<%@LANGUAGE="JAVASCRIPT" CODEPAGE="1252"%> Untitled Document

Bewustzijn in de 21ste eeuw: fragmenten van een inleiding.

" Moi qui parmi beaucoup de choses prenantes mais inutiles possède quand mème
un sac, un bâton de cytise, de bons souliers, qu'est ce que je fais là seul maintenant
dans cette rue de la Boétie, plein de vin blanc et d'exaltation à propos
de l'Être et du Rien ? "
Jaques Reda: " Les Ruines de Paris "


Ik wilde graag een essay schrijven over bewustzijn maar ik aarzelde, misschien om onterechte redenen. Het gebruik van mijn moedertaal had kunnen inhouden dat ik mijn bibliografische verwijzingen ook tot dat taalgebied moest beperken.
Dat was onmogelijk.
Een Vlaming kent al vlug meerdere talen. Zelf ben ik daar door omstandigheden in begenadigd zodat Frans en Engels al heel vroeg tot mijn repertorium behoorden, en ik heb daar extensief gebruik van gemaakt.

Dan was er de kwestie van gezichtspunt.
Moest dat filosofisch, psychologisch, wetenschappelijk of op een andere manier paradigmatisch zijn en moest ik dan ook de verantwoordelijkheid opnemen al mijn stellingen in aangepaste "vertaling" stapsgewijze toe te lichten? Dat leek mij ook onmogelijk. Lag het niet veel meer voor de hand, bij voorbeeld naar Terence Deacon in zijn text te verwijzen, het daarbij latend, en verder te gaan met mijn verhaal dat geenszins tot
individuele strekkingen beperkt is.
Ik neem aan dat u nu al twijfelt of het mij niet alleen om namen noemen te doen is.

Ik wilde nog liever een boek schrijven over bewustzijn, dus schreef ik maar bewust een verhaal over boeken want in die boeken vond ik de verhalen uit mijn eigen tijd ( de bloedige 20ste eeuw ) over mijn sociale verantwoordelijkheid, mijn wensen en werkelijkheden, verwondering en bewondering, kortom van mijn bewustzijn in een actief en geïntegreerd individu.

Zo heb ik in mijn boekenkast " Destination Mecca" staan waarin een relaas van een reis van Tangier naar Kabul, inclusief de Hajj van de auteur, summier met enkele merkwaardige foto's is geïllustreerd.
Er zijn afbeeldingen van de toenmalige Afghaanse koning Zahir Shah naast de Zwarte Steen in de muur van de Kabaa, van de sarcofaag van de Mahdi in zijn graf te Omdurman in Soedan.
"Mij was het niet verboden die plaatsen te betreden, mij camera wel." merkte de auteur fijntjes op in zijn inleiding.
De foto's zijn merkwaardig genoeg, maar het is in de tekst dat ik de aanleiding vind om het boek als voorbeeld te nemen van de schakels der keten die ik verhaalsgewijs in elkaar wil klinken.
De auteur, Idries Shah, was geen onbekende in de moslimwereld van zijn tijd. Zijn vader, Iqbal Ali Shah, had als auteur en diplomaat een stevige reputatie opgebouwd van adviseur bij leiders en koningen in het Midden Oosten, zodat zijn zoon ook toegang had tot hoven en paleizen.

In hoofdstuk V ( pp. 37 - 47 ) " New Arabian Knights " beschrijft hij een - achteraf beschouwd - hallucinante discussie met een onbekende Imam, op een onbekende plaats in Caïro. Het gesprek gaat over de noodzaak van het betrekken van een elite bij het eenmaken van de Islam als politieke wereldmacht.

In de woorden van de Imam:
"
Wij zullen de macht nemen in één van de moslimlanden. dat zullen wij met geweld doen, maar zonder al te veel bloedvergieten. Er zal een soort machtsgreep zijn. Wij hebben mensen opgeleid om de belangrijke administratieve, technische en militaire posten te bezetten.
Wij zullen in één slag de mensen vervangen die in dat land van belang zijn en alles zal in zijn plaats vallen. Zelfs als we verkeerd zijn, wat weinig waarschijnlijk is, kunnen wij nooit slechter zijn dan die nu al de macht hebben.
Dan zullen wij alles stroomlijnen en islamiseren. Wij zullen teruggaan naar de Koran en de Uitspraken van de Profeet. Op die manier zullen wij onszelf versterken en geliefd en gerespecteerd worden. Op die manier zullen wij niemand vrezen; niemand zal ons aanvallen want wij zullen voor niemand een bedreiging zijn.
Wij zullen een welwillende dictatuur zijn, met de elite steeds in de achtergrond. Mensen zijn als kinderen, zij moeten geleid worden.
En die Geheime Macht zal doorheen de tijden voortbestaan. Mensen in andere landen zullen ons voorbeeld volgen. Als wij onze modelstaat hebben opgezet zullen anderen ons voorbeeld volgen. Zoniet dan kunnen wij naar een andere uitbreiden.
Elke revolutie zal de schijn van een nationale hebben zodat er geen interventie door buitenlandse machten zal zijn." (. . .)

"Gedurende die bijeenkomst" schrijft Idries Shah " en de twee volgende waarop hij mij ontving zei de Imam herhaaldelijk: "Ik vul het werk aan voor Hassan, de zoon van Sabah van onze clan." Dat was een aanwijzing voor de identiteit van de man.
Hassan zelf was de leerling geweest van een man die zeer gelijkaardige inzichten predikte als de Imam die ik ontmoette.
Hij had een synthetisch "paradijs"geschapen in een natuurrijke vallei waar zijn volgelingen werden heen gebracht en gedrogeerd, en waar zij ontwaakten. Toen zij zichzelf daar zagen leek het hen niets anders dan de Hemel. Er waren fonteinen en tuinen, rijpe vruchten en maagden die hen op hun wenken bedienden.
En dan, na opnieuw gedrogeerd te zijn werden de Hashishin ( Assassins ) weggeleid en werd hen gezegd dat zij het"paradijs" opnieuw konden betreden op het ogenblik van hun dood, maar dan alleen als zij stierven in gehoorzaamheid aan de directe orders van Hassan, de zoon van Sabah.(...) De koning van Bokhara werd neergestoken, Saladin werd aangevallen en zelfs de Kruisvaarders geteisterd door deze vreesloze fanatici die waren uitgezonden door Hassan, de " Oude Man van de Berg" zoals sommigen hem noemden.
Dat is wat kan gebeuren met het soort plan dat de nieuwe en anonieme Imam mij openbaarde."

In
1957 toen dit relaas voor het eerst in druk verscheen, kon dit verhaal als een fantastische voorstelling worden afgedaan en als een verwijzing naar de droomwereld van het Oosten, even ver van ons verwijderd als de obscure 12de eeuw waarin het oorspronkelijk verhaal van Ibn Sabah thuishoorde.
45 jaar later is het begrip "afschrikkingmoord" in verband met Islam nauwelijks nog uit de dagelijkse actualiteit weg te denken.
In zijn zelfde relaas ontleedde Idries Shah ook heel gevat de explosieve toestand van de Palestijnse vluchtelingen; ook daar brengen de actualiteiten ons dagelijks tot het bewustzijn dat wij NU de obscure 12de eeuw herbeleven.

Dit wil ik als voorbeeld nemen voor één aspect van wat ik onder bewustzijn versta:
bewustzijn als de sociale uitdrukking van menselijke intelligentie.

Nu zou ik wel een zeer beperkt stylist zijn had ik niet precies het relaas van Idries Shah gekozen om het verband met nog een ander aspect van bewustzijn te leggen:
bewustzijn als psychebiologische referent in wetenschappelijk debat.

In 1972 verscheen de ondertussen klassiek geworden vulgarisatie van de zeer tot de verbeelding sprekende ontwikkelingen in hersenonderzoek, met name het loskoppelen van de hersenhelften door middel van het doorsnijden van het corpus callosum bij ernstige gevallen van epilepsie door Sperry.
In " The Psychology of Conciousness" gebruikte Robert Ornstein een belangrijke bijdrage door Idries Shah, in de vorm van de traditionele leerverhalen van Mulla Nasruddin, om laterale aspecten van bewustzijnspsychologie te illustreren.
Dit was tevens een mogelijke belangrijke introductie van het werk van Idries Shah bij een breder publiek.
Sinds zijn "Destination Mecca" en "Oriental Magic" had Idries Shah gestadig een invloedrijk oeuvre opgebouwd gebaseerd op inzichten in alternatieve psychologie zoals die waren aangebracht door zowel de traditionele Islam als door een veel ruimer interdisciplinair cultureel onderzoek, dat na zijn dood in 1996 door zijn zoon Tahir werd voortgezet.
Hier wil ik aanstippen dat Idries Shahs inspiratie helemaal geen geïsoleerde bijdrage betrof. Een zelfde interesse werd in een belangrijk vakgebied aangewakkerd door Professor Reza Arasteh in diens werk voor de George Washington University School of Medecine /Departement of Psychiatry in de vroege jaren 1970, voornamelijk in zijn " Final Integration in Adult Personality "

Toevallig krijg ik terwijl ik dit schrijf van een vriend een kopie van een recente paper van Peter Carruthers toegestuurd: " Human Creativity.
Its Cognitive Basis, its Evolution and its Connections with Childhood Pretence." [ Brit. J. Phil. Sci. 53 ( 2002 ), 225-249 ] waardoor ik mij ook Arastehs "Creativity in the Life Cycle "herinner dat in 1968 verscheen bij Brill (Leiden ).
Dit geeft mij tevens de gelegenheid op te merken in welk een belangrijke mate het onderzoeksterrein van de psychologie van het bewustzijn zich heeft ontwikkeld en waarvan Carruthers studie zo'n goede illustratie is.
Het is vandaag heel modieus geworden het mensbeeld geheel terug te brengen tot een erfelijk product en die stelling te verdedigen vanuit de argumentatie van de evolutionaire psychologie.
Die visie maakt gebruik van wat er aan nieuwste wetenschappelijke inzichten beschikbaar is of verwijst althans steevast naar onderzoeksvelden als neurongenetica, microbiologie, gentechnologie, enzovoort. Nochtans vormt die schijnbaar strikt wetenschappelijke benadering van psychobiologie het voorwerp van een hevige discussie tussen de evolutionaire psychologen, wiens doctrine gekenmerkt wordt door het onderscheiden van aangeboren erfelijke modules zoals het taalinstinct
( Steven Pinker, Daniël Dennet ), en de meer traditioneel natuurhistorische, holistische, biologen
( Stephen Jay Gould, Richard Lewontin, en de neuronfysioloog Steven Rose )
In die arena laat zich een derde aspect van bewustzijn situeren:
bewustzijn als ideologische factor; het bepalen van een vooraf beoordeelde regelmaat van ideeën
( bvb. politiek correct, wetenschappelijk juist, moreel onwrikbaar ...)

Pr. Arasteh was Director of Interdisciplinary Research at the Psychiatric Institute of Washington toen hij in 1973 zijn bijdrage leverde aan een festschrift ter ere van Idries Shah.
Het festschrift had de dubbele rol de invloedrijke bijdrage van Idries Shah aan het mondiale culurele erfgoed te accentueren en de 700ste verjaardag te gedenken van Jallaluddin Rumi ( 1207 - 1273 ), de stichter van de orde der dansende derwisjen.
Zijn essay had als titel " Psychology of the Sufi way to individuation."

Men kan zich met recht afvragen - neem er misschien ook nog eens de Afghaanse achtergrond bij van Idries Shah - hoe men anno 2004 in Washington tegen die bijdrage, tegen de brede intellectuele fundering ervan, aankijkt.
Misschien prefereert men nu de meer wetenschappelijke (?) richting die een fenomeen als religie kan herleiden tot een overerfbaar elektrofysiologisch functioneren van de rechter slaapkwab in de hersenen.
( zie bijvoorbeeld Eugene d'Aquili en Andrew Newberg: "The Mystical Mind: probing the Biology of Religious Expierience." 1999 Fortress Press, Minneapolis, U.S.A.)
Het al dan niet aanvaarden van die stelling doet echter niets af aan de vrucht waarmee de geïnteresseerde lezer in dat verband het autobiografisch geïnspireerde " The Social Brain "
van Michael Ganazziga kan raadplegen.

Wat er ook van zij, "bewustzijn" als onderwerp kiezen voor mijn voorgenomen bladzijden kon mij bezwaarlijk het overerven van een eensluidende definitie zijn.

1ste fragment.

In 1990 riep het Amerikaanse ministerie van wetenschappen de laatste decade van de 20ste eeuw uit tot: "Decade van het Brein".
Dat leidde tot een vloedgolf aan publicaties waarin een zo breed mogelijk publiek een "state of the art" voorstelling werd aangeboden, rijkelijk geïllustreerd met prenten van scans volgens de nieuwste technieken, aangevuld met een staalkaart aan bijdragen door de meest geroemde experten.
In de volgende jaren waren, dank zij spectaculaire afprijzingen van stocks, die publicaties voor een nog grotere markt beschikbaar en konden nog meer wereldburgers kennis nemen van "wat zij waren in hun hoofd".
Een beeld overigens waarvan de visuele impact bijzonder grafisch is uitgedrukt op bvb. de cover van de "special issue" van Scientific American uit 1997:"Mysteries of the Mind, new and updated explorations of how whe think, how we behave, and what we feel."
Daar zien we iemand (?) in zijn eigen (?) mysterieus oplichtende schedelpan kijken.
Het doet ons hopen dat de accumulatieve straling van geluk, depressie, dromen, bewustzijn, geheugen, geweld en de band tussen lichaam en geest ongevaarlijk is.

En anderzijds ... terwijl ik dit schrijf zie ik hoe in een prent naar een Tibetaanse houtsnede, die ik tegen een kamerwand prikte, Guru Rimpoché staat afgebeeld in ceremoniële meditatie: met een donderpijl in de ene, een gevulde schedelpan in de andere hand.
Mijn geestesoog zet de twee pannen uit als bakens en een spectraalboog overspant nu de afstand aan eeuwen en cultuurgrenzen, niet met kleuren maar met illusies, virtueel geweven verbanden van visie, verhaal en verzinsel.

Ben ik aan het afdwalen ?
Lees nog even mee:

"In Bokhara was er ooit een markt genaamd de Bazaar van Maachruz. Die werd tweemaal per jaar gehouden, telkens een volle dag. Men verkocht er buddh ( idolen ).
Elke dag vertegenwoordigde een omzet van meer dan 50.000 diram (...) vroeger waren de inwoners buddh-parast ( aanbidders van idolen ). Die markt werd officieel georganiseerd en sindsdien heeft men er altijd buddh verkocht en zo is het tot vandaag gebleven."
Tenminste "vandaag" in de 10de eeuw A.D. toen Abu Bakr Muhammad Narsjachi de geschiedenis van Bokhara vertelde.
"Er was toen in Bokhara een prins genaamd Maach. Het was op zijn orders dat de markt gehouden werd en hij was het die de dorudgarân ( houtsnijders ) en de naqqâshan ( de schilders ) aanwijzingen gaf. het hele jaar door maakten zij buddh en hielden zich klaar voor de markt. Daar verkochten zij die en de mensen kochten er naargelang hun oude gebroken, verloren of versleten waren. Op de markt kochten zij nieuwe en smeten hun oude weg. Ook de prins kwam naar de markt, daar zette hij zich dan op een troon, op de plaats waar nu de Moskee van Maach staat, om de mensen tot kopen aan te zetten."

Maach was een verzonnen personage, zijn naam zou uit het Sogdiaans afkomstig zijn, waar het "de maan" betekende en de maan was het klassieke symbool voor Boeddha in de Iraanse
poëzie sinds de 8ste eeuw A.D.

De oorsprong van het verband ligt mogelijk in een boeddhistisch festival dat jaarlijks in Bamiyan gehouden werd en waar men de rituele omkleding van de Rode Boeddha, Sakyamuni, met een gouden mantel door de Witte Boeddha, Maetraeya - een episode uit de boeddhistische mythologie - werd uitgebeeld, en waartoe twee reuzenbeelden als de protagonisten uit het verhaal werden aangekleed.
Het kleinere, 35 meter hoge, beeld kreeg witte gewaden aan en werd alom met de maan geassocieerd vanwege het gebruik van een maansikkel in het fresco in de nis boven het hoofd. Het grotere beeld van 56 meter hoog kreeg gouden gewaden gedrapeerd over een rode bekleding. Men kan zich voorstellen dat zo'n festival een beklijvende indruk naliet.
Tijdens de hoogdagen van het Boeddhisme in Afghanistan was trouwens ook de stad Balkh
( later de geboorteplaats van Jallaluddin Rumi ) een hoofdplaats voor de cultus en zorgde het prinselijke geslacht der Barmaciden daar voor het onderhoud van een grote stoepa en een klooster met zo'n 360 meditatiecellen voor monniken.
Melikian-Chirvani, uit wiens studie ik dit relaas samenstelde, meende dank zij onder andere het verhaal van Bokhara en vele fragmenten uit gedichten dat
" het gebied waarbinnen de eerste Perzische litteratuur werd geboren perfect samenviel met het gebied dat op een gegeven ogenblik de boeddhistische expansie in de Iranese wereld was "

Ik heb nog steeds de wijze Guru Rimpoché voor ogen, hij is het die mij met een warm hart doet denken aan het Bamiyan dat was ( en die mij nog steeds de tantaliserende hersenpan voorhoudt )

Later onder moslim bewind degenereerde Bokhara tot een nogal ongastvrij oord en ik had er eerder niet over geschreven had zich niet precies daar het graf bevonden van Bahauddin Naqshband, El Shah.
Idries Shah verwijst in zijn vele boeken dikwijls naar die grote sjeik van de soefieorde der Naqshbandi, onder andere in zijn hoofdwerk "The Sufis" waar hij aan de Naqshbandi een met de vrijmetselaren ( de Bouwers ) vergelijkbare orde van initiatie toeschrijft.
Naqshbandi laat zich vertalen door "de Schilders"( cf. supra: naqqâshan ).
Het volstaat zonder meer het zeer mooie open boek " The Villains Bible " over de Romaanse religieuze kunst - de portalen van Vézelay of Nérac - onder ogen te hebben om doorheen heel wat valse mystiek omtrent de vrijmetselarij te kijken. Daar laat het zich begrijpen dat in de vroege bouwketen, waar niet gelezen werd, een belangrijke plaats werd ingenomen door iemand die de toedracht van het hele bijbelverhaal kon vertellen aan de steenhouwers die er op hun aanwijzen de geïsoleerde fragmenten van illustreerden.
Dat is de betekenis van de rituele graad van "redenaar" in de vrijmetselaarsloge: die weet vertelt het aan die niet weet.

In 1863 ondernam de Hongaar Arminius Vambéry, vermomd als derwisj, een reis naar Samarkand, naar het graf van Bahauddin Naqshband.
Zijn reisverhaal verscheen in 1865 in vier rijksgeïllustreerde afleveringen van het populaire tijdschrift "Le Tour du Monde" ( Hachette ).
De vierde aflevering opende met een afbeelding van zogezegde Naqshbandi derwisjen in Bokhara, in wat Vambéry beschreef als hun maandelijkse processie:
" Ik zal mij steeds herinneren hoe die wilde enthousiastelingen met hun grote punthoeden, hun lange staven en hun lange verwilderde haren in het rond begonnen te dansen terwijl zij hun hymne huilden ( tout en hurlant leur hymne ) waarvan elke strofe door hun grijs bebaarde leider werd herhaald."

Op dit punt van mijn betoog aangekomen hoop ik dat de geïnformeerde lezer nog steeds gelooft dat ik de excursie naar Bokhara en Bamiyan organiseerde met de bedoeling de beeldende achtergrond van de Decade van het Brein in focus te brengen. Geduld.

Op 18 september 1998 bestookten de Taliban de kleine Maan-Boedha met raketwapens en vernietigden zo het 2.000 jaar oude culturele erfgoed, inclusief de "naqsh" - de muurschilderingen - in de nis boven het beeld, waarvan de betekenis of met andere woorden de inhoud, die de oppervlakkige waarneming van de afbeelding als afgod in de religieuze geest oversteeg, door opeenvolgende generaties van "schilders" was overgeleverd.
( zie I. Shah:"The Sufis" Octagon 1989 - Anotations s.v. Naqshbandi )

Een boeiende illustratie van het intellectuele verkeer van de schilders in de regio is sinds kort te vinden in "The Tarim Mummies: Ancient China and the Mysterie of the Earliest Peoples from the West." door J.P.Mallory en Victor H.Mair - Thames&Hudson 2000 -

In 1995 telde men in Grozny, de compleet verwoeste hoofdstad van Chechenië, 27.000 burgerslachtoffers na een drie maanden durende veldslag tussen moslim rebellen en Russische troepen. De Russische overwinnaars slaagden erin de stad in handen te houden tot zij in augustus 1996 door de rebellen werden verdreven.
Het was in de loop van de verslaggeving over deze "kleine" oorlog ( 50.000 burger-
slachtoffers, 6.000 Russische soldaten en 2 à 3.000 rebellen gedood, 20.000 Russische soldaten gewond ) dat een breed westers publiek kon kennismaken met de ceremoniële collectieve bezinning van soefi groepen - de Zikr, ( de Herinnering )- zoals Vambéry er een variant van had gezien in Bokhara en die hij ten onrechte toeschreef aan de Naqshbandi.
De Naqshbandi onderscheiden zich immers door hun stille, individuele, Zikr. De Russen noemen hen daarom "Sheptuny" of Fluisteraars om ze niet te verwarren met de luidruchtige en beweeglijke Qadiri, de "Priguny"of Springers.

