terug naar 't keetje

lees hier over:

Zijn vriendschap met Maine de Biran.

De invloed van de loge " Les Neuf Soeurs" op zijn werksfeer.

De betekenis daarvan voor de aanstelling van Rudolf Thorbecke als professor in de politieke geschiedenis aan de Gentse Universiteit ( 1824)

(gebruik de scrol)

( uitgebreide bibliografie en Ex Libris Amicorum achteraan )

met dank aan vzw de Trap

Jean René Bazaine ?

* LINKS

* LINKS

jacky.tange@pandora.be

Lees hier de bijdrage van
Lex Kavelaars

Bewustzijn in de 21ste eeuw:
fragmenten van een inleiding

zoek hier:
soefi-bronnen in Frankrijk
zeventiende en achtiende eeuw:

QUIETISME EN SUFFISCHE GEZINDHEID IN DE 17de EN 18de EEUW.htm

    

                            

 

 

 

                     CHARLES VAN HULTHEM

                           ( 1764 - 1832 )

                         Verbeterd portret

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                                        

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                                        tange Jacky

                                                

 

 

 

 

              

 

 

 

 

 

                   

 

                    Rien ne m'engage à faire un livre;

                    Mais la raison m'oblige à vivre

        En sage citoyen de ce vaste univers;

        Citoyen qui, voyant un monde si divers,

                    Rend à son auteur les hommages

                    Que méritent de tels ouvrages.

        Ce devoir acquitté, les beaux vers, les doux sons,

                    Il est vrai, sont peu nécessaires:

                    Mais qui dira qu'ils soient contraires

                    A ces éternelles leçons ?

       On peut goûter la joie en diverses façons:

       Au sein de ses amis répandre mille choses,

       Et, recherchant de tout les effets et les causes,

       A table, au bord d'un bois, le long d'un clair ruisseau,

       Raisonner avec eux sur le bon, sur le beau.

 

       Lettre à Saint-Evremond ( 1687 )          La Fontaine

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                                  

                                                                                                                                              

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                    Wat volgt is geen chronografische biografie.

          Er zijn al een respectabel aantal levensbeschrijvingen gegeven van Charles Van Hulthem (1764-1832) die allen het tijdsverloop tussen wieg en graf respecteren maar daarom nog geen intellectueel portret van hem schetsen.

       Aan dit gebrek wil ik proberen te verhelpen.

       Vooraleer echter de lezer mijn ijdelheid bespot wil ik vragen of hij het volgende wil overwegen.

       Als men een voorwerp kwijt is dan is dat omdat het zich niet op zijn (vermeend) rechtgeaarde plaats bevindt, daar te zoeken levert dan ook meestal niets op. Is men daarentegen niets verloren maar men gaat op onwaarschijnlijke plaatsen, dan vindt men altijd wel iets

.      Dat is het systeem waarop mijn zoekwerk is opgebouwd.

 

       Ik ben opgegroeid te Gent op de flanken van de Blandijnberg en de Sint-Kwintensberg en altijd als ik door de Van Hulthemstraat liep vroeg ik mij af wie die man wel kon zijn, naar wie de straat genoemd was.

       In de tijd van mijn wilde haren (1970) strandde een voorgenomen wereldreis naar de bronnen der wijsheid ( ik kende toen zelf mijn systeem nog niet) in St. George de Montclard, tussen Sarlat en Bergerac. Ik werkte er bij de boeren en werd op die manier eens uitbesteed aan de toenmalige bewoners van " Grateloup ", het historische domein van de Franse filosoof Maine de Biran (1766-1824).Die mensen vonden het hun plicht mij, een Gentenaar, in te lichten over de vriendschap die ooit tussen de Biran en Van Hulthem heeft bestaan. Op die manier werd een kiem gelegd.

        In de daaropvolgende jaren heb ik heel wat tijd besteed aan het proberen doorgronden van het menselijke bewustzijn en de integratie ervan in een bepaald type mens nl. de wereldburger; mijn studie werd er een in het oplossen van culturele tegenstrijdigheden.

     

       Zo heb ik ooit het geluk gehad een klein essay te kunnen schrijven over het aftasten in de XVIIde en XVIIIde eeuw door enkele verlichte geesten van de culturele grenzen tussen Christendom en Islam.

       Geert Vandamme van vzw De Trap als enige - en geheel in de geest van de " Sociétés Libres " die hierna zullen worden beschreven - was bereid het onooglijke werkje (het enige Gentse eraan was dat het door een Gentenaar geschreven was) te publiceren. In " Gandavum " kon ik later ook schetsen over Van Hulthem en Maine de Biran kwijt. Sinds dan heb ik mij iets meer in de figuur Van Hulthem verdiept.

       In het kleine essay " Quietisme en Suffische gezindheid in de XVIIde en XVIIIde eeuw " besprak ik in een apart hoofdstukje d’Herbelot:" Bibliothèque orientale ou dictionaire universel contenant l’histoire, les traditions, les arts, les sciences, etc., des peuples de l’orient " dat toen uitzonderlijk goed gedocumenteerd was, tot op het punt dat er duchtig uit weggecensureerd werd.

       Ik wist toen nog niet dat er zich in Van Hulthems bibliotheek twee uitgaven van de " Bibliothèque Orientale " hadden bevonden

       1) La Haye 1777-79; 4 vol. in 4°

       2) Paris 1781-83; 6 vol. in 8°

       Bij de Haagse uitgave (B.H. 19024) noteerde Auguste Voisin, de samensteller van de catalogus " Bibiotheca Hulthemiana “: " zeer mooi exemplaar met een pak handgeschreven noten door Mr. V.H. over de oosterse literatuur."

       Sindsdien ben ik op zoek naar wat de inhoud van die noten wel had kunnen zijn.

 

       Wat Maine de Biran betreft, hij is een van de belangrijke, zij het weinig gekende westerse bewustzijnsfilosofen. Bewustzijn behoort voor hem tot de actieve ontwikkeling van de mens in wie lichaam en geest een geheel vormen, het behoort tot het domein van het handelen, van het doen, in tegenstelling tot de bewustzijnsvorming zoals die in zijn tijd beschreven werd, bij Condillac bvb., In het tot bewustzijn komen van een marmeren beeld waaraan zintuigen zijn toegevoegd en waarin dus een soort cartesisch waarnemer passief in het centrum van het brein moest zetelen om het geheel te overschouwen. Maine de Biran was in die zin een pionier van de kritiek op Descartes, zoals die vandaag door beroemde namen - Danniel Dennet, Antonio Damasio - in het onderzoek naar de grondslagen van het bewustzijn is aangehouden; een kritiek overigens die ook bij Joseph Guislain ( 1797 - 1860) een jonge tijdgenoot van de Biran en Van Hulthem wordt aangetroffen.

 

       Ik moet nog even het geduld van de lezer op de proef stellen en antwoorden op de vraag in hoeverre de intellectuele achtergrond van een Gentenaar niet alleen maar voor Gentenaars van belang kan zijn.

       Beschouw even het volgende:

       Aan de basis van de klinische psychiatrie ligt het werk van de Engelsman Alexander Crighton " Inquiry into the nature and origin of mental derangement " (1798), die daarvoor steunde op zijn extensieve opleiding in Duitsland, waar het onderwerp al in 1764 in een publicatie door Immanuel Kant medisch filosofisch behandeld was. Onmiddellijk na het verschijnen van de " Inquiry " vertaalde de tweede grote pionier van de psychiatrie, Phillipe Pinel, er het hoofdstuk over delirium uit voor de Parijse " Receuil periodique de Litterature Médicale étrangère " alvorens met zijn eigen " Traité medico-philosophique " in 1800 grond te breken.

       In een studie over het onderwerp  uit 1987 drukt de historica Dora B. Weiner haar spijt uit over het feit dat er nooit een volledige Franse vertaling van de " Inquiry " is gekomen zodat het belang van de Duitse bijdrage op dat taalgebied niet kon doordringen. Dat zou volgens haar maar gebeuren na Dominique Esquirols annotatie bij de Franse vertaling van Hofbauers eigen werk over psychologie en wetgeneeskunde (1827).

       In 1810 had Hofbauer de tweede Duitse vertaling van Crightons " Inquiry " copieus geannoteerd vanuit zijn eigen psychopathologische specialisatie.

       Laat nu in 1826 Jozef Guislain, gepromoveerd uit de eerste lichting, medische dokters (1819) der pas opgerichte Gentse universiteit, in zijn " Traité sur l’aliénation " bewijzen in talloze voetnoten dat hij " Hofbauers " vertaling nuttig had gebruikt - in zijn latere werk zal Guislain op dezelfde manier het werk van C.G. Carus integreren.

       Hofbauers werk overigens, bevond zich in Nederlandse vertaling in Van Hulthems bibliotheek: " Natuurkunde der ziel uit het hoogd. van J.C. Hofbauer door A.N. van Loon . 1808 "

       Hoe moeten wij nu " invloed op het Franse taalgebied " in Weiners studie - die natuurlijk aan Guislain voorbijgaat - interpreteren?

 

       In een brief (6 juni 1810) schrijft Joubert, inspecteur generaal van de napoleontische keizerlijke universiteit aan de Fontanes, senator grootmeester van die universiteit over een " Mémoire sur l’instruction publique en Hollande “:

" Het merendeel van de opvattingen die zij inhoudt verdienen van overdacht en nagevolgd te worden. (...) en zo men in Holland dan nooit heeft stil gestaan bij een gedegen literaire opleiding, in Frankrijk daarentegen heeft men nooit het idee gehad van een goede universitaire opleiding. "

       Ook hier was het een Gentenaar die uitzonderlijk bekwaam was om een synthese te maken, en waarvan men het wist. Sinds 1809 was Van Hulthem rector van de Keizerlijke Academie en Rechtschool te Brussel.

       In de volgende bladzijden zal er onvermijdelijk (veel) over boeken worden gesproken. De vermelding (B.H. + nummer) verwijst naar de aanwezigheid ervan in Van Hulthems bibliotheek en naar het nummer waaronder zij in de catalogus (1836-1838) van Auguste Voisin zijn opgenomen. Van een aantal secundaire werken is het catalogusnr niet opgenomen, wat niet wil zeggen dat men de complete inhoud van de " Bibliotheca Hulthemiana " moet veronachtzamen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

       Sinds het begin van de godsdienstoorlogen zijn er verschillende pogingen geweest om de onderlinge geschillen politiek op te lossen. Vorstelijke huwelijken speelden daarin een belangrijke rol.

       Zo werd het huwelijk van Charles IX, de Franse koning, met Elisabeth van Oostenrijk, keizer Karels kleindochter, dochter van Maximiliaan II, die een tolerante visie op godsdienst had, gezien als een belangrijke stap naar vrede.

       Het voorgestelde huwelijk tussen Henri de Navarre, de leider der Franse protestanten en " Margot " de Valois, dochter van Catherina de Medicis en Charles IX, een jaar later, had die politiek doorgezet  ware het niet dat duistere tegenkrachten de Bartholomeusnacht ontketenden om te verhinderen dat Frankrijk Nederland in de oorlog tegen Filips I en Spanje ter hulp zou komen.

       Wat ons vooral moet interesseren is dat kunstenaars, schilders, dichters, musici, van de feestelijkheden gebruik maakten om grote humanistische thema’s in de verf te zetten.

       Nergens is de betekenis van die grote feestelijkheden met meer meesterschap uitgelegd als in het werk van de historica Frances Yates.

       Bij haar leren wij bijvoorbeeld over de bijdrage door de " Pleiaden ", een academie van dichters met Pierre Ronsard aan het hoofd, aan de intrede te Parijs van Charles IX, of aan het huwelijk van de Duc de Joyeuse, feestelijkheden die de standaard neerzetten van de allegorische uitdrukking van het humanistisch thema, en niet alleen van de uitdrukking, maar ook van de initiatie in de " diepere " betekenis ervan.

       Met het huwelijk van Rudolf de Palatijn en Elisabeth aan de vooravond van de dertigjarige oorlog - opnieuw een verbond tussen protestanten en katholieken - krijgt die allegorische uitbeelding een specifieke filosofische dimensie met het verschijnen van de pamfletten van de Rozenkruisers, een zogezegde verborgen genootschap van ingewijden, in werkelijkheid een samenwerking van geleerden rond het thema van de nieuwe wetenschapsfilosofie zoals Bacon, Lord Verulam, ze beschreven had. 

       De traditie van geheimhouding waarmee de vrijdenkers hun filosofische projecten omringden - geheimhouding die in een klimaat van verschijnselen als de Bartholomeusnacht, de dertigjarige oorlog en de heksenprocessen, een rationeel nut had - zette zich door in de opkomst van de Vrijmetselarij.

       Aan het begin van de 18de eeuw zag het er even naar uit dat de filosofie achter de Vrijmetselarij door de kerk kon geaccepteerd worden, maar het falen van dat project leidde tot het tot stand komen van een groot aantal corporaties, al dan niet in de traditie van allegorische uitdrukking en educatieve begeleiding van humanistische thema’s.

       Vooral het educatieve aspect was sinds de Rozenkruisers een belangrijk thema. Frances Yates heeft aangetoond hoe het werk van J. Amos Comenius in dat verband bijdroeg in het ontstaan van de London Royal Society, een van de eerste moderne wetenschappelijke instituten, voorloper van de Academie Royale des Sciences in Parijs.

       Comenius had ooit het nut van eenvoudig toegankelijke, educatieve universele boeken als de " Orbis fundamentalium in mundo rerum, et in vita actionum pictura et nomenclatura " (- Magdeburgi 1714: in B.H. 4572) verdedigd met de woorden:

" Want als het de wereld al niet volledig aan verbanden ontbrak, dan ontbrak het zeker de methodes waarmee die verbanden werden gelegd aan universaliteit." ( in Yates 1972).

 

       Met het verzamelen van zijn immense bibliotheek gaf Van Hulthem zijn op de praktijk gerichte inzet voor universele educatie in de wetenschappen en kunsten een ongewoon encyclopedisch karakter

       En eigenlijk betaamt het wel een intellectueel portret te schetsen aan de hand van onder meer de inhoud van zijn bibliotheek, want die geeft een historische achtergrond zonder de welke bepaalde interpretaties ronduit belachelijk zijn.

       Neem bijvoorbeeld het gelegenheidsgedicht dat Cornelissen schreef bij het bezoek in 1803 van keizerin Josephine aan de Gentse plantentuin rond het thema: " Iris leidt Venus rond in het rijk van Flora en ontmoet er de nymphen ", en dat door tenminste één geleerde eenvoudig werd ontraadseld: Josephine = Venus, Van Hulthem = Iris (sic!)

      Alleen al de goedlachse embonpoint van de burger Van Hulthem maakt zo’n vergelijking hilarisch; maar neem de Elegie van Ronsard uit : " Le séjour des Muses, ou la Cresme des bons vers triez du mélange et cabinet des sieurs Ronsard, du Perron, Aubigny etc., etc." ( Rouen 1626 in B.H. 11885) die als volgt begint:

 

" Ecoute, bucheron, arrête un peu le bras,

  ce ne sont pas des bois que tu jettes à bas.

  Ne vois-tu pas le sang lequel dégoutte a force

  des nymphes qui vivaient dessous la dure écorce ? "

 

      , en er ontstaat een cascade van verbanden die de verheerlijking door de kunsten van het keizerlijke thema bij monde van de " Pleiaden " ten tijde van de onovertroffen " Magnificences du Duc de Joyeuse " in herinnering roepen en het bewijs dat het klassieke Franse culturele erfgoed, waarover de Bonapartes bescherming hadden beloofd, ook in een uithoek als Gent in ere gehouden werd. Zo wordt het bezoek van Josephine een klein beetje een fastueuze intrede door afstraling, of zo hoeft het maar door iemand uit haar omgeving worden uitgelegd om geïnteresseerde welwillendheid te bekomen, al was het maar van de napoleontische vrijmetselarij waartoe Josephine behoorde.

       Het is trouwens omdat de " Pleiaden " als patronessen voor hun academie de Muzen gekozen hadden, dat later een van de invloedrijkste vrijmetselaarsloges in Frankrijk - ontstaan in de schoot van de Academie des Sciences - zichzelf " Les Neuf Soeurs " noemde, en in oorsprong haar zelfgekozen patronessen bij de officiële Vrijmetselarij, die onder het patronaat van de Grote Architect zetelde, fel moest bepleiten.

( A.M. Le Fevre : " Les muses en France ou hist. chronologique des universités, collèges etc. dans ce royaume " - Paris 1750 - in B.H. 20615 ).

       Laten wij ons nu niet vergissen en dat soort verbanden aan een toevallige boekenwijsheid toeschrijven. Van Hulthem was weliswaar een gedreven verzamelaar - hij kocht zijn eerste boek op negenjarige leeftijd -, maar hij was zich ook terdege bewust dat een appreciatie van zijn bibliotheek best gedragen werd door een gedegen filosofische scholing.

       Als hij als briljant leerling de secundaire school verlaat en zich in Rijsel moet bekwamen in handelspraktijk schrijft hij aan een oom, die op dat ogenblik stadssecretaris is te Gent, en - aldus Voisin - " na van hem het vertrouwen van geheimhouding te hebben geëist richt hij zich tot hem, niet in een brief, maar in een nota van elf grote bladzijden..." waarin hij de noodzaak voor zichzelf beschrijft om van het beste filosofische onderricht te kunnen genieten: liefst in Parijs.

       In zijn hoofdbiografie over Van Hulthem toont Leleux aan waarom hij gelooft dat die uiteindelijk al twee jaar ( 1783 - 1784) filosofie heeft gestudeerd te Leuven, vooraleer hij daar in 1785 zijn rechtstudie aanvangt, waarin hij in 1787 het baccalaureaat behaalt.  Over zijn hele studieperiode zal hij er, als vrij student talrijke lessen volgen bij markante figuren: Jean Pierre Minckeleers, bijvoorbeeld, de uitvinder van het gas uit steenkool en die een kenner was in de paleontologie en de mineralogie, maar bovenal Jean François Van de Velde, de opvolger als universiteitsbibliothecaris van Corneille François de Nélis, de 18de en laatste bisschop van Antwerpen. Beiden met wie hij een echte vriendschap sluit.

        Mgr. Nélis, natuurlijk, was een invloedrijk figuur in de politieke beroering waarin ook Van Hulthem werd meegesleurd.

      

       In oktober 1789 was nml de zgn. Brabantse Omwenteling tegen het bewind van Jozef II uitgebarsten, waarna in januari 1790 op de Gentse Vrijdagmarkt de Oostenrijkse keizer symbolisch van al zijn rechten beroofd werd ( een maand later zal Jozef II ook effectief overlijden) en de Verenigde Staten van België werden uitgeroepen, dit naar Amerikaans model.

       Het verband tussen beide revoluties was ook de anonieme auteur van " Précis historique de la revolution de Etats Unis d' Amerique, précédé de l'histoire de ses provinces, jusq'à l'époque de la revolution, et suivi du Manifeste ou de l'acte d'Indépendance des treize Etats -Unis " - dat in 1789 bij Goessin in Gent verscheen - opgevallen; hij schreef ( ik vertaal ) :

        " Als de geschiedenis van een volk dat de ijzers breekt die door het despotisme zijn gesmeed, met genot gelezen wordt (...) met hoeveel plezier gaan de Belgen dan de geschiedenis van de Amerikanen niet lezen, die net als zij het juk van de tirannen hebben afgeschud en de vrijheid en onafhankelijkheid hebben veroverd, de wapens in de hand?

       Het verband tussen de twee revoluties en het plezier dat iedereen beleeft wanneer men bemerkt dat bijna dezelfde evenementen met hetzelfde succes worden bekroond, doen ons geloven dat het historisch beeld van de Amerikaanse Revolutie door onze kompatriotten goed ontvangen zal worden in afwachting dat wij hen een omvangrijker werk kunnen voorleggen waaraan wij hardnekkig werken. "

       Gent was nml een uitzonderlijk forum voor de inspiratie die de Amerikaanse revolutie op de gebeurtenissen van 1789 - 1790 uitoefende. Wij hebben het hier over de periode waarin het verzet tegen  Jozef II in een kritieke fase was aanbeland. De patriottische rebellen hadden de Oostenrijkers kunnen verjagen, maar slaagden er niet in hun eigen standpunten te verzoenen. De conservatieven hadden hun democratische medestanders buiten spel gezet. Precies daarom erkende Frankrijk - dat o.a. door de tussenkomst van de Franse generaal Lafayette instrumenteel was geweest in de militaire overwinning der Amerikanen, en waar intussen een " nationale vergadering " de macht had - de eerste Belgische aanspraken op onafhankelijkheid niet, of wilde tenminste geen diplomatieke steun verlenen.

       Gent nam het voortouw in het democratische luik van die complexe, maar politiektechnisch bijzonder boeiende periode van de poging tot het stichten van de Verenigde Staten van België.

       " Er vormt zich een gevaarlijke oppositie in de Staten van Vlaanderen en hoewel onafhankelijkheid de gezworen overtuiging is van de twee kanten, toch kan alles wat de huidige gevormde regering ondermijnt, of de provincie van Brabant verdeelt, niet anders dan de gemene zaak zware schade toebrengen.

       Het plan is een executieve macht op te slaan in handen van een vereniging genaamd de Collatie.

       Die is gevormd uit een verkiezing door  volk van alle beschrijving, en de manier waarop gaat als volgt. Alle personen van de verschillende parochies verzamelen in hun respectievelijke kerken en veertig van elk worden aangesteld die onmiddellijk overgaan tot het kiezen van een kleiner aantal        ( drie geloof ik) dat samen verenigd de Collatie vormt. De verkiezing heeft in wezen al plaats gehad, een tijdje geleden al, maar er was nog geen poging tot remonstrantie te bespeuren, tot vorige week toen een brief, waarin zij hun intenties verklaarden, naar de Staten van Vlaanderen werd gestuurd " 

       Zo beschreef William Gardiner (vertaald uit: Gorman 1925), de Engelse agent bij het Belgische Congres, op 12 juli 1790 de toestand in een rapport aan zijn staatssecretaris ten  tijde van het kortstondig bestaan - in 1790 - van de Verenigde Staten van België.

       Samengevat ging die intentieverklaring als volgt:

       De Collatie, vertegenwoordigende het volk van de stad Gent, mag de organisatie of de vorm van zijn regering veranderen door een daad van gemeenschappelijke wil, uit hoofde van zijn onbetwistbare, onvervreemdbare en onvoorgeschreven rechten, want alle macht is enkel in het voordeel van het volk ingesteld.

       De vorm van regeren zou zo moeten zijn dat geen individuele burger iets van een ander te vrezen heeft, een resultaat dat niet kan behaald worden zonder een precieze scheiding tussen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht, hetgeen de enige methode is om onderdrukking te verhinderen.

       ( Gent 26 juni 1790 - in Gorman 1925)

       De verkiezing in 1790 van de Gentse Collatie was de eerste sinds de Carolijnse Concessie 250 jaar eerder.

       Charles Van Hulthem werd aangesteld als woordvoerder.

       Onmiddellijk na die verklaring, die de praktische richtlijnen, in 27 artikels, inleidde, begon in de kranten een debat over de precieze aard van de politieke inhoud, waarin gretig verwezen werd naar de Amerikaanse voorbeelden. Het spreekt vanzelf dat de democratische inspiratie niet uitsluitend van Amerika kwam, of dat de Gentenaars lessen in opstand moesten krijgen van om het even wie.

       In " America and Belgium (1790 ) " van Thomas K. Gorman (1925) is een complete analyse gegeven van de pers naar inhoud en achtergronden. Daaruit onthield ik dat in 1789 - 1790 vooral de Gazette de Leyde, een in Nederland uitgegeven Franstalige krant, bijzonder goed gedocumenteerd was over de Amerikaanse invloeden op de Brabantse Omwenteling. John Adams, de Amerikaanse gezant te Parijs, correspondeerde persoonlijk met de uitgevers, de gebroeders Etienne en Jean Luzac.

       In een brief (13. 12. 1789) aan het Comité van Breda, dat o.a. het gewapende verzet tegen de Oostenrijkers coördineerde, schreef hun agent in Den Haag, Van Leempoel:

      " Ik raad u aan een blik te werpen op een werk van M. Adams, in drie delen,  over Amerika, waarin hij heel gevat alle constituties behandelt.

       P.S. Ik stuur u met de volgende post de formule die de Amerikanen gebruiken en welke ik denk die wij moeten volgen."

       In de Gazette de Leyde  werd in een brief uit Gent (30. 12. 1789 - Publicatie: O5. O1 1790) precies uitgelegd wat de Staten van Brabant van plan waren: naar Amerikaans model het gezag van de Federale Unie in een Federale Vergadering leggen, en tezelfdertijd de individuele Staten onafhankelijk en soeverein laten tenzij voor gevallen van gemeenschappelijke interesse.

       Op 10 januari was het Verdrag van Unie, onder redactionele supervisie van Mgr. Nélis een feit. Op 22 januari verscheen in de Gazette de Leyde een geïnformeerde persvoorstelling met een verwijzing naar de geslaagde prognostiek van 5 januari 1790.

        Het was niet toevallig dat de analyse over de Amerikaanse invloed precies uit Gent kwam.

       Herinner u de " Précis historique ... ( cf. supra ). In 1790 komt de uitgever Goesin zijn belofte na (in afwachting dat wij hen een omvangrijker werk kunnen voorleggen waaraan wij hardnekkig werken) en verspreidt het eerste deel van een waar handboek over Amerika:

       " L' Amerique indépendante, ou les differents contitutions de treize provinces qui se sont érigées en républiques, sous le nom d' Etats - Unis de l'Amérique. Avec un précis de l'histoire de chaque province, et des remarques sur les constitutions, la population, les finances et l'état dans lequel les provinces se trouvent actuellement  " Par Démeunier avocat et censeur royal, auteur de la partie économie politique d' Encyclopédie methodique.   A Gand, chez P.F. Goesin, Imprimeur - Libraire, Rue Hauteporte.   I79O

       Dankzij Gorman ( 1925 - bron van al het voorgaande) wist ik in welk van de drie uitgaven van het boek, die in de Gentse Boekentoren rusten, de lijst te vinden is van de Vlaamse intekenaars op dit belangrijke werk, nml. leesnummer J.U.I98.

