't Rohardushof

Aardewerk

Romeins flesje – Terra Belgica

Romeins flesje – Terra Belgica

Het aardewerk is aan vele culturen gekoppeld en treft men dan ook over de gehele wereld het meest aan in archeologische vindplaatsen. Al eeuwen voor het begin van de jaartelling was er een rijke verscheidenheid aan vormen van aarden potten. De maker zocht zijn inspiratie in vormen uit de natuur. Het staat vast dat deze creatie eerst ergens in het Nabije Oosten ontstond. De beker uit Anatolië in gebakken klei uit Susa is een van de tot nog toe oudste vondsten, omstreeks 4000 v. Chr. Het prehistorische aardewerk, zoals bekers, verschillende soorten potten en urnen, in rode of grijze ongeglazuurd aardewerk werd in onze gewesten reeds in het neolithicum vervaardigd.. Het waren hoofdzakelijk uit klei vervaardigde voorwerpen die door het vuur een bestendige vorm kregen. Zij hadden het groot nadeel poreus te zijn. Zij waren ook zeer broos daar de primitieve ovens de nodige temperatuur niet konden ontwikkelen om de klei volledig te doorbakken. Gezien de massale productie zijn we genoodzaakt ons te beperken tot het aardewerk dat geproduceerd werd in de Westhoek. Gewone bruingrijze rivierklei, die doorgaans veel verontreiniging bevat, wordt gebruikt voor de vervaardiging van grof aardewerk, dat kan worden gebakken bij betrekkelijk lage temperaturen van 800 - 1150°C. Er ontstaat dan een baksel met een vrij brosse, bloempotachtige scherf, waarvan de oranjerode kleur wijst op de aanwezigheid van ijzer. In Vlaanderen zijn keilagen meestal het gevolg van overstromingen. Wanneer men op het onbewerkte land (weiden) een heuvel ziet, dan is dat doorgaans een ideale vindplaats van klei die voor de potterbakker geschikt is. Deze klei is geel en bevat zeer weinig koolstof. baardman baardman
Bij het bakken krijgt men een rode kleur. In de westhoek werd de klei gedolven en ter plaatse door de pottenbakker op kleine hoopjes geworpen, die men een jaar liet liggen zodat die na uitwinteren grotendeels was gezuiverd van organische stoffen en plantenresten. Nadien werd de klei ondergebracht onder een afdak waar ze door het bedekken met natte zakken of regelmatig begieten met water vochtig werd gehouden. De eerste bewerking was de klei kneden, dit gebeurde meestal met de voeten. Dit was wel nodig om de magere en vette bestanddelen van de klei gelijkmatig te verdelen.

Pagina inhoud

Steengoed

Steengoed wordt vervaardigd met een mengsel van klei en zand, dat op hoge een temperatuur van ca.1300 tot 1500° C de klei sintert of verglaast en die het steenhard en waterdicht maakt. Door bij het einde van het bakproces dan nog zout in de oven op de voorwerp te strooien bekwam men een zoutglazuur, een glanzende, glasachtige laag die het voorwerp volledig bedekte en de waterdichtheid verhoogde.
steengoed steengoed
Steengoed (proto-steengoed) werd reeds in het Rijnland in de 10de tot de het midden van de 15de eeuw vooral in de streek van Siegburg, Pingsdorff en Speicher vooral als gebruiksgerei geproduceerd, meestal voor lokaal gebruik. Pas in de 15de eeuw kwamen er zich pottenbakkers vestigen in het Rijnland vooral in Siegburg, het Westerwald (Grenshausen), Keulen, Frechen, Langerwehe en aan de Belgisch-Duitse grens tussen Luik en Aken in Raeren. De produktie kende een hoge bloeiperiode zowel in de 15de, 16de en het begin van de 17de eeuw en bestond uit prachtige versierde kruiken, gezichtskruiken, baardmankruiken, kannen, bekers en nog zovele andere voorwerpen bestemd voor het dagelijks gebruik.

Ook was Bouffioulx samen met Châtelet, bij Charleroi in de 16de en 17de eeuw een zeer belangrijk pottenbakkerscentrum, alhoewel vele de zijn produkten, zowel naar vorm als naar techniek veel gelijkenis vertonen met die van andere centrum die ze nabootsten.

