte, waarbij het
licht van het hogere zich integreert in het lagere. Dit is de weg waarlangs
zich in ieder wezen het bewustzijn van een spirituele eenheid kan herstellen.
In het verhaal van de zondeval ligt de scheiding besloten van één naar twee. In
die scheiding ligt onze spirituele dood. Het beeld van het zaad verduidelijkt
onze opdracht : teruggaan naar de eenheid die was in het begin. Zou de
werkelijke betekenis van de verrijzenis
niet in deze transformatie te zoeken
zijn...? Ruim vóór zijn kruisdood zou Jezus dus, binnenin zichzelf, de
verrijzenis hebben verwezenlijkt...
Zoals reeds in logion 3 bleek is de hemel
niet de verblijfplaats van God, maar overkoepelt hij onze leefwereld. Hierin zijn
we weliswaar biologisch levend maar spiritueel nog steeds dood. Een weg van spirituele
bewustwording gaan betekent : tot het inzicht komen verbonden te zijn met een absolute
bron, die ons alle mogelijkheden biedt en in die verbondenheid onze
verantwoordelijkheid erkennen. Wie zich richt naar die innerlijke bron, haar
licht ontvangt, bevrijdt zichzelf uit de illusie van zijn of haar pretentieuze ik-waarde
en komt tot leven. Een andere hemel zal voortaan dit leven overkoepelen. Niet
meer de wet van dualisme maar die van eenheid zal de basis zijn voor een nieuwe
beleving. Maar ook aan die ervaring komt een einde, want in de eenheid van het
biologische en het spirituele is het biologische tijdgebonden.
Wie verblijft in de duisternis van de
gescheidenheid is nog steeds “dood” en ondergaat de wetten van het lagere. Wie
het licht ontvangt zal tot leven komen en de dood niet smaken...
12
de discipelen zeiden
tot jezus
we weten dat jij ons
zult verlaten
wie zal er groot zijn
over ons
jezus zei hen
daar waar jullie zullen
zijn gekomen
zullen jullie naar
jacobus de rechtvaardige gaan
wat hemel en aarde
aanbelangt komt hem toe
vergelijk: Mt 18, 1 - Mc 9,
33-34 - Lc 21, 32-33
De vertaling van de
laatste lijn is problematisch. Letterlijk staat er namelijk : hij omwille van wie hemel en aarde zijn geweest.
Uiteraard is dit onzinnig. Ofwel hebben we te maken met een transcriptiefout,
ofwel is dit een specifieke uitdrukking die niet letterlijk kan vertaald
worden.
Blijkbaar hebben de discipelen van Jezus
vernomen dat zijn aanwezigheid onder hen slechts van korte duur zal zijn.(*)
Bovendien is uit zijn woorden af te leiden dat hij, op het ogenblik dat hij hen
dit antwoord geeft, de illusie heeft laten varen hen tot het juiste bewustzijn
te kunnen verheffen. De zoektocht die zij, zoals wij allen, te volbrengen
hebben is duidelijk nog niet ten einde, want nog steeds hebben zij de behoefte
aan een leidsman.
Vermoedelijk is Jacobus de broeder van Jezus
(zie Mt 13, 55 en Mc 6, 3), die na de verdwijning van Jezus de
verantwoordelijkheid voor de primitieve geloofsgemeenschap op zich nam. Ook hij
zou door de joodse overheid worden ter dood gebracht. Hij wordt de rechtvaardige genoemd. Hij heeft dus
kennis van rechten en plichten die noodzakelijk zijn om binnen een lagere orde -
want hemel en aarde gaan voorbij - de harmonie te handhaven. Hoe waardevol zijn
raad ook mag zijn, nooit echter zal hij het licht kunnen brengen, dat in de
woorden van Jezus besloten ligt. (zie logion 38)
(*) Traditioneel wordt
aangenomen dat de duur van het “openbare leven” van Jezus drie jaren zou zijn
geweest. Het voornaamste argument hiervoor is de aanwezigheid van drie
paasfeesten in het Johannesevangelie. Die voorstelling van de feiten duikt,
volgens de Bijbelschool van Jeruzalem, slechts op in de derde redactie van dit
evangelie. In de tweede redactie zou er voor zijn openbare optreden een
tijdsindeling in zes weken zijn geweest. Hoeveel tijd er tussen elke week kan
zijn verlopen is niet bekend. De vermoedelijke duur van zijn prediking zou hoe
dan ook heel wat korter zijn geweest. Het valt overigens moeilijk te aanvaarden
dat de joodse overheid een dergelijke onorthodoxe prediking drie jaren lang zou
hebben getolereerd...
13
jezus zei tot zijn
discipelen
vergelijk me zeg me aan
wie ik gelijk
simon petrus zei hem
je gelijkt aan een rechtvaardige
engel
mattheüs zei hem
je gelijkt aan een
wijze filosoof
thomas zei hem
meester mijn mond zal
geen woord aanvaarden dat zegt aan wie je gelijkt
jezus zei
ik ben je meester niet
want je hebt gedronken
en je hebt je bedronken
aan de opborrelende
bron die ikzelf heb bedeeld (*)
en hij nam hem terzijde
en zei hem drie woorden
wanneer thomas terug
bij zijn gezellen kwam
ondervroegen zij hem wat
heeft jezus je gezegd
thomas zei hen
indien ik jullie één
woord zou zeggen van wat hij mij heeft gezegd
dan zouden jullie
stenen nemen en naar mij gooien
en vuur zou uit de
stenen komen en jullie verbranden
vergelijk: Mt 16, 13-20 - Mc 8, 27-30 -
Lc 9, 18-21
(*) bedeeld
: letterlijk gemeten. Het kenmerk
van de expressie uit de absolute bron is harmonie en dus maat. Die maat hebben ook wij uit te drukken. (zie logion 50)
Het vorige logion situeerde het niveau van de discipelen. Het zijn nog
zeer menselijke bekommernissen die hun bezorgdheid uitmaken. Tot die
bekommernissen behoort ook de ambitie de beste onder de discipelen te zijn.
Hieromtrent ontstond weleens een discussie, waar o.m. Mc 9, 33-34 en Lc 9, 46
van getuigen. De vraag van Jezus is bedoeld als een test. Enkel Thomas heeft
geen woorden om een zinnig antwoord uit te brengen. Om dit duidelijk te maken
spreekt hij Jezus aan met meester.
Hiervoor wijst Jezus hem terecht. Wat betekent die terechtwijzing ? Dit kan het
ogenblik zijn geweest waarop hij in zijn discipel zijn gelijke erkent. Maar het
is de opdracht van ieder mensenkind dienend te zijn. Een dienaar is geen
meester...
Omtrent de drie woorden die
Jezus sprak verblijven we in het ongewisse. Misschien was het iets als “jij
bent mij” of “ik ben jou”...? Wat het ook mag zijn geweest, Thomas was zich
bewust dat de erkenning die hij had gekregen door zijn gezellen niet in dank
zou worden aangenomen. Afgunst zou hun deel zijn en een negatieve of zelfs
agressieve reactie uitlokken, waarvan zijzelf, overeenkomstig de karmische wet,
het slachtoffer zouden worden.
14
jezus zei hen
indien jullie vasten
zullen jullie een fout begaan
en indien jullie bidden
zullen jullie worden veroordeeld
en indien jullie
aalmoezen geven
zullen jullie kwaad
berokkenen aan jullie geest
en naar welk land
jullie ook gaan
welke streken jullie
ook doortrekken
wanneer men jullie
ontvangt eet wat jullie wordt voorgezet
verzorg hen die ziek
zijn
want niet wat in jullie
mond komt zal jullie bezoedelen
maar wat uit jullie
mond komt dit zal jullie bezoedelen
vergelijk: Mt 10, 11-14 - Mc 6, 10-11 -
Lc 10, 5-11
In logion 6 kregen de
discipelen geen concreet antwoord op hun vragen. Jezus ontweek ze met de
bedenking : wees oprecht met jezelf in
woord en daad. Misschien hebben zij op meer duidelijkheid aangedrongen…
Ditmaal spreekt hij een onverbloemde taal : wat tot de rituelen van de joodse
godsdienst behoort is niet te verzoenen met zijn religieuze bewustzijn. Wie
ontvankelijk wil worden voor de inspiratie van de Vader, heeft zich niet in te
laten met misleidende rituelen ! Ook in Mt
9, 14, Mc 2, 18 en Lc 5, 33 krijgt Jezus het verwijt te horen dat zijn
discipelen niet vasten. (zie ook logion 104) Maar bovendien : indien jullie bidden zullen jullie
veroordeeld worden...
Opnieuw worden we geconfronteerd met het nieuwe in de boodschap van
Jezus. We bidden tot God. Maar wat betekent God ? Wie is de God van de joden,
de God van onze verbeelding en wat is de realiteit waarvoor Jezus beroep doet
op het beeld van een vader ? Voor een gelovige zijn dit uitdagende vragen ! In
dit evangelie is het joodse begrip van God niet te verzoenen met de
werkelijkheid, die Jezus doorheen het beeld van een zoon - vader relatie tracht
duidelijk te maken.
De communicatie, die een jood vermeent te hebben met zijn God bij
middel van het gebed, is louter denkbeeldig. Communiceren met een zelf
verzonnen beeld behoort tot de wereld van de verbeelding en is dus misleidend.
De realiteit, die Jezus als een vader in beeld brengt, is absoluut en transcendeert daarom de grenzen van het menselijke
bewustzijn. Elke benadering ervan binnen de begrenzingen van dit bewustzijn
kan slechts denkbeeldig zijn. (zie logion 53)
Is bidden dan steeds zinloos ? Zeker niet ! Maar het gebed moet wel én
de juiste inhoud hebben én de juiste gerichtheid... Onze menselijke verlangens
in een gebed verheffen tot een denkbeeldige almachtige bron is een foute
ingesteldheid. Wie zich bewust is geworden van zijn of haar dienende opdracht
binnen zijn of haar verbondenheid met het hogere, kan zich enkel naar het
hogere richten in een dankbare erkenning voor wat ontvangen werd en met het
verlangen de juiste inspiratie te mogen ontvangen om die dienende opdracht te
blijven uitvoeren. De omstandigheid, die hiervoor het best geschikt is, is een
rust in de leegte binnenin zichzelf.
Tenslotte wijst Jezus ook hier op de meest elementaire menselijke plicht
: oprecht met zichzelf juist handelen en dienend zijn. Wie in de juiste
ingesteldheid verblijft is verheven boven door anderen opgelegde regels, boven
een mogelijke bezoedeling ook door een ongepaste voeding. Een juiste voeding is
weliswaar belangrijk om een innerlijke biologische harmonie niet te verstoren.
Maar, wie zich juist voedt en foute waarheden verkondigt, bezoedelt zich meer
dan een ongepaste voeding vermag te doen !
15
jezus heeft gezegd
wanneer jullie hem
zullen zien die niet uit een vrouw is geboren
buig dan jullie
aangezicht ten gronde
en verheerlijk hem deze
is jullie vader
“Zien”
betekent hier uiteraard geen zintuiglijke ervaring maar symboliseert het
verwerven van inzicht. Niet de
verheerlijking van een zelf verzonnen beeld van God moet in dit leven onze
bekommernis zijn, wel het inzicht in
de realiteit waarvoor Jezus het beeld van een vader gebruikt. Die realiteit is
van een hogere, van een absolute orde, want : die niet uit een vrouw is geboren. Zij behoort dus niet tot onze
relatieve wereld en is daarom voor ons ook niet kenbaar. Het bewustzijn van een verbondenheid met een absolute zijnswaarde binnenin
zichzelf is niet te verwarren met de onmogelijke kennis van het absolute “in
se”.
De ervaring van een innerlijke verbondenheid betekent voor Jezus een
alles overstijgende rijkdom. Van die rijkdom wil hij zijn medemensen bewust
maken. Maar zij bezitten niet het zuivere bewustzijn dat het zijne is. Om
hiervan te getuigen is hij daarom genoodzaakt terug te vallen op een beeld dat
tot hun leefwereld behoort, dat voor hun bewustzijn toegankelijk is. Hij
spreekt dus over “dat” als over “een vader”.
In de joodse cultuur was de status van de vader heel wat belangrijker
dan hij nu in onze cultuur is. De vader is immers niet enkel de bezitter van
het familiegoed, niet enkel de biologische verwekker van zijn kinderen, hij is
vooral het gezag dat de wet dicteert,
dat inspirerend en dus leidinggevend is en waar zijn kinderen naar te luisteren
hebben. Van dit beeld maakt Jezus gebruik om het bewustzijn van zijn medemensen
ontvankelijk te maken voor een innerlijke realiteit, die van een spirituele natuur
is. Helaas, zoals het beeld van Adam en Eva in het bijbelverhaal, zo werd ook
het beeld van de vader niet als een beeldspraak begrepen maar voor werkelijk
aanzien. Wanneer Jezus in absolute bewoordingen over “zijn vader” sprak dan was
het evident, zo dacht men, dat hij de God van de joden bedoelde.
In het Johannesevangelie (hoofdstuk 6) maakt Jezus nochtans duidelijk
het onderscheid :
Jullie voorvaderen hebben het manna uit de hemel gegeten en zij zijn
gestorven... niet Mozes heeft het brood uit de hemel gegeven maar mijn Vader
geeft u het brood, het ware... ik ben het brood... wie dit eet zal leven.
In Ex 16, 15b zegt
Mozes : “Dit is het brood dat Jaweh u te
eten gegeven heeft”. Niet Mozes maar Jaweh heeft het manna gegeven ! Het
onderscheid tussen Jaweh en de Vader
is duidelijk. Het gaat noch om hetzelfde brood noch om dezelfde bakker... Om
die verstorende tegenstelling te versluieren werd in de loop van de
ontwikkeling van het Johannesevangelie het manna niet toegekend aan Jaweh, maar
aan Mozes... Het essentiële onderscheid tussen Jaweh en de Vader is dat Jaweh, als
God, totaal van de mens gescheiden
is, terwijl het beeld van de vader verwijst naar een innerlijke en dus een spirituele verbondenheid.
Wat voor het mensenkind de verheerlijking
van de Vader inhoudt ligt in de dankbare
erkenning van een alles overstijgende rijkdom, waarin het zelf deelachtig
is. Het bewustzijn deel te hebben in het koningschap impliceert de erkenning én
van een absoluut gezag én van de eigen dienende verantwoordelijkheid. Hierin
ligt tevens de zin van het ware offer besloten : de dienaar verheft de vruchten
van zijn dienstbaarheid tot zijn gevende Heer. Ook dit betreft een blijvende ingesteldheid,
die geen behoefte heeft aan een ritueel...
De confrontatie van nieuwe inzichten met oude denkbeelden leidt
onvermijdelijk tot een innerlijk conflict. Aan ieder om hiermee met zichzelf in
het reine te komen. Tenslotte zegt Jezus aan het einde van dit logion niet :
deze is mijn vader, wel : deze is jullie vader. In zijn spirituele
verbondenheid met de Vader is hij niet de enige
zoon...
16
jezus heeft gezegd
ongetwijfeld denken de
mensen dat ik gekomen ben
om de vrede op de
wereld te werpen
en zij erkennen niet
dat ik gekomen ben
om verdeeldheid op de
aarde te werpen
het vuur het zwaard de
strijd
want vijf zullen zijn
in één huis
drie zullen zijn tegen
twee en twee tegen drie
de vader tegen de zoon
en de zoon tegen de vader
en monachos zij zullen opstaan
vergelijk: Mt 10, 34-36 - Lc 12, 51-53
Dit logion bevestigt
de bedenking die we bij het vorige logion maakten. De uitnodiging van Jezus om
het nieuwe in ons op te nemen leidt onvermijdelijk tot een innerlijk conflict,
dat slechts een oplossing kan vinden in een doorgedreven en oprechte innerlijke
zoektocht.
Die innerlijke strijd is een leidmotief dat in alle religies aanwezig
is. Hij is het die in beeld wordt gebracht in de Bhagavad Gita. Arjuna, de
edele krijger, heeft aan zijn verheven morele normen, aan zijn kennis van dharma, niet voldoende om tot een juiste
beslissing in zijn innerlijke conflict te komen. Krishna, die het goddelijke in
de mens belichaamt, onderricht hem omtrent de weg waarlangs het goddelijke zich
in de mens kan openbaren. In de islam kennen we het begrip jihad, dat misbruikt wordt als een strijd tegen de “goddelozen”
maar oorspronkelijk zou verwijzen naar een noodzakelijke innerlijke strijd. Ook
de rituele handelingen van boeddhistische monniken, ons nu bekend als
gevechtsmonniken, die in de zesde eeuw door Bodhidharma werden bedacht, zijn in
wezen de expressie van een innerlijke strijd die iedere volgeling met zichzelf
te voeren heeft.
De bijzondere gaven, waarvan hij getuigde, werden door de volgelingen
van Jezus gezien in het licht van de bijbelse geschiedenis. Voor de ene was hij
een profeet, voor de andere een Messias. Zo iemand zou de orde herstellen,
vrede en vertrouwen geven aan de joodse gemeenschap en de komst van het
koninkrijk van God voorbereiden. Die misvatting ontkracht Jezus hier. Het
nieuwe waarvan hij getuigt is verstorend ! Wie zijn kennis in zich opneemt komt
niet alleen in conflict met de bestaande religieuze orde en haar waarheden maar
ook met zichzelf, met persoonlijke waarden en hierdoor ook met relationele
banden.
Wie waarden loslaat, banden verbreekt, onthecht zich. Enerzijds is hij of zij bevrijd, anderzijds is conflict en vereenzaming de losprijs. De stam van monachos is monos en
betekent alleen. Hiervan is het woord monnik is afgeleid. De begrippen
onthecht, bevrijd en eenzaam liggen allen vervat in dit éne woord. Daarom is de
vertaling ervan zo moeilijk. Op de weg die we te gaan hebben geeft het een
kerngedachte weer, waar we later nog zullen op terugkomen. In essentie gaat het
niet om een uiterlijk levenspatroon maar om een innerlijke ingesteldheid. Wie
tot het juiste inzicht wil komen in zijn of haar verbondenheid met het hogere,
de innerlijke levensbron, heeft zich te ontdoen van verslavende banden met het
lagere, zich innerlijk vrij te maken, om te kunnen dienen zoals het zaad. Die
ingesteldheid is het waarvan Jezus getuigt.
17
jezus heeft gezegd
ik zal jullie geven wat
het oog niet heeft gezien
en wat het oor niet
heeft gehoord
en wat de hand niet
heeft geraakt
en wat het hart van de
mens niet heeft beroerd
1 Kor 2, 9: “maar, zoals
geschreven is: wat het oog niet heeft gezien, wat het oor niet heeft gehoord,
wat het hart van de mens niet heeft beroerd, alles wat God heeft bereid voor
hen die van Hem houden.”
Jes. 64, 3-4: “neen, geen oor
heeft ooit gehoord, geen oog ooit gezien: een God, buiten u, die helpt, op u
hoopt, vreugde bereidt voor wie gerechtigheid doet en uw wegen gedenkt”
Paulus levert hier het
bewijs dat hij wel kennis had van uitspraken van Jezus. Enkel het naar zijn
gevoel vermoedelijk te sensuele zinnetje : wat
de hand niet heeft geraakt ontbreekt in zijn citaat. Maar, omdat hij niets
met de “Jezus van vlees” -kata sarka
- wou te maken hebben (2 Kor 5, 16), wel alles met de “gekruisigde én verrezen
Christus”, versluiert hij diens uitspraak met de woorden: “zoals geschreven is”... Referenties naar de Schriften zijn
overigens ver van overtuigend.
Wat kan ontvangen worden behoort noch tot het gebied van de emotionele
of zintuiglijke beleving, noch tot dit van de mentale kennis Het is een
ervaring van een andere orde waar het bewustzijn van de mens toegang kan toe
hebben. De verrijking, die het gevolg is van de integratie van het lagere in
het hogere, is echter geen spectaculair gebeuren maar een progressieve evolutie
in het bewustzijn. Die ervaring is de vrucht die de monachos ontvangt op zijn of haar weg van onthechting.
18
de discipelen zeiden
tot jezus
hoe zal ons einde zijn
jezus zei
hebben jullie dan het
begin ontsluierd
zodat jullie zich
bekommeren om het einde
want daar waar het
begin is daar zal het einde zijn.
gelukkig wie zich zal
vestigen in het begin
hij zal het einde
kennen en de dood niet smaken
vergelijk: Mt 16, 28 - Mc 9,
1 - Lc 9, 27
In dit logion
beantwoordt Jezus de beangstigde vraag van zijn discipelen, die ook de vraag is
die vele mensen onrust inboezemt : wat zal er zijn na de dood ? Zijn antwoord
brengt nochtans geen verheldering. Onze bezorgdheid moet zich immers niet
richten naar wat er na een biologische dood zou kunnen zijn. Wel zou het onze
bekommernis moeten zijn om aan dit leven hier en nu zijn optimale vervulling te
geven.
Voor de zaaier ligt de vervulling in de oogst. De plaats van de oogst
is daar waar hij zaaide, waar de eenheid van zaad en goede aarde werkelijkheid
werd. Dit is de plaats van het begin,
de plaats ook waar het kind van zeven dagen
nog in verblijft. Die plaats heeft een absolute waarde en is dus tijdloos.
Begin en einde, de zaaier en de maaier zijn één. (Joh 4, 35-36) Wie zich bewust
is geworden van dit absolute draagvlak van het leven, de permanente levensbron
binnenin iedere mens, heeft zijn of haar dienende opdracht erkend. In die
erkenning ligt ook de finaliteit. In
dit bewustzijn is elke bezorgdheid om het einde onbetekenend...
De weg van de mens is die van het zaad. In de terugkeer naar de goede
aarde, het begin waarin het is ontstaan, moet het zaad ophouden zaad te zijn,
zijn ikje loslaten, om in anonimiteit dienend te worden. Dit is de weg van de
vervulling van het leven, waarin de finaliteit verbonden is met het begin : de
terugkomst van de verloren zoon in het vaderhuis, zijn reïntegratie in het
gezag van zijn vader.
19
jezus heeft gezegd
gelukkig hij die reeds
was vooraleer hij werd
indien jullie mijn
discipelen zijn en mijn woorden aanhoren
zullen deze stenen
jullie dienen
voor jullie zijn er
inderdaad vijf bomen in het paradijs
die niet bewegen in de
zomer noch in de winter
en hun bladeren
verliezen zij niet
wie hen zal erkennen
zal de dood niet smaken
De absolute
zijnswaarde, waarin ieder ik zijn bedding heeft, wordt in dit logion op een
bijzondere manier bevestigd. Zoals met de leeuw van logion 7, worden we ook
hier met een bijzondere beeldspraak geconfronteerd. Zijn dit authentieke
woorden van Jezus of is het een fantasierijk beeld, eigen aan de gnostische
gemeenschap die verantwoordelijk was voor de overdracht van dit evangelie ? Wat
er ook van zij, we kunnen steeds een poging wagen om ook deze opmerkelijke
beeldspraak te ontsluieren.
In deze wereld is alles onderworpen aan de “wet der veranderingen”.
Vandaag is niets meer precies zoals het gisteren was. De wet, die het
natuurlijke leven stuurt, die de evolutie en de harmonie in de natuur bepaalt,
die ooit gesymboliseerd werd in de boom van kennis van goed en kwaad, die wet behoort
geen Adam toe. Binnen die wet heeft niemand aan zichzelf iets toe te kennen !
De finaliteit van de mens is te dienen zoals het zaad.
Het beeld van het zaad brengt ons terug naar het begin. De hier en nu
biologisch levende mens maakt deel uit van een absoluut levensconcept, waarvan
hij slechts een tijdelijke exponent is. Het biologische leven is een
tijdgebonden uitdrukking van een absoluut en dus tijdloos Zijn. Zoals over een
bruikleen beschikken we tijdelijk over een eigen lichaam, een eigen identiteit,
een bewustzijn van het eigen ik. Dit bewustzijn houdt de mogelijkheid in de
realiteit van ons ik juist in te schatten, bewust te worden van de absolute
bron waaruit we zijn ontstaan en waarmee we verbonden zijn. Die bron in onszelf
erkennen en die verbondenheid als een bewuste ervaring beleven is een
essentiële opdracht in dit leven. Van dit leven is tijdloosheid de basis. Wat
in het tijdelijke werd, was - in potentie - in het tijdloze...
In dit eenheidsbewustzijn ben ik opnieuw wat ik was : een tijdloos zijn in een
tijdgemeten dimensie...
Een regendruppel ontstaat uit de oceaan, vervult zijn taak binnen de
natuurlijke harmonie en keert vroeg of laat naar de oceaan terug. Hij was
oceaan, werd druppel en opnieuw oceaan. Een mens is echter zoveel meer dan een
regendruppel, zijn mogelijkheden zijn zoveel rijker, zijn opdracht is zoveel
meer verheven. Alles staat hem ter beschikking om dit leven in volheid te
ervaren en ervan te genieten : een regendruppel, een kluit aarde, een steen ook... De grond kan slechts goede
aarde zijn, kan slechts vruchtbaar worden, indien de regendruppel deel heeft in
de harmonie ! Binnen die wet heeft ook de mens dienend te zijn.
Wat zou het leven nu op aarde kunnen zijn, indien iedere mens in de
oorspronkelijke harmonie zou zijn verbleven en dus zijn finaliteit juist zou
hebben ingeschat...? Een paradijs wellicht ! De ervaring van onze vijf
zintuigen - is dit misschien de symboliek van de vijf bomen ? - die ons met de “wereld der verschijnselen”
verbindt, is afhankelijk van de toestand van het bewustzijn. De bron van dit
bewustzijn is verheven boven alle fenomenen van verandering en
vergankelijkheid, want gevestigd in een absoluut Zijn, zonder beweging of
veranderlijkheid...
Sorry voor diegenen die in de tweede lijn van dit logion een
bevestiging menen te zien van de wet van reïncarnatie. Kan de idee ooit in een
ander lichaam in deze wereld te zijn verbleven - een veronderstelling die
overigens niet de facto is uit te sluiten - evenwel van enige waarde zijn op de
weg van zelfkennis...?
20
de discipelen zeiden
tot jezus
zeg ons waaraan is het
rijk der hemelen gelijkend
hij zei hen
het is gelijkend aan
een mosterdzaad het kleinste van alle zaden
maar wanneer het in de
bewerkte aarde valt verheft het een grote stengel
die bescherming biedt
aan de vogels van de hemel
vergelijk: Mt 13, 31-32 - Mc 4, 30-32 -
Lc 13, 18-19
De boodschap van Jezus
is als een symfonie waarin diverse thema’s steeds opnieuw worden bespeeld. De
verwachting van de komst van het koninkrijk in de joodse godsdienst is een
reeds bekend verhaal. De discipelen hebben zich echter aan een nieuwe visie van
die werkelijkheid aan te passen, wat niet evident is ! Een opmerkelijk detail
toch : het zaad moet in de bewerkte aarde
vallen.
Het bewustzijn van de mens is als een grond met een niet te overzien
potentieel, die echter aan een grondige opknapbeurt toe is. Want de toestand
waar het zich thans in bevindt is niet meer die van zijn oorspronkelijke
zuiverheid. Schijnwaarden en waanvoorstellingen hebben het vergaand bezoedeld.
Wat harmonisch was en hoorde te blijven is disharmonisch geworden. Voor die
toestand is enkel de mens zelf verantwoordelijk. Daarom kan alleen hijzelf, dit
betekent ieder voor zich, hieraan verhelpen. Bewust binnenin zichzelf de ploeg
hanteren is daarom de boodschap.
In de laatste regel van dit logion wordt onze dienende
verantwoordelijkheid beeldend uitgedrukt. Zoals het de opdracht is van alles
wat groeit en bloeit binnen een natuurlijke harmonie, zo is het ook onze
opdracht in dit leven te dienen. De eenheid van het hogere en het lagere
kenmerkt zich door een integratie van de waarden van het hogere in het lagere.
21
mariam zei tot jezus
aan wie zijn jouw
discipelen gelijkend
hij zei
zij gelijken aan jonge
kinderen
die bezit namen van een
veld dat hen niet toebehoort
wanneer de bezitters
van het veld zullen komen
zullen zij zeggen laat
ons het veld
in hun aanwezigheid
ontdoen zij zich van hun klederen
die zij hen achterlaten
en geven hen hun veld terug
daarom zeg ik dit
indien de heer des
huizes weet dat de dief komt
zal hij waken vóór hij
komt
en niet dulden dat hij
zou inbreken in het huis van zijn rijk
en er zijn goederen zou
wegnemen
jullie daarentegen wees
waakzaam ten aanzien van de wereld
omgord jullie lenden
stevig
zodat geen rover de weg
naar jullie kan vinden
want de winst waar
jullie naar uitzien zullen zij ontdekken
mag er binnenin jezelf
een oplettend mens zijn
eens de vrucht rijp is
hij snel gekomen
de sikkel in de hand
heeft hij haar geplukt
wie oren heeft om te
horen dat hij hoort
vergelijk: Mt 11, 16 en 24, 43-44 - Lc 7,
31-32 en 12, 39-40 - Mc 4, 29
In dit logion zijn
twee onderscheiden delen te herkennen. Vermoedelijk betreft het hier twee
verschillende uitspraken die werden samengebracht op grond van de analogie van
het gebruikte beeld : de bezitters van een veld enerzijds, de bezitter van een
huis anderzijds. In het eerste deel antwoordt Jezus op een vraag van Mariam, in
het tweede spreekt hij zijn toehoorders aan met “jullie”. Klaarblijkelijk
betreft het hier zijn discipelen.
Zo goed als zeker is Mariam Maria van Magdala, ons beter bekend als
Maria Magdalena. Uit het evangelie van Fillipus en dit van Maria Magdalena
zelf, die beide eveneens deel uitmaken van de vondst van Nag Hammadi, valt op
te maken dat zij een bijzondere band met Jezus had. Door Fillipus wordt zij
zelfs voorgesteld als zijn levensgezellin. Uit haar vraag is af te leiden dat
zij zichzelf niet als een discipel beschouwt.
Voor de discipelen is het antwoord van Jezus weinig lovend. Zij
gebruiken het veld, hun biologische entiteit, die zij in bruikleen ontvingen,
om er spelend als kinderen van te genieten, niet vermoedend dat dit veld hen
niet toebehoort. Wanneer de bezitters hun veld komen opeisen moeten zij het
niet alleen afstaan, ook dit waarmee zij zich hebben “bekleed” moeten zij
afleggen. Voor Jezus is het duidelijk dat de discipelen zich nog steeds niet
bewust zijn van hun werkelijke opdracht. Hun zoektocht is niet eens begonnen...
Onze biologische entiteit, dit lichaam en het bewustzijn waarover we
beschikking hebben, ontvangen we niet als een geschenk maar in bruikleen. Een
geschenk behoort ons toe, een bruikleen hebben we terug te geven... Alles zal
ons worden ontnomen, het fysische leven en alles waarmee we ons in dit leven
hebben bekleed. Wat is de zin van dit bruikleen, wat zijn finaliteit...?
Het tweede deel van dit logion gaat over de bezitter van een huis, die
een normale menselijke bezorgdheid heeft om zijn verworven goed voor inbraak te
behoeden. Tot de discipelen, die niet geroepen zijn om aardse goederen te
vergaren en dus ook geen huis te beschermen hebben, zegt Jezus : jullie, daarentegen, wees waakzaam ten
aanzien van de wereld. Want de wereld is het gebied van de leeuw, waarin
steeds de verleiding wenkt het eigen ik te betrekken in een machtsstrijd met
anderen. Zij, die erop rekenen deel te hebben in het koningschap, moeten hun
gebondenheid aan die wereld kunnen loslaten.
Het gaan van een weg van kennis omtrent onze innerlijke verbondenheid
met een werkelijkheid, die van een hogere orde is, veronderstelt een groeiproces
in het bewustzijn. Dit is een evolutief gebeuren waarbij enkel stap voor stap
nieuwe inzichten zich kunnen ontwikkelen. Elk nieuw inzicht is als een stap die
een volgende mogelijk maakt, als een
vrucht die te plukken is. Ons onderscheidingsvermogen moeten we scherp
houden om de vruchten met een absolute waarde te onderscheiden van deze die
vergankelijk zijn. Hiervoor is het noodzakelijk, zoals de attente visser in
logion 8, steeds alert te blijven. In dit beeld symboliseren de rovers wellicht
onze egocentrische verlangens, die nog steeds in de ban zijn van de macht van
de leeuw.
22
jezus zag kleintjes die zoogden
hij zei tot zijn discipelen
deze kleintjes die zogen gelijken aan hen die het koninkrijk binnengaan
zij zeiden hem
zullen wij dan als kleinen het koninkrijk binnengaan
jezus zei hen
wanneer jullie de twee één zullen maken
en het innerlijke als het uiterlijke en het uiterlijke als het
innerlijke
en wat boven is als wat beneden is
zodat jullie het mannelijke en het vrouwelijke één maken
opdat het mannelijke zich niet mannelijk maakt
noch het vrouwelijke zich vrouwelijk maakt
wanneer jullie één oog zullen maken in de plaats van ogen(*)
en één hand in de plaats van handen(*)
en één voet in de plaats van voeten(*)
en één beeld in de plaats van beelden(*)
dan zullen jullie het rijk binnengaan
vergelijk:
Mt 19, 13-14 - Mc 13, 15 - Lc 18, 15-17
2 Clem. 12, 2-6: “Inderdaad, de Heer zelf,
ondervraagd over de komst van zijn rijk, zei: wanneer de twee één zullen zijn
en het uiterlijke als het innerlijke en het mannelijke met het vrouwelijke,
noch mannelijk noch vrouwelijk… wanneer jullie deze dingen zullen doen, zal het
rijk van mijn Vader komen.”
De regels aangeduid
met (*) werden, overeenkomstig de basisgedachte : wanneer jullie de twee één zullen maken, gecorrigeerd. De letterlijke
vertaling is:
wanneer jullie ogen
maken in de plaats van een oog
en een hand in de
plaats van een hand
en een voet in de
plaats van een voet
en een beeld in de
plaats van een beeld
De verwarring bij de
discipelen is totaal. Hoe zouden zij opnieuw klein kunnen worden !? De
symboliek in het beeld van de zuigelingen is niet aan hen besteed. Zij
beschouwen het beeld als een werkelijkheid en die valt niet te rijmen met hun
joodse verwachtingen. De verbondenheid van het kind van zeven dagen met zijn
levensbron is een beeld waarvan de zin hen ontgaat. De noodzakelijke terugkeer
naar de eenheid, die was in het begin, is voor hun bewustzijn nog niet te
vatten. Zullen zij ooit bevattelijk zijn...?
Het nieuwe begrip van het “koninkrijk”, als een leven dat bewust
ervaren wordt vanuit zijn originele eenheid, behoort tot de essentie van de
boodschap van Jezus. In het beeld van de eenheid van het zaad en de goede aarde
vindt die realiteit een perfect symbolisme. Meer dan eens echter moet op
eenzelfde nagel worden gehamerd wil die komen vast te zitten!
De correctie die we aanbrachten lijkt ons verantwoord. Jezus tracht
hier immers het begrip “eenheid” letterlijk met handen en voeten duidelijk te
maken: uiterlijk en innerlijk, beneden en boven, mannelijk en vrouwelijk... Ook
in Mt. 6, 22 en Lc 11, 34-36 zegt Jezus : “Indien
dus je oog enkelvoudig is, zal je lichaam verlicht zijn”. De
vertaling van het Griekse haplous
door helder en niet door één of enkelvoudig is zonder meer een
foute vertaling ! Zo kunnen we vaststellen dat hier zowel de moderne vertaler
als de koptische transcriptor, door twintig eeuwen gescheiden, in eenzelfde
fout vervielen omwille van hetzelfde onbegrip...