      De volledige lijst is ondertussen in extenso weergegeven in:" Amerika, les Neuf Soeurs en Charles Van Hulthem " Gandavum jg. 4 nr. 3   1999

       De meeste namen behoren tot de Gentse hoge burgerij, wat het vermoeden wekt dat de intekening gebeurde in de schoot van de Société de Gand, een selecte leesclub die in 1782 was opgericht en waarvan meerdere leden op de lijst voorkomen samen met Van Hulthem en Mgr Nélis.

       De auteur van het boek, Démeunier (1751 - 1808) was niet zomaar een advocaat. In de periode voor de Revolutie was hij tevens  privé -secretaris van Monsieur, duc de Provence, de latere Louis XVIII, en in 1789 voorzitter van de Franse Nationale Assemblee.In I792 week hij voor een aantal jaren uit naar Amerika om in 1797 naar Frankrijk terug te keren en door de Raad der Vijfhonderd - waartoe Van Hulthem op dat moment als afgevaardigde van het departement der Schelde behoorde - te worden voorgesteld als één van de tien verkiesbare uitvoerende directeurs voor het Directoire. Hij overleed in 1808, comte d'Empire. 

       En hij was lid van de invloedrijke  Les Neuf Soeurs, een vrijmetselaarsloge die werkte als Amerikaanse lobbygroep.

       Deze loge was in 1776 opgericht, op initiatief van Josef - Jérome de Lalande, bijgestaan door de weduwe van de in 1771 overleden

" philosophe " Helvétius, als  " complément " voor een Société des Neuf Soeurs die sinds 1769 aan de Parijse Academie voor wetenschappen werkzaam was.

       Nu blijkt Van Hulthem oprichter de Lalande persoonlijk gekend te hebben, getuige hiervan verschillende nota's die Van Hulthem op de schutbladen van de boeken uit zijn bibliotheek schreef. Auguste Voisin, de Gentse opsteller van de catalogus " Bibliotheca Hulthemiana " noteerde bij het boek " De Fontenelle, entretiens sur la pluralité des mondes avec des notes de Jérome de Lalande " (B.H. 8313) : " Exemplaar geschonken door de Lalande aan Mr. Van Hulthem, zoals de inscriptie getuigt getekend door de geleerde. Parijs 1800 ". Ook de catalogusnummers 1735, 8249, 8444 en 21429 bevatten inscripties waaruit meer dan een oppervlakkige wederzijdse kennis van elkaar spreekt. Interessant in dit verband is de posthume " Eloge historique de De Lalande par la comtesse de S.  (Salm - Dyck ) . 1810 " ( B.H. 22115). De prins de Salm - Dyck was nml. een belangrijk botanisch correspondent van Van Hulthem.

       In 1778, het jaar dat Voltaire als erelid van Les Neuf Soeurs was gelauwerd, werd ook Benjamin Franklin in die loge opgenomen. In 1779 werd Franklin meester van Les Neuf Soeurs, en als dusdanig herkozen in 1780. Toen Franklin in 1784, na een lang en invloedrijk verblijf in Europa naar Amerika terugkeerde - o.a. om er de definitieve Constitutie te helpen opstellen - was het Thomas Jefferson, de auteur van de Onafhankelijkheidsverklaring zelf, die zijn taak als gevolmachtigd minister in Parijs overnam.

       Het was de beeldhouwer Jean - Antoine Houdon eveneens notoir lid van Les Neuf Soeurs, en met wie Van Hulthem in Parijs vriendschappelijke relaties onderhield, die Jeffersons borstbeeld toevoegde aan een lange lijst ( met o.a. Franklin en Lafayette), waarvan dat van Voltaire het meest bekende is. Jefferson slaagde erin Houdon ook nog het standbeeld van Washington te laten maken, waarvoor de beeldhouwer in 1785 speciaal naar Amerika reisde.

       Ook in Frankrijk op dat moment aanwezig was John Adams, Jeffersons grote vriend en medewerker te Parijs.

       Het moeten hoogtijdagen geweest zijn voor Franklin, Jefferson en Adams die aldaar verbleven om er de handelsovereenkomsten voor te bereiden en te coördineren.

       Belangrijk hierbij was de as Parijs - Gent - Oostende: tussen 1780 en 1785 liep de complete Europese exporthandel naar Amerika namelijk over Oostende: al het Engelse verkeer bvb. - om hun eigen blokkade te omzeilen - sloeg er zijn handel over op schepen die onder het vaandel van de Oostenrijks - Russische gewapende neutraliteit voeren. De Gentenaar Constant Hopsomere - één van de intekenaars op Démeuniers boek - die toen zijn hotel op het Sint Michielsplein had was de grootste toenmalige scheepsverzekeraar. Specialist in deze materie was de markies de Condorcet, getuige hiervan zijn artikel Assurances maritimes in de Encyclopédie Méthodique uit die tijd.

       Niettegenstaande er geen directe bewijzen zijn dat de markies de Condorcet behoorde tot Les Neuf Soeurs loopt zijn naam als een rode draad doorheen haar geschiedenis. Een goede vriend van Condorcet was Thomas Jefferson.

       Het is onmogelijk aan Condorcets belangrijke invloed op zijn tijd in vier zinnen recht te doen.

       Zijn merkwaardig intellect laat zich misschien best illustreren door een titel van één van zijn werken gepubliceerd in 1785 te Parijs, ( ik vertaal): " Essay over de toepassing van de analyse op de waarschijnlijkheden der beslissingen genomen met meerderheid van stemmen " waarmee hij, naar verluidt, aan de basis lag van de wetenschappelijke sociologie. Hij was het die abolitionisme en algemeen - en vrouwenstemrecht bepleitte in de Franse Assemblee. Zijn grootste bekommernis was de inrichting van een modern algemeen toegankelijk onderwijs, dat in Frankrijk echter pas onder Jules Ferry, in 1881, naar zijn model werd ingesteld.

       Zijn " Mémoires sur l'instruction publique " kon men in Van Hulthems bibliotheek aantreffen ( B.H. 4627), het werk stond er naast " Travail sur l'education publique, trouvé dans les papiers de Mirabeau l'ainé, et publié par Cabanis. Paris 1791 " ( B.H. 4685 ).

       Deze Cabanis was zeker lid van Les Neuf Soeurs. Naast George Cabanis, behoorden verder tot Les Neuf Soeurs, onder anderen, François de Neufchâteau, Louis de Fontanes, Jean - Francois Marmontel en ( mits problematische documentatie ) Jean Silvain Bailly .      

       Jean - François Marmontel was secretaris voor het leven van de Parijse Academie voor Wetenschappen en in zijn vrije tijd schreef hij graag een libretto voor de componist André Grétry, die een vriend van Van Hulthem was.

       Gedurende enige tijd was Thomas Jefferson, toen hij in Parijs verbleef in het Maison des Feuillants, de buurman van aangehaalde Marmontel. Marmontels vrouw vervolgens, was de nicht van abbé Morellet, die Jeffersons " Note on the State of Virginia " vertaalde ( 1786). Jeffersons vriend Adams was de buur van weduwe Helvétius, welke zoals gezien, met de Lalande aan de basis lag van de loge Les Neuf Soeurs.

       Weduwe Helvétius woonde in Auteuil en hield er één van de meest invloedrijke vriendenkringen van dat moment: de Cercle d' Auteuil. Daar kwam zowat iedereen uit de Parijse intellectuele wereld bijeen, zoals de Amerikanen en hun vriend Cabanis en later ook Van Hulthem, die er zijn vriend Maine de Biran inleidde.      

       Zo komt Van Hulthem dus in het gezelschap te staan van een belangrijke intellectuele elite, en wat meer is, hij houdt stand in hun gecoördineerde werkzaamheden waarin hij voor zijn departement een spilfiguur was, ook al zijn van hem geen maçonnieke affiliaties bekend.

 

       Bekijken wij even het volgende:

 

       De stormwind van de Franse Revolutie, waarvan de zopas beschreven Amerikaanse episode een voorafspiegeling was, liet de Parijse Academie Royale des Sciences niet onberoerd. In 1794 werd zelfs Antoine Lavoisier, een van haar belangrijkste promotors geguillotineerd. Het vroeg heel wat politieke moed en behendigheid om de unieke verzameling geleerden die werkelijk aan de basis van de moderne wetenschappen lagen als corps werkzaam te houden. In een eerste fase van publieke besluitvorming waren het voornamelijk l’abbé Grégoire en de afgevaardigde Camus met wie Van Hulthem later bevriend raakte, die de subsidiering van wat ondertussen het Institut de France was gaan heten, vurig bepleitten, daarin bijgestaan door figuren als Fourcroy, Romme, de Jussieu, Thouin, allen wetenschappers aan het Instituut.

       Het was aan Laurent de Jussieu dat zij een lijst met vragen voorlegden die de vorm moest helpen bepalen van een nieuwe vereniging voor educatieve begeleiding, zoals de Neuf Soeurs in oorsprong geweest was: de " Société Libre des Sciences, Belles Lettres et Arts ".

 

       " De fysicus Biot, die schreef in 1803, stond dicht genoeg bij de gebeurtenissen om de essentie te vatten van de " republikeinse " strategie die Fourcroy en Romme hadden aangenomen. Hij merkte op dat er in 1793 twee fracties waren die het lot van de Franse cultuur bepaalden. De ene was numeriek in de meerderheid maar " onwetend en bloeddorstig " en gebrand op het neerhalen van haar intellectuele meerderen. De andere meer verlichte groep slaagde erin zijn doelstelling te doen aanvaarden door " de taal van hun tegenstrevers te spreken " maar met tegengestelde vooruitzichten. Het was door de wetenschappen te bedekken " met de mantel van haar vijanden " dat zijn haar redden.

       Fourcroy en Romme waren de  " politiekers " van de wetenschap in 1793, die positieve compromissen uithamerden die alle partijen tevredenstelde. In het proces, waren zij ertoe gedwongen een compleet nieuw patroon voor wetenschappelijke organisatie in Frankrijk te ontwikkelen. Zij legden de basis voor een systeem van " democratische wetenschap " om de " aristocratische wetenschap " te vervangen. "

( in Roger Hahn 1971, p. 250 ).

       Laurent de Jussieu en Gilbert Romme waren leden van Les Neuf Soeurs; de Jussieu een belangrijk botanisch correspondent van Van Hulthem.

       Het democratische karakter van de wetenschappen uitte zich in het absoluut toegankelijk zijn, voor allen zonder verschil van rang of stand, van de middelen om een concrete vooruitgang te boeken

( zie infra re Vandermaelen, Quetelet ).

 

       In feite verschilde hun open corporatieve instelling weinig van de geest die Van Hulthem had verbonden aan het eerste publieke Salon van levende kunstenaars te Gent, in 1792, na zijn eerste verblijf in Parijs.

       Ik durf zelf een bescheiden borsteltje hanteren in mijn vrije tijd en nog steeds - en des te meer omdat ik weet wat het is op een Gents Salon gerefuseerd te worden! - verwonder ik mij over de merkwaardige toegankelijkheid van die eerste moderne groepstentoonstelling in het stadhuis. Iedereen mocht meedoen maar werd gevraagd zijn werk terug te nemen als hij zèlf vond dat het bij de rest van het aanbod geen stad hield. Van een société libre gesproken ! ( zie Leleux 1964).

 

       Van Hulthem ging naar Parijs kort na zijn ontmoeting met Mercy-Argenteau, de Oostenrijkse gezant, waar hij in opdracht van de Collatie het Gentse standpunt bepleitte.

       " Een staat kan zich niet tot een hoge graad van praal en welvaart ontwikkelen tenzij onder een democratische beweging, waar een prins geholpen wordt door zijn onderdanen waarvan de meest bekwamen verkozen zijn door het volk, dat hoewel niet bij machte zichzelf te regeren niettemin zeer wel zijn vertegen woordigers kan kiezen.

       Wij geloven dat wij de welvaart ( van de vijftiende eeuw bijvoorbeeld, waaraan wij ons spiegelen) kunnen toeschrijven aan de vrijheid en aan de invloed die het volk had in de regering; die van alle burgers was gelijk. Het is dus van het grootste belang geen nobelen tot de Staten toe te laten als afzonderlijk korps, zij hebben geen andere rechten te verdedigen dan die van eigendom en persoonlijke vrijheid, gemeen recht voor alle burgers, voor het onderhoud waarvan zij al voldoende afgevaardigd zijn in de generaliteit van steden en kastelrijen, en moesten zij één afzonderlijk korps vormen dan waren zij zogezegd de enige vertegenwoordigers van het volk, en ons regeerbestel zou ontaarden in een ongelukkige aristocratie, gelijk de recente trieste ervaring maar al te goed heeft geleerd. " ( in François, 1990)

       In deze woorden had hij zich tot de gevolmachtigde minister der Oostenrijkers gericht. En inderdaad, de Brabantse Omwenteling was voor een groot deel gedragen geweest door de adel van het Ancien Regime, en dat wist Mercy d’Argenteau zeer goed, even zo goed was hij zich op datzelfde moment bewust van de ontwikkeling van de populaire stroming in Frankrijk ( 1791) . Hij had pas zijn twintigjarig ambassadeurschap te Parijs onderbroken, waar hij op het moment van zijn vertrek een spilfiguur was in het plan om Lodewijk XVI, die door de pasgestichte Nationale Assemblee in Versailles werd gegijzeld, aan te sporen te vluchten, in samenspraak met de Hertog de la Marck en Mirabeau.

       Van Hulthem onderhield zich dus niet met een willekeurig ambtenaar, maar met een uiterst bekwaam diplomaat, die toen en daar uit de mond van die Gentenaar hoorde, dat de - laat ons maar zeggen, liberale burgerij, ttz. die strekking die zich voor het hervormen van haar regering door de Verenigde Staten van Amerika liet inspireren - nooit tegen de verlichte hervormingen van Jozef II, met als spil de Theresiaanse colleges was gekant geweest, noch tegen een monarchaal soeverein principe alsdusdanig, maar in feite enkel haar deel wilde in de bestuursvorming van een snel ontwikkelende moderne wereld. Ik vermoed dat Mercy-d’Argenteau in Van Hulthem geen boodschapper zag die men onmiddellijk terechtstelt.

       Het is mij opgevallen tijdens het voorbereiden van mijn schets, hoe er aan de Amerikaanse invloed - ik noem het zo gemakshalve, het gaat natuurlijk om een diepere dialectiek - op de revolutionaire ontwikkelingen in Europa ( 1789-1794) wordt voorbijgegaan.

       Daags voor het proclameren van hun Nationale Constitutie vergaderden op initiatief van Lafayette een aantal kopstukken van de Franse Omwenteling ( Barnave, Lameth, Mounier o.a.) bij Thomas Jefferson in Parijs over de vorm en inhoud van hun nieuwe bestuur.

       " Het resultaat was een overeenkomst dat de koning een suspensief veto over de wetten zou hebben, dat de legislatuur uit een enkel lichaam zou bestaan dat door het volk zou worden gekozen. Dit concordaat besliste het lot van de Constitutie " schreef Jefferson in zijn " Autobiografie ".

       Het politieke klimaat in Parijs verschilde niet veel met dat in Gent, wat de Amerikaanse invloed betrof. Ik wil maar zeggen, het is niet door die politieke factor van het eerste gehalte te verzwijgen dat men een beter zicht krijgt op de omstandigheden van Van Hulthems doen en laten te Parijs.

 

       Op dat ogenblik ( 1791) nog was het voorbeeld van de Gentse Collatie een belangrijk politiek voorbeeld in de projectie van de Amerikaanse vrijheidsgedachte op de Europese ideologie, en werd alsdusdanig door een bepaalde intellectuele groep in Parijs geanalyseerd. Dat die niet zonder invloed waren bewijst het voorbeeld van Jean-Nicolas Démeunier ( 1751-18o8).

       Een van de merkwaardigste boeken uit Van Hulthems bibliotheek ( B.H. 17212) vind ik " Gibbon, histoire de la décadence et de la chûte de l’empire romain." Paris 1788-1795 - 18 vol. in 8.

       Deze vertaling uit het Engels werd immers aangevat door niemand minder dan Lodewijk XVI, onder de naam Le Clercq de Sept-Chênes.

       Na het vierde volume zijn het Démeunier en Boulard die verder werken, later Cantwell en Marigné en dan opnieuw Boulard.

       In 1789 heeft Lodewijk XVI inderdaad andere dingen aan zijn hoofd, en in 1792 vindt Démeunier het beter een tijdje uit te wijken naar Amerika.

      

       Als logebroeder in Les Neuf Soeurs, samen met Court de Gébelin, was Démeunier nauw betrokken geweest bij de stichting in 1785 van een " Lycée " onder hoge bescherming van " Monsieur ", de broer van Lodewijk XVI, wiens secretaris hij was en uit wiens mecenaat over de " Musées de Paris " en het " Musée scientifique " dit onderwijsproject gegroeid was. Na de terugkeer van " Monsieur " le duc de Provence, als Lodewijk XVIII, in Parijs in 1815 zal dat Lycée tot 1848 bekend zijn als de " Athenée Royal ". Misschien was Le Clercqs vertaling van Gibbon in oorsprong wel als " wetenschappelijk " project voor het Lycée bedoeld.

        De kijk van een expert op de inhoud van het Lycée geeft ons een inzicht in de kwaliteit van de achtergrond waarin Van Hulthem wordt opgenomen.

       " Het Lycée was opgericht als een zijtak van het musée de Monsieur, en behield een excellente reputatie als een van de meer verlichte en toegankelijke centra van publieke wetenschappelijke opvoeding in Parijs. Zoals het Collège Royal waarop het in vele punten geleek was het Lycée in hoofdzaak begaan met het geven van een volwassenen opvoeding in alle onderwerpen van algemene interesse aan de hogere burgerij van het Parijse gemeenschaps-leven. Tegen de tijd van de Revolutie, had het reeds een respectabele traditie opgebouwd van onderricht dat er bewust op gericht was hetgeen aan het lichtgelovige publiek werd voorgesteld op te tillen boven de kwalijke fantasie in lezingen van mensen als Comus, Famin, Filassier, Miollan en Perrin. Tegen die handelaars in dubieus kaliber stelde het Lycée wetenschappers met academische kwaliteiten, met inbegrip van Condorcet, Lacroix, Deparcieux, Fourcroy, Ray en Süe.

       Na het uitbreken van de Revolutie onderging het instituut, geconfronteerd met ernstige politieke en financiële moeilijkheden, een drastische reorganisatie die het in staat stelde zijn eigen tradities temidden van het groot politieke tumult aan te houden.

       Een belangrijk aspect van de institutionele transformatie was de eliminatie van aristocraten van de lijst van geldschieters en de vervanging ervan door republikeinen die bereid waren te investeren   in die publieke onderneming. Het Lycée werd Lycée Republicain in 1793. De bekwaamheid van de directeur om zich prompt aan het veranderende politieke klimaat aan te passen ( werd Van Hulthem daar ook geen meester in? noot Jacky ) was duidelijk een van de grootste troefkaarten van het instituut. Die flexibiliteit was inderdaad een van de belangrijkste redenen van haar voortbestaan en was de hoofdkern van het voordeel van private, vrijwillige associaties boven verenigingen met affiliatie naar de overheid. Het contrast ging een aantal invloedrijke academici niet  verloren. "

( in Roger Hahn 1971 )

       Zo weten wij hoe wij ons de band van Van Hulthems levenslang mecenaat voor kunst en wetenschappen met een stabiele kern van academische interesse moeten voorstellen, en de ideologische aanzet voor bijvoorbeeld zijn initiatief in 1810 om via een " Société de Sciences des Lettres et des Arts " de Brusselse Academie her op te starten.

       Ik vraag mij af of Démeunier en Van Hulthem elkaar misschien al in Gent hadden ontmoet, tenminste als Démeunier naar hier gekomen was om bij Goessin over zijn op stapel staande druk te komen toezien. Zoniet dan kan ik mij niet van de gedachte ontdoen dat dit zeker in 1791 gebeurde. In Démeuniers optiek moet Van Hulthems ontmoeting met Mercy d’Argenteau als een echt wapenfeit gezien zijn want in de Gentenaar wist hij de hele praktische politiek belichaamd die hem tenslotte toch eerder al had genoodzaakt het drukken van zijn werk ver genoeg van Parijs te laten doorgaan.

       Daar denk ik ligt de echte sleutel van Van Hulthems introductie in de Parijse wereld, zijn aansluiting bij wetenschappelijke en filosofische kringen,  maar ook; sinds zijn prille jeugd na de dood van zijn vader, was Van Hulthem door kunstenaars opgevoed.

       Op negenjarige leeftijd was hij al leerling van Pieter Norbert Van Reyschoot, een geletterd schilder van wie hij later een stuk van zijn bibliotheek zal bezitten.

 

        Er bestond sinds het oprichten van de Parijse Academie voor Schone Kunsten ( Colbert, Perrault) een nauw contact tussen de Parijse en Gentse ateliers.Van Reyschoots grootvader Pieter Johannes won er in 1730 de tweede prijs schilderkunst. Niet alleen Gentenaars waren thuis te Parijs, ook Bruggelingen zoals Joseph Basile Van Praet, de conservator van de Nationale Bibliotheek waren niet zonder invloed.

       Van Hulthem telde heel wat Bruggelingen onder zijn vrienden, Karel Van Poucke bijvoorbeeld een boezemvriend van Pieter Norbert Van Reyschoot, of Jean Bernard Duvivier die sinds 1783 in het Parijse atelier van Suvée werkte, na zijn opleiding onder de Cock te Brugge.

       Centraal in het Parijse artistieke milieu stond het geslacht

Bailly, waarvan vier generaties de titel " Gardien de Tableaux de la Couronne " droegen en waarvan de laatste telg Jean Silvain Bailly op het ogenblik van Van Hulthems bezoek in 1791 door het volk tot burgemeester van Parijs, de eerste in de geschiedenis van de stad, was uitgeroepen.

       Nog in 1783, was de titel van Gardien des Tableaux, die Jean Silvain sinds zijn achttiende jaar in 1755 effectief vervulde, hernieuwd  met een bijkomende bevoegdheid, die van officiële historiograaf van het Musée du Louvre, zoals de Koninklijke Collectie toen noemde.

       In 1791 kwam Jean Silvain Bailly te Parijs extra in de belangstelling te staan door het fameuze Massacre des Champs de Mars, waar hij samen met Lafayette verantwoordelijk was voor het uit elkaar schieten van de massa die er was samengekomen om een petitie te tekenen voor de abdicatie van Louis XVI na zijn arrestatie te Varennes.

       Volgens Bailly, de burgemeester, waren daarbij slechts enkele doden en gewonden gevallen. Het volk sprak over minstens duizend waarvan de lichamen in de Seine geworpen waren om ze te doen verdwijnen. In 1791 kon de gebeurtenis nog geïnterpreteerd worden als een overwinning van de "monarchale democratie ", maar uiteindelijk was zij de oorsprong van een groeiende radicalisering der Jacobijnen die tenslotte Bailly op de guillotine brachten.

       Op het ogenblik van Van Hulthems verblijf was die dramatische gebeurtenis de oorsprong van het tot stand komen van de Club des Feuillants, een meer gematigde vleugel in de Conventie, waarin het merendeel van Van Hulthems latere connecties in Parijs zich verzamelde: rond Lafayette, Bailly, Barnave, Lameth... zo’n driehonderd leden van de Assemblée Constituante.

       Men zou kunnen zeggen dat de " Feuillants " meer tot het publiek van het " Lycée " behoorden, met een zekere " aristocratische " basis.

 

       Van Hulthem zelf zou van adel geweest zijn, een van zijn voorouders, een eerste schepen van de stad Gent, zou door Filips IV in 1659 tot de adelstand verheven zijn. In het " Wapenboek van de Belgische Adel " vinden wij slechts onder de naam Van Hulten, een Gentenaar die aan die beschrijving voldoet.

       Wil een genealoog - con cojones - alstublieft opstaan en ons dat kluwen ontwarren!!

       Van Hulthem zou de jongste van negen kinderen geweest zijn; waarom worden er dan zo weinig Van Hulthems aangetroffen in de Gentse geschiedenis; allemaal zusters?  Weinig? Behalve onze held en zijn vader       ( qua vader, en zonder verdere aanduiding) geen één!

       Zelf wist Van Hulthem ook niet met zekerheid wanneer zijn vader geboren was of overleden. Op het schutblad van " Description de tous les Pays Bas ... " van Louis Guicciardin een kostbare druk uit 1582, Christoffel Plantijn - Antwerpen ( B.H. 25765 ) kleefde hij temidden van de vignetten der voornaamste boekenliefhebbers uit onze streken het ex -libris van zijn eigen vader en noteerde " vignette collé sur les livres de mon père, Joseph François Van Hulthem, né à Gand le         , mort de la petite vérole dans la mème ville le    avril 1769, agè de 36 ans "  ( in Balis e. a. 1964 p. 102 )

       In 1914 gebruikte de La Valette Mombrun in zijn biografie van Maine de Biran de naam Van Hulten, om hetzelfde personage te beschrijven dat wij hier belichten. Deze (in)consequentie (?) was er de oorzaak van dat tot op heden geen enkele biograaf van Van Hulthem zijn vriendschap met Maine de Biran heeft achterhaald.

       Wat er ook van zij, allen beschrijven zijn " Feuillant " gedrag in de periode 1792-1795, zoals zijn aanvaringen met de Jacobijn Du Bosch en vermits zij dat gedegen, uiterst gedocumenteerd en in detail doen - de biografieën van Fernand Leleux (1964) en Luc François (1990) zijn van een schat aan bronvermeldingen voorzien - lijkt het mij aangewezen mij met mijn eigen zaak te bemoeien door in te gaan op ongepubliceerde aspecten.

       Als Van Hulthem op 17 juli 1799 voor de Raad van Vijfhonderd, waarin hij zetelt voor het Scheldedepartement, met succes de verdediging opneemt van de adel die op het punt staat als groep door een speciale belasting getroffen te worden, bewijst hij daarmee onrechtstreeks een dienst aan zijn boezemvriend Maine de Biran, op dat ogenblik een telg van verarmde landadel.

       Maine de Biran had ook in de Raad van Vijfhonderd gezeteld; zo waren zij in contact gekomen.

       In 1798 ( 18 Fructidor) behoorde het departement van de Dordogne echter tot de vermeende royalistische nesten die van de lijst van vertegenwoordigers werden geschrapt. Van Hulthem zelf had met een snelle interventie het behoud van vertegenwoordiging van het Scheldedepartement kunnen bekomen.