Chechenië en het aangrenzende Daghestan zijn ( evenals Afghanistan ) een hartland van zowel Naqshbandi als Qadiri die er een lange geschiedenis van strijd tegen Rusland hebben, maar het waren leden van de Qadiri die men soms in nieuwsberichten over de Checheense oorlog hun Zikr kon zien houden, zoals bijvoorbeeld in April 1996 te Itum-Kale na de dood van president Dudajev.

Bahauddin Naqshband zelf verklaarde in de 14de eeuw A.D. als volgt het aanwenden van de "stille" Zikr:
" Neem het voorbeeld van een muzikale samenkomst. Wij nemen er geen deel aan noch gebruiken wij zelf muziek. Dat is omdat het voor onze tijd en in onze positie meer schade dan goed veroorzaakt. Muziek, in de juiste omstandigheden beluisterd ( zie bvb. de weg van Inayat Khan - noot Jacky ) verbetert de benadering van het bewustzijn, maar zij beschadigt mensen die er onvoldoende op voorbereid zijn, of van het juiste type om muziek te beluisteren. Zij die dat niet weten hebben muziek aangenomen als iets heiligs op zich.
De gevoelens die zij ervaren terwijl zij er zich aan overgeven nemen zij verkeerdelijk voor subliem. In feite gebruiken zij haar voor het lagere doel sentiment en emotie op te wekken, hetgeen geen basis is voor verdere ontwikkeling."
( in I.Shah: "The Way of the Sufi")

Idries Shah becommentarieerde ( eeuwen later nog ) deze passage als volgt:
"Het verhogen van de emotionele toon is de meest primitieve methode om de aandacht te versterken voor het instrument dat de emotie opdreef. Het is het voorspel tot of de begeleiding van haast elke vorm van indoctrinatie. "

Niet alleen in zijn eigen geschriften, maar ook via het project van de Octagon uitgeverij verantwoordelijk voor het verspreiden ervan, leverde Shah een uitzonderlijke bijdrage tot het begrip van die uitermate delicate maar belangrijke psychologische dimensie.
Ik denk hier aan het boek: " The Manipulated Mind: Brainwashing, Conditioning and Indoctrination." van Denise Winn dat daar in 1989 verscheen, of de verspreiding via nieuwsbrief aan private klanten van het werk van Pr. Ornstein; onder andere die parel van populaire introductie:" The Amazing Brain" ( samen met Richard F.Thompson) met die tekeningen van David Macauly als "visuele muziek".

Genoeg om aan te tonen dat Pr. Reza Arasteh's beschrijving van " the sufi way to individuation" zich niet beriep op een intellectueel geërodeerd of maatschappelijk irrelevant
fenomeen.

Al dit had ik in gedachten toen ik op 7 oktober 2003 in een uitzending van " Talking Point" ( BBC World Service ) Prins Hassan van Jordanië aan het woord hoorde in debat met luisteraars over "Islam and the West".
Prins Hassan maakte er geen geheim van dat de bijdrage van het soefisme een belangrijk correctief kon zijn voor de groeiende afbraak van geestelijke eenheid in het bewustzijn, zoals geïllustreerd door de dagelijks groeiende uitzichtloosheid van de religieuze conflicten.

Het is hier niet ongepast de belangrijke bijdrage aan die context vanuit het Franse taalgebied te onderlijnen, met René Guenon ( een lid van de Shadili orde van soefi ),
Louis Massignon ( " Essay sur la technique des mystiques musulmans" )en voornamelijk
- in een meer actuele periode - Henri Corbin, wiens bijdragen allen van een zeer hoge waarde mogen worden genoemd.

Henri Corbin werd op basis van zijn monumentale studie van de shi'i islam en het Iraanse soefisme in 1975 mede oprichter van de Iraanse Keizerlijke Academie voor Filosofie, waarvan de verantwoordelijkheid, in de korte periode van haar bestaan ( tot 1980, de Iraanse Revolutie ), voor de uitgave van heel wat bronnenmateriaal uit de traditionele islam onschatbaar was.

Ik hield eraan dit aan te halen omdat ik onlangs, in de context van de barbarij der Taliban,
las dat het bij de vrouwelijke elite van Herat, een van de culturele hoofdsteden van Afghanistan, gebruikelijk was geweest zich in de Franse taal te bekwamen en de gewoontes aan het hof van de Shah te immiteren.
Toegegeven dat dit "van horen zeggen" niet bewijst dat de Herati vrouwen ook de Franstalige bijdrage tot de studie van de Iraanse islamitische filosofie grondig assimileerden, dan nog mogen wij met grond speculeren over hoe hun mogelijke bijdrage er had kunnen uitzien mocht het project van de Keizerlijke Academie de tijd en de gelegenheid gehad hebben zo'n assimilatie grondig te begeleiden.
Wij kennen immers de hedendaagse internationale standaard van de vrouwelijke bijdragen: de integrale Franse vertaling van Rumi's "Mathnavi" door Eva de Vitray-Meyerovitch, het Franse "Ibn Arabi" door Claude Addas, en andere.

Alles welbeschouwd mogen wij aannemen dat de collectie aan bijdragen sinds het verschijnen van Idries Shah's "The Sufis" en Henri Corbins "Histoire de la philosophie islamique", allebei in 1964, een intellectuele bewustwording vertegenwoordigt die het Andalusisch model, waarnaar Prins Hassan in "Talking Point" verwees, evenaart.

Als ik die ontwikkeling in mijn eigen studie van het bewustzijn inschrijf dan is het omdat zij, zoals ik aantoon, een aanzienlijke actuele inhoud heeft, terwijl ik tezelfdertijd weet dat de grootste rem op helder gebruik van bovenvermelde bijdragen ligt in een merkwaardige houding van vanzelfsprekendheid bij het allesconsumerende publiek. Alsof alle informatie te kunnen kopen op het ogenblik en onder de specifieke vorm die men wenst een optie is, onafhankelijk van de organisatie en de overlevering van de betrokken kennis, de sociale en intellectuele context van het verwerven ervan, of de emotionele tolerantie t.o.v. de inhoud.

Kennis lijkt niet verder te moeten gaan dan de geruststelling dat zij na een druk op de knop "Informatie" als onmiddellijk koopbaar voorhanden is.
En dat is nog maar een gering symptoom van de ernstige crisis waarin de mensheid verkeert.

2de fragment

Om nu verder te gaan over de psychologie der emoties. Het was aan Antonio Damasio gegeven de Decade van het Brein af te sluiten met een interessante filosofische inkleding van het hersenonderzoek: specifiek de rol van de hersenen in het beleven van emoties.
De titels van de Nederlandse vertaling van zijn werk ( uitg. Wereldbibliotheek, A'dam ):"De vergissing van Descartes" (1995) "Ik voel dus ik ben" (1999) en"Het gelijk van Spinoza"(2003), liegen er niet om.
Damasio, van Portugese afkomst en met een Europese opleiding, argumenteert vanuit een gelauwerde vakkennis in de neurologie tegen de artificiële loskoppeling van lichaam en geest, die gekend was steeds over het bewustzijnsdebat te spoken.
Dit is goed nieuws natuurlijk voor de commerciële sector van de "emotionele intelligentie"
(kadervorming in afgelegen bossen, samen de berg op en dergelijke) die deze van de "rechterhersenhelft" (euforisch creëren, de rechterhand vermoed wat de linkerhand doet, et cetera)had opgevolgd: ook hier valt een zelfde confrontatie met kooplustige vanzelfsprekendheid vast te stellen.

Maar als het werkelijk een rol speelde of Descartes of Spinoza gelijk had of niet, waarom heeft men de controverse dan niet vroeger beslecht; want afgaande op de historische verwijzingen in het neurofysiologisch debat lijkt men haast nooit verder te komen dan een terloopse referentie naar de frenologie van Gall om aan te tonen tot welke ontwikkeling de neuropsychologie in de 19de eeuw maar in staat was, en tot een karikaturale aanvaarding van de lokalisatie van het bewustzijn, hetzij als geestelijk waarnemer à la façon de Descartes, hetzij als moleculaire actor à la façon de Crick.
Op zich en als retorische tropen in de onderscheiden discussies vormen die verwijzingen geen bezwaar, maar er komt een punt in het verhaal waarop zij vervelende blindspots worden, en de appreciatie van de thesen in bewustzijnsfilosofie die de hypothesen van Descartes of Crick
niet nodig hebben in de weg staan.

In 1710,relatief kort na het verschijnen van Descartes "Méditations Philosophiques" maar zeker niet als eerste in de rij verscheen een tamelijk nuchtere observatie over Descartes vergissing in "De Antiquissima Italorum Sapientia" van de hand van de Napolitaanse professor in de welsprekendheid: Giambaptista Vico.

"(...)Dus onze René (sic) heeft het volgende als eerste waarheid geopenbaard: Ik denk dus ik ben.
Juist zoals wij onze twijfels hebben over de sluwe demon van Descartes die ons kan begoochelen (...) of gelijk de Stoicijn in Cicero's "Academica" een godgezonden droom gebruikt om hetzelfde te bewijzen (...)zo werd het personage van Sosia in Plautus (Amphitruo: 441- 447) aan het twijfelen gebracht door Mercurius, die de gedaante van Sosia had aangenomen.
- Bij Pollux, ik herken mijn eigen vorm als ik hem zie. Hij lijkt zo sterk op mij als was het mijn weerschijn in een spiegel. Hij draagt dezelfde hoed en vest, hij is mijn gespogen beeld. Benen, voeten, houding, haarsnit, ogen, neus, tanden, lippen, kaken, kin, baard en nek zijn een en al mijn eigen. Moet ik nog meer zeggen ? Als hij nu nog een litteken heeft op zijn rug lijkt niets meer op die gelijkenis dan ikzelf. Maar als ik denk ben ik zeker dezelfde man die ik altijd was. -
(...) wat een ongestudeerd persoon als Sosia overkomt is een gewone cognitie, geen zeldzame en esoterische waarheid, waarvan de ontdekking zo'n diepe meditatie door de grootste der filosofen behoeft.
Want iets kennen betekent de genus of de vorm waarmee iets gemaakt is verstaan, terwijl bewustzijn tot die dingen behoort waarvan wij de genus of de vorm niet kunnen aantonen. Dus gedurende de loop van ons dagdagelijkse leven beroepen wij ons op ons bewustzijn als aanwijzing van die dingen waarvoor ons geen causaal teken of genetische uitleg is toegestaan."
En de redenering van de modelscepticus die Vico tegenover Descartes, de model - dogmatische - metafysicus plaatst gaat als volgt:
" [ op Descartes argumenten ] zal de scepticus antwoorden met het ontkennen dat kennis van het zijn verworven wordt door bewustzijn van het denken. Want, zo argumenteert hij, iets weten betekent kennis hebben van de oorzaken waaruit iets ontstaat; maar ik die denk ben lichaam en geest, en als denken de oorzaak van mijn wezen was, dan was denken de oorzaak van het lichaam. Nochtans zijn er lichamen die niet denken.
Het is eerder omdat ik zowel uit lichaam als uit geest besta dat ik denk, zodanig dat lichaam en geest verenigd de oorzaak van het denken zijn. Want als ik alleen geest was bezat ik zuivere intelligentie.
Infeite is denken dus het teken en niet de oorzaak van mijn geestelijk bestaan; maar een zeker teken (techmerium) is geen oorzaak want een slimme scepticus zal niet de zekerheid van een zeker teken ontkennen, enkel de zekerheid van oorzaken."
" En eigenlijk is er geen andere manier waarop de scepticus kan worden weerlegd, dan dat het criterium van waarheid erin bestaat het ding zelf te hebben gemaakt."

"Verum esse ipsum facto ", 'het ware is precies datgene wat gemaakt is', en "Verum factum convertuntur", 'het ware en het gemaakte zijn onderling verwisselbaar': met die befaamde hoofdstelling opent Vico zijn "De Antiquissima...", zoals aangetoond in nauw verband met Descartes.
Er valt nog veel meer over Vico's filosofie in verband met individuatie en creatief bewustzijn te vertellen, maar eerst moet ik van de gelegenheid gebruik maken om hier ter plaatse de affiniteit van Vico met die andere onverschrokken criticus van Descartes, G.W.Leibniz, aan te tonen.

Voor de besproken episode in de geschiedenis van de filosofie is "Verum esse ipsum facto" een graad van kennis die alleen in God zijn perfectie heeft. Gods schepping is terzelfdertijd zijn waarheid. In het bewustzijn van de vereniging van lichaam en geest als oorzaak van zijn denken herkent de mens slechts de verhouding, de ratio, waarin de mogelijkheden van de schepping hem en zijn maatschappij (daaraan bijzondere aandacht te hebben besteed is Vico's grootste verdienste) dienstbaar zijn.
Van Leibniz komt de vaststelling dat de schepping geen statisch model is maar een dynamisch veranderend patroon van harmonische krachten; en hij vond het de tekortkoming van Descartes dat diens wiskundig model van het universum niet verder kwam dan de beschrijving van een coördinatenstelsel voor vaste materiële punten, hetgeen hem dan wel verplichtte de scheiding tussen lichaam en geest voorop te stellen.

Stel u, om Leibniz te verstaan, het coördinatenstelsel voor als een netwerk van metafysische punten; punten die het bewustzijn hebben te handelen naar de verhouding, de ratio, van de aard en de graad van verandering in de mogelijkheid van hun harmonisatie met hun natuurlijk doel, hetgeen dan slechts de uitdrukking van Gods waarheid in zijn schepping kan zijn.
Slechts op die manier zal de Schepping nooit in een versteend model, in extremis in een verkalkte maatschappij, dienen beschreven te worden.
Noem die metafysische punten "monaden"; wij, mensen, zijn zo monaden.

"(...) er is geen lichaam of geen enkele corporele materiële realiteit, of zij nu aan de siderale of de elementaire wereld toebehoort, of het nu een ziel of een lichaam betreft, die geen vernieuwde eigenheid is en waarvan het bestaan en de individualiteit niet impermanent is."
"(...)het bewijs waarnaar wij refereren heeft zijn principe nu eens in de beschouwing van de onophoudelijke verandering der natuur, dan weer in het aantonen van het doel waar de naturen of de elementaire kwaliteiten naartoe neigen.
In het eerste geval ziet men de natuur als een substantiële vorm voortbewogen in een lichaam; zij is de bron van de effecten die het kan teweegbrengen. Er is geen lichaam waarvan de essentie niet is samengesteld volgens deze substantiële vorm die in het geheel van dat lichaam is uitgestuwd.
Tezelfdertijd is dat lichaam ad perpetuum de prooi van verandering, van beloop, van vernieuwing, van breuk, van ophouden, van vernietiging.
Er is dus geen stabiliteit voor de natuur, en er is geen oorzaak voor haar worden en voor haar onophoudelijke verandering, want wat eigen is aan haar wezen hoeft niet veroorzaakt te worden door een andere oorzaak dan de oorzaak van de essentie zelf.
Als de Insteller de natuur heeft ingesteld dan was het deze essentie in eeuwigdurende vernieuwing die hij instelde.
Dit zijnde de natuur, dan produceert die onophoudelijke verandering zich zonder nieuwe tussenkomst van een insteller of operatie door een scheppend agent.
En het is door de natuur die door haar essentie eeuwigdurend worden is dat de band gelegd wordt tussen wat tijdelijk is en wat eeuwig is; want het bestaan, de daad van het bestaan van die natuur, ligt precies in het zich gradueel voltooien van dat bestaan.
De permanentie van de natuur is precies haar worden, haar stabiliteit is haar verandering zelf. Zo heeft de Schepper, die als kwalificatie stabiliteit en permanentie heeft, oorsprong gegeven aan dit zijn en worden, waarvan de essentie en de eeuwigheid in eeuwigdurende verandering zijn."

Bovenstaande had van de pen van Leibniz kunnen zijn maar is dat niet.
Het is een fragment uit de "Kitab al Mashâ'ir" van Mulla Sadra ( 1571 -16'' ), een Iraans filosoof die werkzaam was in Shiraz ( uitgegeven en uit het arabisch vertaald door Henri Corbin als "Livre de Penétrations Metafysiques" - 1988, Verdier ed. ) en dient om nogmaals de context die ik heb aangebroken open te gooien.
Leibniz was zonder twijfel enthousiast geweest had hij het fragment kunnen inzien, maar schets u zijn verbazing als hij had vernomen dat Mulla Sadra ook een complete monadologie in zijn systeem had verwerkt, een monadologie die zelfs eeuwen vroeger al door Nasruddin Tusi was uitgewerkt in de context van de invloedrijke Ismaïlische Encyclopédie.
Daarom heb ik het fragment gekozen. Het verheldert in hoge mate wat ook Leibniz met zijn dynamica bedoelde en het maakt deel uit van een corpus documenten uitgegeven, vertaald en van commentaar voorzien door Henri Corbin, die ons op die manier de merkwaardigste punten van overeenkomst tussen de Europese en de Iraanse Islamitische filosofie aanreikt.

Laat ons misschien in alle nederigheid wat van de uitzonderlijke energie waarmee dit corpus tot stand kwam compenseren met onze aandacht voor het volgende.
Nu betreft het wel degelijk een fragment uit het werk van Leibniz zelf.
Het is afkomstig uit de Nederlandse bloemlezing door
Straks wil ik de stand van de niet cartesische psycho-anthropologie/bewustzijnsfilosofie aan het begin van de 19de eeuw illustreren en dan komt Leibniz opnieuw ter sprake.
Het volgende fragment is daarom bewust op zijn langst gehouden; het kan later opnieuw met vrucht herlezen of als werktekst gebruikt worden.
Het zijn de eerste paragrafen van " Principes de la nature et de la grâce, fondés en raison"
door Gottfried Wilhelm Leibniz ( 1714 )

" - De substantie is een wezen dat tot handelen in staat is.
- Zij is enkelvoudig of samengesteld.
- De enkelvoudige substantie is die welke geen delen heeft.
- De samengestelde substantie is de samenvoeging van enkelvoudige substantie of monaden.
- 'Monas' is een Grieks woord dat 'eenheid' of 'wat één is' betekent.
- De samengestelde substanties of de lichamen zijn veelheden.
- En de enkelvoudige substanties, de levens, de zielen, de geesten, zijn eenheden.
- en het moet wel zo zijn dat er overal enkelvoudige substanties bestaan, omdat er zonder de enkelvoudige substanties geen samengestelde substanties zouden bestaan.
- En bijgevolg is de hele natuur vol van leven.

- Omdat de monaden helemaal geen delen hebben, kunnen zij niet gevormd en evenmin afgebroken worden.
- Zij kunnen niet beginnen noch eindigen op een natuurlijke manier en duren bijgevolg even lang als het heelal, dat zal veranderen, maar helemaal niet vernietigd zal worden.
- Zij kunnen geen gestalte hebben; anders zouden zij delen hebben.
(- !) En bijgevolg kan een monade op zichzelf en op een bepaald moment alleen maar van een andere worden onderscheiden door haar kwaliteiten en innerlijke handelingen, die niets anders kunnen zijn dan haar gewaarwordingen, dat wil zeggen: de voorstellingen van wat samengesteld is of wat daarbuiten is, binnen het enkelvoudige, en haar strevingen, dat wil zeggen: de drang van de ene waarneming naar de andere.
- Dat zijn de beginselen van de verandering.
- Want de enkelvoudigheid van de substantie is helemaal geen beletsel voor de veelheid van modificaties die zich samen in deze enkelvoudige substantie moeten bevinden.
- En zij moeten bestaan in de verscheidenheid van de betrekkingen met de dingen die daarbuiten zijn.
- Het is daarmee als met een centrum, een punt waarin zich, hoe enkelvoudig het ook is, een oneindig aantal hoeken vormt door de lijnen die daar samenkomen.

- In de natuur is alles vol.
- Overal zijn enkelvoudige substanties, daadwerkelijk van elkaar gescheiden door de eigen activiteiten, die voortdurend hun onderlinge betrekkingen veranderen; en elke enkelvoudige substantie of monade die het middelpunt vormt van een samengestelde substantie, zoals bijvoorbeeld van een dier, en die het beginsel is van de unieke eenheid daarvan, is omgeven door een massa die is samengesteld uit een oneindig aantal andere monaden die het eigen lichaam van deze centrale monade bepalen.
- En in overeenstemming met de aandoeningen daarvan vertegenwoordigt zij als een soort centrum de dingen die buiten haar zijn.
- En dat lichaam is organisch, wanneer het een soort van automaat of van een machine van de natuur is, die niet alleen machine is in haar geheel, maar nog tot in de kleinste delen die zichtbaar gemaakt kunnen worden.
- Omdat nu vanwege de volheid van de wereld alles oneindig verbonden is en elk lichaam min of meer al naargelang de afstand, op elk ander lichaam invloed heeft en daarvan bij wijze van reactie invloed ondergaat, volgt daaruit dat elke monade een levende spiegel is of begiftigd met een innerlijke activiteit die het heelal representeert, al naargelang haar gezichtspunt, en evenzeer geordend is als het heelal zelf.
- En de gewaarwordingen van de monaden ontstaan uit elkaar naar de wetten of de strevingen van de doeloorzaken van goed en kwaad, die bestaan uit de geregelde of ongeregelde opmerkelijke gewaarwordingen, zoals de veranderingen van de lichamen en de verschijnselen daarbuiten uit elkaar voortkomen door de wetten van de werkoorzaken, dat wil zeggen: van de bewegingen.
- Zo is er een volmaakte harmonie tussen de gewaarwordingen van de monade en de bewegingen van de lichamen, een harmonie die van meet af aan is vastgelegd tussen het systeem van de werkoorzaken en dat van de doeloorzaken.
- En hierin bestaat de overeenstemming en de fysische vereniging van de ziel en het lichaam, zonder dat het een de wetten van het ander kan veranderen.