Naar buiten toe zien we met twee ogen en herkennen we een indrukwekkende
variatie aan kleuren. Voor een innerlijke gerichtheid zijn twee ogen overbodig.
Wie kleuren onderscheidt, zonder het licht te kennen, kent enkel kleuren… Wie
het licht kent, kent alle kleuren ! Filmbeelden, die op het scherm van ons
bewustzijn verschijnen, zijn niet de ware werkelijkheid, enkel een projectie.
In de duisternis van een filmzaal lijken zij nochtans, de tijd dat de vertoning
duurt, de werkelijkheid te zijn...
Alles wat tot de manifeste werkelijkheid van deze wereld behoort, het
uiterlijke, dit dat beneden is, drukt zich uit doorheen een samenspel van
energie en materie en resulteert voor de mens in een ervaring van dualisme.
Alles is er polair, elke eigenschap heeft er z’n tegengestelde of z’n
complement : warm en koud, licht en duisternis, vreugde en verdriet, mannelijk
en vrouwelijk, yin en yang... De unieke waarde, die onderliggend is aan die
polariteit, is van een absolute orde en heet harmonie. Harmonie is één en
beheerst alles, van het subatomaire tot het kosmische. Van die absolute waarde
is de wet van karma, die elke verstoring van de harmonie brandmerkt, de
behoeder. Wie, in bewustzijn, terugkeert naar de originele orde, naar de
eenheid in de bron, overstijgt het fenomeen van dualisme.
Het beeld van de eenheid van het mannelijke en het vrouwelijke heeft
aanleiding gegeven tot allerhande seksuele speculaties, zoals die van het
hermafrodiete of het androgyne type. Van dergelijke interpretaties werd gretig
gebruik gemaakt om dit evangelie en de ganse gnostische beleving in een troebele
sfeer te plaatsen. Hoeveel eenvoudiger kan een interpretatie nochtans zijn...
Het beeld van de eenheid van het zaad en de goede aarde is toegankelijk voor
ieder die vertrouwd is met de landelijke natuur. Het beeld van de eenheid van
het mannelijke en het vrouwelijke kan nu worden verwoord in het meer subtiele
beeld van de eenheid van een zaadcel en een eicel aan de oorsprong van ieder
menselijk leven. Noch is het de zaadcel, het mannelijke, noch de eicel, het
vrouwelijke, die het leven voortbrengt... Uit
hun eenheid ontspringt het leven spontaan !
Het begrip van de beeldspraak, het inzicht in de eenheid als de basis
voor een spiritueel ontwaken in dit leven, is slechts een vertrekpunt om,
vanuit die kennis, tot een bewuste ervaring te komen. De eenheidservaring kan
zich immers niet beperken tot een mentaal proces, waarin het dualisme enkel
rationeel wordt overstegen...
23
jezus heeft gezegd
ik zal jullie uitkiezen
één uit duizend
en twee uit tienduizend
en één zijnde zullen
zij opstaan
vergelijk: Mt 22, 14
In dit logion wordt de
mathematische logica genegeerd. Maar met logica komen we in deze materie ook
niet zover. De realiteit, waarvoor Jezus onze aandacht opeist, overstijgt zowel
het gebied van het logische denken als dit van het emotionele voelen. Tot op
een zekere hoogte is het rationele denken een kostbaar hulpmiddel, tot de
limiet van het begrijpbare is bereikt. Hier voorbij rest ons enkel de
persoonlijke ervaring van de weg die gegaan wordt. En daar gelden de regels van
het lagere niet langer. De enige leidraad die ons dan rest is onze eigen
kritische oprechtheid. Het nieuwe zou niet nieuw zijn indien er niet iets nieuw
te beleven viel !
Het uitkiezen
is niet op te vatten als een voorrecht dat iemand toevallig zou te beurt vallen
maar als het gevolg van een erkenning. (even teruggaan naar logion 3) In een
vorig logion erkende Jezus in Thomas de discipel die in bewustheid één met hem
was. Daarom koos hij hem uit. Zichzelf als uitverkozen beschouwen is een
hoogmoedig spelletje “wishful thinking”. Dit overkwam het joodse volk, het
overkwam ook Paulus en in zijn spoor de katholieke Kerk. Nog steeds beschouwt
zij immers zichzelf als de door de bruidegom Christus uitverkoren bruid...
Evenmin als aan Paulus kan haar een overdadige nederigheid worden aangerekend.
24
zijn discipelen zeiden
leer ons de plaats waar
jij bent
want voor ons is het
noodzakelijk dat wij die zoeken
hij zei hen
hij die oren heeft dat
hij hoort
er is licht binnenin
een verlicht mens
en hij verlicht de hele
wereld
indien hij niet verlicht
is hij een duisternis
vergelijk: Jn 1, 38-39
Wisten de discipelen
dan niet waar Jezus verbleef...? Soms missen we in dit evangelie de context
waarin een uitspraak gedaan werd. Dit is hier zeker het geval. Vermoedelijk
bevinden we ons in de situatie van hoofdstuk 14 in het Johannesevangelie.
Hierin verwijst Jezus naar zijn verbondenheid met de Vader, naar het vaderhuis
waar plaats is voor velen. Het was de bezorgdheid van Thomas de weg naar de
Vader te kennen, terwijl Filippus het verzoek had : “toon ons de Vader”... Beiden
hadden het verlangen deel te hebben in de ervaring van Jezus.
De komst van het koninkrijk is geen zintuiglijk te ervaren gebeurtenis.
Daar waar Jezus zich ophoudt, de plaats
van het leven, is evenmin een ruimtelijke locatie maar een innerlijke
zijnstoestand. Dit behoort tot het nieuwe begrip van het koningschap... In bewustzijn is Jezus één met de bron.
Wie één is met hem verblijft in de bron. Wie één is met de bron kan het water
niet voor zich houden, het licht niet verborgen houden. Kennis is slechts zinvol indien zij dient, liefde slechts zinvol indien
zij gegeven wordt... Het kenmerk van de ware discipel is dat hij of zij het
innerlijke licht, dat ontvangen wordt, ook uitstraalt. Wie niet ontvankelijk is
voor dit licht verblijft in de duisternis en kan ook niet verlichten...
25
jezus heeft gezegd
bemin je broeder als je
innerlijke zelf
waak over hem als over
je oogappel
vergelijk: Mt 22, 37-38 - Mc 12, 29-31 -
Lc 10, 27
In dit leven zijn we
allen kinderen van dezelfde Vader en dus broeders en zusters van elkaar.
Uiteraard verschillen we genetisch, werden we ook verschillend beïnvloed door
een opvoeding, een cultuur, door ethische of godsdienstige overtuigingen van
anderen. Die relatieve verschillen overstijgen en onze aandacht toespitsen op
die éne realiteit, waarin we allen op eenzelfde wijze verbonden zijn met een
absolute levenswet, dit is de uitdaging die we met z’n allen delen. Onze
opdracht is het, zoals alle celletjes in ons lichaam, samen te leven in
harmonie. Dit houdt in dat we allen ook verantwoordelijk zijn voor elkaar.
“Hieraan zullen allen
erkennen dat jullie mijn discipelen zijn: indien jullie elkaar liefhebben.” (Joh. 13, 35). Zoals de naïeve apostelen dachten
opnieuw klein te moeten worden om toegang te hebben tot het koninkrijk, zo
denken velen nog steeds dat het volstaat het gebod van naastenliefde na te
volgen om hun ticket voor het eeuwig leven veilig te stellen. Uiteraard is de
bezorgdheid voor anderen een essentiële ingesteldheid in de uitdrukking van de
harmonie. Toch is zij niet het middel waarmee
een ingebeeld doel - het koninkrijk - kan worden bereikt.
Liefde is de vrucht van de verbondenheid met een bron, waaruit we de mogelijkheid ontvangen om lief te
hebben. Aan zichzelf de verdienste van goedheid toekennen is niet zinvol, want
alles wat we in liefde kunnen geven ontvangen we. Onze voornaamste opdracht zal
er daarom in bestaan de verbondenheid met die bron in onszelf te verankeren. In
het bewustzijn van een integratie in de wet van harmonie, van het deel hebben
in het koningschap van de Vader, ligt de dienende verantwoordelijkheid van
ieder mensenkind.
In het christendom werd vooral het gebod van naastenliefde als de
essentie van de goede boodschap weerhouden. In dit evangelie blijkt echter zo
vaak hoeveel dieper de woorden van Jezus ons bewustzijn doorploegen. Harmonie
is de absolute waarde die aan de oorsprong ligt van elke levensuiting. Harmonie
in voelen is liefde, harmonie in denken is intelligentie. Hoewel beide, liefde
en intelligentie, symbolische met een verschillende bron worden geassocieerd -
het hart en het hoofd - toch ontspringen zij in hetzelfde bewustzijn. Juist
handelen doet evenzeer beroep op goedheid als op intelligentie. Kennis
gebruiken zonder een ingesteldheid van goedheid is even zinloos als goed willen
zijn zonder een juiste kennis te bezitten. Elk individueel bewustzijn kan de
juiste inspiratie ontvangen om beide harmonisch te beleven.
Ieder ikje ontspringt op eenzelfde wijze uit een absolute levensbron en
is dus even waardevol. De waarde die iedere persoon aan zijn ik toekent is
afhankelijk van de eigen psyche. Die ik-waarde kunnen relativeren binnen een
universele broederschap maakt het mogelijk in iedere mens, man of vrouw, blank
of donker, jood, palestijn of christen, een volwaardig mensenkind te erkennen.
Discriminatie hoort niet bij harmonie !
26
jezus heeft gezegd
het strootje in het oog
van je broeder zie je
maar de balk in je
eigen oog zie je niet
wanneer je de balk uit
je oog zult verwijderd hebben
dan zal je zien
om het strootje uit het
oog van je broeder te verwijderen
vergelijk: Mt 7, 3-5 en Lc 6, 41-42
Omdat leven in
harmonie de finaliteit van dit leven is, verlangt iedere mens ernaar gelukkig
te zijn. Maar de wetten van het lagere, de spelregels die door de mens zelf
werden bedacht, eisen ons op om onze eigen ambities waar te maken, onze
eigenwaarde steeds weer te bewijzen en de confrontatie met anderen aan te gaan.
Sinds de mens van één twee maakte en zolang hij zijn oorspronkelijke
verbondenheid niet opnieuw erkent, zal het lagere gescheiden blijven van het
licht van het hogere. In het lagere geldt de wet van de leeuw en is het dus
belangrijk de zwakheden van een
andere te kennen om er munt te kunnen uit slaan ! Onze kritische aandacht gaat
daarom zoveel vlotter naar de gebreken van anderen dan naar de eigen tekorten.
Ook hier zijn we toe aan een ommekeer in onze ingesteldheid.
Het vertrekpunt van die ommekeer is een oprechte zelfbeschouwing. Met
welke waarden heb ik mezelf bekleed ? Waarin berusten de kennis, de macht en de
rechten die ik aan mezelf toeken ? Van welke verwarring ben ik het slachtoffer
geworden ? Oprechtheid is het meest doeltreffende wapen tegen de hoogmoed die
ons voortdurend belaagt, het middel waardoor wij ons bewust kunnen worden van
de balk in het eigen oog, die ons belet te zien.
Binnen de wet van harmonie is geen ruimte voor beoordeling of
discriminatie, want allen zijn we op een evenwaardige wijze kind van dezelfde
Vader. Ook al gaat iemand zwaar in de fout, nooit kan de achtergrond van zijn
of haar daden door een ander juist worden ingeschat. De vaststelling van een
fout bij een medemens kan nooit een aanleiding zijn om over de mens zelf een
oordeel uit te spreken.
“Z’n vijand liefhebben” is een uitspraak die niet aan Jezus kan worden
toegekend... Want voorafgaand aan de erkenning van iemand als z’n vijand ligt
een beoordeling. Hierin onderscheidt zich het boeddhistische begrip mededogen : bij onbegrip voor een andere
hoort het begrip te hebben voor het eigen onbegrip... Een blinde kan je niet verwijten tegen je aan te lopen... tenzij je zelf blind bent...
27
indien jullie niet
vasten ten aanzien van de wereld
zullen jullie het
koninkrijk niet ontdekken
indien jullie niet van
de sabbat de sabbat maken
zullen jullie de vader
niet zien
Opnieuw heeft Jezus
het over traditionele praktijken uit de joodse godsdienst. Zijn afwijzende
houding ten aanzien van die rituelen is ons reeds bekend. Wat is er dan wel
fout mee ? Zowel het vasten als de sabbat verwijzen naar een onthouding, maar
beide rituelen werden van hun oorspronkelijke betekenis gescheiden. Het vasten
is meer dan een zich tijdelijk onthouden van een traditionele voeding, de
sabbat meer dan een wekelijks ritueel, waarbij de aandacht van de geest wordt
onttrokken aan dagelijkse bekommernissen, om zich te richten naar “God”.
In logion 21 gaf Jezus aan zijn discipelen de waarschuwing mee waakzaam
te zijn ten aanzien van de wereld. Hier gaat hij een stapje verder en heeft hij
het over vasten ten aanzien van de wereld.
Dit vasten is geen tijdgebonden ritueel maar een blijvende ingesteldheid !
Willen we de confrontatie met de leeuw uit logion 7 uit de weg gaan, dan is het
noodzakelijk geen aandacht te besteden aan die waarden, die de wetten van de
leeuw voorstaan. Vasten ten aanzien van
de wereld betekent niet de wereld de rug toe keren maar zich onthouden van elke
betrokkenheid bij de doelstellingen die in het lagere worden voorgehouden.
Aandacht hebben voor een juiste voeding is zeker een zinvolle ingesteldheid.
Zich gedurende een beperkte periode bepaalde leef- en voedingsregels opleggen,
omwille van een “goddelijke” wet, is echter niet zinvol. Wie zich juist voedt
behoeft geen vasten ! Ook hier geldt de wet van harmonie.
Eenzelfde gedachtegang kan gevolgd worden voor de sabbat. Bij de ware
sabbat horen geen regels die door mensen werden verzonnen. De aandacht voor het
hogere kan zich niet beperken tot het wekelijks volgen van een verheffend
ritueel. Zo’n ritueel kan weliswaar
zinvol zijn, als een hulp om een juiste ingesteldheid levendig te houden, maar
niet als een dwingend middel om zich een toegang tot het koninkrijk te
verzekeren. Een gerichtheid één dag op zeven naar God, al was het maar de
duur van een ritueel, kan nooit als compensatie gelden voor een aardse
betrokkenheid gedurende de zes resterende dagen ! Het bewustzijn van een
verbondenheid met een bron van hogere levenswaarden hoort een blijvende
ingesteldheid te zijn. Dit gaat automatisch gepaard met het loslaten van
schijnwaarden uit het lagere. Inhoudelijk zijn het vasten en de sabbat dus niet
van elkaar te scheiden.
Het zien van de vader moet
uiteraard figuurlijk worden begrepen als het zich bewust worden van een verbondenheid met die realiteit,
waarvoor Jezus het beeld van een vader gebruikt. De zintuiglijke ervaringen zien
en horen symboliseren in dit evangelie vrijwel steeds het verwerven van
inzicht.
28
jezus heeft gezegd
midden de wereld ben ik
opgestaan
en in vlees ben ik hen
verschenen
allen heb ik dronken
gevonden
onder hen vond ik
niemand die dorstig was
en in mijn innerlijke
zelf (psychè)
had ik pijn omwille van de mensenkinderen
want blind zijn zij in
hun hart
en zij zien niet dat
zij leeg in de wereld zijn gekomen
en dat zij ook zoeken
leeg de wereld te verlaten
ware het niet dat zij
nu bedronken zijn
wanneer zij hun wijn
zullen hebben uitgebraakt
pas dan zullen zij hun
ingesteldheid veranderen
De vaststelling die
Jezus hier maakt is vernietigend voor zijn medemensen... Wat is de zin van een
bron indien er niemand is die dorstig is ? De mens is zich niet meer bewust
noch van zijn oorsprong, noch van zijn finaliteit. In zijn zelfbewustzijn heeft
hij zich bedronken...
Het fysieke lichaam, dat mij werd toevertrouwd en zovele mogelijkheden
inhoudt, is een waardevolle maar dienende entiteit. Toch beschouw ik mezelf als
de fiere bezitter ervan. Zoals de spelende bengels bezit namen van hun veld, zo
ben ik de hautaine eigenaar van mijn lichaam geworden en leef ik nu in de
illusie de enige meester te zijn van wat ik kan, bezit en vermeen te weten. Ik
ben dronken geworden ! Van de werkelijke bron van mijn mogelijkheden heb ik mij
afgescheiden. Van die illusie zal ook het kind van zeven dagen, dat zich wel
nog leeg in de oorspronkelijke
harmonie met zijn levensbron bevindt, snel het slachtoffer worden. Want dit
behoort zijn nu eenmaal tot de regels van het lagere, waar de leeuw het voor
het zeggen heeft.
Zoals de goede aarde voor het zaad én zijn oorsprong is én zijn
finaliteit, zo zijn beide ook voor de mens één. In het herstel van de eenheid
met zijn bron ligt voor hem zijn finaliteit : zelf bron zijn. De mens heeft te
dienen als een beker. Een beker kan slechts dienen indien hij leeg is. Pas dan kan hij zich laten
vullen door het water uit de bron en, zoals de bron zelf, dienend zijn. Wie tot
een juiste zelfkennis is gekomen, kan de toestand van dronkenschap in zichzelf
erkennen, de wijn uitbraken en opnieuw leeg
worden.
Enkel doorheen een innerlijke zuivering kan een weg van verlossing worden
gegaan. Die weg kan niemand voor een ander gaan, noch Krishna, noch Boeddha en
ook Jezus niet...
29
jezus heeft gezegd
indien het vlees is
geworden door de Geest
is dit een wonder
indien daarentegen de
Geest door het lichaam
is dit het wonder der
wonderen
maar ik ben in
verwondering over dit
hoe die grote rijkdom is
verbleven in die armoede
44
jezus heeft gezegd
wie de vader beledigt
hem zal vergeven worden
en wie de zoon beledigt
hem zal vergeven worden
wie daarentegen de
zuivere Geest beledigt
hem zal niet vergeven
worden
noch op aarde noch in
de hemel
vergelijk: Mt 12, 31-32 - Mc 3, 28-29 -
Lc 12, 10
Voor het eerst
brachten we twee logia samen omdat we in beide kennis maken met een nieuw en
belangrijk begrip : pneuma, de Geest.
Uitzonderlijk gebruiken we hier een hoofdletter om een onderscheid te maken met
de menselijke geest : de leidinggevende inspirator, die we binnenin onszelf
ervaren als een ego-gebonden component. Uit logion 44 blijkt inderdaad hoe
bijzonder de Geest wel is : wie de Geest beledigt begaat een niet te vergeven
fout ! Dit is niet het geval noch voor een belediging van de Vader, noch voor
die van de zoon.
In logion 29 wordt de relatie toegelicht tussen het vlees (sarks in lijn 2) of het lichaam (soma in lijn 4) en de Geest (pneuma), een relatie die we ook terugvinden in de proloog van het
Johannesevangelie: “en het woord (de
geest) is vlees geworden”.
Traditioneel wordt in het christendom het goddelijke voorgesteld als
een drie-eenheid : God de Vader, Christus als zijn enige zoon en de H.Geest, de
goddelijke inspirator van de mens. Zij zijn onderscheiden en toch één. Dit
wordt een mysterie genoemd. Het woord mysterie klinkt als een verbloeming voor
de pretentie die de mens ertoe bracht een structuur voor het goddelijke te
verzinnen. In die structuur wordt de mens Jezus verheven tot een goddelijk
wezen, ondanks het feit dat hij zichzelf nooit expliciet als een zoon van God
kenbaar maakte. Zij die meenden in hem een zoon van God te erkennen - wat die
uitdrukking toen ook mocht betekenen - wees hij overigens met een vermanende
vinger terug. (Lc 4, 41 - Mc 3, 12) Toch werd dit het fatale lot van een mens
die zich van zijn innerlijke verbondenheid met het goddelijke bewust was
geworden. Het goddelijke en het
menselijke hoorden immers gescheiden te blijven...
Het nieuwe inzicht in de drie-eenheid houdt in dat de verbondenheid,
waarvan Jezus getuigt, tot het wezen van iedere mens behoort. Iedere mens is, in een spirituele
verbondenheid, kind van de Vader. Het bewustzijn van die verbondenheid
maakt het verschil uit tussen leven en dood. Maar hoe kan een mens zich bewust
worden verbonden te zijn met “iets”, dat niet door zijn bewustzijn kan gekend
zijn...?
In het scheppingsverhaal, dat verwoord werd in de proloog van het
Johannesevangelie, speelt het “woord” een bijzondere rol. Vóór het begin was
het bij God, in het woord is het leven, het is het licht dat in de schepping
kwam, waardoor de schepping is ontstaan en dat nog steeds in de schepping verblijft. Maar de schepping erkende het
niet. Aan hen, die het ontvangen, geeft het de mogelijkheid kinderen van God te
worden...
Vóór het begin was “niet iets”, noch tijd noch ruimte, enkel leegte :
het niet-manifeste absolute en onberoerde Zijn. In die leegte ligt het totale
potentieel van de gehele schepping besloten. Het “woord” symboliseert de
initiële vibratie. Vibratie veronderstelt tijd, ruimte en energie. Het
verbeeldt de expressie van het
absolute Zijn, de manifestatie van het niet-manifeste, waardoor de ganse
schepping en dus ook de mens geworden is. In het Oosten wordt die initiële
impuls uitgedrukt in de universele mantra “Aum”.
Het woord was niet alleen in het begin, het is er nog steeds, op ieder
ogenblik. Maar de mens erkent het niet.
Toch kan de mens het erkennen, want hij kan ontvankelijk worden voor het
“woord”, het innerlijke licht. In die ervaring ligt het bewustzijn kind van de Vader te zijn.
Het “woord” symboliseert de Geest, de Spiritus. Door de Geest is de
schepping en dus ook de mens geworden. Hij verblijft in de schepping en dus ook
in de mens, voor wie hij kenbaar want te ervaren is. Het absolute in zijn
niet-manifeste aspect, de Vader, is niet kenbaar. Geen woord, geen beeld kan
“het” bevatten. Elke voorstelling ervan behoort tot een virtuele realiteit ! De
Geest is het zichzelf uitdrukkende aspect van de Vader. Daarom is de Geest
wel een te ervaren realiteit. Hij is de spirituele brug, die de mens met zijn
absolute bron verbindt. De mensenzoon is het sluitstuk in de schepping. Wat hij
voortdurend door de Geest ontvangt, heeft hij volgens Zijn wet van harmonie uit
te drukken.
De drie-eenheid is
niet de eigenschap die ooit door de mens aan het goddelijke werd toegekend maar
een
zijnswaarde die binnenin iedere mens
blijvend aanwezig is. Door de Geest kan de mens zich bewust worden van zijn
verbondenheid met zijn absolute levensbron. In het beeld van een bron vindt de
eenheid van Vader en Geest een verhelderende symboliek. Een bron is een leegte
waaruit water te voorschijn komt. De bron is noch de leegte noch het water maar
beide in eenheid verenigd : zonder leegte geen water, zonder water geen bron...
De leegte is niet te ervaren, wel te ervaren is het water... Maar wat is de zin
van een bron indien er niemand is die dorstig is, niemand in wie of door wie
het water tot “leven” kan worden ? Dit nu is de finaliteit van de mens : in
eenheid met de bron dienend zijn zoals de bron zelf dienend is. Dit is het
inzicht in de drie-eenheid dat behoort tot het nieuwe.
De interpretatie van logion 29 is zeker niet eenvoudig. In het licht
van het nieuwe inzicht in de drie-eenheid trachten we de inhoud ervan enigszins
anders te verwoorden :
Indien de Geest de oorsprong is van het vlees, de bezielde mens, is dit
een wonder : het wonder van de schepping van het biologische leven. Indien
echter het lichaam, dat in de duisternis van de onwetendheid verkeert, de
mogelijkheid bezit zich bewust te worden van de Geest, is dit een nog veel
groter wonder...
Het is het wonder van
het biologische leven dat de Geest de oorsprong is van “het vlees”. Het
grootste wonder is evenwel dat het lichaam, de materiële basis van het
bewustzijn, de Geest kan erkennen en hierdoor tot “leven” kan komen. Dit is de
nieuwe geboorte ! Het onderscheid dat hier gemaakt wordt tussen sarks (lijn 2) en soma (lijn 4) is heel subtiel ! Sarks
refereert aan het “bezielde lichaam”, de eenheid van psychè en soma. Wil de
mens zich opnieuw bewust worden van zijn oorspronkelijke verbondenheid, dan
heeft zijn bezielde lichaam leeg te
worden (zie vorig logion). Dit betekent dat de psyche tot stilte, tot rust moet
komen. Wat dan nog rest zijn de niet meer “bezielde” structuren van sarks : soma, het lichaam. Het personeel heeft de burelen verlaten, de deur
werd gesloten, binnenin heerst enkel stilte, rust... Rust is het uitgelezen
middel waardoor de psyche zich kan uitzuiveren. Door die zuivering zal de Geest
zich doorheen de psyche optimaler kunnen reveleren.
De Geest is de grootste rijkdom die ons ter beschikking staat, want de
“drager” van het gehele levenspotentieel. Hij is het water waardoor de bron
erkend kan worden. Het is de Geest die de harmonie in de ganse natuur onderhoudt,
die alle mogelijkheden van lichaam en psyche blijvend ondersteunt, die ook het
licht is dat in zich kennis en inzicht draagt. Toch wordt hij door de mens
miskend. Hierdoor leeft de mens nog steeds in de duisternis van de
gescheidenheid...
wie de Vader beledigt, beledigt “niet iets”, schiet een pijl af in de
leegte...
wie de zoon beledigt, beledigt zichzelf, wat slechts domheid is...
maar wie, door miskenning, de Geest beledigt, miskent dit wat het leven
in zich draagt.
We zijn hier ver
verwijderd van het dualisme van lichaam en geest, dat algemeen als het kenmerk
geldt voor de gnostische visie. Ver verwijderd ook van de dualistische visie
van Paulus, die verkondigde :
Vlees en bloed kunnen niet deel hebben in het koninkrijk van God en het
vergankelijke heeft geen aandeel in de onvergankelijkheid. (1 Kor 15, 50)
30
jezus heeft gezegd
daar waar drie goden
zijn daar zijn ze goden
daar waar er twee zijn
of één ben ik met hem
Wanneer de joden Jezus
in absolute bewoordingen hoorden spreken over “zijn vader”, begrepen zij dat
hij hun God Jaweh bedoelde. Maar zich de zoon van Jaweh noemen kon niet. Dit
was godslastering ! Geen mens kan zich immers beroepen op een directe
goddelijke afkomst. Een misverstand met ernstige gevolgen zoals zou blijken. Over
dit essentiële godsbegrip ondervroegen zij hem dus.
Opnieuw is zijn antwoord verstorend ! Dat drie goden, goden zijn is
zonder meer duidelijk. Maar spreken van twee
of één, waar hij mee verbonden is... Eens te meer worden we hier voor een
raadsel geplaatst. Hoe kan het absolute, gesymboliseerd in het woord God,
worden opgesplitst zodat er twee zijn
? Het absolute kan toch niet deelbaar zijn... En toch...
Wanneer Jezus, om te getuigen van zijn innerlijke verbondenheid met een
absolute Zijnswaarde, het beeld van een vader gebruikt is dit beeld enkelvoudig.
Zo is het ook wanneer hij, zoals in logion 74, gebruik maakt van het beeld van
een bron. Wanneer we echter in een bron de leegte en het water onderscheiden
als symbolen voor de Vader en de Geest (zie commentaar bij vorig logion), is
het beeld niet meer enkelvoudig maar tweevoudig... Geen twee evenwel als een
onmogelijke deelbaarheid van één, maar als twee onderscheiden aspecten van één Zijn : het tijdloze
onberoerde Zijn en het zich uitdrukkende Zijn. In geleerde bewoordingen noemt
men dit het transcendente en immanente aspect van God. Met die werkelijkheid is
Jezus ver-enigd : ik ben met hem.
Zo geeft hij uitdrukking aan zijn bewustzijn van verbondenheid, van
eenheid met een absolute Zijnswaarde. Dit houdt echter niet in dat hij zich met
die Zijnswaarde identificeert ! De
zoon en de vader zijn één maar niet identiek... Ook het kind van zeven dagen
verblijft nog steeds in de eenheid met zijn levensbron... Eenheid en
identificatie zijn twee verschillende begrippen... Jezus verheft zich hier niet
tot een goddelijke status !
Omdat de twee-eenheid van Vader en Geest beschouwd werd als de
oorsprong zelf van het leven, lag het als het ware voor de hand de menselijke
begrippen mannelijk en vrouwelijk op het goddelijke te projecteren. Zo wordt de
Geest - ruah in het hebreeuws is
vrouwelijk - in diverse gnostische geschriften voorgesteld als de Moeder naast
de Vader.
Per definitie is het absolute niet te vatten door het relatieve. We
kunnen dus enkel pogen het te benaderen
met behulp van beelden, waarin ons analytische vermogen opsplitst wat in
werkelijkheid één is. Essentieel bij de interpretatie van een beeldspraak is
zich steeds bewust te zijn van de functie van het beeld als middel. Nooit echter kan het beeld
verward worden met de werkelijkheid die erdoor benaderd wordt.
Zoals
Geest en Vader één zijn, zo is ook het mensenkind één met de bron. Want de
mogelijkheden, die de mens in zichzelf ervaart en die hij zo graag aan zichzelf
toekent, ontvangt hij door de Geest van de Vader. Omdat de schepping bestaat,
bestaat ook de mens en omdat de mens bestaat, bestaat het begrip “God”.
Vooraleer de mens op aarde verscheen, was alles één : het geschapene en het
scheppende, het lagere en het hogere. Door de mens werden beide gescheiden in
natuur en bovennatuur. Het is de zin van de religieuze weg het inzicht in de
originele verbondenheid opnieuw in het bewustzijn te integreren.
31
jezus heeft gezegd
een profeet wordt niet
aanvaard in zijn dorp
een therapeut verzorgt
niet hen die hem kennen
vergelijk: Mt 13, 57-58 - Mc 6, 4-5 - Lc
4, 23-24 - Jn 4, 44
Het is de opdracht van
een profeet een juiste religieuze kennis te brengen omtrent de verbondenheid
van het lagere met het hogere. Van een therapeut is het de taak een verstoorde
lichamelijke of psychische harmonie te herstellen. Jezus is een therapeut in
wie beide opdrachten verenigd zijn. Uit logion 14 blijkt dat dit ook de
opdracht is van zijn discipelen. Zowel vermeende kennis als ziekte of lijden
zijn symptomen van een verstoorde innerlijke harmonie. Zijn kennis is
holistisch, want zij ontspringt uit de eenheid.
Wellicht
is deze uitspraak ingegeven door de eigen ervaring van Jezus. Als jood heeft
hijzelf de begrenzingen van zijn cultuur moeten overstijgen om tot de
religieuze inzichten te komen die nu de zijne zijn. Vertrouwde mensen in dit nieuwe
bewustzijn deelachtig maken is geen eenvoudige opdracht ! Voor vreemde geluiden
hebben we nu eenmaal meer ontzag dan voor vertrouwde stemmen... Ook voor ons
geldt dat Jezus ons zoveel meer nabij is dan Boeddha. Toch zullen zijn
vernieuwende inzichten in dit evangelie op heel wat minder luisterbereidheid
kunnen rekenen dan de weliswaar vaak boeiende woorden van een Dalai Lama...
32
jezus heeft gezegd
een stad die gebouwd
werd op een hoge berg en sterk is
noch kan zij worden
ingenomen
noch kan zij verborgen
blijven
33
jezus heeft gezegd
dit dat je met je oor
zult horen
met het andere oor
schreeuw het uit over de daken
er is toch niemand die
een olielamp aansteekt
en haar onder een struik
plaatst of haar verbergt
maar de lamp wordt op
een staander geplaatst
zodat ieder die
binnenkomt of naar buiten gaat haar licht kan zien
vergelijk: Mt 5, 14-16 - 7, 24-27 en 10,
27 - Lc 6, 47-49 - 8, 16 - 11, 33 - 12, 3 - Mc 4, 21
In beide logia tracht
Jezus, met een niet verdoken enthoesiasme, de waarde van de rijkdom die hij in
zichzelf ervaart beeldend voor te stellen. De kracht die hij uit zijn
innerlijke bron ontvangt vergelijkt hij met een versterkte stad. Elk nieuw
inzicht, dat een mens in zichzelf uit het hogere kan verwerven, ook al is hij
nog ver van zijn einddoel verwijderd, heeft een absolute waarde. Het is een
rijkdom die niet door anderen kan worden ingenomen, tenzij door het eigen
falen. (zie logion 35) Zoals het licht van een lamp kan het ook niet verborgen
blijven, want het draagt in zich een kracht die in staat is duisternis te
verdrijven.
Het beeld van een versterkte stad roept
spontaan de gedachte op aan macht. Ook begrippen als rijkdom en kracht bezitten
die co-notatie. Licht daarentegen
associëren we niet met macht ! Omdat het licht de uitdrukking is van een
absolute wet - een versterkte stad is daarentegen mensenwerk - kan het enkel
dienend zijn en dus nooit een bron zijn van macht, tenzij het door de mens
wordt misbruikt. Zoals het licht, zo hoort elke juiste kennis dienend te zijn.
De vrucht van een dienende kennis is gezag, nooit macht !
34
jezus heeft gezegd
indien een blinde een
andere blinde leidt
vallen zij beiden in
een put
vergelijk: Mt 15, 14 - Lc 6, 19
Zolang een mens geen
kennis heeft van zijn ware natuur, zolang hij in bewustzijn gescheiden blijft
van het licht uit zijn innerlijke bron, verkeert hij in een duisternis die ook
armoede is. Daarom is lijden zijn dagelijkse partner. Het is niet de finaliteit
van de mens te lijden noch in de duisternis te verblijven. Zoals hij beschikt
over twee ogen om naar buiten te zien, zo kan hij ook de aandacht van zijn
geest naar binnen richten en vaststellen dat hieruit een ander licht straalt,
dat niet met twee ogen te ervaren is. De ontvankelijkheid voor dit licht
bepaalt wie blind is en wie niet.
Leiders volgen die in de mening verkeren in de duisternis de weg te
kennen is niet zinvol. Velen denken nochtans de waarheid in pacht te hebben en
voelen zich geroepen om als een lichtbaken te fungeren. Zolang we zelf in de
duisternis verblijven, zijn we niet in staat een onderscheid te maken tussen
een blinde en een ziende ! Wie in zichzelf zijn of haar gerichtheid wijzigt en
het innerlijke licht ervaart, heeft geen behoefte meer aan blinde leiders.
In het evangelie van Fillipus, dat eerder reeds werd aangehaald (zie
logion 21), lezen we deze merkwaardige uitspraak van Jezus. Wanneer de
discipelen hem het verwijt maken meer te houden van Maria Magdalena dan van hen
- want hij kuste haar vaak - antwoordt hij hen : wel, indien een blinde en een ziende samen in de duisternis verblijven,
verschillen zij niet van elkaar. Maar wanneer het licht komt zal de ziende zien
en de blinde in de duisternis blijven...
