Geschiedenis
Pottenbakkers van Roesbrugge
Een kort overzicht van de pottenbakkers van Roesbrugge
Hier stonden huizen die in grote steden stonden, de arme mensen waren beter gekleed dan deze uit de stad.
Roesbrugge was als "terminushaven" via zijn waterwegen verbonden met Lo, Veurne, Diksmuide, Nieuwpoort, Oostende, Brugge, Gent, enz.
Al in de 13de eeuw werd het gedeelte van de IJzer tot net voor het dorp van Roesbrugge gekanaliseerd.
Hierdoor ontstond er een oude arm, nu de "Dode IJzer" genoemd.
Het boogbruggetje over de Dode IJzer fungeerde enkel nog als keerpunt dat de schepen namelijk achterwaarts onder het bruggetje doorvoeren en zo konden draaien.
De economische bedrijvigheid in Roesbrugge-Haringe kende wellicht haar hoogtepunt op het einde van de 18de eeuw met de aanwezigheid van een papiermolen (enig in West-Vlaanderen),
een lakenblekerij, een azijnstokerij, een zoutziederij, verschillende oliestamperijen, steenbakkerijen (Cousyn) en op "d'Hoge Seine" (Philip Trioen, Beveren), een pannenfabriek
(Jean-Baptiste Boucry - Haringe), een kleipijpenmakerij (Thomas d'Ooghe), een tegel- en pottenbakkerij (Verhaeghe en Jean Baptiste Ameloot en op "de meulewalle", (Pier de pijpebakker)
Guyson Pierre, pijpenmaker en pottenbakker die na de brand van Roesbrugge naar Poperinge verhuisde.
Vóór de Eerste Wereldoorlog (1914-18) waren er te Roesbrugge nog vijf steenbakkerijen:
Eén steenbakkerij was er nog in Haringe in de Moenaardestraat, rechtover de herberg "In de Briekeij".
Een tweede bevond zich in de Krombekestraat en behoorde toe aan Jerome Leroy ( 1873-1918), landbouwer in de Oosthoek.
De derde op was gelegen in de huidige J.Gheysenstraat, rechtover de herberg "In de Brijerij", en was eigendom van de familie Verhaeghe.
De vierde, tenslotte, op Roesbrugse bodem lag op het gehucht "de Molenwal" voor de herberg "A la Briqueterie" en werd uitgebaat door Pamphile Camerlynck, die een tweede steenbakkerij bezat, iets verder, maar op Provens grondgebied.
Ook nog de Eerste Wereldoorlog verdween de Brijkerij van Camille Ruyssen (1872-1928), deze achter het kerkhof van Roesbrugge gelegen.
Van de steenbakkerij op de Hoge Seine (Beveren-Kalsijde) is er geen sprake meer, wel stond de herberg " In de Brikkerij" er nog in 2000 op de hoek van de Roesbruggestraat en de Zuidstraat, recht tegenover het stationplein.
De kleiputten waren gelegen achter de rij huizen in de Zuidstraat, vandaar de naam "de puddereeke".
Ook in Alveringem- Forthem, waarvan Beveren een deelgemeente is, werd de pottenbakkerij in 1762 van Pieter-Joos D'acquet omgebouwd in een pannenfabriek waar de Vlaamse gegolfde dakpannen werden gemaakt.
De pottenbakkerij was gelegen nabij de Lovaart, richting Oeren, noorderlijk Fortem.
Deze fabriek had in 1795 zelfs 25 werknemers en bovendien nog 10 kinderen en 2 paarden.
Het grote aantal arbeidsplaatsen is wel toe te schrijven aan de belangrijke productie van dakpannen.
Alveringem werd dan ook meteen het pannendorp genoemd.
De dakpannen werden vooral vervaardigd voor Frankrijk.
Tweehonderdduizend stuks werden er jaarlijks geproduceerd.
De fabriek werd tijdens de intocht van de Franse republikeinse leger, door het 6de bataljon des fédéres de 1a Seine infirieux in 1793 in brand gestoken.
In het jaar VI (Franse Revolutie) werd het door de gebroeders Willem en Charles D'acquet heropgericht en opnieuw gestart.
Het was in 1836 nog in volle bedrijvigheid.
Perioden van bloei wisselden af met perioden van verval.
Nadien kreeg de pannennijverheid in Alveringem zware concurrentie en verdween langzamerhand deze ambacht omdat er meer en meer dakpannen in het Roesbrugse, Poperingse en het Ieperse werden gemaakt.
Pottenbakkerskunst in Poperinge
Een korte geschiedenis van de pottenbakkerskunst van Poperinge
Het Poperings aardewerk heeft een heel oude traditie.