-Elke monade, met een levend lichaam, vormt een levende substantie.
- Zo is er niet alleen overal leven, gebonden aan ledematen of organen, maar er is daarvan zelfs een oneindig aantal fasen in de monaden, waaronder immers de ene min of meer heerst over de andere.
(- ! ) Maar als de monade beschikt over organen die zo zijn ingericht, dat er door hun bemiddeling reliëf en onderscheid komt in de indrukken die zij ontvangen en bijgevolg in de gewaarwordingen waardoor zij worden weergegeven, zoals bijvoorbeeld wanneer door de bemiddeling van de oogvochten, de stralen van het licht worden geconcentreerd en krachtiger invloed hebben, dan kan dat zover gaan dat er een bewustzijn ontstaat, dat wil zeggen: een gewaarwording die vergezeld gaat van een herinnering, een waarvan de echo lang duurt om zich bij gelegenheid te laten horen.
- Een dergelijk levend wezen wordt 'dier' genoemd, zoals de monade daarvan 'ziel' genoemd wordt.
- En wanneer die ziel wordt verheven tot de Rede, dan is zij iets nog subliemers en rekent men haar onder de Geesten (...)
- Het is waar dat de dieren soms verkeren in de staat van eenvoudige levende wezens en hun zielen in de staat van eenvoudige monaden, te weten wanneer hun gewaarwordingen niet voldoende onderscheiden zijn om zich die te kunnen herinneren, zoals gebeurt in een diepe slaap zonder dromen of bij een flauwte.
- Maar de totaal in verwarring gebrachte gewaarwordingen kunnen zich bij de dieren (...) weer ontvouwen.
(- ! ) Zo is het goed een onderscheid te maken tussen de gewaarwording ( 'perception' ) die de innerlijke toestand van de monade is, waarin de uiterlijke dingen worden voorgesteld,en de apperceptie, die het bewustzijn is of de reflexieve kennis van die innerlijke toestand.
- Die is niet aan alle zielen gegeven en aan dezelfde ziel niet altijd.
(- ! ) En juist door dit onderscheid niet te maken begingen de Cartesianen een vergissing: zij hielden geen rekening met de gewaarwordingen die men niet opmerkt, zoals het volk de niet waarneembare lichamen als niets beschouwt. "

Kritische lectuur van Leibniz lag aan de basis van een merkwaardige aanzet tot een bewustzijnsfilosofie in nauw verband met een antropologische psychologie die vertrok van het samengaan van lichaam en geest, gepaard aan de betekenis van motorische dynamiek voor de integrale ontwikkeling van het bewustzijn door Maine de Biran ( 1764 - 1824 ).
Ik zal straks de persoon en de filosofie van Maine de Biran uitgebreid introduceren.
Eerst citeer ik uit zijn in 1819 gepubliceerde monografie over Leibniz:

" De term denken in de doctrine van Descartes had twee totaal tegenovergestelde waarden, hoewel verward onder een eenheid van teken.
Inderdaad dit teken drukte elke modificatie van de ziel uit, hetzij toevallig of per ongeluk, hetzij inherent aan de denkende substantie; en de waarde ervan was dus algemeen, collectief en ongedefinieerd.
Het denken werd nog eerder begrepen als de fundamentele en permanente wijze van de ziel, onafscheidbaar ervan of geïdentificeerd met het ik; in dat geval werd de term aanvaard als de ene en individuele die behoort tot het teken "ik" of "mij, zelf " ( je óu moi ).
Het moet niet moeilijk zijn aan te tonen hoe de voornaamste problemen van het cartesianisme en verschillende afwijkingen waar deze doctrine heeft voor gezorgd, vasthangen aan de dubbelzinnigheid van een woord aldus zonder onderscheid gebruikt: nu eens om het denkend onderwerp zelf aan te duiden, dan eens de wijze of het attribuut waarin het bestaat, dan weer de innerlijke modificatie aan het onderwerp toegeschreven, of de uiterlijke, het gevoel in verband gebracht met het object.
Het woord gevoel biedt een zelfde dubbelzinnigheid en geeft aanleiding tot de zelfde verwarring van principes in de doctrine van Condillac die daardoor haar afstamming van de moederdoctrine laat zien.
Leibniz had het inzicht die vergissing, funest voor een gezonde psychologie, op te heffen.
Die filosoof is inderdaad de eerste of de enige die een primitief samengestelde, waarvan de gewoonte ( l'habitude ) als het ware de elementen heeft geïdentifiëerd en samengesmolten, aan een uitgediepte analyse heeft onderworpen.
Zijn abstract-reflexieve methode levert om zo te zeggen het vertrekpunt voor de diverse elementen van de samengestelde die men vaagweg gevoel noemt.
Leibniz onderscheidt, met een gevatte zuiverheid de attributen van twee verschillende naturen: de ene dierlijk, die leeft , voelt en niet denkt; de andere, intelligent, die speciaal eigen is aan de mens en hem alleen verheft tot lid van de stad van God.
Op die manier zal, helder uitgedrukt, de dubbele intermediaire - zo dikwijls weggemoffeld door de cartesianen - tussen de machines der natuur en de dieren, en tussen de dieren en de denkende wezens, of geesten, komen vast te staan.
De fysiologie komt zich plaatsen tussen de dynamiek van de lichamen en die der geesten, en van dan af bevat men dat het denken niet uit de dierlijke gevoelens kan komen noch door deze worden verklaard; evenmin als de gevoelens uit de beweging van de ongevoelige materie stammen of zich laten uitleggen door de wetten van een ordinair mechanisme. "

Fundamenteel in Maine de Biran's visie op de fysiologie van het bewustzijn is zijn definitie van 'apperceptie' als primitief "feit" van het bewustzijn: de term " fait primitif ", zo karakteristiek voor de teksten van de filosoof, wordt daarbij onlosmakelijk verbonden met de activiteit van de handeling, hetzij habitueel hetzij spontaan creatief, hetgeen ons tot het inzicht brengt dat "feit" zich via het oud Franse "faict"( fait, ww.faire: maken,doen ) best laat vertalen door "factum", daarmee de aansluiting voltooiend met het verum/factum van Vico ( cf. supra ), hoewel niets in Maine de Birans teksten rechtstreeks wijst op een mogelijke invloed door de Napolitaanse filosoof.

" De apperceptie van het zelf (le 'moi') baseert zich steeds op een daad ( acte, ww.agir: handelen, doen ), of op het resultaat van een daad, die een zeer reële modaliteit is en geen abstract concept." ( de Biran: De la décomposition de la pensée. 1805, tome II, 2, p. 159 )

"Onze meest intieme natuurlijke ervaring leert ons, inderdaad, dat om in staat te zijn het meest simpele feit te ontwaren, om de daad die wij kennis noemen te bereiken of uit te voeren, zelfs in de laagst denkbare graad, de eerste voorwaarde is dat men in een toestand is die men 'conscium' of 'compos sui' noemt, waarin men zichzelf is of in zichzelf, in tegenstelling met die andere toestand die de volkse taal zelf zo goed onderscheidt met de formule :'buiten zichzelf zijn'."

Nog duidelijker formuleert de Biran het in een brief aan Dégerando ( 3 Thermidor, an XII )
waarin hij het onderscheid maakt tussen zintuiglijke waarneming en bewustzijn:
" Het eerste drukt een uitwendig feit uit dat een intelligent wezen kan kennen aan bepaalde tekens in de organische wezens die zich bewegen of op een bepaalde manier bewogen worden; de tweede formule ( bewustzijn ) drukt een volkomen inwendig 'feit' uit waarvan het individu dat voelt en waarneemt tezelfdertijd getuige en acteur is."

Hier wil ik opnieuw via een schijnbare omweg het fenomeen bewustzijn uitdiepen.
De "Kitab al Mâarif", geschreven door Rumi's oudste zoon, opent met een definitie van actie. Actie is niet gebed , vasten, pelgrimstocht, geven van aalmoezen, herinneren, mediteren, waken, huilen, bewenen en devotie. Dat zijn de middelen, de instrumenten waarmee men tot actie komt.
Actie bestaat in de transmutatie van het hart van de ene staat naar de andere.
Deze specifieke vooruitgang is het fundament van de soefi psychologie.
Ik las dit als betekende actie in deze context het actief aanpassen van het bewustzijns- standpunt; want slechts als daad van kennis, als beweging in de richting van de perfectioneerbaarheid van vorm en inhoud, hebben zowel uitwendig ritueel als sociale participatie een betekenis voor de uiteindelijke integratie in volwassen persoonlijkheid: creatieve bevrediging van de "drang van de ene waarneming naar de andere", zoals Leibniz de strevingen van de ziel als beginsel van verandering voorstelde.

Ik beroep mij op Mulla Sadra, in voorgaande verwijzing, om nogmaals de dynamische filosofie die de soefi psychologie begeleidt te benadrukken; voornamelijk om duidelijk te maken dat zelfs in een denkrichting die in ongemeen dramatische omstandigheden geacht wordt diametraal op onze "westerse" te staan, de modaliteit van het bewustzijn, die erin bestaat als volkomen mens actief te participeren in het veranderende waarneembare, als psychologisch kernelement in individuele en sociale ontwikkeling haar plaats heeft gevonden.
Voor het westen ken ik geen andere filosoof dan Maine de Biran die als het ware de anatomie van die modaliteit als verenigende factor van lichaam en ziel met zoveel concentratie heeft proberen onder woorden te brengen; tegen de druk in van een gestadig vorderende kwantitatief analytische wetenschapsfilosofie die voor heel wat verwarring in het moderne wereldbeeld verantwoordelijk zou zijn.
In zijn briefwisseling met Ampère kan men nalezen hoe hij zijn basisgegeven van het bewustzijn als actiecomponent van organische beweging en hyperorganische kracht confronteert met de nieuwe hypothetisch deductieve methode van de wetenschapsleer in de eerste decaden na de dood van Immanuel Kant. ( zie Scientific American
Het was zijn boezemvriend Degérando die verantwoordelijk was voor de introductie van de Kantiaanse filosofie in Frankrijk; zoals een andere Duitstalige discussiepartner en vriend het op zich nam de relevantie van Maine de Biran's kritische synthese van Leibniz voor de Kantstudiën in die tijd bij te lichten in enkele uitgebreide voetnoten bij de geciteerde monografie.

De inleiding van Henri Corbin bij zijn vertaling van Mulla Sadra geeft tekst en uitleg bij de betekenis van Leibniz filosofie voor de vergelijking van de psychologie van de shi'itische
mystiek met die van de protestantse ( Valentijn Wiegel, Sebastiaan Franck ), zoals overgeleverd door Kant's correspondent Hamman via de bijdrage van Leibniz' belangrijkste leerling, Christiaan Wolff ( die wij voor het nut van ons betoog ook kunnen herkennen als de grondlegger van de ontwikkelingsbiologie/embryologie ).

In enkele tijdens zijn leven ongepubliceerde bladzijden legde Maine de Biran de dubbele waarheid uit - zoals hij die uit de Wolffiaanse filosofie meende af te leiden - van de actualisering van een fenomeen als enerzijds ( passief ) een punt van geloof: de metafysische logica die de mogelijke oorzaak aan de substantiële bestaansvorm laat voorafgaan, en anderzijds ( actief ) als een punt van lijfelijke ervaring in de participatie met die actualisering.
Deze tekst die nu bekend staat onder de titel " Rapports de Sciences Naturelles avec la Psychologie " ( 1813 ) leverde een pertinente vraagstelling op die later werd behandeld tijdens de wekelijkse discussieavonden die Maine de Biran hield met Ampére, Cuvier, Stapfer, Degérando, Royer-Collard en vele anderen.
Het is uit deze achtergrond dat men de waarschijnlijkheid kan afleiden die Maine de Biran kon doen besluiten dat hij, ondanks zijn geringe publikaties ( bij leven ), met zijn monografie over Leibniz een belangrijke tekst over psychologie had doen verschijnen.

de Biran:
" Welnu, als men op zijn minst als mogelijkheid aanneemt dat het feit van het individuele bestaan aan de notie van het absolute voorafgaat, dan is er ruimte om te vragen welke de voorwaarden zijn van de overgang van het ene naar het andere.
Welke is de grondslag van de eerste associatie van het geloofselement met om het even welke kennis, hetzij subjectieve, objectieve, of die beide karakters tegelijk verbindt ?
Hoe komt een denkend iemand, die als uitgangspunt de apperceptie neemt die hij heeft van zijn bestaan in een daad die hij spontaan en vrij produceert, tot het geloof of de notie van passieve substantie of van een absolute kracht...als hij niet handelt ?
Geraakt hij er door rede of redeneren : ik denk dus ik ben ?
Zal het door ervaring zijn ? Moet die herhaald worden ? En zal het geloof op die manier geen gewoonte zijn ?
Ofwel,draagt de gewoonte dan bij haar geboorte al het criterium in zich van waarheid, van noodzakelijkheid ?
In het eerste geval, hoe kan de gewoonte het relatieve in het absolute, en het contingente in het noodzakelijke veranderen ?
En hoe zal de ervaring, die zich herhaalt, een karakter, tegengesteld aan hetgeen zij oorspronkelijk had, aankleden ?
In het tweede geval, hoe verschilt een eerste ervaring die het karakter heeft van een onveranderlijke noodzakelijkheid van een principe a-priori, van een aangeboren idee ? "
( Ik heb zelf de spatie tussen de vragen aangepast; in de oorspronkelijke tekst is er dikwijls
een volgehouden concentratie nodig om de Biran goed te lezen. - noot Jacky )

Tot zover Maine de Biran, en nu:
"Zijn lichaam en geest verschillende dingen of maar één ding ? En als lichaam en geest niet een en hetzelfde ding zijn, bestaan ze dan uit twee verschillende substanties of uit maar één substantie ? Als er twee substanties zijn, is de substantie van de geest er dan eerst en veroorzaakt die het bestaan van het lichaam en de hersenen daarvan, of is de substantie van het lichaam er eerst en veroorzaken de hersenen daarvan de geest ? En dan, hoe staan deze substanties met elkaar in contact ? Hoe staat de activiteit van de neurale circuits, nu we enigszins gedetailleerd begrijpen hoe die circuits werken, in verband met de mentale processen die we via introspectie kunnen waarnemen ? "

Goed 190 jaar ligt er tussen de twee clusters vragen die specifiek te verbinden zijn met de fysiologie van het bewustzijn.
Beide auteurs probeerden de oorsprong van de verwarring omtrent lichaam en geest in de metafysica te duiden.
Maine de Biran stelde, in 1813, twee denkers voor uit wiens filosofische polemiek hij het probleem meende te kunnen ontrafelen: Leibniz versus Descartes .
Antonio Damasio, aan wiens " Gelijk van Spinoza" ik de tweede cluster ontleende, behandelt, in 2003, de controverse tussen Descartes en Spinoza.
Beiden staan echter onwrikbaar onder de auguren verwoord door Damasio:
"In de beginne was er emotie, maar in den beginne van de emotie was er actie."

3de fragment

Ik heb enkele bladzijden klaar die ons nog van pas zullen komen, met specifieke nadruk op Maine de Biran en zijn betekenis voor het debat over bewustzijn en neuronfilosofie aan het begin van de 21ste eeuw.
Eerst wil ik echter proberen vertellen wat mij onlangs, studiegewijs, is overkomen.

Ik ben, sinds ik aan deze tekst begon, zeer begaan met de status van bewustzijn zoals die voorkomt in de confrontatie tussen Daniël Dennet en Steven Rose: bewustzijn als factor in de evolutie van het menselijk genoom, en meer bepaald met het extreme nihilisme waartoe de evolutionaire psychologie, onder Richard Dawkins, specifiek bij Susan Blackmore heeft aangezet.
Misschien wordt de expressie van die nihilisten, met hun "zelfzuchtig" gen binnenkort wel uitgeschakeld door het "bemoeizuchtige" micro RNA ( een dialectische factor in de homeodynamica van het evoluerende genoom ).
Gedachten van die aard spookten door mijn hoofd toen ik laat in de avond wat over Leibniz begon te lezen: een oude inleiding bij een Duitse anthologie.
Ik las een sectie over het optimisme van Leibniz:" Alles om ter best in de beste der werelden".
Leibniz had nooit bedoeld dat onze wereld in die zin de beste was - hij was evenals Descartes en kind van de Dertigjarige Oorlog, en wist dus wat lijden was - maar hij gaf aan dat de dynamica van het oneindig universum de mogelijkheid in zich droeg tot een optimale ontplooiing en dat er dus ergens, ooit, zo'n wereld zou te vinden zijn.
Zijn optimisme werd fel bekritiseerd, onder andere door Voltaire die in "Candide" de figuur van dr. Pangloss naar Leibniz modeleerde.
Eigenlijk, dacht ik, ben ik toch ook een optimist ( een "softie") als je mij vergelijkt met Susan Blackmore.
( Ik had nog alle zelfsteun nodig die ik kon opwekken na het lezen, kort voordien, van het laatste hoofdstuk van " The Meme Machine" )
"Memetica" schrijft Blackmore in haar laatste paragraaf ( memetica is het door imitatie zichzelf bestendigende proces van cultuurbeschrijvende fragmenten, memen - de term is afkomstig van Dawkins ) " brengt ons de nieuwe visie van hoe we ons leven kunnen leiden. We kunnen ons leven leiden zoals de meeste mensen doen, onder de illusie dat er een persistent bewustzijn is dat binnenin de plak zwaait, dat verantwoordelijk is voor mijn daden en die mij mij maakt."
( en dat ben ik - uw schrijver - helemaal )
" Of wij kunnen leven als menselijke wezens, lichaam, brein en memen, ons leven uitlevend als een complex samenspel van replicatoren en omgeving, in de wetenschap dat dat alles is wat er is."
( en dat, hoe vreemd het ook mag klinken, is Blackmore volgens haar eigen zeggen )
"Dan zijn wij niet langer het slachtoffer van een zelfzuchtig 'selfplex'. In die zin kunnen wij dan waarlijk vrij zijn - niet omdat wij kunnen rebelleren tegen de tirannie van de zelfzuchtige replicatoren maar omdat wij weten dat er niemand daar is om mee te rebelleren."
Wow, dat is wel een eindje weg van Spinoza's "Ultimi Barbarorum." dacht ik .

Ik wil niet zover gaan te zeggen dat ik mij niet kon concentreren op mijn lectuur over Leibniz, ik kon mij met nieuwe inzichten verzadigen: een situering van zijn optimisme in zijn tijdskader, de vergelijking met het werk van Yves de Paris (?) waarover ik nog nooit had gehoord, maar uiteindelijk moest ik de rekening maken.
Het leek mij onafwendbaar dat ik Blackmore in mijn tekst ter sprake moest brengen, al was het maar om de ontiegelijke armoede te illustreren van de commerciële weg naar de wetenschappen via bestseller auteurs.
Mijn vertwijfeling moet groot geweest zijn want ik besloot mijn studie af te ronden met nog vlug een ander boekje open te slaan: Victor Frankls "Mans search for meaning"
Als er een humaan tegengif is tegen het nihilisme van de evolutionaire psychologie dan komt het van Frankl , of het bestaat niet.
" Mans search for meaning " was, in 1984, de nieuwe, aangepaste, amerikaanse uitgave van Frankls lange ervaringen in Auschwitz en Dachau.
" Het boek kent nu zijn 73ste druk in het Engels" schrijft Frankl in het voorwoord " en er zijn in die taal alleen al twee en een half miljoen exemplaren verkocht; men begint nu meestal interviews met mij met de uitroep ' Dokter Frankl,uw boek is een ware bestseller, hoe staat u tegenover het succes '- waarop ik reageer met te zeggen dat ik vooreerst niet inzie dat de bestsellerstatus van mijn boek zo'n grote verdienste is van mij, het is eerder de uitdrukking van de miserie van onze tijd: als honderdduizenden mensen naar een boek reiken waarvan de titel alleen al belooft te handelen over de vraag van de betekenis van het leven, dan moet het een onderwerp zijn dat onder hun vingernagels brandt."
Ergens had hij gelijk, zijn boekje - het formaat laat geenszins de gigantische inhoud vermoeden - rustte 20 jaar in mijn bibliotheek nadat ik het laatst las, en toen ik er uiteindelijk naar teruggreep was het omdat ik zo dorstig naar betekenis geworden was dat ik mij het bestaan ervan herinnerde.
Het is het soort boekje dat men in één hand vasthoudt en waarvan men de bladzijden onder zijn duim laat ritsen op zoek naar een relevante passage.

En daar gebeurde dan wat ik zo graag wilde vertellen.