35
jezus heeft gezegd
het is niet mogelijk
dat iemand met geweld
het huis van een sterke
man binnenvalt
tenzij hij hem de
handen boeit
pas dan zal hij zijn
huis door elkaar halen
vergelijk: Mt 12, 29 - Mc 3, 27 - Lc 11,
21-22
Logion 21 bevatte
reeds een aanmaning tot waakzaamheid. Die waarschuwing herhaalt zich hier. Wat
we uit het hogere kunnen ontvangen heeft weliswaar een absolute waarde, die ons
sterkte geeft, toch blijven we steeds mensen van vlees en bloed. Verleidingen
uit het lagere zijn nooit ver weg, onze zwakheden evenmin. Met beide ogen zien
we zovele schitteringen, die in schijn het innerlijke licht tijdelijk kunnen
overtreffen. Zo laat de sterke zich
door schijnwaarden toch beetnemen, laat hij of zij zich de handen boeien…
De vijand die we het meest te vrezen hebben, die onze verworven
vrijheid opnieuw aan banden kan leggen, onze innerlijke harmonie grondig kan
verstoren, is tenslotte ons eigen ikje en zijn egocentrische verlangens. Wie
aan het lagere gebonden is stelt het juist op prijs die verlangens waar te
maken. Dit betekent pas vrijheid ! Maar wie zoekt zichzelf te dienen verslaaft
zich, want egocentrische verlangens verkeren steeds in de ban van de leeuw en
verlangen daarom steeds meer...
Het behoort tot een natuurlijk proces dat onze verlangens de inhoud van
onze wil inkleuren en zo de gerichtheid van ons handelen bepalen. “Leven zonder
verlangens” als een ideaal beschouwen, berust op een foute inschatting van
oosterse wijsheden. Wat wel tot onze opdracht behoort is de gerichtheid van onze verlangens te
wijzigen. Onze sterkte en onze vrijheid liggen niet in het dominante maar in
het dienende ik... Ook die ommekeer behoort tot het nieuwe. Het leven is geen
“self service”...
36
jezus heeft gezegd
wees niet bezorgd van
de ochtend tot de avond
en van de avond tot de
ochtend
om wat jullie zullen
aantrekken
vergelijk: Mt 6, 25 en volg. - Lc 12, 22
en volg.
Dit logion sluit aan
zowel bij het vorige als bij het volgende. De bezorgdheid om wat we zullen aantrekken, om dit waarmee
we ons in dit leven “bekleden”, is een zinloze bezorgdheid. Uiteraard zijn de
klederen niet letterlijk op te vatten. Zij symboliseren alle relatieve waarden,
waardoor we onszelf in de ogen van anderen belangrijk kunnen maken. IJdelheid,
de bezorgdheid om het eigen imago, is er slechts één van.
Dit logion houdt echter geen veroordeling in van de aandacht die we aan
zovele relatieve waarden kunnen schenken. Zij maken immers deel uit van de
rijkdom, die dit leven aangenaam en mooi kan maken. Hiervan genieten hoort bij
het beleven ! De wet van het leven is evenwel een wet van harmonie en dus van
maat. Van de ochtend tot de avond en van
de avond tot de ochtend is mateloos... Hoe maak ik gebruik van de tijd en
het onderscheidingsvermogen die mij ter beschikking staan ?
37
de discipelen zeiden
welke dag zal je ons
verschijnen en welke dag zullen wij je zien
jezus zei
wanneer jullie zich
hebben ontdaan van jullie schroom
en jullie klederen
hebben genomen
ze aan jullie voeten
hebben neergelegd en vertrappeld
zoals de kleine
kinderen doen
dan zullen jullie de
zoon zien van hem die levend is
en jullie zullen niet
vrezen
Blijkbaar verkeren de
discipelen in de verwachting dat Jezus hen op een dag, nadat hij hen heeft
verlaten, (zie logion 12) opnieuw zal verschijnen. Die hoop is slechts een
illusie (zie volgend logion), zoals ook de messiaanse verwachting een droom is
die deel uitmaakt van een religieus concept, waarin het joodse volk zichzelf
beschouwt als door Jaweh uitverkozen. Met die ijdele gedachte heeft een gans
volk zich bekleed… Ook religieuze voorstellingen, waarin onze onwetendheid werd
verhuld, behoren tot onze klederdracht…
De ommekeer die Jezus zijn discipelen voorhoudt is radicaal.
Schijnwaarden moeten worden ingeruild voor een reële zoektocht naar de zoon van hem die levend is. De term
“mensenzoon” werd in het christelijke geloof voorbehouden voor de Christus. De zoon zien van hem die levend is betekent
niet enkel Jezus erkennen als een bewust geworden mensenkind maar ook en vooral
die potentiële hoedanigheid in zichzelf erkennen. Hiervoor is het evenwel
noodzakelijk dat we, zoals het kind van zeven dagen, innerlijk opnieuw leeg en
dus naakt worden. Ons bewustzijn moet
de weg teruggaan naar de zuiverheid die was in het begin.
De schroom, die ons weerhoudt
onszelf in naaktheid te zien, is onze hoogmoed. Wie zich hiervan heeft ontdaan, die wijn heeft uitgebraakt, die klederen vertrappeld heeft, kan in
zichzelf zijn of haar ware zelf erkennen : het mensenkind dat kind is van hem die levend is. Het verdwaalde kind,
dat de weg naar het vaderhuis heeft teruggevonden en zichzelf opnieuw erkent
als kind van zijn vader, hoeft niet meer
te vrezen. De hereniging heeft slechts een naam : vreugde !
38
jezus heeft gezegd
hoe vaak hebben jullie
er niet naar verlangd
de woorden te horen die
ik jullie zeg
en voor jullie is er
geen ander van wie ze te horen
er zullen dagen komen
waarop jullie mij zullen zoeken
en mij niet zullen
vinden
vergelijk: Lc 17, 22 - Jn 7, 33-34 en 8,
21
Het vorige logion
verduidelijkte de weg van de discipelen : een ontluistering van hun ego, een
ontmanteling van de schijnwaarden waarmee zij zich hebben bekleed... Ook
geloofswaarheden die anderen ons voorhouden hebben slechts een relatieve
waarde. Zij zijn niet in staat twijfels en onzekerheden weg te nemen. Die
kunnen slechts door kennis worden opgelost. Naar die kennis verlangt iedere
mens, ook de discipelen. Maar Jezus spreekt een onverwachte taal ! De kennis
die hij hen voorhoudt behoort niet tot het gebied van het weten maar tot dit van het zijn.
Gnosis is immers een ervaringskennis. De weg van zelfkennis moeten de
discipelen zelf gaan. Die tocht kan niemand in hun plaats volbrengen. Ook hij
niet... Zijn opdracht is te dienen door de richting van de weg aan te geven. Hierin
onderscheidt hij zich van de anderen.
De joden hebben hun hoop gevestigd in een verlossing die komen moet.
Voor de christenen is de verlossing er gekomen door het kruis... Het woord van
Jezus is verstorend : de verlossing ligt
in een weg die jullie, in jullie eenzame zelf moeten gaan... De naam van de weg
is bewustwording. Op die weg moeten jullie niet mij zoeken maar jezelf...
39
jezus heeft gezegd
de farizeeërs en de
schriftgeleerden
hebben de sleutels van
de kennis (gnosis) genomen
en hebben ze verborgen
noch zijn zij zelf
binnengegaan
noch lieten zij toe dat
zij die wilden zouden binnengaan
jullie daarentegen wees
bedachtzaam als de slangen
en zuiver als de duiven
102
jezus heeft gezegd
beklagenswaardig zijn
zij de farizeeërs
want zij gelijken aan
een hond die slaapt in de voerbak van de ossen
want noch eet hijzelf
noch laat hij toe dat de ossen zich voeren
vergelijk: Mt 23, 13 en 10, 16 - Lc 11,
52
Geloofswaarheden die
anderen ons voorhouden hebben slechts een relatieve waarde... Wat Jezus hier
aan de kaak stelt is de houding van die mensen, die in de mening verkeren het
onkenbare te kennen en hierdoor anderen beletten de weg van de ware kennis, de gnosis, te gaan. Het proces dat hij hier
wezenlijk voert is dit van het onderscheid tussen godsdienst, als een geheel van door mensen bedachte waarheden
omtrent God, en gnosis of religie, als een ervaringskennis, waarin
de verbondenheid van het individuele “zelf" met zijn absolute levensbron
zich reveleert.
We kennen inmiddels de veelheid aan godsdiensten, die zich over de
wereld heeft ontwikkeld. De fascinatie voor een absolute macht, die de
natuurlijke grenzen overstijgt, is een universeel menselijk gegeven. Sinds de
mens op aarde verscheen heeft hij zich een kennis van Het Onkenbare toegeëigend
en aan anderen doorgegeven. Zowel het jodendom, het christendom als de islam
hebben hun wortels in het Midden Oosten, want in de hebreeuwse Bijbel. Hun
gemeenschappelijke stamvader is Abraham. Samen delen zij het geloof in een
enige God. Maar ieder van hen verkondigt zijn waarheden omtrent de gescheidenheid tussen de mens en zijn
God. Hiervoor beroepen zij zich op goddelijke revelaties. Die revelaties werden
echter niet eenvormig waargenomen... Elke godsdienst blijft nochtans overtuigd
van zijn eigen goddelijke uitverkiezing. Broederlijke confrontaties in naam van
YHWH, God of Allah hebben in onze geschiedenis bloedige sporen nagelaten en
laten die nog steeds na. Behoeft de menselijke hoogmoed een meer overtuigende
bewijsvoering...?
Er is kennis en onwetendheid, werkelijkheid en verzinsel. Nooit zal
iemand een andere kunnen beletten voor zichzelf zijn of haar onwetendheid met
verzinsels te verhullen. Begrenzing is het kenmerk van het menselijke weten.
Dit in onszelf erkennen is een eerste stap op de weg van zelfkennis. In wat we
denken te weten, in wat we als een waarheid erkennen, zijn we aanvankelijk
totaal van anderen afhankelijk. Willen we religieus volwassen worden dan moeten
we die afhankelijkheid afbouwen. De weg van gnosis is een zelfbevrijdende weg.
Nooit kan het gaan van die weg een aanleiding zijn om een ander in zijn of haar
vrijheid te beperken !
Wie een religieuze kennis aan een ander als dé waarheid voorhoudt,
begaat een fout van hoogmoed en draagt hierin een grote verantwoordelijkheid.
Kennis hoort dienend te zijn, bevrijdend voor een ander. Van zijn gnosis maakte Jezus nooit macht !
De waarschuwing aan het einde van logion 39 geldt zowel naar anderen
toe als naar onszelf : wees bedachtzaam
als de slangen en zuiver als de duiven... Innerlijke zuiverheid is de
voorwaarde om niet in dezelfde fout te vervallen als die waar we ooit zelf het
slachtoffer van werden. De bedachtzaamheid herinnert aan de alertheid van de
attente visser uit logion 8.
40
jezus heeft gezegd
een wijnstok werd
geplant buiten de vader
en gezien hij niet
sterk is
zal hij met de wortel
worden uitgerukt
en zal hij vergaan
vergelijk: Mt 15, 12-13 - Jn 15, 5-6
Elke investering in
het lagere behoort tot het lagere en is dus vergankelijk. Elke kennis is er
relatief en dus begrensd. Ook alles wat buiten ons is en waarvan we een kennis
kunnen verwerven is onderworpen aan de “wet der veranderingen”. Elke menselijke
ervaring is afhankelijk van de toestand van het individuele bewustzijn en ook dit
is voortdurend in evolutie. Voor die
evolutie zijn we ook zelf verantwoordelijk... Want wanneer we de gerichtheid
van onze aandacht wijzigen, niet meer naar buiten maar naar binnen, naar de
stilte binnenin onszelf, die ook leegte is, kan het bewustzijn tot rust komen
en een weg terug gaan naar zijn oorspronkelijke zuiverheid. Kennis die berust
in een zuiver bewustzijn heeft haar wortels in de Vader en is geïnspireerd door
de Geest. Die kennis heeft een absoluut draagvlak.
41
jezus heeft gezegd
aan wie heeft in zijn
hand hem zal gegeven worden
aan wie niet heeft
zelfs het weinige dat
hij heeft
zal uit zijn hand
ontnomen worden
vergelijk Mt 13, 12 en 25, 29 - Lc 8, 18
en 19, 26 - Mc 4, 25
Wat we in de hand hebben is slechts waardevol indien het
een zijnswaarde heeft, indien het de
vrucht is van wat binnen de vader
werd geplant. Elk streven om dit te bereiken wordt erkend. Op die weg heeft
elke stap positieve gevolgen voor onszelf en voor anderen. Ook dit is een niet
onbelangrijk aspect van de wet van karma,
dat door Krishna in de Bhagavad Gita duidelijk wordt onderkend. Wat daarentegen
volgens de wetten van het lagere verworven werd, hoe weinig het ook mag zijn,
zal onherroepelijk worden ontnomen. Dit is een logisch vervolg op het vorige
logion en vindt zijn eenvoudige conclusie in logion 42.
42
Jezus heeft gezegd
jullie wees
voorbijgaand
Dit is het kortste
logion in dit evangelie. Voorbijgaand
zijn betekent niet onverschillig zijn
! Dit leven is een weg die we in een dienende betrokkenheid met anderen te gaan
hebben. Aan aardse en dus tijdelijke verworvenheden hebben we evenwel voorbijgaand te zijn.
In dit leven is het ons gegeven te genieten van de vele rijkdommen die
de natuur ons biedt, andere mensen en culturen te ontdekken en in alle
levensgebieden kennis te verwerven. Vooral is het ons gegeven in harmonie met
mens en natuur te leven en te handelen. Harmonisch handelen betekent handelen
zonder een gebondenheid aan de vruchten van de handeling, zonder de bezorgdheid
iets aan onszelf toe te kennen. Onthecht zijn en vrij blijven is de boodschap.
Dit is het merkteken van de monachos.
In
het begin van deze eeuw ontdekte men dit opschrift boven de grote stadspoort
van de oude stad Fateh pur Sikri, ten zuiden van Delhi, gebouwd door de grote
Mogol Akbar, de rechtvaardige :
Jezus - vrede ruste op hem - heeft gezegd
de wereld is een brug
ga erover maar vestig er je woning niet
Die uitspraak van
Jezus was reeds in de XI° eeuw bekend bij de muzelmaanse schrijver Al-Ghazali.
43
de discipelen zeiden
hem
wie ben je die ons dit
zegt
door dit dat ik jullie
zeg weten jullie niet wie ik ben
maar jullie zijn als de
joden
want zij houden van de
boom en verwerpen zijn vrucht
en zij houden van de
vrucht en verwerpen de boom
Joh 8, 25: “Zij zeiden hem:
wie ben je? Jezus zei hen: eerst wat ik jullie zeg.”
Van Joh
8, 25 zijn verschillende versies in omloop. We volgen de lezing van de
Bijbelschool van Jeruzalem, die doorgaans heel betrouwbaar is.
Blijkbaar was “wie ben je ?” ook voor zijn discipelen
een intrigerende vraag. Wie is die man die, zoals uit andere bronnen blijkt,
zieken geneest, onvoorstelbare dingen doet en vooral een beeldentaal spreekt
die hen in verwarring brengt. Zijn antwoord is duidelijk : dit dat ik jullie zeg. Belangrijker dan zijn daden is de inhoud van
zijn woord. Zijn voornaamste opdracht is het een kennis te brengen die getuigt
van de spirituele verbondenheid die hij in zichzelf ervaart. In dit bewustzijn
wil hij zijn medemensen deelachtig maken. Maar het godsbeeld dat hen wordt
voorgehouden is niet te verzoenen met het beeld van een vader, dat Jezus
gebruikt om zijn innerlijke verbondenheid duidelijk te maken.
Daarom sluit hij dit logion af met een verwijzing naar de
tegenstrijdige houding van de joden. Wat kan de betekenis zijn van de boom waar
de joden van houden, zonder evenwel zijn vruchten te waarderen en wat betekenen
de vruchten die zij wel op prijs stellen maar waarvan zij de boom verwerpen ?
De joden hebben een geloof in een God maar de vruchten van hun geloof
smaken bitter. Jaweh is immers een almachtige en vreesaanjagende God, die het
lot van iedere mens in zijn hand houdt. Willen zij kunnen rekenen op een mild
oordeel, dan moeten zij in dit leven Zijn wet nauwgezet onderhouden, hun
rituelen plichtsbewust volbrengen. Met hun God leven zij in een soort
afhankelijkheid die dwingend is, voortdurend eisen stelt, niet aangenaam te
beleven is. De vruchten van hun geloof smaken inderdaad bitter...
De vruchten waar zij wel van houden zijn die waar iedere mens van houdt
: een leven in harmonie met zichzelf en de anderen. Die vruchten behoren tot de
boom die Jezus “vader” noemt maar niet door de joden wordt erkend. Bij die
vruchten horen geen dwingende wetten of rituelen. De mens, die in zichzelf zijn
verbondenheid met de Vader erkent, ontvangt meteen de vruchten - Zijn harmonische
inspiratie - als een gave uit de bron. Dit reveleert hem het leven in een
steeds toenemende vervulling. Die boom is het die de joden verwerpen, hoewel
ook zij van zijn vruchten houden...
Dit onderstreept nog maar eens dat het zien van een verbondenheid
tussen de boodschap van Jezus en het joodse geloof enkel het gevolg kan zijn
van een misbegrip van zijn woord of, zoals voor Paulus het geval was, van een
miskenning ervan.
44 zie
logion 29
45
jezus heeft gezegd
druiven worden niet
geoogst op doornen
noch worden vijgen
geoogst op distels
zij geven inderdaad
geen vruchten
uit zijn rijkdom geeft
een goed mens het goede
een slecht mens brengt
het kwade voort
uit de verderfelijke
schat die in zijn hart is
en hij spreekt met een
kwade tong
zo brengt hij uit de
overvloed van zijn hart het kwade naar buiten
vergelijk: Mt 7, 15-20 - Lc 6, 43-45
Elke handeling is de
uitdrukking van een ingesteldheid. Het bewustzijn, waarin onze gedachten en
gevoelens ontstaan, bepaalt ook onze ingesteldheid en de keuzen die we maken.
De oorzaak van foute daden, van onjuiste inzichten, van een verkeerde
ingesteldheid, ligt niet in een of andere bron van het kwade maar in de mens
zelf, in de verstoring van zijn bewustzijn. Wie handelt vanuit de duisternis
kan enkel verstoring naar buiten brengen. Licht kan niet ontstaan uit de
duisternis, wel uit een bron van licht. Duisternis heeft geen bron, zij is
enkel afwezigheid van licht. Daarom heeft de duisternis geen macht op het licht
en is strijden tegen de duisternis, tegen het kwade, zinloos. Wie licht
brengt verdrijft spontaan de
duisternis !
Zich de wereld voorstellen als een strijdtoneel tussen de machten van
het goede en het kwade is een voorstelling die weliswaar sterk aanspreekt maar
behoort tot de wereld van de verbeelding. De oorzaak van het kwade toeschrijven
aan een satan kan niet, want hierdoor ontvlucht de mens zijn eigen
verantwoordelijkheid. Die
verantwoordelijkheid is het spontane gevolg van zijn deelachtig zijn in het
koningschap van de Vader.
De bron van het bewustzijn is tevens de bron waaruit het innerlijke
licht straalt. Wie geen aandacht heeft voor een gerichtheid naar die bron
binnenin zichzelf en verkiest zich te richten naar de duisternis buiten, is
zelf verantwoordelijkheid voor de verstoring in de eigen psyche of, zo men
verkiest, in het eigen hart. De vruchten van zijn of haar daden zijn navenant...
46
jezus heeft gezegd
van allen die door een
vrouw werden gebaard
van adam tot johannes
de doper
is niemand meer
verheven dan johannes de doper
zodat zijn ogen niet
zullen gebroken worden
ik heb daarentegen
gezegd
wie onder jullie klein
zal zijn zal het koninkrijk kennen
en meer verheven zijn
dan johannes
vergelijk: Mt 11, 11 en Lc 7, 28
De verwijzing naar het
kleine kind behoeft geen commentaar meer. Opmerkelijk hier is de erkenning van
Johannes de doper als de meest verhevene. Wie is die man ? Uit evangelische
getuigenissen kennen we hem als een originele woestijnprediker, die de komst
van het koninkrijk aankondigde en ooit Jezus zou hebben gedoopt. Hij is tot een
juist inzicht gekomen, want het zien kan hem niet meer worden ontnomen. Hierdoor overstijgt hij alle bekende
figuren uit het Oude Testament... Toch heeft ook hij het eindpunt nog niet
bereikt, want nog niet klein geworden...
Eens
te meer blijkt hoe Jezus afstand neemt van hen, die hem in de joodse religieuze
geschiedenis zijn voorgegaan. In het Johannesevangelie brandmerkt hij hen zelfs
als “rovers en dieven”. (Joh 10, 8)
47
jezus heeft gezegd
het is niet mogelijk
dat een man twee paarden bestijgt
of twee bogen spant
en het is niet mogelijk
dat een dienaar twee meesters dient
want hij zal de ene
eren en de andere beledigen
nooit zal een man oude
wijn drinken
zonder meteen te
verlangen de nieuwe wijn te drinken
en men doet geen nieuwe
wijn in oude zakken
omdat er barsten zouden
ontstaan
en oude wijn doet men
niet in een nieuwe zak opdat hij niet zou bederven
men naait geen oude lap
aan een nieuw kleed
want er zou een scheur
ontstaan
vergelijk: Mt 6, 24 en 9, 16-17 - Mc 2,
21-22 - Lc 16, 13 en 5, 36-39
In het eerste gedeelte
van dit logion wordt duidelijk gemaakt dat we voor een keuze worden geplaatst,
waar geen compromissen bijhoren. Het maken van keuzen is inherent aan onze
vrijheid en behoort tot onze dagelijkse bekommernis. In het gebied van het
lagere is kiezen voor een compromis vaak de beste keuze. Hier gaat het echter
om een essentiële keuze, die de gerichtheid van het leven bepaalt. Naar wie of
wat heb ik mijn leven te richten ? Voor wie of wat heb ik hier te dienen ?
Mensen die een religieuze keuze hebben gemaakt en er naar streven de
“wil van God” in dit leven te volbrengen verdienen zeker alle respect. Maar wat
betekent het volbrengen van de “wil van God” ? Is dit het volgen van morele
gedragsregels, die door een religieus gezag werden vastgelegd ? Hoe
verschillend is de “wil” van Allah van die van Jaweh, van de God der
katholieken, protestanten of orthodoxen ? Welke God verbiedt het gebruik van
condomen en welke niet...? Welke God staat het priesterschap voor vrouwen in de
weg...? Zolang mensen bepalen wat de wil is van God, hebben we keuzen in
overvloed...
De projectie van een menselijke
eigenschap - de wil - op een absolute Zijnswaarde is een zinloze oefening ! Dit, dat Jezus
“vader” noemt, dat hij ervaart als zijn innerlijke inspiratiebron, is niet te
verzoenen noch met het beeld van Jaweh, noch met dit van “God de Vader”, zoals het
ons in het christelijke geloof wordt voorgehouden. De keuze, waar Jezus in dit
logion iedere gelovige mee confronteert, is even radicaal als ingrijpend ! Dit
hoort nu eenmaal bij de weg waartoe hij ons uitnodigt en die een uitdaging is
voor de persoonlijke vrijheid én verantwoordelijkheid van iedere mens.
Het tweede deel van dit logion komt ons bekend voor. De wijnliefhebber
heeft evenwel oog te hebben voor een verschillende wijncultuur. Het bewaren van
wijn in landelijke streken was toen immers geen eenvoudige opgave. Daarom was
de nieuwe wijn “het van het” ! Verder is het opvallend dat zich, in de drie
synoptische evangeliën, eenzelfde merkwaardige afwijking heeft voorgedaan. In
dit logion is inderdaad sprake van het zinloze herstel van een nieuw kleed met
een oude lap. Dit lijkt de evidentie zelf ! In de synoptische evangeliën gaat
het eigenaardig genoeg om het herstel van een oud kleed met een nieuw stuk
stof, dat niet zou kunnen... Vraag maar eens aan oma wat zij (of haar mama)
deed toen de knie van een broek of de elleboog van een vest versleten waren.
Jawel, zij naaide er een nieuw stuk in...
Belangrijker nochtans is de symboliek in het beeld te achterhalen. Wat
betekenen het nieuwe kleed en de oude lap, de nieuwe en de oude wijn, de nieuwe
en de oude zakken ? Het nieuwe, waar het in de boodschap van Jezus om gaat, is
het inzicht in de innerlijke verbondenheid van iedere mens met zijn absolute
levensbron, hier en nu, in dit leven. Die verbondenheid is universeel, want zij
kan behoren tot de persoonlijke ervaring van iedere mens en overstijgt hierdoor
elke religieuze beeldvorming. Ofwel
verwerven we dit inzicht in het nieuwe en behoeven we niets meer van het oude,
ofwel verblijven we in het oude. Twee meesters dienen, de God van het oude en
de Vader van het nieuwe, kan niet !
Toch werd de God van het oude ook die van een nieuwe godsdienst, die verschillend
was van de joodse... We kunnen nu trachten te begrijpen hoe dit nieuwe geloof zich
toen heeft kunnen vestigen. Het ligt voor de hand dat de enige overlevingskans voor
een nieuw geloof erin bestond zich te grondvesten in het voorvaderlijke geloof
en dus in het Oude Testament. De religieuze leiders van toen beschouwden echter
de prediking van Jezus als onverzoenbaar met dit voorvaderlijke geloof... En toen
verscheen Paulus ten tonele...
Als farizeïsche jood en, naar eigen bewering, de vurigste onder de
vervolgers van de volgelingen van Jezus, kon Paulus niet onwetend zijn geweest
omtrent het verderfelijke karakter van diens prediking. Desalniettemin zou hij,
na de spectaculaire gebeurtenissen op de weg naar Damascus en zijn plotselinge
bekering, in de gekruisigde en verrezen
Jezus, de door de joden verwachte Messias erkennen... ! Dit belette echter niet
dat de boodschap van Jezus bleef wat zij was : een doorn in het oog van vele
joden en ook van Paulus. Zijn genie bestond er echter in zijn evangelie te
substitueren aan dit van Jezus, dat tenslotte overbodig was want : onze gedachte is de gedachte van Christus...
Dit poneerde hij, zonder enige valse
bescheidenheid overigens, in zijn eerste brief aan de korinthiërs... (2. 16)
Het evangelie dat Paulus predikte was het zijne, niet dat van Jezus !
Zijn erkenning van Jezus als de Christos
- dit is de Griekse vertaling van het hebreeuwse Mashiah - had bovendien twee merkwaardige gevolgen. Enerzijds werd
de verzoening van Jezus met het voorvaderlijke geloof een feit en anderzijds onderging
Paulus de banbliksems van zijn eigen joodse geloof. Een nieuwe godsdienst, die berustte op het theologische concept
van Paulus en niet op het evangelie van Jezus, was geboren...
48
jezus heeft gezegd
indien twee vrede
sluiten in dit ene huis
zullen zij zeggen tot
de berg verwijder je
en hij zal zich
verwijderen
vergelijk; Mt 17, 20 - 21, 21 - 18, 19 Lc 17, 6
Mc 11, 22-23
Twee hebben dus vrede
te sluiten en opnieuw één te zijn. In dit
ene huis kan refereren aan het lichaam waarin we dit leven te volbrengen
hebben. Het kan ook verwijzen naar het vaderhuis waarin we allen genodigd zijn
om “thuis te komen”.
In
dit leven ervaren we alles in termen van dualisme, oordelen we ook zo graag
volgens normen van goed en kwaad. Zo zijn nu eenmaal de regels in het lagere.
De mens heeft zichzelf wetten aangemeten, zijn eigenwijsheid geponeerd en
hierdoor de absolute waardeschaal in verwarring gebracht. Door de wet van
harmonie te miskennen heeft hij zich afgescheiden van zijn inspiratiebron. Wat
één was werd gescheiden, werd twee...
De
noodzakelijke terugweg ligt voor de hand : van twee opnieuw één maken, hier en nu.
Wie z’n vergissing inziet kan de weg naar de oorspronkelijke eenheid teruggaan,
de weg die ooit de verloren zoon ging. Hierdoor kan hij of zij zich opnieuw
bewust worden deel te hebben in het gezag van de Vader, in Zijn wet van
harmonie. Zijn inspiratie werkt zoals het licht : zij verdrijft de duisternis,
is in staat elke verstoring ongedaan te maken, elke hindernis weg te vlakken,
zoals het beeld van de berg duidelijk maakt.
Terloops mag ook dit duidelijk zijn : het is niet het “geloof” in wie
of wat dan ook dat in staat is bergen te verzetten... Zoals godsdiensten in hun
geloof de ware zin van de religieuze
eenheid hebben miskend, zo hebben zij niet alleen geen bergen verzet maar
onder de mensen diepe kloven geslagen.
49
jezus heeft gezegd
gelukkig zij die monachos zijn en werden uitgekozen
want jullie zullen het
koninkrijk ontdekken
omdat jullie uit hem
zijn voortgekomen zullen jullie opnieuw daarheen gaan
De voorwaarde om onze
finaliteit in dit leven waar te maken, om deel te hebben in het koningschap, is
de weg van de monachos te gaan. De
betekenis van monachos werd reeds
toegelicht in de inleiding en bij logion 16. Wie tot een spirituele
volwassenheid wil komen moet zich uit verslavende banden met het lagere
bevrijden. Misleidende en dwingende “waarden”, ook religieuze, moeten worden
losgelaten om in onthechting een
verlossende weg te gaan. Zekerheid biedende “waarheden”, die door mensen worden
aangeboden, zijn waardeloos. Het waardevolle is door ieder voor en in zichzelf
te ontdekken. Loslaten, om op zoek te gaan naar een inzicht en een ervaring die
bevrijdend zijn, dit is de uitdaging van het nieuwe.
De finaliteit van de weg is in bewustzijn thuis
te komen in de bron waaruit we zijn ontstaan. Zoals het zaad, om zijn
finaliteit waar te maken zichzelf moet loslaten in de eenheid met de goede
aarde die ook zijn oorsprong is, zo is het bewustzijn van de monachos de noodzakelijke voorwaarde om
de eenheid met de bron opnieuw te ervaren. De uitverkiezing is het voorrecht van de monachos.
50
jezus heeft gezegd
indien zij jullie
zeggen vanwaar zijn jullie gekomen
zeg hen wij zijn
gekomen uit het licht
daar waar het licht is
ontstaan
uit zichzelf heeft het
zich opgericht
en is het verschenen in
hun beeld
indien zij jullie
zeggen wie zijn jullie
zeg wij {zijn} zijn kinderen
en de uitverkorenen van
de vader de levende
indien zij jullie
ondervragen
wat is het teken van
jullie vader die in jullie is
zeg hen het is een
beweging met een rust
In dit evangelie is
dit één van de meest indringende uitspraken. Dit logion is als het ware een minischeppingsverhaal,
vergelijkbaar met de proloog van het Johannesevangelie, waarin de symboliek van
het woord wordt overgenomen en verduidelijkt door die van het licht. Het
inzicht in de volledige toedracht van de in dit logion voorgehouden kennis
vraagt tijd en bezinning : “dat hij (of
zij) die zoekt niet ophoudt te zoeken...”.
Het
licht is een rijk en universeel gebruikt symbool. Het ligt immers niet alleen
aan de oorsprong van het vermogen te zien, het regelt ook de ritmen van dag en
nacht, van activiteit en rust, van de seizoenen. Het zorgt bovendien en voor warmte
en voor zuurstof. Zonder het licht is leven op aarde gewoon ondenkbaar. Daarom
is het, als een leven onderhoudende energie, het uitgelezen symbool voor de werking
van de Geest.
De
meest aansprekende eigenschap van het licht is ongetwijfeld zichtbaarheid te
brengen. Symbolisch betekent zien : inzicht en dus kennis verwerven. Toch is
het licht zelf niet zichtbaar ! Beelden reveleren zich slechts doorheen een harmonisch
samenspel van licht en materie… Een filmprojectie heeft een scherm nodig om het
beeld, dat in het licht is, zichtbaar te maken.
Wat is nu het teken waardoor het kind
van de vader, de levende, dat in zich het licht draagt en uit te stralen
heeft, herkenbaar is ? Het is een getuigenis van harmonie, de basiswet waardoor
het leven zich reveleert. In haar uitdrukking betekent harmonie : evenwicht,
maat. Het essentiële ritme in de schepping is beweging en rust, handelen en niet-handelen, dag en nacht, zomer en
winter. Die wet van maat is het die de ganse natuur stuurt en ondersteunt, die
de eenheid achter het dualisme reveleert, de ordelijkheid achter de schijnbare
chaos. Enkel in de totale vervulling van de eenheid, in het bewustzijn van de monachos, zijn beweging en rust,
handelen en niet-handelen, één... (zie verder logion 83)
In het Johannesevangelie (13, 35) formuleert Jezus het herkenningsteken
van zijn discipelen als : indien jullie
elkaar liefhebben. Hier is het teken : het
is een beweging met een rust. Hoe zijn beide uitspraken met elkaar te
verzoenen ? Zoals intelligentie de vrucht is van harmonie in het denken, zo is
liefde de vrucht van harmonie in de gevoelens... Deel hebben in Zijn wet van
harmonie is daarom de noodzakelijke voorwaarde om de ware liefde tot
uitdrukking te brengen.
51
zijn discipelen vroegen
hem
welke dag zal er rust
zijn voor hen die dood zijn
en welke dag komt de
nieuwe wereld
hij zei hen
dit waar jullie naar
uitzien is gekomen
maar jullie erkennen dit
niet
52
zijn discipelen zeiden
hem
vierentwintig profeten
hebben in israël gesproken
en allen hebben zij
door jouw hart gesproken
hij zei hen
aan hem die levend voor
jullie staat zijn jullie voorbijgegaan
en jullie hebben
gesproken over hen die dood zijn
Bij de beide vragen
van zijn discipelen komt Jezus tot eenzelfde bittere vaststelling : daar waar
kennis hoort te zijn is nog steeds onwetendheid. Nog maar eens is hier het oude
en de verwachting die het heeft opgeroepen aan de orde en blijkt het hoe
spiritueel onvolwassen de discipelen nog zijn... Nog steeds hebben zij niet
begrepen dat de realiteit van het koninkrijk in potentie aanwezig is, dat die
realiteit van een innerlijke orde is en niets te maken heeft met een
apocalyptisch gebeuren, waarvan de schriften de verwachting hebben opgeroepen.
Ook voor ons geldt dat het gebed : “Uw rijk
kome...” niet zo zinvol is. Want het rijk van de Vader is er ! Zijn gezag ís gevestigd en staat ons dienend ter
beschikking... Niets hoeven we nog te vragen want alles wordt ons aangeboden.
Allen zijn we op ieder ogenblik genodigd tot de bruiloft, het feestmaal van de
eenheid, tot het deel hebben in het koningschap van de Vader. Dit bewustzijn
verklaart de afwijzende houding van Jezus ten aanzien van het vragende gebed
van de joden, dat ook het gebed van de christenen zou worden.
Voor de discipelen, die nog steeds in het oude
verblijven, betekent de boodschap van Jezus : die van alle profeten samen. Zijn
antwoord is onverbloemd : jullie zijn niet in staat het onderscheid te maken
tussen hem die levend voor jullie staat
en zij die dood zijn...
Het is begrijpelijk dat deze logia geen sporen
hebben nagelaten in de kanonische geschriften. Enkel Johannes heeft in 10, 8
een parallelle uitspraak : “allen, die
vóór mij zijn gekomen, zijn rovers en dieven...” Merkwaardig is dat Augustinus wel kennis
blijkt te hebben van logion 52. In “Contra
adversarium legis et prophetarum” XI. 4.14 lezen we : “Wanneer de apostelen... aan de Heer vroegen wat zij te denken hadden
omtrent de profeten van de joden... antwoordde hij : hij die levend voor jullie
staat hebben jullie verworpen, en wij praten over doden !”