Pagina inhoud

Gezichtskruik of Puntneus

lik da´we ze noem´n

Gezichtskruiken kunnen beschouwd worden als de voorlopers van de baardmankruiken die vanaf de 16de eeuw voorkomen. Het museum heeft een zevental gezichtskruiken in de collectie, waarvan de kleinste 5 cm hoog.

puntneus

Van deze kruiken is het bijzondere deversiering.
Door natte klei op de wand van de leerharde
kruik aan te brengen en met behulp van een
drukvorm en door krassen, insnijden en stempel
kreeg de voorzijde de afbeelding van een gezicht.

puntneus

Wormser Terra-Sigillata gezichtskrug Romeinse
kruik 20 cm hoog (4de eeuw n.Chr.)

puntneus

Dit type kruik, de 'puntneus-baardmankruik', behoort tot de vroegste exemplaren van Rijnlands steengoed met gezichten. Kruiken met de afbeelding van een gezicht zijn bekend over de gehele wereld en worden ook vrijwel overal bij archeologisch onderzoek, op land en in het water gevonden. Zij hebben vermoedelijk hun oorsprong in Keuls-Romeinse pottenbakkerijen. Romeinse drinkkruiken en urnen met gezichten zijn bekend. In het tijdvak 300 tot 400 na Chr. ging deze Romeinse pottenbakkerskunst verloren en pas uit de 12de eeuw zijn weer potten met een gezichtsaanduiding bekend. Vanaf de 12de eeuw kan dan van puntneuskruiken en kannen in eigenlijke zin gesproken worden. De oorsprong van de puntneuskruik ligt waarschijnlijk in omgeving van Siegburg, Speicher, waar men al in de 13de eeuw en het begin 14de eeuw ruwwandig proto-steengoed bakte. Pas in de 15de eeuw en het begin van de 16de eeuw zijn de meeste kruiken met gezichten terug te vinden in Keulen, Aken en ten zuidwesten ervan in het tegenwoordige België, Raeren.

Pagina inhoud

Baardmankruik

baardman baardman De 'Baardmankruiken' zijn meestal peervormige kruiken waarvan de hals versierd zijn met een bebaard gelaat. Wel dient gezegd te worden dat de ene 'Baardman' de andere niet is. Door de toenemende vraag naar baardmankruiken bleef er van de oorspronkelijke schoonheid van de kruiken helaas weinig meer bewaard, en ging men meer en meer vereenvoudigen (styleren). Hierdoor werd het mogelijk om de productie een flink stuk te vergroten, wat natuurlijk weer evenredig is met de omzet van de producent. Het is niet helemaal duidelijk waarom bebaarde heren zo in trek waren, althans als versiering voor kruiken.


Sommigen zijn van mening dat het om het gebaarde gezicht zou gaan van de door de protestanten gehaate hertog van Alva of van de Italiaanse jezuïet en theoloog " Bellarminus, die tijdens de beeldenstorm in Vlaanderen en de Spaanse inquisitie omstreeks 1570 hoogleraar was te Leuven en hevig tegenstander van het protestantisme. Neen, om hen gaat het zeker niet daar de kruik dateert van rond ca.1500, noch Alva, noch Bellarminus was toen nog niet geboren. Er bestonden reeds een baardmankruiken met het gezicht van Christus.


Het gaat hier enkel en alleen om het gelaat van God de Vader, die de patroonheilige zou geweest zijn van de pottenbakkers. Baardmankruiken zijn er in een grote verscheidenheid en dat maakt het als verzamelobject zeer geliefd.
baardman

Pagina inhoud

Tegels

tegel

De vis of het zeemonster wordt voorgesteld in vergelijking
tot de prent van N.de Bruyn, prent nr.10 uit de serie
"Libellus varia genera piscium complectens, Pictoribus,
sculptoribus, coelatoribus, aurifabris, etc." waarvan
de voorstelling werd ontleend.

De oudst gekende tegels dateren uit de 14e eeuw vóór Christus en werden in Egypte gevonden. Tegels werden ook zeer vroeg vervaardigd in Perzië, in het nabije en het verre Oosten. Zij dienden als muurversiering en als vloerbedekking. Een tegula (tegel) was oorspronkelijk een Romeinse dakpan, rechthoekig van vorm en diende als onderpan. In de Vlaanderen is het woord dan ook pas in gebruik gekomen op het ogenblik dat dakpannen (=tegels) als dakbedekking werden aangewend. De oudste tegelbakkerijen teruggevonden zijn: Koolskerke (1267), Ieper (1282) en in 1300 bestond er in Stavele een "thegelbilc"(tegelbakkerij).



tegel

Het Brugse zeemonster: de tegels met blauw en
purperen decor heeft een spinnenkop als
hoekmotief, gevonden in de Bergenstraat te
Roesbrugge, huis Paula Degroote.

Tegels vervaardigd in Vlaanderen kunnen in drie groepen ingedeeld worden:

De ongeglazuurde tegels:
Beginperiode (13de- 15de eeuw) waren vrijwel uitsluiten voor kerken en abdijen bestemd.

