De opvallende aanwezigheid van naaldbossen om en rond het natuurgebied staat in nauwe relatie met menselijke activiteiten uit het verleden. In de 19e en begin 20e eeuw bestond de Cluyse heide nog voor grote delen uit een begroeiing met struikheide , her en der afgewisseld met alleenstaande bomen en boomgroepen. Ook het reliëf was nog ongeschonden. Om deze woeste gronden te herwaarderen werden dennenbossen aangeplant. Dergelijke monotone naaldbossen hebben op ecologisch vlak echter veel minder te bieden dan bossen opgebouwd uit verschillende loofhoutsoorten gemengd met naaldbomen.
Helpende hand
Door dunningen in het naaldhout krijgen jonge loofbomen meer licht en voedingsstoffen waardoor hun groei gestimuleerd wordt. In geen tijd werd een monotoon naaldbos dan ook omgevormd tot een gemengd naald- en loofhoutbos. Dergelijke bossen trekken onder andere broedvogels aan als ransuil , zwarte specht , buizerd en havik . Onder de kleinere zangvogels vinden we gekraagde roodstaart , roodborst , winterkoning , meesjes en lijsterachtigen.