SAMENVATTING

KAART

HOME

GEGEVENS

FOTO'S

2010: lapland

tot aan de Noordkaap
waar de ondergaande zon
nog niet ondergaat

Dag aan Dag via SMS

Dagelijks wordt het thuisfront op de hoogte gehouden van de evolutie van en de ervaringen gedurende de tocht van poolcirkel naar het uiterste noorden van ons Europees vasteland.
De ‘Plaats’ is het punt waar het tochtonderdeel van de overeenkomstige dag werd beëindigd.
Het aantal ‘Km’ geeft de afstand aan op die dag afgelegd.
De ‘Quotering’ geeft van 1 tot 5 sterren een persoonlijke beoordeling over de beleving(en) van die dag. Slecht (*), Minder goed (**), Goed (***), Zeer goed (****) tot Fantastisch (*****).

Dag

Datum

Plaats

Km

Quot.

Beschrijving

11

28/07/2010

Op de nachttrein vanuit Stockholm

 

 

Met Ryanair naar Nyköping en met bus verder naar Stockholm. Alle muggenspul hier uitverkocht. Bevoorrading in Lidl. Om 20h op trein naar Boden.

22

29/07/2010

3 km voorbij Njunjesstugan

19

***

Slapeloze treinrit naar Boden. Verder per trein naar Murjek en per bus naar Kvikkjokk. Eindelijk begonnen aan Padjalantaleden. Geworsteld over stenen en geplaagd door muggen tot voorbij Njunjes. Tent bij rivier.

33

30/07/2010

3 km voorbij Tarraluoppalstugorna

32

***

Door regen en druipend hoog en dicht struikgewas. Wadend door rivieren zonder brug. Nat van kop tot teen. Tent bij bergbeek.

44

31/07/2010

3 km voorbij Staloluoktastugona

29

**

Nachtelijke storm met hevige regen. Aanhoudende regen houdt ons tot 09h in tent. Door regen en wadend door soms 50 meter brede rivieren naar Tuottarstugorna en Staloluoktastugona. Regen stopt slechts 3 km voor Staloluoktastugona. Tent bij rivier.

55

01/08/2010

5 km voor Kisurisstugan

40

****

Aan Nordkalottleden begonnen met zon. Kunnen nu ten volle genieten van landschap. Voorbij Arasluoktastugorna en Läddejäkkastugan naar Kutjaure. Tent bij rivier waar het krioelt van de muggen.

66

02/08/2010

Sitasjaurestugan

41

***

Regennacht en -morgen. Door slijk en over rotsblokken naar Arasluoktastugorna. Langs een gletsjer en zijn ontketende rivier. Daar rusten, drogen, eten. Boot naar Ritsem waar bevoorrading. Tent bij stuga in Sitasjaurestugan.

77

03/08/2010

10 km voor Sälkastugorna

34

****

Moeilijk of niet te vinden pad. Veel over steenbrokken en afval van gletsjers. Blootsvoets door brede rivieren. Tent met zicht op Kebnekaise.

88

04/08/2010

2 km voorbij Alesjaurestugorna

37

*****

Zon! Bad in gletsjerrivier. Begonnen aan Kungsleden. Over de Kebnekaise en Tjäktapas voorbij Sälkastugorna, Tjäktastugan en Alesjaurestugorna. Tent bij rivier.

99

05/08/2010

Abisko

33

****

Afdaling naar Abisko over in pracht afnemend pad. Eerst bevoorrading. Terug 5 kg zwaarder. Warme douche. Dringende voetverzorging. Tent in bosje.

10

06/08/2010

Lappjordhytta

27

*****

Naar Narvik voor Noors geld en een sleutel voor de berghutten. Vervolg Nordkalottleden. Op en af naar Pälnostugan en lange zware klim naar Lappjordhytta. Drijfnat van zweet.

11

07/08/2010

Gaskashytta

43

*****

5 km lange klim tot boven de boomgrens. Prachtig zicht op bergen bedekt met sneeuwplekken waarop kuddes rendieren verkoeling zoeken. Aan de gletsjers hangen rivieren als zilveren draden. Aan de andere rivieroever waggelt een beer de berg op.

12

08/08/2010

Dividalshytta

39

****

Brug weg. Stroomopwaarts zoeken naar een doorwaadbare plek. Dan 5 km klimmen van steen tot steen. Verder over en door modder. Tenslotte langs een machtige rivier met stroomversnellingen en een lange diepe kloof. Als toetje een laatste steile klim naar Dividalshytta.