De met loodglazuur bedekte tegel:
Een goed voorbeeld hiervan zijn de vloeren die gevonden werden bij de opgravingen in de abdij "Ter Duinen" te Koksijde. Zij werden vervaardigd in de abdijen vanaf de 13de eeuw. Hierin grifte men een tekening (lelie of leeuw) in de klei wat daarna werd opgevuld met een witbakkende klei, waarna het geheel met loodglazuur bedekt in de oven werd gebracht. De haardstenen werden pas vanaf de 15de eeuw gebruikt.

De met tinglazuur bedekte tegels of ook genoemd de faïence tegel:
Deze tegels werden hoofdzakelijk in Nederland vervaardigd : Delft, Rotterdam en Friesland. Ook vinden we die terug in Italië, Spanje, Frankrijk (Desvres), Duitsland, Portugal, enz... Hun afmetingen bedragen meestal 13 x 13 cm en zij werden bijna meestal gebruikt als wandversiering.



tegel

Nederlandse tegel met aanvallende stier,
die rond 1680 in Delft werd gemaakt.
Het gebruik van dergelijke dierafbeelding
met spinnenkop-hoekmotieven is een directe
nabootsing van de Brugse tegels uit te
tweede helft van de zestiende eeuw.

tegel

Laat negentiende-eeuwse Franse
tingeglazuurde tegel die werd gemaakt
door Fourmaintraux in Desvres. De
blauwe decoratie werd aangebracht met
behulp van sjabloon, maar de purperen
lijnen met de hand. Het blauw is in het
tinglazuur gelopen, het-geen bij
sommige Franse tegels uit deze periode
kenmerkend is.

De Vlaamse en Nederlandse tegel

De opkomst van de Nederlandse tegel in de zeventiende eeuw had niet kunnen plaatsvinden zonder het voorwerk dat werd verricht door de pottenbakkers in Italië, Spanje, Frankrijk en Vlaanderen. Vanuit Italië werd de majolica-techniek aan het begin van de zestiende eeuw overgebracht naar Frankrijk en Vlaanderen en het waren de afstammelingen van de Vlaamse pottenbakkers die op hun beurt de tinglazuur-techniek in de noordelijke Nederlanden introduceerden.

Tot aan het eind van de vijftiende eeuw bestond het meeste vaatwerk in Noord-Europa uit simpel, loodgeglazuurd aardewerk. Ook de tegels werden gemaakt van geglazuurd aardewerk of versierd met ingelegde patronen van klei in een contrasterende kleur. Dergelijke ingelegde vloertegels waren algemeen gebruikelijk in kloosters. Het kleurgebruik bij middeleeuwse ceramiek was zeer beperkt.

Het was echter de komst van de Italiaanse pottenbakker Guido di Savino, in het begin van de zestiende eeuw, naar Antwerpen die van onschatbare betekenis was voor het ontstaan de Vlaamse tegel. Guido di Savino, afkomstig uit Castel Durante, trouwde in 1512 met Margaretha Bolleghem en veranderde zijn achternaam in het Vlaamser klinkende Andries. Zijn tegels waren hoofdzakelijk majolica-tegels beschilderd in geel, blauw, oranje en groen en de vorm is vierkant, langwerpig of zeshoekig, net als de Italiaanse tegels uit dezelfde periode. tegel tegel Met de komst van de Spanjaarden, midden van de zestiende eeuw, leerden onze voorouders tingeglazuurde tegels maken. Tinglazuur is een ondoorzichtig wit glazuur, dat wordt gebruikt om tegels en andere voorwerpen van aardewerk te bedekken. Hierop kan worden geschilderd met blauwe, groene, oranje, gele en purperen pigmenten die uit metaaloxiden worden gewonnen. Bekend uit deze periode zijn de Brugse tegels. Toen Vlaanderen in de tweede helft van de zestiende eeuw verwikkeld raakte in grote religieuze, politieke en economische onlusten, trokken onze pottenbakkers weg uit Vlaanderen naar de betrekkelijk veilige noordelijke provincies. Zij vestigden zich in steden als Delft, Haarlem, Amsterdam en Rotterdam , waar nieuwe ateliers stichtten en hun vakkennis doorgaven aan de plaatselijke pottenbakkers. De verspreiding van deze Vlaamse pottenbakkers toont duidelijk aan hoe en wanneer de techniek van het vervaardigen van tingeglazuurd aardewerk naar de noordelijke Nederlanden kwam om daar de oorsprong te vormen van het 'Delftse aardewerk'. De komst van de tegel dat niet alleen de huizen comfortabeler, aantrekkelijker en fraaier maakten zorgde voor een economische groei, vooral in Delft, Haarlem, Amsterdam en Rotterdam. En die bloei zou zo blijven tot aan het einde van de negentiende eeuw.

Maar ook werden zeer fraai beschilderde tegels gemaakt tussen 1760 en 1830 in Frans-Vlaanderen, o.a. in Douai, Sint-Amand-les-Eaux, Sint-Omaars en Desvres (Deveren), tegels die een getrouwe imitatie waren van Nederlandse voorbeelden.