In de eerste seconden na het openslaan viel mijn oog op de captie boven het nawoord bij de uitgave van 1984:" A case for tragic optimism."
De 18 blz. inleiding tot de "derde Weense school" van de psychotherapie - Frankls Logotherapie - begint met de woorden:
" Laat ons eerst de vraag stellen wat onder 'tragisch optimisme' kan verstaan worden. In het kort betekent het dat men optimist blijft niettegenstaande de "tragische triade " zoals zij in de logotherapie genoemd wordt (...) 1/pijn, 2/schuld, 3/dood. "(...)" Zoals ik eens gezegd heb: - als professor in twee vakken, neurologie en psychiatrie, ben ik er mij volkomen van bewust in hoeverre de mens onderworpen is aan biologische, psychologische en sociologische condities; maar naast professor ben ik ook de overlevende van vier kampen
- concentratiekampen - en in die hoedanigheid getuig ik hoe onverwacht ver een mens kan gaan in zijn uitdaging en doorstaan van zelfs de slechtst mogelijke omstandigheden die men zich kan inbeelden."
Het nawoord besluit met een citaat uit de "Ethica" van Spinoza :
" Sed omnia preaclara tam difficilia quam rara sunt." ( maar al het grootste is even moeilijk te realiseren als het zeldzaam om vinden is )
Frankl heeft het over het heilige voorbeeld van pater Maximiliaan Kolbe, die in 1983 gecanoniseerd was voor zijn menswaardigheid in Auschwitz:
" Ge kunt natuurlijk vragen of we noodzakelijk naar 'heiligen' moeten verwijzen , zou het niet volstaan te verwijzen naar 'fatsoenlijke' mensen ( decent people ) ? Het is waar dat die in de minderheid zijn. Meer nog, zij zullen altijd een minderheid blijven. En toch zie ik daarin juist de uitdaging om die minderheid te vervoegen, want de wereld is in een slechte staat en het zal nog erger worden, tenzij elk van ons zijn best doet. "

De tragische triade: pijn, schuld, dood, bracht mij opnieuw de prent van Guru Rimpoché voor de geest, waar hij mediteert met de schedelkap in zijn hand.
Tegen zijn schouder rust een drietand waarop drie hoofden zijn gespietst; op die manier is de overwinning op woede, hebzucht en illusie ( dood ) gesymboliseerd - drie hoofdoorzaken van het menselijk lijden dat de Boedha door middel van de Bodhisatvas, zoals Guru Rimpoché ( Padmasambava ) er een is, wil uitroeien.
Tot het laatste levende wezen uit de kringloop van het lijden is verlost verzaken de Bodhisatvas aan hun reine zelfloosheid en keren terug naar het aggregaat van contingente oorzaken om er door middel van 'mede - lijden' hun medeschepselen bijstaan.

Het beeld is hier toepasselijk want Susan Blackmore beroept zich voor haar theorie van "zelfloosheid" ( in de tekst van 'Meme Machine' stilzwijgend, expliciet in de bijhorende bibliografie - s.v. Blackmore ) op het Boeddhisme.
Er is daar inderdaad sprake van een staat van zelfloosheid, die omvat alles: alle stoffelijkheid, al het ideële ( dus inclusief de memen ! ) plus de godheid; maar alles in de staat van fractie losgekoppeld van het aggregaat, het is te zeggen, in de toestand waarin het zijn betekenis verliest voor de samenhang van de veranderende vorm van de grote illusie van het lijden. Het grote onderscheid vindt uiteindelijk plaats in het aggregaat mens.
De formule ( zie John Blofeld ) gaat: ik zoek toevlucht tot de Boeddha, ik zoek toevlucht tot het Dharma ( de wereldillusie, de wijze waarop het leven voorkomt ), ik zoek toevlucht tot de Sangha ( de boeddhistische gemeenschap, op de hoogte van de leer )- en men voegt eraan toe: ik zoek toevlucht tot het drievoudige juweel in mijzelf.
Het drievoudige juweel is de synthese van het voorgaande: boeddhanatuur, wereldillusie, boeddhistische broederschap en wordt juweel genoemd omdat het verwijst naar diamant (i.e. de Diamanten Soera ), de sterkste van alle substanties, het meest geschikt om doorheen alle illusie te kerven.
In laatste instantie blijft het een kwestie van bewuste stellingname: opgave van het zelf en reine vereniging met de boeddhanatuur,"zelfloosheid" ( Arahant ) of in gebruik name van het aggregaat "zelf" en zijn diamanten natuur als middel tot bijstand voor zijn medemens.
Dat dit "zelf" niet zonder emoties is bewijst de prachtige anekdote over Marpa, de grote Tibetaanse meester die de kwade tovenaar ( en later grootste dichter van Tibet ) Milarepa tot de staat van Bodhisatva wist te brengen.
Marpa was een landbouwer die met zijn zonen samen werkte en toen op een dag zijn jongste zoon stierf weende Marpa zijn hart uit. Zijn leerlingen waren verbaasd:
" Is dat niet precies het soort illusie waarvoor je ons steeds waarschuwt ?"
" Neen. " antwoordde Marpa " De dood van mijn zoon is een superillusie. "

" Wat zegt Spinoza in zijn Ethica ? " schrijft Frankl in "Mans search for meaning: Expieriences in a Concentration Camp." - "Affectus, qui passio est, dessivit esse passio simulatque eus claram et distinctam formamus ideam ." Emotie, die lijden is, houdt op lijden te zijn van het ogenblik dat wij er een helder en precies beeld van vormen. "
Hier wil ik Susan Blackmore een groot geheim vertellen: bij mensen die hun eigen lijden in compassie voor hun medemens hebben omgezet zetelt het bewustzijn inderdaad niet "ergens in het brein ", het staat op een zuil van licht vlak bij het hart en toont in fiere uitdaging zijn diamanten zwaard.
Maar goed, ik liet mij even meeslepen.

Geef toe, het fragment van mijn eigen kleine leeservaring past wel in de context van mijn betoog.

En toen viel er nog een vergeeld papiertje uit het boek waarop ik, 20 jaar geleden, de volgende aantekening had gemaakt:- Arasteh - Aim - performance of voluntary action - Final Integration pp. 58, 59 - discovery of values p. 66.
Ik had mij in mijn spontane opwelling niet al te ver van mijn onderwerp verwijderd.

Hoe vreemd, die vergeten verwijzing naar Arasteh, die na 20 jaar haar betekenis terugvond.

( hierboven vermelde ik al hoe soefieadepten het fenomeen actie verstaan, zonder er dieper op in te gaan verwijs ik hier nu naar het zeer interessante werk van Chögyam Trungpa, waarin de betekenis van actie in de context van het Tibetaanse boeddhisme wordt uitgelegd.)

Het wordt stilaan tijd de beloofde band met Maine de Biran terug op te nemen, maar eerst nog even Frankl over actie ( ' Mans search for meaning: Logotherapie in a Nutshell ' p.127
" Ik beschouw het als een gevaarlijke misvatting in mentale hygiëne aan te nemen dat wat de mens eerst en vooral nodig heeft evenwicht is of 'homeostase' zoals het in de biologie wordt genoemd: een spanningsloze toestand.
W at de mens nodig heeft is geen spanningsloze toestand maar eerder een streven en worstelen voor een waardevolle en vrij gekozen taak.
Wat hij nodig heeft is niet het ontladen van spanning tegen elke prijs, maar de roep van potentiële betekenis die erop wacht door hem vervuld te worden. Wat de mens nodig heeft is geen homeostase maar wat ik 'noö - dynamica' noem ( noös, geest: eng. mind ) i.e. de existentiële dynamica in een polair spanningsveld waar de ene pool is voorgesteld door een te vervullen betekenis, de andere pool door de mens die moet vervullen."

Het komt Pr. Reza Arasteh toe de band met de volgende bladzijden nog steviger aan te halen.
In " Final Integration in Adult Personality." analyseerde hij de betekenis van Victor Frankls therapie tegen de achtergrond van de psychologie van de individuatie bij historische figuren als al Ghazali en Rumi, wiens betekenis voor het Nabije Oosten voor de hand ligt, maar die daardoor voor westerse studies een voorheen ongekende dimensie krijgen waarvan de actualiteit niet ophoudt te groeien.

De inhoud van de verwijzing die 20 jaar onaangeroerd in mijn boekenkast rustte toont dat zeer helder aan ; er is enerzijds de aanvulling bij Frankl, anderzijds de nadruk op affectieve perceptie die aansluit bij het huidige werk van Antonio Damasio ( en niet te vergeten Joseph Le Doux, Damasio met het 'Gelijk van Spinoza' ontsluit echter op meesterlijke wijze de filosofische dimensie waaruit mijn wat vreemde verwijzing naar het soefisme haar werkzaam nut put.)
Voor alle duidelijkheid, Arasteh's geciteerde tekst dateert van 1965.
" In het afhandelen van een vrijwillige daad, moet het kind het voorwerp in zijn gedachten evalueren, in zijn herinnering schikken, er zich op concentreren.
Aldus is de vrijwillige actie in de tweede periode van 7 jaar aan de ene kant in aandriften geworteld, aan de andere kant in gedachten en herinneringen.
De relatie tussen aandriften en vrijwillige actie geworteld in aandriften verschijnt als interesse.
Het motief is alleen mogelijk met de perceptie van waarde en eraan gerelateerde interesse.
Elke opgemerkte waarde kan interesse verhogen, deze interesse is een functie van het willen.
Het verband tussen de natuurlijke staat en perceptieve waarde is affectieve perceptie.
Dit punt vereist voorzichtige aandacht want het is de reden die mij ertoe aanzet te aanvaarden dat waardeperceptie in haar vroege stadium een affectieve taak is.
Zij kan niet worden bereikt met intellectuele of wettelijk vastgelegde middelen.
De waardeperceptie is een experimentele daad, geen intellectueel fenomeen.
Plezier, pijn, de zintuigen en affecties zijn de vroege middelen voor waardeperceptie.
In latere stadia van ontwikkeling verschijnen waarde-inzicht en waardeschatting.
Waarde is 'voorwerp als doel'.
Dus, het doel van een vrijwillige daad is een waardevol ding op zo'n wijze dat men ermee in relatie staat nog voor het is geactualiseerd.
Die waargenomen waarden, die affectieve eigenschappen hebben, worden doel genoemd en worden het motief van onze wil: motieven kunnen vastgesteld worden in termen van een waardevol doel dat inspanning ( energie ) produceert en het concept fixeert.
Het is een eenheid/fenomeen in het heden en een doel dat actie genereert in de toekomst."

"Onder mijn collega’s op het vlak van psychologie " kon Pr. Arasteh, 3 jaar na het verschijnen van 'Final Integration'(1965), in 'Creativity in the Life Cycle'(1968) nog schrijven "moet ik de eerste nog ontmoeten die aandachtig gelezen heeft wat Hume te zeggen had, of wat Spinoza schreef, twee filosofen die de basis legden van de moderne psychologie."

Als men hieraan al de betekenis kan meten van Damasio's bijdrage dan mag hier ook de extra meerwaarde niet verzwegen worden, die door Damasio wordt aangestipt in het meesterlijke 7de hoofdstuk van 'Gelijk van Spinoza'. Daar staat de verwoording van Spinoza's volwassen waarde-inzicht betreffende godsdienstbeleving als volgt:
"Spinoza verwierp de gedachte dat het vooruitzicht van beloning of straf een goede stimulans zou zijn voor ethisch gedrag. In een indrukwekkende brief beklaagde hij de mens die zich daardoor laat leiden."
En Damasio citeert :
" Hij ( bedoeld wordt Lambert de Velthuyzen wiens aanval op de "Tractatus Theologico - Politicus" Spinoza beantwoordt in de hier geciteerde brief aan Isaac Orobio (1671) - noot Jacky ) is een van de mensen die zijn eigen lusten zou najagen als hij daarvan niet werd weerhouden door de angst voor de hel. Hij onthoudt zich tegen zijn wil, als een slaaf, van slechte daden en gehoorzaamt aan de geboden van God en verwacht voor dat knechtschap beloond te worden met geschenken die meer bij hem in de smaak vallen dan goddelijke liefde en die, vergeleken met zijn oorspronkelijke afkeer van deugdzaamheid, groot zijn."

Ik herken hierin een parafrase op het in het soefisme zeer bekende gebed van de mystica, Rabia al Adawiyya ( 717 - 801 A.D. ):
" Aanbid ik U uit schrik voor de hel, werp er mij middenin; aanbid ik U uit verlangen naar de hemel, ontzeg hem mij."
Ik gebruik de gelegenheid om aan te geven dat Spinoza's citaat vreemd genoeg uit een brief is gelicht waar ook de controverse rond Mohammad als valse profeet - zo karakteristiek voor die tijd - met zeldzaam relativerend inzicht wordt behandeld.
Het gebed van Rabia komt ook voor onder de pen van Fénelon, waar het als argument geldt in het debat over de "Pur Amour" ( private mystiek versus kerkelijke regel ) waaraan ook Leibniz actief deelnam.
Misschien heb ik uitgewijd, ik ben niet afgedwaald .
(onderzoek hier de soefi bronnen uit die tijd )

4de fragment

Zeer geschikt als aanknopingspunt voor de volgende blz. vind ik het hernemen in de actuele litteratuur over bewustzijnspsychologie van het model van Condillac, waar bewustwording ontstaat als rangschikking in de ervaring van aan het affect gerelateerde zintuiglijke waarnemingen. Condillac beschreef zijn model als zintuiglijke waarnemingen toegevoegd aan een standbeeld, daarbij een onwrikbare metafoor oproepend , die blijkbaar tot op heden is blijven bestaan.

In "A Mind so Rare: evolution of conciousness." besteed Pr. Merlin Donald, dept. Pscychologie, Queen's University Kingston, Ontario, met de nodige serieux een volledig hoofdstuk aan de herwaardering van Condillacs model voor onze tijd; hoewel Pr. Donald niet het risico heeft genomen de grondleggers van de moderne psychologie in zijn eigen ontwerp niet te kennen, mist hij toch de finesse van het debat door geen aandacht te schenken aan hoe dit door de generatie van Condillacs onmiddellijke leerlingen zoals Cabanis, Destutt de Tracy en bovenal Maine de Biran is gevoerd.
Ik ga hier Condillacs hypothese van het standbeeld waaraan zintuigen zijn toegevoegd niet herhalen. Met respect verwijs ik daarvoor naar Pr. Donald.
Een stimulerende inleiding vindt men in het boeiende " The Amazing Brain."
( Chatto & Windus - The Hoghart Press, Londen 1985 ) op meeslepende wijze geïllustreerd door David Macauly ( pp. 103 - 128 ).

Toen Condillacs "Traité des Sensations" (1754) hem het privilege had opgeleverd gekozen te worden als intellectueel voogd van de prins van Parma, schreef hij in de samenvattende cursus voor dat doel ( 'Cours d'etudes au Prince de Parme', 1769 - 1773; Livre XX, ch. XII ):
" De wetenschap die handelt over de oorsprong en ontwikkeling der ideeën heeft nog steeds geen naam. Ik zou haar 'psychologie' noemen mocht ik kunnen verwijzen naar een interessant boek met die titel."
Met die opmerking, zegt men, gaf hij voor het eerst inhoud aan het woord 'psychologie' in de Franse taal. Elders - voornamelijk in Duitsland - was de term al in volle gebruik.
Zijn jonge studenten, die later het officiële academische curriculum van de menswetenschappen zouden vertegenwoordigen ( na de Franse Revolutie en het Napoleontische tijdperk ) gaven de voorkeur aan de aanduiding 'idéologie', aangebracht door een van de voornaamste denkers uit hun midden, Destutt de Tracy. Zij noemden zichzelf 'idéologistes', hoewel zij uiteindelijk bekend werden als 'idéologues'. Dit was de half denigrerende manier waarop Napoleon Bonaparte - die zij onophoudelijk het vuur aan de schenen legden over morele onderwerpen - naar hen verwees.
In aanvang was Maine de Biran ( 1766 - 1824 ) zo'n idéoloog en een bijzondere doorn in de heup van Napoleon ( zie daarover zijn biografie door La Valette Mombrun ).
Met Destutt de Tracy, Cabanis en vele anderen behoorde hij, in de latere periode, tot de fameuze "Cercle d'Auteuil" die in een vroegere fase rond de weduwe van de filosoof Helvétius geesten als Turgot, Condorcet, Malesherbes, Chamfort en Benjamin Franklin had samengebracht; Franklin, die zijn liberale vrienden uiterst behulpzaam vond voor zijn lobbywerk ter voorbereiding van de Amerikaanse "Declaration of Independance".

Als officieel administrateur zowel te Parijs als in zijn geboortestad Bergerac, besteedde de Biran bijzondere aandacht aan opvoeding.
Hij was de eerste om te experimenteren met de onderwijsmethode van Pestalozzi voor wie hij in Bergerac een school oprichtte nadat de grote opvoeder door Napoleon uit Parijs was weggestuurd met de boodschap dat zijn systeem 'te veel; trop'zou zijn voor het volk.

" Hoe graag zou ik psychologie, of het ware systeem van ontwikkeling van onze geestelijke vermogens, om het zo te zeggen, in actie zien, niet in een standbeeld maar in het zich ontwikkelende kind, door middel van een regelmatige vooruitgang van de eerste zintuiglijke ideeën tot intellectuele opvattingen."
( in "Maine de Biran", Romeyer - Dherbey p. 19 )

Toen Maine de Biran deze opmerking maakte had hij de materie van de psychologie al doordacht op een manier die hem ver voorbij Condillac of de 'Idéologie' van Destutt de Tracy bracht. Hij zou wel de laatste persoon geweest zijn om de vele educatieve vernieuwingen door Condillac te miskennen maar de onbeweeglijkheid zonder uitkomst van het standbeeld stak hem tegen.

"Wij kennen de zorg die sinds vele jaren door de auteurs aan het verbeteren van hun zogenaamde toepasselijke methode voor de instructie van de eerste periode van kind zijn is besteed, en aan het opwekken van wat zij aandacht noemen door middel van beelden, figuren, gekleurde kaarten, spelletjes enzovoort. Dat is allemaal zeer in overeenstemming met de doctrine van de transformatie der waarneming ( = Condillac; zie Merlin Donald ) maar we moeten nog te weten komen of die middelen ook niet geschikt kunnen zijn voor het verlammen, eerder dan voor het ontwikkelen van de echt actieve vermogens der intelligentie."

Vermits hij zelf de zoon was van een medisch dokter, bezat hij een levendige interesse voor elke fysiologische vooruitgang die er toen was in de anatomie van het brein, maar in 1793 al leidde een kritische lectuur van het hypothetisch werk van zijn medische vriend, George Cabanis, over de lokalisatie van functies hem tot de volgende opmerking:
" Maar zelfs als de fysiologische ervaringen, die tot op heden niets zeggen over de hypothesen, deze kwamen te bevestigen, wat zouden wij er aan winnen ?
Wij zouden beter kennen wat de machine voortbrengt, maar zouden ook de motorische krachten beter gekend zijn ?
Zouden wij beter in staat zijn uit te leggen hoe de beweging van een vezel of van een vezelstreng een gevoel kan opwekken ?
Zouden wij beter weten hoe vanuit verschillende bewegingen opgewekt in verschillende heterogene organen zonder verband, er niettemin een gevoel ontstaat, één en ondeelbaar, dat het menselijke zelf ( 'le moi')uitmaakt ? "

Een later voorbeeld, nadat een nieuwe "mode" in lokalisatie van hersenfuncties - de doctrine van Gall - was ontstaan, toont hem ons even aandachtig als voordien, tenminste, afgaande op de titel van een lezing die hij hield voor de Société Medicale de Bergerac op 13 november 1808:
" Observatie over de organische onderverdelingen van het brein, opgevat als zetels van verschillende intellectuele en morele vermogens; over de relatie die kan gelegd worden tussen de faculteit van het begrijpen en die wijze van onderverdeling. Onderzoek van het systeem van dr. Gall omtrent dat onderwerp."
In die lezing gaf Maine de Biran toe dat er voor elke intellectuele activiteit een nerveuze activiteit uit het brein emaneerde, maar dat de activiteit zelf het gevolg was van een mentale oorzaak die nergens gelokaliseerd was.
Die oorzaak was bewust willen, precies wat Maine de Biran zo opzichtig afwezig vond in de hypothese van Condillacs standbeeld, of die hij zich op zijn minst niet kon voortstellen zonder aanwending van beweging.

Nog later, toen hij zijn vele academisch aanvaarde bijdragen samenvatte, schreef hij:
" Mijn analytische wandeling leidde mij ertoe vast te stellen dat passieve zintuiglijkheid absoluut zonder vrucht was in relatie met de oorsprong van kennis; dat een wezen dat aldus was herleid, niet in staat zou zijn eender welke idee van objecten buiten zich te verwerven; dat het bovendien geen bewustzijn zou hebben van zijn zintuiglijk wezen, dat het geen individuele persoon zou zijn en nooit in staat 'ik' ( 'moi') te zeggen, waaruit volgt dat elke kennis, inclusief de kennis van het zelf, niet kan beginnen zonder het uitoefenen van een hyperzintuiglijke en hyperorganische activiteit; met andere woorden zonder de eerste vrijwillige daad, inspanning of beweging, uitgevoerd door een kracht uitwendig en superieur aan zintuiglijkheid."

Tot zover een eigentijds oordeel over Condillac.
Laat het ons hierbij niet laten.