13

09/08/2010

6 km voor Rostahytta

36

****

Start met forse klim van 500 meter over 5 km in de mist. Zoeken naar padmerktekens. Een tweede steile klim over een schier eindeloos bed steenbrokken. Vandaag rond 10 km van die rotsblokken. Van het goede teveel. Tent bij rivier.

14

10/08/2010

Kuohkimajärvi

38

*****

(afstand tot Pältsastugan is 19 ipv 12 km). Prachtig landschap op weg naar Zweden. Tegen de avond in het uiterste noorden van Zweden. Tevens het 3-landenpunt met Noorwegen en Finland.

15

11/08/2010

Kuonjarjoki

36

***

Met de “Kalottireiti” Finland binnen. Bevoorrading in Kilpisjärvi en daar eens uitgebreid gegeten. Onnoemelijk slecht pad (stenen) verder over heuvels. Steeds klimmen en weer dalen. Opkomende koude, krachtige wind. Slapen in stuga.

16

12/08/2010

Somashytta

32

****

Vrieskoude ochtend. Finland verlaten over overwegend zeer stenige paden. Soms gaan we slechts voetje per voetje vooruit. Langs jachtige rivieren met stroomversnellingen en watervallen. Stuga.

17

13/08/2010

6 km voorbij Saraelv

38

****

Zeer fris bad in het meertje bij de hut. Over een golvend en vrij begaanbaar parcours langs door rivieren diep uitgesneden canyons. Lange, steile en moeilijke afdaling, voorbij een prachtige waterval naar Saraelv. Tent en kampvuur bij rivier.

18

14/08/2010

9 km voorbij Nedrefosshytta

30

***

Worstelend over rotsen langs de Reisaelva en talloze watervallen. Na Nedrefosshytta terug over rotsen omhoog. Naar de Immofossen via een gevaarlijke (regen) klimpartij over rotsen. Nog een laatste lange klim voor we uitgeput bivakkeren bij een meertje.

19

15/08/2010

14 km voor Cunovuohppi fjellstue

41

***

Noorderstorm met regen. Eten klaarmaken en eten in de tent. Toch vertrokken. Wind blaast ons soms van het pad. Drie keer door brede, diepe rivier. Bij Reisavannhytta besloten alternatieve weg te zoeken naar Kautokeino. Gans de dag vrieskou. Tent en kampvuur.

20

16/08/2010

3 km voorbij Cabardasjohka

45

****

Vriesnacht. Met alle kleren aan op weg naar Kautokeino. Goed gevorderd over alternatieve weg. Daar eten en bevoorrading. Route heeft voorlopig weinig natuurschoon te bieden. Weg is goed maar moeten alweer door rivier. Tent bij rivier en kampvuur.

21

17/08/2010

5 km voor Badje Maze

45

****

In koud, guur maar droog weer verder noordwaarts over betrekkelijk goede (grind) paden. Het landschap biedt kale heuvelruggen, met armtierige berkjes dun begroeide dalen, meren en rivieren (met brugjes). Tent en wegens kou vlug in slaapzak.

22

18/08/2010

4 km voor Gargia fjellstue

42

****

In aanhoudend guur en zeer koud weer verder over de oeroude hoogteweg naar Alta. Langs samendrijfplaatsen voor rendieren. Zoekend en improviserend voor tegen de snijdende noordenwind beschutte rustplaatsen. In de verte lonken met sneeuw gestreepte bergen van de fjorden.

23

19/08/2010

Rafsbotn

43

****

Afgezakt naar de fjord van Alta. Hier zijn de temperaturen milder. Men treft hier weiland waarop gehooid is. Talloze bundels in plastiek gewikkeld hooi liggen op de velden. Er lopen koeien, schapen en varkens. Dit zo ver boven de poolcirkel!

24

20/08/2010

18 km voorbij weg naar Fjordbukta

37

****

Vriesnacht maar zonnige dag. Terug de bergen in als overgang naar de laatste fjorden. Langs niet-gemarkeerd pad waar de rendieren ons voor de voeten lopen. We lopen ons bijna vast en vinden met moeite de hoofdroute terug.

25

21/08/2010

10 km voorbij Skáidi

 

****

In grijs en kil weer verder over de laatste  bergen met de Repparfjordelva als gids. Een visser haalt er behoedzaam een grote zalm op het droge. In Skáidi kunnen we ons weer bevoorraden en vatten de laatste kms aan naar de fjorden. Tent (zoals de voorbije dagen sinds 22).