Pagina inhoud

Vlaamse haardtegels

De haardtegel met slibversiering, in de gewone omgang door de Vlamingen nogal vaak een 'steentje' of een 'schouwtegel' genoemd, werd vanaf de 15de eeuw gebruikt. De wandhaard of beter gekend als de Vlaamse haard, open haard - die reeds sedert de vroege middeleeuwen in kastelen werd gebouwd begon vanaf de 16de eeuw veld te winnen op het platteland.
haardtegel haardtegel haardtegel

haardtegel haardtegel

Het is dan ook in deze tijd dat de doorbraak van de haardversiering mag gesitueerd worden. Wegens de gunstige economische landbouwsituatie werden vooral tijdens de 18de eeuw in iedere West-Vlaamse gemeente tientallen grote hoeven gebouwd. De haard werd voorzien van loodglazuurde tegels. Het getuigde van een zekere standing. Rijke burgers en kloosters brachten faïencetegels aan in de 'beste' kamer en loodglazuurde tegels in de keuken. De gewone man stelde zich tevreden met een kale muur. Door de muur met haardtegels te bedekken werd het brandgevaar wat verminderd, nam de weerkaatsing van de warmte toe en kon men, zittend bij het haardvuur, uren kijken naar een kleurrijke decoratieve tegelwand. Iets van de vreugde die de boer moet bezield hebben toen hij zijn haard bouwde en met een tegelwand bekleedde, is de voldoening die hij genoot telkens hij de haardtegels aanschouwde. Niet zo motiefrijk of zo duurzaam als de kleurrijke Hollandse(zgn.Delftse tegel) en Franse (Desvres) faïencetegels, getuigen de Vlaamse haardtegels veeleer van een eenvoudige dagelijkse omgeving, van een landelijk en met een rijker cachet door het bekleden van de haard, bron van warmte, huiselijkheid en samenzijn.

haardtegel De Vlaamse haardtegels zijn bijna uitsluitend terug te vinden in de provincie West-Vlaanderen en in Frans-Vlaanderen. Zij vormen technologisch en stilistisch een homogene groep, als dusdanig ten onrechte al te vlug omschreven als 18de-eeuwse " Torhoutse tegels". Tijdens de bloeiperiode (18de eeuw) van de haardtegels werden in Torhout inderdaad niet meer tegels gebakken dan in talloze andere Westvlaamse of Fransvlaamse centra. Meer dan 250 variëteiten uit diverse productiecentra zijn er terug te vinden o.a: - een typische uiting van de Vlaamse ambachtskunst, - de Vlaamse haardtegel , met een doorzichtige glanzende loodglazuurlaag bedekt.

De haard- of wandtegels kunnen onderverdeeld worden in: Leeuwentegels, Lelietegels, Bloementegels, Wafel- of ruitentegels, Ornamenttegels, Palmettentegels, Rader-tegels, Kwadraattegels, Kettingtegels en de Punttegels.

De Leeuwentegels uit de Westhoek, Frans-Vlaanderen en Zuid-West-Vlaanderen laten een forse, klauwende leeuw zien, met sterk gestileerde poten en manen, die zo uit de heraldiek schijnt overgenomen. De tegels uit Midden- West-Vlaanderen tonen een leeuw, die qua grootte en uitdrukking van voormelde verschilt door het klein en sterk gebogen onderlijf. De Poperingse pottenbakkers werden verplicht tijdens de bezetting van de Fransen (1678-1713) alleen nog lelietegels te bakken. De bezetting duurde niet lang en de moule met de lelie veranderde er kwam een doodskop op.

Het is onmogelijk om alle Vlaamse tegelbakkerijen van haardtegels aan te duiden; voor zover bekend zijn de voornaamste centra:

Westhoek:

Poperinge, Reningelst, Kemmel, Ieper, Alveringem, Lo, Roesbrugge-Haringe en Diksmuide.

Zuid-West-Vlaanderen:

Kortrijk, Oekene, Kuurne, Menen, Wervik en Waasten.

Midden-West-Vlaanderen:

Izegem, Roeselare, Meulebeke, Tielt, Torhout en Brugge.

Frans-Vlaanderen:

Rijsel, Hazebrouck, Sint-Omaars, Kassel, Rekspoede, Wormhout en Duinkerke.

Pagina inhoud

Geschiedenis


Pottenbakkers van Roesbrugge

Een kort overzicht van de pottenbakkers van Roesbrugge

pottenbakkers

Roesbrugge-Haringe, samen met de Beveren-Kalsijde, waarmee ze één geheel vormt, is vroeger een bloeiend en nijverig dorp geweest. Door zijn gunstige ligging op het kruispunt van de weg Ieper-Duinkerke (de "groote calchiede") en de IJzer was Roesbrugge als het ware uitverkoren om als handelscentrum te bloeien. Er was zelfs een koninklijke posterij, telkens verwisselde men hier de paarden. Alles wat men in de steden aan ambachten kon vinden, vond men te Roesbrugge.