 

" Gedurende die periode in zijn leven schijnt de filosoof zeer verbonden te zijn geweest met een jonge Hollandse geleerde, Charles Van Hulthem ( V. Mombrun schreef Van Hulten - noot Jacky) afgevaardigde van het departement der Schelde bij de Raad van Vijfhonderd. De twee vrienden die ten tijde van Birans legislatuur gelegenheid hadden om elkaar dagelijks te ontmoeten op de zittingen van de Assemblée waren elkaar ook na de staatsgreep van 18 Fructidor aanhoudend blijven zien. Samen bezochten zij de letterkundige en wetenschappelijke instellingen, gingen naar de Thé Millin, het rendez-vous van de intellectuelen in die tijd, en namen deel aan de openbare zittingen van het Institut National. Begin 1798 zijn zij aanwezig bij de fameuze zitting waar Bonaparte lid gemaakt wordt van het Institut (...). Wij weten uit de brieven van Van Hulthem dat de twee vrienden de gewoonte hadden op zondag samen te gaan dineren in een restaurant gelegen op de hoek van de Rue du Bac. Omdat zij er de voorkeur aan gaven met het geld waarover zij beschikten boeken te kopen stelden zij zich de overige dagen van de week (- dixit Van Hulthem in een brief aan Biran - ) tevreden met een stuk brood."

       ( de la Valette Mombrun 1914 p. 116 )

 

       Ziet ge, het is beter de hele bladzijden te vertalen en aan de vergetelheid te ontrukken, zeker voor het fijnere detail dat zij voor Van Hulthems karakterschets aanbrengen.

 

       " Na een verblijf van 13 maanden in Parijs keert Maine de Biran naar de Perigord terug en vestigt zich op 1 juli 1798 opnieuw in zijn residentie " Grateloup ". De briefwisseling tussen de filosoof en zijn vriend Van Hulthem, laat ons toe de volgende vijf jaar te omschrijven als een der periodes waarin Biran de grootste intellectuele activiteit ontwikkelt.

       In zijn ijver beklaagt de eenzaat van " Grateloup " er zich over dat " zaken " hem de tijd roven om met zijn studie bezig te zijn.

       Van Hulthem, een praktische geest, beleert zijn vriend. Het betaamt, zo zegt hij hem, dat gij na de lange maanden te Parijs, zo nuttig doorgebracht u een beetje met huishoudelijke zaken bezig houdt. Die verandering van bezigheid zal uw wankele gezondheid wat opkrikken.

       - Het is nodig van een  gezond lichaam te hebben zodat de intellectuele faculteiten van hun volle kracht kunnen genieten en niettegenstaande wij, gij en ik, over die onveranderlijke substantie die in ons denkt andere ideeën hebben dan enkele sublieme filosofen van de dag, menen wij nochtans dat de fysiek invloed kan uitoefenen op de moraal, en dat storingen in onze gezondheid en langdurige ziekten een obstakel kunnen bieden aan de vrije uitvoering van onze intellectuele faculteiten. Sit mens sana, zeiden de antieken, in Corpore sano. - V.H. , 13 Mesidor an VI.

       Terwijl hij zijn vriend herinnert aan het studieuze leven dat hij te Parijs leidde, alle dagen bezig met wiskunde, fysica, chemie en natuurhistorie, op bezoek in litteraire kringen of ontspanning zoekend in een bespiegelende wandeling buiten of in het gezelschap van geleerden, nodigt Van Hulthem de Biran uit zoveel verworven kennis te laten rijpen en hij twijfelt er niet aan dat er spoedig een rijke oogst zal volgen ( 10 Thermidor an VI)

       Voor de rest in antwoord op de diepste wensen van de filosoof stuurt Van Hulthem hem van tijd tot tijd boeken op. Groot is de vreugde van de eenzaat als hij uit Parijs " La langue des Calculs " van Condillac ontvangt, Bacons " Novum Organum ", de werken van Lacroix en Lagrange, de " Mémoires de l’Institut " enz. ( deze " Mémoires..." zijn seminaal voor het werk van de Biran, dat werd opgebouwd in antwoord op de bijdragen van Cabanis ( 1798-1799) en Destutt-de Tracy ( 1800) daarin gepubliceerd - noot Jacky).

       Het is zonder ironie dat Van Hulthem aan zijn vriend kan vragen wat de filosofische transacties en wetenschappelijke bezigheden van het Institut de Grateloup zijn. De brieven van Van Hulthem leren ons dat gedurende die periode Maine de Biran niet ophoudt zich in de wetenschappen te verdiepen.

       " De gezelligaards in Parijs zullen het ongelooflijk vinden dat stellingen in de trant van  a-b-c = x  u zoveel plezier en geluk kunnen bezorgen."

       Maar enkele maanden later sluit de werkzame bewoner van Grateloup zijn boeken over algebra en driehoeksmeetkunde om zich vol ijver terug op de filosofie te storten die hij zowat een jaar heeft verwaarloosd.

       " Ik ben gecharmeerd " schrijft Van Hulthem " dat ge uw metafysische studies hernomen hebt, zij moeten de sterkte van uw meditaties zijn: Haec tibi erunt artes, en ik zou er niet kwaad om zijn mocht gij, zo uw gezondheid het toelaat, uw " Memoire sur l’influence des signes " kunnen afmaken en ter beoordeling voorleggen aan het Institut National. " ( 22 thermidor, an VI )

       Om de werklust van zijn vriend te stimuleren kondigt Van Hulthem hem enkele weken later aan dat talrijke concurrenten zijn aangetreden om de prijs, uitgeloofd door het Institut, te betwisten: C. Lancelin, onder andere, en een jonge officier die vanuit Colmar schrijft om zijn kandidatuur te stellen.

       Bij gebrek aan goede gezondheid en vrije tijd slaagde Maine de Biran er niet in het werk binnen de gestelde termijn te voltooien.

       Op 13 germinal, an VII ( 2 april 1799 ) bekroonde het Institut, dat een twaalftal inzendingen had ontvangen, deze die het was toegestuurd uit Colmar. De auteur ervan was M. de Gérando, die een van de beste vrienden van de Biran zal worden."

        (in La Valette Monbrun; 1914, pp. 119-120).

 

       Parijs, 6 frimaire an VII - Van Hulthem aan Biran: " Duvivier ( Jean Bernard cfr. supra - noot Jacky) heeft mij sinds een maand het portret van mijn vriend B... gebracht, achter glas, mooi ingelijst. De gelijkenis is groter dan toen gij het gezien hebt, de trekken zijn gemilderd, de tekening is zeer mooi, de uitvoering bewonderenswaardig. Mme de la Ferté, die het toevallig zag heeft het zeer bewonderd. Zij dacht dat het van Ysabey was. Uw vriendin Mme Chapelle vindt de gelijkenis zeer groot en is enthousiast. Ik zelf ben zeer voldaan. Nochtans, moet ik u bekennen, is er heel wat dat ik erin zou willen, en het portret, hoe mooi het ook is, staat ver van de originele perfectie. Gij weet dat onze vriend op zijn gelukkige fysionomie, de openheid, de eerlijkheid en de standvastige zachtheid draagt die het kenmerk zijn van de zuiverheid en de goedheid van zijn gevoelig en deugdzaam hart.

( de complimenten zijn bewust overladen, het betreft een ironische brief aan B... zelf, Biran moet voor het portret geposeerd hebben in 1797-1798 in Parijs temidden van Van Hulthems rijke artistieke vriendenkring - noot Jacky ).

       Welnu! Deze ideale uitdrukking, deze simpele en naïeve gratie die hem overal begeleiden en die hem boven het menselijke ras lijken te verheffen, is er niet, en nochtans houd ik ervan in een portret niet alleen de getrouwe weergave der trekken te zien maar ook die van de ziel die ze beroert. Ik weet hoe moeilijk het is. De beroemde Van Dijck behoort tot het kleine aantal die er in uitblinken. Ik schrijf u steeds wat ik denk, maar gij die onze vriend zo dikwijls ziet, lees hem dit gedeelte van mijn brief niet uit schrik van zijn bescheidenheid te kwetsen."

       Vanuit Gent, 12 germinal an X, enkele jaren later:

" Ik stuurde u uw portret op omdat ik dacht dat het uw echtgenote een plezier zou doen. De tekening ervan is zeer mooi en superieur uitgevoerd maar ik heb er nooit uw echt beeld in gevonden... had het u geleken ik zou er mijn nooit van gescheiden hebben. "

        ( in La Valette Monbrun 1914 pp. 526-527 )

 

       " 15 vendemaire an VIII ( 6 oktober 1799), stelde de " Classe des sciences morales et politiques de l’Institut " als onderwerp voor een prijsvraag voor: bepaal welke de invloed is van de gewoonte op de faculteit van het denken, met andere woorden, laat het effect zien op elk van onze intellectuele faculteiten dat voortkomt uit de frequente herhaling der zelfde operaties.

       Voordien, in april 1801 had een " Mémoire sur l’habitude " van Maine de Biran al een eervolle vermelding gekregen van de " Seconde Classe de l’Institut " maar een prijs werd nog niet toegekend. Maine de Biran besloot zijn tekst te herwerken en opnieuw in te dienen.

       Op 6 juli 1802 besloot de commissie van het Institut bestaande uit Cabanis, Daunou, Larevellière-Lépaux, Ginguené, Destutt de Tracy in gemeenschappelijk akkoord de prijs toe te kennen aan de " Mémoire..." van de Perigordijnse filosoof.

       Belast met het officiële rapport aarzelde Destutt de Tracy niet uit eigen naam en die van zijn collega’s te verklaren dat het bekroonde werk vol wijsheid was " en rijk aan fijnzinnige en diepe observatie, dat het een bewijs leverde van heel wat kennis en talent dat het een helder licht wierp op het onderwerp, en de wetenschap tot nieuwe vooruitgang zou aansporen."

       Maine de Biran was twee maanden voordien al van het succes voor zijn werk op de hoogte gebracht door een brief van zijn trouwe vriend Van Hulthem.

 

       Paris, 19 prairial an X, 2 uur in de namiddag

 

       Mon cher Biran,

       Gaudium magnum anuntio vobis.

       Laromiguière zegt mij zo pas dat hij met Destutt-Tracy en Cabanis heeft gesproken, twee rapporteurs in de kwestie over

" L’Influence de l’Habitude ". Zij hebben hem gezegd dat uw Mémoire superieur is aan alle andere en in Messidor zal bekroond worden. Zij leken te zijn gerustgesteld dat het aan zo’n eerlijk en dapper man toebehoorde.

       Dus, mijn beste, aanvaard op voorhand al mijn oprechte felicitaties en wees er van overtuigd dat dit mij meer plezier doet - gelijk ik aan mijn collega Laromiguière zegde - dan het mijn eigen mémoire betrof. Ik zal een bezoek brengen aan Cabanis, eertijds lid der Vijfhonderd nu senator, die ik heel bepaald ken. Zijn kennis zal u van pas komen.

       Ik omhels u in de vlucht

                   uw goede vriend,

                                          C. Van Hulthem

 

       ( in La Valette Monbrun, 1914, p. 127)

 

       Later weet Van Hulthem zijn vriend op de hoogte te brengen van de publieke belangstelling die aan het werk gegeven wordt.

      " Sirée moet een artikel schrijven voor de " Journal des Débats", Le Breton voor " La Décade ", de Gérando voor " le Magasin encyclopédique " " ( 14 frimaire an XII )

 

       " De wetenschappelijke beweging " schreef Pirenne ( geciteerd in Leleux 1964) over de nog-niet-Belgische zielstoestand van een volk " is niet veel bemoedigender dan de literaire beweging. De samenstelling van de academie in 1816 had weinig meer effect dan aan enkele grijsaards, overlevenden van het Oostenrijkse regime, de gelegenheid te geven hun memories, met hun achterhaalde eruditie, aan hun collega’s voor te lezen geheel in de trant van de XVIII-eeuwse methodes. Van de verbazende vooruitgang in de historische en filosofische kritiek in Duitsland kenden zij niets. Noch de Raepsaeten ( 1750 - 1832) noch de Martin de Basten ( 1758 - 1825) noch de Van Hulthemmen        (1764 - 1832) hebben zich verheven boven het niveau van eerlijke antiquairs of geleerde bibliofielen. De invloed van Frankrijk, de enige die het land kende, gaf meer elan aan de natuurlijke wetenschappen en de wiskunde.”

       O ironie!!

       In Leleux’s biografie ( 1964) uitgegeven door de Koninklijke Academie van België - Klasse der Letteren en de Morele en Staatkundige Wetenschappen - werd nog met geen woord gerept over de briefwisseling tussen Van Hulthem en Maine de Biran.

       Aan de basis daarvan ligt een samenloop van omstandigheden.

       Tussen de duizenden boeken in de Bibliotheca Hulthemiana bevond er zich welgeteld één door Maine de Biran: " Mémoire sur l’Influence des Habitudes " ( Paris, 1803, in B.H. 4155)

       Ik moet eerlijk bekennen dat mijn eerste reactie was: " dit kan toch niet, het was toch zijn vriend. " Natuurlijk kan het wel. Toen Maine de Biran in 1824 overleed waren er slechts drie publicaties van zijn hand verschenen waarvan de " Mémoire..." uit 1803 als enige met vermelding van auteur, de anderen waren " Examen de Leçons de M. Laromiguière ", 1817 en " Exposition de la doctrine philosophique de Leibniz " 1819 ( in Michaud " Biographie universelle " t. XXIII p. 602-626), en het is pas rond 1850, lang na de dood van Van Hulthem in 1832 dat iets van het belang van Maine de Biran bij het grote publiek doordringt.

       La Valette Monbrun in zijn biografie uit 1914, had het ongeluk te menen Van Hulthen te moeten spellen, zodat de naam Van Hulthem niet in academische cross-reference in verband met de Biran voorkwam. Maar eenmaal het verband gelegd kunnen wij gerust - à Gand comme à la guerre - een tiental Pirennen van antwoord dienen.

       Tenslotte wil het goede fortuin dat een van de weinige experten in de " verbazende vooruitgang in de historische en filosofische kritiek in Duitsland " - bedoeld is het werk van Kant - precies Joseph-Marie de Gérando ( 1772-1847) was, Maine de Birans boezemvriend en Charles Van Hulthems collega in de Commissie van de Société d’Encouragement de l’Industrie Nationale.

       de Gérando, of Degérando zoals de naam na de Franse Revolutie werd gespeld, was in 1793, na schermutselingen met het leger van de Conventie in zijn geboortestad Lyon, naar Colmar en Tübingen uitgeweken waar hij in 1798 huwde met Marie-Anne de Rathsamhausen. In 1801 won hij met zijn " sur l’Influence des Signes " de prijskamp van het Institut en in 1804 verscheen zijn " Histoire comparée des systèmes de philosophie relativement aux principes des connaissances humaines " ( in B.H. 3695 ) waarin hij kritisch het werk van Kant introduceert ( Prolegomena, Metafysische Anfangsgründe der Naturwissenschaft, Metaphysik der Sitten, e.a.)

       Dit werk wordt in 1806 in het Duits vertaald en in de "Göttingische Gelehrten Anzeigen " ( 1806) op lof onthaald als het werk waarmee het kritische aspect van Kants filosofie misschien eer in Frankrijk dan in Duitsland werd gewaardeerd.

       Degérando zou als bronnenmateriaal in de " Histoire Comparée..." tevens over niet gepubliceerde correspondentie met Wilhelm von Humboldt, over Kant, beschikt hebben ( zie: dr. Wilhelm Köster: "Joseph Marie Degerando als Philosoph " Geschichtliche Forschungen zur Philosophie der Neuzeit band II, Paderborn 1933 ).

       In 1804 wordt de Gérando, algemeen secretaris van het ministerie voor Binnenlandse zaken, in 1808, maitre de requêtes, in 1811 conseiller d’Etat, een post die hij tot 1832 zal bekleden. Pas in 1827 knoopt hij met " Sur l’education des sourds-muets de naissance " terug aan bij zijn filosofisch werk uit 1801.

 

       In ieder geval bleef Degérando in Duitsland bekend als de eerste Fransman die een kritisch historisch werk over filosofie publiceerde.

 

       Misschien is dit hier de plaats om even aandacht te trekken op een niet onbelangrijk kritisch historisch aspect in het werk van J.S. Bailly; temeer omdat hij dikwijls als een zeer kleurrijk dillettant beschreven wordt als zijn academisch werk ter sprake komt.

       In " Sur l’origine de fables..." beschrijft hij de psychehistoriek van de menselijke soort in termen van een evolutie van kind naar volwassene. De semantiek van de fabel wordt er beschreven als beïnvloed volgens de graad van ( naïeve) primitiviteit voorafgaande aan de volwassen rationaliteit van een moderne beschaving; wat hem in het gezelschap van de veelbesproken Italiaanse filosoof Giambaptista Vico ( 1668-1744) brengt.

       Centraal in het vraagstuk van intellectuele affiliatie tussen beiden staat het " verlichte " gebruik van uitzonderlijke boekencollecties. Tenminste in één belangrijke Parijse bibliotheek waren het fameuze meesterwerk van Vico " Scienza Nuova " en de " Raccolta d’opuscoli scientifici e filologici ", waarin Vico’s " Autobiografie " verscheen, voor het geletterde publiek beschikbaar want zo wordt gezegd ( Gustavo Costa : " Vico’s influence on Eighteenth-Century European Culture " in : Social Research, autumn 1976 ), de eigenaar van de indrukwekkende collectie beschreven in de " Catalogue de la bibliothèque de feu M. Falconet, Médecin Consultant du Roi et Doyen des médecins de la Faculté de Paris " ( Paris 1763 in B.H. 21564 2 ex.) was een genereus uitlener van boeken.

       Expliciete referentie naar Vico vond men al in " Histoire de la jurisprudence romaine " ( 1750) van Antoine Terrasson, en onrechtstreeks zou Vico’s werk Turgots " Onderzoek naar de oorzaken van vooruitgang en neergang van wetenschappen en kunsten " ( 1748) beïnvloed hebben.

       Turgot was een befaamde " Compagnon de route " van Condorcet. Minder bekend is dat hij, in Limoges nog, verantwoordelijk was, samen met de advocaat Jean Baptiste Cabanis, voor de introductie van merino schapen in Frankrijk.

       We onthouden dit omdat wij straks dieper op het verband wetenschap/agricultuur ingaan.

 

       Jean-Baptiste Cabanis, een amateur van agro-economische    wetenschappen en auteur van een "Essai sur la greffe " ( 1764) ( Liège, 1782, in B.H. 6013), was de vader van Van Hulthems bekende, Pierre Jean Georges Cabanis ( 1757-1808). Ook minder bekend is de Duitse taalvaardigheid van Georges Cabanis, hij vertaalde al uit het Duits tijdens zijn verblijf in Warschau  ( 1773 -1775).

 

       Een ander aspect van de filosofische transacties op dat ogenblik was het contact van de Duitse romantische stroming met de Nederlandse, Frans schrijvende filosoof Hemsterhuis, met wiens werk over esthetica en kunstgeschiedenis Van Hulthem al zeer vroeg bekend was.

       Frans Hemsterhuis ( 1721-1790) is een uitzonderlijk ( en zonderling) Nederlands filosoof die zijn werken voor een beperkt publiek in het Frans schreef. Hij had Diderot, d’Alembert, d’Holbach e.a. persoonlijk gekend en het was tot hen en hun leerlingen dat hij zich richtte. Later kreeg hij ook bekendheid onder de Duitse filosofen Lessing, Jacobi, Kant, Herder en Goethe die hij persoonlijk ontmoette.Van Goethe wordt aangenomen dat hij zich voor de " Kleurenleer " heeft laten inspireren door Hemsterhuis' " Brief over de optica aan Diotoma" gericht aan prinses Gallitsin.

       Hemsterhuis had een excentrieke afkeer van genootschappen. In de annalen van de Hollandse Maatschappij der Wetenschappen van Haarlem, waarvan hij in 1772 lid was gemaakt, is slechts één aantekening van hem bekend (aantekening bij C.A. Kloekhof " Proeve over ‘s menschen gewaarwording van zijn lichaam “).

       Van Hulthem werd in 1808 lid van diezelfde Maatschappij, maar hij moet al vroeg met de naam Hemsterhuis bekend geweest zijn, die had in 1769 immers al een " Lettre sur la sculpture " geschreven, die Van Hulthem waarschijnlijk al in Van Reyschoots atelier onder ogen kreeg. Dat soort kleinschalig werk - Lettre sur la sculpture telde 31 blz. ! - vulde op " filosofische " wijze de kennis aan van de " eerlijke antiquaires " en illustreerde de geschiedenis van hun muntencollecties.

        Van Hulthem was zelf een muntenverzamelaar, bekend met de grote Nederlandse verzamelingen van De Wilde en Van Damme met wie Hemsterhuis banden had ( Van Hulthems penningencollectie ging verloren in de Omwenteling van 1830).

       Van Hulthem beschikte naast het kleinere werk van Hemsterhuis ook over " Oeuvres philosophiques " uitgegeven in 1792 (BH 3930).

       Hoogstwaarschijnlijk introduceerde Van Hulthem het werk van Hemsterhuis - wiens esthetica was opgevat als een dialoog met de Duitse archeoloog Winckelman - bij Maine de Biran in de periode van de poseersessies voor het portret bij Jean Bernard Duvivier.

       Ter gelegenheid van de herdenking door de Société Française de Philosophie - scéance du 19 juin 1924 - naar aanleiding van de honderdste verjaardag van het overlijden van Maine de Biran, werd als curiosum een onuitgegeven filosofische schets over de esthetica der schone kunsten door de Biran, aan het publiek voorgesteld. Het is verre van denkbeeldig dat deze oefening, die niet onmiddellijk tot het werkterrein van de Biran behoorde tot stand kwam als element in de dialoog met Van Hulthem. Misschien lag daarin de aanzet voor Maine de Biran om in 1815, nadat hem via het boek " de l’Allemagne " van Mme de Staël Hemsterhuis als voorloper van Kant was ingeleid, de filosoof grondig te herlezen ( de Biran "Journal" mei 1815).

 

       In eerste instantie waren ooit tienduizend al gedrukte exemplaren van " de l’Allemagne " van de Staël, door Napoleon laten vernietigen, en niet alleen de Staël maar ook Destutt-Tracy (Commentaire sur l’Esprit des Lois ), J.B. Say ( Traité d’economie politique ), de Chateaubriand ( Essai sur les Revolutions ) waren het slachtoffer van de censuur.

       De La Valette Monbrun hield het erop ( maar de datum 1807 in zijn betoog klopt niet) dat Napoleon zelf de op stapel staande uitgave van Maine de Birans " Mémoire sur la Decomposition de la Pensée " ( 1805) onderbrak, hetgeen aanleiding gaf tot de volledige uitgavestop van Maine de Biran in Frankrijk, en de bekroning van zijn werken nog slecht gebeurde door buitenlandse academies: Berlijn, Kopenhagen.

       In 1797 al was de opkomst van Napoleon scherp op de korrel genomen in een artikel voor Dupont de Nemours' " l’Historien ",  van de hand van Maine de Biran: daar werd de nefaste invloed van een dictatuur op een jong burgerlijk bestuur voorspeld.

       Waarschijnlijk was ook dit een element dat Napoleon ertoe aanzette de Ideologen te wantrouwen.

        De Ideologen dat waren de moderne Franse filosofen van die tijd: Cabanis, Destutt de Tracy en hun aanhang, de vrienden van de Biran en Van Hulthem.

       " Was Maine de Biran een ideoloog?  " vroeg La Valette Monbrun zich af    ( op.cit. pp; 230-231) : " M. Picavet in zijn werk " Les Idéologues " achtte het niet nodig de auteur van de " Mémoire sur l’Habitude " bij de filosofen van die naam te rangschikken, terecht overigens. Nochthans is het zo dat, als Biran niet als ideoloog gestorven is maar als een tegenstander van " les Idéologues " hij in de ideologie zijn debuut maakte en lang als een betere Garat, Tracy of Laromiguière werd beschouwd. Gedurende de eerste jaren van zijn carrière als filosoof noemt de auteur van " Memoire sur l’Habitude " zichzelf een leerling van Condillac. Als er een boek uitkomt zoals " Essai sur la théorie du raisonnement " waarin een Brusselse filosoof de Nieuport, de logica van Condillac bekritiseert stuurt Van Hulthem onmiddellijk het boek aan zijn vriend om hem zijn oordeel te vragen: " Aan u waarde ideoloog, te beoordelen of uw meester er met succes in aangevallen en weerlegd wordt ".

( Bij Van Hulthems exemplaar noteerde Voisin : " Exemplaar met de hand gecorrigeerd door de auteur en door hem aan Mr. Van Hulthem geschonken "  (1805), de Nieuport werd voorzitter van de Brusselse Academie voor Wetenschappen toen Van Hulthem er secretaris van was ( 1816 ) - noot Jacky)

       " Als Biran in Parijs verblijft behoort hij tot het vaste gezelschap van Auteuil (...) en is er de vriend van de beroemde Ideologen die hem als een der hunnen beschouwen" (1805).

 Als hij naar de Perigord is teruggekeerd schrijft Van Hulthem hem:

" Al de Idéologen die mij dikwijls over u spreken, groeten u " (14 frimaire an XI). De " Mémoire sur l’Habitude " had hem omzeggens tot ideoloog gekroond; de " Mémoire sur la Decomposition de la Pensée ", niettegenstaande de kritiek op Condillac, maakte hem in de ogen van het publiek tot een impertinent ideoloog. Maar in die tijd toen vrijheid van denken, behalve die van Bonaparte, niet bestond moest Biran tot zijn schade ondervinden dat men niet ongestraft ideoloog was.

       De auteur van " Mémoire sur l’Habitude " ondervond heel wat moeilijkheden om een plaats in de administratie te bekomen. " Als ge bekroond zijt, " schreef Van Hulthem ( 10 floreal an X ) " zal dat uw benoeming zeker bespoedigen." Ondanks de ijver van zijn vrienden in de ideologie, waarvan meerdere zoals Cabanis, de Gérando, Destutt de Tracy, Daunou een zetel in de keizerlijke senaat of in het tribunaat bekleedden moest de filosoof meerdere jaren geduld uitoefenen om zijn wens gerealiseerd te zien.