26

22/08/2010

10 km voorbij Ytre Nordmannset

 

****

In aanhoudend grijs en guur weer naar Olderfjord. Bevoorrading is daar gesloten. Gelukkig gisteren bevoorrading in Skáidi. Vanaf Olderfjord steeds langs prachtige fjorden. Het lijkt wel of we de enigen zijn die nu nog een tocht naar Nordkapp trotseren. Bivak in gekraakte souvenirsbarak.

27

23/08/2010

4 km voorbij Kåfjord

39

****

De dagen krimpen nu zienderogen en de temperaturen zinken met de dag. We hebben onze tent geplaatst bij de ingang van de lange tunnel (7 km). We hebben reeds 2 tunnels overleefd. Deze zal ook wel gaan. Morgen eerste werk van de dag.

28

24/08/2010

13 km voorbij Nordkapp camping

41

*****

Door die vreselijke tunnel. Tot 220 meter onder zeeniveau en dan 4 km bergop aan 10%. Aan de uitgang vinden we ruime WC’s. Compleet bad. In Honningsvåg bevoorrading. Over bergruggen en tussen fjorden reeds op weg naar het einddoel. We snakken ernaar in ons afgepeigerd lichaam en na dagen afzien van de kou. Tent naast meer.

29

25/08/2010

 

 

 

10h07’00’’ NORDKAPP. Het (valse en toeristische) noordelijkste punt van het Europese vasteland.

16h56’00’’ KNIVSKJELODDEN. Het (echte en slechts door onverschrokken trekkers bereikbare) noordelijkste punt van het Europese vasteland.

BERICHT VAN KATRIEN AAN CHRISTIANE: GELUKKIGE VERJAARDAG!

29

25/08/2010

Knivskjelodden

27

*****

Eerst naar Nordkapp waar we ons mengen in het toeristisch gedoe. Dan naar Knivskjelodden waar we aan de rand staan van de Barentszzee. Onze tent staat naast een kabbelende rivier en bij de woeste branding van de zee. Met zicht op de Nordkapprots.

30

26/08/2010

Nordkapp camping

28

***

Terug langs het pad van gisteren, nu glad van de regen, naar de weg. Van daar naar Nordkapp camping. De trektocht zit er op. We zijn er niet rouwig om. Gedaan met de ontberingen, de schier onbegaanbare paden over rotsen, door slijk, moerassen en rivieren. Gedaan met de (gelukkig steeds goed afgelopen) valpartijen en de bittere kou. We zijn een pak vermagerd, moe maar toch een beetje fier.

31

27/08/2010

Honningsvåg

8

***

Laatste stuk wandeling naar Honningsvåg. Onze trektocht is nu definitief aan zijn einde gekomen. Nog wat bevoorrading in Honningsvåg en wachten op de namiddagbus. Die brengt ons tegen de avond naar Alta. We plaatsen er onze tent op een camping.

32

28/08/2010

Alta

0

***

Kleren wassen en op observatie naar airport Alta. Nog een bezoek aan Alta en bevoorrading. Alles klaar maken voor terugkeer morgen. Kampvuur met ceremoniële verbranding van de wandelstok. We kijken uit naar het weerzien met het thuisfront.

33

29/08/2010

Zwijndrecht

0

*****

Veel te vroeg van onze  laatste camping naar een nog gesloten luchthaven van Alta. Stipte vluchten met SAS naar Oslo en aansluitend naar Brussel. Marc brengt ons naar huis. Een pakkend en emotioneel terugkomen bij de naaste familie. De beproevingen van de tocht vallen van onze schouders en verdampen in de omhelzingen.

 

Over Lapland

Op de kaart is Lapland vrij lastig op te zoeken, omdat het noch een afzonderlijke staat noch een provincie van een bepaald land is. Het is het geboorteland van de Lappen en de grenzen van het gebied zijn meer door de instinctieve trekbewegingen van hun rendierkudden bepaald dan door decreten van overheidswege. Al voor het begin van de geschreven geschiedenis hebben de Lappen deze meest noordelijke streken van Europa bewoond. Hun aantal bedraagt nu ongeveer 30.000, verspreid over een gebied dat zich van de Atlantische kust van Noorwegen uitstrekt tot de Witte Zee en van de Noordelijke IJszee tot ver beneden de poolcirkel.

Lapland is een gebied van bergen, meren, bossen, moerassen en toendra-achtige hooglanden en is de grootste wildernis in West-Europa. Het trekken door dit oerlandschap kan moeilijk en zelfs gevaarlijk zijn.