53
zijn discipelen zeiden
hem
is de besnijdenis
nuttig of niet
hij zei hen
zo zij nuttig was zou
hun vader hen besneden uit hun moeder laten geboren worden
maar het is in de geest
dat de ware besnijdenis haar totale waarde gevonden heeft
Opnieuw is een joods
ritueel in opspraak : de besnijdenis. Het antwoord van Jezus aan zijn
discipelen is even duidelijk als vanzelfsprekend : aan een dergelijk ritueel valt
geen religieuze betekenis toe te kennen. Wat de Vader voorzien heeft behoeft
geen bijstelling door een menselijke hand... Belangrijker evenwel is de
transpositie van de rituele handeling naar de geest. Echte waarden hebben met
de geest, niet met de penis te maken...
In logion 27 werd het vasten verduidelijkt als
een vasten ten aanzien van de wereld.
Dit begrepen we, niet als een vlucht uit de werkelijkheid, wel als een
aanbeveling tot onthechting aan die normen en waarden die in het lagere
overheersen. Het object van het vasten is het
gebied van het handelen. De besnijdenis is een ritueel waarbij een heel
concrete daad van onthechting centraal
staat. De transpositie ervan naar de geest maakt van dit ritueel een innerlijk gebeuren en situeert de zin
ervan in het gebied van het niet-handelen.
Handelen en niet-handelen zijn intiem met
elkaar verbonden, want elke handeling ontspringt uit een rust. Doorheen onze
psyche manifesteert zich de geest, pneuma,
als een leidinggevende energie, die de keuze van onze handelingen bepaalt.
Doorheen een rustige en dus een meer harmonische psyche zal de handeling zoveel
meer kans maken harmonisch te zijn. De besnijdenis
in de geest betekent een mentale ommekeer, een metanoia, waarbij de geest zich onthecht
aan zijn gerichtheid naar het handelen en zich richt naar de rust van zijn
innerlijke bron.
In Mt
6, 6 heeft Jezus deze merkwaardige uitspraak :
Maar jij, wanneer je bidt, ga binnen in je kamer en, nadat je de deur
gesloten hebt, bid de Vader die in het verborgene is en de Vader, die in het
verborgene ziet, zal je teruggeven.
Ook hier volgen we de
vertaling van de Bijbelschool van Jeruzalem. De Griekse tekst vermeldt
inderdaad : bid de vader die in het
verborgene is en dus niet : bid in
het verborgen tot de vader...
Opnieuw hebben we met een beeldspraak te maken.
De kamer, waarvan we de deur moeten sluiten, is onze binnenkamer, daar waar het
bewustzijn gevestigd is. Willen we ons richten naar de Vader, de bron waaruit
we ontvangen, dan is het nodig de aandacht van het bewustzijn af te sluiten
van, te onthechten aan het gebied
waarin het de handelingen dicteert : de
deur moet gesloten worden. Dit is de toestand waarin het bewustzijn,
bevrijd van elke betrokkenheid bij de buitenwereld, tot een intense en bewuste rust kan komen en hierdoor optimaal ontvankelijk wordt voor
de gaven van de Geest. Dit is ook de finaliteit van het ware gebed : een gerichtheid naar de gevende Vader, die
zelf in het verborgene is. Voor ons
bewustzijn is de Vader niet toegankelijk... De Vader ziet maar wij kunnen hem niet kennen ! In een gerichtheid naar de Vader maken we ons evenwel ontvankelijk voor
wat Hij ons te bieden heeft.
Het is een elementaire natuurwet dat elke
toestand van toenemende rust, van lagere energie, steeds een toestand van
toenemende orde, van juistere harmonie induceert. Wat in die intense en bewuste rust ontvangen wordt is een harmonie herstellende impuls, waardoor het centrale zenuwstelsel,
de fysiologische basis van het bewustzijn, telkens iets meer van zijn
oorspronkelijke zuiverheid kan terugvinden. Vanuit een meer ordelijk bewustzijn
zullen zowel de gedachten, de gevoelens, als de handelingen die hierbij
aansluiten, juister en dus harmonischer zijn. Dit is de weg waarlangs de Geest
en Zijn natuurwet zich in en doorheen de mens manifesteert. Ook hier horen
wetenschap en religie samen.
Uit de oosterse tradities leren we dat meditatie de basis is van elke
persoonlijke evolutie. Het doel van meditatie is de aandacht of de gerichtheid
van het bewustzijn tijdelijk te onthechten aan het gebied waarin het
voortdurend bij de handeling betrokken is, om zo tot een bewuste rust te komen. De betrokkenheid van onze geest bij de
buitenwereld is echter zo hecht, zo dwangmatig geworden, dat het loslaten van
die gerichtheid, hoe natuurlijk het ook mag zijn, blijkbaar niet meer of zelden
nog tot onze spontane mogelijkheden behoort. Daarom zijn we nu genoodzaakt onze
toevlucht te nemen tot een hulpmiddel om een toestand van bewuste rust in het
bewustzijn opnieuw mogelijk te maken.
Er bestaan heel wat technieken die tot een
meditatieve rust kunnen leiden. Gebruik maken van een mantra is wellicht de
meest verspreide. Een mantra is een klank, uitgedrukt in een woord zonder inhoud, die repetitief in
de geest wordt opgeroepen. De aandacht van de geest wordt als het ware
opgevangen in een inhoudsloze klank.
Dit is een weg waarlangs een fysiologische toestand van intense en toch bewuste
rust kan worden geïnduceerd.
Ook in het Westen kennen we het gebruik van een
dergelijke techniek. Gregoriaanse gezangen, litanieën met het steeds herhaalde
“bid voor ons”, het bidden van “de paternoster”, het zijn allen middelen die
kunnen leiden tot een toestand van meditatieve rust, op voorwaarde evenwel geen
aandacht te schenken aan de inhoud van de woorden. In de gedachteloosheid van een meditatieve stilte is er geen “ik” meer,
enkel een “zijn” waarin ontvangen wordt. In die rust lost het ik-bewustzijn
zich als het ware op in een universeel bewustzijn. De regendruppel gaat
spontaan de weg terug naar de oceaan, zijn natuurlijke moeder. Die rust is de
noodzakelijke component die leidt tot het herstel van het oorspronkelijke
evenwicht in het basisritme van beweging
en rust (zie logion 50).
De sabbat en het ware gebed hebben beide met
een gerichtheid naar de Vader te maken, niet met een onmogelijke communicatie met
de Vader ! Het is een gerichtheid naar de leegte binnenin onszelf, waarin we
zelf leeg worden. Om die toestand te bereiken is een besnijdenis in de geest de noodzakelijke voorwaarde.
54
jezus heeft gezegd
gelukkig zijn de armen
want van jullie is het
rijk der hemelen.
vergelijk: Mt 5, 3 - Lc 6, 20
“Arm zijn” betekent
niet noodzakelijk in een toestand van ontbering verkeren. Zij die in staat zijn
te voorzien in hun elementaire levensbehoeften, zonder aanspraak te kunnen
maken op enig overbodige luxe, kunnen zich ook niet hechten aan waarden, die
tenslotte oppervlakkig en misleidend blijken te zijn. Spontaan leert het leven
hen die waarden te erkennen die niet aan vergankelijkheid onderhevig zijn. Hoe
vaak stellen we niet vast dat solidariteit, als een elementaire uiting van
harmonie, onder minder bedeelden zoveel oprechter is dan onder welstellenden.
Hoe weinig zij ook hebben, toch is het hen een vreugde dit met anderen, soms
totaal vreemden, te delen. Dit leren we vooral van die mensen en volkeren, die
zogenaamd “primitiever” zijn dan wij. Toch beschouwen we het voor niemand als
een voorrecht niet rijk te zijn...
In de
uitdrukking van harmonie is alles een kwestie van maat. Arm zijn kan betekenen :
niets teveel hebben. Zeker is dat rijk zijn geen voorwaarde is voor geluk ! Aan
wat we niet bezitten kunnen we ons ook niet hechten. Wie onthecht is aan het
overbodige kan zich des te vrijer richten naar die waarden die niet met
vergankelijkheid te maken hebben. Wat maakt meer gelukkig : hebben of zijn...?
55
jezus heeft gezegd
wie niet zijn vader en
zijn moeder afwijst
zal mijn discipel niet
kunnen zijn
en wie niet zijn
broeders en zusters afwijst
en zijn kruis draagt
zoals ik
zal mij niet waardig
zijn
101
wie niet zijn vader en
zijn moeder afwijst zoals ik
zal mijn discipel niet
kunnen zijn
en wie niet van zijn
vader en zijn moeder houdt zoals ik
zal mijn discipel niet
kunnen zijn
want mijn moeder heeft
me ter wereld gebracht
maar mijn ware moeder
heeft me het leven geschonken
vergelijk: Lc 14, 26-27 - Mt 10, 37-38
De reden waarom we
beide logia samenbrachten ligt voor de hand. In beide stelt er zich trouwens
eenzelfde vertaalprobleem. Vertalen is een delicate oefening. Woorden zijn
cultuurgebonden uitingen van een ingesteldheid op een bepaald ogenblik. Van dit
ogenblik zijn we door twintig eeuwen evolutie gescheiden. Het werkwoord dat we
hier vertaalden door afwijzen werd in
de kanonische evangeliën vertaald door haten.
Die vertaling van het Griekse misein
is filologisch verantwoord. Toch blijft de vraag waarom gekozen werd voor de
meest extreme betekenis ervan. Ons lijkt de inhoud, die wij nu aan “haten”
toekennen, niet te verzoenen met de mens Jezus. Welk woord gebruikte hij toen
in zijn taal en wat was de weerklank ervan in zijn cultuur ? Naar onze cultuur
toe zou een vertaling door afstand nemen
van wellicht de meest adequate kunnen zijn. In logion 101 wordt immers ook
de waarde van houden van benadrukt.
Voor
een kind betekent volwassen worden : afstand nemen van een zekerheid biedende
geborgenheid binnen het ouderlijke gezin om in vrijheid een weg van
persoonlijke levenskeuzen te gaan. Dit “afstand nemen van” heeft niets met
haten te maken...! Toch is het duidelijk dat Jezus een radicale lijn aanhoudt :
wie het nieuwe in zich wil opnemen moet afstand nemen van het oude. Daarom
houdt religieus volwassen worden in : door anderen opgelegde inzichten
loslaten, om in oprechtheid een eigen zoekende weg te gaan. Die weg wordt in de
eenzaamheid van een individuele vrijheid gegaan.
De kennis in de woorden van Jezus is een
bevrijdende kennis, zijn discipel is een bevrijde mens die de kiem van het
nieuwe leven in zich heeft opgenomen. Die noodzakelijke mentale vrijheid kan
o.m. in de weg worden gestaan door sentimentele bindingen. Hiervan afstand
nemen hoort bij de pijn van het volwassen worden, gesymboliseerd in het dragen van een kruis. Toch kan die
vrijheid de waarde van het liefhebben niet in de weg staan. Steeds kunnen
liefde en onderscheidingsvermogen harmonisch worden beleefd !
Opmerkelijk in logion 101 is dat Jezus het
beeld van de vader even inruilt voor dit van de moeder. Dit was toen cultureel
zeker verstorend en zal het begrip van zijn beeldspraak niet eenvoudiger hebben
gemaakt. (zie ook logion 114) Hiermee benadrukt hij het onderscheid tussen het
biologische leven, dat door de moeder gegeven wordt, en het ware leven, dat we
van onze ware moeder kunnen
ontvangen. Het ene, de geboorte, ondergaan we. Voor het andere hebben we zelf
een bewuste keuze te maken...
Het
beeld van het kruis kan geen referentie zijn aan Golgotha, want Jezus spreekt
hier in de tegenwoordige tijd. Ook hij heeft de gevolgen van zijn keuzen te
aanvaarden. Toen konden die gevolgen nog leiden tot een vernedering aan een
reëel kruis...
56
jezus heeft gezegd
wie de wereld gekend heeft
heeft een lijk gevonden
en wie een lijk
gevonden heeft
de wereld is hem niet
waardig
80
jezus heeft gezegd
wie de wereld gekend heeft
heeft het lichaam
gevonden
wie daarentegen het
lichaam gevonden heeft
de wereld is hem niet
waardig
Twee logia die zich
nauwelijks van elkaar onderscheiden. Vermoedelijk zijn dit twee varianten van
eenzelfde uitspraak. Toch kan het belangrijk zijn op het verschil te letten.
Want een lijk en een lichaam zijn inderdaad verschillend en niet alleen
biologisch ! Het ene, een lijk, is
nutteloos. Het andere, het lichaam,
is waardevol want het is het middel waardoor de Geest zich in de mens kan
uitdrukken. (zie logion 29) Een lichaam, dat binnenin zichzelf de Geest erkent,
is levend, zo niet is het slechts een lijk ! Wie dit in zichzelf erkend heeft :
de wereld is hem of haar niet waardig...
De
waarden die in onze leefwereld overheersen zijn slechts relatief en dus tijdgebonden.
Die waarden bepalen echter onze ik-waarde, ons zelfbewustzijn. Wat beteken ik
binnen mijn samenleving, wat maakt mij belangrijk...? Hier geldt vooral de wet
van de leeuw, van de sterkste, de invloedrijkste, want aan hem of haar behoort
de macht. Van die macht ben ik afhankelijk geworden. Langs sluipwegen werd mijn
vrijheid aan banden gelegd. Die bewustwording houdt een uitnodiging in om echte
waarden in een andere richting te zoeken. Lijken kunnen tot leven komen,
levende lichamen worden door in zichzelf de Geest te erkennen. Wie dit in
zichzelf heeft erkend overstijgt meteen alle wereldlijke waarden...
57
jezus heeft gezegd
het koninkrijk van de
vader is gelijkend aan een man
die een uitstekend
zaaigoed bezat
zijn vijand kwam bij
nacht
en verspreidde onkruid
onder het uitstekende zaaigoed
de man liet niet toe
dat men het onkruid zou uitrukken
uit vrees zo zei hij
hen dat jullie zouden gaan en zeggen
wij zullen het onkruid
uitrukken
en jullie tevens het
koren zouden uitrukken
inderdaad de dag van de
oogst zal het onkruid zichtbaar zijn
het zal worden
uitgerukt en verbrand
vergelijk: Mt 13, 24-43
Enkel Mattheüs
vermeldt deze parabel in zijn evangelie, zij het in een wat opgeklopte versie
en bovendien voorzien van een interpretatie, waarvan met grote
waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat zij, zoals dit voor de parabel van
de zaaier het geval was, in de mond van Jezus werd gelegd. Zijn interpretatie
kan overigens gelden als een voorbeeld voor het onkruid dat in de duisternis
gezaaid werd... Helaas is dit het lot geworden van vele evangelische
commentaren.
Ooit
waren ook wij een kind van zeven dagen. Onbezoedeld nog verblijft dit kind in
de zuiverheid van de eenheid met zijn levensbron, de Vader. Wat het ontvangt
beantwoordt aan Zijn wet van harmonie. Van die wet heeft de mens zich echter
afgescheiden. De vrucht van de boom van kennis, het gezag dat enkel de Schepper
toebehoort, heeft de Adam zich toegeëigend. Zijn weten werd wet... Wie handelt
vanuit een vermeende kennis, die haar oorsprong heeft in hoogmoed, veroorzaakt
sowieso verstoringen. Hiervan werd ieder kind het slachtoffer. Het onbezoedelde
werd, ongewild en ongewenst, verstoord door een pretentieus menselijk weten.
Zich
hiervan bewust worden vergt, zoals de oude man in logion 4 illustreert, tijd en
bezinning. Geduld is een mooie deugd ! Het is niet evident het onkruid snel te
onderscheiden van de vruchten van het goede zaad. Onderscheidingsvermogen heeft
met intelligentie en dus met levenservaring te maken. Juiste inzichten kunnen
zich slechts ontwikkelen indien de basis van kennis, het bewustzijn, voldoende
gezuiverd en dus gelouterd is.
De wet van karma verbindt elke handeling met haar gevolgen : wat je
zaait, oogst je. In het vierde hoofdstuk van het Johannesevangelie gebruikt
Jezus dit merkwaardige beeld : de zaaier
en de maaier zijn één. De dag van de oogst,
die door Mattheüs werd geïnterpreteerd als de “dag des oordeels” met de
dreiging van het helse vuur, is onlosmakelijk verbonden met het ogenblik waarop
het zaad de eenheid met de goede aarde terugvindt. Daar waar het begin is, daar zal het einde zijn. Zoals in het
ganzenspel keert men hier even terug naar logion 18...
58
jezus heeft gezegd
gelukkig de mens die de
beproeving gekend heeft
hij heeft het leven
gevonden
Dit logion
confronteert ons met één van de meest delicate aspecten in dit leven : de
erkenning van de zin van lijden en pijn. De noodzakelijk loutering, waarvan
sprake in het vorige logion, kan zich niet voltrekken zonder het kennen van beproevingen... Eerder gebruikte Jezus hiervoor het beeld van het
dragen van een kruis. Het kennen van de
beproeving kan begrepen worden als het ondergaan ervan. Het kan ook worden
geïnterpreteerd als het begrijpen en dus het aanvaarden van een pijnlijke
ervaring, waarvan de zin voor ons aanvankelijk verborgen was. Soms overkomt het
ons dat we pas jaren later de betekenis inzien van een beproeving, die ons ooit
in de diepste vertwijfeling bracht...
Soms is het nodig op een pijnlijke manier met de neus op de feiten te
worden gedrukt vooraleer tot een juiste bezinning te komen, vooraleer onze
eigen vergissingen in te zien. Maar dit inzicht is nu juist een essentieel
gegeven op de weg van loutering die we te gaan hebben. Vaak fungeert het lijden
als een persoonlijke dwangbuis, zoals de wet van karma kan beschouwd worden als een dwangbuis voor de universele harmonie...
Een kennis van het creatieve gebeuren, waar het menselijke leven deel
van uitmaakt, leert ons dat die werkelijkheid gedragen wordt door een wet van
harmonie, waarin elementaire deeltjes, atomen, moleculen en celletjes blijvend
samengaan in een creatieve evolutie. Omdat alleen de mens een vrijheid van
handelen heeft ontvangen, kan hij en alleen hij in die harmonie interfereren en
oorzaak zijn van verstoringen. Maar de wet van harmonie is absoluut en dus
vraagt elke verstoring om herstel. Dit is de zin van de wet van karma, de wet van oorzaak en gevolg, die
de orde in het lagere in de hand houdt.
Karma betekent handeling.
Wanneer we fout handelen verstoren we een evenwicht dat zichzelf zoekt te herstellen. Onvermijdelijk en onverbiddelijk
ook krijgen we daarom de rekening gepresenteerd. Zolang we het verband inzien
tussen oorzaak en gevolg zijn we in staat de gevolgen, hoe pijnlijk ook, te
aanvaarden. Ontberen we dit inzicht dan worden we geconfronteerd met het
onaanvaardbare onrechtvaardige... Een essentieel kenmerk van de manifeste
schepping is dat alles met alles verbonden is. Die solidariteit heeft tot
gevolg dat elke individuele verstoring collectieve gevolgen zal hebben, zoals
elke juiste individuele handeling het geheel ten goede komt.
Sinds de mens het op aarde voor het zeggen heeft veroorzaakte hij
echter zovele verstoringen, dat enig inzicht in de collectieve consequenties
van de wet van oorzaak en gevolg nu voor ons totaal is uitgesloten. Het is echter niet, omdat ik de zin van iets
niet inzie, dat ik mag zeggen dat het zinloos is... Dit gebrek aan inzicht
toedekken, door de oorzaak van het kwade toe te schrijven aan de
ondoorgrondelijke wil van een God, aan een satan of aan de grilligheid van het
lot, betekent onze onwetendheid verhullen met verzinsels en onze
verantwoordelijkheid als mens miskennen.
Omdat iedere mens, bewust of onbewust, deel heeft in het koningschap van de
Vader, in Zijn wet van harmonie en dus in de ontwikkeling van het levensproces
op aarde, draagt iedere mens ook zijn deel in de verantwoordelijkheid voor de
evolutie in de schepping.
Niemand is vrij van fouten. In het dragen van die foutenlast zijn we
allen solidair, of we dit rechtvaardig vinden of niet... Hoe we met die
ervaring omgaan, tot welke diepgaande bezinning zij een aanleiding kan zijn,
bepaalt in een niet onbelangrijke mate voor onszelf het groeiproces in dit
leven. Nooit echter kan het lijden een meester zijn, aan wie we ons in
fatalisme te onderwerpen hebben, noch kan het gelden als een middel dat voor
ons, in navolging van het lijden van Christus, de poorten van de hemel kan
openen.
In Christus werden liefde en lijden verenigd. Dit houdt een
opmerkelijke tegenstelling in, want liefde
is een uiting van harmonie, lijden het gevolg van disharmonie...
59
jezus heeft gezegd
hou jullie blik gericht
naar hem die levend is
zolang jullie levend
zijn
zodat jullie niet
sterven
en zoekend hem te zien
niet meer kunnen zien
Bij herhaling houdt
Jezus ons voor onze alertheid niet op te geven. Wat verworven is kan steeds
door onachtzaamheid verloren gaan. We zijn nu eenmaal mensen met zwakheden en
begrenzingen. Ook al zijn we bewust van de opdracht die de onze is, van de weg
die we te gaan hebben, toch kan dit bewustzijn overwoekerd worden door het
onkruid waar we dagelijks mee te maken hebben en ons in de verleiding kan
brengen een foute gerichtheid te kiezen. “Z’n
blik gericht houden op hem die levend is” betekent onze aandacht gericht
houden naar de innerlijke bron waaruit we het licht kunnen ontvangen om juist
te zien. De ontvankelijkheid voor dit
licht bepaalt het onderscheid tussen leven en dood.
60
{zij zagen} een
samaritaan die een lam droeg en judea binnen ging
hij zei tot zijn
discipelen
wat gaat hij aanvangen
met het lam
zij zeiden hem
hij zal het doden en
het opeten
hij zei hen
zolang het levend is
zal hij het niet opeten
maar wel indien hij het
doodt en het een lijk geworden is
zij zeiden
op een andere wijze zal
hij het niet kunnen
hij zei hen
jullie zoek voor jezelf
een plaats binnenin een rust
zodat jullie geen
lijken worden en worden opgegeten
De waarschuwing in het
vorige logion herhaalt zich hier op een meer expliciete wijze. Ook al zijn we
tot een nieuw inzicht gekomen, al
hebben we het belang van ons ik gerelativeerd in een mentale erkenning van de
absolute bron van onze mogelijkheden, al zijn we tot een juister bewustzijn van
onszelf gekomen, toch geeft het oude zijn macht niet zomaar uit handen. De
weerbaarheid van het eens zo belangrijke ikje is niet te onderschatten ! Die
macht is het die van ons opnieuw een lijk
kan maken, waardoor we onszelf verlagen tot voedsel voor de leeuw...
Opmerkelijk is de richtlijn die Jezus telkens geeft om ons tegen
onszelf te beschermen. In logion 59 was dit : hou jullie blik gericht naar hem die levend is, hier : zoek voor jezelf een plaats binnenin een
rust… Logisch dus dat er een verband zou bestaan tussen de juiste
gerichtheid van onze geest en het zoeken van een plaats binnenin een rust. Dit
doet spontaan terug denken aan het beeld van logion 53 : de besnijdenis in de geest. De gerichtheid naar een innerlijke
rust, naar de leegte binnenin onszelf, is een gerichtheid naar hem die levend is...
Een niet onbelangrijke overweging kan hier eveneens aan de orde zijn.
Het hebreeuwse woord voor lam is namelijk
talya. Maar talya betekent ook
dienaar. Vandaar de mogelijke verwarring tussen “lam Gods” en “dienaar Gods”.
Jezus is de dienaar, niet het lam...! Het essentiële onderscheid is dat de
dienaar dient zolang hij levend is.
Een lam dient slechts wanneer het een lijk
geworden is... Wat is belangrijker :
de boodschap van de levende Jezus of de menselijke associatie van zijn
kruisdood met het joodse offerfeest, waarbij ter nagedachtenis van Abraham een
lam geofferd werd...?
61
jezus heeft gezegd
twee zullen daar rusten
op één bed
de ene zal sterven de
andere zal leven
salome zei
wie ben je mens
vanuit het ene heb je mijn bed bestegen en aan mijn tafel gegeten
jezus zei haar
ik ben die is uit de gelijke (*)
mij is gegeven wat van
mijn vader is
- ik ben jouw discipel
daarom zeg ik dit
wanneer hij leeg zal
zijn geworden zal hij vervuld zijn van licht
maar indien hij
verdeeld is zal hij vervuld zijn van duisternis
vergelijk: Lc 17, 34-35 - Mt 24, 40-41 - Jn 14, 10 en 16, 15
Een bijzondere
ontmoeting tussen Jezus en een vrouw, Salomé. Een gesprek onder vier ogen -
zoals de ontmoeting van Jezus en een samaritaanse vrouw in het
Johannesevangelie - doet steeds vragen rijzen bij de correcte weergave van wat
gezegd werd. Waren er getuigen bij deze ontmoeting ? De omstandigheden wijzen
op een zekere intimiteit. Een ongehoorde situatie dus voor een religieus
gesprek dat toen uitsluitend tot het mannelijke territorium behoorde. Die
discriminatie hoort echter niet bij de gnosis van Jezus...
De
voornaamste thema’s van zijn getuigenis zijn hier aan de orde :
- de keuze tussen levend worden of dood blijven
- het bewustzijn één te zijn met de Vader
- de noodzaak innerlijk opnieuw leeg te worden
Het inzicht waarvan
Jezus getuigt is radicaal : ofwel komen we tot leven ofwel blijven we dood. Een
tussenweg is er niet. Ofwel zijn we bevrijd van de wijn die ons dronken maakte,
zijn we opnieuw leeg geworden en
hierdoor ontvankelijk voor het innerlijke licht, ofwel verblijven we binnen de
begrenzingen van de gescheidenheid, de verdeeldheid en is de duisternis ons
deel.
Lijn 9, aangeduid met (*), kan een gelegenheid zijn tot een diepgaande
bezinning ! Wat is de natuur van de verbondenheid van het mensenkind met de
Vader ? “Ik en de Vader zijn één”
zegt Jezus in Joh 10, 30. Betekent één zijn evenwel ook identiek zijn...? Zaad
en grond zijn één, zaadcel en eicel zijn één... toch zijn zij niet identiek !
Hier definieert Jezus zichzelf als die is
uit de gelijke. De vrucht van het
zaad is zaad... Het begrip “gelijkheid” is een relatief en dus een dualistisch
begrip ! De regendruppel die zich bewust is van zijn oorsprong, de oceaan, kan
bezwaarlijk de oceaan als zijn “gelijke” beschouwen. Toch zijn beide H2O...
Jezus mag dan wel, zoals de Boeddha, een buitengewoon mens zijn
geweest, ook hij is, zoals uit de traditionele evangeliën blijkt, een mens “van
vlees en bloed”, voor wie het niet altijd eenvoudig is zijn kennis in een voor
zijn medemensen toegankelijke taal te verwoorden. Soms gelijken zijn uitspraken
aan de koans in het zenboeddhisme...
62
jezus heeft gezegd:
ik spreek mijn verdoken
woorden tot hen die ze waardig zijn (*)
wat je rechter zal doen
je linker hoeft niet te
weten wat zij doet
vergelijk: Mt 6, 3-4
noteer ook de hoogmoedige ontaarding in:
Mt 13, 10-13 - Mc 4, 10-12 - Lc 8, 9-10
(*) het koptische
woord dat vertaald werd als verdoken
woorden is mysterion.
Een mysterion inderdaad, dat
ook sporen heeft nagelaten in de kanonische evangeliën. Wie handelt vanuit de
eenheid handelt juist. Een juiste handeling is én een dienende én een aan zijn
vruchten onthechte handeling. Dus niet : met de ene hand geven en met de andere
verwachten te ontvangen.
“Handel omwille van de handeling,
niet omwille van de vruchten” zegt Krishna in de Bhagavad Gita. “Zolang de eigen verlangens de gedrevenheid tot
het handelen bepalen, verblijven we in een kringloop waar enkel lijden het
gevolg van is.” zo spreekt de Boeddha. In hoofdstuk 4 van het
Johannesevangelie zegt Jezus : “de zaaier
en de maaier zijn één”...
De
gevolgen van de handeling zijn inherent aan de handeling zelf. Wat we zaaien
oogsten we : zaaier en maaier zijn inderdaad één. Er valt geen rekenschap af te
leggen, noch van rechts aan links, noch aan een grote Rechter : de vereffening
ligt in de handeling. Dit is inherent aan de wet van karma.
Het is
de taak van de dienaar te dienen vanuit de eenheid met zijn heer. Noch wat hij
dienend geeft, noch de gevolgen van zijn daden behoren hem toe. Ook de
goedheid, die we zo graag aan onszelf toekennen, behoort ons niet toe... We
kunnen enkel dankbaar zijn omdat we de mogelijkheid ontvangen goed te kunnen zijn.
Wie aan zichzelf enige verdienste toekent bindt zich aan de vruchten van de
handeling. Wie zich bindt maakt zich afhankelijk. In Zijn wet is geen ruimte
voor afhankelijkheid, enkel voor een harmonische verbondenheid...
63
jezus heeft gezegd
er was een rijke man
die een groot fortuin bezat
hij zei
ik zal mijn fortuin
aanwenden om te zaaien te oogsten te planten
zodat ik mijn zolders
kan vullen met vruchten
en van niets een tekort
zal hebben
zo dacht hij bij
zichzelf en die nacht stierf hij
wie oren heeft dat hij
hoort
vergelijk: Lc 12, 16-21
Wie hier commentaar
behoeft kan teruggaan naar logion 42 of 54.
64
jezus heeft gezegd
een man had gasten en
nadat hij het maal bereid had
zond hij zijn dienaar
om de gasten te nodigen
hij ging naar de eerste
en zei hem mijn meester nodigt u
deze antwoordde
ik heb geld klaar
liggen voor handelaren
vanavond komen zij bij
mij en ik zal hen mijn orders geven
ik excuseer me voor het
maal
hij ging naar een
andere en zei hem mijn meester nodigt u
deze zei hem
ik heb een huis gekocht
en moet hiervoor een dag vrijmaken
ik zal niet vrij zijn
hij kwam bij een andere
en zei hem mijn meester nodigt u
deze zei hem
mijn vriend gaat huwen
en ik moet het feestmaal bereiden
ik zal niet kunnen
komen verontschuldig me voor het maal
hij ging naar een
andere en zei hem mijn meester nodigt u
deze zei hem
ik heb een hoeve
gekocht en moet de opbrengst ervan ophalen
ik zal niet kunnen
komen sorry
de dienaar kwam en zei
tot zijn meester
allen die je genodigd
hebt hebben zich verontschuldigd
de meester zei tot zijn
dienaar
ga langs de weg staan
hen die je zult
ontmoeten breng hen naar hier om de maaltijd te nuttigen
waar mijn vader is
zullen kopers noch handelaren binnen gaan
vergelijk: Mt 22, 1-10 - Lc 14, 15-24
Wat is de zin van het
feestmaal waartoe zij, wij dus, genodigd zijn maar waarvan wij de waarde niet
juist weten in te schatten en waarvoor wij dus ook niet de nodige aandacht
opbrengen ? Is het een hemelse beloning die ons te wachten staat na deze aardse
beproevingen ? De laatste lijn van het logion maakt immers duidelijk dat het
bij de Vader is dat we genodigd zijn. En wie zijn zij op wie hij rekende en die
het lieten afweten ? En zij die niet voorkomen op de lijst van de genodigden
maar die wel op de weg te ontmoeten
zijn ? Omdat zij reeds onder weg zijn
komen zij in aanmerking om deel te hebben in het feestmaal... Zou dit feestmaal
dan toch kunnen behoren tot de werkelijkheid van dit aardse leven...?
Het
aardse paradijs, waarvan sprake in de Bijbel, beschouwen we als een sprookje.
De mogelijkheid dit leven te beleven als een feestmaal kan evenmin gelden als
een realistische visie. Onze dagelijkse ervaring spreekt dit grondig tegen !
Toch is het niet voor het eerst dat we in dit evangelie met een
onwaarschijnlijke voorstelling geconfronteerd worden… Vanuit onze dronkenschap,
ons verblijf in de armoede van de duisternis, vanuit ons pretentieus weten over
God en zijn geboden, over de plaats van Zijn rijk, kortom vanuit onze hoogmoed
te denken over een juiste kennis te beschikken, valt het ons bijzonder moeilijk
open te staan voor een alternatief, dat het gevolg zou zijn van een juist
begrip en een consequent beleven van Zijn wet van harmonie. Voor die wet, waar
nochtans elke plant, elk dier, elk celletje van ons eigen lichaam spontaan naar
luistert, voor haar uitnodiging is ons ikje doof geworden...
Wat jullie verwachten
is gekomen, maar jullie kennen het niet werd in logion 51 gezegd. Zoals het nirwana voor de Boeddha, zo behoort ook
voor Jezus het deel hebben in het
koningschap van de Vader tot de realiteit van dit leven. Ook in Luc. 17, 21
zegt hij : “want het koninkrijk van God
is binnenin u”... Het beleven van dit leven vanuit een bewuste
verbondenheid met een absoluut levensprincipium,
dat én bron is én wet, dat Jezus verbeeldt in het beeld van een vader, dit zou
dus het feestmaal zijn dat ons hier en nu wordt aangeboden.
Indien dit beeld van een feestmaal, zoals dit van het aardse paradijs,
toch in het scheppingsplan zou besloten liggen, wat is dan de oorzaak waardoor
alles zo schromelijk is misgelopen ? Kan het scenario nu nog worden bijgestuurd
? Het antwoord op deze vragen confronteert ons met onze verantwoordelijkheid
als mens in deze wereld. Want in de schepping is het enkel de mens gegeven vrij
zijn handelingen te bepalen. Het prijskaartje dat aan die vrijheid kleeft heet verantwoordelijkheid, niet alleen
individueel maar ook collectief. Bij logion 58 deden we een poging om de wet
van karma toe te lichten : in de handeling zelf ligt de vergelding ervan. Juist
handelen is harmonie herstellend, fout handelen harmonie verstorend. Handelen
vanuit een foute ingesteldheid, waarin de echte levenswaarden worden miskend,
zal steeds verstorende gevolgen hebben !
Dit is het dat sinds mensengeheugenis gebeurde. De Adam negeerde het
gezag van de Vader, zijn wet van harmonie. Nog steeds zijn wij de Adam, zijn
onze egocentrische verlangens de leidraad voor de keuzen die we maken, voor de
beslissingen die we nemen. Wat boven alles heilig is in dit leven is “ik” en
“mijn”. Dit is mijn gezin, mijn huis, mijn werk, mijn recht, mijn volk, mijn
cultuur, mijn geloof..., mijn, mijn... We zijn dringend aan “ont-mijn-ing” toe ! Niet dat we onze
eigenheden moeten verloochenen, maar een flinke dosis relativering mag best !
Een
boom bestaat uit miljarden celletjes die allen luisteren naar Zijn wet. Indien
die celletjes zich zouden gedragen zoals wij mensen, zou er geen boom zijn maar
een hoopje stof, omdat elke harmonische coherentie zou zijn verdwenen... Niet
de harmonie van het geheel maar het eigenbelang regeert onze gedragingen. Die
ingesteldheid ligt, sinds de zondeval, aan de oorsprong van een spiraal van
negativiteit waarvan de gevolgen nu niet meer zijn te overzien. Want
onverbiddelijk straft de wet van oorzaak en gevolg elke verstoring af. Zoals
Jezus in logion 28, kunnen ook wij nu enkel het onheil vaststellen en onze
verantwoordelijkheid hiervoor erkennen.