Hier stonden huizen die in grote steden stonden, de arme mensen waren beter gekleed dan deze uit de stad. Roesbrugge was als "terminushaven" via zijn waterwegen verbonden met Lo, Veurne, Diksmuide, Nieuwpoort, Oostende, Brugge, Gent, enz. Al in de 13de eeuw werd het gedeelte van de IJzer tot net voor het dorp van Roesbrugge gekanaliseerd. Hierdoor ontstond er een oude arm, nu de "Dode IJzer" genoemd. Het boogbruggetje over de Dode IJzer fungeerde enkel nog als keerpunt dat de schepen namelijk achterwaarts onder het bruggetje doorvoeren en zo konden draaien.

De economische bedrijvigheid in Roesbrugge-Haringe kende wellicht haar hoogtepunt op het einde van de 18de eeuw met de aanwezigheid van een papiermolen (enig in West-Vlaanderen), een lakenblekerij, een azijnstokerij, een zoutziederij, verschillende oliestamperijen, steenbakkerijen (Cousyn) en op "d'Hoge Seine" (Philip Trioen, Beveren), een pannenfabriek (Jean-Baptiste Boucry - Haringe), een kleipijpenmakerij (Thomas d'Ooghe), een tegel- en pottenbakkerij (Verhaeghe en Jean Baptiste Ameloot en op "de meulewalle", (Pier de pijpebakker) Guyson Pierre, pijpenmaker en pottenbakker die na de brand van Roesbrugge naar Poperinge verhuisde.

pottenbakkers

In Roesbrugge, hier achter de kade bestond er een potterie à terre, ze was in de plaats gekomen van een oude pottenbakkerij, die onder de oorlog, op 18 september 1793 in de vlammen was opgegaan. Er werkten er 5 man. De klei werd er gekneed met een paarden-molen. De opbrengst betrof hier vooral pottenbakkerij in dienst van de landbouw, die verkocht werd op markten en in de winkels in de omliggende gemeenten.

Vóór de Eerste Wereldoorlog (1914-18) waren er te Roesbrugge nog vijf steenbakkerijen: Eén steenbakkerij was er nog in Haringe in de Moenaardestraat, rechtover de herberg "In de Briekeij". Een tweede bevond zich in de Krombekestraat en behoorde toe aan Jerome Leroy ( 1873-1918), landbouwer in de Oosthoek. De derde op was gelegen in de huidige J.Gheysenstraat, rechtover de herberg "In de Brijerij", en was eigendom van de familie Verhaeghe. De vierde, tenslotte, op Roesbrugse bodem lag op het gehucht "de Molenwal" voor de herberg "A la Briqueterie" en werd uitgebaat door Pamphile Camerlynck, die een tweede steenbakkerij bezat, iets verder, maar op Provens grondgebied. Ook nog de Eerste Wereldoorlog verdween de Brijkerij van Camille Ruyssen (1872-1928), deze achter het kerkhof van Roesbrugge gelegen. Van de steenbakkerij op de Hoge Seine (Beveren-Kalsijde) is er geen sprake meer, wel stond de herberg " In de Brikkerij" er nog in 2000 op de hoek van de Roesbruggestraat en de Zuidstraat, recht tegenover het stationplein. De kleiputten waren gelegen achter de rij huizen in de Zuidstraat, vandaar de naam "de puddereeke".

pottenbakkers

De steenbakkerij van de familie Camerlynck. De kleistekers met
hun schup en pypegoale (kruiwagen), in de zon vooraleer naar
de oven gevoerd te worden.

pottenbakkers

Het vormen van stenen gebeurde met de hand. De kleivormers met
hun houten vormbakjes met op de voorgrond gevormde kleistenen
met kleine tussenruimten gestapeld om er te drogen.

