|
Hoe het allemaal begon
Je bent 32 jaar en plots vertelt de weegschaal u dat je op een jaar
tijd 5 kg bent bijgekomen. Je echtgenote suggereert subtiel of je beter niet eens wat aan sport zou doen. Eigenlijk
geen slecht idee. En waarom niet fietsen? Jamaar, een fiets kost toch vrij veel geld en wat als het tegenslaat, dan
staat dat ding daar te roesten. Na enig wikken en wegen wordt uiteindelijk de knoop doorgehakt. Ik koop een koersfiets,
een instapmodel. Een Flanders, Alu frame maar nog geen klikpedalen. Als kompleet leek maakt het mij niet echt uit welke
groep erop staat, carbon onderdelen en andere high tech toestanden. Ik beschik ineens over 2 x 8 versnellingen, terwijl
mijn vorige fiets er welgeteld 4 had. Het is begin augustus als ik mijn eerste tocht maak. 30 kilometer, verschrikkelijk
ver, maar het gevoel is zalig.
In
de komende weken trek ik er op uit voor tochten van maximaal 45 km.
Telkens op zondagvoormiddag. Ik kom de eerste collega wielertoeristen
tegen en kruip al eens in iemands wiel. De eerste overmoed slaat toe.
Na in het wiel gezeten te hebben durf ik eens overnemen en fors
doorgaan. Om wat verder de klop van de hamer te krijgen. Ook de eerste
kennismaking met het fenomeen wind is om niet te vergeten. De eerste
kilometers gaan bijzonder goed. Zonder moeite worden snelheden ver in
de 30 gehaald. Dan draait het parcours en plots is hij daar : de
tegenwind. De snelheid zakt spectaculair. Met veel moeite staat er nog
net een 20 op de kilometer teller. Het wordt zo erg dat ik zelfs
besluit om vervroegd huiswaarts te keren. Na dit debacle besluit ik dat
ik eigenlijk een doel mankeer. Ik weet ondertussen dat fietsen mij
bevalt. Zou ik de stap wagen om bij een club te gaan?
Na
alweer een bezinningsperiode en overleg met de echtgenote besluit ik om
mij eens te informeren. Eerste probleem : welk van de twee clubs in
Laarne kiezen? Pedaal is algemeen gekend als de club waar je moet zijn
als je je eens goed wil uitleven. De Trappers zou een club zijn waar
het er wat rustiger aan toe gaat. Aangezien ik grote twijfels heb over
mijn capaciteiten (na het wind incident) kies ik de tweede club. Ik bel
de voorzitter (toen Martin) voor wat uitleg en met de prangende vraag
: Wordt er snel gereden? Martin kan over dit gesprek nog steeds een
boom opzetten. We spreken af dat ik naar de vergadering kom in januari
en dan in maart de eerste ritten meerijdt op proef. Zonder het te
beseffen was dit achteraf gezien wel het beste moment om een testrit
mee te rijden. In het begin van het seizoen zijn de ritten minder lang
en is iedereen nog op zoek naar zijn goede vorm.
De eerste rit
Stijf
van de zenuwen kom ik ruim op tijd toe bij het clublokaal voor de
eerste rit. Een zondagmorgen in maart. Ik ben blijkbaar een van de
eersten. Martin is er al en begroet mij hartelijk. Een voor een komen
de gladiatoren binnen. Ik probeer in te schatten wat mij te wachten
staat en wie er goed zou kunnen rijden. Nu, zoveel jaar en een pak ervaring
later, weet ik dat het inschatten van iemands kunnen op basis van het
uiterlijk totaal zinloos is. Ik heb ondertussen echte atleten
(uiterlijk) in de vernieling gereden en ik heb op mijn donder gekregen
van kleine magere ventjes. 9 uur, we vertrekken. Ik zet mij voor alle
zekerheid achteraan in de groep. Er rijdt een vrouw mee (Veronique) en
de jongste van de bende is blijkbaar de wegkapitein (Kristoff). Hij
leidt ons onmiddellijk richting Oosterzele, de Betsberg over. Ik heb
jaren aan de voet van deze helling gewoond en weet dat dit een serieuse
klim is. Tijdens de beklimming blijf ik rustig meedraaien. Kort voor de
top wordt het steiler. Kristoff versnelt, ik durf niet reageren. Martin
reageert wel, uiterst voorzichtig schuif ik mee. Eenmaal op het steile
stuk voel ik mij zeker genoeg om een beetje door te geven. Als tweede,
op een straatlengte va Kristoff kom ik boven. Tiens, hoe kan dat nu? Ik
als prutser kom hier als tweede boven. De rest van de rit stop ik mij
terug weg. Ik mag wel eens kop doen, samen met Luc. Ook dat lukt
aardig. Martin en Veronique komen eens vragen hoe het gaat. Het gaat
goed, dank u wel. Na 45 km zijn we terug. Tevreden stap ik het
clublokaal binnen. Ik rij zeker de volgende rit ook mee.
