Uit de oude doos
Reeds vanaf ik kon lopen, vertoefde ik op de hokken van mijn vader.  Toen hij merkte dat ik helemaal in de ban was van die gevleugelde atleten, bouwde hij in het najaar van 1988 mijn eerste hokje.  Met afbraakmateriaal toverde hij een waar pareltje uit zijn mouw.  Wat was ik fier!  Van de voorzitter van de club (Omer Jacobs) mocht ik zes duifjes uitkiezen.  Al vlug werden ze handtam gemaakt. Met deze beste maatjes trok ik in 1989 ten strijde.  Vroege prijzen waren er nog niet bij.  Maar telkens als mijn duifjes allemaal veilig en wel hun thuishaven bereikt hadden, was ik de koning te rijk!  1989 Niet alleen mijn vader, maar ook mijn grootvader (Jozef Cartuyvels), was duivenliefhebber.  Mijn vader stond zijn mannetje op de fond en de zware fond.  Mijn opa daarentegen legde zich toe op het kortere werk.  Op kleine zolderhokjes, kaapte hij bij regelmaat een eerste prijs weg.  Uiteraard was hij heel fier dat zijn kleinzoon voor de opvolging zorgde.  Eind 1989, tijdens de kampioenenviering, werden we samen vereeuwigd op de foto.  Ik kreeg toen mijn eerste trofee (jongste duivenmelker van de club).  Een speciaal moment!  1989 Bij mijn plechtige communie (1991) vroeg ik haast aan iedereen centen i.p.v. een geschenk.  Je kan al raden wat ik hiermee van plan was.  Jazeker…. Ik wilde heel graag een ruimer duivenhok.  Mijn vader die pas zijn duiveninfrastructuur vergroot had, bouwde voor mij een extra hok (één afdeling).  Op de foto zie je twee duifjes die ik kreeg op de dag van mijn plechtige communie van Georges Steenbergen  uit Rummen.  Hij was de man met de rechtstreekse Verbruggen-duiven.  Georges zijn duiven lagen vooral aan de basis van mijn successen die ik boekten in de jaren ’90.  Het blauwe duifje op mijn schouder werd mijn lievelingsduifje.  Ik noemde haar ‘Prutske’.  Ze werd wel geen goed kweekduifje, maar het was een heel tam duifje.   1991 Op het kleine hokje waar ik enkele jaren voordien van start ging, bleef één koppeltje zitten.  Het was mijn “Oude Duivin” (duifje van 1989) en de “Oude Tigger” (zoon van mijn vader zijn twee beste duiven).  Ze namen niet meer deel aan wedstrijden, maar kregen steeds overdag de vrijheid als de andere duiven niet aan het trainen waren.  Tot op de dag vandaag staat het hokje er nog steeds!   1992 Vanaf 1993 sloegen mijn vader Tony en ik de handen in elkaar.  Mijn vader gaf voor even zijn “fonddroom” op.  We gingen dat jaar van start met een ploegje jonge duiven en stonden al onmiddellijk tussen de kampioenen!  Ook de jaren die volgden werden we steevast kampioen in de club met de jonge duiven.   1993 Rond het jaar 2000 begon het steeds meer en meer te kriebelen om me te gaan toeleggen op het zwaardere werk.  Mijn vader die vroeger zelf fond speelde, zag dit natuurlijk helemaal zitten.   De overstap naar deze discipline was niet makkelijk.  Het was toch wel even zoeken naar de gepaste duiven.   Het was Tony Duchateau (dorpsgenoot van toen en zelf zware fondspeler) niet ontgaan dat ik ondertussen al heel wat topduiven in mijn handen had gekregen.  Samen met mijn vader en een bevriend keurder (Tony Akkermans) trokken wij naar heel wat tophokken doorheen  België. Tony Duchateau  vroeg me daarom  om zijn duiven te keuren.  Als dank mocht ik twee koppeltjes zelf samenstellen en hieruit kreeg ik dan een koppel jongen.  Eén duifje hieruit nl. 5185139-02 “De Marathon” werd dé basisduif van ons fondstammetje. Door zijn bloed stroomde het gekende Matterne-soort.   Hij werd eerst onze vaandeldrager op  het vlieghok.  Zo won hij steevast een prijs 1/10 op de vluchtten zoals Barcelona, San Sébastian, Cahors,…..  Maar nadien op het kweekhok kwam hij nog meer tot zijn recht.  Samen met een duivin van Bèrke Willems (Eisden) vormde hij het stamkoppel.  Hun afstammelingen vlogen tal van kopprijzen (o.a. 4e prov. Agen, 133 nat. Barcelona, 13e prov. Jarnac,…).   2000 6 januari 2017…  Ondanks zijn gezegende leeftijd vertoeft “De Marathon” nog steeds gezond en wel op onze hokken.