       Verschillende malen solliciteert Biran een plaats in het openbaar onderwijs; die wordt hem telkens geweigerd. " Het is onmogelijk dat men een man als u vergeet " verklaarde Cabanis na de bekroning van " l’Habitude ". Alles doet geloven dat de filosofische successen van Maine de Biran die hem openlijk bij de ideologen classeerden, hem meer hinderlijk dan nuttig maakten in de omgeving van de Eerste Consul. "

       In 1803 ( arrest van 23 januari ) liet Napoleon de basis van de ideologen ttz. de klas van morele en politieke wetenschappen aan het Institut National sluiten. " C’est la guerre ouverte déclarée à notre science chérie " schreef Cabanis aan Maine de Biran.

       In 1803 werd Van Hulthem door het college van het Scheldedepartement waarvoor hij als tribuun zetelde voorgesteld als kandidaat senator en door Eerste Consul Napoleon als senator aanvaard.

       Op 18 december 1803 schreef Van Hulthem volgend briefje aan La Martillière, Vice-president van de senaat : 

       Citoyen Vice-President,

       Zijnde een van de drie kandidaten die door de Eerste Consul zijn voorgedragen voor de Senaat, acht ik het mijn plicht u te doen opmerken dat ik vier maand onder de vereiste leeftijd ben. Ik vraag u de Senaat daarvan in kennis te stellen.

       Ik heb de eer u met respect te groeten,

 

       " Het is spijtig dat de prijs voor de délicatesse die hem dwong een onthulling te doen die men van hem niet vroeg ( onderlijning Jacky ) is dat de citoyen Van Hulthem zijn naam van een honorabele lijst ziet weggetrokken ." verklaarde senator Emery, op de speciale zitting waarop het geval diende te worden behandeld.

       Van Hulthems reactie werd hem niet in dank afgenomen in de politieke kringen van het Scheldedepartement; de Eerste Consul, zegt men, haalde zijn schouders op, maar zijn vrienden ideologen konden zijn stellingname als een subtiel verzet interpreteren.

       Zijn houding past wonderwel in het kader geschetst door een vrijmetselaarsgedicht dat door Louis Amiable in zijn " La Loge des Neuf Soeurs " ( Paris, Alcan 1897 ) uit het corpus van die loge werd gelicht ( in Ligou e.a. 1987 )

 

Mais si l’abus de la puissance

A ramenée l’égalité

Souvenons-nous que la licence

Tue à son tour la liberté.

Redoutons l’orateur perfide

Dont l’eloquence legicide

par des sophismes nous trahit

La loi n’a ni parti ni secte

et le sage qui la respecte

est libre quand il obeit.

 

       In 1804 behoorde Van Hulthem tot de weinigen die tegen Bonapartes keizerschap stemden. Veel later nog, in 1813 na de nederlaag bij Leipzig,  vond de kritiek op Napoleon een scherp standpunt in de veroordeling door de  " Commissie van Vijf " van nieuwe oorlogsbelastingen en de hernieuwde aandacht voor de burgerlijke vrijheden zoals die zich hadden ontwikkeld en geplaatst, als een - voor het keizerschap ontoelaatbare - toegift aan de vrede, in een Frankrijk teruggebracht tot haar natuurlijke grenzen. De belangrijkste architecten van dit voorstel dat op 29 december 1813 met overweldigende meerderheid door het Corps Legislatif werd aangenomen waren Maine de Biran, Lainé en Raynouard.

       Op 30 december 1813 was de op stapel staande druk van het commissierapport al door Napoleon vernietigd en toen ter ere van het nieuwe jaar (1 januari 1814) de staatslichamen aan de keizer werden voorgesteld donderde hij het Corps Legislatif toe " Gij hebt mij, mijne heren, met modder willen besmeuren maar weet wel dat ik iemand ben die men doodt niet iemand om ongestraft te beledigen. De genaamde Lainé is een verrader die met de Bourbons heult via de advocaat de Sèze (lid van Les Neuf Soeurs - noot Jacky). Ik zal jullie in het oog houden. Ik richt mij niet tot iedereen hier, maar de massa heeft zich laten leiden door een paar gevaarlijke  menners in wie ik de geest herken van de Gironde en van Auteuil "

( in La Valette Mombrun 1914 )

       De Gironde dat was Lainé die de oude adel vertegenwoordigde, Auteuil dat waren de filosofen in de persoon van Maine de Biran.

       Het is om vooral het belang van de kring van Auteuil te onderstrepen dat ik hier een karpersprong in de geschiedenis maakte.

       Het zal de lezer duidelijk zijn dat om Van Hulthem in zijn tijd te portretteren, de samenhang van de achtergrond scherp dient te worden aangeduid.

 

       De kring van Auteuil situeerde zich in oorsprong in het salon van Anne-Catherine de Ligniville d’Autricourt ( 1719-1800 ) bekend als Mme Helvetius.

       Behalve Benjamin Franklin in de periode 1776-1779 , schitterden er volgende namen : d’Alembert, Diderot, d’Holbach, Chamfort, Mirabeau, Condillac, Volney, Garat, Condorcet, en Turgot die er in 1778 de twintigjarige P.G. Cabanis introduceerde.

        Cabanis werd door Mme Helvetius als een zoon binnengehaald, en het is Cabanis die na de dood van Mme. Helvetius haar huis, 59 rue d’Auteuil blijft bewonen en er de kring levendig houdt.

       Ondertussen is er echter de stormwind van de terreur overgetrokken, de twee meest memorabele slachtoffers zijn de Condorcet en de onvergelijkbare Chamfort ( " l’Importance sans mérite obtient des égards sans estime " Maxime in " Oeuvres de Chamfort, receuillies et publiés par un de ses amis " Paris an III 1795 in B.H. 13558). Het is enkel de dood van Robespierre die het lot van andere vrienden veilig stelt. Volney, Daunou, Guingené, Roucher, abbé de la Roche verlaten de gevangenis, Destutt de Tracy, die op 11 thermidor zou moeten voorkomen hebben ontsnapt op het nippertje aan het halsrecht. Het zijn deze laatsten die de kern van de ideologen uitmaken. Garat, Volney, Cabanis, Guingené, de Tracy worden de geaggregeerden van de klas van morele en politieke wetenschappen, terwijl Guingené ook nog het tijdschrift " la Décade philosophique " uitgeeft waarin hij ondermeer de lof zong van Van Hulthem in verband met diens leerplan voor de les literaire geschiedenis aan de Centrale School te Gent.

 

       Als op 15 december 1799 de Constitutie van het jaar VIII, bekend als de Constitutie van Sieyès, naast Eerste Consul Napoleon, een Staatsraad, een Wetgevend Lichaam, het Tribunaat en een Behoudende Senaat in het leven roept is zij eerst " en petit comité " besproken door Lucien Bonaparte, Lemercier, Tallyerand, Boulay de la Meurthe, Regnier, Roederer en Cabanis.

       Het is Daunou die de eerste voorzitter wordt van het 100 leden tellende Tribunaat, een lichaam waarin hij Napoleon nog heel wat hoofdbrekens weet te bezorgen en waarin Van Hulthem in 1802 wordt opgenomen. Het is nodig de naam Cabanis verbonden aan het staatsvormende comité van 1799 te accentueren omdat daar waarschijnlijk een verband ligt met een merkwaardige tussenkomst van Van Hulthem.

       De Constitutie van Sieyès was het sluitstuk voor de befaamde " 18 brumaire " de staatsgreep van het Napoleontische Comité o.l.v. Lucien Bonaparte tegen het Directoire ( waarvan de Constitutie was opgesteld door Daunou : de Constitution de l’an III ).

       Napoleon werd op die dag tijdens hun zitting te Saint Cloud gemolesteerd door leden van de Raad van Vijfhonderd, troepen werden er bij gehaald, een aantal tegen Napoleon opposante leden aangehouden, waaronder - ten onrechte - de jonge Beytz.

       In de nacht van 18 op 19 brumaire ( cfr. A. Voisin, 1836 ) slaagt Van Hulthem erin zijn vriend, dankzij zijn contacten bij de leden van de Commissie, van een deportatielijst te laten schrappen.

       Van Hulthem was reeds in verband met de toestand van zijn oude vriend Mgr. Nélis in contact met Tallyerand en Lambrechts, de minister van justitie onder het Directoire, maar om, op het ogenblik van een staatkundige omwenteling zelf precies te weten bij wie de uitvoerende macht berust, daarvoor moet men goed geïnformeerd zijn, tenminste om in vertrouwen te kunnen vragen wat men wil. Zo iemand, nochthans, was Van Hulthem. Wij hebben gezien in zijn briefwisseling met Maine de Biran dat hij meer bij de ideologen aanleunde dan bij de entourage van het politieke beest Tallyerand, vandaar mijn vermoeden dat hij in bovengenoemde omstandigheden waarschijnlijk meer vertrouwen had in Cabanis en diens vrienden van Les Neuf Soeurs, waaronder Sieyès.

       Van Hulthem was op dat ogenblik inspecteur van de Nationale Drukkerij.

        Er zijn twee tussenkomsten van hem bekend in verband met een procedure die erin bestond een boek publiek te verdedigen vooraleer het in de Raadsbibliotheek der Vijfhonderd werd opgenomen.

       Een eerste pleidooi gold " Notice d’un livre imprimé à Bamberg en 1462 " door Camus, waarin hij de geschiedenis der drukkunst behandelt en zijn landgenoot, Van Praet, conservator van de Bibliothèque Nationale, in de bloemen zet;  een tweede " l’Histoire de mathematiques " door Montucla.

      In diezelfde periode werd er de posthume uitgave voorgesteld van J.S. Bailly’s " Essai sur les fables et leur histoire " ( Paris , an VII - 1799 in B.H. 12029 ). ( cf. supra )

      Het boek bevond zich in Van Hulthems bibliotheek met de redevoering van Faulcon, voor de Raad van Vijfhonderd, en die van P.C.L. Boudin voor de Raad der Ouderlingen, eraan toegevoegd.

       Het werk werd exclusief verkocht door Debure, boekhandelaar van de Bibliothèque Nationale zodat het waarschijnlijk op de persen van de Nationale Drukkerij was geproduceerd.

      In datzelfde jaar werd door de minister van binnenlandse zaken Laplace, een buitengewoon pensioen uitgekeerd aan de weduwe Bailly. De minister Laplace was ook een oud lid van Les Neuf Soeurs evenals zijn voorganger de Neufchateau, die in zijn functie van minister op 10 november 1798 de noodzaak voor een programma voor literatuurgeschiedenis aan de centrale scholen had uit- gevaardigd, dat Van Hulthem als bibliothecaris der Centrale School te Gent zo meesterlijk wist in te vullen.

       Dit zijn volgens Leleux slechts enkele voorbeelden van onderwerpen die in detail (!) werden behandeld : de literatuur der Chaldeërs; staat der wetenschappen en kunsten bij de Etrusken; vooruitgang van de Griekse literatuur plus invloed van klimaat en vrijheid (sic); de idee van romeins recht, gregoriaanse en hermogeense codex; kerkelijke literatuur; weerleggen van ketterij; sacrale poëzie; Babylonische en Jeruzalemse Thalmud; beroemde rabbijnen; oorzaak van de slechte staat der letteren sinds Karel de Grote; Arabische literatuur, vergelijking van Arabische met Griekse en Latijnse literatuur; oorsprong van de scholastiek; invloed van de Arabieren op de geneeskunst; ontdekking van papier op basis van linnen en katoen; buskruit en zijn gebruik in Europa; invoeren van universiteiten; de idee achter de valse decretalieën en de echte collectie van Isidoor van Sevilla ( komaan, lezer nu de moed niet opgeven ! - noot Jacky ) hernieuwing van de pandecten in Amalfi rond 1137; de oudste monumenten in elke taal; uitvinding van de schilder- kunst door Jan van Eyck rond 1410; Pieter en Laurentius de Medicis beschermer der kunsten; oprichting van de universiteit van Leuven; ontdekking van de drukkunst, van de gravure; de Portugezen varen rond Kaap de Goede Hoop; de instelling der Jezuïetenorde; de Academie Française; kan de XVIIIde eeuw aanspraak maken op de titel Eeuw van Verlichting en Filosofie; Genève; het groot aantal vooraanstaande personen die de stad heeft voortgebracht; de oprichting van de Academie van Berlijn en van St. Petersburg; de Franse Revolutie en haar invloed op de letteren; enz. enz.

 

       A. Voisin noteert : " Dit programma werd overgedrukt in " Magasin encyclopedique " van Millin, Guingené sprak er met grote lof over in zijn " Décade philosophique " en Camus vermeldt het eervol in zijn " Voyage en Belgique " en in zijn rapport aan het Institut ( Paris Boudouin, an XI in 4°, pp. 74-76 ). ”

       Leleux, een sympathiserend biograaf van Van Hulthem, vond het spijtig dat de uitgegeven tekst van die lezingen niet is teruggevonden.

Het is zeer goed mogelijk dat Van hulthem improviseerde, zij het met een uitstekende kennis en - wat overigens volkomen nieuw was - met voortreffelijk didactisch materiaal bij de hand. Gutenberg bvb. werd uitgelegd met een door Gutenberg gedrukt werk onder de hand...

      Van Hulthem was goed thuis in de kunst van het geheugentheater, getuige de grote verzameling boeken over dit onderwerp, in zijn bibliotheek. ( Bv. Art de la Mémoire naturelle et artificielle : B.H. 8842 tot en met 8869 ).

       Zijn " topoi ", ttz. de plaatsen waar het geheugen als het ware aan opgehangen wordt, waren zijn boeken, een prachtige band betekende voor hem een uitstekend verhaal dat hij dikwijls verduidelijkte op de schutbladen      ( " rare et peu commun " ).

       Later toen hem als secretaris van de Brusselse Academie verweten werd dat hij geen acten noteerde antwoorde hij : " het zit allemaal hier " wijzend op zijn hoofd. De Nieuport, toen directeur der Academie zou daarop geantwoord hebben : " Als het daar zit dan kan het nooit veel zijn ! ".

 

       Wij zagen al Van Hulthems interesse in het werk van Nieuport, genoeg om te vermoeden dat dit meer een woordspeling onder vrienden was, dan de strenge terechtwijzing van een meerdere, die de meeste biografen ervan gemaakt hebben. In ieder geval valt het te betreuren dat er inderdaad geen volumes van zijn hand konden worden uitgediept, de manke referentie van Pirenne zou nooit hebben bestaan.

 

       Trouwens, nu we het toch over geschiedenis hebben.

       De historische kritiek in Frankrijk moest niet minderwaardig geschat worden aan de Duitse in Van Hulthems tijd.

       Het mag zijn dat een zekere nonchalance die precies in weten- schappelijke kringen geldt de oorzaak is van het misleggen van gegevens. Soms kijkt er iemand uit een onbevangen gezichtshoek terug. Zo viel het tenminste één studente ( Simon 1940 ) in de geschiedenis op dat voor Frankrijk de historische kritiek aanving in het werk van Henri de Boulainviller( 1658-1722) dat sommige textueel vergelijkbare bijdragen door Voltaire met meer dan zestig jaar (!) predateert.

       Zoals voor veel punten in mijn betoog is het ook hier weer spijtig genoeg noch de tijd noch de plaats om er dieper op in te gaan, maar het is duidelijk dat ook daar een belangrijke sleutel ligt voor de ontwikkeling van Van Hulthems intellectuele profiel. Ik doe nogmaals een beroep op een minimum aan geduld.

       Henri de Boulainvillers beschreef zijn eigen opvatting over historische kritiek als volgt :

       "Ik zal proberen de mirakels, zelfs die van de schepping en de zondvloed te verzoenen met de ideëen welke de natuurlijke filosofie ons biedt, in de overtuiging dat het de waarheid dienen is, en de meest zekere methode om twijfels en onzekerheden te verwijderen; niet dat ik de voordelen niet ken van de perfecte onderwerping welke onze godsdienst eist, maar omdat ik weet dat niet iedereen daartoe in staat is.

       Dit principe dat ik altijd als onveranderlijk zal beschouwen zal er mij onvermijdelijk toe brengen het tegendeel ervan te veroordelen waar ik het ook tegen kom, zelfs in de persoon of de afstamming van de Patriarchen, hoe venerabel wij ook mogen denken dat zij zijn, maar ik ben er van overtuigd dat recht en waarheid ons nog meer respect dienen te doen opbrengen, en dat geen enkel belang hen in onze achting moet bevooroordelen “.(in Simon 1940)

       De Boulainviller schreef dat in het begin van de XVIIIde eeuw. Zijn hoge bescherming aan het hof had hij in de persoon van de Duc de Noailles, die behoorde tot de schoonfamilie van de Lafayette.

      Saint Simon, die in zijn beroemde mémoires het hof van Louis XIV grondig over de hekel haalde sprak met hoge achting over hem.

       In zijn levensbeschrijving van Mohammed benaderde hij zozeer het menselijke aspect dat men dacht dat hij zelf moslim geworden was ( in "Quietisme en Sufische gezindheid in de XVIIde en XVIIIde eeuw " vertaalde ik enkele karakteristieke pagina’s - noot Jacky )

( " Le comte de Boulainviller, histoire des arabes avec la vie de Mahomet ", Amsterdam 1731 in B.H. 19056).

       Hij gebruikte een forum tegen Spinoza om diens filosofie in Frankrijk te introduceren, en uit intelectuele eerlijkheid  vertaalde hij diens " Ethica ", welke vertaling pas in 1904 werd uitgegeven .

( " Refutation des erreurs de B. Spinoza, par de Fénélon, le P. Lami et le Cte de Boulainviller : avec la vie de Spinoza par J. Colerus ", Bruxelles 1731 in B.H. 2445 - in de bibliotheek (B.H. 3848) bevond zich onder ander werk refererende naar Spinoza ook " J.F. Werder, exercitatio historico-philosophica de Spinozismo ante Spinozam " Halle , 1701 )

       In " Idée d’un système general de la nature." een jeugdwerk uit 1683 beleidt hij de theorie van zijn meester J.B. Van Helmont.

       Van Hulthem kende zeer goed het werk van de Boulainviller en ik verdenk er hem van een grote bewondering voor hem te hebben gehad. Niet alleen stond in zijn bibliotheek zowat alles ( op " Idée d’un système..." na ) wat Henri geschreven had, en bewezen aantekeningen op schutbladen dat hij het ook gelezen had, maar hij bezat ook twee waardevolle manuscripten van Boulainviller uit de nalatenschap van Armand-Gaston, Cardinal de Rohan-Soubise : " Critique de Mézeray sur l’histoire de France " en " Receuil de ses lectures sur les religions " ( 6 tomes en 3 gros vol. in 4° ). Voisin noteerde " goede copy van een werk dat nooit is gedrukt ".

 

       In 1806 maakt Van Hulthem deel uit, samen met Degérando, van de delegatie van de " Société d’Encouragement pour l’industrie nationale " die aan de keizer het resultaat van hun werkzaamheden, gebundeld in geleerde volumes kwam aanbieden. Deze " Société d’Encouragement " waartoe Van Hulthem sinds zijn benoeming tot het tribunaat behoorde was Napoleons antwoord op het Institut der Ideologen. Practisch was zij in 1801 opgericht op aanstoken van de bankier Delessert en Lasteyrie, invloedrijke leden van de " Société d’agriculture de Paris ".

       In 1804 was Van Hulthem door de bestuursraad benoemd als een van de adjuncten voor hun comité d’arts économiques.

       Leleux vermeldt de samenstelling in een voetnoot. Als ik haar hier in de tekst opneem is het om enkele bijzonderheden te kunnen aanduiden, niet de minste zijnde de sterke band van de " arts économiques " met landbouw, een sfeer van interesse die zoals bekend voor Van Hulthem niet zonder betekenis was.

       Dus, de leden van het comité waren :

       Delessert, bankier; Lasteyrie, Société d’agriculture; Montgolfier, demonstrator aan het Conservatorium voor Kunst en Techniek en lid van de conseil general d’agriculture, art et commerce bij het Ministerie van Binnenlandse zaken; Cadet de Vaux, medelid in de conseil général, tevens lid van de société d’agriculture; Bouriat secretaris apotheker; Decandol van de Philomatische vereniging ( = een vrijwillige organisatie met private sponsors, zoals het Lycée ); Parmentier van het " Institut ", société d’agriculture; Pastoret, administrateur van de burgerlijke gasthuizen; Pictet, lid van de société pour l’avancement des arts de Genève.

       Collega’s adjuncten waren Grossat de Virly; Donant, hoofd van de nationale comptabiliteit, en Fréderic Cuvier, Inspecteur van de menagerie in de Jardin des Plantes.

       Met Montgolfier, Cadet de Vaux en Pastoret ( grootmeester in 1788-89 ) bevond Van Hulthem zich opnieuw in het gezelschap van Les Neuf Soeurs, met Cuvier in het gezelschap van een meester in de natuurgeschiedenis.

       Jean-Leopold-Nicolas-Fréderic (1769-1832) die, waarschijnlijk om hem te onderscheiden van zijn broer François, Georges Cuvier genoemd werd, was later ( met François ) een van de vaste discussiepartners van Maine de Biran toen die in 1812 te Parijs zijn eigen filosofische kring opzette met o.a. Ampère, Pastoret en Royer Collard.Hij had een studietijd doorlopen aan de Hohe Karlschule in Stuttgart waar hij bevriend was geraakt met Carl Friedrich Kielmeyer, een belangrijk " filosoof der natuur " die in 1801 een invloedrijk professor in de botanie, de pharmacie en de materia medica werd aan de universiteit van Tübingen.

 

        De 18de eeuw is de eeuw van de grote ontdekkingsreizen.

        Van Hulthem is vijf jaar als Cook in 1769, onder voorwendsel op Tahiti de conjunctie van Venus en Zon te gaan observeren, er een eerste maal op uittrekt, vijftien als diezelfde Cook in 1779 door inboorlingen ( van ginder - noot Jacky ) wordt gedood, vijfentwintig als de wereldreiziger La Perouse in 1789, sinds 1786 onderweg, als verloren wordt opgegeven - er is één overlevende van die expeditie, de Lesseps senior die in Kamchatka aan land was gezet om een rapport over de missie voor Lodewijk XVI op te stellen, in 1790 verschijnt zijn " Journal historique " over de tocht - pas in 1827, Van Hulthem is drieënzestig jaar, worden van overblijfselen van La Perouses expeditie toevallig door een Engelse zeevaarder ontdekt.

       Van Hulthem verzamelde een indrukwekkende collectie verhalen van grote expedities en kende zeer goed het werk van de Forsters, Johan Reinhold en Georg, respectievelijk vader en zoon, die Cook op zijn tweede reis ( 1773 ) hadden vergezeld in het gezelschap van Sparrman die in Kaapstad aan boord gegaan was; Sparrman de leerling van Linnaeus die op de Kaap een indrukwekkende proeftuin had opgestart en wiens werk " Voyage au Cap de Bonne Espérance et autour du monde avec la capitaine Cook " ( 1787 in B.H. 14440 2 ex .) rug aan rug stond met : " Characteres generum plantarum quas in itinere ad insulas maris australis collegerunt descripserunt et delinearunt annis 1772 ad 1775 " van vader en zoon Forster ( in B.H. 6856 ) en " Florulae insulaeum Australium prodromus " van Georg Forster ( in B.H. 6881 ). Met zijn tuin in Kaapstad zette Sparrman een traditie verder die in het begin van de 18de eeuw was ontstaan in de grote tuinen van Ile de France ( Pamplemousse en la Reduite ) en Mauritius waar Pierre Poivre specerijenteelt observeerde, of Tamatave, later, op Madagascar waar Michaux senior - vader van de mecenas der Hortus Gandavensis - litchi, goyave, advocado en mango bestudeerde.

       Johan Reinhold Forster ( 1729-1798 ) was professor en directeur van de botanische tuin van Halle, hij wordt aanzien als de grondlegger van de ethnische antropologie.

       Ligou ( 1987 ) vermeldt zonder voornaam een Forster als lid van Les Neuf Soeurs, ik vermoed dat het om de zoon Georg gaat die langere tijd te Parijs verbleef waar hij ondermeer met Anquetil Duperron ( vertaler van de " Zend avesta " en de " Upanishads " ) en Cuvier samenwerkte om het pionierswerk van de grote oriëntalist William Jones en zijn Bengal Society uit te geven in het Frans.

       In 1790 deed Georg Forster op zijn reis, in de Nederlanden en Vlaanderen, Gent aan. Zijn relaas schreef hij neer in " Reisen van Georg Forster in de Nederlanden in 1790 " ( Haarlem 1792-1793 in B.H. 2516 ).

       In 1788 wordt te Londen de " African Association " opgericht met het doel het Afrikaanse binnenland te exploreren; de voorzitter is Sir Joseph Banks scheepsgezel van Cook.

       De vereniging zal later de prestigieuze Royal Geographical Society of London worden. Lucas, Ledyard en Mungo Park ( 1797 ) worden de eerste grote reizigers naar het " Heart of Darkness ".

       In 1798 vertrekt de Duitser Horneman voor de A.A. op expeditie om te pogen de Niger te bereiken langs Noord Afrika. Hij heeft daarvoor eerst te Parijs Arabisch geleerd onder auspiciën van Lalande en Broussonet, leden van het " Institut " maar ook fellows van de Royal Society, zijn Britse tegenhanger, die de werking van de African Association van nabij volgen.

( zie " Memoire sur l’interieur de l’Afrique " van Jerome de Lalande, Paris an III - 1795 , in B.H. 19201).

       1798 is tevens het jaar dat Napoleon in Caïro het Institut d' Egypte sticht ( 20 augustus ) .

       Dit alles om het voor natuurvorsers enorm boeiende klimaat in focus te brengen, en nogmaals de invloed van Les Neuf Soeurs.

 

       Om dat soort zaken is het hem te doen in de geest van Van Hulthem als hij zijn bibliotheek uitbouwt, en het resultaat komt er, later, in het werk van Quetelet en Vandermaelen, de jonge garde van de Brusselse Academie, die aan de basis liggen van initiatieven als het Museum voor Wetenschappen en Letteren ( 1826 ) of het " Etablissement Geographique de Bruxelles " ( 1825 ) en waarvan het grote succes te danken is aan de vrije toegankelijkheid van de openbare cursussen die er werden gegeven; proefondervindelijke fysica en astronomie door Quetelet in het Museum, maar ook geschiedenis van de filosofie en de letterkunde, algemene geschiedenis en geschiedenis der wetenschappen, zoölogie, scheikunde, botanica , bouwkunde.