In de vroege middeleeuwen hing Poperinge af van de abdij te Sint-Omaars in Frans-Vlaanderen.
Vanuit deze abdij werd de aardewerkkunst te Poperinge geïntroduceerd.
In de 13de eeuw werden er te Poperinge naast gebruiksaardewerk ook hoog versierd aardewerk en versierde vloertegels vervaardigd.
Zo werd er in 1974 bij toevallige graafwerken een middeleeuwse vloer blootgelegd met tegels met inlegwerk uit de 15de eeuw in de Pottestraat.
Die tegels bevonden zich nog op de oorspronkelijke plaats en werden afgewisseld met onversierde tegels in rood aardewerk die met koperoxide groen geglazuurd waren.
Alleen al de naam de "Potterstraete" is één van de meest interessante voorbeelden.
In een charter van 1366, verleend door Jean Yperius, abt van St.-Omer, is reeds sprake van "en amont le Potterstraet".
In Franstalige bronnen wordt vermeld "Rue des Potiers"( Pottenbakkersstraat).
Te Poperinge ontstonden in de binnenstad meerdere pottenbakkerijen.
Volgens Mark Adriaen bestond de pottenbakkerij 'aan de Kleine Markt' (nu Burgemeester Bertenplein) reeds in de 14de eeuw.
Bij de funderingswerken uitgevoerd in 2002 voor de nieuwbouwappartementen "Tuilerie" (dakpannenfabriek) werden er talrijke misbaksels in 14de eeuws aardewerk gevonden.
De aanwezigheid van roodbakkende klei in de Poperingse ondergrond was hier niet vreemd aan en heeft reeds vroeg geleid tot het maken van gebruiksaardewerk.
Evenals dit elders in de Westhoek het geval zal zijn geweest, zal ook in Poperinge reeds omstreeks 1500 het gewone eenvoudige gebruiksaardewerk zijn vervaardigd in kleine ambachtelijke bedrijven.
Van de roodbakkende klei werden allerlei artikelen gemaakt, geschikt voor huishoudelijk gebruik, zoals het bewaren van vet en vlees.
Vanaf de 2de helft van de 16de eeuw kwam er een gevoelige verandering in deze industrie.
Tengevolge van verschillende stadsbranden ontstond een enorme vraag naar allerhande bouwmaterialen.
Merkwaardig is vooral dat de Poperingse pottenbakker zich nooit specialiseerde in ofwel de productie van bakstenen ofwel de productie van gebruiksaarde-werk ofwel de productie van haardtegels.
Hij beoefende de drie beroepen samen uit.
Het is ten andere ook in Poperinge dat men de oudste stijlvolle tegels aantreft, vooral voor de leeuwentegel was Poperinge het centrum bij uitstek.
De belangrijkste tegelbakkerijen waren ontegensprekelijk in Poperinge gevestigd.
De Poperingse leeuwentegels werden in een ruin gebied aangetroffen, o.a. in het Erasmushuis te Anderlecht, in de Potterie te Brugge, in het stadhuis van Kortrijk en in het Rubenshuis te Antwerpen, hier afgebeeld.
Bloeitijd van de pottenbakkerskunst was in de 18de en de eerste helft van de 19ste eeuw.
Voor de Franse Revolutie, in 1789 stonden in Poperinge nog vier pottenbakkerijen geregistreerd.
De families DE BADTS, Louis CROUSEL, Louis BERATS en tenslotte Charles LEBBE.
In de 19de eeuw onderging de pottenbakkerskunst een ernstige teruggang.
Door de opkomst van industrieel geproduceerde emaillen en aluminium potten en pannen werd het aarden vaatwerk uit de handel verdrongen.
Het bakken van kruikjes, potten, pannen, enz. werd genekt.
Een tentoonstellingsruimte van het Rohardusmuseum maakt deze achteruitgang aan de hand van een keukentafereel uit de tijd duidelijk.
Het museum biedt de bezoeker nadere informatie door het gebruiksaardewerk van door de eeuwen heen uit Vlaanderen te tonen en op een eenvoudige, korte wijze de geschiedenis van de pottenbakkerkunst te vertellen.
Een bezoek aan het aardewerkmuseum is beslist de moeite waard en zal voor de bezoekers verrassende nieuwigheden in petto hebben.
Enkele oude foto's:
Bronnen: Poperinge Ondersteboven - tentoonstelling van archeologische vondsten - 1990
Aan de Schreve - 13de jaargang 1983 - Nr.1
Pagina inhoud
Romeins flesje – Terra Belgica