Kaarten van Lapland zijn vaak onnauwkeurig, door de hooglanden lopen maar heel weinig wegen en over de bergstromen die zo koud zijn dat er zelfs geen mossen in groeien, voert hooguit (soms) een wankel bruggetje. ’s Zomers trilt de lucht boven de heiden en dalen van de hitte en over de laaglanden zwermen muggen en horzels, die de rendieren naar de insekten-vrije berghellingen verdrijven. De reiziger die de koude, verleidelijke hooglanden verkent, moet echter voorbereid zijn op plotseling opkomende wolkbreuken, die dagenlang kunnen aanhouden. Het zicht neemt dan af tot een paar meter, de gletsjerbeken veranderen in schuimende watervallen en de bodem wordt omgeroerd tot een kniediep moeras. In Lapland kun je gemakkelijk verdwalen. Buiten de steden zijn er weinig plaatsen waar de bevolkingsdichtheid het aantal van één inwoner per km² overschrijdt en vele waar het eronder blijft, zodat men dagen aaneen kan zwerven, volkomen overgeleverd aan de genade van deze uitgestrekte, grillige wildernis. De moeilijkheden zijn groot, maar daar staat een ongelooflijke beloning tegenover voor degene die ze overwint.

Zoals zoveel in Lapland is ook het klimaat ongewoon. De Noordatlantische Drift voert warm water uit de Golf van Mexico aan naar de kusten van Lapland, waardoor de temperatuur van de vochtige westelijke en zuidwestelijke winden uit de Atlantische Oceaan stijgt. Als gevolg daarvan is het in Lapland warmer dan in alle andere streken die ver noordelijk liggen en heeft Lapland de langste ijsvrije kust van het poolgebied. Zelfs in januari is de temperatuur in Noordwest-Lapland ruim 15°C hoger dan de gemiddelde temperatuur op deze breedte en aan de westkust is het zowaar iets warmer dan in Oslo.

Meer naar het oosten ondergaat het klimaat echter een verandering. De bergen langs de Noors-Zweedse grens dwingen de luchtstromingen uit de Atlantische Oceaan namelijk op te stijgen en af te koelen en hun vocht in de vorm van regen of sneeuw af te geven. Hierdoor valt er in West-Lapland veel neerslag waarvan het meeste in de herfst en het begin van de winter. Oostelijk van de bergen dalen de winden weer, maar hier zijn ze betrekkelijk droog en brengen minder regen en sneeuw. In plaats van het in het westen heersende zeeklimaat, heeft het oosten meer een landklimaat, met grote temperatuursverschillen tussen de warme, droge zomers en uiterst koude winters.

Ondanks het voor het noorden betrekkelijk milde klimaat is Lapland toch voornamelijk een winterland. In september valt de herfst in met temperaturen tussen de 0°C en de -5°C en van begin oktober tot het begin van de voorjaarsdooi in eind april wordt het landschap beheerst door sneeuw en ijs. Februari is met temperaturen van 10 tot 20 graden vorst de koudste maand; op sommige plaatsen, vooral in de dalen, kan de temperatuur tot 25°C beneden het vriespunt dalen. Maar als de zomer tegen eind mei eindelijk begint, blijkt hij even intens te zijn als in het Middellandse-Zeegebied. In Karasjok, op het dorre, toendra-achtige plateau dat bekend staat als de Vidda, is een wintertemperatuur geregistreerd van -50°C, de laagste genoteerde temperatuur in Noord-Noorwegen, terwijl het in juli wel 30°C kan zijn.

Nog indrukwekkender dan de verstikkende zomerhitte in Lapland is het buitengewone verschijnsel van de middernachtzon. Door de schuine stand van de aardas tijdens de baan van de aarde om de zon zijn er ten noorden van de poolcirkel een of meerdere dagen in de zomer waarop de zon niet ondergaat. Op de poolcirkel is er elk jaar slechts één zo’n dag, de zomer-zonnestilstand, waarop de zon 24 uur schijnt. Dichter naar de noordpool neemt de periode van onafgebroken daglicht toe met een maximum, op de pool zelf, waarop de zon ruwweg gedurende zes maanden van het jaar boven de horizon blijft. Tijdens de overige zes maanden evenwel , als de zon naar het zuiden verdwenen lijkt, heerst er een vrijwel constante duisternis. In het noordelijkste gedeelte van Lapland strekt de periode van onafgebroken licht zich uit van midden mei tot eind juli. Dan beginnen de dagen korter te worden totdat de zon in november voor twee maanden onder de horizon verdwijnt.

Bron: Walter Marsden: ‘LAPLAND’

Dag-aan-Dag Verslag

Dag 1: 28/07/2010. (Zwijndrecht – Stockholm).