       Roland Van Opbroecke in " Radioscoop op... een kortstondig verenigd koninkrijk " ( 1982 ) vertelt:" Ook in de lokalen van het Etablissement richtte men kosteloze openbare leergangen in. Verscheidene leerlingen, zoals Alphonse Wauters, werden later lid van de Academie. De instelling kende een grote populariteit omdat de wetenschapsman ( Vandermaelen ) er voor zorgde dat zij voor iedereen toegankelijk was. Daarenboven werden er talrijke manifestaties met liefdadig doel in georganiseerd ten voordele van de behoeftigen der gemeenten : tentoonstellingen, concerten, bezoeken aan het Etablissement.

       Men organiseerde er ook voorstellingen van de " Amusante natuurkundige experimenten ", een ontspanning die toen zeer in trek was. "

        Is het overdreven daarin de geest van de " Sociétés libres " te herkennen zoals de Neuf Soeurs die sinds de revolutie bepleitten ?

       Nog even iets over Vandermaelen. Tussen 1825 en 1827 verschenen de zes delen van zijn monumentale Atlas Universel. Alle kaarten waren er op éénzelfde schaal in afgebeeld en voor hun reproductie had men de nieuwe techniek van de lithografie gebruikt, een techniek ontwikkeld te Brussel door de broer van de uitvinder Sennefelder in een atelier door de hertog van Arenberg in zijn paleis ter beschikking gesteld (1818).

       Toen Van Hulthem in 1802 lid werd van de " Société d’Encouragement.. ." was er nog geen sprake van lithografie, maar hij was het wel die in de schoot van de vereniging in 1805 het voorstel deed een prijs uit te loven voor het op punt stellen van de houtsnede en dit ter bevordering van de illustratietechniek voor boeken op het grootst mogelijk aantal exemplaren en zonder schade aan de drukplaat. Hout als basismaterie overtrof daarin koper met een factor 200 ( 40.000 houtdrukken voor 2.000 koperdrukken ). Met het oog op educatieve vulgarisatie was dit een enorm belangrijk gegeven. De prijs werd pas in 1810 effectief toegekend aan Duplat voor zijn superbe illustraties bij La Fontaine; toen was Van Hulthem al bedrijvig in Brussel als rector van de Keizerlijke Academie.

 

       En wie hout zegt, zegt bomen en bomen, botanica en daarmee zitten wij in het hart van Van Hulthems meest volgehouden wetenschappelijk werk.

       Van bij de oprichting van de botanische tuin te Gent in 1796, door B. Coppens en hemzelf, tot aan zijn dood in 1832 zal Van Hulthem die richting trouw blijven.

 

       Laat ons als richtbeeld, om de band met de Hortus Gandavensis in reliëf te brengen, de uitvaart voorstellen van Bernard Egidius Coppens ( 1756-1801 ), de medestichter.

       Op 28 juni 1801 ligt hij opgebaard in de Baudelokapel, die toen - samen met de andere gebouwen van de gewezen abdij - de locatie was van de projecten voor de oprichting waarvan hij als voorzitter van de " Jury des Arts " met Van Hulthem als secretaris, verantwoordelijk was : de Centrale School, de Openbare Bibliotheek, het Natuurhistorisch kabinet.

       De plantentuin bevond zich waar nu het Baudelopark is, en de Gentenaars zijn massaal opgekomen om een van hun meest illustere medeburgers te eren. Daar lag, wachtend op de onsterfelijkheid, de beroemde arts, lid van vijf internationale academies - Brussel, Londen  Parijs, St. Petersburg en Haarlem, hoordchirurg van de " Ecole de Médicine " te Gent, professor fysica en natuurhistorie aan de Centrale School, en auteur van " Terminologie botanique a l’usage des élèves de l’Ecole Centrale - Gand 1797 " waarvan het presentexemplaar uiteraard in Van Hulthems bibliotheek stond ( B.H. 6309 ).

       In hem beweende Van Hulthem een oudere jeugdvriend samen met de broer waarvan - David François Coppens ( 1759-1843 ) - hij was opgegroeid.

 

       Hier moet ik de verantwoordelijkheid opnemen voor een gewaagde gedachtensprong.

       In zijn jeugd maakt Van Hulthem een aantal reizen in Nederland. A. Voisin : " Na in 1785 de voornaamste steden der Nederlanden te hebben doorkruist..." " Hij benutte de vakantie van 1787 om samen met baron Coppens en zijn twee broers ( nog hem onbekende plaatsen in Nederland ) te bezoeken..." " Toen ondernam hij in augustus ( 1793 ) een reis naar Holland waar hij zich gedurende twee maanden ophield (...) en hij maakte er kennis met Rhunkenius, Luzac, Pestel, Brugmans, Kluit, Te Water, Sandifort, Van Santen , Vander Spiegel, Meerman, Visser, Paul Vander Heym, Bikker, Van Swinden, Van Damme, Bondam, Saxius, Ravius..."

       Ik beweer ( en ben bereid daartoe mijn muts op te eten ) dat het laten vergezellen van Van Hulthem door " baron Coppens en zijn twee broers " op een misverstand berust omdat ik moeilijk kan aannemen - en de lezer zal mij gewillig volgen ( die muts eet ik zélf op) in het licht van wat hieronder zal worden aangebracht - dat zij de Coppensen waren die Van Hulthem in het geleerde milieu van die tijd konden introduceren.

       Van alle vergissingen zou, als mijn theorie tenminste klopt ( en wee mij als zoiets eenvoudigs als een document mij in een oogwenk weerlegt - ik lever mij over aan de inbreng van oplettende Gandavumlezers om mij te verbeteren ), dit wel de meest spijtige zijn omdat zij al die tijd zou hebben verhinderd een vitale schakel in de wetenschappelijke vorming van Van Hulthem naar voren te brengen en hem integendeel als een magere kluif aan de honden der Belgische geschiedschrijving heeft toegeworpen.

 

       Hoe heikeler de onderneming hoe voorzichtiger men zich tot de archetypale krachten van het intellect wendt, gelukkig kan een " wetenschapper " van mijn " kaliber " sinds het verschijnen van

" Vrijmetselaars te Gent in de XVIIIde eeuw " door Pr. Guy Schrans zich beroepen op de " gratie van Trikeni ", hoewel hij daarover niet meer mag zeggen dan hij op mijn manier reeds heeft gedaan en onder expliciete vermelding van de locus citatus : hier, op.cit. pg. 811 index s.v. Trikeni

       Als hij dan op een onverantwoorde manier uit het " magnum opus " van de professor steelt - zoals ik van plan ben te doen - dan geeft het niet zo erg, want de schrijver weet waar hij heen gaat.

 

       Dus :

       " Het eerstgeboren kind uit het huwelijk van David ‘t Kint en Agnes Verkinderen, was een dochter, Marie-Louise ‘t Kint. Deze huwde de apotheker Jean Baptiste Coppens, auteur met de arts Pieter Cornelis de Brabant ( volgens sommigen Phillipe Charles, ja zelfs Charles Louis de Brabant ) van de vermaarde Pharmacopea Gandavensis, waarvan de medische recepten verplichtend waren voor de Gentse apothekers.

Uit dit echtpaar, dat woonde in de Bennesteeg in een huis met een ommuurde grote tuin met fruitbomen en botanische planten, volgden Bernard Egide en David François Coppens. Bernard Egide Coppens ( 1756-1801 ) studeerde geneeskunde aan de Universiteit van Leuven en verwierf spoedig internationale faam als wetenschapper (...). Te Gent werd hij in 1785 lid van de Société de Gand , de ontspannigsvereniging, die in feite het strefpunt was van de voorstanders van politieke vernieuwing. Hij was schepen van Gedeele in 1788-1789 en opnieuw in 1791. Tijdens hetzelfde jaar was hij met Jean-Baptiste Vervier en raadspensionaris Charles Louis Diericx ( zoon van de president van de Raad van Vlaanderen ) auteur van het befaamde boek " Livre Blanc ou la Révolution gordune " dat met scherp schoot op al wie zich tijdens de Brabantse Omwenteling behoudsgezind had opgesteld.

Enkele maanden voor de eerste Franse inval in 1792, werd Bernard Coppens schepen van de Keure. In 1797 werd hij leraar benoemd aan de " Ecole Centrale " te Gent, waar hij les gaf in de anatomie en de natuurwetenschappen.

Tijdens hetzelfde jaar nam hij met Karel Van Hulthem (1764-1832 ) het initiatief om de tuin van de voormalige abdij van Baudelo om te vormen tot een kruidtuin ( de Hortus Gandavensis ) die spoedig vermaard werd in binnen- en buitenland.

De kruidtuin was ingedeeld in vier afdelingen : een eigenlijke botanische afdeling waarin de planten gegroepeerd waren volgens de indeling van de Zweedse botanicus Carolus Linneaus ( 1707-1778 ), een afdeling met serres en een oranjerie, een landschaps- tuin in Engelse stijl ( met beelden van voorname plantkundigen uit onze gewesten ) - ( en afkomstig uit Van Hulthems mecenaat, noot Jacky cf. Leleux ( 1964 ) s.v. de Poederlee  ) en een afdeling met coniferen en groen blijvende heesters. Het architecturaal gedeelte werd verwezenlijkt naar de plannen van Jean Baptiste Pisson ( 1763-1818 ). De hoofdhovenier was Jan Mussche ( 1765-1834 ). In zijn “ Encyclopaedia of gardening " ( 1828 ) had de beroemde Engelse tuinbouwkundige John Loudon ( 1784-1843 ) niets dan lof voor de Gentse kruidtuin.

Deze werd in 1903 overgebracht naar het Citadelpark.

Bernard Egide Coppens werd tevens voorzitter van de commissie van de burgerlijke godshuizen, en was in 1801 de eerste voorzitter van de Gentse " Société de Médicine ". Hij was gehuwd met Marie Louise Valcke en overleed reeds in 1801."

      ( uit Schrans ( 1998 ) op.cit. pp. 279-280 )

       Liever dan de informatie uit de bovenstaande paragraaf onder licht aangepaste vorm te hervertellen, nam ik haar over om op een terechte plaats eer te doen aan de schrijver ervan, en naar ik hoop in naam van allen die van zijn werk hebben genoten.

       Het is niet denkbeeldig dat de oorzaak van B. Coppens’ overlijden de gevreesde loodwitziekte was, want zo informeert ons Pr. Schrans

( op.cit. p. 282 ) hij bezat een watermolen aan de Visserij, aan het uiterste einde bij de Keizerpoort, voor een fabriek van " loodwit ende seriese volgens de hollandsche methode. "

       Ziezo daar staat het : "de hollandsche methode" dat zegt al iets meer over de reizen in Nederland zoals ik ze zie, tenminste die van 1787 van een vader met zijn twee beren en een adoptief petekind. In een interessant werkje dat een licht werpt op het hollandse luik van de staat der wetenschappen : "Wetenschap en Intuïtie - Het Duitse romantisch-speculatief natuuronderzoek rond 1800 " merkt de auteur H.A.M. Snelders op dat bijna alle hollandse geleerden uit een pharmaceutische achtergrond kwamen, niet in het minst de directeur van Teylers Stichting in Haarlem, conservator van de "ongemeen  groote Elektrizeer Machine " in het Haarlems Teyler Museum, en secretaris van de "Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen van Haarlem " Martinus van Marum ( 1750-1827 ).

       Zo stel ik mij dus voor dat onder begeleiding van Jean Baptiste, het voor de jonge mannen ( 27. 24 en 21 jaar oud ) een boeiende en leerrijke ervaring was in de natuurkundige en historische kabinetten van Holland te worden rondgeleid, een " gelehrtereise " als het ware.

Het is niet alleen de toegankelijkheid door Jean Baptiste’s connecties in Holland, die mij Van Hulthem met hem mee doet reizen, maar bovenal het feit dat Baptistes vrouw Marie-Louise ‘t Kint, de oudste dochter was van David ‘t Kint ( 1699-1770 ) een der belangrijkste bouwmeesters van Gent, spilfiguur van de Gentse rococostijl, die onder andere tekende voor het " Corps de Garde " op de Kouter, de Mammelokker, het Museum voor Sierkunst ( = Hotel de Coninck ) , het Museum Van der Haeghen ( = Hotel Clemmen ) enz.

Daarmee was het gezin Coppens stevig verankerd in het artistieke milieu van Gent . Artistiek betekende helemaal iets anders toen dan nu, vergeet niet dat de Academie tevens een ( gratis ) vakschool was voor industrieële beroepen die men zich speciaal herinnerde toen in 1826 de School van Kunsten en Ambachten aan de Gentse universiteit werd opgericht : de bakermat van de Faculteit der Toegepaste Wetenschappen ( zie Deelstra 1977 ) .        

       Na de dood van Karel Marissal ( 1770 ) werden voor de hervorming van de eerste Gentse Academie voor Schone Kunsten die hij had gesticht vier artistieke directeurs aangesteld : Fraçois Piloen, schilder graveur; Baptiste Simoens, meester metselaar en Etser; Dominique Cruyt, houtsnijder  en David ‘t Kindt, architect; als leraar voor de sectie architectuur werd Pieter Norbert van Reyschoot aangezocht met als assistent Jean-Augustin d’Huyvetter. Het is bekend dat Van Hulthem al op heel vroege leeftijd bij van Reyschoot ging tekenen en heel wat opstak in de vooruitstrevende bibliotheek van die Gentse schilder ( zie overigens Geert Vandamme ( 1998 ), " Genste schilders " ).Ook met de familie d’Huyvetter blijft Van Hulthem zijn hele leven gelieerd (cfr. infra J. Paelinck).

       Van bij Van Reyschoot lijkt het mij een kleinere stap naar de tuin in de Bennesteeg en naar het liberaal “ patriottische ” milieu van Bernard Egidius waarvan hij de spreekbuis werd en waar hij de inspiratie en de steun zou vinden voor zijn latere mecenaat dan via de omweg langs Coppens d’Eeckenbrugge. Deze laatste - baron Coppens d’Eeckenbrugge ( 1760-1833 ) -  was een leeftijdsgenoot van Van Hulthem, zijn zoon Louis Benoit ( 1799-1836 ) werd in november 1830 commissaris van het Voorlopig Bewind dat een anti-orangistische terreur voerde wat niet direct een aangehouden vriendschap met Van Hulthem verraadt.

       Chateaubriand in zijn " Memoires d’outre tombe " heeft het over een nogal chaotisch banket bij Coppens d’Eeckenbrugge ( cf. Schrans op.cit.) te Gent in 1815 , als hij zijn verblijf bij de familie d’Ops

( = d’Hoop - cfr. Schrans op.cit.)beschrijft.Dit plaatst Coppens in een eerder conservatief milieu.

       Chateaubriand was in die periode één van de paar intieme vrienden van Maine de Biran ( cfr. de Biran " Journal " ), zodat, als er een band geweest was Coppens als verbindingsteken met Van Hulthem had kunnen dienen. Niets in " Mémoire d’Outre tombe " wijst daarop,  noch schijnt er enige belangstelling te zijn aangewakkerd voor een van Van Hulthems verwezenlijkingen.

       In oktober 1830, zo leert ons een weliswaar oppervlakkige blik op de geschiedenis is het baron Coppens d’Eeckenbrugge jr. die met burggraaf de Pontécoulant de Gentse burgerwacht van uitgesproken republikeinen zuivert. Volgens mij staat dit haaks op een inspiratie door Van Hulthem, wiens emotionele band met Gent zich altijd in de breedst mogelijke volksvertegenwoordiging had vertaald en voor wie het " gematigd patriotisme " een iets te censuurbelust katholicisme voorspelde waarvan hij de invloed op een verlicht educatief programma maar al te goed kende. Het muilkorven van de Universiteit van Gent in 1831-1832 zou hem geen ongelijk geven, noch zouden de maatregelen die hij ertegen nam die patriotten van dienst zijn.

 

       In 1808 werd Van Hulthem zelf lid van de " Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen van Haarlem ", maar het was omstreeks de periode van Bernard Egidius’ verscheiden dat die maatschappij haar fijnste uur kende. Toen in 1800 in de " Philosophical Transactions " van de Royal Society, waarvan Cooks oude varensgezel Sir Joseph Banks ondertussen voorzitter geworden was, met de beschrijving van de voltaische batterij de electro- technische revolutie werd ingeleid ( = beschrijving van de eerste bruikbare spanningsbron ) kon Martinus van Marum zich al beroepen op een wetenschappelijke correspondentie, inclusief persoonlijke contact met de uitvinder Alessandro Volta (1745-1827 ) sinds diens verblijf in Haarlem in 1781. Amateurs konden hun gezamenlijke werk beoordelen in de publicatie van die briefwisseling in de Haarlemse " Konst en Letterbode ".

 

       De hollanders J.R. Deiman ( 1743-1808 ) en A. Paets van Troostwijk ( 1752-1837 ), de grondleggers in 1790 van het Gezelschap der Hollandse Scheikundigen, waren actief in het debat betrokken. Deiman, die kort voor zijn dood even als lijfarts van koning Lodewijk Napoleon werd benoemd, was diegene die in 1799 de kritische wijsbegeerte van Kant, in een voordracht voor de Amsterdamse Genootschap Concordia et Libertate, aan het geïnteresseede publiek voorstelde : " de grondkrachten, volgens de Beginzelen van Immanuel Kant. " -  waarmee hij de " Metaphysische Anfangsgründe der Naturwissenschaft " bedoelde, die hij resumeerde ( zie Snelders , 1994 ). Hij zelf was overtuigd van de " waarschijnlijkheid eener algemene hoofdstoffe, van welke het licht, het vuur, de electriciteit en magneetstoffe slechts bijzondere wijzigingen zijn "  ( moet er nog zand zijn ? - noot Jacky ).

       Van Hulthem kende Deiman zijn werk van bijvoorbeeld :

" Deiman en A. Paets van Troostwijk : verhandeling over de vaste lucht, aan welke de gouden medaille is toegekend " (s.d. in B.H. 5236) en " J.R. Deiman en A. Paets van Troostwijk , over het nut van den groei der boomen en planten tot zuivering van de lucht." ( 1780 in B.H. 6328 ). Dat laatste zal hij zeker met Bernard Egidius hebben besproken.

 

       Hier wil ik nog even in de kantlijn springen - een van de Hollanders die actief hun arbeid met de Italianen deelden was Jan Ingen-Housz ( " Jean Ingen-Housz : expériences sur les vegetaux, auxquelles on a joint une methode nouvelle de juger du degré de salubrité de l’atmosphere - trad. de l’anglais par l’auteur. " Paris, 1780, in B.H. 6157 ). Deze hofarts van Maria Theresia reisde in 1769 naar Toscane. Een van de studie-objecten van de Italianen in die tijd was de ontwikkeling van de torpedo, de elektrische vis. Ingen-Housz rapporteerde over die experimenten via Sir John Pringle aan de Royal Society. In 1777 vinden wij Ingen-Housz terug in Parijs waar hij met Felice Fontana experimenten uitvoert. Volgens Ligou ( 1987 ) was de toenmalige assistent van Fontana, Giovani Fabroni in de Neufs Soeurs opgenomen. Felice Fontana oogste grote faam met zijn medisch-anatomische preparaten in was.

 

       Maar terug naar Van Hulthem. Hoewel de dood van Bernard Egidius hem als geen ander moet aangegrepen hebben, liet hij zich er voor de verdere uitbouw van de plantentuin niet door ontmoedigen. Daarvoor had hij in de loop van de tijd invloedrijke vrienden gemaakt.

        Laat ik hier eerst aandacht besteden aan Gaspard Joseph de Servais, zeker omdat Van Hulthem het nog nodig vond in 1831 op het schutblad van een anoniem uitgegeven werkje :" Korte verhan- deling van bomen, heesters en houthagige kruidgewassen , Mechelen 1789 " volgende bemerking te schrijven :

       " De auteur van het werk is Gaspard Joseph de Servais, geboren in Brenne l’Alleu in Waals Brabant op 13 juli 1735, wonende te Mechelen en daar overleden op 21 maart 1807.

      Het was een zeer eerlijk edelman, ongehuwd, die rustig leefde enkel voor zijn boeken en zijn bomen en die ik dikwijls heb bezocht.

       Buiten de stad had hij een tuin vol uitheemse bomen en struiken en hij bezat een kabinet met schilderijen en een rijke bibliotheek met XVde eeuwse uitgaven en werken over geschiedenis der Nederlanden waarvan de cataloog na zijn dood is opgesteld door Mr. Reymenans, geleerd pharmaceut en geletterd

 bibliograaf, en die is gedrukt bij Hanicq in 1808.

        Mr de Servais heeft meerdere zelfgeschreven handschriften nagelaten over de Mechelse kunstenaars, over XVde eeuwse uitgaven en een bibliografie van Nederlandse historici die ik bezit. V.H."

       Interessant om die zekere Mr. Reymenans bij het apothekers- ambt te zien aansluiten, of volgens mij, bij de kring rond Jean Baptiste en Bernard Egide Coppens.

       De tuin in de Bennesteeg, het park in Mechelen, dat alles moet Van Hulthem een goede voorbereiding gegeven hebben om in zijn Parijse periode aan te sluiten bij de botanische en agro-economische kringen die uitermate invloedrijk waren.

       Een aanwijzing vinden wij opnieuw op schutbladen van boeken uit de bibliotheek van Van Hulthem:

 

       1) P. Belon : " les observations de plusieurs singularitez et choses memorables trouvée en Grèce, Asie, Judée, Egypte etc. " (Paris, 1588 in B.H. 7135) " dit werk draagt de signatuur van M. Malesherbes, minister en advocaat van Lodewijk XVI. De astronoom De la Lande heeft mij meer dan eens gezegd dat van alle mensen die hij heeft gekend M. de Malesherbes diegene was die in zich de meeste kennis verzameld had. " ( bemerk het persoonlijke contact met De la Lande de stichter van Les Neuf Soeurs - noot Jacky )

       2) P. Bellonii : - de arboribus coniferis, resiniferis aliis quoque non nonnullis    - de admirabili operum antiquorum et rerum supiciendarum praestantio ( Paris 1553, in B.H. 6614 )

" Prachtexemplaar. Deze twee werken van Bellon zijn uiterst zeldzaam. Ik kocht ze te Parijs op de boekenverkoop van M. Lamoignon de Malesherbes. Ik plaatste zijn portret vooraan in het volume. "

       3) P.C. Varenne-Fenille:"memoires sur l’administration forestière, sur les qualités individuelles des bois indigènes etc. " Tome I et II Bourg 1792, Tome III Paris 1808.

" Opmerkelijk werkstuk, en dat men zelden compleet vindt in 3 volumes, door een groot aantal nieuwe observaties. Het tweede volume bevat de kostbare opmerkingen van Mr. de Malesherbes over de kultuur van meerdere uitheemse bomen."

       Volledigheidshalve plaatste Van Hulthem ook " Memoires composés en 1785 et 1786 , en faveur des protestans de France - par Malesherbes 1788 " in zijn bibliotheek (B.H. 16560).

       Op het krankzinnige hoogtepunt van de heksenprocessen in de XVIIde eeuw had zich als tegengewicht een intellectuele elite gevormd rond het stoicijnse thema van Marcus Aurelius, die uitblonk in een hoog moreel waardebesef en respect voor vrijheid van denken, filosofen als Cyrano de Bergerac, Gassendi, Bernier, Helvétius en Boulainviller waren er het product van ( allen vertegenwoordigd in de Bibliotheca Hulthemiana). Zij inspireerde ook de sobere onverzettelijkheid van de protestanten. Malesherbes had dat waardebesef toen hij tegen alle kans op slagen in, voor het revolutionaire tribunaal de verdediging van Lodewijk XVI opnam. Als het waar is wat Alfred Capus (1910 ) schrijft dat toeval een beetje is wat de andere willen dan was Malesherbes een man zonder vijanden die toevallig het hoofd verloor, maar bovenal was hij een aristocraat - tuinier. Hij was een vriend geweest van Thomas Jefferson, die hij in zijn tuin op Montmartre, rue des Martyrs, rondleidde als die hem voorzag van zaden van o.a. Juniperus Virginia, die hij daar plantte alvorens de loten naar zijn landhuis ten zuidoosten van Parijs over te brengen. Toen Boissy d’Anglas in 1820 " Vie et écrits de Malesherbes " geschreven had stuurde hij een exemplaar naar Jefferson, ter herinnering aan hun ontmoeting in Parijs : " voor de jonge fransen in 1780 was Malesherbes onze Jefferson. " schreef hij in een begeleidende brief. In 1790 publiceerde Malesherbes in de " Mémoires de la Société Royale d’Agriculture " een " Memoire sur les moyens d’accelerer le progrès de l’economie rurale en France ."

       " De landbouw die ons door de barbarij van onze voorouders werd voorgesteld als een minderwaardige functie voor iemand met een opleiding wordt vandaag heel anders bekeken. In Frankrijk ziet men haar nu als een hooggewaardeerd werk voor geleerden." schreef hij.

       Hij probeerde een plan op te stellen voor een " Bureau de correspondance de France pour l’Agriculture et les Arts " op basis van een zo breed mogelijk vlak van vrije uitwisseling, en zag daarin een taak voor de Academie der Wetenschappen en de Jardin du Roi.

       "In de herfst van 1792, kort na de proclamatie van de Franse republiek werd de Jardin du Roi verrijkt met bomen en struiken die gered werden uit de tuinen der uitgewekenen en de voormalige krooneigendommen. Een Commissie geleid door André Thouin, hoofdtuinier van wat nu de Jardin National was, bezocht systematisch tuinen als Petit Trianon, Bagatelle, Bellevue en Chaville om er zeldzame uitheemse soorten uit te kiezen "  ( in Rice 1976 )

       In de tuin van Mme.Tessé, in Chaville vond men een magnolia grandiflora, zes variëteiten van Quercus Caroliniensis en twee potten Laurus sassafras uit zaadjes geschonken door Thomas Jefferson. In de catalogus van de Nationale Bibliotheek ( 1964 ) over de hulde tentoonstelling voor de 200ste geboortedag van Van Hulthem besteedde Jan Balis in het hoofdstuk : " Van Hulthem als Botanicus " gepaste aandacht aan de verspreiding van de uitheemse eik in onze contreien.