Ook in Alveringem- Forthem, waarvan Beveren een deelgemeente is, werd de pottenbakkerij in 1762 van Pieter-Joos D'acquet omgebouwd in een pannenfabriek waar de Vlaamse gegolfde dakpannen werden gemaakt. De pottenbakkerij was gelegen nabij de Lovaart, richting Oeren, noorderlijk Fortem. Deze fabriek had in 1795 zelfs 25 werknemers en bovendien nog 10 kinderen en 2 paarden. Het grote aantal arbeidsplaatsen is wel toe te schrijven aan de belangrijke productie van dakpannen. Alveringem werd dan ook meteen het pannendorp genoemd. De dakpannen werden vooral vervaardigd voor Frankrijk. Tweehonderdduizend stuks werden er jaarlijks geproduceerd. De fabriek werd tijdens de intocht van de Franse republikeinse leger, door het 6de bataljon des fédéres de 1a Seine infirieux in 1793 in brand gestoken. In het jaar VI (Franse Revolutie) werd het door de gebroeders Willem en Charles D'acquet heropgericht en opnieuw gestart. Het was in 1836 nog in volle bedrijvigheid. Perioden van bloei wisselden af met perioden van verval. Nadien kreeg de pannennijverheid in Alveringem zware concurrentie en verdween langzamerhand deze ambacht omdat er meer en meer dakpannen in het Roesbrugse, Poperingse en het Ieperse werden gemaakt.


Pottenbakkerskunst in Poperinge

Een korte geschiedenis van de pottenbakkerskunst van Poperinge

pottenbakkerskunst

Het Poperings aardewerk heeft een heel oude traditie. In de vroege middeleeuwen hing Poperinge af van de abdij te Sint-Omaars in Frans-Vlaanderen. Vanuit deze abdij werd de aardewerkkunst te Poperinge geïntroduceerd. In de 13de eeuw werden er te Poperinge naast gebruiksaardewerk ook hoog versierd aardewerk en versierde vloertegels vervaardigd. Zo werd er in 1974 bij toevallige graafwerken een middeleeuwse vloer blootgelegd met tegels met inlegwerk uit de 15de eeuw in de Pottestraat.

Die tegels bevonden zich nog op de oorspronkelijke plaats en werden afgewisseld met onversierde tegels in rood aardewerk die met koperoxide groen geglazuurd waren. Alleen al de naam de "Potterstraete" is één van de meest interessante voorbeelden. In een charter van 1366, verleend door Jean Yperius, abt van St.-Omer, is reeds sprake van "en amont le Potterstraet". In Franstalige bronnen wordt vermeld "Rue des Potiers"( Pottenbakkersstraat).

Te Poperinge ontstonden in de binnenstad meerdere pottenbakkerijen. Volgens Mark Adriaen bestond de pottenbakkerij 'aan de Kleine Markt' (nu Burgemeester Bertenplein) reeds in de 14de eeuw. Bij de funderingswerken uitgevoerd in 2002 voor de nieuwbouwappartementen "Tuilerie" (dakpannenfabriek) werden er talrijke misbaksels in 14de eeuws aardewerk gevonden. De aanwezigheid van roodbakkende klei in de Poperingse ondergrond was hier niet vreemd aan en heeft reeds vroeg geleid tot het maken van gebruiksaardewerk. Evenals dit elders in de Westhoek het geval zal zijn geweest, zal ook in Poperinge reeds omstreeks 1500 het gewone eenvoudige gebruiksaardewerk zijn vervaardigd in kleine ambachtelijke bedrijven. Van de roodbakkende klei werden allerlei artikelen gemaakt, geschikt voor huishoudelijk gebruik, zoals het bewaren van vet en vlees. Vanaf de 2de helft van de 16de eeuw kwam er een gevoelige verandering in deze industrie. Tengevolge van verschillende stadsbranden ontstond een enorme vraag naar allerhande bouwmaterialen. Merkwaardig is vooral dat de Poperingse pottenbakker zich nooit specialiseerde in ofwel de productie van bakstenen ofwel de productie van gebruiksaarde-werk ofwel de productie van haardtegels. Hij beoefende de drie beroepen samen uit.

pottenbakkerskunst

Reducerend aardewerk, opgegraven in de Vlamingstraat in 2005
hoog 30cm / 14de eeuw

pottenbakkerskunst

Het is ten andere ook in Poperinge dat men de oudste stijlvolle tegels aantreft, vooral voor de leeuwentegel was Poperinge het centrum bij uitstek. De belangrijkste tegelbakkerijen waren ontegensprekelijk in Poperinge gevestigd. De Poperingse leeuwentegels werden in een ruin gebied aangetroffen, o.a. in het Erasmushuis te Anderlecht, in de Potterie te Brugge, in het stadhuis van Kortrijk en in het Rubenshuis te Antwerpen, hier afgebeeld.

Bloeitijd van de pottenbakkerskunst was in de 18de en de eerste helft van de 19ste eeuw. Voor de Franse Revolutie, in 1789 stonden in Poperinge nog vier pottenbakkerijen geregistreerd. De families DE BADTS, Louis CROUSEL, Louis BERATS en tenslotte Charles LEBBE.