Wat ons allen op dit kleine planeetje verbindt is zoveel belangrijker
dan wat ons scheidt ! Oog hebben voor die waarden, die ons verenigen in de
gemeenschap met eenzelfde levensbron en haar wet, vereist echter het loslaten
van egocentrische bezorgdheden, die ons doof maken voor de meest essentiële
uitnodiging. Wie dit heeft ingezien en de
juiste weg gaat, is genodigd tot het feestmaal bij de Vader.
Welke
voorstelling van deze aardse realiteit we ook voor ogen hebben, nooit kan zij
een excuus zijn om onze verantwoordelijkheid hier en nu te ontvluchten. Want
allen samen bepalen we nu de levenskwaliteit voor hen die na ons komen.
65
hij heeft gezegd
een welstellend man had
een wijngaard
die hij aan wijnbouwers
had gegeven om hem te bewerken
zodat hij de vruchten
ervan uit hun handen zou ontvangen
hij zond zijn dienaar
naar de wijnbouwers
om de opbrengst van de
wijngaard in ontvangst te nemen
zij overmeesterden zijn
dienaar sloegen hem bijna doodden zij hem
de dienaar ging en
meldde dit aan zijn meester
de meester zei
misschien heeft hij hen
niet herkend (*)
hij zond een andere
dienaar
de wijnbouwers sloegen
ook hem
toen zond de meester
zijn zoon en zei
misschien zullen zij
hem mijn zoon eerbiedigen
de wijnbouwers nu omdat
zij hem herkenden als de erfgenaam van de wijngaard
grepen en doodden hem
hij die oren heeft dat
hij hoort
vergelijk: Mt 21, 33-41 - Mc 12, 1-9 - Lc
20, 9-16
De regel aangeduid met
(*) werd letterlijk vertaald. Vermoedelijk betreft het hier een
transcriptiefout. Meer logisch zou inderdaad zijn : misschien hebben zij hem niet herkend.
Dit
biologische leven ontvangen we, zoals de wijnbouwers de wijngaard ontvingen :
niet als een geschenk maar in bruikleen. Een geschenk behoort ons toe, een
bruikleen hebben we terug te geven... Willen we ten volle genieten van wat ons
werd toevertrouwd, dan is het noodzakelijk elementaire regels te eerbiedigen.
Vóór alles hebben we ons bewust te zijn en te blijven dat de mogelijkheden, die
we in onszelf ervaren, ons niet toebehoren. Zij zijn slechts een bruikleen. Ook
de vruchten van dit bruikleen kunnen we niet aan onszelf toekennen, zo niet vervallen
we in de fout van hoogmoed : het aan onszelf toekennen van iets dat ons niet
toebehoort. Dit geldt niet alleen voor de vruchten die we hier kunnen verwerven
maar ook voor de kennis, het recht, de macht en zelfs de goedheid waarmee we
onszelf bekleden.
Zijn
de levensomstandigheden ons gunstig en beschikken we over een relatieve
welstand, dan kunnen we aardig wat ontdekken en genieten in dit leven, onder
meer van lekkere wijn... Daar is niets fout mee, op voorwaarde bewust te
blijven van de bron waaruit we ontvangen en van haar wet van harmonie. Want
genieten kan niet ten koste van anderen, noch ten koste van de harmonie in de
natuur. Het is de bedoeling het bruikleen, dat ons werd toevertrouwd, zinvol
aan te wenden. Dit bruikleen, de wijngaard, moeten we dus als goede dienaren
bewerken zodat we optimaal de vruchten ervan kunnen oogsten.
Onze
opdracht is het dienend te zijn en de vruchten van onze dienstbaarheid in
dankbaarheid te verheffen tot de heer van de wijngaard. Dit is de zin van het
ware offer, waardoor de mens zich verheft tot mensenkind, tot kind van de
Vader. Pas dan zal hij optimaal genieten van de wijn die hij, in eenheid met
zijn Heer, heeft voortgebracht. Wijn hoort nu eenmaal bij een feestmaal...
Vanuit een christelijk perspectief ligt het voor de hand Jezus hier te
erkennen als de zoon die zijn status van erfgenaam met de dood heeft bekocht.
Dit zou dus een profetisch beeld kunnen zijn. Dit beeld mag ons echter niet
afleiden van de essentie van de boodschap, die is dat iedere mens in wezen
volwaardig kind is van de Vader. De zin
van de unieke erfgenaam hoort bij het gebruikte beeld, waarin wordt duidelijk gemaakt dat de mens bereid is tot het
uiterste te gaan om aan zichzelf macht en bezit, die hem in wezen niet
toebehoren, toe te kennen. Het beeld van de bezitter van de wijngaard staat
symbool voor een werkelijkheid die van een absolute orde is. Wat zinvol is
binnen de structuur van het beeld is het niet in de werkelijkheid zelf. In het
absolute valt immers niet te erven...
66
jezus heeft gezegd
laat me de steen zien die
de bouwlieden hebben miskend
hij is de hoeksteen
vergelijk: Mt 21, 42-43 - Mc 12, 10-11 -
Lc 20, 17-18
De plaatsing van de
hoeksteen was de aanzet bij het optrekken van een gebouw, het referentiepunt
waar de bouwlieden zich op richtten. De keuze ervan was bepalend voor de
kwaliteit van het gehele bouwwerk. Symbolisch verwijst de hoeksteen naar een
essentiële waarde in de kennis van Jezus. De noodzakelijke voorwaarde om tot
een juist religieus inzicht te komen is een persoonlijke zoektocht. Die
veronderstelt een bereidheid om zichzelf in vraag te stellen, verworven waarden
los te laten en in een mentale onthechting een zelfbevrijdende weg te gaan. Die
hoeksteen werd echter door de religieuze leiders miskend. De sleutels tot de
gnosis hielden zij verborgen. (zie logion 39) In de plaats hiervan poneerden
zij hun eigen waarheden omtrent God en zijn geboden. Een vermeende, want voor
de mens niet te vatten kennis, verving de ervaringskennis, macht verving gezag.
Het gaan van een persoonlijke onderzoekende weg stelt echter heel wat hogere
eisen dan het volgen van voorschriften van religieuze leiders...
Zoals
muziek ontspringt uit de stilte en het water uit de leegte van de bron, zo
ontspringt kennis uit het bewustzijn. De toestand van het bewustzijn is
bepalend voor de kwaliteit van elke kennis. Enkel in een zuiver bewustzijn kan
zich een juiste zelfkennis ontwikkelen. Daarom is het bewustzijn zelf de
uiteindelijke hoeksteen, die de waarde van iedere persoonlijke zoektocht bepaalt.
Blijkbaar
werd en wordt nog steeds die hoeksteen door weinigen erkend. In die erkenning
zijn nochtans Krishna, Boeddha en Jezus verenigd. De aandacht voor het gaan van
een persoonlijke weg, waarin meditatie een belangrijk onderdeel is, behoort nog
steeds tot de oosterse religieuze tradities. In het Westen werden we de
erfgenamen van een joods-christelijke cultuur. Zeshonderd jaren na Jezus
verkondigde Mohammed zijn inzichten. Zowel het jodendom, het christendom als de
islam, stoelen enerzijds op de hebreeuwse Bijbel en anderzijds op de inbeelding
van mensen die zichzelf erkenden als uitverkorenen van God. Hun vermeende
kennis van het onkenbare, leidde en leidt nog steeds tot een religieus
dogmatisch denken met zovele pijnlijke confrontaties tot gevolg.
67
jezus heeft gezegd
wie het al kent
indien hij verstoken is
van zichzelf
is hij verstoken van
het gehele veld
Zelfkennis zou dus de
basiswaarde zijn, waarvan de kwaliteit van elk menselijk weten omtrent het gehele veld van kennis afhankelijk is.
Zelfkennis is de “kennis van de kenner”, van het wezen van het eigen “zelf”,
die de begoochelingen, door het ik-bewustzijn in het leven geroepen, heeft
doorzien en overstegen.
Binnen
de natuurlijke rijkdom, waarin zijn levensgeluk een vervulling kan vinden, heeft
de mens zichzelf verheven tot heerser in de schepping. Alles behoorde hem toe.
In die dronkenschap negeerde hij de bron van zijn mogelijkheden en haar
inspirerende wet, die in alles de harmonie tot uitdrukking brengt. De
duisternis van onwetendheid werd zijn deel. In vermeende kennis berust nog
steeds zijn schijnmacht… Tot een juist inzicht komen in zichzelf betekent :
zich bewust worden binnenin zichzelf verbonden te zijn met een absolute bron en
in die verbondenheid zijn dienende taak als mens erkennen. Dit inzicht
impliceert dus het bestaan van een “zelf”, dat een raakvlak heeft met de
absolute werkelijkheid. Dit “zelf” is het ik, dat ontdaan is van zijn
psychische en somatische kenmerken. In dit “zelf” is iedere mens op eenzelfde
wijze één met de bron. Doorheen dit “zelf” geeft de Geest vorm en inhoud aan
structuren, waarin zowel het lichaam, de psyche als het ego hun bedding vinden.
Iedere boom is verschillend en toch op
eenzelfde wijze verbonden met de aarde : door zijn wortels. Doorheen zijn
wortels ontvangt hij het levensvocht uit de aarde. Aan de oppervlakte van de
fijnste wortelharen, daar waar de transformatie plaats vindt van het grondwater
naar het individuele sap, waardoor elke boom tot een unieke individuele
expressie kan uitgroeien, daar ligt het mysterie van het individuele “zelf”...
Om
zijn finaliteit waar te maken en te dienen door talrijke vruchten voor te
brengen, moet elk zaadje in de eenheid met de goede aarde een
“ontmantelingproces” doormaken. Wie in zichzelf de rijkdom van de bron wil
ervaren moet evenzo, in een gerichtheid naar de leegte binnenin zichzelf, elke
mentale gebondenheid aan het ik loslaten. In die onthechting reveleert zich de totale waarde van de besnijdenis in de
geest. Pas dan kan die rijkdom zich reveleren doorheen de individuele
eigenheid die besloten ligt in het “zelf”.
In
die zelfkennis, het bewustzijn in het diepste van zichzelf één te zijn met het
hogere, de universele levensgrond, de leegte waarvan alles doordrongen is, ligt
de waarde en de verantwoordelijkheid van ieder individueel leven. In dit
bewustzijn bestaat de verleiding niet langer de vruchten die wij voortbrengen
aan ons ik toe te kennen !
Het
relativeren van de ik-waarde, het herplaatsen ervan binnen de context van een
universele harmonie, houdt nochtans geen miskenning in, laat staan een negatie
van de ik-waarde. Steeds zal in de mens zijn ego het centraliserende principe
van het individuele bewustzijn zijn. Dit ego is dus een grote schat ! Maar
binnen de wet van harmonie dient elke individuele eenheid de eenheid van het
geheel. In die dienstbaarheid bestaat er geen onderlinge afhankelijkheid : het ene maakt zich niet belangrijker dan het
andere. Machtsverhoudingen zijn hier niet aan de orde... Van die wet heeft de
mens zich echter afgescheiden. De dienende opdracht van zijn ego werd miskend
en maakte plaats voor het dominerende ego. Door zijn hoogmoed werd hij
bedronken. Wat steeds een grote schat is, werd zo zijn grootste vijand...
68
jezus heeft gezegd
gelukkigen zijn jullie
wanneer men jullie haat en vervolgt
en er in jullie geen
spoor zal zijn gevonden
waar jullie zijn
vervolgd
vergelijk: Mt 5, 11 - Lc 6, 22
Een correcte vertaling
van de laatste twee regels is bijzonder delicaat! Spoor is een mogelijke vertaling voor plaats of plek (topos). Waar vertaald werd door waar,
staat letterlijk in de plaats. De
betekenis komt hoe dan ook steeds op hetzelfde neer: indien jullie door anderen worden vervolgd zal men, binnenin jezelf,
geen kwetsbare plaats vinden...
Wanneer
het ik zich heeft onthecht, zijn eigenwaarde heeft losgemaakt zowel van zijn
psychische als van zijn somatische kenmerken en zich bewust is geworden van
zijn ware “zelf”, is het onkwetsbaar voor vervolgingen door anderen. Lijden en
pijn behoren tot het gebied van het lagere en gelden zolang het ik afhankelijk
is van de wetten van het lagere. Daarom
draagt tenslotte ieder de oorzaak van het eigen lijden in zich... Een totale
zelfbevrijding houdt in dat de wet van karma kan worden overstegen en dus ook
het door anderen aangerichte kwaad... Een kaakslag op de rechter of de linker
wang zal niet meer deren...
Ook
dit mooie sprookje, dat eveneens in de kanonische evangeliën is terug te
vinden, is nauwelijks te verzoenen met een realistische levensvisie ! Toch
leert de ervaring van het gaan van de weg dat het gevoel van kwetsbaarheid,
hoewel het steeds aanwezig blijft, toch in opmerkelijke mate kan verminderen.
Hoe meer we in onszelf het licht ervaren, des te minder we ons door
schaduwbeelden laten verstoren... Hoewel dit ideale beeld moeilijk te
aanvaarden is, toch voedt elke positieve ervaring op die weg een droom van iets
dat nog mooier kan zijn...
De getuigenis van Jezus is gedragen door zijn ervaringskennis, zijn gnosis. Hier is zijn boodschap : wanneer
jullie verblijven binnen de harmonie van de eenheid, kunnen jullie niet meer
geraakt worden door het kwade opzet van anderen. Dit zou dus in de eerste
plaats moeten gelden voor hemzelf. Kan het dan zijn dat hijzelf zou hebben
geleden...? Wat hebben mensen menen waar te nemen en wat was de innerlijke
werkelijkheid binnenin hem...? Wat is overigens de zin van de verheerlijking
van het lijden...? Kan het lijden van een mens, dat tenslotte de consequentie
is van een innerlijke disharmonie, voor anderen enige verlossende waarde hebben...?
Is het wel zinvol aan de kruisdood van één man een verlossende waarde toe te
kennen voor een ganse mensheid...? Werd, door de verheerlijking van het kruis
in het spoor van een pauliniaanse theologie, de bevrijdende waarde van zijn
woord niet totaal genegeerd...? Betekent de verlossing door het kruis voor de
christenen ook niet een gemakkelijkheidoplossing...?
69
jezus heeft gezegd
gelukkigen zijn zij die
vervolgd werden in hun hart
zij zijn het die
waarlijk de vader hebben gekend
gelukkigen zijn zij die
hongerig zijn
want wie wil diens maag
zal verzadigd worden
vergelijk: Mt 5, 6 - Lc 6, 21 - Jn 4, 14
en 7, 37-38
Dit logion is te
associëren met het vorige, met logion 58 ook. Elke ervaring van lijden of pijn
is slechts een middel waardoor we ons bewust kunnen worden van onze
kwetsbaarheid, van onze begrenzingen. De zin van wat ons kan overkomen is niet
te achterhalen. De gevolgen van de karmische wet stellen voortdurend ons
rechtvaardigheidsgevoel op de proef. Het inzicht waarmee we kunnen oordelen is
niet van een absolute orde... In die begrenzing ligt ook onze kwetsbaarheid.
Elke
beproeving kan een gelegenheid zijn om iets wijzer te worden. Hoe meer we aan
vergankelijke waarden gehecht zijn - en ook mensen zijn vergankelijk - des te
sterker we onze kwetsbaarheid ervaren. Die ervaring hebben we helaas nodig om
in te zien welke banden ons kwetsbaar en welke ons sterk maken, in welke
verbondenheid we ons leven kunnen vestigen. Want de duisternis bestaat slechts
bij de gratie van het licht... Wie hunkert naar licht, wie hongerig is naar harmonie, kan in zichzelf de bron ontdekken en de
sterkte ervaren die zij bieden kan.
In het vierde hoofdstuk van het Johannesevangelie wordt het beeld van
het water uit de bron ingeruild voor dit van het brood. De betekenis van de beeldspraak
blijft evenwel ongewijzigd. Wie de ware bron in zichzelf ontdekt, zal niet
enkel nooit meer dorstig of hongerig zijn maar bovendien zelf bron zijn. “Zij die het manna uit de hemel hebben
gegeten zijn gestorven, maar wie het brood eet dat de Vader geeft zal leven.”
(Joh. 6, 30 en vlg) Een voorwaarde evenwel om dit brood te waarderen is hongerig te zijn...
70
jezus heeft gezegd
wanneer jullie dit in
jezelf laten ontstaan
dit dat van jezelf is
zal jullie redden
indien jullie dit niet
in jezelf hebben
dit dat niet van jezelf
is zal jullie doden
Het leven is een
spontaan groeiproces, gestuurd door een absolute wet. De dienende opdracht van
de zaaier is te zaaien. Wat binnenin de goede aarde ontstaat behoort niet meer tot zijn bevoegdheid. Het gebeurt
spontaan. (zie o.m. logia 96 en 97) Zo ook het nieuwe dat in het bewustzijn kan
ontluiken. Om dit in onszelf te laten
ontstaan is het evenwel noodzakelijk iets te doen aan de ontvankelijkheid
van het bewustzijn. Die grond is nog geen goede aarde... Willen we ontvankelijk
worden dan moeten we vóór alles bewust worden van de verstoringen in het eigen
bewustzijn, van de balk in ons oog en hieraan verhelpen. Dit kunnen we slechts
door een weg van innerlijke zuivering te gaan. Pas dan kan het leven, door een
integratie van het hogere in het lagere, zich geleidelijk reveleren in een meer
harmonische vervulling.
Wat
de vrucht is van het hogere heeft een absolute waarde. Dit is geen bruikleen
meer maar een geschenk...! Wie het licht ontvangt is geen duisternis meer. Wie
dit niet in zich heeft is dodelijk ziek...
71
jezus heeft gezegd
ik zal dit huis
omvergooien
en niemand zal het
kunnen heropbouwen
Opnieuw worden we
geconfronteerd met de vraag in welke omstandigheid deze woorden werden gesproken.
Wat is de betekenis van het huis
waarvan sprake ? Het kan toch niet de opdracht zijn van een mensenkind te
vernietigen, te vechten “tegen”, omver te gooien... Een zinvolle interpretatie
konden we slechts bedenken in een associatie met logion 66 en zijn hoeksteen.
Wanneer de juiste hoeksteen door de bouwlieden wordt miskend kan het
gebouw niet degelijk zijn. Door het omver
te gooien kan dit worden duidelijk gemaakt. Hoeveel “heilige huisjes”
werden niet opgetrokken op meer dan dubieuze hoekstenen...?
72
een man zei hem
spreek mijn broeders
aan
zodat zij de goederen
van mijn vader met mij delen
jezus zei hem
man wie heeft van mij
een bemiddelaar gemaakt
hij keerde zich tot
zijn discipelen en zei hen
ben ik een bemiddelaar
vergelijk: Lc 12, 13-15
De taak van Jezus is
verheven boven de wetten die de orde in het lagere regelen en die door mensen
werden bedacht. Verordeningen, ook democratisch gestemde wetten, kunnen goed
zijn of niet. Hiermee heeft hij zich niet in te laten... Wanneer,
overeenkomstig de wet, een vrouw zou worden gestenigd, nam Jezus geen standpunt
in tegen een vonnis of een wet. Hij zei enkel dat wie zonder fouten was de
eerste steen kon gooien... Hij confronteert de mens met zichzelf, met zijn
verantwoordelijkheid in dit leven.
Anderzijds is Jezus ook niet te beschouwen als
een bemiddelaar tussen de Vader en de
mensen. Zoals het licht, heeft zijn woord een verhelderende functie. Licht
verlicht maar bemiddelt niet... De
relatie tussen de mens en zijn diepste zijnskern is intiem en persoonlijk. Noch
“het geloof” in een of andere interpretatie van zijn woord, noch het kruis,
houden een verlossing in ! Maar wie zich ontvankelijk maakt voor zijn woord en
zelf een zoekende weg gaat, kan in zichzelf een bevrijdend inzicht ervaren. Die
weg van verlossing heeft ieder voor en in zichzelf te gaan, zonder
bemiddelaar... Zo nodig even terug gaan naar logion 38.
73
jezus heeft gezegd
in wezen is de oogst
overvloedig
de arbeiders
daarentegen zijn zeldzaam
verzoek dus de meester
dat hij arbeiders stuurt naar de oogst
vergelijk: Mt 9, 37-38 - Lc 10, 2
In zijn volheid staat
het leven ons ter beschikking, want de oogst - het feestmaal - is overvloedig.
De zeldzame arbeiders, die de plaats
van de oogst bereiken, doen ons terugdenken aan hen die in logion 64 werkelijk
toegang kregen tot het feestmaal, omdat
zij reeds onder weg waren. Het gaan van de weg vereist inderdaad een
bewuste inzet, de bereidheid te zoeken, in vraag te stellen, het bewustzijn uit
te zuiveren, zodat het ontvankelijk kan worden voor die unieke uitnodiging.
Waar het begin is, de plaats waar werd gezaaid, waar zaad en goede aarde één
werden, daar is ook de plaats van de oogst ! Wie de plaats van de eenheid kent,
kent ook de weg erheen en zal deel hebben in de oogst: “ik ben de weg, de waarheid en het leven”... (Joh 14, 6) Zoals voor
het feestmaal ligt ook hier de uitnodiging bij de meester, de Vader. Het
antwoord ligt echter bij de mens zelf.
Ook
dit beeld van de overvloedige oogst valt moeilijk te verzoenen met een
realistische levensvisie. Is de verwachting van een oogst in het hiernamaals
nochtans meer realistisch...?
74
hij heeft gezegd
meester talrijk zijn
zij rond de put
niemand daarentegen in
de put
75
jezus heeft gezegd
talrijk zijn zij die
zich ophouden bij de deur
maar zij die monachos zijn
zij zijn het die de
plaats van de bruiloft zullen binnengaan
In logion 74 maakt
Jezus gebruik van het beeld van een waterput,
die in schrale gebieden een bron is van leven. In logion 75 heeft hij het over de plaats van de bruiloft, daar waar het
feest wordt gevierd van de eenheid waarin het nieuwe leven ontstaat. De
symboliek van de bron werd reeds bij herhaling gebruikt en toegelicht. (zie
o.m. logion 29) De symboliek in het beeld van de bruiloft is identiek aan die in
het beeld van het zaad en de goede aarde. Zowel voor de bron als voor de
bruiloft is het de uitnodiging naar
binnen te gaan...
Voor
ieder is het nu duidelijk dat het biologische leven ontstaat uit de eenheid van
het mannelijke en het vrouwelijke, van een zaadcel en een eicel. Dit beeld verheffen
tot een spirituele werkelijkheid bleek echter een bijzonder moeilijke opgave te
zijn, waar men in de evangeliën duidelijk aan is voorbijgegaan. Blijkbaar was
het toen cultureel niet denkbaar aan de vrouw een gelijkwaardigheid met de man
toe te kennen. (zie verder logion 114!) In zijn verheffing van Jezus tot de
status van zoon van God was het voor Paulus ondenkbaar dat hij zou bezoedeld
zijn door enige seksuele activiteit. Bij de voorstelling van Jezus als bruidegom
hoorde dus geen bruid... Toch slaagt men erin aan die absurde amputatie nog een
zin toe te kennen ! We weten hoe de Kerk later voor zichzelf die lacune heeft
bijgesteld...
Rond de plaats van de
bruiloft vertoeven is zinloos, rond
de put evenzeer. Wat maakt het verschil uit tussen een buitenstaander en hem of
haar die binnenin is? Het antwoord in logion 75 is duidelijk : de monachos. Zij die rond de put kuieren,
die nieuwsgierig vóór de deur samentroepen, geprikkeld door het onbekende,
verkiezen toch de veilige grond die hun voeten draagt of de beschermende
zekerheid binnen de “vertrouwde muren” van hun geloof... Nieuwsgierigheid betekent nog niet de bereidheid om los te laten en zelf
een zoekende weg te gaan !
De monachos heeft zichzelf in
z’n geest vrij gemaakt, heeft zijn of haar eigenwaarde gerelativeerd ten
aanzien van normen die in de samenleving gelden. Hij of zij is tot het inzicht
gekomen dat het wezen van het eigen zelf verbonden is met een absoluut Zijn en
heeft in die verbondenheid de dienende opdracht van het eigen ik erkend. In het
licht van die éne verticale verbondenheid werden horizontale banden losgelaten.
Onthecht, bevrijd, is de monachos één
geworden in de bron en deelt in het feest van de bruiloft.
Niet het uiterlijke vertoon maar de innerlijke ingesteldheid is in dit
relatieve bestaan het kenmerk van de
monachos. De practische weg die gekozen wordt om hieraan een uitdrukking te
geven is niet belangrijk. Hoe met de waarden in de menselijke samenleving wordt
omgegaan vindt zijn motivering in het licht van een bewustzijn van hogere
waarden. Het is niet de opdracht van de monachos
de disharmonie in het lagere te ontvluchten of te bestrijden maar het
innerlijke licht te laten doorstralen in het lagere.
Het
gaan van een spirituele weg veronderstelt een gerichtheid naar het innerlijke. Die
gerichtheid maakt deel uit van een natuurlijk evenwicht dat bepalend is voor de
evolutie van iedere mens. De vrijheid een persoonlijk zoekende weg te gaan werd
echter in onze cultuur door het religieuze gezag miskend. Die weg werd voor ons
bepaald door geboden en verboden, waaraan de dreiging van een helse verdoemenis
verbonden werd. Op die wijze dacht de Kerk de boodschap van Jezus - of was het vooral
die van Paulus... - te moeten vertolken.
De
laatste decennia stellen we in onze westerse wereld een toenemende behoefte vast
voor een vernieuwende spirituele beleving, geïnspireerd door de oosterse
tradities. Dit fenomeen wordt ook wel het “new age” syndroom genoemd. Dit
evangelie is echter zoveel meer dan een “new age” buitenbeentje. De ommekeer,
waartoe Jezus zijn medemensen twintig eeuwen terug uitnodigde, was toen blijkbaar
te radicaal om ontvankelijk te kunnen zijn. Vandaag is zijn uitnodiging niet
minder actueel. Toch is het de vraag wat de mensheid heeft geleerd uit twintig
eeuwen geschiedenis... of de mens vandaag toe is aan een grondige en
noodzakelijke introspectie... of hij in staat is de vrijheid, het
onderscheidingsvermogen, de liefde en de verantwoordelijkheid, die hem werden
toevertrouwd, in een spirituele verbondenheid met de bron van zijn
mogelijkheden te beleven...
76
jezus heeft gezegd
het koninkrijk van de
vader is gelijkend aan een koopman
die goederen bezat en
een parel ontdekte
de koopman was een
wijze man
hij verkocht de
goederen en kocht voor zichzelf die unieke parel
zo ook jullie zoek naar
de schat die niet vergaat
die daar verblijft waar
geen mot erin kan komen en opeten
noch de worm hem kan
vernietigen
vergelijk: Mt 13, 45-46 en 6, 19-20 - Lc
12, 33
Dit logion doet
terugdenken aan de keuze van de attente visser uit logion 8. Hier opteert de
wijze koopman voor de onvergankelijke waarde van de parel boven het
vergankelijke van zijn goederen. Opnieuw wordt de waarde van het
onderscheidingsvermogen benadrukt. In tegenstelling tot de kanonische
evangeliën, waarin vooral gevoelswaarden, zoals naastenliefde en offerzin aan
de orde zijn, doet dit evangelie zoveel vaker beroep op een juiste
intelligentie. Het religieuze denken werd echter sinds eeuwen aan banden
gelegd. Zoals we de mogelijkheid ontvangen om lief te hebben en het daarom ook tot
onze verantwoordelijkheid behoort liefde tot uitdrukking te brengen, zo behoort
het evenzeer tot onze verantwoordelijk de mogelijkheid om juist te denken
optimaal te gebruiken. Wat we in liefde kunnen geven kan slechts waardevol zijn
indien het berust in een juiste kennis...
77
jezus heeft gezegd
ik ben het licht dat op
hen allen schijnt
ik ben het al
het al is uit mij
gekomen (*)
het al is tot mij
gekomen
klief het hout daar ben
ik
hef de steen daar zal
je mij ontdekken
vergelijk: Jn 8, 12
(*) We vermoeden hier
een omwisseling van lijn 4 en 5. De ervaring van het innerlijke licht, van de
leegte waar het al van doordrongen
is, is immers voorafgaand aan de expressie ervan...
Een eenheidsbeleving, waarvan ook mystici en yogi’s getuigen, is
nauwelijks onder woorden te brengen. Woorden behoren immers tot de relatieve
werkelijkheid, die zich uit in dualisme. Het licht en zijn bron zijn één. Wie
het licht in zichzelf erkent, is één met het licht en dus één met de bron, die
ook leegte is. Leegte is “dat” waar alles - het
al - van doordrongen is, dat de expressie van elke vibratie, van elk
elementair deeltje mogelijk maakt. In het lagere drukt “dat” zich uit in
energie en materie, in beelden en kleuren. In het diepste zelf van de monachos wordt het ervaren als een alles
begeesterend licht : “ik ben mens omdat
de leegte mij doordringt van haar licht en mij verheft tot lichtbron.” Dit
is geen zelf verheerlijkende uitspraak maar de erkenning van de eigen dienende
integratie in een absolute levenswet.
Wie in het lagere ziet, onderscheidt enkel kleuren. Wie het licht kent,
kent alle kleuren. Wie in de leegte de bron erkent, ziet het al in zichzelf en zichzelf in het al. Het verwijt van pantheïsme, dat aan dit logion wordt
toegeschreven, hoort bij hen die zien met twee ogen en enkel kleuren
onderscheiden. Voor het licht in de kleuren zijn hun ogen nog te blind...
78
jezus heeft gezegd
waarom zijn jullie naar
buiten gekomen in het veld
om een rietstengel te
zien beroerd door de wind
en om een mens te zien
gehuld in fijne klederen
daar zijn jullie
koningen en jullie oversten
zij dragen fijne
klederen
en de waarheid zullen
zij niet kennen
vergelijk: Mt 11, 7-10 - Lc 7, 24-27
Waar komt de
rietstengel vandaan en vanwaar de wind die hem beroert...? Zij getuigen van een
zuiver, spontaan en natuurlijk leven. Ook doorheen een kennis van de natuur en
haar wetten kunnen we ons bewust worden van de relativiteit van elk menselijk
weten en kunnen. Aan de grondslag van de expressie van het natuurlijke leven
ligt een absolute wet van harmonie. In de
erkenning van een permanente verbondenheid van elke relatieve expressie met
haar absolute bron ligt de basis van het universele religieuze bewustzijn.
Onze interesse gaat echter zoveel vlotter naar een kunstmatig spektakel
van hooggeplaatste heren, die zichzelf hebben bekleed met mooie gewaden. Toch
is het niet bij die heren, die getooid in mooie klederen het voor het zeggen
hebben, dat we wijsheid kunnen opdoen. De natuur is voor ons een zoveel wijzere
leermeester dan een stoet professoren of kardinalen...
79
een vrouw uit de
menigte zei hem
zalig de buik die je
gedragen heeft
en de borsten die je
gevoed hebben
hij zei haar
zalig zij die het woord
van de vader hebben gehoord
en het in waarheid
hebben bewaard
er zullen inderdaad
dagen zijn waarop jullie zullen zeggen
zalig de buik die niet
heeft gebaard
en de borsten die geen
melk hebben gegeven
vergelijk: Lc 11, 27-28 en 23, 29
De geschiedenis van de
joden, het door Jaweh uitverkoren volk, is overschaduwd door vreemde
overheersingen. Zoals ook Paulus hiervan uitdrukkelijk getuigde, was de hoop op
of de verwachting van een reële bevrijding bij de joden levendig aanwezig. Want
eens zou het herstel van Gods rijk er komen. Hiervoor was evenwel de komst van
een Messias noodzakelijk. Wellicht erkende de vrouw in Jezus een soort
verlossende engel, die misschien wel die Messias kon zijn. Helaas moet hij de
vrouw ont-goochelen. Zij staan niet op dezelfde golflengte...
De bevrijding waar de joden op rekenen is een illusie, zoals het
verbond dat zij met Jaweh menen te hebben een illusie is. Het is niet eenvoudig
diep ingewortelde overtuigingen, die een antwoord bieden op existentiële
angsten, in vraag te stellen. Dit geldt zowel voor de mens van de
eenentwintigste eeuw als het toen voor de joden gold. De realiteit, verbeeld in
het rijk van de Vader, bestaat maar beantwoordt niet aan de verwachting van de joden. De komst van het koninkrijk is niet
de gebeurtenis aangekondigd in de Hebreeuwse Bijbel ! Wel is het een
individuele innerlijke ervaring, die zich reveleert door zelf een bevrijdende
weg te gaan. Die gnosis, het woord van de
Vader aan de mens, kan geen mens aan een ander voorhouden. Dit poogt Jezus
aan de mensen duidelijk te maken. Helaas, zij luisteren niet... Hij kan enkel het
misverstand vaststellen en hen behoeden voor foute verwachtingen en misplaatste
“alleluja’s”.
De
wet van karma zal haar taak blijven vervullen en blijvend verstoringen
afstraffen, ook doorheen onschuldige slachtoffers... Dit is wellicht in strijd
met ons rechtvaardigheidsgevoel en met het beeld van een goede en rechtvaardige
God. Voor beelden zijn enkel mensen verantwoordelijk... De wet is wat zij is,
onaantastbaar en onverbiddelijk...
80 zie logion 56
81
jezus heeft gezegd
wie zich belangrijk
heeft gemaakt dat hij zich koning maakt
en wie macht bezit dat
hij verzaakt
110
jezus heeft gezegd
wie de wereld heeft
gevonden zich belangrijk heeft gemaakt
dat hij de wereld
verzaakt
Gezag en macht zijn
twee begrippen die in onze samenleving, en vermoedelijk sinds mensengeheugenis,
heel vlot worden verward. De natuurlijke vrucht van kennis, ooit gesymboliseerd
in de paradijselijke appel, is gezag. Misbruik van kennis leidt tot macht. In gezag is kennis dienend en dus bevrijdend
naar de anderen toe. Wie daarentegen macht uitoefent dient enkel zichzelf en
begrenst de vrijheid van een ander. Die verwarring is ook de erfgenamen van
de discipelen zuur opgebroken. Sinds de romeinse keizer Constantinus in de
vierde eeuw het christendom als staatsgodsdienst erkende, zouden het religieuze
gezag en de wereldlijke macht, God en caesar, hand in hand gaan. Uiteraard kan
dit niet. Zeker niet in naam van Jezus, de dienende, die zich nooit aan de kant
van de machtigen opstelde maar steeds partij koos voor de zwakkeren. In Jezus zelf ligt immers de getuigenis
besloten dat gezag, dat berust in een juiste religieuze kennis, nooit
aanleiding kan geven tot macht...
Haar
vermeende kennis van God drukte de Kerk uit in geboden en verboden, die
zogenaamd van goddelijke inspiratie en bijgevolg onbespreekbaar waren en nog
steeds zijn. Die kennis was echter niet dienend, niet bevrijdend voor de mens
maar dwingend : kennis werd macht... Wie omgaat met macht ondergaat de wet van
de leeuw. Verzaken aan iedere
betrokkenheid bij de uitoefening van macht is daarom de evidente boodschap die
in beide logia besloten ligt.