    Howard Rice Jr. in zijn boek " Jeffersons Paris " ( 1976 ) beschrijft de vele tuinen van Parijs inclusief de lusthoven als Tivoli en Ruggieri’s op Montmartre die Van Hulthem zeer goed moet gekend hebben .  Maine de Biran in 1797-’98 woonde op Montmartre, hotel de la Réunion.

       Ik plunder zijn bladzijden om een andere reden :

       " Geen van de kennissen die hij maakte in de Jardin du Roi gaf Jefferson meer blijvend genoegen dan die met André Thouin, een man van zijn leeftijd die er hoofdtuinier was in de 1780’s. Na de reorganisatie van 1793 werd Thouin " Professeur de Culture " benoemd ( plant-cultuur in de breedste zin ) een positie die hij behield tot aan zijn dood op 27 oktober 1824.

       De correspondentie werd hervat rond 1801 toen Jefferson een copy naar Parijs stuurde van zijn " Description of a Mould-board of the Least Resistance "( Beschrijving van een ploegschaar met minste weerstand ) met een houten model om er een te vervaardigen , - " de combinatie van een theorie die de geleerde kan tevreden stellen met de praktijk die de meest ongeletterde landbouwer kan begrijpen, "- Hij had de theorie ontwikkeld en uitgewerkt sinds 1788 toen de onhandige scharen op de ploegen in Lorraine hem ertoe aanzetten te overwegen wat de beste vorm kon zijn. Zijn essay over het onderwerp werd in 1798 naar Sir John Sinclair, voorzitter van de Board of Agriculture in Londen gestuurd en werd in 1799 gepubliceerd in de American Philosophical Society’s " Transactions ".

       Andre Thouin’s vertaling werd gepubliceerd in de Annales du Musée ( Vol I, 1802 ) en uitgegeven als afzonderlijk pamflet.

       De Parijse vereniging voor Landbouw, die Jefferson tot buitenlandse genoot maakte op haar zitting van 1O oktober 1804 en hem het volgende jaar een gouden medaille toekende, getuigde dat het zeer gepast was de naam en faam van de eerste Magistraat van een grote Republiek geassocieerd te zien met een lanbouwwerktuig . De houten blok die Jefferson opstuurde samen met de schaalmodellen  ervan afgeleid werden in de " galleries des ustensiles d' agriculture " van het museum opgestelden zijn daar nog steeds bewaard in de archieven van het " Laboratoire de Culture ."

       Jaar na jaar toonde Thouin die modellen aan zijn studenten met het commentaar :" Excellente invention d'un excellent homme,M. Thomas Jefferson, président des Etats - Unis d'Amérique !

      Tot het einde van zijn leven stuurde Thouin kisten met zaden op naar Jefferson, die het plan had aan de University of Virginia een Botanical School op te richten ."

       Ziedaar de republiek waarin Van Hulthem republikein was .

       " Monsieur et cher savant " zo opende Thouin nog een brief aan Van Hulthem in 1820 ( 25 februari) waarmee hij een " kleinigheidje " begeleide van 120 soorten zaden voor de Hortus Gandavensis, die in hem een trouw mecenas had .

       In 1816 na de dood van haar Voorzitter, J.X. Van de Woestijne, was Van Hulthem voorzitter geworden van de Gentse " Société d'Agriculture et de Botanique ", een functie die hij tot aan zijn dood zal vervullen en die hij uit eigen kas verrijkt ten behoeve van de gemeenschap .

       En dan was er nog François de Neufchâteau ( 1750 - 1828 ), van Les Neuf Soeurs, de voorzitter van de " Société d' Agriculture de Paris ", oud minister van binnenlandse zaken, en in de napoleontische senaat, die hij voorzat, titularis voor de senatorij van Brussel; we zagen hem reeds het curriculum voor geschiedenis introduceren. Leleux ( 1964 ) zegt dat toen Van Hulthem aan de Centrale School bedrijvig was de Neufchâteau hem verschillende kisten met boeken toezond.

       Toen hij tot de senatorij van Brussel benoemd werd schreef Neufchâteau aan Van Hulthem :" Als ik mij ter plaatse begeef, heb ik mij voorgenomen uw raad en uw aantekeningen te gebruiken. Ge zult mij het plezier doen openhartig te spreken en mij de middelen te tonen om in Brussel en de rest van het land, het onthaal en de invloed te bezorgen die ik had te Dijon."

       ( zie François de Neufchâteau : " Voyages agronimiques dans la senatorerie de Dijon " 1806 in B.H. 5917 )

       Hier past nog ( een laatste ) voorbeeld van hoe Van Hulthem de kennis die zijn contacten hem bijbrachten assimileerde en in zijn bibliotheek gebruikte.

       Op het schutblad van " Guy de la Brosse, description du Jardin Royal des plantes medicinales estably par le roy Louis le Juste à Paris 1636 " B.H. 6894 ) schreef hij :" Het is aan de onvermoeibare zorgen van Guy de la Brosse te danken dat Europa de Botanische koninklijke tuin in Parijs kent, die pas in 1634 definitief gevestigd werd en in 1636 opengesteld voor het publie , en die zo nuttig is voor de kennis en de verspreiding van planten. Deze beschrijving hier van de tuin is zeer zeldzaam, ik kocht ze te Parijs op de uitverkoop van de bibliotheek van Mr. Le Monnier, hoofdarts van Lodewijk XVI ( zijn nicht zou een belangrijke rol spelen in het mecenaat over de Hortus Gandavensis - noot Jacky, cf Leleux , Balis )

Aan het einde van het werk heb ik het zeldzame portret toegevoegd van Jean Robin, geboren in 1555, aan wie Linnaeus onterecht de soort Robinia opdroeg, het was aan zijn zoon dat dit toekwam .

Hij was het die in 1634 in de Jardin du Roi de Robinia pseudo - acacia plantte die ik er in 1809 nog heb gezien."

       En wie meer wilde weten over de pseudo - acacia kon hij naar zijn eigen bibliotheek verwijzen waar hij tussen het volledige botanische en agro-economische werk van François de Neufchâteau diens " Lettre sur le robinier et le faux - acacia " ( 1803 in B.H.6523 ) bewaarde.

       François de Neufchâteau, de zoon van een schoolmeester uit Lotharingen, stond bij de jezuïeten waar hij werd opgeleid, bekend als het " wonderkind ". 14 jaar oud gaf hij een bundel fabels en poëzie uit op model van Ovidius, Horatius en Vergilius en werd bekroond door de Académie van Dijon. Voltaire inviteerde het jonge genie naar Ferney ( 1767 ) en wilde hem zijn privé - secretaris maken; maar Graaf de Henin, zijn " beschermheer " drong erop aan dat hij Ferney moest verlaten en in de magistratuur gaan.

       Hij werd plechtig geadopteerd door zijn geboortestad Neufchâteau, en dit gaf een publiek karakter aan zijn naam die onder de Revolutie ongewijzigd bleef i.e. de Neufchâteau, daar waar het adelijke voorzetsel " de " over het algemeen angstvallig ( c'est le cas de le dire ) gemaskeerd werd. Voor Henry Redhead Yorke, een Engelsman op bezoek bij de Neufchâteau in 1802, klonk het dan weer als een aanmatigende usurpatie van adeldom - wat echter geenszins het geval was.

       Voor de Revolutie was hij een tijdlang Procurator bij de Algemene Raad van de kolonie Santo Domingo. Bij zijn terugkeer naar huis verloor hij in een schipbreuk zijn volledige litteraire oeuvre der voorbije 5 jaar - o.a. een complete vertaling van de werken van Ariosto - , en vertoefde een tijd op een verlaten eiland.

       In 1790 werd hij door de Nationale Vergadering afgevaardigd om als Commisionaris de organisatie van het nieuwe departement Les Vosges op zich te nemen. Hij werd  President van de eerste Legislatieve Vergadering maar verkoos vervolgens een post als vrederechter in de Vosges boven die van minister van Justitie die hem werd aangeboden.

      Op 1 augustus 1793, is hij terug te Parijs waar hij de première van zijn toneelstuk " Pamela " leidt en, na een bijzonder succesvolle week, zich gesommeerd ziet door het Commitee van Publieke Veiligheid het stuk te herschrijven; wat hij doet zodat hij van Robbespierre de toelating krijgt het gereviseerde stuk op te voeren. Opnieuw kent het bijzonder veel bijval, maar opnieuw valt het Commitee het Théatre Français binnen, en iedereen : acteurs, bedienden en auteur worden opgesloten in het Prison de la Force.

De reden voor de inval blijkt het tumultueuze enthousiasme te zijn geweest telkens het volgende vers werd voorgedragen :

       Ah ! les persecuteurs sont les seuls condamnable,

       Et les plus tolérants sont les plus raisonable.      

Elf maanden blijft de Neufchâteau opgesloten.

       Kort na zijn vrijlating wordt hij aangesteld als Rechter bij het Hoog Gerechtshof onder het Directoire. In 1797 is hij minister van Binnenlandse Zaken. Onder het Consulaat is hij senator en tot 1808 Voorzittervan de Senaat . Na de terugkeervan Louis XVIII blijft hij lid van de Académie Française . Het is de oude Neufchâteau die als eerste het talent erkent van de jonge Victor Hugo die zijn " protégé " wordt.

       Bovenstaande biografische gegevens zijn ontleend aan J.A.C. Sykes die ze toevoegde aan de hernieuwde uitgave in 1906 van de brieven uit 1802 van Henri Redhead Yorke, een gematigd revolutionair van het eerste uur die gedesilusioneerd op zoek gaat naar zijn " verleden " in Parijs.

       Yorke beschrijft zeer gevat het politieke klimaat in die dagen .

       " Maar wat mij het meest genoegen verschafte was de eenzame

en onbezochte Jardin du Luxembourg. Daarheen vluchte ik als het lawaai van Parijs mij teveel werd. Het was ook de plaats van conversatie met mijn vrienden.Daar leerde ik de echte geschiedenis van de Franse Revolutie van personages die er zichzelf in hadden onderscheiden, daar was het dat ik het karakter leerde kennen van diegenen die nu Frankrijk leiden; dit was de ontmoetingsplaats van verdoken royalisten en van fervente republikeinen. Nooit vergeet ik die wandelingen in de tuinen van het Luxembourg. Wij waren er te ver van het bureel van Fouché om met ons gefluister indruk te maken en te goed bewaakt om het voorwerp van verdenking te worden."

       Te goed bewaakt om het voorwerp van verdenking te worden ... !

Dit is te meesterlijke ironie om in een ongelezen boek vergeten te worden.

       Back to the point.

       Bij zijn felicitaties ter gelegenheid van diens aanstelling  ( 26 april 1806 ) had Van Hulthem aan de Neufchâteau het plan voorgesteld om de Wetenschappelijke Academie van Brussel te heropenen ( zie Leleux 1964 pp.299 - 301 )

       Een eigenlijke wetenschappelijke academie kwam er niet maar in 1809 werd Van Hulthem zelf rector van de Keizerlijke Academie in Brussel, het bijhuis als het ware van de nieuw opgerichte Parijse Universiteit. De hoofdbestuurder in de praktijk van dat napoleontische academische project was op dat ogenblik Louis de Fontanes, logebroeder van de Neufchâteau.

       Bij Leleux lezen wij wat dat rectorschap inhield :

       " De rector was geassisteerd door een Academische Raad met tien leden. Hij werd belast, onder het toezicht van de Grootmeester der Universiteit, met alle vraagstukken betreffende alle onderwijs- instellingen over het geheel van zij jurisdictie. Het ging hem dus om een considerabele toekenning allereerst op materieel gebied want de rector van de Academie had de verantwoordelijk- heid, zoals wij zagen over alle kwesties van zowel het hoger; het middelbaar of het lager onderwijs, maar vooral op het vlak van de politieke psycho- logische propaganda, zoals men het vandaag zou uitdrukken, want men moest het onderwijs- " doordrenken met de uniforme geest waaruit in het voordeel van de keizer, de unanimiteit van sentiment en wil zou ontspruiten "-

De rector was verder meer speciaal belast met het homologeren en uitreiken van diploma's en het leiden van de administratie der faculteiten, der lycea en colleges, voornamelijk in verband met discipline en economaat ( ... )

De Academie onder Van Hulthem had zijn zetel te Brussel ( een tweede voor het Belgische grondgebied situeerde zich te Luik . )

De Keizerlijke Academie van Brussel had jurisdictie over de departementen van de Dijle, de Schelde, Jemmapes en de twee Neten en over drie Lycea - Brussel, Gent, Brugge - . Veertien  secundaire scholen werden als Lyceum ingericht : Nijvel, Tienen, Leuven, Ieper, Kortrijk, Menen, Veurne, Bergen, Doornik, Antoign, Antwerpen, Turnhout en Mechelen. Negen andere scholen bestonden onder de naam instituut, zevenenveertig onder die van kostschool.

Later werden er andere colleges ingericht te Brussel, Aalst, Ouden - aarde, Poperingen, Ieper, Ath, Binche, Enghien en Soignies, en het aantal instituten klom op tot vierentachtig."

( Leleux 1965 )

       Zo kunnen wij ons een beeld vormen op welke curriculi de encyclopedische instelling van Van Hulthem een invloed had.

       In 1812 reeds diende Van Hulthem zij ontslag in.

       Zijn pogingen om in 1810 via de oprichting van een " Société des Sciences  des Lettres et des Arts" alsnog tot een onafhankelijke academie te komen, waren gestuit op het geldgebrek van de departementen aan wie hij een bijdrage had gevraagd, de imperial- istische censuurmaatregelen  waren niet gering en er was ook fysieke vermoeidheid van de zeer intensieve arbeid.

       Het ontslag in 1812 werd verworpen, een tweede dringende aanvraag in 1813 aanvaard; hij werd ere - rector met behoud van en deliberatieve stem in de Academische Raad.

      

       Voor de Gentse Plantentuin bleef hij onvermoeibaar en zijn initiatief kreeg navolging over het hele land. A.Voisin tekende in zijn biografische schets ( 1836 ) het volgende op :

       " De geleerde M. Jomard zegt in 1838, aan het adres van de Société Geographique de Paris in zijn compte rendu over de schitterende instelling van M. Vandermaele te Brussel : " In België geloof het of niet is de vooruitgang van de instellingen voor tuinbouw zodanig dat zij plaats biedt voor een handel van acht miljoen frank en meer . "      

       Pr. Morren , die in zijn jeugd door Van Hulthem was gevormd, schreef elders ( zie Voisin , op. cit.):

       " In 1820 was dat soort industrie voor Gent alleen een half miljoen frank, in 1834 steeg dat al naar 1.8OO.OOO en dit jaar ( 1835 ) zijn de relaties die de Gentse tuinbouwers hebben opgebouwd met Engeland, Holland, Beieren, Pruisen,Würtenberg, Italië en Rusland uitzonderlijk aangescherpt. Sinds twee jaar sturen rijke grondbezitters natuurvorsers naar Amerika, en dit middel - nieuw voor ons - zal weldra ons land verlossen, tenminste gedeeltelijk, van de tol die zij daarvoor tot nu toe aan Engeland betaalde."( zie ook Jan Balis 1964 )

       Met Engeland onderhield Van Hulthem enkele bijzondere contacten die dringend van onder het stof dienen te worden gehaald, al was het maar om de kapitale anecdotes waartoe zij aanleiding geven.

      A.Voisin vond het niet beneden zijn waardigheid, in dat verband, de trouwe knecht van Van Hulthem te eren.

       Lees even mee :

       " Joseph Delforge, geboren in Leuze in Henegouwen.

Hij verdient de erkenning van boekenvrienden en vooral boek-o-manen omdat hij met een procédé hem eigen 40.000 kostbare volumes gewassen en gerestaureerd heeft, die nu gedurende twee eeuwen tenminste de aanvallen van de wormen en de tand des tijds kunnen doorstaan.

       Van die boeken die hun oorspronkelijke frisheid hadden teruggekregen - pristino nitori restituti - zoals Van Hulthem placht te zeggen, maakt ongeveer de helft deel uit van de bibliotheek van zijn meester, de andere helft behoorde toe aan die fameuze engelse bibliomaan Mr. Heber, die meer dan een half miljoen uitgezochte volumes bezat.

       Mr. Heber had het gigantische project opgezet om alles samen te brengen wat gedrukt was over de litteratuur en de geschiedenis der verschillende volken, en had reeds ( alleen al aan litteratuur ) alles verzameld wat het oude vlaams aan merkwaardigs te bieden had.

       Die collectie die sinds een jaar ( 1837 ) reeds in Engeland wordt opgebroken was de best uitgekozene, en numeriek talrijker dan alles wat publieke en particuliere bibliotheken in België te bieden hadden.

       Mr. Heber had een hechte band met de heren Van Hulthem en Lammens, de bibliothecaris van de gentse universiteit. Gedurende vijftien jaar waren zij aanwezig op de voornaamste boekenveilingen in de Nederlanden. Na afloop van iedere verkoop hadden de drie bibliomanen, die vrijgezel gebleven waren om zich vrij aan hun passie te kunnen overgeven, de gewoonte opgevat zich een goed diner te laten serveren, waarbij Heber de Champagne niet spaarde.                          

Die had voor die sprankelende wijn een zwak opgevat dat slechts door zijn liefde voor boeken werd geëvenaard, en hij zei steeds dat als hij kon ontdekken wie de champagne had uitgevonden  hij voor hem een massief gouden standbeeld - aureus esto - zou oprichten, en hij was mans genoeg om dat te doen.

       Heber stierf neergebliksemd door een hartaanval in 1835.

       De verkoop van zijn boeken die op dit ogenblik ( maart 1837 ) nog steeds voortduurt te Londen heeft al de som van twee miljoen en half frank opgeleverd; hij beschikte over een rente van 400.000 frank."

       Het woord bibliomaan kan geen betrekking hebben op Heber, men gebruikt het steevast voor Van Hulthem die slechts over een magere 32.000 titels beschikte wat volgens Voisin neerkwam op ongeveer 64.000 volumes ( deze collectie werd door de staat aangekocht als basis voor de  Nationale Bibliotheek ), - biblio- monstrum - lijkt mij meer aangewezen, alhoewel ik persoonlijk niet begrijp waarom men per se naar krachttermen moet grijpen om iemand te beschrijven die van boeken houdt.

       De volgende anecdote is nog meer bizzar.

       A.Voisin in een bibliografische noot over Pierre Constantin Lammens ( 1762 - 1836 ), Van Hulthems spitsbroeder :

       " Bij het groot aantal bibliomanen met wie hij banden had citeert men de maar al te beroemde Sir Hudson Lowe.

       Weinig mensen weten dat de cipier van Napoléon op St.- Helena, een groot boekenleifhebber is en dat hij, na de dood van zijn illustere gevangene, zelf de gevangene van Lammens was.

       Ziehier ter welker gelegenheid.

       Na niet al te goed te zijn ontvangen na zijn terugkeer naar Engeland, kwam hij in België reizen en hield geruime tijd halt in Gent. Hij sloot er vriendschap met Van Hulthem en Lammens .

Op een morgen, om acht uur al stond hij bij deze laatste aan de deur en presenteerde zich om er nogmaals de precieuze collectie Elseviers te bekijken, maar bovenal het uiterst zeldzame " Patissier françois " uit 1655, maar Lammens stond juist op het punt naar het platteland te vertrekken, en, vermits bibliomanen elkaar niet te zeer vertrouwen liet hij hem voelen dat hij hem niet alleen in zijn bibliotheek kon laten. Sir Hudson Lowe stelde daarop voor er hem in op te sluiten. Het voorstel werd aangenomen, men voorzag hem van datgene dat hem bij zijn sequester te pas kon komen en het was pas om acht uur 's avonds dat hij zijn vrijheid terugkreeg.

De geschiedenis vertelt niet of zijn vriend en medebibliomaan, hem bij het buitengaan aan een onderzoek van zijn zakken onderwierp, gelijk La Flèche telkens hij bij zijn meester buitenkwam, in het stuk van Molière"

( A.Voisin : Bibliotheca Hulthemiana ( 1836 - 1837 ) in vol. VI " Manuscripts " pp. XLI - XLII )

 

       Dat er ook wetenschappelijke interesse was voor de Engelse natuurwetenschap mag blijken uit Van Hulthems bezit van " Erasme Darwin, Zoönomie, ou lois de la vie organique, traduit de l'anglais sur la IIIième edition  avec des notes et observations par J.Fr.Kluyskens - Gand P.F.de Goesin - Verhaeghe 1810 " ( in B.H. 7560 ) en waarbij A.Voisin in zijn catalogus aantekende " présent de l'auteur à Mr. Van Hulthem". Met de auteur werd Kluyskens bedoeld, Erasmus Darwin overleed in 1802.

       Nu kan ik mij toch niet inhouden hier een anecdote in te lassen  die mischien niets met Van Hulthem te maken heeft maar alles met een wonderlijke toepassing van de botanische wetenschappen.

Zij situeert zich op een ogenblik dat de Hortus Gandavensis en de collectie botanische litteratuur van Van Hulthem - voor het practische gebruik dat ervan gemaakt is - tot de belangrijkste van Europa behoorden  (cf. John Loudon 1828, zie supra )

       De meesten van ons zijn bekend met de figuur Charles Darwin, de kleinzoon van Erasmus, en de evolutietheorie, maar weinigen weten dat de eerste formulering van Darwins ( ? ) theorie al in 1832 was gepubliceerd door Patrick Matthew in zijn boek "On Naval timber and arboriculture " ( Over Scheepshout en boomkweken )

Weet je wat ? Laat ons als hulde aan Van Hulthem, een meester in het " redden " van historische referenties eens Matthews formulering opnemen. Niets zal minder " rare " zijn en " peu commun " :

       " De zelfregulerende adaptieve dispositie van het georga- niseerde leven mag gedeeltelijk teruggeleid worden naar de extreme vruchtbaarheid van de Natuur, die (...) in alle varieteiten van haar nageslacht een vermenigvuldigende macht heeft ( in veel gevallen duizendvoudig ) ver boven wat nodig is om de ruimtes veroorzaakt door seniel afsterven op te vullen. Als het bestaansgebied begrensd is en overbelast, zijn het enkel de sterkere, meer robuuste, beter bij de omstandigheden passende individuen, die in staat zijn zich voort te vechten ( to struggle ) en die bewonen enkel de situaties waarvoor zij superieur aanpassings- vermogen ( superior adaption ) en grote bezettingkracht hebben , de andere minder geschikt voor de omstandigheden zijnde vroegtijdig vernietigd."

( geciteerd in Lyn Barber :" The Heyday of Natural History " 1980 )

       " He clearly saw the full force of natural selection." moest Darwin toegeven in een latere uitgave van " Origin of Species " nadat Matthew in de " Gardeners Chronicle " ( ! ) aandacht voor zijn primeur had opgeëist. Darwins topbiografen Adrian Desmond en James Moore hadden de beleefdheid Matthews hier vermelde citaat niet aan te reiken, maar trokken er wel de aandacht op ( in:" Darwin " Penguin ed. 1992 p. 40 ) dat " Naval timber ..." de opkomst van een mercantiele meritocratie ter vervanging van het seniel afsterven der aristocratie beschreef ( ! )  ( ik onderlijn - noot Jacky ) zodat Matthew mag geacht worden in dezelfde pennetrek ook nog het sociaal darwinisme te hebben neergezet !

       Zelf hield Patrick Matthew het bij " Discoverer of the principle of Natural Selection " hetgeen hij op zijn visitekaartje liet graveren, dat hij dan waarschijnlijk met een brede grijns op fuiven liet rondgaan. ( Lyn Barber 1980)

      Van Hulthem stierf in 1832. Bij de laatste reeks boeken die hij aan zijn bibliotheek toevoegde behoorde: " Recherches sur la structure comparée et le developpement des animaux

et des vegetaux par B.C. Dumortier, membre de l' Academie  Bruxelles 1832 "

( in B.H.31109 ). Ik keek het werk vluchtig in en ik geloof dat het vruchtbaar zou kunnen zijn het in het licht van bovenstaande te herbekijken.

       Dumortier beschouwt de variatie van " erythroea pulchella " die  hij zich in droge grond (sol aride) ziet ontwikkelen tot " chironia pulchella ",in vette grond (sol succulent) tot " chironia ramosissima " en heeft het over " ... de stalen van chironia puchella van etiketten voorzien door de hand van Swartz zelf en die ik gezien heb in de Herbarium van Linnaeus, bij mijn geleerde vriend Sir J.E.Smith "

 ( Dumortier, op. cit. p. 30)     

       Darwin opende zijn " Origin..." ( 1859 ) met het hoofdstuk " Variation under domestication " waarin hij uitgebreid de lof zong van generaties tuinbouwers en kleinveehouders van wie hij wist dat zij " evolutie " als geen ander in hun vingertoppen hadden.

       Zonder twijfel - en Van Hulthem behoorde daar prominent bij, dubbel zelfs vanwege zijn sociaal historisch inzicht - waren dat de eerstelijnsexperten die het principe van natuurlijke selectie op zijn wetenschappelijke inhoud konden beoordelen.

       Geef toe dat het vermoeden niet belachelijk is, dat mocht iemand zich willen buigen over de evolutietheorie in de tijd van Patrick Matthew een wandeling door de Bibliotheca Hulthemiana zich opdringt.

       In 1824 had Dumortier de vrucht van zijn botanische experimenten wereldkundig gemaakt in : " Notice sur un nouveau genre de plantes : Hulthemiana, precedée d'un aperçu sur la classification des roses, par C.B. Dumortier   Tournai 1824 "( in B.H. 6810) waarin hij een roos van een nieuwe variëteit aan Van Hulthem opdroeg. ( cf. Jan Balis 1964)

       Om dat soort eerbetoon te begrijpen dienen wij te laten zien hoe Van Hulthem, die niet publiceerde, onder de mensen met zijn kennis omging.