In de 19de eeuw onderging de pottenbakkerskunst een ernstige teruggang. Door de opkomst van industrieel geproduceerde emaillen en aluminium potten en pannen werd het aarden vaatwerk uit de handel verdrongen. Het bakken van kruikjes, potten, pannen, enz. werd genekt. Een tentoonstellingsruimte van het Rohardusmuseum maakt deze achteruitgang aan de hand van een keukentafereel uit de tijd duidelijk. Het museum biedt de bezoeker nadere informatie door het gebruiksaardewerk van door de eeuwen heen uit Vlaanderen te tonen en op een eenvoudige, korte wijze de geschiedenis van de pottenbakkerkunst te vertellen. Een bezoek aan het aardewerkmuseum is beslist de moeite waard en zal voor de bezoekers verrassende nieuwigheden in petto hebben.

Enkele oude foto's:

pottenbakkerskunst

Oostkant van de Grote Markt omstreeks 1895. In het midden de pottenbakkerij
waar door verschillende generaties ( o.a. Berat, Beheydt, Bertier, Roy )
aardewerk werd gemaakt.

pottenbakkerskunst

De pottenbakkerij Dupont - Decorte * 1926

pottenbakkerskunst

Pottenbakker aan het werk.

pottenbakkerskunst

Reducerend aardewerk, opgegraven in Groot-Poperinge
ca.13de - 14de eeuw

pottenbakkerskunst

Dakpannen. In reliëf een roos op steel.
Poperinge 19de eeuw.
Op de onderkant: E.Dupont-Stroom

Bronnen: Poperinge Ondersteboven - tentoonstelling van archeologische vondsten - 1990
Aan de Schreve - 13de jaargang 1983 - Nr.1

Pagina inhoud

Documentatie / Archief

Hoewel de bibliotheek natuurlijk ook een onderdeel uitmaakt van het archief is het toch een hoofdstuk apart. Naast de vele Nederlandstalige boeken vormen de Frans- en Duitstalige boeken ook een belangrijke bijdrage aan de meer dan 100 titels.

Een volledige boekenlijst, inclusief die van tijdschriften, is op aanvraag te verkrijgen. Tijdens een bezoek aan het museum zijn deze ook in te zien. Zij worden echter niet uitgeleend. Enkele dubbele exemplaren van oudere tijdschriften, vakbladen en folders zijn beschikbaar voor de verkoop.

documentatie documentatie documentatie documentatie

Archiefmateriaal in de vorm van folders, tijdschriften en boeken van en over het aardewerk, steengoed en kleipijpen is in ruime mate aanwezig. Dit materiaal ligt in het museum ter inzage en voor zover mogelijk kunnen er ook fotokopieën van gemaakt worden.

INFORMATIE:
==============

Aan de hand van het archief en de bibliotheek kan Robert TOUSSAINT veel informatie verstrekken over het heden en verleden van het aardewerk in Vlaanderen. Van veel voorwerpen kan hij u helpen met het bepalen van de ouderdom. Breng het gewoon mee als u een bezoek breng aan het museum.

Pagina inhoud

Volksaardewerk in Vlaanderen

Poterie Flamande, doopnaam voor een eeuw Volksaardewerk in Vlaanderen (1890-1990)

Volksaardewerk

Vuurkorfje, 18de eeuw .

De familie Maes (1890-1939) - Torhout.

  * August Maes ( 1826- 1919), had zijn stiel als pottenbakker bij Jan Willemyns geleerd.
  * Leo Maes ( 1864 -1941)
  * Amand Maes ( 1893 -19..) kreeg in de jaren 1920 harde concurrentie met de ceramiekbedrijven in
    Kortrijk en Brugge.

Hendrik Van Humskerke (1893-1913) - Brugge "Potterie Flamande", verder gezet in 1913 door Oscar Cordy tot in 1922.

Pierre Joseph Laigneil (1898-1926) - Kortrijk.
De promotor van de art nouveau in het Torhouts aardewerk.
Startte in 1898 een eigen bedrijf in Kortrijk.

Guillaume Bourgoignie (1900-1910) - Bredene.

Benoni Bucquoy (1920-1926) - Roeselare. Vazen waarop rug aan rug de B geplaatst.

Société Belge de Poterie Flamande (1908-1937) - Kortrijk

(Gebroeders Caesens samen met Alfons Noseda) de bloeiperiode 1920.
Was in de jaren 1922 - 1926 de grootste concurrent van Maes, Laigniel en Noseda.

Achille Vande Voorde (1908-1938) - Brugge

Pottenbakkerij "De Uil" (1909-1929) - Brugge

Léon Scheerders van Kerchove (1912-1940) - Sint Niklaas

Embrechts - Genouw (1920-1930) - Torhout, werkte met verschillende knechten uit de pottenbakkerij van Maes , maar hield amper 10 jaar stand.

Alfons Noseda (1924-1937) - Kortrijk, was een grootmeester die zijn stiel had geleerd vanaf 1901 tot 1908 in de pottenbakkerij Laigneil.
Was ook de onbetwistbare ontwerper en gangmaker van " sprekende borden".