" Vreemd genoeg " schrijft Pr. Merlin Donald " heeft Condillac nooit de mythe van de geïsoleerde geest in vraag gesteld en liet hij zijn standbeeld losgekoppeld van de maatschappij. Het resultaat was dat het standbeeld in een culturele kelder werd achtergelaten en dat voor lange tijd het kloppen van zijn onthullend hart in dovemansoren viel tot diep in de 20ste eeuw, toen Vygotsky voorstelde dat onderdompelen in cultuur de sleutel tot zijn intellectuele bevrijding kon zijn. "

Het is maar hoe je het bekijkt.
Inderdaad, in weinig staten zijn er ooit zoveel identieke standbeelden geweest als in Vygotsky's thuisland, de Sovjet Unie. Nochtans verkoos die grote geest zijn ontologische studie over 'het vermogen tot begrijpen' in verband te brengen met sociale activiteit, te weten, met wat er voorviel onder de mensen aan de voet van die standbeelden.

Vygotsky's intellectuele gezel, A.R.Luria, die zelf een verhaaltje of twee over standbeelden te vertellen had, gaf in zijn "The Working Brain" de volgende gebalde introductie tot de bijdrage van Vygotsky:
" Er was een radicale verandering nodig van de basisidee over bewuste beweging en actie, te einde de voornaamste kenmerken van de hoger bewuste vormen van activiteit te behouden en die tezelfdertijd toegankelijk te maken voor een waarachtig wetenschappelijke deterministische analyse.
De eerste stappen in die richting werden genomen door Vygotsky, die in de psychologie het concept introduceerde dat de bron van vrijwillige actie niet binnenin het organisme ligt, niet in de directe invloed van voorbije ervaringen, maar in de sociale geschiedenis van de mens: in die werkactiviteit in de maatschappij die de aanvang van de menselijke geschiedenis kenmerkt, en in die communicatie tussen kind en volwassene die de basis is van vrijwillige beweging en doelgerichte handeling in de ontwikkeling van kennis (ontogonie).
Vygotsky voorzag dat elke poging "biologische wortels" voor vrijwillige actie te zoeken gedoemd was te falen. Hij overwoog dat de echte bron lag in de periode van communicatie tussen kind en volwassene wanneer er "functie gedeeld werd tussen twee mensen"; als de volwassene het kind gesproken instructies gaf:- neem die beker, neem die bal - , en het kind de instructies gehoorzaamde, het genoemde ding vastnam of met de ogen fixeerde.
In de volgende stadia van ontwikkeling had het kind,dat voordien de volwassen instructies opvolgde, leren spreken; kon het zichzelf gesproken instructies geven ( om te beginnen externe gedetailleerde instructies, maar later interne in een samengevatte vorm) en begon het zijn gedrag aan die instructies te onderschikken.
Karakteristiek voor deze fase was dat de functie, die voordien gedeeld was door twee personen, de wijze van organisatie werd van de hogere vormen van actief gedrag die sociaal in oorsprong zijn, in hun structuur van spraak afhankelijk, en vrijwillig in hun actie.
Dit betekende dat vrijwillige bewegingen en actie bevrijd werden van de geschiedenis van idealistische en 'positieve' biologische vorsingen, en dat die specifiek menselijke vormen van actief gedrag een werkelijk object van wetenschappelijk onderzoek konden worden. "
( op.cit. pp. 246,247 )

Een ander gezel, A.N.Leontiev, verhelderde de materie van sociale intelectieve activiteit nog verder: "(...)een subject verstaat een object niet als een 'ding', als een natuurlijk object op zichzelf bestaand, maar als datgene waarnaar een daad gericht is, namelijk iets waarmee een levend wezen zich verbonden weet als het object van zijn activiteit; ongeacht of die activiteit extern is of intern."
( zoals aangehaald door A.G.Asmolov in "Basic principles of Psychological Analysis in the Theory of Activity" - Sovjet Psychology, a journal of translations, vol XXV no 1, winter 1986 - 1987 p.980 )

' Werkactiviteit in de maatschappij' ( Vygotsky ) 'gerichte activiteit' ( Leontev ) dat lijkt allemaal veel meer op een exacte antithesis voor Condillac in plaats van de passieve 'onderdompeling in cultuur' waarnaar Pr.Donald verwijst, en als antithesis laat het zich vloeiend verbinden met de kritiek van Maine de Biran; maar ik integreerde de verwijzing naar de Biran, Vygotsky en Leontev niet om alleen maar Merlin Donalds ondiepe referentie aan te tonen.
Er is meer.

Zo'n 100 jaar geleden introduceerde James Mark Baldwin het concept functionele evolutie in de ontwikkelingspsychologie, een concept dat hij in zijn "Mental Development in the Child and the Race" ( 'Race', hier in de betekenis van het brede fenotype:- 'het mensenras')
expliciet in verband bracht met de oorsprong van het bewustzijn.
Wij dienen ons te wenden naar Terence Deacon in "The Symbolic Species: the co - evolution of language and the human brain." voor een inleiding tot Baldwins theorie:

"Baldwin stelde voor dat leren en gedragsflexibiliteit een rol kunnen spelen in het versterken en benadrukken van natuurlijke selectie, omdat die vaardigheden de individuen toelaten de context van natuurlijke selectie die hun toekomstige afstamming aangaat te veranderen (...)Samengevat legt Baldwins theorie uit hoe gedrag de evolutie kan beïnvloeden, maar zonder de noodzaak te moeten verklaren dat respons op eisen van de omgeving verkregen gedurende de levensloop onmiddellijk op de afstamming werden overgedragen (...) Baldwin stelde dat, door het tijdelijk aanpassen van gedrag of fysiologische respons gedurende de levensloop in antwoord op nieuwe condities, een dier onomkeerbare veranderingen in de adaptieve context van toekomstige generaties kon voortbrengen. Hoewel gedurende dat proces geen nieuwe genetische veranderingen in de voorwaarden geproduceerd worden, zal de verandering van omstandigheden bepalen welke onder de bestaande of toekomstige genetische predisposities er in de toekomst bevoordeeld zal worden." ( op.cit. pp. 322,323 )

" Van bij het begin van onafhankelijk leven is beweging de natuurlijke respons van het kind op alle invloeden. En bovendien (...) van bij het begin zijn er spontane bewegingen te wijten aan het ontladen van de motor centra, ongesoliciteerd door externe stimuli. "
observeerde Baldwin in "Mental Development".

Het was deze reserve aan spontane bewegingscapaciteit die de mogelijkheid bood tot aanpassing onder selectieve druk op de gewoonte.

"Het is het fundamenteel feit van de motorische aanpassingen of 'Accomodatie door selectie uit overgeproduceerde bewegingen' waaraan ik de naam van functionele selectie gegeven heb." zei Baldwin.

Wat eerst een beweging zonder doel is wordt een functionele aanpassing eens zij in het bewust willen is geïntegreerd.
Baldwin illustreerde dit met observaties van het traceren van beelden, tekenen, en de individuele ontwikkeling van het handschrift.

Later zou hij zij inzichten in de natuurlijke evolutie van bewust willen in culturele context ontwikkelen tot een allesomvattende esthetische theorie ( 'pancalisme' ) maar toen brandde hij al in het vuur van het Anti Darwiniaanse fatsoen, zoals hij nu brandt in de ovens van Super Darwiniaanse respectabiliteit.
( let op ! 2001, Robert H. Wozniak :" Selected Works of James Mark Baldwin " - Thoemmes ed. )

In 1889 - 1891, terwijl hij professor was aan de Universiteit van Toronto, schreef Baldwin zijn "Handboek voor Psychologie"
In 1893 keerde hij terug naar Princeton, waar hij zijn loopbaan had aangevangen als leraar in de Franse en de Duitse taal (1886) en stichtte er de psychologische laboratoria.
In 1901 was hij verantwoordelijk voor de uitgave van de "Dictionary of Philosophy and Psychology " in samenwerking met William James, Pierre Janet, Lloyd Morgan, Granville Brown en John Dewey.
Van 1903 tot 1909 gaf hij filosofie en psychologie aan de Johns Hopkins University; hetzelfde deed hij aan de Nationale Universiteit van Mexico van 1909 tot 1913.
In 1918 ging hij naar Parijs om zijn theorie over 'pancalisme' aan de Sorbonne uiteen te zetten. Hij ontwikkelde een vurige interesse voor politiek en vestigde zich in Europa; hij bracht het grootste gedeelte van zijn tijd door in Parijs, waar hij stierf in 1934.

Het duurde tot Deacons meesterlijke integratie van Baldwins functionele evolutie in zijn eigen pionierstheorie over de co-evolutie van taal en menselijk brein dat er op een betekenisvolle manier naar deze originele denker werd verwezen.

Terwijl Baldwin in Parijs was gebeurde er iets dat de moeite van het vermelden waard is in de context van mijn betoog.

In 1924 vierde de 'Société Française de Philosophie' de 100ste verjaardag van de dood van Maine de Biran met een reeks lezingen.
In één daarvan: "Maine de Biran et l'école Medico - psychologique " onderzocht Henri Rousseau ( niet 'le Douanier', die andere ...) Maine de Birans invloed op het curriculum van de psychologie.
Het was toen gekend dat de Biran kostbaar weinig had gepubliceerd tijdens zijn leven en dat het bulk van zijn extensieve geschriften pas recent begon te verschijnen ( Tisserand, 1920 - 1949 )

Onder zijn tijdgenoten had Maine de Biran nochtans een solide reputatie opgebouwd.
In het post-Napoleontisch tijdperk had hij zijn eigen salon voorgezeten waar de gebroeders Cuvier en de gebroeders Royer-Collard tot zijn wekelijkse gasten behoorden.
Piere Royer-Collard was een belangrijk politicus en de Birans beste vriend.
Zijn broer Antoine Royer-Collard leidde sinds 1806 het asiel voor geesteszieken van Charenton; in 1816 werd hij professor in de gerechtelijke pathologie aan de "Ecole Médicale" tot hij in 1819 besloot aan diezelfde school een cursus in de mentale pathologie in te richten, waarvoor hij expliciet de hulp van Maine de Biran solliciteerde.
Van toen af tot aan zijn dood in 1824 probeerde Maine de Biran een curriculum voor mentale zorg uit te werken. ( i.e. 'Considérations sur les principes d'une division des faits psychologiques et physiologiques' Tisserand ed, vol XV )

Antoine Royer-Collard gaf kritische aantekeningen bij een document van de Biran over het onderwerp in 1820.
In zijn lezing in 1924 wees Henri Rousseau erop dat het precies deze tekst was die in 1843 was gepubliceerd in deel III van de "Annales medico - psychologiques - Journal de la Physiologie et de la Pathologie du système nerveux." onder de titel "Examen de la doctrine de Maine de Biran sur le rapport du physique et du moral de l'homme ", en dat op die manier een invloed van Maine de Bran op psycho-pathologisten als Baillager en Moreau de Tours veel directer was dan algemeen werd aangenomen.

Het is zeer wel mogelijk dat die herwaardering Baldwins aandacht vestigde op het werk van Maine de Biran als practisch psycholoog.
Tot dan was er slechts extreem problematische verwijzing naar evaluaties uit de tweede hand van deelaspecten van de Birans filosofie.

Dit kan de oorzaak zijn van de verandering in de verwijzing naar Maine de Biran door Baldwin, van een nogal ongeduldige in "Pancalism"(1918) naar een positieve herkenning van de Biran toegevoegd aan een latere editie van "Mental Development in the Child and the Race ", uit praktische overwegingen voor Baldwins eigen theorie van de natuurlijke evolutie van het bewustzijn.

In 1929 verscheen een Engelse vertaling van de Birans seminale "Mémoire sur l'Habitude" (1802) als :"The influence of Habit on the Faculty of Thinking." (later heruitgegeven bij Greenwood Press, Westport - Connecticut, U.S.A., s.d. - zoals aangewezen door Romeyer - Dherbey in "Maine de Biran", 1974 Seghers Paris ) en waarvan de urgentie heel wel door J.M.Baldwin kan zijn geïnspireerd.

Hoogstwaarschijnlijk besprak hij uitgebreid de betekenis van de Birans bijdrage met zijn vriend Pierre Janet, die toen professor in de experimentele en vergelijkende psychologie was aan het Collège de France ( tot 1935 )

De 'Cercle d'Auteuil' waartoe de jonge Maine de Biran had behoord, was voor de menswetenschappen wat de "Société d'Arceuil" was voor de fysische wetenschappen, een vergadering van vrijgevochten en onafhankelijke geesten.
Toen men na de publicatie van zijn "Mécanique Céleste" aan de fysicus en mathematicus Laplace - de kampioen van Arceuil - vroeg hoe God in zijn voorstelling paste, antwoordde hij:
" Deze hypothese heb ik niet nodig gehad."
Evenzogoed lijkt er weinig nood te bestaan aan de hypothese van Condillac voor een theorie van de natuurlijke evolutie van het bewustzijn.
Er is daarentegen wel nood aan intelligente, zij het gedurfde, referentie.

Complete verwijzing naar Maine de Biran in het Engels taalgebied is tegenwoordig verwezenlijkt door F.C.T.Moore, die het lemma 'Maine de Biran' toevoegde aan de "Oxford Companion to Mind."
Niemand tekende daarin echter voor enige verwijzing naar Baldwin.
U leest wel: GEEN verwijzing naar James Mark Baldwin in de "Oxford Companion to Mind"
Ik vond elders twee verwijzingen die op gepaste wijze de coherentie onderlijnen van wat ik hierboven vertelde over de sociale genese van de persoonlijkheid volgens Baldwin.
1° - " On the Social Nature of Human Cognition: An Analysis of the Shared Intelectual Roots of George Herbert Mead and Lew Vygotsky." Valsiner &Van Der Veer in 'Journal for the Theory of Social Behaviour 'U.S.A. 1988, vol 18, no 1, pp. 117-136.
2° - "G.H.Mead and Lew Vygotsky on Meaning and the Self " Koczanowicz in ' The Journal of Speculative Philosophy ' 1994, vol 8, no 4, pp. 262-276.
Volledigheidshalve aangestipt dat 'shared roots' naast Baldwin ook Josiah Royce inhoudt.

En wat Pr. Merlin Donald betreft; naar zijn boek zal ik nog teruggrijpen om uit te zoeken wat ik heb gemist, maar iets minder gedreven.

5de fragment

Sinds de grote revolutie in het hersenonderzoek door Penfield, Sperry en anderen, heeft de verlichte amateur zich een beeld kunnen vormen van het dubbele, symmetrische brein en de wonderlijk dialectiek tussen beide helften.

Ondertussen worden wij er evenwel van verwittigd dat een nieuwe revolutionaire fase de Decade van het Brein heeft afgesloten; een samenvatting daarvan is weergegeven in het bijzondere themanummer van "Scientific American",oktober 2003.
De nadruk is gelegd op neurogenese, het opnieuw aangroeien van zenuwcellen, een fenomeen dat tot voor kort bij de mens als onbestaand werd beschouwd.

Het belang daarvan voor de onmiddellijke context van wat ik al benadrukte: de noodzaak van beweging, actie, in bewustzijnsvorming, ligt in de dramatische betekenis van het fenomeen voor wat nu 'constraint-induced movement therapy 'genoemd wordt.
Die geldt voor slachtoffers die na een hartaanval verlamd zijn en ertoe 'gedwongen' worden hun verlamde ledematen te hergebruiken terwijl hun nog functionerende 'in bedwang' gehouden worden.
In die therapie komt het verband tussen wilskracht en breinplasticiteit op een uitdagende functionele wijze tot uiting, maar de betekenis van neurogenese brengt ons ook enkele anatomische bijzonderheden aan het licht.
Zo ziet de student van het breinmechanisme zich nu verplicht rekenschap te geven van de functionele betekenis van het ventriculaire stelsel, de vochthuishouding in het brein, een systeem waarvoor symmetrische dialectiek minder voorhanden ligt.
Herinner u alvast de betekenis van de paraventriculaire kernen voor het bewustzijn zoals beschreven door Antonio Damasio.

Hier moet ik mijn lezer - die ik, als hij de lectuur tot hier heeft volgehouden, al wel een vriend mag noemen - opnieuw tot deelname aan de dans uitnodigen, die ons naar weer een andere hoek van de kamer leidt.

Daar liggen twee boeken die, hoezeer zij ook op het vlak van de neurofysiologie met elkaar verband houden, ik steeds als exacte tegenpolen heb gemanipuleerd ( en waarvan de onconventionele durf van de auteurs een eigen categorie moet toegewezen krijgen ).
Ik noem eerst de titels:
1°- Bergland:"The Fabric of Mind" ( 1985 )
2°- Gershon: "The Second Brain" ( 1998 )
Het grote verschil ligt in de bibliografie die de auteur er aan toevoegt; of tenminste, die er door Bergland aan toegevoegd is, door Gershon samen met de index compleet is weggelaten.

De reden waarom ik die twee boeken specifiek vermeld is eerst en vooral omdat de bijdrage van Bergland aan het merkwaardige koppel ( beiden dragen ook met de hoogste distinctie de verwijzing 'medical doctor' naast hun naam) volledig rond de fysiologie van het ventriculaire stelsel is opgebouwd, dus met een inzicht dat eerlang zal geherwaardeerd worden.
Als bron van de stamcellen waaruit zich nieuwe zenuwcellen ontwikkelen, worden nu immers naast de hippocampus de ventrikels aangeduid.

Berglands beschrijving introduceerde het belang van de hormonale basis van het brein zoals geïllustreerd door de bijdrage van Robert Guillemin à propos van de ontdekking van peptiden in het brein ( Nobelprijs 1977 ), een vakgebied dat bekend staat als neuronendocrinologie.
Van het grootste belang is hier de eigen hypothese die Bergland op basis van zijn wetenschappelijk werk ( in 1985 was hij hoofd van de neurochirurgie in het Beth Israël Hospital in New York ) naar voor bracht, namelijk de permeabiliteit van de bloed/brein barrière in het capillaire systeem aan de voet van de hypofyse, waarmee hij een permanente wisselwerking tussen de grote hormonale productiecentra en de breinkern - in extenso, de ventrikels via de hypofyse en omgekeerd - probeerde aan te geven.
Tot dan was het aangenomen wijsheid geweest dat er - in Berglands woorden - alleen een Noord/Zuid verbinding tussen hersenen en hypofyse bestond. ( maar zie Sternberg en Gold in Scientific American 1997 )

Hoe belangrijk het is Berglands hypothese van een alternatieve Zuid/Noord verbinding goed voor de geest te houden kan aangetoond worden met de tweede component van het koppel: Gershons "The Second Brain".

Gershons wetenschappelijke werk stamt uit de vaststelling dat 95% van de serotonineproductie buiten het brein plaatsvindt, meer specifiek in de entero chromafine
(E.C.) cellen in de mucosa van de darmwand.
Serotonine is een van de belangrijke neurotransmitters, en Gershon ontdekte dat serotonine de zenuwhuishouding van het darmstelsel dezelfde rol vertolkte - die van neurotransmitter - als in de hersenen.
Tussen de spierweefsels van het darmstelsel bevindt zich de zogenaamde myenterische plexus, de plexus van Auerbach ( aangevuld met de plexus van Meissner ) en onderzoek door Gershon en zijn kompanen naar de functie van serotonine in die plexus leidde naar het inzicht dat het spijsverteringsstelsel op een meer uitgebreide manier autonoom was dan in de beschrijvingen van het sympathische en parasympathische zenuwstelsel was aangegeven; in die mate zelfs dat Gershon niet aarzelde voor de myenterische plexus de term 'tweede brein' te gebruiken. De functionele verbinding tussen het eigenlijke brein en het spijsverteringsstelsel leken zich tot dan toe op het eerste gezicht steeds te beperken tot het slikken en het openen en sluiten van de endeldarm.

Maar nu kom ik tot de kern van het onderscheid tussen de twee boeken.
Ik kan niet anders dan met de hoogste aandrang het belang van Gershons boek onderlijnen - zeker in een discussie over het verband tussen lichaam en geest waar men soms socialiter geneigd zou zijn "Eerst het vreten dan de moraal! " te debiteren; maar ik kan niet garanderen dat iedereen de lectuur ervan aangenaam zal vinden, want het boek is niet vergezeld van een index noch van een bibliografie.
Ik stel mij voor dat Gershon gedacht heeft :" Wie, in godsnaam, zal zoiets lezen ?"
Het gaat hier immers over het verstuwen van verterend voedsel, met alle onaangename bijgeluiden en geuren daarmee gepaard, en ook over uiterst gespecialiseerd onderzoek.
En toch, hoe boeiend bijvoorbeeld de paragrafen over neurogenese en celmigratie
( le Douarin e.a. ) of over de ontdekking (in 1982 !) van het belang van Ramon y Cajals visualisatie en identificatie van de zogenaamde interstitie cellen tussen glad spier- en nerveus weefsel in de myentersiche plexus, een observatie die lang miskend bleef omdat men het functionele nut ervan niet kon plaatsen in geldende modellen.
Als tekstboek is er op de "Second Brain" niets aan te merken; wat de bibliografische referenties betreft kan men echter vermoeden dat de afwezigheid ervan is ingegeven door de sensitiviteit van de data betreffende het pharmacopium ( een zaak van miljarden dollars ) waarrond veel van Gershons onderzoek is gesitueerd, en de bescherming van patenten die waarschijnlijk onder nauwlettende aandacht staan van juristen die aan grote farmaceutische bedrijven verbonden zijn. En op die manier dringt zich aan het bewustzijn van een verlichte amateur de gewaarwordding op van een onaangename beslotenheid.
Ik wil gerust aannemen dat niet iedereen daar aanstoot aan neemt en dat er meer mogelijkheden bestaan om toegang te krijgen tot detail betreffende het vorswerk dan enkel in een bibliografie en een index, maar hoe totaal anders dan de benadering van Bergland.