Vandaag is het de grote dag. Na een lange periode van intense voorbereiding zal ik samen met Roger de tocht van de Poolcirkel tot aan de Noordkaap aanvangen. Vermits we wegens het vroege vertrekuur van onze vlucht naar Stockholm geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer zal Jan, de schoonzoon van Roger, ons naar de luchthaven van Charleroi brengen. Hij arriveert stipt op tijd om 4h15 bij Roger. Na nog een laatste controle van zijn rugzak is het moment van afscheid van zijn vrouwtje aangebroken. Om 4h45 arriveert hij bij me thuis. Ik ben mijn laatste boterhammen nog aan het eten. Ook mijn rugzak staat afgewogen en goed ingepakt klaar. Ryanair beperkt de bagage tot 15 kg. Iedere kilo extra dient dik betaald te worden. We zijn er in geslaagd onze basis uitrusting te beperken tot ongeveer 12 kg. Die hebben we nog wat aangevuld met boterhammen voor de eerste dag, chocolade en koekjes. We nemen afscheid van Katrien en binnen de 10 minuten zijn we op weg naar de luchthaven van Charleroi. Jan zet er ons na een rustige en ongestoorde rit af om 6h00. We zijn nog net niet het luchthavengebouw binnen of Jan komt ons reeds achterna gelopen. In zijn hand houdt hij een GSM die blijkbaar iemand van zijn passagiers in zijn auto heeft kwijtgespeeld. Roger is de eigenaar. Nog niet vertrokken en bijna al een deel van zijn uitrusting verloren. Als dat maar geen slecht voorteken is. Het inchecken van de bagage verloopt vlotjes en ook de passage door de veiligheidspost wijkt niet af van de gewone routine. Opvallend is wel dat Roger zijn wandelschoenen moet uitdoen, welke dan aan een afzonderlijk en minutieus onderzoek onderworpen worden. Mijn eigen schoenen, maat 50 en ideaal om een en ander in te verstoppen, wekken dan weer geen enkele argwaan. We hebben nog ruim de tijd voor een kop koffie en overlopen nog eens wat we zoal in Stockholm dienen aan te kopen om onze uitrusting te vervolledigen. Het inchecken loopt ook op wieltjes en om 7h30 stijgt de Ryanairvlucht stipt op om 2 uur later, om 9h30, al even stipt te landen op de luchthaven van Skvasta bij Nyköping. De landing gaat gepaard met een enthousiast applaus van de passagiers. Voor de prijs van 35 euro had men blijkbaar een heel wat onzachter terugkomen op de begane grond verwacht. Door de intercom schalt nog een opwekkend deuntje waarop de opgeluchte reizigers uitgelaten en luidkeels antwoorden met ‘Olé!’. In afwachting van onze bagage voorzien we ons van SEKs: Zweedse Kronen. Van zodra onze rugzakken afgeleverd worden herorganizeren we de lading. De tent, de ondertent en de pantoffels worden vastgebonden achteraan op het onderste rugzakdeel. Al het andere materiaal krijgt zijn vaste en definitieve plaats in de rugzak. De voorraaddozen zijn nog wel leeg en moeten straks, in Stockholm, gevuld worden. Er rijdt om de 20 minuten een bus naar Stockholm. Ik zie op de prijslijst dat ‘gepensioneerden’ een korting krijgen van 50%. Wat de definitie is van ‘gepensioneerd’ valt uit de beschikbare informatie niet te achterhalen. Ik vraag dus 2 tickets voor ‘gepensioneerden’ en we rijden dus om 10h20 voor de helft van de prijs naar de Zweedse hoofdstad waar we om 11h50 arriveren aan de busterminal, dicht bij het centraal station. Onderweg zien we een groot hert vredig grazen op een weide aan de rand van een bos. Ik zie het als een gunstig voorteken voor ontmoetingen met de dierenwereld van Lapland. In Stockholm zoeken we eerst, niet zonder moeite, het ‘Tourist Office’ om er te weten te komen waar we een supermarkt en outdoorwinkels kunnen vinden. Er is veel volk en we trekken nummer 84. Men is bezig met nummer 61. Alhoewel er 4 loketten geopend zijn gaat het bijzonder traag vooruit. We zullen een truukje moeten gebruiken. Sommige toeristen hebben er, na lang wachten, de brui aangegeven. Als we bij het afroepen van nummer 65 niet onmiddellijk iemand uit de massa in beweging zien komen vullen we het opengevallen gat en, zonder ons nummer te laten zien, vallen we meteen met de deur in huis. Met de verkregen informatie gaan we eerst wat eten kopen voor de middag. We eten ons middagmaal op een bank in de Kungsträdgärden bij de grote, rechthoekige vijver. Het is mooi weer. Ondanks de weekdag is het zeer druk. Zweden en