Hommels (bombus)
Aardhommel bombus terrestris
|
||||||||||
| De
koningin is 22 tot 28 mm groot en heeft een spanwijdte tot wel 43 mm. Werksters
en darren zijn van een meer normale omvang: 14 tot 17 mm lang en hebben
een spanwijdte van 30 tot 35 mm, al komen vooral in het vroege voorjaar
wel kleinere werksters tot ontwikkeling. De aardhommel is de eerste hommel
want ze vliegt al uit in februari-maart. De nesten bevinden zich meestal
ondergronds tot 1 meter diep in de grond in gangen van muizen of mollen,
doch soms ook bovengronds in stallen en hooimijten. en kunnen uit 500 tot
600 individuen bestaan. Als de kolonie groeit kunnen de dieren zelfs deze
nesten nog wat vergroten. De koningin bekleedt het met materiaal zoals mos.
De Aardhommel is veel minder kleurvast dan de Tuinhommel. In Groot-Brittannië heeft deze soort bijna altijd een oranje-bruin achterste, bij ons een achterste dat soms helderwit is, maar vaak ook vaalwit, zij het nooit zo donker als in Engeland. In de meeste tuinen in de Benelux is dit de grootste hommelsoort. De Aardhommel lijkt erg veel op enkele andere aardhommels. Het onderscheid zou je moeten kunnen zien aan de kleur van de gele banden: bij de Aardhommel zijn die bruingeel, bij de Kleine Aardhommel (ook wel Veldhommel genoemd) citroengeel en bij de Wilgenhommel goudgeel. In de praktijk is het onderscheid vaak moeilijk te zien. Slechts zelden zie je de verschillende kleuren naast elkaar en bovendien is de Aardhommel nogal variabel van kleur en kunnen oudere dieren vaak erg vervaagde kleuren te zien geven. De Aardhommel is een echte cultuurvolger die graag de menselijke aanwezigheid benut om voedsel te zoeken. Tot de favoriete voedselplanten behoren ondermeer klaver, vingerhoedskruid, goudregen en phlox. In de serretuinbouw is het een efficiente bestuiver van onder meer komkommers, tomaten en aardbeien. Ook voor paprika en pepers is zij zeer geschikt, maar dan moet ze wel worden bijgevoerd met een suikeroplossing, omdat paprika en pepers geen nectar bevatten. |
||||||||||
Akkerhommel bombus pascuorum
|
||||||||||
| De
Akkerhommel is één van de meest voorkomende hommels in West-Europa.
De soort is nogal variabel in grootte. De koningin is 18 tot 22 mm groot,
met een spanwijdte tot 32 mm, en vliegt vanaf begin maart. De darren zijn
13 tot 18 mm groot. De werksters zijn meestal zo'n 12 tot 15 mm. lang, al
komen, zeker in het voorjaar, nogal eens heel kleine werksters voor die
maar zo'n 9 mm. lang zijn. Er zijn twee vormen: in het westen de donkere
vorm en in het oosten de lichte vorm. Deze hommelsoort komt in verschillende
kleurvariaties voor, hoe kouder de habitat des te donkerder het dier. Ze
komen in grote getale voor in heel Europa. Hoewel hun naam doet denken dat ze alleen bij akkers voorkomen, komen ze ook veelvuldig voor in hooilanden, parken, tuinen, bij bosranden, op droge en vochtige plaatsen. In bergstreken tot boven de boomgrens. Ze bouwt haar nest bij voorkeur in hoopjes droog mos, gras of verrotte bladeren, onder mos of graspollen. Soms zie je dat nest in de grond, vooral oude muizennesten zijn gewild, maar de soort bouwt ook wel een eigen nest op de grond. Maar ook nissen in muren, nestkastjes en oude vogelnesten worden gebruikt. Het nest is relatief klein en telt (slechts) 100 – 200 hommels. De Akkerhommel is eveneens een echte cultuurvolger die vooral daar voorkomt waar de mens actief