"The Fabric of Mind" kaapt zeker de hoofdprijs weg van beste bibliografie in mijn boekenkast, en is zeker de enige waaraan, in het tot stand komen ervan, zo'n interessant verhaal in verband met creatief bewustzijn kan worden opgehangen.

Eerst even vertellen hoe de bibliografie is opgevat: elk item is vergezeld van een korte beschrijving van de inhoud en de betekenis ervan voor het vorswerk.
Dit op zich sluit op een sympathieke manier aan bij het systeem van catalogeren dat Leibniz al had uitgedacht toen hij zich als bibliothecaris bij keizer Leopold aanbood.
Hij vond het overaanbod op de boekenmarkt zo kwantitatief verwarrend dat hij voorstelde elk boek te vergezellen van een korte beschrijving, zodat de lezer bij de eerste kennismaking al kon besluiten of het boek ook nuttig was.
Een tweede aspect is het eerbetoon dat Bergland op die manier bracht aan een groot medisch pionier van het neurofysiologisch onderzoek betreffende de hypofyse en het ventriculaire systeem: Harvey Cushing.

Behalve een briljant neurochirurg was Cushing ook een belangrijk historiograaf van de geneeskunde. Zo schreef hij bijvoorbeeld de (lijvige !) biografie van de grondlegger van de moderne Amerikaanse geneeskunde William Ossler, wiens hobby het was geweest een van de belangrijkste bibliotheken over geneeskunde ter wereld samen te brengen.
Alleen al met Berglands bibliografie bij de hand kan men zich wat van het belang van Cushing als neurochirurg voor de geest brengen.
Ik geef een voorbeeld:
- Cushing, H. "Removal of a Subcortical Tumour without Anaesthesia" Journal American Medical Association 1, p.847; 1908
[ The first description of a cortical map written two decades before Penfield ]
- Cushing, H. "The Pituitary Body and its disorders." Philadelphia 1912
[ Maybe the most important scientific book written by a modern surgeon.
It is there that Cushing gives his reasons for believing the Pituitary is the conductor of the endocrine orchestra]
Dit zijn 'historische verwijzingen' maar er waren er ook wetenschappelijk fascinerende bij zoals:
- Bradshaw, R. "Nerve Growth Factor" Annual Revieuw of Biochemistry 47, pp.191-216; 1978 [ Bradshaw describes how nerve-growth factor can penetrate cell membranes and be carried by retrograde axonal flow to the nucleus of the nerve cell ]

Het wetenschappelijke belang van zo'n verwijzing mag blijken uit Gershons beschrijving van het werk van David Grundy; waarvoor men dan wel eerst heel zijn boek moet doorploegen ( let op! dit is veel minder uitputtend dan voorgesteld,want Gershon schrijft met veel humor )

"Davids werk toont aan dat het afscheiden van serotonine in de mucosa niet alleen voor het signaleren van de peristaltische reflex in de darm, maar ook voor het zenden van berichten van de buik naar het brein belangrijk is.
David maakte opnames van zenuwen van zintuiglijke zenuwstrengvezels in de vagus die hij identificeert als dragers van signaaltrafiek vanuit de buik.
Hij kan de berichten van de buik opsporen als kleine elektrische storingen die door de zenuwen langs zijn elektroden lopen.
Gesofistikeerde computerbegeleiding laat hem toe signalen die voortkomen uit individuele axonen in de zenuwbundel te onderscheiden.
Davids werk toont helder aan dat de uitscheiding van serotonine in de buik zintuiglijke zenuwvezels in de vaguszenuw activeert en dat serotonine dat doet door het stimuleren van 5HT/3 receptoren.
Een enkele stimulus die serotonine uit de E.C.cellen doet afscheiden kan op die manier twee verschillende berichten naar twee verschillende recipiënten leiden door op de zenuwen in te werken die onderscheiden receptoren dragen.
Berichten bestemd voor de interne enterische consumptie worden geregistreerd door 5HT/1p receptoren, terwijl die bestemd voor het brein overgebracht worden door 5HT/3 receptoren (...)
De informatieve inhoud van die berichten van het darmstelsel naar het brein is nog niet helemaal gekend. Zij zouden nochtans de input kunnen bevatten die iemand onpasselijk, misselijk en uiteindelijk braakziek maken. "

Dit onderzoek is van belang voor het exploreren van het metabolische systeem van de zenuwgroei factoren, ondermeer de 'neuronpoëtische' cytokines ( Gershon, p.267 )
Cytokines zijn biologische moleculen die door de cellen gebruikt worden om te communiceren ( oorspronkelijk geïdentificeerd als leukines IL-1, IL-2 )
Van de cytokines is vastgesteld dat zij onder specifieke vorm de bloed/brein barrière doorbreken of via 'retrograde axonal transport' via directe zenuwroute naar het brein signaleren.
"
Injectie van IL-1 in de abdominale caviteit activeert de nucleus van het tractus solitarius, de voornaamste regio in het brein voor de ontvangst van viscerale zintuiglijke signalen."
( zoals opgetekend door Esther M. Sternberg en Philip W. Gold in " The Mind-Body Interaction in Disease " Scientific American Special Issue 'Mysteries of the Mind' vol 7,
no 1; 1997 )
Bekijk in dit verband ook eens aandachtig figuur 3.5B in Damasio ( 2003 )" Het Gelijk van Spinoza "

Ik wil mijzelf geen expertise aanmeten die ik niet bezit ( het is zo al erg genoeg ! ) maar ik herinner mij niet zo direct een verwijzing naar Bergland in de recente stortvloed aan publicaties over het brein. Omdat ik hem daarmee in gezelschap van reuzen weet ( Luria, Pribram e.a. ) maak ik mij daar zo geen zorgen over; goede wijn behoeft geen krans.

Met de werkzame vergelijking van beide boeken probeerde ik in de nabijheid te komen van een fascinerend stukje geschiedenis ( en waarvoor het gebruik van mijn moedertaal mij bijzonder goed van pas kwam )

6de fragment

" De cholera heeft geen plaats in de hersenen, want die hebben en houden hunne plaats; niet in de vier holen of de maag der hersenen, want dat ware een gewisse dood; niet in de slagaderen der voorzegde holen, want zij trekken geen sap tot hen dan alleen het zuivere bloed door het middelschut des herten (...) Ook en kan de cholera niet geplaatst zijn in de ranken der bloedaderen die op de dekvellen der hersenen geplaatst zijn, want de cholera zou daar zo schadelijk zijn als het uitgestort etter 't welk in weinig droppen doodt (...)

Maar dewijl in de gedurige koortse, enige dagen geduurd hebbende, is d'oorzaak omtrent de maag gans verrot en verslijmert; en dat daardoor een boze uitworp in de mage is geboren zo en is 't niet wonder dat de slag-aderen eenen stinkenden damp daarvan ontvangen, en door haar slag ten hoofde opblazen.

Ter oorzake van welke, zo merkt dat de Hypochondriale dolheid, manie, onzinnigheid, ijdelheid, delirium enz hebben haar nest niet in 't hoofd, maar beneden het spanvel omtrent de mage.
Nu is 't klaar en eenieder gelooft het bij zichzelve, dat de schrik zijn eerste en gehele indruk op de maag doet, dewelke verlet zijnde en maakt geen honger, zo men in bijna alle koortsen ziet.

De voorzegde onzinnigheden komen dan voort uit de onverduuwde drek der maag, 't zij in de eerste verduwinge, of 't zij in haar eigen, of in de derde door de welke haar eigen voedsel tot een bloedtarter is geworden.

Dus is alle hulp ten hoofde gedaan item alle aderlatinge onvast, onzeker en zonder grond of kenisse der oorzaken. 't Welke ten eerste de Schrifture Luc 24 getuigt, die niet zei dat "het gepeins" nederdaalt, maar "klimt op ter herten":ergo van een lagere plaats.

Ten andere zei Hippocrates, zo wie de aderen beneden het spanvel sterk slaat, 't zelve beduidt dolheden."

Zo schreef Jan Baptist Van Helmont, in zijn "Dageraad ofte Nieuwe Opkomst der Geneeskunst, in verborgen grond-regulen der Nature: van de Autheur zelve in 't Nederduits."
Ik nam de passage woordelijk ( met licht aangepaste schrijfwijze ) over uit het prachtige facsimile dat de Vlaamse Academie voor Geneeskunde van België in 1944 uitgaf naar aanleiding van de 300ste verjaardag van het overlijden van Van Helmont.
Van Helmont lezen is een wonderlijke ervaring waartoe een Vlaming over het middel der taal beschikt, wat hem een moeizaam doorworstelen van een uitgebreid Latijns oeuvre bespaart.
De inspanning wordt beloond door het gemak waarmee nadien een groot aantal vooroordelen tegenover de dokter kan weerlegd worden; de meest hardnekkige zijnde de opvatting over de archeën die hem wordt toegeschreven in de schaduw van Paracelcus.

Waarom zouden mens, dier en plant aan een sturende werkzaamheid der sterren onderhevig zijn, anders dan aan diegene waarvoor het uitspansel in het Scheppingsverhaal gemaakt was namelijk als hulpmiddel voor de tijdsbepaling:uur, dag en jaar, in extenso de seizoenen in hun natuurlijk voorkomen. Dat was de overtuiging van Van Helmont die trouwens o.a.
ook in " Dageraad ..." de sterrenwichelarij van Paracelcus scherp op de korrel nam.

" Laat ons dan alleen gedenken dat zo daar iets ter wereld komt bij de nature, dat het moet zijnen inwendigen drijver hebben, iets levends gelijk.
Zo, dat het alledings heeft een lucht in zichzelve die in het zaad vóór de baringe was, de geboorte bestierde, en het geborene ten einde, zijns veranderen gade slaat, beroert en beweegt.
Deze lucht schijnt openlijk uit het ene, dan uit het andere.
Doch allegader hebben ietwat waarmede zij deze haar gave betuigen, elk naar zijn vermogen en verdrag.
Deze levende lucht, zetel van alle vermogen, noemen wij archeum, d' uitwerkende oorzake, de smid, en het 'naaste lijf des zaads'; hij draagt in hem het beeld zijns voorzaats naar wiens stieringe zich zelve voegend hij volbrengt der geschiedenissen de predestinatie of de beeltenisse zijner geboorte.
Dit beeld in de levende lucht van de archeus is het ware zaad, zulks dat de archeus bestaat uit de verzameling van een levende lucht, als stof, en van het voorgeschreven beeld als geestelijk zaad: alle zichtbare zaden zijn maar de houwe of de sloester van het oprecht, levend en inwendige zaad (...)
In alle zaden dan woont een algemene bestuurder die de toon houdt, zo lang het bestier des levens (zich) weert in 't geboren worden: want alle lijfelijke daad eindt ten lijve.
zo is 't dat de Archeus, moetende 't lijf bestieren, zich zelve bekleedt en trekt een lijfelijk wezen aan: namelijk de Archeus in de mens doorwandelt zijn 'lijf des zaads' en aanvangt daaruit een mensenlijf te maken.
Hij verandert de stof waar hij in is naar zijn beelds inhoud.
Hier maakt hij en stelt hij het herte, daar de hersenen etc en in elke lede stelt hij , geeft uit zijne algemene Monarchie, een vaste onbeweeglijke inwoner, die in elken oort daar wordt besonder, en als zulks daar blijft, bezorgende en bestierende alle einden der beschikkingen tot in den dood."

Zo beschreef hij het principe in het vijfde hoofdstuk:" Van de inwendigen werkmeester der zaden."

Op een of andere manier moet daaruit de latere overlevering zijn ontstaan dat Van Helmont de archeën als vaste entiteiten in het lichaam beschouwde.
Zelf begrijp ik dat de Archeus 'het oord der leden' voorziet van de onveranderlijke bestemming der organen: het hart wordt geen maag, de longen geen nieren enz.
Maar vooraleer ons over de 'typewerking' der ondergeschikte archeën te buigen is het nodig Van Helmonts beschrijving van de 'Archeus' als 'lucht' te onderstrepen.
In zijn observaties in zijn laboratorium had hij lucht uit water 'gas' zien maken; hij was de eerste om de term gas te gaan gebruiken ( "dat is eenen griexschen water-chaos")
Aan de "gasmaking" verbond hij nog een ander idee, dat evenmin als "archeus" in latere commentaren lijkt te zijn begrepen.
Laten wij hem opnieuw zelf het woord:

"
(...)zo weet dat de sterren ons zijn tot tijden, dat is tot verandering des lochts en weders: dat de makinge der tijden is de makinge des gas en aller meteoren.
De sterren hebben hiertoe tweederhanden beroerten, d'ene is de stedelijke beroerte ( i.e. de geometrische - noot Jacky ) en de tweede is de veranderinge of anderheid, makende dat de stedelijke beroerte, die ons door 't gesternte voorkomt, is een drijvende macht die wij 'Blas' heten, en strekt grotendeels tot winden en drijvende locht, beroerende dan locht en wateren met verscheidene onweders.
Tussen d'aarde dan en de hoogte der lucht, tot daar hij onbeweeglijk staat, zijn verscheidene lagen of gangen des luchts.
Nu is der sterren eigendom ( i.e. hun verandering - noot Jacky ) d'een, nu d'andere laag der lucht tot blas te baren. Nu in de hoogte, nu in de dwerste en lengte der lagen te drijven zijnen blas. Den zelve door de kronkels en sluizen der lucht nederwaarts te sturen, roeren en bewegen, naar het gebied der schepping bestelt.
Voorts also lucht, water en aarde in hare plaats gerust zijn, zonder verzoek tot verdere beweging, en dat het van node is tot het leven en gerief der mensen dat in de drie een stedelijk roeringe ware, zo heeft 't de Heere belieft de blas te stellen als een levende, heersende, en roerende kracht de gebiede des monds niet zeer ongelijk ( let op de metafoor, visualiseer de 'levensadem' - noot Jacky ) opdat het licht der sterren als levensgetuigenis geven der genade Gods." (op.cit. p. 102 )
"
(...) doch alzo 't gesternte was voor de schepping der dieren, zo is 't betamelijk dat der dieren inwendige blas volge 't bewegen der sterren, niet als der dieren dadelijke roerders, maar wel alleen gelijk men volgt der Postiljoens of der leidsmannen voetstappen uit vrijen wil, zo ook volgt het hart de zon, 't hoofd de maan etc, elkeen maakt zijnen blas op 't voorbeeld des verloopende gesternte: den welke alleszins daarom ook hemels is, van wegen dat hij volgt der hemelen voorgang, zo in der dagen vorigheid als in der schikkinge in nature.
Maar zoveel raakt den blas, die door de wil der gedierten is tot stedelijke roeringe, de zelve en hangt uit de voorhang der hemelen niet, noch en volgt hunne roeringe niet: om ons te betuigen dat alle roeringe der dieren, zo natuurlijke als williglijke, vrij staat,en niet en is oorzakelijk uit de sterren, noch door de sterren; door dien alle vleselijke geboorte bestaat uit de wil des vlees en niet uiten willen des hemels of der sterren: en dewijl alle vleselijke geboorte heeft haar eigen blas, die dient tot de nooddruft al harer einden, vlietende uit den beginne zijns wezens, 't welke is de wil ..."

Het is hier niet de plaats om een debat te openen over het principe van vrije wil; de passages dienen om aan te tonen dat het 'vitalisme' van Van Helmont op "grond-regulen van de Natuur " en niet op sterrenwichelarij was gebaseerd.

Samengevat is Van Helmonts theorie de volgende: het levende principe in de organische materie (archeus) beschikt over een subtiele stoffelijke samenstelling (gas) en een dynamische stroom van verandering (blas) waarmee organische ontwikkeling en ziektetypes kunnen begrepen worden.
( lees misschien: archeus, genetische predispositie; gas, microbiologische samenstelling;
blas, circadische ritmes in de ontwikkelingsbiologie )

In de spijsvertering vond Van Helmont het stelsel waarin zijn theorie met vrucht kon worden geobserveerd; maag, dunne darm en dikke darm toonden drie "verduwingen"
(wat geen slechte woordkeuze was - zie Gershon) drie fasen van bloed of drekvorming, met elk hun pathologische symptomen.
Van Helmont schreef boeiende bladzijden "over de winden der mensen", waar het ging over de geur van de gas samenstelling in relatie tot veranderingen in het dieet; men stelt zich voor dat veel 'dokters' in het prozaïsche snuiven niet het volle gewicht van hun intellectuele grootheid konden zien; er zullen er altijd wel zijn die het niet begrepen hebben op eenvoudige boerenrecepten voor eenvoudige aandoeningen zoals Van Helmont die niet naliet aan te prijzen. Voor zulke 'propere' dokters brak er een (zeer lange) tijd aan waarin Van Helmont met vrucht opzij geschoven kon worden.

In zijn enthousiasme had hij immers, bij wijze van aanschouwelijk maken, de 'animus sensitivus ' ( voor mijzelf vertaal ik dat in 'de bezieling genaamd gevoel' ) een zetel in het epigastrium toegewezen.

Dit leek alsof men de kroon die hoofd en brein diende te sieren voorlopig op de W.C.pot had gezet.
Een visionair historicus in de geschiedenis der ideeën stelde ooit
"met meer juistheid dan smaak" voor een van Descartes modellen voor de mechaniek der bewegingen het 'flush-toilet' model te noemen. ( Julian Jaynes in:"Animate motion in the 17th century". Journal History of Ideas 1970:31; pp. 219-234/quot:p.225 )
"Hij (Descartes) dacht dat hij in zijn dissecties had ontdekt dat er een draad liep door het centrum van de zenuw. Dus overwoog hij dat de zintuiglijke organen bij stimulatie inkrompen en zo aan de draad trokken die door de zenuwpijp helemaal naar het brein liep waar hij een klepje opentrok wat toeliet dat de animale vloeistoffen naar beneden terugstroomden en zo de spieren oppompten."

Het is maar hoe je het bekijkt natuurlijk ... of neen, het is niet
maar hoe je het bekijkt.
Het bekijken is de hoofdzaak !

"Het echte overbrengen ( 'eu metaphorein') is de faculteit van het zien van gelijkenissen
( 'to homoion theorein') zei Aristoteles in zijn Poetica." ( zoals geciteerd door Ernesto Grassi :"The priority of common sense and imagination: Vico's philosophical relevance today " in "Social Research" vol 43, no 3 Autumn 1976 )

Er is nog heel wat te vertellen over metafoor in de theorie van het bewustzijn.
Ik noemde Julian Jaynes zopas niet uit het ijle een visionair, maar volg mij gewoon naar het verleden en kijk mee in Van Helmonts laboratorium en zie hem lucht uit water doen opborrelen, of zie hem zelfs scheten laten in een badkuip. Vermoedelijk leerde dat laatste hem meer over de samenstelling van gas dan zijn beschrijving en benoeming van gas als chaos gevormd door lucht en water prijsgeeft.
Zelf zie ik hem in een wolk tabaksrook blazen om de veranderende invloed van de 'blas' te testen ('nu in de hoogte, nu in de dwerste en lengte des lagen (...) een roerende kracht den gebiede des monds niet ongelijk') en tezelfdertijd
"zie" ik de etymologie van het voor zo velen geheimzinnige 'blas', gewoon van het Vlaamse "blazen" - blas, de ademtocht, scheppende door verandering.
Maar bovenal zie ik in de bladzijden van zijn tekst wat Van Helmont zelf, anders dan zijn voorgangers, en zeker in de stevige ironie van zijn kritiek op Paracelsus, bedoelde met 'scheidkunde' en 'geneeskunst'.
"
Ik schrijf dit in mijn vaderlandse taal, opdat mijn naasten in 't gemeen daarvan genieten, verstaande dat de waarheid nergens naakter verschijnt dan als zij van elk sieraad ontbloot is." ( Van Helmont in zijn voorwoord tot "Dageraad ... ")
Met naasten in 't gemeen bedoelde hij niet de geleerde dokters, die alles met aderlatingen en purgeermiddelen te lijf gingen, inclusief het schurft dat hij ooit opliep en dat uiteindelijk door een ordinaire zwavelzalf van en kwakzalver werd genezen.
Hij had zijn theorie aanschouwelijk gemaakt voor de 'gewone' man, toegankelijk voor wie ook uit zijn naaste omgeving zich geroepen voelde het pad der wetenschappen te betreden.

7de fragment

Van Helmonts werk werd kort voor zijn dood uitgegeven door zijn zoon Franciscus ('Suske') Mercurius ( 1614-1699 ): de lijvige "Ortus Medicinae", de bundeling van zijn Latijnse verhandelingen; de "Dageraad ...", Van Helmonts eigen volkse samenvatting van zijn denken en doen.