buitenlanders dooreen. We brengen een bezoek aan de oude stad, waar het koninklijk slot en sommige regeringsgebouwen zijn gevestigd. Bij het paleis staan wachten onverstoord en onbeweeglijk, in onberispelijk uniform. Ik nodig Roger uit voor een foto bij een van hen. Hij is de stoerste van alle wachten. Net een brok graniet. Hij is gewapend met een geweer waarop een lange, scherpe bajonet is bevestigd. Het lijkt me dan ook maar het veiligst om eerst even beleefd te vragen of het maken van een foto wel toegestaan is. Ik meen een schier onmerkbaar knikje te kunnen vaststellen en Roger neemt plaats naast deze onwrikbare soldaat. Na de foto bedank ik het levend standbeeld. Geen reactie. Noch in woorden, noch met een miniem glimlachje. Het weer is uitzonderlijk goed. Een lekker zonnetje maakt het stadsbezoek nog aangenamer en mooier. We gaan op zoek naar een outdoorzaak en kopen er ieder een gasfles van 500ml voor ons gasbrandertje. Een gasfles meenemen in onze bagage zou onvermijdelijk voor problemen gezorgd hebben. Nu moeten we voor Roger nog iets vinden tegen de muggen. Ik had nog een voorraad over van mijn reis naar het noorden in 2007. Een ‘roller stick’ voor het aangezicht, ‘Jungle Oil’ voor het lichaam en een speciale, erg stinkende, pasta voor het geval geen van de vorige producten soelaas brengt. De ‘Jungle Oil’ is hier uitverkocht en men verwijst ons naar een volgende zaak. Over de speciale pasta, gekend onder de naam ‘Wilhelmina pasta’, weet men te vertellen dat die uit de handel genomen is. We lopen alle outdoorzaken in Stockholm af, 6 in totaal. Nergens is er nog ‘Jungle Oil’ voorradig. De muggen moeten dit jaar wel zeer actief zijn. Een wat vervelend vooruitzicht. Het enige wat Roger zich kan aanschaffen is een ‘roller-stick’. Onze zoektocht levert toch vruchten af. We passeren een LIDL en daar gaan we onze voorraad inslaan. Soep, aardappelpureepoeder, noedels, kaas, vloeibare honig, sardientjes, worst, havermout, knäckebröd, bouillonblokjes en thee. We vinden geen pasta en ook geen chocolade. Althans niet de soort die ik wens te kopen (met nootjes en van een bepaald merk). Dat moeten we zien aan te kopen in een van de overstapplaatsen bij onze treinreis. We kopen ook 2 flessen drank van 1,5 ltr, omdat we de (lege) plastiek flessen nodig zullen hebben om tijdens onze tocht water in te slaan waar we daartoe de gelegenheid hebben. We druipen dan stilaan af naar het station en wachten er op de nachttrein naar Murjek, via Boden, die om 20h12 vertrekt. Ik ga even checken of ons ticket, dat we via internet voor ongeveer 35 euro gekocht en thuis afgedrukt hebben, in orde is. Dat is het geval. Tijdens het wachten merken we dat iemand een pakket midden in de wachtzaal achterlaat. Op 10 meter van onze zitbank. Alhoewel het zeer druk is in de grote hall van het station schijnt niemand zich hierover zorgen te maken. We voelen ons nu niet meer op ons gemak. Ik verwittig een spoorwegbeambte die de veiligheidsdienst opbelt. 10 minuten later zien we 2 stoere veiligheidsmensen de hall binnenkomen en onverstoord de plaats waar het pakket nog steeds ligt voorbijlopen. Er gebeurt verder niets. We kiezen voor een veiliger locatie en gaan plaats nemen op het perron van onze trein die nog een uurtje op zich laat wachten. Een groep scouts vlijt zich daar ongegeneerd neer op de grond. Rond hen zwaar geladen rugzakken. De nachttrein vertrekt stipt op tijd, om 20h12. We hebben een compartiment van 4 zetels voor ons beiden zodat we ons min of meer comfortabel kunnen installeren voor de nachtelijke reis. De controleur komt onze tickets nazien. ‘Murjek?’. Hij kan het lachen niet laten. ‘You are going to Kvikkjokk?’. Weer die intrigerende lach. Hij weet dat Murjek een verlaten gat is waar niets te vinden is. Hij weet ook dat, wie naar Kvikkjokk gaat, een laatste plaats in de bewoonde wereld, daar begint aan ofwel de Kungsleden of de Padjalantaleden. Een beproeving die deze spoorwegbeambte doet huiveren en een lachje ontfutselt waarbij hij denkt: ‘nog zo een stel dat niet weet wat hen te wachten staat’. De info met betrekking tot Murjek is echter nuttig. We moeten zien bijkomende bevoorrading te kopen in de volgende overstap: Boden. We hebben daar anderhalf uur de tijd voor.