Rit
2 leert mij dat ik geen schrik moet hebben om eens op kop te rijden.
Samen met Luc lukt dat aardig. Door wegomleggingen rijden we 66 km in
plaats van de geplande 55 km. De laatste kilometers zijn wel zwaar. De
zondagnamiddag kruip ik in de zetel en raak er nog met moeite uit. De
eerste keer een dergelijke afstand rijden heeft mij toch serieus
vermoeid. Maar ik rij volgende week zeker weer mee. Tijdens rit 3 loopt
alles goed. Op het einde van de rit komen we op de Scheldedijk.
Kristoff die duidelijk de beste blijkt te zijn, zet zich op kop en
trekt het tempo de hoogte in. Van 30 gaat het naar 35. Wat later wordt
dit 40. Nog wat verder wordt dit 45. Slik. Krampachtig blijf ik in het
wiel van Kristoff zitten. Hij schakelt nog eens bij. Nog eens slik.
Volgen en trappen is het enige waar ik nog aan denk. De kilometerteller
duidt 49 km/u aan. Net op het moment dat ik mij gewonnen wil geven,
houdt Kristoff in. We zijn op het einde van de dijk. Ik had het niet
eens gemerkt. Ik kijk achter mij. Niemand. Ik was de enige die kon
volgen. Ook dat had ik niet eens gemerkt. Plots overvalt mij een gevoel van
euforie. Ik heb nog nooit zo rap gereden met mijn fietske. Ik ben de
enige die Kristoff kon volgen. Nu weet ik het zeker, ik sluit mij aan.
Ik ben verkocht.
Nu,
vele jaren later heb ik veel geleerd over het fietsen, met vallen en
opstaan. Ik heb geleerd dat ik bijzonder gevoelig ben aan krampen. Ik
heb geleerd dat een grote tocht voor wielertoeristen een degelijke
training vereist. Mijn eerste RVV (140 km versie) was er een om niet te
vergeten. Op de derde helling was het al gedaan. Totaal verkrampt, te
weinig getraind. Ik heb geleerd dat koersen iets anders is dan "zere
rijen". Mijn allereerste koers (eentje voor wielertoeristen) was na 5
ronden (van de 25) al gedaan. Gelost. Mijn allereerste koers bij een
nevenbond was nog erger. Na driekwart ronde gelost. Toch hebben deze
tegenslagen mij veel geleerd. Na mijn derde poging ben ik er eindelijk
in geslaagd om de RVV (140 km) zonder krampen uit te rijden. Bij mijn
derde deelname aan een koers voor wielertoeristen heb ik de koers
kunnen uitrijden. Ik heb geleerd dat 30 km/u niet heilig is. Ik moest
en zou bij mijn trainingen steeds een gemiddelde van meer dan 30 halen.
Ik vergat wel dat ik mij hierdoor totaal verzuurde.
Ik leerde dat een
fiets op maat geen luxe is. Mijn keuze voor mijn eerste echte koersfiets was
op een Merckx gevallen. Samen trok ik met fietsenmaker Eddy bij de grote Eddy Merckx.
We hadden mijn startfietsje mee zodat we konden bekijken wat er allemaal mis mee was kwa
houding en instellingen. Toevallig was Eddy aanwezig. Ik zal het nooit vergeten. Hij keek
een blik naar mij en een blik naar de oude fiets. Nog voor de eigenlijke opmeting vertelde hij
dat dit en dat verkeerd was. Na de opmeting bleek zijn analyse perfect te kloppen.
Het fameuse oog van een stielman. Sinds ik met een
perfect afgestelde fiets rij, kan ik alleen maar beamen dat het verschil enorm is.
Ik leerde wat
klikpedalen zijn (letterlijk met vallen en opstaan). Ondertussen heb ik menige
RVV (zelfs een eigen versie van 200 km), Van Petegem Classic (107), Tilff-Bastogne-Tilff(122),
Davitamon classic (ook in een eigen 200 km variant) en
Gent-Wevelgem(145) op het palmares staan. Ik heb mij volop gesmeten in de wielerkoers bij de
WAOD en VWF. In 2008 heb ik zelfs tot mijn eigen verbazing eens een koers gewonnen. Ik heb ook geleerd
wat goed trainen en een goede verzorging is. Alle ervaring van de
afgelopen jaren is gekristalliseerd in mijn huidige manier van fietsen.
En ik leer nog steeds bij. Als ik dit eens overlees ben ik nog altijd verbaasd
over mijn eigen progressie.
Twee dingen weet ik ondertussen zeker, ik kan goed
fietsen maar een echte topper ben ik nooit geweest en zal ik nooit
worden. En fietsen is afzien, diepgaan, grenzen verleggen, pijn hebben,
kortom fietsen is zalig.
|