Na het behalen van zijn dokterstitel te Leuven (1599) had Van Helmont Europa doorkruist om zich pas in 1605 te Brussel, later te Vilvoorde (1609) te vestigen.
In 1621 werd te Parijs, zonder zijn toestemming, zijn 'De Magnetica vulnerum curatione', over de genezende eigenschappen van het dierlijke magnetisme, uitgegeven.
Het werkje werd onmiddellijk door de gevestigde orde scherp veroordeeld en was er de aanleiding toe dat de Inquisitie hem kritisch begon te volgen, wat in 1634 tot zijn arrestatie leidde, en tot het huisarrest tot aan zijn dood. Twee van zijn kinderen stierven in 1635 aan de pest omdat het hem niet was toegestaan hen buitenshuis te gaan verzorgen.

In 1624 ging er een schokgolf door de Parijse wetenschapskringen.
Jean Bitaud en Antoine de Villon, bijgestaan door de Chemicus Etienne de Clave, hadden een publieke hoorzitting voorgesteld ter veroordeling van de Aristoteliaanse opvattingen over materie en vorm, gekoppeld aan een kritiek op Paracelsus' basissamenstelling der materie uit kwik, zwavel en zout ( de 'tria prima' ) en de verdediging van het atomisme: de samenstelling der materie uit ondeelbaar kleine deeltjes.
"Mordicus defendemus et intrepidi sustinemus ... "
Het 'mordicus' kreeg een wrange bijklank toen hun bijeenkomst ontbonden, een organisator aangehouden, de thesen verbrand en het verbod uitgevaardigd werd verder nog iets in die zin te propageren op straffe van de dood.

Aan de basis van de controverse lag de confrontatie van twee denkbeelden: bij Aristoteles zijn de substantiële vormen een creatie uit het niets ( creatio ex nihilo ) die in het niets terug ontbinden; de atomisten hielden aan het axioma van Lucretius in zijn "De rerum natura ", niets ontstaat uit het niets ( nihil ex nihilo ), alles ontstaat uit een onbegrensde voorraad atomen waarin de vormen terug ontbinden.
In de volgende decennia zou de discussie rond de atoomtheorie bovenaan de wetenschappelijke agenda staan, zodanig dat tegen de tijd dat Robert Boyle (1627- 1691) in 1661 "The Sceptical Chymist" publiceerde, het atomisme als een acceptabele theorie gebruikt kon worden zonder telkens op het bewijs der atomen te moeten terugkeren.

Boyles theorie wordt beschreven als een mechanische theorie exclusief gebaseerd op 'materie' en 'beweging'.
Zelf herken ik in Boyles theorie de echo van Van Helmont.

In Van Helmonts theorie van de natuurlijke opbouw der materie waren er twee basisgegevens: water, en een ferment als begin der lichamelijke oorzaken.
Boyle verstond dit water te beduiden het water uit de Genesis, geen element maar "een grote variëteit aan seminale principes, rudimenten, en andere deeltjes die geschikt waren daardoor onderworpen te worden.( "A Sceptical Chymist" geciteerd in H.Brock:"Fontana history of Chemistry" 1992 )
Gassendi (1592- 1655) die met zijn "Philosophiae Epicuri Syntagma" mede aan de basis der atoomtheorie lag, had de natuurlijke opbouw laten afhangen van
"seminale deugden" (des vertues seminales )die "de deeltjes samenpassen en hen eenduidend vorm geven".
Seminale principes, Van Helmont noemde ze Archeën ( archè, principe ) inwendige werkmeesters der zaden.

Na 1650, en later, meer direct na 1670, als zijn zoon Franciscus Mercurius zich als persoonlijke arts van Lady Conway vestigt, kent Van Helmonts werk een grote invloed in Engeland; meer bepaald op de wetenschappelijke kring waaruit de Royal Society ontstaat.

De voornaamste tegenspeler op dat ogenblik is, via zijn aanhangers, René Descartes, die drie graden van materie onderscheidde: een aardse, een hemelse die de interstities van de vorige opvulde, en een subtiele die de overgebleven ruimte innam en alles volgens de aard van de geometrische basisvorm der minima ( respectievelijk: onregelmatig, solide en massief, lang en dun )in elkaar liet grijpen.

Haast onmiddellijk na het verschijnen van zijn thesen wordt Descartes' filosofie 'more geometrico' bekritiseerd ( Leibniz, Vico ); een kritiek die zich met inbegrip van Van Helmonts 'vitalisme' ontwikkelt tot een welomschreven theorie van de levensvorm (inclusief het bewustzijn ) met een hoogtepunt in de "Romantische" wetenschappelijke richtingen zoals antropologie en psychologie: wetenschappen van het creatieve bewustzijn ...

De persistente maar onterechte mening om Van Helmont en Paracelsus steeds naar een zelfde spagirie terug te brengen heeft Van Helmont uit het raamwerk van de belangrijke fysische, chemische en fysiologische ontwikkelingen te Oxford ten tijde van Boyles vormingsperiode (1655 - 1668) verdreven; ook in de moderne geschiedenis lijkt " De Man Voor Wie De Hersenen Aan De Zintuiglijke Bezieling Der Maag Ondergeschikt Waren." als niet langer kritische aandacht behoevende te worden beschouwd.

"In 1625, als het gevolg van Helmonts controversiële advocatie van de 'wapenzalf-behandeling' waarin het wapen en niet de wonde werd behandeld, werd hij als ketter aangegeven door de Inquisitie en bracht hij de rest van zijn leven onder huisarrest door."
zo vat William H.Brock Van Helmonts biografie samen in de "Fontana history of Chemistry" ( een werk dat overigens zeer te genieten valt )

Eerder dan een vinding door Van Helmont, die het fenomeen waarschijnlijk kritisch beschreef in "De Magnetica ...", was die 'wapenzalf' het onderwerp van een heuse polemiek geweest.
Robert Fludd, een Engels Paracelsiaan uit de eerste helft van de 17de eeuw, bracht het fenomeen ter sprake in de context van magnetisme en werd daarop scherp aangevallen door een geestelijke, William Foster ( in "Hoplocrisma Spongus or , a Sponge to wipe away the Weapon Salve"-1631 )die de 'hekserij' van het systeem aan de kaak stelde, en niet alleen Paracelsus - de oorspronkelijke auteur - maar een hele hoop medeheksen: Croll, Porta, Cardan, Burgravius, Goclenius, Van Helmont, Fludd en ... Sir Francis Bacon (!), als advocaten van de zalverij aanduidde. ( zie Debus: "The English Paracelsians" )
De beschrijving van wapenzalf, door Daniël Sennert ( "The Weapon Salve Maladie"- 1637) als zijnde
" magnetische aantrekkingskracht veroorzaakt door de Sterren, door mediatie van de lucht aan de wonde toegevoegd zodat de Spirituele Operatie effect krijgt" staat zo diametraal tegenover Van Helmonts opvattingen, getuige bijvoorbeeld de onmacht van siderale oorzakelijkheid zoals hij die in de scherpste termen neerzet in verband met de behandeling der Pest in het tweede deel van " Dageraad ..." dat het zeer moeilijk wordt hem advocatie van 'wapenzalfbehandeling' toe te schrijven. ( de dramatiek wordt verhoogd als wij kennis nemen de omstandigheden rond het overlijden van zijn twee kinderen in 1635)

Gelukkig heeft Van Helmont, behalve zijn zoon, een wijs leerling gehad in Franciscus Sylvius (1614 - 1672), professor Medicijnen te Leiden (1658 - 1672), naar wie bijvoorbeeld William Brock (op.cit.)de theorie der spijsvertering kon terugvoeren met de specificatie:
"voor Sylvius was dit een natuurlijk chemisch proces, zonder archeus, bovennatuurlijk of astraal mechanisme of transformatie "
Voor Van Helmont was het proces even natuurlijk ( cf. supra ), met zijn introductie van de Archeus als inwendige werkmeester der zaden had hij evenwel geprobeerd bepaalde termen van zijn theorie door een metafoor aanschouwelijk te maken.( zoals Dawkins later zou doen met zijn 'zelfzuchtig gen')

Onder de artsen die de inzichten van Sylvius in hun eigen werk integreerden noemt men Thomas Willis, die in zijn "De fermentatione" ( 1656 ) noteerde dat hij er geen bezwaar tegen zou hebben moest blijken dat chemische en atomale inzichten een geheel vormen (Newtons Herculiaanse worsteling met de Alchemie is hier waard en passant vermeld te worden) zelf was hij teveel clinicus om zich op de filosofische aspecten van die these toe te leggen. Zijn bijdragen tot zijn eigen vakgebied zijn monumentaal en werden in 1820 nog geprezen door de grote anatomist Karl Friedrich Burdach.

De hoofdmoot van zijn werk bestaat uit:
- 1664: "Cerebri anatome: cui accessit nervorum descriptio et usus", Londen
- 1667: "Pathologiae Cerebri", Londen
- 1670: "Affectiorum quae dicuntur hystericae, et hypochondriacae pathologia spasmodica vindicata", Oxford
- 1672: "De anima brutorum,..."waarvan in 1683 een Engelse vertaling verscheen:(ik vertaal)
"Twee discours betreffende de ziel der bruten, hetgeen de vitale en zintuiglijke is van de mens. De eerste is fysiologisch, tonende de natuur, de onderdelen, machten en affecties ervan. De andere is pathologisch, hetgeen de ziektes ontrafelt die haar treffen, en zijn primaire zetel: te weten, het brein, het zenuwstelsel, en hoe genezing wordt behandeld."

Willis was in 1621 te Oxford geboren waar hij zich in de artsenij vormde en zich in het universitaire millieu integreerde tot hij in 1667 naar Londen verhuisde, waar hij verbleef als best betaalde dokter van zijn tijd tot aan zijn dood in 1675.
In 1645 was hij met zijn praktijk gestart.
In 1659 liet hij zijn "Diatribae duae medico philosophica ... " verschijnen, een dubbeltractaat waarvan het eerste luik handelde over "de gisting of de eigenlijke beweging der darmen"
(de motu intestino particularum) het tweede over de koorts.

In Oxford behoorde Willis tot de vriendenkring, met o.a. Robert Boyle, Christopher Wren en John Wilkins, die zich de "Virtuosi" noemden. Zij vormden een soort club rond het in bedrijf houden van een gemeenschappelijk laboratorium met een onder de leden roterende supervisie over het werk in uitvoering.
Als Warden van Wadham College zou John Wilkins in 1660 mede aan de oorsprong van de Royal Society liggen.

Zoals wij zagen werd de wetenschapsfilosofie overheerst door enerzijds Descartes, via het werk van zijn leerlingen, Regius, Hooghelande, Mersenne, ttz. de cartesische corpusculaire geometrie; anderzijds door het epicurische atomisme van Gassendi.

Willis onderscheidde vijf 'principes': geest, zwavel, zout, water en aarde.
Die drukte geen homogene substantie uit maar categorieën van deeltjes: de geestelijke deeltjes (of moet ik zeggen 'geestrijke' naar de tweede betekenis van 'spirit', sterke drank )
gedroegen zich uitermate subtiel en actief, hetgeen een binding met de zwaardere noodzakelijk maakte; er was een constante beweging in de populatie nodig om hun rijping door warmte mogelijk te maken.
Er waren twee zielen: de rationele en de animale, lichamelijke; die hadden een vitaal aspect in het bloed (fermentatio), een zintuiglijk aspect in het zenuwstelsel (commutio).
Aarde en water waren passieve matrijzen met een doorslag naar vast en vloeibaar.
De deeltjes van verschillende 'principes' vormden 'copula' die de chemische eigenschappen verenigden van hun samenstellende bestanddelen.
Die versie maakte volgens Willis mogelijk dat 'scheidkunde' de principes van natuurlijke filosofie aantoonde terwijl de 'Epicurische hypothese' die enkel veronderstelde.

Met die inzichten begon Thomas Willis zijn 'Sedleian Lectures' die via zijn leerling-medewerker Lower zo'n sterke invloed op de jonge John Locke zouden uitoefenen: de natuur van het leven, zintuiglijkheid, beweging, narcotica, voeding, convulsie, epilepsie, hysterie, slaap en waken, nachtmerrie, coma, duizeligheid, verlamming, delirium, frenesie, melancholie, manie, stupiditeit, cerebrum, cerebellum, zenuwstrengen ... het waren slechts enkele van de onderwerpen die hij behandelde.

In 1661 noteerde John Ward dat " Dr Willis lezing over de nerveuze succus ging en dat de dokter zijn twijfel uitdrukte over de nutritieve functie die aan de zenuwsappen werd toegeschreven".
Het was precies op dat moment dat Willis met hulp van Lower, John Wallis, Thomas Millington en Christopher Wren, die zou tekenen voor de illustraties bij " De Cebreri anatome ", had aangevangen met de intensieve anatomie der hersenen in de grootst mogelijke verscheidenheid van hun verschijning: van de kip tot en met de aap en de mens.
Zo had hij ontelbare keren het reservoir der ventrikels kunnen aanschouwen, hetwelk Van Helmont zo plastisch de 'maag der hersenen' had genoemd.

Willis onderscheidde drie functionele systemen:
1) cerebrum, corpus callosum: het geheugen.
2)cerebellum: onvrijwillige actie zoals hartslag, ademhaling en (via de vagus)digestie.
3)medulla oblongata en ruggenmerg

Zowat alle onderwerpen behandeld in de Sedleian Lectures waren teruggebracht naar zenuwfuncties in de hersenen.

We hoeven Willis' bijdrage niet te zeer in detail te beschrijven. Het voornaamste is dat zij de splitsing introduceert in de studie van de zenuwfuncties, meer bepaald de suprematie van de hersenen als centrale zetel van de hogere zenuwfuncties, die zich heeft ontwikkeld tot de huidige beschrijving van de psychologie van het zintuiglijke bewustzijn in termen van 'functionele specialisatie', met als dramatisch hoogtepunt de spectaculaire ontdekking van Bogen, Sperry en Gazzaniga in de jaren 1970

Maar deze vaststelling is geen ultiem besluit, enkel het aanvangen van het belichten eerder van een tegenstroom die Van Helmont ons aanwijst en waaruit de psychologie van de complete levensvorm zich heeft ontwikkeld tot de antropologie van het creatieve bewustzijn in de natuurfilosofie van J.C.Wolff bijvoorbeeld, in de "Nieuwe Wetenschap" van Giambaptista Vico of in de coenaesthetische psychiatrie van Ch.Reil; allemaal elementen in een aangehouden kritiek op het substantiële onderscheid tussen lichaam en ziel bij Descartes en zijn wanhopige poging het bewustzijn als een lokaliseerbare hersenfunctie te verklaren.

Laat ik echter heel duidelijk stellen dat ik hier Willis' beschrijving der hersenfuncties niet beschouw als een Cartesische geloofsbelijdenis: zijn smokkelroute voor de vitale ziel in het bloed als luik in zijn dubbele beschrijving van de 'animus sensitivus' leek hem te hebben voorbestemd om - had dit mogelijk geweest - met open geest de tribulaties van de Romantische geneeskunde te benaderen, in haar filosofische bedenkingen bij de 'duum virus' bijvoorbeeld, zoals Van Helmont die 'animus' had genoemd: aards in de gastrische oprispingen van zijn lichamelijke zetel, spiritueel in de aard van zijn subtiele binding.



Achtste fragment

Het debat dat Terence Deacon met zijn integratie van het Baldwin effect in zijn theorie over de co-evolutie van taal en brein aanving is in 1999 voortgezet in een week lange conferentie aan het Bennington College waarvan de bijdragen zijn gebundeld in “Evolution and Learning – The Baldwin Effect reconsidered.”
(Bruce Weber, David Depew ed. M.I.T. press 2003)
Daar verdient het artikel van de ontwikkelingsbioloog Scott F.Gilbert (The Role of Predator-Induced Polyphenism in the Evolution of Cognition: A Baldwinian Speculation – in op.cit.) aandacht voor zijn these dat het neuraal systeem en het immuun systeem slechts twee componenten zijn van hetzelfde geïntegreerde netwerk: de neuronmodulators van het neuraal systeem beïnvloeden het immuun systeem, de cytokynes van het immuun systeem beïnvloeden het neuraal systeem.

“Interleukine-2 (…) kan als neurotrope factor fungeren. De hypothalamus is rijk aan IL-2 receptoren, en muizen met een genetisch defect voor IL-2 synthese vertonen een vermindering van de mosweefsellengte in de hippocampus en een tekort in ruimtelijk leren en geheugen (…) Interleukine-1 receptoren zijn ook aanwezig in de hypothalamus, en IL-1 is in staat diverse effecten in het centraal zenuwstelsel teweeg te brengen inclusief koorts en lethargie. IL-1 is ook aangetoond in de hippocampus waar het een rol lijkt te spelen in lange termijn potentiatie. (…) alfa endorfines verminderen de immuunrespons afhankelijk van T-cellen, beta endorfines verhogen de respons van T-cellen en T-cellen prolifereren door serotonine…” (Scott F.Gilbert in loc.cit.)

Opnieuw zien wij dat de fysiologie van het mentale domein niet zo eenduidend in het brein te zoeken is. 

Er is nog een andere factor die dat duidelijk maakt.

 

Sinds kort spreekt men over de integratie van de glia-cel component in het informatienetwerk van het brein. Behalve een soort lijmfunctie (glia=lijm) voor het bij elkaar houden van het zenuwstelsel kon men de glia-cellen tot voor kort niet bijster veel toeschrijven (vgl. Valentino Braitenberg: “The structure of brains”    )

Nu heeft men echter ontdekt dat zij ook in staat zijn breinspecifieke informatie via hun eigen netwerk over te dragen.

De eigenlijke neurale signalisatie door middel van de neurotransmitters waarvoor de glia-cellen geen receptoren hebben wordt aangevuld door een calciumsignaal dat ondermeer de enzymen activeert die neurotransmitters produceren. 

ATP receptoren op astrocyten (stervormige glia-cellen die met hun uitstulpingen de synaptische kloof raken) regelen het openen van ionenkanalen in het celmembraan –er zijn ook ATP sites op het celmembraan van het neuron- en de influx van calcium. Het verhogen van het calciumniveau leidt tot het loslaten van ATP uit de cel wat aanleiding geeft tot een kettingreactie van ATP over een populatie van astrocyten.

ATP (Adenosine triphosfaat) is geen breinspecifieke molecuul, maar heeft wel een verschillende specificiteit in het perifere zenuwstelsel –inhibitie van glia-cel proliferatie rond axonen- en in het centrale zenuwstelsel –stimulatie van celproliferatie.

“Adenosine is de eerste substantie afgeleid van een axon die myelinatie –bescherming van het axon- stimuleert (…) door het vuren in communicatie met andere neuronen kan een axon, door middel van het calciumsignaal, het aflezen van de genen in de glia-cel in gang zetten en op die manier het gedrag –het stimuleren van myelinatie bvb.- ervan beïnvloeden.” (      )
Het drievoudige model van het breinsignaal: axon (presynaptisch) / denrietisch (postsynaptis)  / astrocytisch (gliaal) staat dus voor een zelfregulerende, zelfherstellende plastische functie van het brein.

Bijzonder is de inbreng van de molecule die par exellence de celwerking van het complete organisme bestiert: ATP dat evenals calcium door organische ingestie uit het milieu betrokken wordt.

Verder is er het feit dat de adenosine component bekend staat als een bijzonder instabiele genetische factor in het licht van de groeiende aandacht voor epigenetische ontwikkeling.

Zo is er de adenosine naar guanine mutatie die als verantwoordelijke is aangeduid voor het merkwaardige erfelijkheidspatroon van de “callipyge” variant van het schaap (i.e. een schaap met een uitzonderlijk proteïnerijk achterkwartier – Michel George 2003)

Zo mogelijk nog boeiender is de afwijkende frekwentie van de adenosine naar inosine mutatie die is vastgesteld op een breinspecifieke site: Alu elementen in niet coderende RNA sequenties (die Alu komen enkel in de hersenen van primaten voor – Erev Y.Levanon 2004)

“Een intrigerende mogelijkheid is dat de kolonisatie van de primaat afstammingslijn door Alu elementen een nieuw niveau van complexiteit in het RNA proces aanbracht dat het programmeren van het neuraal circuit toeliet meer flexibel en dynamisch te worden. Een versatiliteit die de basis kan gelegd hebben voor de emergentie  van geheugen en kennis van hogere orde in de menselijke soort.” (John S.Mattick in Scientific American 2004)
Het calcium/ATP systeem van informatieoverdracht tussen de cellen is uitzonderlijk mobiel over het complete organisme en dus een factor van de eerste orde onder epigenetische druk in de ontwikkelingsbiologie.

John S.Mattick noemt epigenetisch fenomeen: het celgeheugen van de ontwikkelings- geschiedenis en het effect ervan op de courante gen-activatie status.

(in: “Challenging  the dogma: the hidden layer of non-protein-coding RNA’s in complex organisms” Bio Essays 25:930-939 2003 Wiley)

De niet coderende RNA sequenties, het overgrote deel van het genoom dat in tegenstelling tot het DNA niet voor proteïnes codeert maar toch de genexpressie beïnvloeden, ontsnappen aan de meestal geldende 1 gen / 1 proteïne modellen van phenotypische ontwikkeling en bevatten de flexibiliteit en de plasticiteit die het mogelijk maakt een aangeworven kenmerk in het celgeheugen in te schrijven.
Dit is zonder meer een paradigmatische revolutie van de eerste orde.
Vandaar de niet zo triviale aandacht voor Baldwin en Lamarck, namen die anathema zijn voor het neodarwinisme. (zie: “Lamarcks Signature

Vandaar ook de groeiende nood aan een herbeschrijving van het mentale domein.