is: parken (ook die midden in grote steden), tuinen, sportvelden, akkers en wegbermen bijvoorbeeld. De Akkerhommel behoort tot de vriendelijkste hommelsoorten. Zolang je niet in zijn nest komt, of hem knijpt, kun je hem zelfs in de hand nemen; slechts zelden steekt hij. De Akkerhommel behoort tot de hommels met een tamelijk lange tong. De oude wetenschappelijke naam is dan ook Megabombus pascuorum, want de soorten met een lange tong werden in het geslacht Megabombus geplaatst. Met die lange tong kunnen ze ook dieper gelegen nectarbronnen bereiken. Bloemen met een klokjes- of belvorm bijvoorbeeld, zoals heide en smeerwortel. De hommels met een korte tong maken daar overigens geen probleem van: die bijten gewoon een gaatje in de bloemkelk vlak bij de nectar. De Akkerhommelkoningin verschijnt weliswaar vroeg in het jaar, zo tegen het begin van april, maar het is zeker niet de vroegste soort. Zo kan de Aardhommelkoningin al eind februari te zien zijn. Als ze een plekje voor haar nest gevonden heeft, gaat ze dat inrichten, terwijl ze tevens de eerste voorraden pollen en nectar aanlegt. In die periode moet ze heel goed oppassen dat haar nest niet wordt ingepalmd. Het komt geregeld voor dat een Boshommelkoningin het nest in beslag neemt en de Akkerhommel verjaagt of doodt. En dan komt het feit dat ze een cultuurvolgster is de Akkerhommel goed van pas: altijd is er wel een leeg nestkastje of iets dergelijks te vinden om opnieuw te beginnen. |
||||||||||
Steenhommel bombus lapidarius
|
||||||||||
| De
koningin is 22 tot 26 mm groot, de mannetjes aanzienlijk kleiner, namelijk
14 tot 18 mm, en vliegt vanaf midden maart. Ze bouwt haar nest in steenhopen,
muren en gebouwen, onder boomstronken of stenen en de kolonies tellen 100
tot 300 individuen. Ze komen in Europa voor tot aan de poolcirkel en in de Alpen tot op een hoogte van 2000m. Ze zijn verspreid over de meest uiteenlopende biotopen. De Steenhommel is in heel veel tuinen een gewone verschijning. Ook de Steenhommel is groot (bijna net zo groot als de Aardhommel en de Tuinhommel). Heel dicht bij het nest is de Steenhommel agressiever dan de meeste andere hommels en steekt wat eerder. De soort is geheel zwart met een rood achterste. Hij is daardoor nauwelijks met andere soorten te verwisselen, want de soorten die er wel op lijken, zoals de Rode Koekoekshommel, zijn behoorlijk zeldzaam, zeker in tuinen. De koningin kan soms een witgeel randje hebben voor op de thorax of wat verdwaalde gele haartjes. Ook de Steenhommel is gewone soort in geheel Europa die eerder van de menselijke aanwezigheid profiteert dan dat hij er last van heeft. Ook hij is te vinden in bloemrijke parken midden in grote steden en houdt ook van wegbermen, slootkanten en bosranden. Alleen in het bos is het een rariteit. Deze soort bevliegt heel veel bloemen, waaronder ook exoten in de tuin, maar wordt vanwege zijn onaangename karakter en stekerige aard niet gekweekt. Stond vroeger bekend onder de wetenschappelijke naam Pyrobombus lapidarius. |
||||||||||
Weidehommel bombus pratorum
|
||||||||||
De
koningin is klein: 16 tot 21 mm lang, terwijl de mannetjes 11 tot 16 mm
lang worden, en vliegt al eind februari. De werksters vliegen van juni
tot september. Nesten bovengronds in holen in de grond, takkenbossen,
vogelnesten of holle bomen, tussen planten of tussen 'rommel' en bestaan
uit 50 à 150 individuen. |
||||||||||