Foto’s:
- Stockholm: Hötorget
- Stockholm: Klara kyrka
- Stockholm: Jakobs kyrka
- Stockholm: Stadshuset
- Stockholm: Riddarholmskyrkan
- Stockholm: Standbeeld van Gustav II Adolf, koning van Zweden (1611-1632)
- Stockholm: Bondeska Palatset
- Stockholm: Riksbronpoort
- Stockholm: Storkyrkan
- Stockholm: Roger bij de paleiswacht
- Stockholm: Stockholm: Grand Hotel
- Stockholm: Openbaar toilet
- Stockholm: Sveriges Riksdag

Dag 2: 29/07/2010. (Stockholm – Murjek – Kvikkjokk) – Njunjes + 3 km: 19 km.

Van slapen op de trein komt niet veel terecht. De rit wordt meermaals onderbroken in tussenstations. We rijden op een enkel spoor. Daardoor moet regelmatig gestopt en gewacht worden, op een zijspoor, om een trein uit de tegenovergestelde richting te laten passeren. Door dat gestop en weer vertrekken kunnen we nooit langer dan een half uur, hoogstens een uur, eventjes indommelen. Onze plaatsen liggen ook nog eens dicht bij de restauratiewagen. Het voortdurend heen en weer geloop en het geluid van de deuren houden ons wakker. Om 9h15 zijn we in Boden. We moeten er overstappen op een andere trein die hier pas om 10h45 aankomt. Boden ziet er groot genoeg uit om over een supermarkt te beschikken. We doen navraag en krijgen een wat warrige beschrijving van de weg naar de ICA. Een ploeg wegarbeiders stuurt ons de verkeerde kant op, net als het begint te regenen. We kruisen een wandelend echtpaar dat ons nu de juiste weg aanwijst en met ons een eind meewandelt naar de supermarkt. Eens zeker van onze zaak laten we onze vriendelijke begeleiders verder stappen en houden halt om onze rugzak en onszelf tegen de intenser wordende regen te beschermen. In de ICA kopen we de ontbrekende pasta en de chocolade. Door het zoeken en verkeerd lopen zijn we maar net op tijd voor onze treinverbinding. De scouts, die we reeds in Stockholm opmerkten, staan hier ook te wachten. Ze bezetten in de trein de voor ons gereserveerde plaatsen. Er is vrije plaats genoeg en we kiezen een vrij compartiment naast hen. Ze reizen verder naar Kiruna. Ondertussen eten ze er op los alsof dit hen laatste maaltijd zal zijn. We vragen ons af hoe die ooit voldoende etensvoorraad zullen kunnen meesleuren. Om 11h45 arriveren we in Murjek. Het stationnetje is niet meer dan een houten barak. Buiten staat een houten wegwijzer een reeks wandelpaden aan te wijzen. Her en der is een houten huisje te ontwaren. Maar in het stationnetje is warme koffie te verkrijgen. Daar profiteren we van. Het zal nog lang duren voor we weer eens van een warme kop koffie zullen kunnen genieten. Er staan een paar banken waarop men de volgende gebeurtenissen kan afwachten. De stationschef beheert zelfs een klein winkeltje waar warempel ‘Jungle Oil’ te verkrijgen is. Roger is opgelucht en schaft zich meteen het fel gewenste product aan. De bus arriveert en dropt een paar wandelaars die vanuit Kvikkjokk terugkeren. Ze zien er allesbehalve opgewekt uit. Eerder gelaten en moedeloos. Een van hen sleept zich met moeite voort, geholpen door zijn wandelstok. Ze spreken geen woord. De bus vertrekt met ons om 12h50. We doorkruisen een door de mens verlaten landschap. Slechts hier en daar staan een paar houten huisjes bij elkaar. Waarschijnlijk enkel bewoond tijdens het zomerseizoen. De bus stopt er even en de chauffeur gaat er de post en soms ook het jongste dagblad afgeven. Om 16h45 worden we gedropt aan de parking van het Fjällstation Kvikkjokk. Hier is ook het einde van de weg. Verder kan men alleen nog te voet. Ons avontuur kan beginnen. Op een bordje staat te lezen dat er tijdens het zomerseizoen een geregelde bootdienst is tussen de aanlegsteiger in