       Charles Morren ( 1807 - 1858), die professor in de botanica werd te Luik, en in 1830 aan Van Hulthems irreguliere Gentse  universiteit geologie, zoölogie en anatomie doceerde beschrijft het best het gepersonaliseerde aspect van Van Hulthems educatieve methode:

       " Ik was nauwelijks zestien jaar oud en plantkunde was mijn grote passie. In het leven van Linnaeus had ik gelezen dat een van zijn geliefkoosde boeken  de " Institutiones rei herbariae " van Tournefort was, een werk dat ik nooit had gezien. Op een dag vond ik het op een veiling in Brussel, maar vrezende dat de prijs ervan boven mijn middelen zou gaan nam ik voor de veiling nota van enkele kenmerken der geslachten. Van Hulthem die ik niet kende, had me gadegeslagen en sprak mij aan: " Wel vriend, studeer je plantkunde en ken je het werk van Tournefort, "

Ik antwoordde dat ik Tournefort niet kende maar wel de waardering van Linnaeus voor zijn werk. Hij was zo opgetogen over mijn antwoord dat hij het boek kocht voor vijfendertig frank, en mij dwong het te aanvaarden, hoewel ik ten stelligste geweigerd had hem mijn naam te noemen. Twee dagen later werd ik hem voorgesteld door de heer Quetelet en mocht ik in hem een zeer tegemoetkomende en rechtvaardig curator van de universiteit ontmoeten. Hij leende mij dikwijls zeldzame boeken en gaf mij er verschillende. Op het schutblad schreef hij telkens een zeer vriendelijke opdracht. Toen ik leraar in de fysica geworden was aan de nijverheidsschool te Gent en hoogleraar in de natuurwetenschappen  aan de faculteit der universiteit, volgde hij dikwijls mijn cursus en liet niet na me de historische omstandigheden van sommige feiten te leren kennen die hij dan 's anderendaags bewees aan de hand van boeken, welke hij mij daarna schonk." (overgenomen uit : Catalogus " Karel Van Hulthem 1764 - 1832 " Nationale Biblotheek 1964)

       Zo moet er een hele generatie door Van Hultems onderricht in de wandelgangen zijn beïnvloed.

 

       " Ach waarom hebben wij geen publieke scholen voor wijsheid gelijk de Grieken? Waarom zijn er geen Socraten en Platos meer ergens ter wereld? Ik zou alles opgeven, aan alles verzaken  om hen te volgen en mij waardig te tonen hun leerling te zijn."

       Zo schreef Maine de Biran in 1794 in zijn dagboek. Daarin ligt waarschijnlijk de basis van de vriendschap met Van Hulthem, die er precies zo over dacht.

       Beiden zijn zij uiteindelijk de socratische methode meester geraakt en wisten zij het intellectuele leven van hun reisgenoten door dit hier, ons tranendal, te laven en te zalven.

       " Hij was de meester van ons allemaal." sprak Pierre -Paul Royer -Collard tot de filosofen van zijn generatie die rond het graf van Maine de Biran ten afscheid stonden.

       Wij zagen hoe Van Hulthem door zijn vrienden werd geschat.

       Bij het opstellen van de zesdelige catalogus " Bibliotheca Hulthemiana " vond August Voisin tussen de duizenden boeken één " Sterbender Socrates ". Hij nam het op onder catalogusnummer 4498 en noteerde erbij: " Met roest bevlekt zonder verdere aanduiding "

 

        Er is één brief bekend van Maine de Biran aan Van Hulthem, spijtig genoeg ongedateerd:

       " Het kan niet anders of de vriendschap die gij in mij hebt geïnspireerd  moet wel zeer levendig zijn om de bovenhand te nemen op de tumultueuze sentimenten die mij hebben beroerd sinds wij elkaar niet meer zagen. Uw brief heeft mij een plezier gedaan dat ik moeilijk kan uitdrukken. Ik zal niets toevoegen aan het charmante beeld der vriendschap dat gij mij voorhoudt. Ik voel het zoals gij het schildert. Ik kan niet genoeg het toeval zegenen dat ons elkaar deed ontmoeten nadat wij elkaar zo lang uit het oog waren verloren. Na elk onze jeugd te hebben doorgebracht in een verschillende wereld, na zoveel gevoeld te hebben en die ervaringen te hebben gehad waarvan men de les soms duur betaalt ontmoetten wij elkaar in de tijd toen die passies wat bezonken waren en plaats begonnen maken  voor de rede; en nu de stormen van de ziel plaats maken voor even zoete gevoelens, maar meer solide, op dit ogenblik is het dat wij elkaar terugzien.

De vriendschap bindt ons dus voor het leven, ik hoop het.

Gij hebt u van mij wel een zeer flatteus beeld gevormd. Het enige wat misschien waar is, is dat van die gevoelige ziel die gemaakt is om lief te hebben...

Ja, ge vergist u niet, en ik voel dat ge in mij die gelukkige faculteit die een object zocht terug aanwakkert.

Vriendschap, zegt gij, leeft van geneugtes. Het is heel zeker niet het wisselen van brieven die haar zal voeden. Twee vrienden hebben er nood aan samen te zijn in de zorgen en bekommernissen van moeilijke tijden. Zij ondersteunen elkaar. Twee jonge olmen die hun takken verstrengelen doorstaan beter de woede van de storm.

Ik zal u dus komen bezoeken. Ik zal mij begeven naar dat uithangbord der vriendschap. Zo bestaat er maar een voor mij en ik geloof mijzelf waardig er te verblijven.

Maar waarom zou jij eerst niet eens de charmes van mijn eenzaamheid komen proeven?

Hoezeer zou de aanwezigheid van een vriend haar mooier maken! Welk genoegen zou ik er niet in vinden de helft van mijn wens in vervulling te zien die ik zo dikwijls maakte in mijn zoete overpeinzingen. Ah! een leven naar de wens van mijn hart zou niet langer een melancholische droom zijn . Gij wiens ziel gemaakt is om het zuiver plezier van een landelijk toevluchtsoord  te smaken, waarom komt gij het mijne niet delen ?

Gij zegt met zoveel zin dat hetgeen men zaken noemt niet de moeite loont om er de gevoelens van het hart aan op te offeren.

Kunt gij niet wat tijd nemen ? In alle geval kom mij bezoeken  of ik kom, want ik heb nooit levendiger de nood aan een vriend gevoeld."( Uit: La Valette Mombrun 1914  pp. 442 - 443 )

       De brief stelt dat zij elkaar toevallig ontmoeten na lang contact te hebben verloren.

       Na de periode in Parijs 1797 - 1798, keert de Biran naar de Dordogne terug, in october 1812 vestigt hij zich opnieuw te Parijs, permanent tot aan zijn dood - behalve gedurende de Honderd Dagen van Napoleon. Vermits de brief Van Hulthem uitnodigt naar Grateloup te komen ( Biran is verre van eenzaam in Parijs) dateert hij van voor 1812. Tweemaal komt de Biran voor korte tijd naar Parijs. Een eerste maal in 1805, er was toen een levendige briefwisseling ( cf. supra), bijvoorbeeld Van Hulthem vanuit Gent 1805: 

       " Ik heb met veel plezier vernomen dat ge wat tijd met de filosoof Cabanis hebt doorgebracht en er nog een filosofe ontmoette die je graag wilde kennen, Mme Condorcet. Geef toe dat je in Parijs niet te beklagen waart, nu eens met de kleine filosoof van Auteuil ( = Destutt de Tracy), dan weer met de Zwitserse Socrates ( = Stapfer)..." ( in La Valette Mombrun 1914 )

       Een tweede maal is Maine de Biran te Parijs in 1811, als hij in het Hotel Mazarin ( 15 augustus) onderhandelt over een mogelijke uitgave van zijn werk ( zie Gouhier 1970). Uit die periode is er geen vergelijkbare briefwisseling gekend en het is dan dat zij elkaar uit het oog lijken te hebben verloren. Het is ook in die periode dat Van Hulthem de werkdruk aan de keizerlijke academie zwaar begint te wegen en hij af en toe naar Parijs reist om met de Fontanes zelf in persoon te confereren; bvb :

       " Daar er veel zaken zijn die men beter met woorden dan schriftelijk behandelt  neem ik mij voor morgen naar Parijs te reizen om u te verzoeken mij een ontmoeting toe te staan om u te onderhouden over verschillende zaken betreffende het publieke onderricht in de departementen van het academische arrondissement dat u mij heeft toevertrouwd."

( Van Hulthem aan de Fontanes  2 november 1810)

       In 1811 was hij waarschijnlijk in Parijs in verband met de afhandeling van de enquête die de Fontanes al in 1809 had voorgesteld over de stand van zaken in het lager onderwijs ( zie Leleux 1964).

       Door de veronderstelling te documenteren dat zij elkaar in 1811 te Parijs ontmoetten wil ik aansturen op een mogelijkheid dat zij elkaar van elkanders recente werkzaamheden op de hoogte brachten.

       Maine de Biran, een dokterszoon, was in 1806 medestichter en voorzitter geworden van de Société Medicale van Bergerac, op basis van zijn werk in praktische hygiëne voor de prefectuur van de Dordogne, en bij zijn recentste werk in 1811 behoorden de jaarlijkse voordrachten voor die vereniging. Als Van Hulthem op de hoogte was van Birans project zou dat kunnen verklaren - wij zagen met welke methode ( cf.supra re Morren) - hoe sommige aspecten van het werk van Joseph Guislain dicht daarbij aanleunden hoewel Biran er in die tijd niet over publiceerde.

       Ik geef een voorbeeld van een interessante lezing aan de hand van de titel waarvan geïnformeerde lezers al de richting kunnen duiden waarin er in de toekomst naar zal gerefereerd worden:

" Observations sur les divisions organiques du cerveau, considerées comme sièges des differentes facultés intelectuelles et morales; des rapports qu'on peut etablir entre l'analyse des facultés de l'entendement et cette sorte de division : Examen du système du docteur Gall à ce sujet - Séance du 13 novembre 1808."

       Het interessante aan dat soort werk van Maine de Biran is dat het kadert in een onderzoek naar de natuurlijke aard van het menselijke bewustzijn - een onderzoek waarvan de hoogdagen zich situeren aan het begin van de 21ste (!) eeuw ( zie bijvoorbeeld: Carol Ezzel " Brain Terrain " in Scientific American  maart 2OOO p.11), in het werk van Antonio Damasio, o.a. " Descartes Error "

( 1994 )

       De theorie van dr. Gall bestond erin te veronderstellen dat alle geestelijke faculteiten konden worden afgelezen uit bulten op de schedel: taalknobbel, wiskundeknobbel, godsdienstknobbel...

       In de geschiedenis van de neuropsychologie wordt het dikwijls voorgesteld alsof de theorie van Gall de enige wetenschappelijk gangbare was in die tijd. Maine de Birans kritiek op Gall bewijst het tegendeel, de conclusie in zijn lezing was dat hij toegaf dat er voor elke intellectuele actie een nerveuze actie uit het brein emaneerde maar dat de actie zelf het gevolg was van een geestelijke oorzaak die nergens is gelokaliseerd. ( zie Geneviève Barbillon  1927)

       Het is belangrijk onder ogen te houden dat Birans werk in de psychootantropologie plaats vindt aan het prille begin van de psychiatrie en dus in veel aspecten een pioniersrol speelt.

       Bij Jozef Guislain, die een product was van de Gentse medische school, die zijn eigen werk met eigen tekeningen illustreerde, en de plannen voor zijn gesticht zelf tekende - gaven die hem zeker onder de aandacht van Van Hulthem kunnen hebben gebracht - vindt men een zelfde kritiek op Gall.    

       In zijn " Journal " ( 23 april 1817) schrijft de Biran uitvoerig over een rapport door Antoine Royer - Collard ( 1768 - 1825) bij de observatie over het beloop van drie maanden van een auditief hallucinerend patient genaamd Martin.

       Deze Antoine was de broer van Pierre - Paul Royer - Collard die in " Geen Rede mee te rijmen - de geschiedenis van de psychiatrie ", samengesteld door het Guislain Museum, met Maine de Biran in verband is gebracht. Deze laatste, de filosoof, had met Maine de Biran en Van Hulthem in de Raad van Vijfhonderd gezeteld en beklede vooraanstaande functies die ook voor Van Hulthem van betekenis waren: directeur - generaal van het boek - en drukwezen, deken van de letterkundige faculteit van Parijs, voorzitter van de Koninklijke Raad van de Universiteit ( na 1815 dus)

       Het is nochtans bij Antoine Royer - Collard dat de echte betekenis van Maine de Biran voor de geesteszorg moet gezocht worden.

       Sinds 1806 was Antoine directeur van het asiel voor geesteszieken van Charenton, in 1816 werd hij aangesteld tot professor in de wetsgeneeskunde aan de Medische School. In 1819 onderbrak hij zijn lessen om zich bezig te houden met het ontwikkelen van een richting mentale pathologie, voornamelijk met het oog op de publieke instellingen voor geesteszieken.

       " Mijnheer," schreef Antoine Royer - Collard op 27 juni 1820 aan Maine de Biran " U heeft de goedheid gehad te beloven mij met uw licht bij te staan in verband met de cursus die men mij heeft opgedragen te geven aan de Medische faculteit over mentale vervreemding. Ik kom u het uitvoeren van die belofte vragen.

        Wilt u mij aanduiden welke de dagen en de uren zijn waarop ik de eer zou mogen hebben u bij mij thuis te ontmoeten? Ik heb weinig vrije ogenblikken maar ik hecht zo'n waarde aan de communicatie die ik van uw welbehagen verwacht dat ik niets wil verwaarlozen dat mij in staat kan stellen er de vruchten van te plukken...

( zie Mayonade in " Revue de Lille " oktober 1896)

       Deze samenwerking zal pas na de dood van Maine de Biran een aanwijsbare invloed uitoefenen op het vakgebied, als Hypolyte Royer - Collard, zoon van Pierre - Paul, in tome II 1843 van de "Annales medico - psychologiques - Journal de l' Anatomie de la Physiologie et de la Pathologie du système nerveux " de  " Examen de la doctrine de Maine de Biran sur le rapport du physique et du moral de l'homme " liet verschijnen. Dat was de door de Biran zelf geannoteerde tekst van een " Abrégé de la doctrine contenue dans le Mémoire de Biran - Difficultés et obscurités qu'elle me parait offrir ", die Antoine Royer - Collard had samengesteld na de samenwerking in 1820.

       De bladzijden waaraan de Biran werkte in de laatste dagen van zijn leven en waarin hij op zijn manier die samenwerking uitdiept zijn gebundeld onder de titel " Considerations sur les principes d' une division des faits psychologiques et physiologiques " ( Tisserand vol.XV)

       Dat zijn inzet pas laat bekend raakt in de litteratuur betekent niet dat zij door zijn vrienden niet naar waarde werd geschat, en Van Hulthem was een vriend van het eerste uur.

       In 1824, het jaar van de Birans overlijden, antwoordde Guislain op een prijsvraag uitgeschreven door de Société de Beaux Arts de Bruxelles omtrent het ontwerpen van een plan voor een te bouwen krankzinnigengesticht. Hij won een eremedaille.

       In 1825 werd hij bekroond voor zijn inzending over de middelen die kunnen bijdragen tot een verbetering van de behandeling der krankzinnigen - een prijsvraag heruitgeschreven door de Commissie voor Geneeskundig Onderzoek en Toevoorzicht van de Provincie Noord - Holland te Amsterdam. Toen die prijsvraag in 1821 was gesteld werd Guislains inzending negatief beoordeeld omdat hij niet genoeg aandacht bestede aan het buitenland. Als na zijn bekroning in 1825 Guislains werk " Traité sur l' aliénation mentale et sur les hospices d' aliénés " verschijnt te Amsterdam is dit tevens het werk dat de grondslag legt voor de psychiatrie als klinische wetenschap.       

       Men vindt bij Joseph Guislain ook een zelfde aandacht voor de natuurwetenschappelijke elementen in het werk van Van Helmont (1579 -1644 ) als bij Maine de Biran, die er enkele bladzijden aan wijdde :" Distinction de l'ame sensitive et de l'esprit selon Van Helmont  1821 "

       Guislain erkent bij Van Helmont bijvoorbeeld het natuurwetenschappelijke aspect van archeeën ( archeus non regitur ab astris), terwijl hij uitdrukkelijk vermeldt dat hij niet denkt dat Van Helmont bedoelde dat archeeën vaste entiteiten in het lichaam waren. ( zie " Guislain en de archetypes " in Gandavum jg.3 nr.2)

       Bij dit alles komt het absoluut beschamende peil van de " vaderlandse geschiedenis " daaromtrent te voorschijn. Zo kon in een recent gedenkboek over Jean Baptiste Van Helmont ( Martens 1995) niet langer meer achterhaald worden dat Guislain, misschien wel als enige Belgische geleerde, een substantiële thesis aan deze Vlaamse arts wijdde:" La nature considerée comme force instinctive des organes   1846 "

       Of moeten wij de fout bij Van Hulthem leggen omdat hij naliet een inventaris op te stellen van zijn intellectuele contacten?

       Tot nu toe is er van geen ontmoeting Guislain - Van Hulthem geweten, maar zoals wij hem hierboven hebben leren kennen (cf. Morren) zou het best kunnen dat het ontbrekende volume in de anders complete collectie van het werk van de Boulainviller nml." Idée d'un sytème general de la nature " waarmee de auteur bij het werk van zijn leermeester Van Helmont aanleunde, via Van Hulthem bij Guislain is terechtgekomen.

       Van Hulthem was in ieder geval door zijn contact met Bernard Coppens thuis in het medische milieu van zijn tijd.

       De statuten van Maine de Birans " Société Médicale " geven trouwens een goed beeld van wat onder de staat der kunst in die tijd verstaan werd:

       " ART. 1 : De Vereniging houdt zich hoofdzakelijk bezig met alles wat min of meer rechtstreeks op de kunst van het genezen betrekking heeft: fysica, chemie, botanica, natuurgeschiedenis, landbouw,  de studie van menselijke moraal en intellect vallen in het plan van haar werkzaamheden."

( in Gouhier 1970)

       Dat zal in Gent wel niet zo heel anders geweest zijn.

       In Van Hulthems bibliotheek kon men de verzameling, in zeven volumes ( B.H. 7951 - 7958) van 108 medische thesen verdedigd te Leuven ( 10) en Gent ( 98) aantreffen uit de periode van zijn curatorschap aan de universiteiten daar. Pas in 1824 werd Van Hulthem curator van de Gentse universiteit voordien had hij die functie voor de Leuvense bekleed sinds, in 1817, die universiteit opnieuw was opgericht.

 

       " Laat ons noteren " schreef Leleux " dat op 1 juni 1820, dus enkele jaren na haar oprichting, de universiteit van Gent zich in de ogen van vele Gentenaars discrediteerde door het toekennen van een zilveren medaille aan de beroemde buikspreker Alexander."

       Dit viel dus niet onder Van Hulthems bevoegdheid, ware het niet dat de onsterfelijke Norbert Cornelissen, sinds jaren Van Hulthems spitsbroeder, lid van de Academie van Wetenschappen en Letteren, adjunct - secretaris was van de Gentse raad van curatoren en een kwinkslag tussen beiden nooit ver weg was.

       Overigens :

       " De menschen met een kluitje in het riet te sturen, is eene kunst die gantsch niet verwerpelijk is, en het aanleren en oefenen derzelve, ziedaar nog een voordeel van het geven van publieke audientien, waarvan ik haast vergeten had gewag te maken."

       De woorden zijn van Anton Reinhard Falck ( 1777 - 1840 )Minister van het Verenigd koninkrijk voor publiek Onderwijs, Nationale Nijverheid en Koloniën van 1818 tot 1824 ( in" Gedenkschriften " Colenbrander 1913 p. 215)

       Hij had een gevoel voor humor die het hem bij de Belgen zeer naar zijn zin maakte. Hij kende Van Hulthem goed:

       " Sedert augustus 1814 toen ik kennis met hem had gemaakt was hij meer dan eenige ander Belg met mij in vriendschappelijken omgang gebleven. Zijne onopgesmukte vaderlandsliefde stichtte, de zonderlingheden zijner bibliomanie vermaakten mij; uit zijn getrouw geheugen kon hij, op den eerste aanvraag, oneindig vele wetenswaardigheden mededelen omtrent zaken en personen, edoch in zijne bekwaamheid had ik mij deerlijk vergist, want pas had hij door mijn toedoen het griffierschap der Tweede Kamer aanvaard, of men erkende eenstemmig dat hij wel voor geenen post in de wereld minder geschikt wezen kon dan voor juist dezen, of het moest het sécrétariat perpétuel de l' Académie Royale de Bruxelles zijn, dat mede ettelijke jaren door hem tot grote ergernis van den Commandeur de Nieuport ( vgl. supra) bekleed en niet dan ten gevolge der gestadig herhaalde aanvallen en verwijtingen van dezen vurigen grijzaard verlaten werd " ( op. cit. p. 237)

       Dit citaat ligt aan de basis van het vermoeden bij sommige van zijn biografen dat Van Hulthem administratief onbekwaam was, Leleux ( 1964) echter wees erop dat het hier om twee erkende sinecuren ging van het soort dat diegenen kon bekoren die van het decorum van erefuncties hielden en tijd teveel hadden; mischien staan wij te ver van het brandpunt van Falcks ironie om ons de natuur der pointe te realiseren die de grootste onbekwaamheid bij de grootste sinecure plaatste.

       Wat er ook van zij Falck had geen reden om Van Hulthem, sinds 1817 curator van de heropende Leuvense universiteit, samen met de Nieuport, tekortkomingen aan te wrijven die de bestuurstechnische verantwoordelijkheid van zijn departement benadeelden. Die vond hij wel bij Dewez die Van Hulthem als vast secretaris van de Brusselse Academie was opgevolgd en wiens Onderwijs Inspectie over Limburg, Antwerpen en de beide Vlaanderen hij zich op den duur gedwongen zag in handen te geven van Wijnbeek:

       " ... wien het werk in alle opzichten beter van de hand ging en - iets dat ik mij ternauwernood als eene mogelijke kans had durven voorstellen  - wat men zich op vele plaatsen niet door den lauwen Roomschgezinden had willen laten beduiden, kwam nu van lieverlede in werking onder leiding van een erkenden Geus " zeker " te Gent, alwaar het sukkelen en haspelen boven alle beschrijving is geweest." ttz. de relatie tussen het Bisdom en het Onderwijsministerie ( op.cit. p. 216)

       Bij Van Hulthem vond Falck de steun die hij nodig had, waar hij hem nodig had.

       " De stad Gent zoude voor een feest der nijverheid waarschijnlijk bij alle stemgeregtigden de voorkeur verworven hebben; bij mij had zij daarenboven eene vermogende voorspraak in Van Hulthem (...) de breedsprakige en de breedschouderige (...). Z.M. teekende zonder aarzelen het besluit welk ik hem nopens de tentoonstelling en derzelven tijd en plaats voorlei, en ik mogt eene aanvankelijke belooning mijner welmeende bedoelingen genieten in de luide toejuichingen die mij ten deel vielen toen ik het voor het eerst opentlijk vermelde, ten besluite van het gastmaal dat op het plegtig leggen van den eersten steen der universiteit (1819) volgde (...) maar l'homme propose et Dieu dispose : in plaats van geregeld aan zaken te arbeiden die om slechts naar behoren te worden bijgehouden, dagelijks tien of twaalf uren arbeids vereischten, liep het zo dat ik den kostbaren tijd der wintermaanden op honderd mijlen afstands aan belangen van een geheel anderen aard, en ik moet er tot mijn leedwezen bijvoegen van eene oneindig mindere waarde moest gaan verkwanselen. "

( op.cit.p. 238 )

       Het inrichten van de Nijverheidstentoonstelling was dus géén sinecure, maar Falck moest doen wat hij het beste kon: diplomatisch gaan onderhandelen voor Willem I bij het congres te Wenen.

In 1823 zou hij zelfs Ambassadeur der Nederlanden te Londen benoemd worden.

       Bij zijn terugkeer in 1820, op tijd voor de opening van de tentoonstelling kon hij vaststellen:

      " Als eene eerste proeve overtrof zij verre mijne eigene verwachting en die van alle billijke beoordeelaars. Hetzelfde zij van de plaatselijke aanstalten gezegd, van de statige omgangen, van het muziekfeest op den Kouter. De Gentenaars hielden al hetgeen hun stadsgenoot Van Hulthem had beloofd. "( op.cit.p. 252)

       Tot zover Van Hulthem in Falcks " Gedenkschriften ".

       In private overpeinzingen, die ik geheel voor mijn verantwoordelijkheid neem, zie ik het toekennen van de zilveren medaille aan Alexander als een knipoog onder vrienden, samenzweerders als het ware tegen de eeuwig naar zegepraal dorstende confederatie van leeghoofden.

       Falck was een filosoof:

       " Voor mijnen weetlust, ik wil het niet ontveinzen, zijn de wonderen van het heelal en de inwendige verschijnselen van het menschelijke wezen ten allen tijde genoeg geweest, ja meer dan genoeg (...) Van hen die de natuur anders opgetuigd en op eene metaphysieke leest geschoeid heeft, bewondere ik er niet weinigen, beklaag ik de meeste, en benijde ik er geenen. Zonderling moet het voorkomen dat ik hierbij Kant in erkentelijkheid gedenke, maar het is grotendeels om mijn vroegtijdig bekend worden met zijne speculatiën dat ik mij in 't speculatieve tot het hoogst noodige bepaald en van het metaphysieke eens en vooral gespeend heb. " ( op.cit.p. 209 )

       Reinhard Falck was een van de vroegste Kantianen in Nederland; in 1798 gepromoveerd aan het Amsterdams Atheneum op een proefschrift in de Kritische Filosofie:" De matrimonio ex sententia celleb. Imm.Kant et Joh. Gottl. Fichte ", student van de Duitse privaatdocent Heuman die de categorische imperatief onderwees te Amsterdam in 1797.                                                                 Paulus van Hemert ( 1756 - 1825) die met " Beginsels der Kantiaanse wijsbegeerte, naar het hoogd. vrijelijk gevolgd  Amsterdam 1796 - 98 " ( in B.H. 3888) aan de basis van de Kantstudiën in Nederland stond " ondekte " in Falck een gedreven student en spoorde hem aan te publiceren in zijn" Magazijn voor Critische Wijsbegeerte." Falck schreef er " Over het mislukken van alle proeven eener theodicee " voor, dat in 1801in het vijfde deel verscheen.

       Een oom van Falck was Goeverneur Generaal van Ceylon, zijn vader een van het zesmanschap dat voor de Oost Indische Compagnie te Amsterdam het " Preparatoir Besogne " i.e. het Departement van Indische Zaken waarnam, zodat hij niet noodzakelijk van de vrucht van zijn intellectuele inspanningen moest leven.