Willemyns (1929-1956) - Brugge, verder gezet door Boudewijn Monteyne.

Sandra Michel (1931-1956),was de laatste stielman in dienst in 1931 in de Société Belge de Poterie Flamande in Kortrijk.

Gilbert Monteyne (1965 - 20.. ) zoon van Boudewijn Monteyne, kan men nu nog aan het werk zien te Jabbeke.

Volksaardewerk Volksaardewerk Volksaardewerk

Sprekende borden

In Frankrijk hadden de pottenbakkers uit de stad Nevers een grote bekendheid met hun revolutionaire borden met spreuken, verzen, en symbolen die sinds 1789 erg populair waren. Een techniek die snel werd nagevolgd in de keramiekproductie van Frankrijk en die een ruime verspreiding kende.

Hier in Vlaanderen was Torhout, (Maes en Embrechts) de enige stad die binnen de periode van Art Nouveau tussen 1890-1914, woorden en spreekwijzen in gebakken klei tot nieuw leven bracht. Daarna volgden Kortrijk, (Noseda en Caesens) - Brugge, (Van Humskerke, Vande Voorde en Willemyns) en Scheerders in Sint-Niklaas.

Volksaardewerk Volksaardewerk Volksaardewerk

In Kortrijk was Alfons Noseda een grootmeester die zijn stiel had geleerd vanaf 1901 in de pottenbakkerij Laigneil. Als onbetwistbare ontwerper en gangmaker van " sprekende borden", waarvan een zestigtal in het 't Rohardusmuseum, stichtte hij in 1908 samen met de gebroeders Caesens in Korkrijk een nieuwe pottenbakkerij. Onder de benaming Caesens werd het een hoogtepunt van de Kortrijkse bordenproductie. Als aanvullende bijzonderheid lijkt het toch merkwaardig dat Laigneil - de promotor van het Art Nouveau in het Torhouts aardewerk - zelf geen "sprekende borden" heeft geproduceerd in zijn Kortrijks atelier.

Volksaardewerk Volksaardewerk Volksaardewerk

Het tot op heden in Vlaanderen oudst bekend "sprekend bord": "Oost-West, t'Huis Best".

Het dateert uit 1897. "Sprekende borden" laten ons steeds een echo horen van de tijdsgeest waarin ze werden geboetseerd. Zo zijn er o.m. twee borden van Leo Maes die verwijzen naar de eerste wereldoorlog met spreuken als "Na lijden komt verblijden - Leve de vrijheid" en het meer belgicistisch "Eendracht maakt macht".

Volksaardewerk Volksaardewerk Volksaardewerk

Vanaf 1920 kent de Vlaamse Beweging een steile opgang en deze trend wordt op borden verwoord met uitdrukkingen als "Eigen volk, eigen taal" en "Vliegt de blauwvoet".

In de naoorlogse jaren kan men duidelijk twee thema's onderscheiden: het realistisch interieur enerzijds, het buitenhuiszicht anderzijds.

Tot de eerste reeks behoren spreuken als: "Eigen haard is goud waard", " Zoals 't Klokje 't Huis tikt, tikt het nergens", "Vier benen onder tafel is nog geen huishouden",..

In de buitenreeks staat bij de onafscheidelijke spreuk "Oost-West, t'Huis Best" traditioneel een visserstafereeltje met zicht op zee. En verder nog: "Beter een goede buur dan een verre vriend", "De morgenstond heeft goud in de mond".

Ook de klassieke spreekwoorden kwamen terug. Zo werden de borden van Noseda en Caesens aangevuld met spreuken als: "'t Leven is een rook", "Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht", "De tijd vliegt snel, gebruik hem wel", "Ieder huisje heeft zijn kruisje", "Wat baten kaars en bril als de uil niet zien en wil", "Zoo de ouden zongen, zoo piepen de jongen", enz.

Van Humskerke-borden zijn sober versierd met zegswijzen als: "Lachen en eeten doet leed vergeten" en "Vroeg begonnen veel gewonnen".

Achille Vande Voorde heeft ongetwijfeld met zijn figuurwerk - ook op borden - de mooiste en waardevolste creaties gemaakt. "Scherpe messen snijden zeer, kwade tongen nog veel meer", " Een vogel is koning in zijn woning", enz..

Volksaardewerk Volksaardewerk

Sprekende borden zijn ongetwijfeld belangrijkste bronnen voor intensieve taalstudie. Een stukje folklore en een streepje nostalgie. Ze waren vaak het sieraad, zelfs het pronkstuk in de Vlaamse volkswoning.

Spreuken die de ziel beroeren en soms tafereeltjes die het hart doen spreken, blijvende getuigen van Vlaamse volkskunst.
www.torhout.be

Pagina inhoud