In
logion 81 blijkt opnieuw dat de titel van koning niet te verwarren is met het
uitoefenen van macht ! Ook van een koning hoort het gezag dienend te zijn... De
verwarring tussen gezag en macht heeft haar oorsprong in het individuele
bewustzijn en behoort dus tot de verantwoordelijkheid iedere mens. Wanneer,
door een bewustzijnsbeneveling, het eigen ik hoogmoedig wordt en aan zichzelf
macht toekent, gaat het in de fout. Hiervan getuigt het verhaal van de
zondeval. Adam - de mens - eigende zich de vrucht van de boom van kennis - het
gezag van de Schepper - toe en verhief hierdoor zichzelf tot de dirigerende
leider in de schepping. Hij verwarde hebben met zijn, nemen met geven. Het gebaar
van Adam was niet gevend maar nemend... De wet van karma strafte dit ongenadig
af. Toch is zijn hoogmoed nog steeds ons deel en zijn we, ondanks het kruis,
hiervan nog steeds niet bevrijd...
Het
inzicht in de noodlottige gevolgen van onze hoogmoed conditioneert in een niet
geringe mate onze respons op de uitnodiging van Jezus in dit evangelie.
82
jezus heeft gezegd
wie mij nabij is is bij
de vlam
en wie ver van mij is is
ver van het koninkrijk
Origenes
(Homelia in Jeremiam 20, 3) : “ik las
ergens dat de Verlosser gezegd heeft - ik vraag me af of die woorden in de mond
van de Verlosser werden gelegd, of ze gewoon uit het geheugen komen, dan wel of
dit ware woorden zijn - hoe dan ook, ziehier wat de Verlosser zei: wie mij nabij is is bij het vuur, wie ver
van mij is is ver van het koninkrijk.”
Afgezien van de zon en
de maan was een vlam toen de enige bron van licht. De bron van het ware licht
ervaart Jezus binnenin zichzelf. Wie
hem nabij is, is bij de bron. Nabij Jezus
zijn betekent uiteraard geen fysische nabijheid. De ervaring van een
spirituele verbondenheid berust noch in ruimte noch in tijd. Wie tot het
bewustzijn komt dat het zijne is, ook al is hij of zij in tijd en ruimte ver
van hem verwijderd, zal het licht ervaren en met hem één zijn in het
koningschap.
83
jezus heeft gezegd
beelden verschijnen aan
de mens
en het licht binnenin {het beeld} is verborgen
in het beeld van het
licht van de vader zal het zich onthullen
en zijn beeld is
verborgen door zijn licht
Dit logion is een ware
doordenker ! De symboliek van het licht werd reeds bespeeld in logion 50. Licht
laat toe te zien maar zelf is het onzichtbaar ! ‘s Nachts zien we de maan.
Rondom de maan is alles duisternis. Toch weten we dat de maan geen licht geeft.
Zij weerkaatst enkel het zonlicht, dat er dus wel is maar onzichtbaar voor ons
oog. Zo heeft ook een filmprojectie een scherm nodig om de beelden die in het
licht zijn zichtbaar te maken. Het licht “dient” om, in harmonie met de
materie, het beeld dat het in zich draagt zichtbaar te maken.
Het
licht van de Vader is een ander soort licht. Het is het innerlijke licht, dat
bron is van inspiratie tot kennis, liefde en juist handelen. Het wordt ook pneuma genoemd, de Geest, de “adem” van
de Vader. Enkel door dit licht is de realiteit, gesymboliseerd in het beeld van
de Vader, te ervaren binnenin onszelf. Die
ervaring houdt evenwel geen kennis in van de bron zelf...
Zoals
op een zonnige zomerdag het beeld van de zon verborgen is door haar licht, zo
zal het beeld van de Vader steeds verborgen zijn... door Zijn licht ! Geen mens
kan zich ooit beroepen op een kennis van de Vader, hij kan enkel verblind zijn...
Och arme theoloog...
84
jezus heeft gezegd
de dagen dat jullie
jullie gelijkenis zien zijn jullie verblijd
wanneer jullie
daarentegen jullie beelden zullen zien
die vóór jullie waren
in het begin
die niet sterven noch
naar buiten zichtbaar worden
hoeveel zullen jullie
verdragen
Het thema van licht en
beeld is ook hier aan de orde. In de beelden die we van onszelf opvangen,
doorheen de spiegel die anderen ons voorhouden, erkennen we ons ik. Die
spiegelbeelden kunnen ons verblijden of ontgoochelen, maar zij zijn niettemin
bepalend voor het beeld dat we van onszelf hebben. Hoe belangrijk het zelfbeeld
ook mag zijn, toch is de waarde ervan slechts relatief, want het is gedragen
door waarden uit het lagere, die steeds aan veranderlijkheid onderhevig zijn.
Willen we het werkelijke beeld achter het ik-beeld zien, dan is het noodzakelijk het relatieve te overstijgen. Want
het “zelf”, waarvan het ik slechts het tijdelijke en tastbare beeld is, berust
in het innerlijke licht dat tijdloos en onzichtbaar is. Daarom is het ook
onkwetsbaar. In dit zelf is iedere mens op eenzelfde wijze één met de Vader. Zo
nodig even teruggaan naar logion 67.
85
jezus heeft gezegd
adam is ontstaan uit
een grote kracht en een grote rijkdom
en hij is jullie niet
waardig geweest
indien hij immers
waardig was geweest
zou hij de dood niet
hebben gesmaakt
Jezus valt terug op
een voor zijn discipelen vertrouwd beeld. Het verhaal van Adam is hen bekend.
Zijn fout evenzeer. Toch blijft het een indringende vraag hoe het beeldverhaal
uit de Bijbel door mensen begrepen werd. Was de zondeval van Adam een eenmalige
fout van ongehoorzaamheid van één mens, waarvoor de ganse mensheid door God
werd afgestraft of symboliseert hij de hoogmoedige houding van de mens, die aan
zichzelf een gezag heeft toegekend, dat enkel tot “het hogere” behoort ?
De wet van harmonie is absoluut en hoort dus
bij het hogere. Zij stuurt de uitdrukking van het leven in haar niet te
overziene verscheidenheid. Aan die wet is alles onderworpen. Van die wet kan
geen mens zich het gezag toe-eigenen. Gebeurt dit wel dan is dit een daad van
hoogmoed. Door zijn daad heeft de Adam zich afgescheiden van het ware gezag dat
het leven stuurt : een grote kracht en
een grote rijkdom.
Nog
steeds zijn wij met z’n allen de Adam en kennen wij aan onszelf ongeoorloofd
gezag en kennis toe. Sinds Abraham en tot op heden stellen mensen zich voor een
“goddelijke wil” te verwoorden. Nog steeds denken zovelen de waarheid in pacht
te hebben en hierdoor macht over een ander te kunnen uitoefenen. Van die
oerzonde zijn we, ondanks het kruis, nog helemaal niet verlost ! Het bewustzijn
van onze hoogmoed, waardoor we nog steeds de bron miskennen waaruit de Adam is
ontstaan, is de voornaamste voorwaarde om, door een juiste zelfkennis, een weg
van verlossing te gaan en onze dienende opdracht als mens te vervullen.
De uitdrukking “hij is jullie niet waardig geweest” kan het vermoeden wekken dat
Jezus zijn discipelen beschouwt als volmaakte wezens. In dit evangelie blijkt
echter zo vaak het tegendeel. Vermoedelijk alludeert hij hier aan het beeld uit het vorige logion : het
absolute potentieel dat in ieder mensenkind aanwezig is.
86
jezus heeft gezegd
vossen hebben hun hol
en vogels hun nest
maar de mensenzoon
heeft geen plaats
om z’n hoofd neer te
leggen en te rusten
vergelijk: Mt 8, 19-20 - Lc 9, 57-58
De natuur is de
universele baarmoeder waaruit mens en dier biologisch zijn ontstaan, de
voedingsbodem ook waarin zij zich in vrijheid kunnen ontwikkelen, een wijze
leermeester bovendien, nu eens hard en pijnlijk dan weer prachtig genietbaar.
Als een ware moeder is zij dienend om ons de juiste waarden van harmonie bij te
brengen. Want de wet die de ganse natuur stuurt is ook de stem waar ieder
celletje van ons lichaam spontaan naar luistert... Binnenin de mens is de
verfijning van zijn bewustzijn evenwel zodanig dat hij zich, in zijn relatie
tot de natuur, superieur gaat voelen. In een zekere mate is hij immers in staat
de natuur te beheersen, dieren aan zijn wil te onderwerpen.
Maar ook hier heeft de hoogmoed van de Adam toegeslagen. De mens kan de
natuur niet straffeloos naar zijn hand, laat staan naar zijn profijt, zetten.
Zij is een bruikleen waarvan niets hem toebehoort, geen plaats, geen hol of nest. Ook hier geldt de wet van karma
en krijgt de Adam onverbiddelijk het deksel op de neus. Toch blijft hij nog
steeds te blind voor de talrijke waarschuwingen die de natuur hem toestuurt. De
noodzaak te leven in een harmonische verbondenheid met de natuur is nochtans
een toekomst gerichte bezorgdheid die zoveel concreter is dan de erkenning van
een absolute bron van harmonie zowel in de natuur als binnenin onszelf...
Indien echter een innerlijke harmonie ontbreekt, kan ook de harmonie met onze
omgeving slechts utopisch zijn !
87
jezus heeft gezegd
armzalig is het lichaam
dat afhankelijk is van een lichaam
en armzalig is het
innerlijke zelf dat afhankelijk is van deze beide
Het vorige logion belichtte
de mens in zijn relatie met zijn natuurlijke leefomgeving. In dit logion worden
we geconfronteerd met onze afhankelijkheid van het lichamelijke. Zoals de
natuur een bruikleen is waarin de mens zich harmonisch kan ontwikkelen, zo is
ook ons lichaam een bruikleen dat we individueel ontvangen. Het is het middel
waarlangs het ik, doorheen de psyche, tot een persoonlijke expressie kan komen.
Zoals de natuur is ook het lichaam dienend om de wet van harmonie in onszelf te
erkennen en te beleven.
Het bewustzijn, dat werkzaam is doorheen de meest verfijnde structuren
van het centrale zenuwstelsel, dient
om door juist te handelen de harmonie naar buiten toe uit te drukken. Harmonie
in voelen is liefde, harmonie in denken is intelligentie. Beide zijn noodzakelijk
om horizontaal tot een harmonisch
beleven te komen. Het bewustzijn dient
evenzeer om, in een verticale gerichtheid
naar zijn innerlijke bron, in de rust van het niet-handelen, een harmonische
inspiratie te ontvangen.
Sinds
de mens echter zijn eigen weten in het lagere poneerde, is niet meer harmonie
maar afhankelijkheid het kenmerk van zijn samenleving geworden. Horizontale
bindingen werden zoveel belangrijker dan die éne verticale verbondenheid. Afhankelijkheid is een beknotting van de
vrijheid en leidt dus tot verslaving, tot machtsverhoudingen en confrontaties.
Door zich af te scheiden van zijn bron, door haar wet te miskennen, werd niet
meer het dienende maar het dominerende ik de dirigerende kracht binnen de
menselijke orde.
Hierdoor
werd het evenwicht binnenin de mens grondig verstoord. De inspiratie, die in
het begin de harmonie in het bewustzijn stuurde, kon haar taak slechts
gebrekkig vervullen. De harmonische eenheid van lichaam en geest werd
disharmonisch. In de psyche stapelden verstoringen zich op. Omdat het
onderscheidingsvermogen vertroebeld werd nam vermeende kennis de plaats in van een
juiste kennis. Het ik werd afhankelijk van het lichaam zoals het lichaam
afhankelijk werd van het ik. Lichamen werden afhankelijk van lichamen en van
hun verhouding werden weer ik-jes afhankelijk...
Elke
lichamelijke afhankelijkheid roept ik-gebonden verlangens op. Zolang die
verlangens onze keuzen bepalen, verblijven we in een kwetsbaarheid die het ons
heel moeilijk maakt onze relaties harmonisch te beleven. Onze verwachtingen
zijn niet meer realistisch omdat onze verlangens niet meer beantwoorden aan
harmonische normen. Zowel kennis als liefde zijn slechts zinvol indien zij
worden gegeven. De mogelijkheid om harmonisch te geven ontvangen we uit een innerlijke
levensbron. Daarom is een bewuste verbondenheid met die bron de noodzakelijke
voorwaarde om elke menselijke verbondenheid harmonisch te beleven.
Binnen de harmonie is alles één en dienend : de geest, de psyche en het
lichaam. Groeien naar het ideaal van harmonie kan enkel door elke vorm van
mentale en fysische afhankelijkheid los
te laten. Dit betekent evenwel niet dat, naar het woord van Paulus, “het vlees
en het bloed” moeten worden veracht ! Zoals het licht zijn zichtbaarheid
slechts ten dienste kan stellen doorheen een harmonisch samenspel met de
materie, zo heeft de Geest het “vlees” nodig om Zijn waarden in het lagere tot
uitdrukking te brengen. Tot die waarden behoort ook het seksuele beleven...
Zijn wet is harmonie. Buiten de harmonie heerst verdeeldheid, afhankelijkheid
en dus verslaving...
88
jezus heeft gezegd
engelen komen naar
jullie en profeten
en wat van jullie is
zullen zij jullie geven
en jullie geef hen wat
in je hand is
denk bij jezelf welke
dag zullen zij komen
en zullen zij ontvangen
wat van hen is
Dit logion behoort
ongetwijfeld tot de meest cryptische in dit evangelie. Hier wordt een
toekomstbeeld opgehangen waarvan de zin niet meteen duidelijk is. De aanhaling
van engelen en profeten roept vragen op, zeker wanneer we weten hoe Jezus over
de profeten denkt. (zie logion 52) Bovendien is dit, in zijn mond, de enige
vermelding van engelen. Ook het “geven” en “ontvangen” lijken op een verdachte
handel, waarbij engelen en profeten, broederlijk verenigd, zouden betrokken
zijn... Dit ruikt heel sterk naar het oude...
Bij dit logion overheerst het vermoeden van een manipulatie : een
fantasierijke variante op logion 41, die in de mond van Jezus zou zijn gelegd.
In de kanonische evangeliën zijn dergelijke praktijken helaas schering en inslag.
Sommigen beweren zelfs dat soortgelijke manipulaties er talrijker zijn dan
authentieke uitspraken van Jezus. Ook in logion 114 is eenzelfde problematiek
aan de orde. “Voorbijgaand zijn” is
hier, zo denken we, de aangewezen ingesteldheid...
89
Jezus heeft gezegd
waarom reinigen jullie
de buitenzijde van de beker
begrijpen jullie niet
dat wie de binnenzijde heeft gemaakt
ook de buitenzijde
gemaakt heeft
vergelijk: Lc 11, 37-40 - Mt 23, 25
De verschillende
nuancering in Lc 11, 40 lijkt ons logischer: “heeft hij, die de buitenzijde gemaakt heeft, ook niet de binnenzijde
gemaakt ?”. Die mogelijke inversie blijft inhoudelijk evenwel zonder
gevolgen.
Ook hier is de waardeverhouding tussen uiterlijk en innerlijk aan de
orde. De dienaar heeft te dienen als een beker. De waarde van een beker wordt
bepaald door zijn inhoud, de binnenzijde dus. Maar enkel wanneer de binnenzijde
zuiver en de beker dus leeg is, kan
hij dienen. Er is evenwel geen binnenzijde zonder buitenzijde. Het uiterlijke
dient het innerlijke, zoals het innerlijke de bron dient. Een aandacht voor het
uiterlijke is niet te misprijzen maar enkel zinvol binnen een dienende
harmonie. Uiterlijk en innerlijk zijn één in dienstbaarheid.
90
jezus heeft gezegd
kom tot mij want mijn
juk is doeltreffend
en zacht is mijn gezag
en jullie zullen een
rust vinden voor jezelf
vergelijk: Mt 11, 28-30
Een juk is geen last
maar een verbindingstuk ! Het zorgt voor een verbondenheid waardoor de last
voor de mens licht om dragen wordt. Ook in dit beeld wordt een eenheid gesymboliseerd. In het
bewustzijn van eenheid is geen opdracht zwaar om dragen, is geen gezag
dwingend. Daar is ook de plaats waar een innerlijke rust te vinden is...
Het is een verhelderende vaststelling dat het sanskriete yug zowel de stam is van juk als van yoga. De diepere betekenis van yoga
heeft inderdaad met verbondenheid en dus met religie te maken. In het beeld van
het juk reveleert zich een universeel religieus bewustzijn waarin tijd en
cultuur worden overstegen...
91
zij zeiden hem
zeg ons wie je bent
zodat we in jou geloven
hij zei hen
jullie doorgronden het
aanschijn van hemel en aarde
en hij die voor jullie
staat erkennen jullie niet
en in dit ogenblik zijn
jullie niet in staat hem te doorgronden
vergelijk: Jn 14, 8-9 - Lc 12, 54-56 - Mt
16, 1-3
Wie zijn de heren die
Jezus hier aanspreken ? Blijkbaar zijn zij mannen van aanzien, want zij hebben
kennis van hemel en aarde. Onze
wetenschappers dus, onze “geleerden” : zij die hun vakbekwaamheid hebben
bewezen. Hun vraag verraadt enige verwarring. Zij willen wel in hem geloven maar wensen te weten wie hij is,
welk bewijs van gezag hij kan voorleggen. Voor hen staat de identiteit van een
persoon inderdaad borg voor de waarde van zijn of haar kennis. Zo hoort het nu
eenmaal in hun vakgebied. Zij hebben hun waardeschaal, hun criteria, waardoor
zij belangrijke mensen van anderen onderscheiden. Wie het aandurft over
religieuze zaken te praten hoort minstens een godgeleerde te zijn...
Gnosis heeft echter niets met geleerdheid te maken. Ook een godgeleerde
is een leek in gnosis… Want gnosis is een kennis die je niet door de autoriteit
van anderen kunt ontvangen, die je niet aan een universiteit kunt studeren.
Toegang hebben tot die kennis stelt andere eisen aan de discipel. En de eerste
van die eisen is de bereidheid de eigen kennis, die je in de ogen van anderen
zo belangrijk kan maken, te relativeren. Elke overtuiging de waarheid in pacht
te hebben staat haaks op de eerste regel van de weg die Jezus voorstaat: “dat hij die zoekt niet ophoudt te zoeken...”.
Deze heren zijn wel zoekers maar niet in de
juiste richting. Zij stellen zich nog niet de juiste vragen. Hun bewustzijn is
nog niet afgestemd op de kennis die Jezus hen als mensenkind ten dienste stelt...
92
jezus heeft gezegd
zoek en jullie zullen
vinden
maar dit waarover
jullie me vroeger ondervroegen
en waarop ik jullie
toen geen antwoord gaf
nu ik het wil zeggen
vragen jullie er niet naar
In de oosterse
tradities beantwoordt een guru slechts de vraag van een discipel wanneer hij
vermoedt dat zijn antwoord door de discipel te vatten is. Vaak neemt dit
antwoord de vorm aan van een nieuwe vraag, waarop het antwoord moet leiden naar
de oplossing van de initiële vraag. Zo is elk nieuw inzicht als een vrucht die
door de discipel geplukt kan worden op zijn of haar zoekende weg. (zie logion
21)
Jezus weet dat zijn tijd gemeten is. Wat hij
hen vroeger onthouden heeft, omdat zij er nog niet klaar voor waren, verlangt
hij hen nu te zeggen. Maar hun vragen blijven uit... De zoektocht, waartoe hij
hen uitgenodigde, is blijkbaar blijven stokken. Het kan dus geen verwondering
wekken dat zijn boodschap, zoals zij in dit evangelie wordt verwoord, door
evangelisten niet in zuiverheid kon worden doorgegeven. De opdracht zelf naar
de diepere betekenis van zijn woorden te zoeken werd afgevoerd en vervangen
door de plicht te “geloven” wat anderen hadden begrepen en, in een vrome waan,
als dé waarheid voorhielden.
93
geef niet wat zuiver is
aan honden
zodat zij het niet op
de mesthoop werpen
gooi de parels niet
naar varkens
zodat zij er geen
viezigheid van maken
vergelijk: Mt 7, 6
Wat een
onvergankelijke waarde heeft, hoort met aanzien en omzichtigheid te worden
behandeld. De kennis, die Jezus ten dienste stelt, is van een andere orde dan
het “weten” dat een mens in de ogen van anderen belangrijk maakt. Wetenschap is
een kennis die je kunt aanleren, kunt doorgeven, vragen die te beantwoorden
zijn. Zoals een guru in het Oosten geeft Jezus echter geen antwoorden, tenzij
in een bedekte vorm, in een beeldspraak, waarvan de inhoud door de discipel
zelf te ontsluieren is. Dit is de weg waarlangs gnosis zich voor de zoekende
reveleert in een persoonlijke ervaringskennis. Die kennis is te waardevol om zo
maar geschikt te zijn voor massaconsumptie. Gnosis is geen “snelle hap” !
94
jezus heeft gezegd
wie zoekt zal vinden
en aan wie aanklopt
naar binnen zal worden opengedaan
vergelijk: Mt 7, 7-11 en Lc 11, 9-13
De bron staat ter
beschikking, de tafel van het bruiloftsmaal is gedekt... Enkel weten we niet
waar... Wie oprecht begaan is met levensvragen en niet ophoudt te zoeken zal
vinden. Op voorwaarde evenwel in de juiste richting te zoeken... naar binnen ! Maar ook die gerichtheid
heeft gradaties. Wie kuiert in zijn eigen binnentuintje, wat zeker zinvol kan
zijn, is er echter nog niet toe gekomen de deur van zijn of haar binnenkamer
achter zich te sluiten ! Binnenin de
leegte van die kamer verblijft de Vader in het verborgene... (zie commentaar
bij logion 53) Aan wie zich richt naar de leegte binnenin, aan hem of haar zal worden opengedaan. Wie toegang krijgt
staat evenwel geen spectaculaire ervaring te wachten ! Want de weg naar de bron
is lang en enkel stap voor stap reveleert zich de waarde ervan... Hoe dichter
we nochtans de bron naderen des te helder het water is...
95
jezus heeft gezegd
indien jullie geld
hebben leen het niet met interest
maar geef het aan hem van
wie jullie niet uit zijn hand zullen ontvangen
vergelijk: Lc 6, 34
Er is hebben en er is
zijn... Wat is de zin van te veel, van te weinig...? De organisatie in onze
samenleving is nu eenmaal zó dat geld noodzakelijk is om behoorlijk te leven.
Toch is geld slechts een middel, geen doel. Het doel is te leven in harmonie,
zowel met zichzelf als met alle mensen. Solidariteit is een woord dat vele redevoeringen
siert. De praktische beleving ervan wordt helaas door zoveel eigenbelang in de
weg gestaan.
Wat middel was is doel geworden... Niet meer een
economische kennis in functie van het geluk van de mens maar de mens in dienst
van wetten van economie... Het “weten” van de mens heeft de waarden in
verwarring gebracht ! Wat is de zin van wat ik hier aan mezelf toeken, van mijn
verdiensten, van de aalmoezen die ik geef...? Hoe consequent zijn wij,
christenen of niet, in het waarmaken van mooie principes, al dan niet verpakt
in een evangelische boodschap...?
96
jezus heeft gezegd
het koninkrijk van de
vader is gelijkend aan een vrouw
zij nam een weinig gist
stopte het in het deeg
en maakte er grote
broden mee
wie oren heeft dat hij
hoort
vergelijk: Mt 13, 33 - Lc 13,
20-21
noteer
terloops dat zowel bij Mattheüs als bij Lucas het beeld van het koninkrijk niet
in de eerste plaats verbonden wordt met de vrouw, wel met de gist. Een analoge
ontaarding gebeurde met de visser in logion 8.
Binnenin het deeg is de gist werkzaam en brengt, in harmonie met het deeg,
grote broden voort. Deel hebben in het koningschap van de vader is een
innerlijk gebeuren, dat zich in dit leven spontaan
kan reveleren, op voorwaarde evenwel eerst zelf de eenheid van gist en deeg bewerkt te hebben... Zoals de werpende
hand van de zaaier, zo is hier de knedende hand van de vrouw de noodzakelijke
voorwaarde om de revelatie van een natuurlijk proces mogelijk te maken. Gist in
deeg, zaad in grond... Een eenvoudige opdracht, zo lijkt het, maar die in
werkelijkheid een nieuwe ingesteldheid vereist, omdat het weten van de mens de
waarden in verwarring heeft gebracht. Het verwerken van de gist in het deeg
behoort niet meer tot onze bezorgdheid. We verorberen broden die anderen voor
ons klaarmaakten, al dan niet met religieus gemanipuleerd meel... Zo was er ooit
het manna dat van Jaweh kwam en niet te verwarren is met het brood dat de Vader
geeft...
Het beeld van de gist werd het symbool
van het geloof dat bergen zou verzetten, van de begeestering ook waarmee het
woord van het evangelie de wereld zou inspireren... Helaas verhieven te vele “geïnspireerde”
Adam’s zich tot bakker en kreeg de vrouw, die de waarde van de gist kende, zó
zelden de aandacht die zij verdiende...
97
Jezus heeft gezegd
het koninkrijk van de
vader is gelijkend aan een vrouw
die een kruik droeg
gevuld met meel
terwijl zij een lange
weg ging brak het oor van de kruik
het meel verspreidde
zich achter haar op de weg
gezien zij onwetend was
kon zij er niet om bedroefd zijn
wanneer zij in haar
huis was aangekomen
zette zij de kruik neer
en zag dat ze leeg was
Het ontsluieren van de
kennis, die in een beeldspraak ligt ingebed, is een mentaal proces. Het doet
beroep op begrip en inzicht. Soms overstijgt het beeld de logica van het rationele...
Dit maakt het ook zo mooi !
Het is een lange weg die de
vrouw gaat, een levensweg wellicht. De weg die we allen in een eenzame
onthechting te gaan hebben. Wat er tijdens haar tocht gebeurt ontsnapt aan haar
bewustzijn : zij is zich niet bewust iets te verliezen. De leegte is het waardevolle dat spontaan en moeiteloos in de plaats
komt van iets dat slechts een relatieve waarde heeft... Maar leegte behoort
niet tot onze mentale waardeschaal. Hoe meer we weten des te belangrijker we
zijn, zo denken we. We zijn “stapel-gekken” geworden...
De aandacht van de geest richten naar de eigen denkwereld en in
bezinning ruimte maken voor nieuwe inzichten is zeker nuttig en zinvol maar
blijft “tuinieren in de eigen binnentuin”. Wie zich in de geest kan onthechten, zijn of haar bewustzijn kan verstillen
in de rust van de leegte waarin het zijn bedding heeft, kan de ervaring van het
“leeg worden” naar waarde schatten. Wat dan ontvangen wordt manifesteert zich spontaan en moeiteloos, zoals in de
kruik van de niet wetende vrouw de
leegte spontaan en moeiteloos de plaats inneemt van het meel... Een juist
inzicht in levenswaarden, dit dat gnosis genoemd wordt, ontspringt zoals het
water van de bron uit de leegte... Die ervaring is de vrucht die de monachos in zijn of haar eenzame
vrijheid ontvangt op een weg van loslaten, van onthechting.
Dienen kan een beker slechts indien hij leeg is... Met welke bizarre
mengeling van waarden en denkbeelden werd de kruik van ons bewustzijn gevuld...?
Wat het ook mag zijn, we zijn dringend aan een zuivering toe ! We kunnen hier
terugdenken aan de woorden van logion 28 of aan die van logion 61. Telkens ging
het over de noodzaak leeg te worden. Ook logion 53, met de besnijdenis die in de geest zijn volle waarde vindt,
wordt hier op een unieke wijze bevestigd.
Het beeld van de eenheid van het zaad en de goede aarde is fascinerend
door zijn alles omvattende eenvoud. Dit beeld van de vrouw met haar kruik heeft
iets onwezenlijk door het subtiele van zijn bijna inhoudsloze inhoud. We raken
hier aan de limiet van het zegbare, de grens waar het woord nog net niet
overbodig is...
98
jezus heeft gezegd
het koninkrijk van de
vader is gelijkend aan een man
die een sterke man wou
doden
in zijn huis trok hij
het zwaard doorboorde de muur
om de stevigheid van
zijn hand te testen
pas dan doodde hij de
sterke
Het zou even simpel
zijn als naïef in dit beeld een aansporing tot geweld te zien. Het beeld dient
slechts om een werkelijkheid duidelijk te maken. Het moet dus herkenbaar zijn
door het bewustzijn van de toehoorders. De werkelijkheid van menselijke
conflicten is hen niet vreemd, gebruik van geweld evenmin.
Wie anders dan het eigen ik zouden we in het beeld van de sterke man, met wie valt af te rekenen,
kunnen herkennen? Een ik dat vervuld is van de wetten van de leeuw, zich
bedronken heeft aan schijnwaarden, zichzelf op een troon heeft geplaatst en in
de mening verkeert sterk te zijn. Met
die ik-illusie moeten we eens en voor goed afrekenen. De wijn die ons dronken
maakte (zie logion 28) moeten we dringend uitbraken, de balk uit ons oog nu verwijderen...
De enige zinvolle machtsstrijd die we te voeren hebben, is die met onszelf.
(zie logion 16).
99
zijn discipelen zeiden
hem
jouw broeders en jouw
moeder staan buiten
hij zei hen
zij die hier zijn die
de wil van mijn vader volbrengen
zij zijn mijn broeders
en mijn moeder
zij zijn het die het
rijk van mijn vader zullen binnengaan
vergelijk: Mt 12, 46-50 - Mc 3, 31-35 -
Lc 8, 19-21
We hebben een
biologische moeder, biologische broeders en zusters. We hebben ook spirituele
broeders en zusters en een spirituele Moeder of Vader. Van die Moeder of Vader
is Jezus niet de enige zoon...!
Een spirituele verbondenheid overschrijdt de grenzen zowel van de
mentale als van de fysieke ervaring. Daarom is zij enkel te benaderen met
behulp van een beeld. Ook de wil van de
vader behoort tot het beeld... Willen is immers een menselijke eigenschap !
Het is een energie die tot handelen drijft, waarvan de inhoud wordt ingekleurd
door persoonlijke verlangens. Omdat we de wil als een menselijke eigenschap op
een God projecteren, staan we perplex voor wat de “wil van God” kan toelaten.
Oprechtheid dwingt ons te erkennen dat het godsbeeld, dat ons werd voorgehouden,
onmachtig is ten aanzien van “het willen” van de mens... Het volbrengen van
Zijn wil, de vervulling van Zijn wet van harmonie, heeft de Vader immers aan
het mensenkind gedelegeerd. Hierin ligt de basis van zijn vrijheid en dus van
zijn verantwoordelijkheid. In zijn integratie in het gezag van de Vader komt
het de mens toe beslissingen te nemen, niet de Vader...!
“Uw wil geschiede”... “Inch Allah”... Ook dit is een waangedachte
waaruit we te ontwaken hebben. De verantwoordelijkheid voor wat hier in deze
wereld gebeurt moeten wij niet toedichten aan een ondoorgrondelijke “wil van
God”, noch aan een hypothetische satan, noch aan een fataliteit. Door zijn vrijheid draagt de Adam zelf de
totale verantwoordelijkheid voor zijn daden. Binnen die werkelijkheid
heerst de wet die alles vergeldt, het foute als het goede...
De monachos, die verblijft in
een bewuste verbondenheid met de Vader, laat zich leiden door Zijn inspiratie
en vervult zo spontaan “Zijn wil”. In die werkelijkheid is iedere mens broeder
of zuster van elkaar, want één in eenzelfde verbondenheid met de Vader. Tot dit
bewustzijn kwam ook de oude man van logion 4 in zijn ontmoeting met het kind
van zeven dagen.
100
zij toonden een
goudstuk aan jezus en zeiden hem
de gezanten van caesar
eisen een belasting van ons
hij zei hen
geef aan caesar wat aan
caesar toekomt
geef aan god wat aan
god toekomt
en wat het mijne is
geef het mij
vergelijk: Mt 22, 15-22 - Mc 12, 13-17 -
Lc 20, 20-26
Uitzonderlijk in dit
evangelie spreekt Jezus hier niet over de Vader maar over God. Zij die hem de
vraag stellen vereren een God. Jaweh is zijn naam. Over hem gaat het hier dus
en niet over de Vader. Bovendien neemt Jezus ook afstand van dit godsbeeld want
: en wat het mijne is geef het mij...
Niet toevallig is dit laatste zinnetje in de kanonische evangeliën zoek geraakt...
Jezus confronteert ons hier met drie voorbeelden van gezag. Er is
caesar, die symbool staat voor het politieke en militaire gezag. Dit gezag is
belust op macht. De joden leefden toen onder een vreemde bezetting. Van die
onprettige en voor een vrij mens moeilijk te aanvaarden situatie moeten zij de
gevolgen ondergaan. Hun vraag naar Jezus toe is wat uitdagend, alsof zij zijn
politieke engagement willen testen. Zijn opdracht is echter verheven boven
politieke toestanden. Hij is geen vrijheidsstrijder in een wereldse betekenis,
geen vechter tegen onrecht of kwaad.
Het is dus ook niet zijn taak onrust te stoken tegen de bezetter. De wet van de
sterkste behoort tot de wetten van de leeuw. Mensen, die de strijd aangaan met
de leeuw, hebben hiervan de consequenties te aanvaarden. De toestand zijnde wat
hij is, moeten zij dus aan caesar geven wat hem toekomt, overeenkomstig de wet
van de sterkste.
Het tweede gezag is God, de God van de joden, de vrucht van hun
verbeelding, van wie zij zich voorstellen totaal gescheiden te zijn. Ook Zijn
gezag is dwingend. Weliswaar op een ander vlak of in een ander levensgebied dan
daar waar caesar heerst. Maar de gevolgen
voor het levensgeluk van de joden zijn nog meer ingrijpend. Want hun
godsdienst legt hen op voortdurend rekening te houden met de “wil” en de
geboden van hun God. Een jood heeft dus aan heel wat verplichtingen te voldoen :
offeren, bidden, aalmoezen geven, vasten, zich laten besnijden, rituelen
waarvoor Jezus in dit evangelie weinig begrip heeft. Leuk leven is anders. Maar
een mens moet er iets voor over hebben om zich een plaats in het koninkrijk te
verzekeren. Voor hun religieuze inzichten heeft Jezus evenwel mededogen.
Daarom: geef aan jullie God wat Hem toekomt, indien dit jullie overtuiging is.
Jezus zelf is het derde gezag. Een gezag dat niet belust is op dwang of
macht maar dienend is. Een gezag dat getuigenis aflegt, niet van zichzelf maar
van een innerlijke bron waar hij mee verbonden is. Voor die verbondenheid
gebruikt Jezus het beeld van een zoon - vader relatie. Hij houdt de mensen voor
de gerichtheid van hun geest te wijzigen, te richten naar die bron binnenin
henzelf en zo haar inspiratie te ontvangen. Macht verwerven is hem geen zorg
noch het vestigen van een goddelijke macht hier en nu. Het gezag van de Vader is gevestigd. Zijn inspiratie, de Spiritus,
staat dienend ter beschikking van ieder die er zich voor openstelt. Wat Jezus
toekomt is onze aandacht, onze luisterbereidheid. Zijn boodschap is een
persoonlijke uitnodiging : verander je ingesteldheid, word je bewust van wat je
werkelijk bent, ervaar de verbondenheid met de Vader binnenin jezelf en dien
zoals ik dien.
De God van het oude en de Vader van het nieuwe
hebben inderdaad niets met elkaar gemeen ! Het nieuwe kleed, waarvan Jezus
getuigt, behoeft geen herstel met een oude lap, de nieuwe wijn hoort niet thuis
in oude zakken...