       Niettegenstaande bleef hij zijn filosofische overtuiging trouw en zij hielp hem in het beoordelen van het aanbod aan professoren voor de nieuw opgerichte universiteiten van Gent, Leuven en Luik.

       In die hoedanigheid volgde hij de studieverrichtingen in Duitsland van de briljante student Johan Rudolf Thorbecke ( 1798 - 1872) die in 1825 aan de Gentse universiteit werd aangesteld als buitengewoon hoogleraar in de Europese politieke geschiedenis en filosofie. ( zie " Thorbeckes studiejaren 1820 - 1825 " in Gandavum

jg.6 nr.1)

       Rudolf Thorbecke raakte in 1820 bevriend met de professor in de filosofie aan de Göttingsche universiteit, Friederich Bouterwek ( 1777 - 1843 ),  wiens college hij aandachtig volgde. Deze Bouterwek was een Kantiaan pur-sang, die door Immanuel Kant( 1724 - 1804 ) zelf was opgeleid en hij steunde Thorbecke in diens pogingen een synthese van de ideeën van Kant en Spinoza te maken.

       Thorbecke was van een heel wat bescheidener achtergrond dan Falck; voor hem werd het aanhangen van de nieuwste filosofische richting een handicap in het zoeken naar academisch werk.

       Terwijl het thuisfront zich inspande om hem als hoogleraar te plaatsen werkte Thorbecke in Göttingen ( 1823 ) aan zijn eerste eigen publicatie :" Über das Wesen und den organischen Character der Geschichte.", opgevat als een open brief aan K.F. Eichhorn ( 1781 - 1854 ) die samen met F.K.von Savigny ( 1779 - 1861 ) aanzien wordt als de grondleggers van de historische rechtschool  - de lezer heeft ondertussen goed opgemerkt dat wij ons hier in het hart van de " verbazende vooruitgang in de historische en filosofische kritiek in Duitsland " bevinden die Pr.Pirenne ( cf. supra) zo welwillend onder onze aandacht bracht -.

       Op dat ogenblik had Thorbecke ook al zijn oog laten vallen op de filosofie van Hegel ( 177O - 1831), die hij in zijn reisjournaal beschreef zoals hij haar te Heidelberg, waar zij al werd onderwezen, had ervaren. De dialectiek " in de geest ", Hegels " idealisme " vond hij verwerpelijk, de kritisch filosofische arbeid die ermee verband hield, boeiend.

       " Het is voornamelijk de natuurwetenschappelijke kant van de filosofie die mij bezig houdt. Er lijkt mij immers nog steeds geen constructie van de Natuur te zijn gevonden zoals de wetenschap die kan eisen " schreef hij in juli 1822 aan zijn vriend Luwig Tieck ( 1773 - 1853)

       In November 1823 had hij nieuws voor het thuisfront:

       " Voor enige weken is Bouterwek van eene reis door Holland teruggekomen (...). Ik sprak hem onder anderen over Falcks gezindheid ten mijnen opzichte en hij vroeg mij waarom mij dan Falck niet als professor in Gend plaatste waar omtrent Zijne Exellentie reeds voor verscheidene jaren van hem ( Bouterwek) eenen voorslag verlangd had, zonder gelukkigen uitslag, terwijl Bouterwek stellig meende te weten dat die post ook heden niet vervuld zij. "

        Het bekomen van de aanstelling te Gent werd enigszins uitgesteld wegens de ambtswissel van Falck ( 1824) en dan waarschijnlijk vergemakkelijkt door Van Hulthems aanstelling als curator voor de Gentse universiteit ( 1824).

       De " Brockhaus Enzyklopädie " voor Filosofie  Mannheim 1990 beschrijft Bouterweks filosofie als volgt:

       " Uitgaande van Kant wordt hij de grondlegger van het - absolute vitalisme -: wij kennen onze eigen realiteit uit het feit dat wij willen, en de realiteit der dingen door de weerstand tegen ons willen. Deze leer, die naar Schopenhauer verwijst, beïnvloedde Maine de Biran . "

       Toen Bouterwek het filosoferen een beetje te zwaar kwam te vallen begon hij aan een geschiedenis der wereldlitteratuur sinds de 13de eeuw. Deze bleef onafgewerkt, maar algemeen wordt aangenomen dat het deel over de Spaanse litteratuur tot het beste van zijn schrijven behoort.

       Het catalogusnummer B.H. 20479 in Voisins " Bibliotheca Hulthemiana " is als volgt beschreven : " Histoire de la litterature espagnole; trad de l'allemand de M. Bouterweck, par le traducteur des lettres de Muller ( Mad. De Sterck, avec une preface de M. Stapfer ) Paris 1812 "

       Wij zagen hoe Van Hulthem in een brief ( 1805) aan Biran Stapfer beschreef als de Zwitsere Socrates. ( ref. La Valette Mombrun 1914 )

       Philippe Albert Stapfer ( 1766 - 1840), die van 1798 tot 18OO minister van Kunst en Wetenschappen was in Zwitserland en zich in 1801 te Parijs vestigde in functie van plenipotentiair minister, was een levenslange vriend van Maine de Biran met wie hij een precieze filosofische discussie voerde. ( zie bvb. " Reponse à Stapfer " in " Maine de Biran - Oeuvres Choisies " Gouhier intr. Paris 1942  pp. 23I - 253 )      

       Maine de Biran was niet zo bespraakt in het Duits en kende bijvoorbeeld het werk van Kant eerder uit " Philosophie de Kant, ou principes fondamentaux de la philosophie transcendentale  par Ch. Villers  1801 " ( in B.H. 3891) ( vgl. Barbillion 1927 ) maar zijn vrienden, Degérando bvb. ( Cf. supra) of Stapfer stonden er garant voor dat hij heel wat fijnere details toch te verwerken kreeg.

       Het is in die samenhang dat de invloed van Bouterwek op Maine  de Biran zou moeten gezocht worden, tot nu toe is de bewering in

" Brokhaus... " slechts van nut geweest om het verband aan te reiken dat ik hier bespreek. Zelf wacht ik geboeid op verdere informatie omtrent die merkwaardige " invloed ".

      

       Van Hulthem en Thorbecke waren voorbestemd om het goed met elkaar te vinden. De " Oratio de diciplinarum historico -politicarum argumento ", Thorbecke's inaugurale rede werd bij De Goesin - Verhaeghe gedrukt ( Gent 1825) en vond haar weg naar Van Hulthems bibliotheek ( B.H. 1o969) Spijtig genoeg bestaat er weinig of geen documentatie over de jaren van Thorbecke aan de Gentse universiteit, geen briefwisseling van hem uit de jaren 1825 - 1829, wat verwonderlijk is gezien zijn bekendheid als vruchtbaar correspondent. Men kan zich afvragen of er misschien een soort Van Hulthem archief bestaan heeft waarin heel wat materiaal verzameld en verloren gegaan is. De schade door de Duitse bezetter gedurende de Eerste Wereldoorlog is aanzienlijk geweest; de brand van de Leuvense bibliotheek in 1915 bijvoorbeeld, rampzalig.

       In 1827 treffen wij Van Hulthem aan als lid van een commissie, samen met Bernhardi, Raoul en Van de Weyer, die verantwoordelijk was voor het verzamelen en uitgeven van de bronnen voor de Belgische Geschiedenis, de " Scriptores rerum Belgicarum ".

Na Van Hulthems dood ( 1832) werd die commissie uitgebreid met de Reiffenberg en J.F.Willems om verder te werken als de " Commision Royale d'Histoire ".

       Thorbecke had op zijn studiereis de geboorte ( 1819) van een gelijkaardig project in Duitsland kunnen meemaken, de " Monumenta Germania historica " die in 1827 begon te verschijnen. Het is pas in 1845 dat het Historisch Genootschap van Utrecht de noodzaak voor een zelfde verzameling voor de Nederlanden aankaart; in 1906 dat het project door de regering aan een historische commissie wordt overgedragen.

       In 1827 schreef de Nederlandse overheid wel een prijsvraag uit voor het vaststellen van het ambt van Geschiedschrijver des Rijks.

De uitslag verscheen op 12 maart 1830 in de Nederlandse Staatscourant; er was geen benoeming, alleen 5 medailles voor verdienste.

       Thorbeckes bijdrage kon moeilijk weerhouden worden aangezien zij geen begin maakte met het schrijven van de Rijksgeschiedenis, maar opwierp dat het nog niet geheel duidelijk was wat met kritische geschiedschrijving bedoeld werd, een probleem dat hij behandelde in het licht van de noodzaak eerst en vooral de bronnen te verzamelen en uit te geven; en dit was geen Zuid Nederlands probleem.

       In de beoordelingscommissie voor die prijsvraag zetelden onder andere Van Hulthem, Norbert Cornelissen en van Maanen.

Het is best mogelijk dat in andere omstandigheden de discussie rond Thorbeckes standpunt zou zijn voortgezet maar na september 1830 was zo'n dialoog tussen Belgen en Nederlanders niet meer mogelijk. Het was pas na 1845 dat Thorbeckes bijdrage in Noord Nederland werd " herontdekt " als zijnde zijn tijd ver vooruit ( i.e. j.r.thorbecke: Ontwerp tot eene nieuwe bewerking der landsgeschiedenis, ingevolge Zijner Majesteits besluit van 23 december 1826  in: Boersma 1949)

       Hoever Thorbecke zijn tijd vooruit was kan blijken uit een voordracht die hij hield op 22 januari 1830 voor de Maatschappij van Taal en Letterkunde Regat prudentia vires - de maatschappij die in 1821 te Gent was opgericht onder auspiciën van Reinhard Falck ter bevordering van de moedertaal -. Thorbecke las er zijn " Verhandeling over de invloed der machines op het zamenstel der maatschappelijke en burgerlijke betrekkingen ", waarvan de tekst pas in 1940 voor het eerst werd uitgegeven ( in: Bijdragen voor Vaderlandse Geschiedenis en Oudheidkunde, Achtste reeks. Eerste deel. 's Gravenhage, en zie: Boersma 1949 pp.459 - 469)

       Laat ik hier uit een tiental bladzijden even scherpe als merkwaardige analyse van het fenomeen industriële revolutie het volgende weergeven:

       " De vermeerdering van kapitaal, welke de machines onderstellen, en welke, omgekeerd, door de machines bevorderd wordt, is voornamelijk vergrooting van het vast kapitaal. Grondeigendommen kunnen gesmaldeeld worden, en in kleinere stukken ontbonden worden, aan het omloopend kapitaal kan een onbepaald aantal ondernemers deel erlangen; maar het is niet eveneens gelegen met die groote industrieele ondernemingen, welke op een vast kapitaal van overkostbare machines en uitgestrekte gebouwen gegrond zijn. In stede van aan deeling onderhevig te wezen, streven deze veeleer, om, met onderdrukking van kleine of middelmatige inrichtingen allengs meer en meer te omvatten, en een zeer beperkt aantal van hoofden en kapitalisten in handen te vallen. In diezelfde mate echter, als kapitaal en onderneming in het groot bijeen, of geconcentreerd blijven, groeit noodzakelijk de menigte der burgers zonder vermogen, en zonder ander inkomen, dan arbeidersloon aan (...)Deze onevenredigheid en worstelstrijd tusschen de hoofden van den fabrykstaat, en de massa der arbeiders, welke door de hedendaagse strekkingen der industrieele kunst voor het vervolg is bevestigd, en ten nadeel der loontrekkende menigte beslist is geworden, mag men regt als eene der diepste en gevaarlijke wonden van het maatschappelijke lichaam aanmerken. ( ... )

De toestand der bloot loontrekkende burgers grenst onmiddellijk aan armoede ( cursief in de tekst) (...) Het is onbetwistbaar, dat met behulp der machines het nationaal inkomen vergroot wordt.

Doch het is niet alleen de hoegrootheid, het is tevens de wijze van verdeeling ( cursief in de tekst), welke bij de beoordeling van den nationalen welstand in aanmerking behoort te worden genomen. "  enz.

       Het volstaat uit deze tekst de metafoor " eene der diepste en gevaarlijke wonden van het maatschappelijke lichaam " te lichten om een idee te krijgen hoe men zijn " organisch karakter der geschiedenis " had kunnen illustreren, of  " worstelstrijd tusschen de hoofden van den fabrykstaat en de massa der arbeiders " om het niet metafysische karakter van maatschappelijke dialectiek aan te duiden.

       Misschien bestaan er notulen die vermelden of Van Hulthem tot de toehoorders van Thorbecke behoorde, maar zelfs indien niet dan nog zal men hem bezwaarlijk hebben kunnen verwijten dat "zijn" professor het vak politieke geschiedenis niet in ernst nam.

       En wat was het geweest als Thorbecke in Gent was gebleven, uit zijn latere correspondentie blijkt immers dat hij de periode in Gent als een intellectuele verrijking had ervaren. Helaas was in december 1830 het forum over maatschappelijke dialectiek vervangen door één over nationale patriotiek met Thorbecke als persona non grata, omdat hij een Nederlander was.

       " Terwijl men in de betrekkingen van Staat en vast bezit het belang van velen doet gelden tegen alle zogenaamde aristocratie en monopool, tegen alle overgewigt van eenen of weinigen, terwijl de vreeselijke opstand van geheele volken tegen deze bezwaren en schrikbeelden nog versch in het geheugen ligt, steekt over het gebied der nijverheid de meest uitsluitende bevoorregting het hoofd op, om andermaal, strenger dan ooit, velen te onderwerpen aan weinigen. " ( Thorbecke oratio cit. )

       Karl Marx ( 1818 - 1883) was twaalf jaar oud, Proudhon ( 1809- 1864 ) was er eenentwintig en de generatie die begrepen had dat Marie Antoinette het niet begrepen had toen ze zei: " Laat ze taartjes vreten. ", op sterven na dood.

       Het Koninkrijk België daarentegen was een feit; een borelingske klaar om zèlf  geschiedenis te maken, maar wel eentje dat opgroeide als een jaloerse kleine donder . . .

 

 

 

 

Brussel, 6 juni 1820:

       " Lettera secretissima per voi solo, caro Cornelio.

Nooit heeft men zich met meer vuur voorbereid op olympische strijd dan in de manier waarop men werkt voor onze tentoonstelling te Gent; artiesten waarvan men het niet zou vermoeden houden zich ermee bezig. Ze staan om vijf uur 's morgens op en werken tot 's avonds, zij spreken de hele dag over niets anders en moest dat werktempo een paar maanden aanhouden, er zijn er bij die zot werden. Al de jonge artiesten die een schilderij over de schone Anthia hebben gemaakt geloven dat er voor hen geen hoop meer is nu zij weten dat mlle. F.   ( = la Française, Sophie Rude - noot Jacky ) ondersteund door vadertje D.( = Jaques - Louis David 1749 -1825 ) en m. Aude, het doek maakt.

 De prijs is geflambeerd - ziedaar hun uitdrukking. Het zal mlle. F. zijn die wint. Ik, van mijn kant, ben van een andere mening, ik denk, onder ons gezegd want men moet niemand ontmoedigen, dat er één tableau zal zijn die geen enkele concurrentie te duchten heeft.

Op dit ogenblik zeggen alle jonge artiesten dat zij van harte liever zouden hebben dat P. ( = Jozef Paelinck 1781 - 1839) het doek maakt aangezien er voor hen geen hoop meer is, en om niet beschaamd te worden door een juffer van 23 jaar.

Overlaatst is vadertje D. naar m. Odevaere gegaan en heeft hem uitgenodigd het doek van mlle. F te komen bekijken. - Compère, heeft Odevaere gezegd, ik geloof dat gij er zelf aan geborsteld hebt - Neen, op mijn erewoord, heeft vadertje D. geantwoord, ik geef alleen maar wat raad -

Ik ben het vadertje drie dagen geleden tegen gekomen in het park. - Ge moogt gerust uw prijs geven, zei hij, het zal mooi zijn, heel mooi! - "  Van Hulthem aan Norbert Cornelissen

       Het was Paelinck die de prijs binnenhaalde op het Salon ter gelegenheid van de grote Gentse Industrieële Tentoonstelling ingericht in 1820.

       Paelinck was ooit in Parijs op voorspraak van Van Hulthem in Davids atelier in het Louvre opgenomen. Na 1815 had David - een van de grootste, meest controversieële talenten van zijn tijd - zich te Brussel gevestigd waar hij in 1825 overleed. Omstreeks de periode gesitueerd in de brief voltooide hij zijn " Les trois dames de Gand ". David was de hofschilder van Napoleon, maar het was Jozef Paelinck die het portret van keizerin Joséphine had mogen schilderen dat op 27 maart 1808 op het Gentse stadhuis was ingehuldigd met bal en banket.

       " Ik heb met verdriet de dood van onze vriend Van Hulthem vernomen.” schreef jozef Paelinck in 1832 aan d'Huyvetter, in de Hoogpoort te Gent " Ik was zeer geschokt. De kunsten en vooral de stad Gent hebben hierin een onherstelbaar verlies geleden. Vele jaren zullen voorbijgaan zonder de kunsten een beschermer te bieden met zijn vlijt, zijn goede wil en tot de offers instaat die hij zich getrooste om kunstenaars aan te moedigen... "

       Kort voor zijn dood nog had Van Hulthem uit eigen vermogen

de 15OO gulden, de som van de normaal voor de driejaarlijkse kunsttentoonstelling voorziene staatssubsidie die toen aan Gent geweigerd werd, ter beschikking gesteld. Zijn vergoeding als curator had hij doen gebruiken voor het onderhouden van private faculteiten aan de universiteit toen het Voorlopig Bewind de Letteren en Wijsbegeerte had afgeschaft .

      

 

 

       Nochtans zou het tot vandaag, hier bij u waarde lezer, duren vooraleer men met rede kon zeggen dat zijn verlies voor de educatieve kant van de wetenschappen minstens even groot was als miskend.

       Bij zijn lichaam in statie, daar aan de ingang van die verticale korte smalle gang naar een betere wereld gebruikten de redevoerders ten uitvaart veel woorden zonder veel te kunnen zeggen - het was een vriend die heenging.

       " Hij leek nog zo gezond ", zo kon men de redevoering van een hunner samenvatten, en inderdaad, van een glas champagne en een lamsbout is er nooit iemand gestorven.

       Het moet geweest zijn dat de brave man ook regelmatig sneukelde.

 

            

                                                 Geschreven te Gent,

                                                    Gezusters Lovelingstraat

                                                                 Anno     2001

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

BIBLIOGRAPHIE :

 

 VOISIN ( 1836 - 1837 ) : Bibliotheca Hulthemiana  - Gent

 

SYKES ed . ( 1906 ) : France in 1802  - London

 

COLENBRANDER uitg . ( 1913 ) : Gedenkschriften van Anton                  

                                                Reinhard Falck  - 's Gravenhage

 

DE LA VALETTE MOMBRUN ( 1914 ) : Maine de Biran 1766 - 1824

                                                         - Paris

 

DELACROIX ( 1924 ) : Maine de Biran

                                et l' Ecole Medico -psychologique

                                in : Bulletin de la société française

                                      de philosophie  Tome XXIV  - Paris

 

LENOIR ( 1924 ) : La philosophie des Beaux - Arts

                           chez Maine de Biran

                           in : idem

 

BRUMMEL ( 1925 ) : Frans Hemsterhuis : een philosophenleven

                                - Haarlem

 

GOBERT ( 1925 ) : L' Opposition des assemblées pendant

                            le Consulat 1800 - 1804  - Thèse Paris

 

GORMAN ( 1925 ) : America and Belgium  - Leuven

 

BARBILLON ( 1927 ) : Lectures de Maine de Biran

                                 Bibliographie dressée d' apres les livres

                                 ( ... ) de Grateloup

                                 Thèse complémentaire Grenoble

 

KÖSTER ( 1933 ) : Joseph Marie Degérando als philosoph 

                             - Paderborn

 

SIMON ( 1940 ) : Henri de Boulainviller 1658 - 1722  - Thèse Lille

 

GOUHIER  intro. ( 1942 ) : Maine de Biran   Oeuvres chosies

                                          - Paris

 

sin       ( 1943 ) : Correspondance de Fontanes et de Joubert

                          1785 - 1819  - Paris

 

TASSIER ( 1947 ) : La technique des revolutions nationales

                            ou le duel Cornet de Grez - Verlooy

                            s.l.     ( de visu Centrale Bibliotheek R.U.G. )

 

TISSERAND ( 1920 - 1949 ) : Oeuvres de Maine de Biran

                                           accompagnées de notes et d' appendices

                                           15 delen  - Paris

 

BOERSMA ( 1949 ) : Johan Rudolf Thorbecke

                              Een historisch - critische studie  - Leiden

 

GOUHIER ( 1950 / '51 / '52 ) : Maine de Biran : Journal

                                             3 delen  - Neufchatel

 

HAHN ( 1955 ) : Quelques nouveaux documents

                        sur Jean Silvain Bailly in:

                        Revue d' Histoire des Sciences VIII pp. 338 - 353

                          - Paris

 

VAN SEVEREN ( 1963 ) : De Vrede van Gent 1814

                                    overdruk uit het kultureel jaarboek

                                    van de provincie Oost Vlaanderen 1963

 

BALIS e.a. ( 1964 ) : Karel Van Hulthem 1764 - 1832

                              Catalogus Koninklijke Bibliotheek  - Brussel

 

LELEUX ( 1964 ) : Charles Van Hulthem 1764 - 1832 - Brussel

 

DEVLEESHOUWER  e.a. ( 1965 ) : België onder Consulaat

                                                en Keizerrijk

                                                Catalogus Koninklijke Bibliotheek

                                                  - Brussel

 

BOURDE ( 1967 ) : Agronomie et agronomes en France

                            au XVIIIième Siècle  Thèse Paris

                           S.E.V.P.E.N.

 

GOUHIER ( 1970 ) : Maine de Biran par lui-mème  - Paris

 

LACROZE ( 1970 ) : Maine de Biran  - Paris

 

HAHN ( 1971 ) : The anatomy of a scientific institution :

                         1666 - 1803 , the Paris Academy of Sciences

                           - Berkeley ,California

 

DEVEZE ( 1971 ) : L' Europe et le monde à la fin du XVIIIième siècle

                             - Paris

 

YATES ( 1972 ) : The Rosicrucian Enlightenment

                            - Londen en Boston

 

RICE Jr . ( 1976 ) : Thomas Jeffersons Paris

                              - Princeton , New Yersey

 

COSTA ( 1976 ) : Vico's Influence on Eighteenth century

                          European Culture

                          in : Social Research vol 43 no 3  - New York

 

DEELSTRA ( 1977 ) : De School van Kunsten en Ambachten

                               ( 1826 - 1835 )

                               Uit het verleden van de R.U.G. nr.5

                               Archief R.U.G.  - Gent

 

BARBER ( 1980 ) : The Heyday of Natural History  - New York

 

PATERNOTTE DE LA VAILLEE ( 1982 ) : L' Hotel de La Marck

                                                          Ambasade de la Belgique

                                                            - Paris

 

VAN OPBROECKE ( 1982 ) : Radioscoop op ... een kortstondig

                                        Verenigd Koninkrijk  - Brussel

 

LIGOU e.a. ( 1987 ) : Dictionnaire de la franc - maçonnerie

                                 - Paris

 

WEINER ( 1987 ) : Mind and Body in the Clinic

                            in : Languages of Psyche  U.C.L.A. 1990

                                  ( Clark Library lectures 1985 - 1986 )

                              - Los Angeles

 

MAFFIOLI en PALM ( 1989 ) : Italian scientists in the Low Countries

                                           in the XVIIth and XVIIIth centuries

                                    ( invited papers  Utrecht 25 - 27 may I988 )

                                             - Amsterdam - Atlanta

 

PETRY ( 1990 ) : Frans Hemsterhuis : Waarneming en Werkelijkheid

                     ( Geschiedenis v/d wijsbegeerte in Nederland  vol. 14 )

                           - Baarn

 

FRANCOIS ( 1990 ) : Progressief en Cultuurbewust ,

                               prototypes van de Gentse burgerij einde 18de

                               begin 19de eeuw

                               in : Studiecentrum 18de eeuwse Zuidnederlandse

                               Letterkunde Cahier nr.5  - Faculté Univ. Saint Louis

 

DESMOND en MOORE ( 1992 ) : Darwin  - Londen

 

SNELDERS ( 1994 ) : Wetenschap en Intuitie  - Baarn

 

MARTENS ( 1995 ) : Dr. J.B. van Helmont 1579 - 1644

                              Van Duisternis naar Licht  - Leuven

 

SCHRANS ( 1998 ) : Vrijmetselaars te Gent in de XVIIIde eeuw

                              Liberaal Archief  - Gent

 

VANDAMME ( 1998 ) : Gentse schilders - de evolutie van de Gentse

                                 schilderkunst vanaf haar ontstaan tot heden

                                   - Gent

 

EX LIBRIS AMICORUM

 

 

VAN BENDEGEM ( 1987 ) : Finite , empirical mathematics

                                       outline of a model

                                       Werken uitgegeven door

                                       Faculteit van de Letteren en Wijsbegeerte

                                       174ste aflevering

                                       Rijksuniversiteit te Gent

 

DE VOS ( 1992 ) : Endoreversible Thermodynamics of Solar

                          Energy Conversion

                          Oxford University Press

 

HEIRBRANT ( 1995 ) : Componenten en compositie van

                                 de historische roman

                                 Literatuur in veelvoud o.l.v. Roland Duhamel

                                 nr.7        Garant uitg. Leuven - Apeldoorn

 

van DAMME ( 1996 ) : Beauty in Context

                                 Towards an Anthropological Approach

                                  to Aesthetics

                                  Philosophy of History and Culture

                                  Volume 17

                                  E.J.Brill  - Leiden - New York - Köln

                                                             

Met dank aan Miet Demuynck en Johan Laermans.

          

 

                                 

 

 

CAPUS ( s.d. ) : La vie , l'amour , l'argent

                       Collection des Glanes Françaises  - Paris

 

Alle niet in de handel verkrijgbare werken werden geraadpleegd

in de Centrale Bibliotheek van de R.U.G.

 

Zie verder : Gandavum - driemaandelijks tijdschrift m.b.t. de Gentse

                                   ( kunst )geschiedenis

                 detrap@planetinternet.be