Zonder er dieper op in te gaan enkele sleutelbegrippen: Antonio Damasio’s somatic marker theorie; Peggy la Cerra en Roger Bingham’s adaptive representational network / life history regulatory systems – lees ook Raymond Ruyer en Jean Piaget.

Een punt in het debat over het dogmatische darwinisme versus de school van de epigenetische flexibiliteit is dat de epigenetische input, ttz. datgene wat niet in het DNA genoom is ingeschreven maar na reproductie verworven is, nooit van die orde van grootheid is dat het een betekenisvolle rol kan spelen voor de natuurlijke selectie.

Dit kan gelden voor bepaalde aangeleerde (culturele) factoren die niet in staat zijn tegen de natuurlijke druk van de selectie in te gaan, maar is niet het geval voor biologisch verworven factoren als AIDS of Gekke Koeienziekte waarvan de fixatie in het genoom zich misschien hier en nu afspeelt, begeleid van een mentale aanpassing die zich in de cultuur van onze soort inschrijft. Scott F.Gilbert vestigde de aandacht op een mogelijke bijdrage van immuundeficiencie in de ontwikkeling van autisme in sommige families (cf.supra.Loc.cit.) John S.Mattick merkt op dat in verband met het documenteren van niet coderende RNA sequenties is aangetoond dat een van de loci op het genoom geassocieerd met autisme een omvangrijk niet coderend RNA inschrijft (in: “Challenging the dogma.” C.f.supra)

 

In het domein van het stamcellen onderzoek vinden wij een aanwijzing hoe wij ons de aanzet tot een celgeheugen kunnen voorstellen.

“ Het vrijkomen van calciumionen in precieze pulsen gelijk een metronoom die muziek bijhoudt, speelt een belangrijke rol in de associatie van de eicel.

De calciumionen doen dienst als ‘second messenger’ in het cytoplasma en brengen op een bepaalde manier het ontplooien van andere opgeslagen componenten teweeg.

(…) Alhoewel er nog veel details onbekend zijn is het duidelijk dat de calciumpulsen moeten voorkomen in voorzichtig tijdsbepaalde intervallen gedurende een periode van een aantal uren om de activering van het ei te onderhouden. Het is alsof elke puls verantwoordelijk is voor de activering van componenten waarvan de activiteit voorafgaande gebeurtenissen moet volgen en functies vervult die essentieel zijn voor de daaropvolgende.” (Kiesling, Anderson 2003: “Human Embryonic Stem cells” )

 

Het kan indrukwekkend zijn zich voor te stellen dat deze calciumpuls een echo nalaat in de complete ontwikkeling van het organisme; een geheugenreferentie in toon met de voortgezette ‘hartslag’ over een afstammingslijn die naar de oorsprong van het leven zelf teruggaat… en dat voor elk calciumsignaal in elke cel ongeacht haar specialisatie.

Dan wordt ofwel de intuïtie die zich het geheugen voorstelt als een melodisch golfdomein uitgedoofd ten voordele van kwantitatief beschrijvende structurele patronen –die soms letterlijk de vorm van een traliewerk aannemen- of zij zoekt haar heil in de muziek der sferen of de taal der vogels; in geen geval echter verdwijnt de vrijheid te proberen een beeld te vormen van wonder na wonder na wonder…

 

Negende fragment

 

“Breinfysiologen hebben aangetoond dat het zenuwstelsel spectraal analyseert en dat bovendien de input verdeeld en opgeslagen wordt in het transformdomein op de wijze van een holografische opname. En fysici hebben gesuggereerd dat een op holografie gelijkende orde heel wel de microstructuur van de fysische wereld kan karakteriseren. In dit domein zijn ruimte en tijd “ingeplooid”, alleen de dichtheid van de voorvallen is weergegeven. (‘ingeplooid’,enfolded –zie David Bohm: ”Wholeness and the Implicate Order” maar ook Gilles Deleuze “Le Pli: Leibniz et le baroque” –ed. de Minuit 1988- Karl Pribram in de hier geciteerde tekst: “The Cognitive Revolution and Mind/Brain Issues –American Psychologist, May 1986” verwijst naar Leibniz’ monadologie als holografisch) Beschrijvingen van dit domein en andere gelijkaardige ordes die rekenschap geven voor de moderne fysica schijnen merkwaardig gelijkend te zijn aan de beschrijving door mystici van paranormale of religieuze ervaringen. Daarom stel ik voor dat de dualiteit tussen het domein van normale dagdagelijkse verschijnselen en het transformdomein de bekommernissen van de mentalisten en de dualisten ondervangt en rekenschap geeft van wat tot nu toe onbegrijpelijk was op een precieze mathematische wijze.”

Pribram was tot het holografisch model voor de hersenwerking gekomen in respons op de uitdaging die volgde uit het experimentele werk van Karl Lashley waar een onverwachte breinplasticiteit voor het geheugen was vastgesteld in het te boven komen van substantiële uitsnijdingen (bij ratten, 20% -tot 50% in sommige gevallen) uit de hersenen. Een inzicht dat in flagrante tegenstelling stond met de geldende klassieke modellen en eind de jaren 1920 al tot het alternatief van globale mnemonische equipotentie in fragmenten van het geheel leidde, hetgeen dan sinds de jaren 1950 (Dennis Gabor, 1947) effectief gevisionalisseerd kon worden in het optisch hologram.

 

Een hologram is een informatiepatroon dat op een fotodetectorplaat is vastgelegd door middel van de diffractie van coherente lichtbundels.

Een eerste bundel, de objectbundel, projecteert het interferentiepatroon gemaakt door het object op de gevoelige plaat. Vermits het om coherent licht gaat zijn alle golfafwijkingen aan de zelfde streng gedefinieerde golfparameters gebonden.

Een tweede bundel van dezelfde coherente golflengte wordt in een bepaalde hoek en zonder interferentie op de gevoelige plaat geprojecteerd; dat is de referentiebundel. Die voegt voor elk punt van het interferentiepatroon van het object op de plaat een exacte zelfde referentie toe die bepaald is door de invalshoek, de refractie, van de referentiebundel. Het resultaat is een diffractiepatroon (interferentie+refractie=diffractie)
Het is die exacte referentie die op de ontwikkelde plaat toegepast het vastgelegde object optisch herstelt.

Er zijn dus drie stadia: -de opname (codering) –de opslag (het hologram) –het aflezen (decodering) Opname en aflezen behoren tot het transformdomein , de opslag behoort tot een fysisch domein waaruit door middel van de functionele referentie in het toegepaste transformdomein een geheugenassociatie tot stand gebracht wordt.
Een hologram kan als referentiebundel voor geheugenassociatie een deel van zichzelf benutten,als er voor de opslag enkel een objectbundel is gebruikt.

Het is die laatste vorm die Karl Pribram voor ogen had in zijn holografisch model voor het geheugen: een discrete netwerkstructuur van zenuwcellen kon de referentie voor het geheugen in het groter geheel bewaren nadat substantiële porties van dat geheel waren weggenomen.

(In de tekst waaruit ik bovenstaande citaat lichtte wordt de discussie behandeld over die neurale microstructuur tussen Popper, Eccles –1977, ‘The Self and its Brain’- en Karl Pribram –1971, ‘Languages of the Brain:experimental paradoxes and principles in neuropsychology’)

In de jaren 1920 beschreef een “mysticus” de spectrale dimensie van het mentale domein als een kosmische functie van geluid.
”De mens is niet alleen uit vibraties gevormd maar hij leeft en beweegt erin: zij omgeven hem zoals de vis omgeven is door water, en hij bevat ze zoals een tank water bevat. Zijn verschillende emoties, neigingen, zaken en successen en alle levensomstandigheden zijn afhankelijk van een zekere vibrerende activiteit die rekenschap geeft over de variëteit van wezens en dingen.

Die vibrerende activiteit is de basis van zintuiglijkheid en de bron van alle vreugde en pijn; het ophouden ervan is het tegenovergestelde van zintuiglijkheid. Alle zintuiglijkheid is veroorzaakt door een zekere graad van vibrerende activiteit.

(…) Geluid geeft aan het bewustzijn het bewijs van zijn bestaan, hoewel het infeite het actieve deel van het bewustzijn is dat geluid wordt. De kenner wordt omzeggens aan zichzelf bekend.”

( Inayat Khan: “The Mysticism of Sound and Music”       )

 

“Het actieve deel van het bewustzijn dat geluid wordt” dit past wonderwel bij de linguïstische facetten van het bewustzijnsonderzoek: vergelijk bijvoorbeeld het concept “interne spraak” bij Vygotski, maar zie ook Maine de Biran’s behandeling van dat zelfde concept aan het begin van de 19de eeuw (i.e. Rhomeyer-Dherbey: “Maine de Biran et les signes” in: Revue de Metaphysique no4, 1983, pp.514-560)

 

De tonoscoop is een zeer eenvoudig instrument waarmee de menselijke stem in beeld kan worden gebracht. De stemvibraties worden rechtstreeks zonder electro-acoustische tussenstap op een diafragma overgebracht waarop fijn zand is gestrooid dat door de gesproken trillingen in een visueel patroon wordt geschikt.

Het is slechts één van de experimentele tuigen waarmee Dr. Hans Jenny een grote hoeveelheid op geluid gebaseerde golfpatronen visueel vertaalde. Traag stollende emulsies bijvoorbeeld, al dan niet magnetisch bewerkt, geven een bijzonder levendig beeld van het ontstaan van morfologische types.

Jenny noemde zijn systeem “Cymatica” naar het Grieks ‘ta kimatika’ (= hetgeen de golven betreft)

 

“Vermits de verschillende aspecten van deze fenomenen aan vibratie te wijten zijn worden we geconfronteerd met een spectrum dat aan de ene pool figuratieve formaties volgens een bepaald patroon laat zien en kinetisch dynamische processen aan de andere terwijl het geheel gegenereerd en in stand gehouden wordt door zijn essentiële periodiciteit. Deze aspecten zijn echter geen afzonderlijke entiteiten maar zijn afgeleid van een vibrationeel fenomeen waarin zij in hun ‘verenigd zijn’ tevoorschijn komen. Zelfs als het een of het ander in dit of dat fenomeen kan overheersen vinden wij altijd die drie elementen aanwezig. In andere woorden, de serie die wij hebben geformuleerd (zie: “Cymatics” 2001) is in werkelijkheid samenvloeiend in homogene activiteit. Het is niet zo dat wij aan de ene kant configuratie hebben en aan de andere georganiseerd patroon, maar wel dat elk effect van vibratie een signatuur draagt van configuratie, beweging en samenspel van krachten. Wij kunnen omzeggens ons spectrum samensmelten en de actie van de onderscheiden categorieën observeren als een doorlopend spel in een en dezelfde entiteit.

Als we die enkelvoudige entiteit willen beschrijven kunnen wij het volgende zeggen: er zijn altijd volgens patroon gefigureerde elementen en een vibrationeel effect in een vibrationeel proces, maar er zijn ook kinetische en dynamische elementen; het geheel heeft een periodieke natuur en het is deze periodiciteit die alles genereert en in stand houdt.

De drie velden –het periodieke als fundamenteel veld met de twee polen van figuur en dynamiek- verschijnen onveranderlijk als één.” (Hans Jenny in: “Cymatics”   )

 

Voor de lineaire aspecten van zowel het geluids- als het optisch spectrum wordt als mathematische structuur voor het transformdomein dezelfde Fourier transformatie gebruikt, maar het zijn de non-lineaire aspecten die tegenwoordig meer in de kijker staan: op chaos toegepaste systementheorie voor de analyse van verandering.

Emergentie wordt een sleutelwoord in de ontwikkelingsgeschiedenis van het bewustzijn.

(i.e. Terence Deacon in:   )

Hans Jenny’s beeldarchief van dynamische configuratie visualiseert op bijzondere wijze actiepatronen in ontwikkeling. De theorie doorvoor ontleende hij aan Goethes methode voor wetenschappelijke observatie.

Goethe stipte aan dat men zich bij de gevolgtrekkingen uit observatie steeds de vraag diende te stellen: “Ben jij het die spreekt of is het het object ?”
Het ‘spreekt vanzelf’ dat wij die vraag kunnen aanvullen met: “Hoe interageert die objectspraak met het actieve deel van ons bewustzijn, hoe beïnvloedt zij het transformdomein van ons bewust spectrum ?”

 

 

“Wij verdedigen de volgende hypothesen.

Onze kennis komt niet van de zintuiglijkheid of van de percepties alleen, maar van de hele actie waarvan de perceptie slechts de functie van signalisatie uitmaakt.

De eigenheid van intelligentie is inderdaad geen contempleren maar transformeren, het mechanisme ervan is in wezen een vorm van opereren.

Nu bestaan die operaties in verinnerlijkte en in structuren (reversibele e.a.) van het geheel gecoördineerde acties, en als men rekenschap wil geven van het operatieve aspect van menselijke intelligentie dan dient men uit te gaan van de actie zelf en niet van alleen maar de perceptie.” ( Jean Piaget in: “Le mythe de l’origine sensorielle des connaissances scientifiques” –Actes de la Société Helvétique des Sciences Naturelles, Neuchâtel 1957)

 

Hier hebben wij opnieuw een citaat dat recht tegen het model van Condillac ingaat, opnieuw in de traditie ingezet door Maine de Biran, maar ditmaal stevig geankerd in het huidige wetenschappelijke werk rond de natuurlijke geschiedenis van het bewustzijn.
Pr. Merlin Donald (cf. supra) verwijst heel sluiks naar Piaget en geeft zeker geen aanzet om het perspectief in het actieve domein aan te duiden.

 

De Piaget waar hier naar verwezen wordt is deze die ter inleiding van een anthologie van zijn werk (“The Essential Piaget” -Gruber and Vonèche ed, 1977 Routledge and Kegan Paul) schreef: “Ik was uitermate verheugd dat ik niet enkel als een kinderpsycholoog verscheen. De auteurs van de anthologie hebben uitzonderlijk goed begrepen –en hebben  het de lezer kunnen duidelijk maken- dat mijn inspanningen in de richting van de psychogenese van kennis voor mij slechts een schakel waren tussen twee dominante preoccupaties: het zoeken naar de mechanismen van biologische aanpassing en de analyse van een hogere vorm van aanpassing, nml. het wetenschappelijk denken waarvan de epistemologische interpretatie steeds mijn centraal doel is geweest.”

Het is in die interpretatie dat men kan lezen over de integratie van het “Baldwin effect”

in zijn theoretische werk; een originele en vooruitziende kritiek op het neodarwinisme in de ‘evolutionaire psychologie’

 

Bij Piagets zoeken naar de mechanismen van biologische aanpassing behoort zeker zijn “Observations sur le mode d’insertion et la chute des rameaux secondaires chez les Sedum Candollea” (1966) waar hij verwijst naar de botanische observaties van Goethe.

(Een complete introductie door middel van illustratie van Goethes methode voor het observeren van verandering in ontwikkeling is te vinden bij Craig Holdrege “A question of genes: understanding life in context” 1996 Lindisfarne Press. Lees ook Bortoft “Goethes scientific conciousness”   Octagon Press - The Institute for Cultural Research)

 

Ziezo, nu kan ik afsluiten … ware het niet dat ik niet heel helder zal geweest zijn

in mijn verwijzing naar de soefi bijdrage aan mijn introductie als ik die niet op en meer geïntegreerde wijze in mijn afronden kan betrekken.

Het verhaal van Hai ibn Yakzan is sinds het in de 12de eeuw in het moorse Spanje verscheen tot op heden een bron van inspiratie geweest voor schrijvers en dichters (Balthazar Gracian, Daniel Defoë, Fénelon e.a.) Het vertelt over een pasgeboren kind dat op een eiland aanspoelt en door een hert geadopteerd wordt. Daarop volgt een merkwaardig naturalistisch verhaal van het ontluiken van kennis in de opgroeiende Hai ibn Yakzan. Het compacte boekje werd geschreven door Ibn Tufail, een leerling van Avicenna en op zijn beurt leermeester van Averroës. Het werd door Edward Pococke jr. vertaald als “Philosophus Autodidacticus” (1671)

 

Als het hert dat hij als zijn moeder heeft leren aanvaarden sterft gaat Hai op zoek naar de levensfunctie in het dode lichaam.

“Zijn hoop was dat hij de oorzaak van haar conditie kon vinden en door die weg te nemen haar tot haar gewone staat kon terugbrengen. Hij was tot die wijze van denken gebracht door iets dat hij al had ondervonden; dat als hij zijn ogen sloot of er iets voor hield hij niets meer kon zien tot hij zijn ogen opnieuw opende of het object verwijderde; als hij zijn oren met zijn handen afsloot hij niets meer hoorde tot hij de blocage wegnam; als hij zijn neus dichthield hij niets meer rook tot hij hem losliet. Hij was er zo toe geleid te geloven dat al zijn percepties konden onderbroken worden door obstakels die de percepties tegenhielden tot de obstructie was weggenomen.”

(let op de actieve participatie in die wijze van afleiden –noot Jacky)

Als hij geen externe mogelijkheden ziet om het hert te doen herleven besluit hij in het lichaam te gaan zoeken. Er volgt een fascinerende beschrijving van een anatomische dissectie –vergeet niet dat wij ons met dit verhaal in de 12de eeuw A.D. bevinden.

“Hij vond het hart dat inderdaad beschermd was met een sterk membraan en vastgehouden door ligamenten.(…) Hij probeerde het bedekkende membraan door te snijden en slaagde erin met veel moeite.” (Ibn Tufail zegt dat Hai een stenen mes gebruikt) Hij legde het hart bloot en vond dat het aan alle kanten afgesloten was. Hij onderzocht het op zichtbare afwijkingen maar vond er geen, hij nam het vasten realiseerde zich dat het vanbinnen hol moest zijn (…) dus sneed hij het open en vond twee holtes, een rechts en een links, de holte aan de rechterhand was vol geronnen bloed, de holte aan de linkerhand was volledig leeg.”
Later zal Hai ibn Yakzan het hart van een levend dier vergelijken en opgroeien terwijl hij blijft zoeken naar het hoe en waarom, steeds in relatie met het soort deductie waarvan wij hierboven een voorbeeld gaven.
Merkwaardig is ook dat Ibn Tufail herhaaldelijk de leeftijd van Hai ibn Yakzan aanduidt in relatie met de stadia van de ontwikkeling van zijn inzicht, als wil hij aantonen dat de actieve ontplooiing van de zoektocht door de begrenzingen van de opeenvolgende stadia wordt bepaald en de ontwikkeling slechts verder gaat na grondige assimilatie van de natuurlijke aspecten waaruit de afleidingen gemaakt worden.

Bijvoorbeeld: “Ondertussen, in zijn zevende jaar, groeide hij op” (hier situeert zich de dissectie van het hart –noot Jacky) “Hij leefde doorheen drie periodes van zeven jaar en was een man van eenentwintig…” “Al die zaken ontwierp en ontwikkelde hij terwijl hij nog steeds bezig was zijn kennis van dierlijke organen met onderzoek en dissectie uit te breiden. Zoals wij zegden, hij was nu eenentwintig jaar. Van dan af nam zijn denken een andere richting.”

 

Het is onmogelijk in een paar bladzijden recht te doen aan de compacte opeenstapeling van natuurlijke observatie en mijn kort voorbeeld kan slechts aantonen hoe specifiek die observatie kan zijn.

Verschillende aspecten van de Hai ibn Yakzan kunnen zo als illustratie bij thesen van Jean Piaget gebruikt worden, de aan leeftijd gerelateerde stadia bijvoorbeeld, of het latere inzicht door Hai ibn Yakzan van het belang van een imitatieve functie in de ontwikkeling van zijn ‘bewustwording’.

Wat als men het ‘herlezen’ van Piaget samenneemt met het herlezen van Ibn Tufail ?

Ik kan slechts antwoorden met het reverberen van een echo.

Piaget onderscheidde twee polen van het geheugen: enerzijds de perceptuele herkenning die een functie is van een sensorimotorisch schema (i.e. het experiment van de kleine Hai met het toehouden van ogen oren en neus) anderzijds het evocatieve geheugen, geheugen van een hogere orde dat een symbolische functie veronderstelt. Hetgeen hij in verband bracht met mentale beelden en taal, verwijzend naar “verhalen vertellend gedrag” dat volgens Pierre Janet als wortel van het evocatieve geheugen werd aangeduid. (In: “The Essential Piaget” op.cit. p.791)

Evocatie geeft een laterale dimensie aan inzicht, volgens mij op dezelfde wijze als visuele confrontatie met een ambigu teken de noodzaak oproept niet alleen de inhoud te definiëren (is het een ‘heks’ of een ‘dame’, ‘twee gezichten’ of ‘een beker’) maar tezelfdertijd de fysieke gewaarwording van dubbelzinnigheid in te schrijven in het responderende schema. Zonder deze ‘stress’ kan men zich moeilijk een ontwikkeling van bewustzijn voorstellen. (vergelijk in dit verband Jaynes’ theorie van auditieve hallucinatie)

 

Pr. Robert Ornstein (cf. supra) gebruikte ter illustratie van zijn “Psychologie of Conciousness” de evocatieve functie van de leerverhalen van Mulla Nasruddin en gaf daarmee niet alleen een dimensie aan maar ook een domein voor intelligente referentie. Misschien ben ik er wel in geslaagd die dimensie en dat domein opnieuw te evoceren, maar dan wel alleen dank zij uw geduld.