101 zie logion 55
102 zie logion 39
103
jezus heeft gezegd
gelukkig is de mens die
de plaats kent waar de rovers naar binnen komen
zodat hij zich zal
oprichten en zijn krachten zal bundelen
en reeds zijn lenden
zal omgorden vooraleer zij binnendringen
Dit logion is analoog
aan het tweede deel van logion 21, aan logion 98 ook. De rovers, de trawanten
van de leeuw, die bij nader inzien wellicht onze eigen ik-gebonden verlangens
zijn, betekenen een steeds dreigend gevaar. Kennis hebben van de kwetsbare
plaatsen in het eigen ik, van de eigen zwakheden, is een belangrijke kennis die
het ik tegen zichzelf kan beschermen en een harmonisch samengaan met anderen
kan vrijwaren. Vechten tegen is
evenwel steeds zinloos! Zichzelf sterk maken, om het hoofd te kunnen bieden aan
verleidingen, is daarentegen wel een juiste ingesteldheid. Tenslotte zijn we
zelf verantwoordelijk voor het waardevolle dat we kunnen verwerven en dat we
ook kunnen verliezen.
104
zij zeiden hem
kom laten we vandaag
bidden en vasten
jezus zei
welke fout heb ik
begaan of waarin werd ik bedwongen
maar wanneer de
bruidegom uit de bruidskamer zal zijn gekomen
dan dat men bidt en dat
men vast
vergelijk: Mt 9, 14-15 - Mc 2, 18-20 - Lc
5, 33-35
Naast het beeld van
het zaad en dit van het kind van zeven dagen, naast het beeld van de gist en
van het juk, het beeld vooral van de verbondenheid van de zoon met zijn vader, is
de bruidskamer het ultieme beeld, waarmee de kerngedachte in dit evangelie nog
maar eens wordt gevisualiseerd.
De bruidskamer is slechts eenmalig een bruidskamer : de dag waarop man
en vrouw voor het eerst één zijn. In
die eenheid ligt de unieke realiteit waaruit het nieuwe leven kan ontstaan.
Daar is ook de plaats waar het kind van zeven dagen nog in verblijft, waar het
zaad thuis hoort om zijn finaliteit waar te maken, waar de bron zelf is... De
bevruchte eicel, de vrucht van de eenheid van het mannelijke en het
vrouwelijke, van de bruidegom en de bruid, is het nieuwe dat niets meer met het
oude te maken heeft. In de gescheidenheid
van het oude wacht enkel de dood...
Hoe nutteloos is de eicel die niet werd bevrucht... hoe nutteloos de zaadcel
die niet bevruchtte...
Het nieuwe is niet te beoordelen met de waarden
van het oude ! De nieuwe waarheid is afwezigheid van gevestigde waarheden, de nieuwe
weg afwezigheid van een uitgetekende weg, enkel het gaan is belangrijk... Voor dit
nieuwe staan we naakt, is elke verdienste die we aan ons ik toekennen pure
pretentie... Dit leven kan slechts zijn totale rijkdom onthullen wanneer het,
in bewustheid, gegrondvest is in de eenheid met zijn bron. Wiens bewustzijn
hierin gevestigd is heeft geen boodschap aan vasten, bidden of meditatie !
Wanneer echter de eenheid verbroken is, wanneer de bruidegom de bruidskamer
verlaten heeft en gescheidenheid een
feit geworden is, dan kan beroep worden gedaan op gebed en onthechting om van
“twee” opnieuw “één” te maken.
105
jezus heeft gezegd
wie de vader en de
moeder zal erkennen
zullen zij hem
hoerenzoon noemen
Zoals o.m. met de
logia 24 en 71 het geval was, missen we ook hier de omstandigheid waarin deze
uitspraak gedaan werd. Waarom gebruikt Jezus hier een scheldwoord ? Werd één
van zijn discipelen of hijzelf soms op die manier uitgescholden ?
Een hoerenzoon kan niet tot de gemeenschap behoren omdat hij zijn vader
niet kent. De vrucht van zijn
onwetendheid is conflict, sociale verstoting... Velen kennen hun vader wel maar
niet hun ware Vader of Moeder... Wie
tot het juiste inzicht zal komen, zijn of haar ware Vader of Moeder zal
erkennen, kan geen hoerenkind meer zijn ! Want in die kennis is alle
onwetendheid opgelost.
Ook hier, zoals in logion 101, is de verwijzing
naar de moeder opmerkelijk. In de joodse religieuze cultuur was de plaats van
de vrouw immers totaal ondergeschikt aan die van de man. In de gnosis van Jezus
is geen ruimte voor die discriminatie. Het verschil met de ingesteldheid van
Paulus is schrijnend... Waarom volgde de Kerk ook hierin zoveel meer Paulus dan
Jezus...? De bijzondere verering van de biologische moeder van Jezus zou in
latere tijden een ver-voerende overcompensatie worden voor de vrouwelijke
afwezigheid binnen een Kerk die zich ooit katholiek noemde... De
universaliteit, waarvoor het woord katholiek staat, betreft blijkbaar vooral
het mannelijke gedeelte van het universum...
106
jezus heeft gezegd
wanneer jullie de twee
één zullen maken zullen jullie mensenzoon zijn
en indien jullie zeggen
berg verwijder je zal hij zich verwijderen
Dit logion is een meer
expliciete variante van logion 48. De helderheid is opmerkelijk. Wie de weg van
de monachos is gegaan, tot het
bewustzijn van eenheid is gekomen, heeft zijn of haar ware wezen erkend : dit
van het mensenkind dat kind is van de Vader of de Moeder. Het gaan van die weg
is de uitdaging van het nieuwe waar Jezus voor staat. Aan zijn uitnodiging
koppelt hij bovendien de belofte van ongekende mogelijkheden : geen hindernis
zal jullie nog deren...
Nogmaals blijkt hier in alle duidelijkheid dat het woord mensenzoon niet uitsluitend op Jezus van
toepassing is. Want iedere mens is in potentie een mensenkind, een kind van de Vader, de levende.
107
jezus heeft gezegd
het koninkrijk is
gelijkend aan een herder die honderd schapen bezat
één van hen het
grootste verdwaalde
hij liet de
negenennegentig achter en zocht het ene tot hij het vond
gezien hij zich moeite
gegeven had zei hij tot het schaap
jou wil ik meer dan van
de overige negenennegentig
vergelijk: Mt 18, 12-14 - Lc 15, 4-7
De inhoud van de
beeldspraak in dit logion is analoog aan die van de attente visser in logion 8
of van de wijze koopman in logion 76. De vrouw met haar kruik - logion 97 - kon
niet bedroefd zijn om wat zij verloor, want zij was er zich niet van bewust.
Bovendien was de waarde van het verlies relatief banaal. Het gemis van iets
belangrijk - hier gaat het om het grootste schaap - doet de waarde ervan
inzien. De vreugde om het herstel van een verlies is te meten aan de moeite die
men zich voor dit herstel heeft getroost. Het is evenwel niet evident een
beslissing te nemen, waarbij we afstand doen van dit dat ons in de ogen van
anderen belangrijk maakt - en soms is dit een hele kudde - in de hoop het éne,
het meest waardevolle te ontdekken...
De drie logia vullen elkaar in een zekere zin
aan. Wat het kind van zeven dagen werd ontnomen, kan het terugvinden dankzij
het onderscheidingsvermogen van de attente visser, de wijsheid van de koopman
en de inzet van de bezorgde herder.
108
jezus heeft gezegd
wie drinkt uit mijn
mond zal zijn zoals ik
ikzelf zal zijn zoals
hij
en wat verborgen is zal
zich voor hem onthullen
vergelijk: Jn 4, 13-14 en 6, 53
Iedere mens is uniek,
allen zijn we verschillend van elkaar... Dit is gewoon een biologische
werkelijkheid. Hoe kan Jezus dan in iemand zijn gelijke erkennen... ? Omdat
zijn kennis de biologische werkelijkheid transcendeert. Hij heeft het over een zijnswaarde, die onderliggend is aan
de uitdrukking van het relatieve leven. In het bewustzijn van een verbondenheid
met die zijnswaarde berust de bron
van zijn kennis. Die kennis dient niet om juist te weten maar om juist te zijn.
“Wie het water drinkt dat ik zal
geven zal zelf bron worden...” zegt Jezus in het Johannesevangelie. Dit is
het punt waarop hij en zijn discipel in bewustheid één zijn. De
ontvankelijkheid van de discipel is
de essentiële voorwaarde om deel te hebben in het bewustzijn dat het zijne is.
Die ontvankelijkheid heeft met innerlijke
leegte te maken... Zoals het water uit de bron, ontspringt gnosis uit de
leegte waarin het bewustzijn zijn bedding heeft... Wanneer Jezus zich zoveel
moeite getroost om zijn kennis, het bewustzijn van het licht dat hij in
zichzelf ervaart, aan anderen door te geven, dan doet hij dit omdat hij zich
bewust is dat niemand verschillend is van hem in zijn of haar verbondenheid met
de Vader.
Door Jezus te erkennen als een unieke zoon van God werden we op het
verkeerde been geplaatst... Vóór alles is hij, zoals wij allen, een mensenkind.
Worden zoals hij, tot het bewustzijn komen dat het zijne is, dit is de uitdaging
van het nieuwe. In Jn 6, 56 drukt hij dit uit in een verbazend beeld : “wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt verblijft
in mij en ik in hem”. Die woorden klinken als een schreeuw uit het hart,
als een extreem beeld waardoor hij poogt duidelijk te maken dat iedere mens kan
worden zoals hij, zijn vlees en bloed kan zijn... Helaas werd in dit beeld niet
de “in vlees en bloed” levende Jezus
erkend, de dienaar die dient omdat hij levend
is. Want precies die man was het die Paulus weigerde te erkennen... (2 Kor 5,
16) Zo gaf dit beeld in het katholieke geloof aanleiding tot een ritueel waarin
het voor ons vergoten bloed van de gekruisigde
en verrezen Christus - de enige die wel de aandacht van Paulus waardig was
- wordt herdacht. De levende dienaar
werd een lijk geworden lam... (zie
commentaar bij logion 60)
109
jezus heeft gezegd
het koninkrijk is
gelijkend aan een man
in wiens akker een
schat verborgen was waar hij niet van afwist
na zijn dood werd de
akker het bezit van zijn zoon
de zoon die onwetend
was verkocht de akker
de man die de akker
gekocht had kwam bewerkte hem en ontdekte de schat
en hij leende geld aan
wie hij wou
vergelijk: Mt 13, 44
Dit logion illustreert
de waardeverhouding tussen kennis en onwetendheid, de weg ook die te gaan is om
tot kennis te komen. De akker van ons bewustzijn moeten we zelf bewerken, zelf
omploegen. In oprechtheid en met volharding geen vragen uit de weg gaan, geen
“waarheden” ongemoeid laten... Dit hoort nu eenmaal bij de weg die, tegen de stroom in, leidt naar de bron.
Wie bewust geworden is van de bron binnenin zichzelf, heeft de schat gevonden
en kan blijvend geven...
110 zie logion 81
111
jezus heeft gezegd
voor jullie aanschijn
zullen de hemelen en de aarde zich oprollen
en de levende
voortgekomen uit de levende zal noch dood noch angst zien
want jezus zegt dit
wie zichzelf ontdekt de
wereld is hem niet waardig
Alles wat in deze
relatieve wereld tot uitdrukking komt, wat tot onze concrete leefwereld
behoort, onze lichamelijke aanwezigheid ook, dit alles is een aan tijd gebonden
werkelijkheid die voortdurend aan veranderingen onderhevig is. Aan de oorsprong
ervan ligt een absoluut en tijdloos Zijn, dat leven is, in een niet te bevatten leegte, stilte, rust... Wat niet
te bevatten is behoort tot het onbekende en wat onbekend is maakt angstig.
Enkel kennis is in staat onwetendheid en de ermee verbonden angsten op te
lossen.
Zoals we tijdens een filmprojectie beelden
ervaren als een reële werkelijkheid maar door de kennis van het gebeuren ook
kunnen relativeren als een tijdelijke visuele voorstelling, zo kan elke uiting
van veranderlijkheid in dit leven door een juiste kennis erkend worden als de
manifestatie van een absoluut en dus onveranderlijk Zijn. Aan alles komt een
einde : aan een filmvoorstelling, aan het biologische leven ook. Geboorte en
dood komen en gaan... bladeren sterven aan de boom... Dit betekent echter niet
het einde van Leven...
Wie zich in dit leven bewust is geworden één te zijn met een absolute
levensbron, is in die bron zelf levend geworden.
Want van dit leven zijn de wortels gevestigd in de Vader, de levende. In die verbondenheid werd de ware natuur van het eigen
wezen ont-dekt, werd de eigen biologische werkelijkheid erkend als een
individuele en tijdelijke expressie van een universeel en tijdloos Zijn. In dit
bewustzijn zijn we bevrijd van elke afhankelijkheid van veranderlijkheid en
overstijgen we daarom de wereldlijke
waarden... Hierin ligt ook de zekerheid ingebed van een terugkeer naar een
veilige want absolute thuishaven. Wie als mens niet tot dit bewustzijn is
doorgegroeid verblijft in de angst van het onbekende.
112
jezus heeft gezegd
beklagenswaardig is het
vlees dat afhankelijk is van het innerlijke zelf
beklagenswaardig is het
innerlijke zelf dat afhankelijk is van het vlees
Wat in dit logion eens
te meer aan de kaak wordt gesteld zijn de gevolgen van afhankelijkheid. In de inleiding (zie vertalen is verraden) deden
we een poging om begrippen als soma
(lichaam), sarks (de mens van vlees
en bloed) en psychè (het innerlijke
zelf) van elkaar te onderscheiden. Ook in logion 29 en 87 waren die begrippen
aan de orde. De “in vlees en bloed” levende mens is een combinatie van soma en psychè. Binnen die relatie speelt de psychè, zowel in haar bewuste als in haar onbewuste component, een
bepalende rol. Want in de psychè
heeft het ik-bewustzijn zijn bedding.
In de gevoeligheid van de psychè
voor zovele invloeden, die haar innerlijke harmonie kunnen verstoren, ligt ook
onze kwetsbaarheid. Enerzijds is de psychè
afhankelijk van de ervaringen van de
sarks, die oorzaak kunnen zijn van verstoringen. Anderzijds zal de
disharmonie in de psychè steeds een
verstorende factor zijn, die de keuze van ons handelen beïnvloedt. Dit is de
vicieuze cirkel die het wiel van samsara,
het aan tijd en materie gebonden levenswiel, draaiende houdt : elke handeling
is het gevolg van een vorige en de oorzaak van een volgende... Die vicieuze
cirkel kunnen we doorbreken. Het middel om dit te bereiken is een onthechting in de geest, waar o.m. in
logion 53 naar wordt verwezen. Onze geest is aan onthechting toe, aan een rust in
het “niet-handelen”, in de stilte van de innerlijke leegte. De deur van onze
binnenkamer moet af en toe gesloten worden...
In de oorspronkelijke zuiverheid van het leven, in de eenheid waarin
het hogere en het lagere verbonden zijn, is elk celletje van het lichaam
harmonisch met alle andere verbonden. Waar harmonie het leven stuurt is geen
ruimte voor afhankelijkheid, enkel voor verbondenheid. Afhankelijkheid behoort
tot het lagere. In het dualisme, waarin we de uitdrukking van het lagere
ervaren, onderscheiden we waardeverhoudingen. Het ene maakt zich belangrijker
dan het andere. In de originele eenheid geldt dit onderscheid niet. De goede aarde is niet belangrijker dan het
zaad, de zaadcel niet belangrijker dan de eicel, de man niet belangrijker dan
de vrouw... Enkel hun harmonische verbondenheid heeft een reële waarde.
Hebben en afhankelijkheid behoren tot het oude,
bevrijd “zijn” in de harmonie van de eenheid tot het nieuwe ! Voor het licht
van het nieuwe zijn onze ogen nog te zwak, is ons bewustzijn nog te blind...
Dit maakt voor ons de toegang tot de gnosis van Jezus nog zo moeilijk...
Zijn woorden in dit logion horen eerder bij een psychologische dan bij
een religieuze kennis, zo zijn we althans geneigd te denken. De gnosis van
Jezus is echter een holistische kennis, die berust in de eenheid, waarin alles
met elkaar verbonden is : het innerlijke en het uiterlijke, het hogere en het
lagere. Zowel de religieuze als de wetenschappelijke weg streven naar een juist
inzicht in die waarden of wetten, waardoor een harmonische verbondenheid in dit
leven tot uitdrukking komt of kan komen.
113
zijn discipelen zeiden
hem
welke dag zal het
koninkrijk komen
naar zijn komst kan men
niet uitzien
noch zal men zeggen zie
het is langs hier of zie nu is het er
maar het koninkrijk van
de vader strekt zich uit over de aarde
en de mensen zien het
niet
vergelijk: Lc 17, 20-21: “de
komst van het koninkrijk van God kan niet worden waargenomen, noch zullen zij zeggen zie het
is hier of daar is het, want zie het koninkrijk van God is binnenin u.”
Eens te meer maakt de
vraag van de discipelen duidelijk hoe sterk hun gebondenheid aan het oude nog
is. Toch kan het nieuwe slechts ontluiken indien het oude wordt losgelaten !
Bij het begin van dit evangelie, in logion 3, liet Jezus geen twijfel bestaan
omtrent zijn concept van het koninkrijk: het
is binnenin jullie en het is buiten jullie. In logion 51 stelde hij: wat jullie verwachten is gekomen maar jullie
erkennen het niet. Hier bevestigt hij nogmaals dat de komst van het
koninkrijk niet de happening is waar Paulus zo intens naar uitkeek maar een
werkelijkheid die zich uitstrekt over de
aarde. Die werkelijkheid kan evenwel slechts tot het bewustzijn van de mens
doordringen, indien hij de mogelijkheid om juist te zien oordeelkundig aanwendt.
Uiteraard heeft zien hier
geen visuele betekenis. Het symboliseert het verwerven van kennis, van
in-zicht. Wat de mens ontbeert is een juist inzicht in zichzelf en in de
levenswet, die zowel de ganse natuur als zijn eigen wezen stuurt. Met die wet
leeft de mens in een verbondenheid waar hij zich niet meer ten volle van bewust
is. Een juiste zelfkennis kan hem die verbondenheid opnieuw reveleren.
Alles wat op deze aarde tot uitdrukking komt, ieder celletje in een plant,
een dier of in het eigen lichaam luistert spontaan naar Zijn wet van harmonie,
het woord van de Vader in de schepping. Enkel aan de mens is het gegeven te
luisteren naar zijn eigen stem en zelfbewuste keuzen te maken. Die hoedanigheid
verheft hem weliswaar boven alle overige levensvormen maar houdt ook een
bijzondere verantwoordelijkheid in. Zoals de natuur getuigt van een totale
integratie van het lagere in het hogere, zo is het de opdracht van de mens tot
het bewustzijn te komen van zijn integratie in het hogere. In het bewustzijn deel te hebben in het koningschap van de Vader ligt
zijn dienende verantwoordelijkheid in dit leven.
Omdat de mens niet ziet en ook niet luistert is
hij nu blind en doof. Het innerlijke licht beroert zijn bewustzijn niet. In de
duisternis van zijn onwetendheid is zijn onderscheidingsvermogen hem van geen
nut. Hij is bedronken door zijn eigen weten en kunnen. Tot die teleurstellende
vaststelling is Jezus gekomen. Van die werkelijkheid is het laatste logion een perfecte
illustratie.
114
simon petrus zei hen
dat mariam zich uit ons
midden verwijdert
want vrouwen zijn het
leven niet waardig
jezus zei
zie ik zal haar
aantrekken om haar mannelijk te maken
zodat zij een levende
geest zal zijn die gelijkend is aan jullie mannen
want elke vrouw die
zich mannelijk zal maken
zal het rijk der
hemelen binnengaan
Het laatste logion van dit merkwaardige
evangelie getuigt van een ontnuchterende anticlimax. Het werpt ons terug in een
o zó menselijke werkelijkheid die, zoals blijkt, weinig ontvankelijk is voor
het woord van Jezus. Het platvloerse van de opmerking van Petrus - ook in de
kanonische evangeliën leerden we hem kennen als een impulsieve persoonlijkheid
- laat geen twijfel bestaan omtrent de plaats van de vrouw, hier belichaamd in
Maria Magdalena, in zijn religieuze cultuur. Van die ingesteldheid getuigde ook
Paulus op een ondubbelzinnige wijze. Voor hem, die nochtans in lyrische
bewoordingen over de liefde schreef, was Jezus zoveel belangrijker als de
“gekruisigde verlosser” dan als de man die in een vrouw zijn gelijke erkende.
Zijn ingesteldheid zou het christendom nog tot op heden zoveel meer brandmerken
dan de ingesteldheid van Jezus... Ten aanzien van hun superioriteitsgevoel is
de vrouwvriendelijkheid van Jezus als een aanslag op hun mannelijke
eerbaarheid. Hier pikt Petrus het niet dat een vrouw in hun midden verblijft.
Religie hoorde immers een exclusieve mannenzaak te zijn.
Als symbool voor een spirituele verbondenheid, de eenheid waaruit het leven
zich in zijn volheid kan ontplooien, maakte Jezus eerder in dit evangelie, o.m.
in logion 22, gebruik van het beeld van de eenheid van het mannelijke en het
vrouwelijke. Ook in het beeld van de bruiloft en de bruidskamer is dezelfde
symboliek aan de orde. Begrijpelijk dus dat bij sommige discipelen enige
commotie ontstond. Ook de bijzondere relatie die Jezus blijkt te hebben gehad
met Maria Magdalena - niet toevallig is zij voor Johannes de eerste getuige van
de levende gekruisigde - viel bij
enkele onder hen duidelijk niet in goede aarde.
In dit logion ondergaat de beeldspraak van Jezus een opmerkelijke
transformatie. Het beeld van de eenheid van het mannelijke en het vrouwelijke ontaardt hier immers tot het mannelijk maken van het vrouwelijke...
Het mag duidelijk zijn dat de woorden, die hier in de mond van Jezus werden
gelegd, niet aan hem kunnen worden toegeschreven ! Het vrouwelijke hoort immers
evenmin mannelijk te worden als het mannelijke hoort vrouwelijk te worden. De
vrucht van hun eenheid is het leven
in de bevruchte eicel, zoals het leven in de kiem de vrucht is van de eenheid van het zaad en de goede aarde...
Hoe kan de symboliek in een beeld worden erkend
indien het beeld zelf niet wordt aanvaard...? De manipulatie die het beeld in
dit logion onderging kan enkel het werk zijn van een transcriptor die,
bedronken door zijn mannelijke zelfbesef, evenmin als Petrus in staat was de
gelijkwaardigheid van man en vrouw als een symbool voor de eenheid te
aanvaarden. Petrus en zijn gezellen kunnen nochtans aanspraak maken op enig
mededogen. De ontsluiering van de
symboliek in de beeldspraak van het mannelijke en het vrouwelijke, in die van
de bruiloft en de bruidskamer ook, het maken van een grens overschrijdende stap
van een biologische naar een spirituele eenheid, bleef immers ook voor twintig
eeuwen christelijke theologie een onbeantwoorde uitdaging... Noch de
radicale betekenis van de eenheid, noch de talrijke beelden die naar de eenheid
verwijzen, beroerden het bewustzijn van hen die zich beschouwden als de
spirituele erfgenamen van de discipelen. Zoals de discipelen dachten opnieuw
klein te moeten worden om toegang te hebben tot het koninkrijk, zo gelijken hun
erfgenamen aan kinderen die nog steeds geloven dat het leven ontstaat uit een
bloemkool of door bemiddeling van een ooievaar en niet uit de eenheid van papa
en mama... De pauliniaanse afkeer voor
elke betrokkenheid bij de zondige wereld van het vlees en het bloed - zeg maar
seksualiteit - heeft overigens in het christendom meer dan pijnlijke sporen
nagelaten...
De betrachting van Jezus om het bewustzijn van
zijn medemensen te verheffen en te vestigen in een perspectief van verbondenheid - en niet van gescheidenheid - van het lagere met het
hogere, was blijkbaar voor een meerderheid onder hen te verstorend om
aanvaardbaar te zijn. Dit laatste logion bevestigt hoe moeilijk het voor de
mannen was om hun prerogatieven los te laten en, doorheen een juist begrip van
zijn beeldspraak, het te vernieuwende van zijn kennis in zich op te nemen.
Zowel cultureel en als religieus was dit toen voor hen, zoals vermoedelijk nu
nog steeds voor velen onder ons, een te revolutionaire stap. Voor de meesten predikte
Jezus in de woestijn. Slechts weinigen was het gegeven zich open te stellen
voor een metanoia, een mentaal
bevrijdende ommekeer, waartoe hij hen uitnodigde. Tot die weinigen behoorden
Maria Magdalena en Judas Thomas...
a - Het ontstaan van een epos
In de westerse
cultuur werd het religieuze denken onmiskenbaar beheerst door het christendom.
Hoewel die godsdienst zich intussen over de ganse wereld vertakte in ontelbare
en gediversifieerde geloofsgemeenschappen, die zich bewust wensen te
onderscheiden van elkaar, is in elke belevingsvorm ervan Jezus, die de Christus
wordt genoemd, de centrale figuur. Zoals een moslim in Mohammed of een
boeddhist in de Boeddha kan iedere christen in Jezus een gelegenheid of een
uitnodiging vinden zich door een ideaal beeld te laten inspireren. De
betekenis, die aan die man werd toegekend, is dus enorm. Maar wie was hij ?
Waarom is hij, ondanks de korte duur van zijn optreden in de openbaarheid, zo
belangrijk geworden ? Wat was de reële inhoud van zijn religieuze getuigenis en
welke motivering heeft hem hiertoe aangezet ? Wat zou er overigens van zijn
getuigenis zijn overgebleven, indien hij niet zou zijn erkend als een
afstammeling van koning David of indien er geen fenomeen zou zijn geweest, die
Paulus heette en die van hem het definitieve sluitstuk van de Bijbel maakte ?
De associatie van Jezus met de Bijbel lijkt vandaag zó evident, dat het in
vraagstellen van zijn bijbelse integratie bij vele gelovigen wellicht als
ongepast of zelfs oneerbiedig zal overkomen. Toch zou die vraag wel eens
realistischer kunnen zijn dan we vermoeden. Uit het evangelie volgens Thomas
blijkt immers dat hij zichzelf niet alleen nooit in de lijn van de bijbelse
traditie plaatste maar dat hij zich bovendien duidelijk distantieerde én van de
profeten uit de Bijbel én van de rituelen, waarmee de joden hun bijbelse geloof
beleefden.
Laten
we eerst in alle duidelijkheid stellen dat, wanneer we het over de Bijbel
hebben, we dit boek bedoelen dat behoort tot het culturele erfgoed van het
joodse volk. De Hebreeuwse Bijbel dus, die door de christenen het Oude
Testament wordt genoemd. Het betreft een buitengewone saga, waarin de roots van
het Hebreeuwse volk en hun unieke alliantie met YHWH in een dramatisch epos
werden vastgelegd. Voor de christenen bestaat de Bijbel echter niet alleen uit
het Oude maar ook uit het Nieuwe Testament, waarin het leven en de boodschap
van Jezus centraal staan.
De
compilatie van dit indrukwekkende epos zou, volgens de meest recente
archeologische bevindingen, een aanvang hebben genomen in de zevende eeuw vóór
Chr., toen Jozias koning was in Juda. De bedoeling ervan was zowel politiek als
religieus : aan het Hebreeuwse volk een historische basis geven, waardoor het
zich opnieuw kon bewust worden van zijn uitzonderlijke lotsbestemming,
gedicteerd door een unieke alliantie met de enige God YHWH. Jozias beschouwde
het immers als zijn messiaanse opdracht Israël en Juda opnieuw te verenigen
onder het hiërarchische gezag van het koningshuis van David. Even wat
geschiedenis dus.
In
de periode die voorafging aan de regering van koning Jozias onderscheidde men
in het land van Canaän, dat nu Palestina wordt genoemd, twee deelgebieden :
Israël in het noorden en Juda ten zuiden. Omdat Israël kon genieten van een
vruchtbare natuur en bovendien op de verbindingsroute lag tussen twee
bijzondere culturen, die van Egypte en van Mesopotamië, had het een
voorspoedige ontwikkeling gekend. Een aantal belangrijke nederzettingen
getuigden van een georganiseerde en bloeiende samenleving. Juda daarentegen was
een onherbergzame en moeilijk toegankelijke streek met kleine woongemeenschappen,
die in ondankbare omstandigheden leefden. Hierdoor was het een vrij geïsoleerd
gebied gebleven. Echte steden waren er niet. De voornaamste nederzetting in het
noorden van Juda, Jeruzalem, was toen niet meer dan een uitgebreid dorp.
Een
totale omwenteling vond plaats toen koning Teglat-Phalasaar III van Assyrië in
738 v.Chr. zijn oog liet vallen op het voorspoedige Israël. Hij verwoestte er
zowat alle belangrijke nederzettingen en deporteerde een groot aantal inwoners
naar het oosten. Assyrische onderdanen namen hun plaats in. Dit betekende zo
goed als het einde van Israël. Een deel van de inwoners vluchtte echter naar
het zuiden, naar Juda, waardoor ook dit gebied op vrij korte tijd een totale
transformatie onderging. Van enkele tienduizenden inwoners steeg de bevolking
plotseling tot ongeveer 120.000. In de tijd van één generatie breidde Jeruzalem
zich uit van 6 tot 75 hectaren. Een versterkte vesting omgordde voortaan de
nieuwe stad.
Dit
alles gebeurde toen Achaz in Juda een door de Bijbel vermaledijde koning was
(743–727 v.Chr.). Onder zijn bewind kenden de hoogvlakten van Juda nochtans een
toenemende voorspoed. Zijn zoon en opvolger, Ezechias, was in de ogen van de
bijbelschrijvers wel een voorbeeldige koning. Hij bestreed immers de vele bijgeloven
en streefde ernaar het gezag van YHWH te herstellen. Ook hij koesterde reeds de
droom van een hereniging met het noorden en verzette zich daarom tegen de
bezetter. Dit zou hem zuur opbreken, want de Assyriërs veroverden nu ook grote
delen van Juda. Alleen Jeruzalem werd gespaard. Zijn zoon Manassé was dan weer,
net als zijn grootvader, een door de Bijbel verdoemde koning. Want hij
aanvaardde de overheersing van Assyrië en was vooral religieus veel toleranter
dan zijn vader. Maar hij zorgde er wel voor dat Juda opnieuw voorspoed kende
o.m. door een bloeiende handel in olijfolie. Zijn bewind liep van 698 tot 642
v. Chr.
Koning
Jozias regeerde in Juda van 639 tot 609 v.Chr. Onder zijn regering taande de
macht van de Assyriërs, omdat zij zowel aan hun noordelijke als oostelijke
grenzen werden bedreigd. Hun greep op de bezette gebieden van Israël nam
zodanig af dat Jozias hierin een opportuniteit zag om zijn messiaanse droom van
een hereniging van het Hebreeuwse volk te verwezenlijken. De belangrijkste voorwaarde
om aan zijn plan enige kans op slagen te geven was echter te kunnen rekenen op
de steun van zijn God. Ten tijde van Jozias werden immers naast YHWH ook heel
wat andere goden vereerd. Zijn volk moest er dus worden van overtuigd dat zijn
lot totaal afhankelijk was van zijn trouw aan de enige God, de alles bepalende
macht. Die onvoorwaardelijke betrokkenheid had steeds en zou steeds de toekomst
van het Hebreeuwse volk bepalen. Hij nam dus het initiatief de historiek van
zijn volk te laten uitschrijven in een onovertroffen episch verhaal, waarin
heel wat tot de verbeelding sprekende oude legenden werden verwerkt. Maar zowel
een aantal verhalen als hun positionering in de tijd roepen thans, wanneer zij
worden geconfronteerd met de bevindingen van de moderne archeologie, heel wat
vragen op.
Zo
kan men zich moeilijk voorstellen dat de uittocht uit Egypte onder de leiding
van Mozes van 600.000 mannen met hun gezinnen en hun bezittingen geen enkel
archeologisch spoor zou hebben nagelaten. Koningen als David en Salomon zouden
wel historische figuren zijn geweest maar zowel de veroveringen en heldendaden
van David als de praal en de spectaculaire bouwwerken van Salomon blijken te
behoren tot de romaneske verbeelding van de auteurs van de Bijbel. Zo werd in
Jeruzalem geen enkel archeologisch spoor aangetroffen van een tempel, die in de
periode van de bijbelse koning Salomon zou zijn gebouwd. Ook is duidelijk dat
verhalen als de strijd tussen de jonge David en de reus Goliath of de
instorting van de muren van Jericho door het bazuingeschal van de krijgers van
Josue eerder thuis horen in een boeiende jeugdroman dan in een historische
reconstructie. Maar wanneer de “hand Gods” in het spel is blijkt niets
onmogelijk te zijn, zo weerklinkt het bijbelse loflied.
Bovendien
was het een geniale vondst van de bijbelschrijvers de blijvende verbondenheid
van hun volk met YHWH steeds weer te benadrukken door de bemiddeling in te
roepen van bijzondere goddelijke gezanten, profeten genaamd. Hen was het
gegeven het goddelijke oordeel en zijn intenties voor de toekomst aan de mensen
te onthullen. Eén van de meest opvallende en tevens voor de bedoeling van de
Bijbel revelerende profetische “ingrepen” situeert zich aan het einde van de X°
eeuw v.Chr., toen Jeroboam koning was. Een niet bij naam genoemde godsgezant
profeteerde toen de komst van Jozias als de redder des vaderlands. Pas drie
eeuwen later zou die profetie de plannen van Jozias ten goede komen... In hun
merkwaardige boek “The Bible unearthed” vergelijken de auteurs Finkelstein en
Silberman dit voorval met een denkbeeldige voorspelling, die in de XVII° eeuw
door een lid van de afro-amerikaanse gemeenschap zou zijn gemaakt en waarin de
komst van Martin Luther King zou zijn aangekondigd...
Heel
wat verhalen die toegeschreven werden aan de patriarchen, aan Mozes of aan
koningen blijken nu een projectie te zijn van de problematische situatie in
Juda zeven eeuwen voor Christus. In die verhalen zou heel vaak een loopje zijn
genomen met de historische werkelijkheid, zoals die blijkt uit archeologische
onderzoeken en waarvoor meestal joodse wetenschappers verantwoordelijk zijn. We
kunnen enkel respect opbrengen voor de eerlijkheid van wetenschappers, die de
historische roots van hun eigen cultuur in vraag durven te stellen.
Het
is niet onze bedoeling ons in te laten met een kritische studie van de
historische waarde van de Bijbel. Toch lijkt het ons aangewezen erop te wijzen
welke storende rol het geloof kan spelen in de appreciatie van nieuwe
archeologische ontdekkingen, zeker wanneer het de geloofwaardigheid betreft van
een voor de monotheïstische godsdiensten zo heilig boek als de Bijbel.
Bovendien is onfeilbaarheid aan niemand gegeven ! Zoals het uit de
geschiedenisboeken onomstotelijk blijkt dat godsdienst en macht elkaar al te vaak
uitstekend konden vinden, zo is het eveneens duidelijk dat de relatie tussen
wetenschap en godsdienst heel wat gevoeliger ligt. Het blijft dus een uiterst
delicaat gegeven één van de fundamenten van onze westerse beschaving kritisch
te benaderen. Een elementaire eerlijkheid houdt ons nochtans voor elke
religieuze voorstelling te relativeren als een menselijke benadering van een
mystieke werkelijkheid, waaraan zowel intrinsieke menselijke waarden als minder
positieve uitwasemingen verbonden zijn.
b - Was Jezus een
Messias... ?
Het is opvallend
dat voor Jezus zoveel vaker de naam Christus wordt gebruikt dan zijn
persoonlijke naam. Christos is de
Griekse vertaling van het Hebreeuwse Mashiah,
ons beter bekend als Messias. Die titel werd aan diverse bijbelse koningen,
zoals ondermeer David en Salomon, toegekend. Hij werd bekrachtigd door een
koninklijke zalving en verwees naar hun verantwoordelijkheid t.a.v. YHWH en de
alliantie die Hij met het volk van Abraham gesloten had. Een Messias had als
opdracht het herstel van Gods koninkrijk op aarde voor te bereiden. Bij die
titel hoorde ook de kwalificatie “zoon van God”, die dient te worden begrepen
als “uitverkorene van God” en niet, zoals het nu het geval is, als “van
goddelijke oorsprong”. Die bijbelse logica zou dus ook voor Jezus moeten
gelden.
Door
hem de titel van Messias toe te kennen werd Jezus erkend als een wetmatige
opvolger van koning David. In de evangeliën werd overigens de nodige ijver aan
de dag gelegd om zijn verbondenheid met het nageslacht van David te bevestigen.
De genealogie van Mattheüs is nochtans verschillend van die van Lucas...
Bethlehem, de geboorteplaats die aan Jezus werd toegekend, was toeval of niet
ook de plaats waar David het levenslicht zou hebben gezien. Het opschrift aan het
kruis : “koning van de joden” getuigt bovendien, zij het op sarcastische wijze,
van die status. Wat Jezus zelf betreft heeft hij zichzelf nooit als een Messias
of een “zoon van God” kenbaar gemaakt. Noch uit de canonieke evangeliën, noch
uit dit volgens Thomas blijkt dat Jezus enige koninklijke ambities koesterde.
Zo verhaalt Marcus dat, toen mensen in hem een “zoon van God” meenden te
erkennen, hij dit kordaat weerlegde. (Mc 3,12) Verwijzend naar zichzelf
gebruikte hij bij voorkeur de uitdrukking “mensenzoon”. Desondanks is hij
steeds de Christos en dus de Messias
gebleven.
Het
is de jood Paulus geweest die aan het begrip Messias een nieuwe dimensie
gegeven heeft. Tot dan toe was geen koning er immers in geslaagd zijn
messiaanse opdracht tot een goed einde te brengen. Het einde van de scheiding
tussen de mens en God was nog steeds een droom gebleven. Van die scheiding is
de oorzaak verwoord in het Boek Genesis, waarin het paradijselijke verhaal werd
opgevoerd van Adam en Eva en hun zondeval. Dit mythisch bijbelse verhaal zou de
historische basis worden voor een andere integratie van Jezus als Messias in de
Bijbel. Paulus bedacht immers dat Jezus, door zijn offer aan het kruis, de ban
van de scheiding tussen de mens en God - waarvoor in zijn ogen vooral de vrouw
Eva verantwoordelijk was - gebroken had en aldus de weg had vrij gemaakt voor
het herstel van Gods koninkrijk op aarde. De verwezenlijking van die droom,
waaraan de Bijbel een apocalyptische realiteit en het “Laatste Oordeel”
verbond, behoorde voor Paulus tot een heel nabije toekomst, want hiervan zou
hijzelf de bevoorrechte getuige zijn. Jezus was dus de enige ware Messias, die
door zijn daad van zelfopoffering het pad voor de komst van Gods koningrijk
geëffend had. Bovendien maakte zijn overwinning op de dood duidelijk dat zijn
natuur niet menselijk maar goddelijk was. Dit is zowat de kern van het
christelijke geloof, waarvan de reële inspirator niet Jezus maar Paulus is
geweest. Hij was het die aan de kruisdood en de verrijzenis een “catholica” - wat universeel betekent -
dimensie gaf en hierdoor de grenzen van de Bijbel oversteeg. Het inzicht in de
noodzaak de religieuze begrenzing eigen aan het jodendom te doorbreken is
tenslotte het enige dat Paulus met Jezus gemeen heeft.
De
bijbelse betekenis, zowel van Messias - en dus van Christus - als die van “zoon
van God”, blijkt dus niet van toepassing te zijn op het actuele beeld dat we
van Jezus hebben. Dit beeld hebben we vooral aan Paulus te danken. Hij was er
heilig van overtuigd door God te zijn uitverkoren om Zijn woord te vertolken.
En hiervoor stoorde hij zich noch aan de boodschap van Jezus zelf, noch aan de
bijbelse inzichten van zijn joodse geloofsgenoten.
c - Het woord van God
De Hebreeuwse
Bijbel is heilig want hij verkondigt het “woord van God”, zo wordt ons
voorgehouden. In de Bijbel heeft God zichzelf geopenbaard... Dit geloof geldt
zowel voor de joden als voor de christenen. Zeshonderd jaar na Jezus zou ook
Mohammed het woord van de bijbelse God aanhoren en laten optekenen in wat de Koran
zou worden. Blijkbaar zijn er dus bevoorrechte mensen geweest, die het “woord
van God” hebben ontvangen en aan anderen meegedeeld. In de Bijbel werden zij
profeten genoemd. Ook Mohammed wordt als een profeet erkend. Maar wat betekent
de uitdrukking “woord van God” ? Het produceren van woorden is immers een
menselijke eigenschap, die we zoals zovele andere uit een absolute bron
ontvangen en die het ons mogelijk maakt met elkaar te communiceren.
Om de
kloof tussen twee onderscheiden werelden, de natuurlijke en de
bovennatuurlijke, te overbruggen maken mensen sinds lang gebruik van woorden in
gebeden en rituelen. Maar kunnen de rollen ook worden omgekeerd ? Kan men het
bedenken dat het hogere zich in woorden naar de mens gaat richten ? Is het wel
zinvol aan een mystieke werkelijkheid het gebruik van die menselijke eigenschap
toe te kennen ? Herleid men hiermee niet een mystieke of spirituele
werkelijkheid tot een menselijke dimensie ? Het bewustzijn met “iets hogers”
verbonden te zijn is één zaak. Zich een kennis van “het hogere” aanmeten door
“Zijn woord” te vertolken is een totaal ander gegeven. Het lijkt er inderdaad op alsof sommige mensen toegang hadden tot
“een goddelijk bewustzijn”... Is dit wel geloofwaardig ? Kan aan mensen zoals
Paulus, Mohammed of de profeten van de Bijbel het gezag worden toegekend
zichzelf als tolken van het “woord van God” op te voeren ? In de getuigenis van
Thomas heeft Jezus zich overigens nooit in de hoedanigheid van een goddelijke
woordvoerder kenbaar gemaakt...
In
zijn gesublimeerde aspect, uitgedrukt door het Griekse woord logos, kan “het woord” weliswaar
dienstig zijn als symbool voor een
blijvende manifestatie van de Spiritus. Zo dachten we dat het in de proloog van
het Johannesevangelie hoorde begrepen te worden. Het door mensen gesproken of
geschreven woord is echter een uiting van het menselijke bewustzijn, van
menselijke gedachten en gevoelens. Indien aan het menselijke bewustzijn de
zuiverheid van een lelie kon worden toegekend, zou zijn woord wellicht, zoals
de ganse natuur, de uitdrukking van het mystieke hogere kunnen dienen. De
werkelijkheid onderschrijft echter die veronderstelling niet. Het menselijke
bewustzijn is nu eenmaal door zwakheden getekend. De vraag is dan ook : wat
heeft mensen bewogen om op die wijze het onkenbare hogere kenbaar te maken ?
Hoe religieus of politiek belangeloos was bovendien de motivering van de
bijbelschrijvers of van andere “vertolkers” van Zijn woord ?
Het
religieuze bewustzijn, waarin het leven in al zijn aspecten ervaren wordt als
de uitdrukking van een mystieke werkelijkheid, maakt “goddelijke woorden”
evenwel overbodig. Wie luistert naar de natuur, de wetten van harmonie in de
natuur erkent, luistert naar “Zijn woord”... Dit is geen verbeelding meer maar
werkelijkheid ! Zo eenvoudig kan een religieus inzicht zijn. De wet van
harmonie erkennen, er respect voor opbrengen, zich door haar laten inspireren,
maken de tien geboden van Mozes of de honderd en één voorschriften van de
Talmud overbodig. Ook Jezus kreeg volgens de evangeliën het verwijt te horen
dat hij het niet zo nauw nam met de joodse voorschriften omtrent vasten of
sabbat. Zou het bovendien toeval zijn geweest dat hij in de eerste parabel,
vermeld in drie van de vier evangeliën, verwijst naar de manifestatie van het
leven zoals het ontstaat uit de eenheid, waarin het zaad en de goede aarde
harmonisch verenigd zijn...?
Overigens is die parabel niet zijn enige verwijzing naar het natuurlijke leven.
d - De geboorte van een godsdienst
Zoals ooit de
Boeddha, zes eeuwen vóór hem, op rijpere leeftijd het besluit nam op stap te
gaan om tenslotte een nieuwe visie op de relatie tussen de mens en zijn
levenswetten te verkondigen, zo legde ook Jezus op een volwassen leeftijd
getuigenis af van zijn religieuze bewustzijn. Voor de christelijke gelovige
beperkt de informatie over zijn woorden en handelingen zich tot de vier
evangeliën, die in de Canon van de Kerk zijn opgenomen. Zij worden daarom
canonieke evangeliën genoemd. Hierdoor onderscheiden zij zich van het grote
aantal niet erkende evangelische geschriften, die als apocrief wordt aangeduid,
naar het Griekse woord apocruphos dat
verborgen of geheim betekent. Naast de vier evangeliën bevat de Canon van de
Kerk ook nog de Handelingen van de Apostelen, de Openbaring van Johannes en een
aantal brieven van discipelen en van Paulus. Die verzameling, ook het Nieuwe
Testament genoemd, verkreeg pas een officiële erkenning tegen het einde van de
vierde eeuw.
De
evangeliën kunnen worden beschouwd als schriftelijke getuigenissen, die zich ontwikkeld
hebben in verschillende joodse gemeenschappen en die zich beroepen op de
geestelijke leiding van een discipel. Het is geen eenvoudige opdracht een
juiste inschatting te maken van hun informatieve waarde. We maakten reeds
melding van de studie van de Bijbelschool van Jeruzalem omtrent hun ontstaan-
en ontwikkelingsproces. Hierin wordt o.m. gewezen op de onderlinge
beïnvloedingen en aanpassingen, die deze geschriften gedurende een langere
periode hebben ondergaan. Zo onderscheidt die studie in het Johannesevangelie
vier verschillende redactionele niveaus, waarbij drie auteurs zouden zijn
betrokken. (1) Het volume van het meest oorspronkelijke document zou in die
periode ongeveer vertienvoudigd zijn. Ook valt op te merken dat, van de vier
officiële evangelisten, twee alvast geen apostelen waren : Marcus en Lucas.
Maar ook over de identiteit van Mattheüs en Johannes als evangelisten bestaan
twijfels. Indien zij de apostelen waren zou hun informatie de meest waardevolle
moeten zijn, want het minst verwijderd van de bron. Toch vertoont hun
verslaggeving opvallende verschillen en wordt nu algemeen aangenomen dat het
evangelie volgens Marcus, althans een precursor ervan, de eerste referentie zou
zijn geweest. Maar, volgens Papias, een kerkvader uit de tweede eeuw,
verwoordde Marcus wat hij uit het onderricht van Petrus had vernomen. De
beschrijving die Papias geeft, zowel van het geschrift van Marcus als van dit
van Mattheüs, beantwoordt echter niet aan hun evangeliën zoals we ze nu kennen.
Een bijzondere vaststelling is dat de uitverkiezing van Petrus, als de
steenrots waarop de Kerk gegrondvest zou zijn (Mt. 16, 18), enkel door Mattheüs
wordt vermeld en dus blijkbaar niet bekend was door Marcus, die toch de
bevoorrechte discipel van Petrus was... Die vermelding door Mattheüs wordt
overigens door de studie van de Bijbelschool van Jeruzalem beoordeeld als een
toevoeging van de laatste redacteur van dit evangelie. Dit zou dus gebeurd zijn
tegen het einde van de tweede eeuw.
Wat in deze materie de leek vooral opvalt, is
de complexiteit van het netwerk waarin de evangeliën zijn tot stand gekomen. De
geschiedenis van de schriftelijke getuigenissen, zowel van de religieuze
boodschap van Jezus als van de erkenning van zijn bijzondere hoedanigheid als
God zelf, getuigt immers niet van een heldere of consonante perceptie ervan. De manier, waarop
in verschillende gemeenschappen op zijn onderricht is gereageerd, draagt zoveel
meer het kenmerk van menselijke factoren dan van een eenvormige inspiratie van
de Geest. De verwarring, die het vernieuwende van zijn boodschap in die
gemeenschappen veroorzaakte, zou wellicht niet die omvang hebben genomen indien
er een eenstemmigheid was geweest tussen het onderricht van Jezus en de
Bijbelse traditie. Die verwarring werd bovendien nog in de hand gewerkt door de
originele ideeën van een zekere Paulus, die op een eigen wijze een verband
legde tussen zijn bijbelse geloof en de komst van Jezus.
Een harmonisatie van de verschillende
getuigenissen drong zich daarom op. Die lukte vooral voor drie van de vier
evangeliën, die nu de synoptische evangeliën worden genoemd omwille van hun
onderlinge samenhang. Dit zijn de evangeliën van Marcus, Mattheüs en Lucas. Op
vele vlakken onderscheidt het evangelie van Johannes zich van de overige drie.
Zo is het o.m. een merkwaardige vaststelling dat het meest tot de verbeelding
sprekende mirakel dat Jezus ooit zou hebben verricht, de opwekking uit de dood
van Lazarus, de broeder van Maria Magdalena en Martha, bij de overige
evangelisten onbekend is gebleven... Was dit voor Johannes het ultieme bewijs
van de goddelijkheid van Jezus, een erkenning die niet door de anderen werd
gedeeld ? Bovendien beschouwt Johannes dit mirakel als de fatale druppel, die
de emmer van de joodse ergernis deed overlopen en aldus de rechtstreekse
aanleiding zou zijn geweest tot de aanhouding van Jezus.
Het
was een evidente noodzaak de nieuwe leer te grondvesten op de vroegste
schriftelijke getuigenissen. Hoewel het logisch lijkt aan te nemen dat de
redactie van de evangeliën een aanvang heeft genomen in de eerste eeuw, is het
toch merkwaardig dat, vóór het midden van de tweede eeuw, geen enkele kerkvader
een citaat produceert uit één van de vier, met de expliciete vermelding van een
evangelist. Wel worden citaten gedaan uit “het evangelie van de Heer”.
Doorgaans vertonen zij nochtans een meer archaïsche formulering dan wat in de
eindredacties van de evangeliën is terug te vinden. Het lijkt ons hier ook
passend eraan te herinneren dat de oudste documenten waarover we beschikken,
o.m. de codex Sinaïticus en de codex Vaticanus, geschreven zijn in de Griekse
taal en dateren uit het midden van de vierde eeuw.
De
verscheidenheid in de perceptie van de prediking van Jezus lag ook aan de basis
van soms dramatische conflicten, die de nieuwe godsdienst kende in de eerste
eeuwen van zijn bestaan. Zij betroffen vooral de goddelijkheid van Jezus en het
hieraan verbonden mysterie van de drie-eenheid. De ergernis van de romeinse
keizer Constantinus, aan wie het christendom zijn bestaansrecht te danken had,
was in het begin van de vierde eeuw zo groot dat hij zelf het dwingende
initiatief nam de kerkelijke leiders voor hun verantwoordelijkheid te plaatsen
door hen in een concilie samen te brengen. Het mysterie moest maar eens worden
uitgeklaard... Wat uiteraard een onbegonnen zaak was. Wanneer we bovendien ook
nog rekening houden met de inbreng van het gnosticisme, waartegen Irenaeus,
rond het jaar 180 bisschop in Lyon, zo heftig ten strijde trok, is de situatie
nauwelijks nog te overzien. Het blijft dus een actuele en belangrijke uitdaging
in dit kluwen van menselijke inzichten en ambities de ware toedracht van de
getuigenis van Jezus te achterhalen.
(1) Synopse des quatre Évangiles Tome
III par M-E Boismard et A. Lamouille.
e - Een verschillende benadering
Indien de mens
zich wil integreren in een positieve levensevolutie is het noodzakelijk dat hij
een weg van kennis gaat. Geen dogmatische kennis, een dwingende waarheid die door
anderen wordt voorgehouden, maar een ervaringskennis die leidt tot
bewustwording en dus tot wijsheid. Onwetendheid is een afwezigheid van kennis
die oorzaak is van angst, afhankelijkheid en dus van kwetsbaarheid. Juiste
kennis maakt vrij en tevens bewust van de eigen verantwoordelijkheid. Het is
daarom de opdracht voor al wie over een juiste kennis beschikt haar ten dienste
te stellen van anderen. Niet dwingend maar gewoon dienend. Aan zo iemand kan
gezag worden toegekend. Wie van zijn of haar kennis een dwingende waarheid
maakt loopt in de val van de hoogmoed en begeeft zich op het drijfzand van de
macht.
Het
is overbodig te onderstrepen hoe dominant de ambitie van macht in onze
samenleving aanwezig is. “Ik kan meer dan jij, ik ben beter, sterker,
mooier...” Het is een puberaal verschijnsel dat bevestigt hoe weinig volwassen
onze samenleving geworden is. Het bewustzijn van eenheid, waarin we allen met
elkaar verbonden zijn en waarin niemand belangrijker is dan een ander, is
zoveel minder de leidraad voor ons handelen dan de behoefte onze eigenwaarde te
bevestigen.
Onwetendheid
kan voor onszelf het verlangen genereren een weg van kennis te gaan. Te vaak
echter is zij voor anderen een gelegenheid tot het uitoefenen van macht. Het is
daarom belangrijk dat de mens, vanuit zijn bewustzijn onwetend te zijn - wat
reeds een eerste stap betekent op het pad van wijsheid - een onderscheid leert
maken tussen die mensen die een juiste en zij die een vermeende of ingebeelde kennis
aanbieden.
In
het evangelie volgens Thomas nodigt Jezus uit tot het gaan van een weg van
zelfkennis, tot het in vraag te stellen van onszelf en onze inzichten en, naar
het voorbeeld van de attente visser, tot het verwerven van een juist
onderscheidingsvermogen. Zo confronteert hij ons én met onze persoonlijke
vrijheid én met onze individuele verantwoordelijkheid. In een religieuze optiek
is dit de weg van gnosis. In zijn
eerste brief aan de Galaten (1, 9) daarentegen vermaant Paulus
hen zijn inzichten onvoorwaardelijk te aanvaarden : “indien iemand een ander evangelie verkondigt dan dit dat gij (van
mij...) ontvangen hebt, hij weze
vervloekt...” Voor hem is zijn evangelie de enige boodschap van waarheid en
is elke afwijkende gedachte of inzicht onaanvaardbaar. Maar van het onderricht
van Jezus is in zijn evangelie geen spoor te bekennen... De tegenstelling tussen
de uitnodiging van Jezus en de vermaning van Paulus is treffend !
De
ingesteldheid van Paulus roept vragen op... Was het zijn bedoeling, zoals het die
van Jezus was, mensen behulpzaam te zijn en dus vrij te maken bij het zoeken
naar hun juiste religieuze relatie met die realiteit, die gesymboliseerd wordt
in het woord “God” of voelde hij zich door zijn bijbelse God geroepen om aan de
mensheid zijn waarheid te verkondigen...? Wiens houding berust op kennis en
genereert gezag en wiens berust op verbeelding en leidt tot macht...?
In het spoor van Paulus heeft ook de Kerk aan de
verleiding van macht niet kunnen weerstaan. Het beeld van de almachtige God,
zoals het ons door de Bijbel wordt aangeboden, is ook het godsbeeld van de
katholieke Kerk geworden. De integratie van Jezus in dit godsbeeld zorgde evenwel
voor een grondige bijsturing, waardoor de vreesaanjagende want almachtige God
van de Bijbel een barmhartige God van liefde werd. De bedoeling aan de oorsprong van de redactie
van de Bijbel was het herstel van de hiërarchische machtstructuur waarvan
koning David het boegbeeld was. Hiervoor werd gerekend op de steun van de
goddelijke macht. Het kan dus niemand verbazen dat de bijbelse cultuur, waarin
menselijke en goddelijke macht verenigd zijn, ook de katholieke Kerk heeft
bezoedeld.
De projectie van de
menselijke machtsambitie op een goddelijke realiteit illustreert hoe flinterdun
soms de ruimte is die beeld en onzin van elkaar scheiden...
Macht
is dwingend, gezag maakt vrij... Ruimte laten voor een persoonlijke zoektocht
of, naar het voorbeeld van Jezus zelf, aansporen tot het gaan van een zoekende
weg waarin de persoonlijke betrokkenheid in een religieuze verbondenheid
centraal staat, is voor de Kerk nooit een optie geweest. Dit beschouwde zij
steeds als een ongewenste inmenging in haar geloof en dus als een ondermijning
van haar machtspositie. De geschiedenis bevestigt ons, dat op enkele
individuele en zeer waardevolle uitzonderingen na, twintig eeuwen christendom
geen aanspraak kunnen maken op de verdienste het leven te hebben gediend door
mensen meer vrij en dus meer verantwoordelijk te maken.
f - Eenheid of
gescheidenheid
Omdat God, als
symbool voor een unieke en absolute levensbron, tot een bovennatuurlijke
realiteit behoort is Hij gescheiden van de mens, die wel tot de natuur behoort,
zo wordt ons door godsdienstleraren voorgehouden. De religieuze gedachte één te
zijn met de bron of deel te hebben in het koninkrijk van God kan daarom slechts
tot een reële vervulling komen na onze biologische dood. De plaats van
hereniging wordt het Rijk Gods genoemd. Toch was voor Paulus de komst van het
Rijk Gods en dus onze hereniging met Hem eerder een kwestie van dagen dan van maanden..
Zijn illusie werd echter door de werkelijkheid achterhaald en hierdoor
gaandeweg pragmatisch bijgesteld. De evolutie van de verwachting van een reëel
gebeuren naar een “post mortem” werkelijkheid, waarin de scheiding tussen mens
en God zou worden opgeheven, is zo de ultieme hoop van elke christen geworden.
Wat dit concrete leven
betreft is het inzicht van het geloof duidelijk : gezien de aanwezigheid van
God alomtegenwoordig is, zonder dat wij Hem evenwel kunnen waarnemen en omdat
Zijn wil, zoals de Bijbel ons leert, alles bepalend maar door ons niet te
doorgronden is, blijft de goddelijke realiteit voor de mens een overheersende
maar ontoegankelijke werkelijkheid. Hier
en nu zijn we totaal van God afhankelijk maar tevens fataal van Hem
gescheiden... Een integratie van de mens in Zijn koningschap is in dit
leven niet aan de orde ! Toch getuigt één canonieke evangelist van een andere
kijk op de realiteit die het Rijk Gods wordt genoemd. In het Lucasevangelie (17,
20-21)
lezen we immers volgende uitspraak van Jezus :
Wanneer hem door farizeeën de vraag werd gesteld
wanneer het Rijk Gods zou komen, antwoordde hij hen : de komst van het Rijk
Gods kan je niet waarnemen, men zal niet zeggen zie het is hier of daar is het,
want het Rijk Gods is binnen in u.
Zowel de vertaling
van de laatste Griekse woorden : entos
umôn estin - we namen de vertaling van de Bijbelschool van Jeruzalem over -
als de interpretatie ervan zijn een voorwerp van discussie. De traditionele
vertaling van de laatste woorden van Lc 17, 21 is : want het Rijk Gods is midden onder u.
Maar ook die interpretatie verwijst naar een actuele en niet naar een
toekomstige werkelijkheid...! Ook in
deze discussie brengt Thomas verheldering : want
het koninkrijk is binnen in jullie en het is buiten jullie... wanneer jullie de
twee één zullen maken... dan zullen
jullie het koninkrijk binnengaan... De boodschap is duidelijk : hier en nu
maken we integrerend deel uit van Zijn koninkrijk maar van die eenheid zijn we
ons blijkbaar nog steeds niet bewust.
Blijft
dus de vraag hoe we ons bewust kunnen worden hier en nu niet gescheiden maar
één te zijn met een absolute levensbron, hier en nu deel te hebben in die
werkelijkheid die Jezus het koninkrijk van God noemde ? Indien die ervaring,
die uiteraard buiten het gebied van het zintuiglijke valt, mogelijk is dan kan
het niet anders dan dat zij van een spirituele orde is.
De
religieuze werkelijkheid heeft met leven te
maken, met het gaan van een weg van
bewustwording, waarvan het de finaliteit is tot een juist inzicht - de waarheid - te komen. Weg, waarheid en
leven : het zijn “officiële” woorden van Jezus. Het is de verdienste van de Boeddha geweest een onderscheid te maken
tussen het gaan van een religieuze weg en het zich verbeelden van een God.
Nooit heeft hij zich een vermeende godskennis toegeëigend ! In de getuigenis
van Thomas bevestigt ook Jezus impliciet dit onderscheid, ook al maakte hij
gebruik van het beeld van een vader.
Beelden
zijn het enige hulpmiddel dat toegang kan verschaffen tot een juist inzicht in
een bovennatuurlijke want spirituele werkelijkheid. Elk beeld is als een baken
die het mogelijk maakt de weg die we gaan te toetsen aan de werkelijkheid.
Nooit echter kan een beeld de plaats innemen van de werkelijkheid die het
tracht te onthullen. Het goddelijke
reveleert zich inderdaad als een
inspirerende vader maar het is geen
vader... Zolang we, zoals Jezus, gebruik maken van het beeld van een vader,
in het bewustzijn een beeld te hanteren,
is daar niets mis mee ! Elke verwarring tussen beeld en werkelijkheid leidt
echter tot onjuiste inzichten.
De
finaliteit van de weg die we te gaan hebben is tenslotte ontvankelijk te worden
voor een inspiratie - hierin zit het woord Spiritus - uit het Hogere, waardoor
onze verbondenheid in een ervaringskennis bevestigd wordt. Van die inspiratie
getuigde Jezus. Door echter aan Jezus een goddelijke natuur toe te kennen
moeten we er ons fataal bij neerleggen dat zijn ervaring niet tot de onze kan
behoren. Want hij is goddelijk en wij niet ! Hoe nauw we ons ook met de mens
Jezus verbonden voelen toch overstijgt zijn natuur de onze en zijn we dus ook
van hem gescheiden...
Maar
is het wel redelijk te aanvaarden dat een mens door andere mensen tot een
goddelijke status kan verheven worden ? Volstaan menselijke getuigenissen, die
een overleden persoon levend zouden hebben terug gezien, om die persoon als God
zelf te beschouwen ? In de oosterse religieuze tradities zijn dergelijke
fenomenen overigens veelvuldig aanwezig. Uit de getuigenis van Thomas blijkt
echter dat Jezus zichzelf nooit onderscheidde van zijn medemensen. Wat tot zijn
mogelijkheden behoort, behoort ook tot de onze... Maar in dit geval zou hij niet méér goddelijk zijn dan ieder ander mens
of... zou ieder mens even goddelijk zijn als hij ! Waarom ervaren wij dan
niet die inspiratie waarvan Jezus getuigde ? Het antwoord op die vraag kan
enkel zijn : omdat de kwaliteit van zijn bewustzijn blijkbaar verschillend was
van de onze. Daarom ervaren de meesten onder ons niet die inspirerende
aanwezigheid waardoor hij zich met het Hogere verbonden voelde. Het meest
boeiende en ook het meest uitdagende in zijn boodschap, zoals Thomas ons die
heeft nagelaten, is dat die ervaring tot de mogelijkheden van ieder menselijk
bewustzijn behoort. Want dit bewustzijn leeft en de kwaliteit ervan is dus aan evolutie
onderhevig.
Zo
is nu de vraag aan de orde hoe we zelf iets kunnen doen aan een juiste evolutie
in ons bewustzijn. Of, concreter gezegd, hoe kunnen we de fysiologische
structuren, die de kwaliteit van het bewustzijn bepalen, uitzuiveren, in een
juistere harmonie brengen, zodat de werking ervan aan zijn initiële functie kan
beantwoorden ?
Wie de getuigenis
van Thomas en de bijgaande commentaren heeft gelezen zal ook wel begrepen
hebben in welke richting we het antwoord op die vraag menen te moeten zoeken.
Die richting wordt ons het meest expliciet door Jezus aangegeven aan het slot
van logion 60 :
jullie zoek voor jezelf een
plaats binnenin een rust
zodat jullie geen lijken worden en worden opgegeten
De oosterse
religieuze traditie wijst ons de weg waardoor we toegang kunnen hebben tot een
zodanige kwaliteit van innerlijke rust, zodat de harmonie in de structuren van
ons bewustzijn zich geleidelijk kan herstellen. We hebben het over de
beoefening van meditatie.
Tenslotte...
Geconfronteerd met
de religieuze uitdaging hebben mensen, door de eeuwen en de culturen heen,
uiteenlopende inzichten bedacht, waarvan de getuigenissen bewaard zijn
gebleven. Voor velen betekent de Hebreeuwse Bijbel de meest waardevolle
leidraad voor hun religieuze beleving. Vele anderen laten zich dan weer
inspireren door de Maha Bharata, de Koran of door het onderricht en het leven
van Boeddha of van Jezus. Onze religieuze verantwoordelijkheid ligt echter niet
in het aanvaarden van denkbeelden die anderen, vanuit een totaal van de onze
verschillende cultuur, aan hun medemensen hebben aangeboden. Hun inzichten
mogen dan wel heel waardevol zijn, zij vertegenwoordigen tenslotte niet meer
dan de getuigenis van de religieuze betrokkenheid van mensen binnen een
begrensde en tijdsgebonden samenleving.
Ieder
mens is een kind van zijn cultuur... Maar wie vrij wil zijn moet banden
loslaten, zo leert Jezus ons. Dit is een noodzakelijke stap op de weg die we
aan onszelf verplicht zijn. Op zijn uitnodiging ingaan betekent onze vrijheid
omzetten in een intellectuele verantwoordelijkheid, niet in een utopische hoop.
Wat ons in de Hebreeuwse Bijbel wordt voorgesteld blijkt nu toch wel behoorlijk
afwijkend te zijn van de historische werkelijkheid. Dit betekent ook dat in dit
epische verhaal heel wat doelgerichte verbeeldingskracht werd verwerkt. Daarom
is het meer dan ooit realistisch zich de vraag te stellen of de absolute
dimensie in de boodschap van Jezus wel gediend is door een koppeling aan een zo
menselijk verhaal als de Bijbel. De verbondenheid tussen Jezus - het nieuwe -
en de Bijbel - het oude - wat tot de eenheid van het Oude en het Nieuwe
Testament heeft geleid, werd chronologisch het eerst door Paulus bevestigd. Hij
had ook de meest strikte joodsreligieuze opleiding ondergaan. Voor hem kon een
religieuze visie enkel een waardevolle betekenis hebben binnen de context van
de Hebreeuwse Bijbel.
In
die Bijbel gaat het om de alliantie tussen een volk en zijn alles bepalende
God. In de getuigenis van Jezus, zoals zij ons door Thomas werd overgeleverd,
staat de eenheid van iedere mens met zijn levensbron centraal. Elke connectie
tussen beide boodschappen kan slechts een aanleiding zijn tot een interferentie
bij het zoeken naar de juiste interpretatie van de woorden van Jezus.
Oprechtheid
gebied ons te aanvaarden dat er vragen zijn waarop ons huidige begripsvermogen
geen antwoord kan formuleren. Het is intellectuele onzin die begrenzing te
willen loochenen bij middel van ingebeelde verhalen, hoe goed de bedoeling
ervan ook mag zijn. De realiteit is dat we leven in een wereld waarvan zowel de
oorsprong als de finaliteit ons overstijgen. Maar, omdat we leven, zijn we op
ieder ogenblik met de absolute oorsprong ervan verbonden, zoals ieder atoom
ermee verbonden is, naar het beeld ook van de verbondenheid van een kind met
zijn moeder. In die eenheid berust tevens het principe van gelijkheid en
solidariteit waarin alle mensen verbonden zijn en van hun betrokkenheid met de
ganse natuur.
Het
is het wezen van de tragiek dat, in de oprechte betrachting het goede na te
streven, het fatale tegengestelde wordt veroorzaakt. In zijn betrachting
toenadering te zoeken tot “Dit”, dat de oorzaak is van de schepping en dus van
alle leven op aarde, heeft de mens, naar zijn eigen beeld, van “Dit” “Iemand”
gemaakt. Intellectueel beschouwd is die beeldvorming begrijpelijk maar het
blijft een tragische vergissing. Want het absolute onvatbare werd verloochend
en vervangen door een beeld. Hierdoor werd de mens van zijn ware levensbron
gescheiden. Daar waar een toenadering werd betracht is een fatale verwijdering
het gevolg geworden...
Religie
heeft alles met een bewustzijn van verbondenheid te maken. In de plaats hiervan
werd ons de fataliteit van een gescheidenheid voorgehouden, verbonden weliswaar
aan het geloof in de verwachting dat die scheiding ooit zou worden opgeheven.
Zo werden we, door de bijbelse voorstelling van God en door de erkenning dat
ook de mens Jezus in wezen God is, religieus op een dwaalspoor gebracht. Daarom
is het nu onze opdracht mensen en hun beelden juist in te schatten, begrip op
te brengen voor de wijsheden en de dwalingen van de enen en de anderen maar
vooral onze persoonlijke verantwoordelijkheid niet te ontlopen.
Onze
benadering heeft niets met verbeelding te maken maar gaat uit van een concreet
gegeven : een aantal papyrusvellen waarop ons door een zekere Judas Thomas
uitspraken van een mens, Jezus genaamd, werden overgeleverd. De talrijke
overeenkomsten met de uitspraken, die in de canonieke evangeliën werden
opgetekend, vormen een aanvaardbare basis om aan te nemen dat het om dezelfde
persoon gaat, die ooit in de bijbelse geschiedenis werd geïntegreerd en de
sleutelfiguur van het christendom is geworden. Over het werkelijke leven van
Jezus is historisch en niettegenstaande heel wat hypothetische verhalen heel
weinig bekend. Maar zou het niet passend zijn ook zijn privacy niet
eerbiedigen... De essentiële vraag is namelijk niet : wat is de waarheid
omtrent de persoon en het leven van Jezus ? Maar wel : wat vangen we aan met
zijn onderricht, zijn uitnodiging, zijn uitdaging, zoals die blijkt uit de
getuigenis van Judas Thomas ?
Men
kan zich door de getuigenis van Thomas aangesproken voelen of niet. Zeker is
zij een waardevolle opportuniteit om in vrijheid en oprechtheid onze religieuze
verantwoordelijkheid op een andere en meer realistische basis te funderen dan
op bijbelse verhalen. Vereist onze intellectuele verantwoordelijkheid niet dat
we ons in de eenentwintigste eeuw kunnen vrij maken - wat een besnijdenis in de
geest...! - van inzichten en bedoelingen van mensen die in de zevende eeuw v.
Chr. in Juda om religieuze en strategische redenen tot de aanzet van de
redactie van de Bijbel hebben besloten ?
Vandaag
maakt opnieuw de natuur ons bewust dat een ontwaken dringend aan de orde is...
De keuze banden los te laten door het gaan van een weg die noopt tot een
individuele bewustwording is niet de meest voor de hand liggende optie ! Maar
tenslotte ligt het enig waardevolle antwoord op de religieuze uitdaging in de
persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid van iedere mens...
Wie wenst te reageren
op deze site kan dit doen via e-mail :
info-thomasevangelie@telenet.be