Kvikkjokk en het begin van de Padjalantaleden, over het Mierdekjávrre (jávvre = meer). De volgende afvaart is om 17h30. We maken ons klaar bij het kerkje van Kvikkjokk, eten nog vlug wat en worden voor het eerst geconfronteerd met de muggenplaag. We wrijven ons in met de beschikbare producten. Roger schijnt echter al vlug de voorkeur van de zoemers te genieten. Bovendien heeft hij geen muskietenvrije lange broek. De diertjes steken er naar hartenlust doorheen. Als afweer staat Roger op zijn benen te dansen, maar zeer afdoende is dat niet. We zijn de enige wandelaars op het bootje dat ook nog 2 toeristen meeneemt die een tochtje over het meer wensen te maken. We krijgen dus onderweg een voor ons overbodige uitleg over binnenstromende rivieren, gevolgen van de voorbije stormvloed door het smelten van de dikke sneeuwlaag en de ligging van grote stenen op de meerbedding. We zijn opgelucht als de bootsman ons om 18h00 aan de overkant afzet. Ik vind er tussen een aantal door teruggekeerde wandelaars achtergelaten stokken een exemplaar dat perfect bij mijn gestalte past en bovendien nog passend in mijn hand ligt. Deze berkentak zal mijn trouwe extra steunpilaar zijn voor de gehele trektocht die op deze oever van het meer begint. Dit eerste deel van de Padjalanta loopt in het groen. Het weer is hier wat beter. Fris, maar met een zalig zonnetje. Het pad laat zich al meteen opmerken door de vele stenen en vereist al onze aandacht. Door de moerassen zijn knuppelpaden aangelegd. Op dwarsbalkjes liggen twee rijen smalle planken over de lengte van het te dwarsen moeras. Zo blijven de voeten droog. Als men tenminste op de plankjes kan blijven. Maar het opspattende moeraswater doordrenkt en bevuilt onze lange broek tot op kniehoogte. We benoemen deze voorzieningen in het vervolg steeds als ‘plankjes’. Onder de plankjes zien we sporadisch kleine wezentjes, met een mooie bruine pels, wegvluchten en dan weer snel dekking zoeken in de onmiddellijke nabijheid. Ze lijken op lieflijke muizen of ratten, maar met een veel kortere staart. Het zijn de raadselachtige lemmingen die in van jaar tot jaar wisselend aantal, grote delen van Lapland bevolken. In een bosrijke omgeving gaat het steeds op en neer. De muggen blijven zeer onaangenaam gezelschap. Het is 21h20 als we de 16 km verder gelegen stuga van Njunjes bereiken. We overleggen of we van de stuga gebruik zullen maken voor het avondeten en of we onze tent in de buurt zullen opslaan. De ‘Stugward’, de bewaker van de stuga, komt ons tegemoet en zegt dat we de personen die reeds in de stuga verblijven en er overnachten, niet mogen storen. We doen nog een 2 km lange zware beklimming door het bos en dalen dan af tot waar een riviertje in het Darrávrre stroomt. Daar vinden we een mooie kampeerplaats. Het is 22h30 maar nog steeds volop licht. Het schemerlicht zorgt er nu nog voor dat de nachten in voldoende licht baden. We zetten onze tenten, maken ons avondmaal klaar en kruipen tegen middernacht in onze slaapzak.

Foto’s:
- Murjek: Wegwijzer bij het station
- Murjek: Station
- Kvikkjokk: Wegwijzers (Kungsleden)
- Kvikkjokk: Wegwijzers (Padjalantaleden)
- Kvikkjokk: Klaarmaken voor de eerste stappen van de trektocht
- Kvikkjokk: Kerk
- Kvikkjokk: Kerktoren
- Kvikkjokk: Aanlegsteiger en overzetboot
- Kvikkjokk: Op de overzet naar de Padjalanta
- Kvikkjokk: Op de overzet naar de Padjalanta
- Kvikkjokk: Op de overzet naar de Padjalanta

Dag 3: 30/07/2010. Njunjes + 3 km – Tarraluoppal + 3 km: 32 km.

Benevens het kabbelend geluid van de rivier bij ons bivak hoorden we deze nacht ook het tokkelen van de regen op onze tent. Wij hebben afgesproken om iedere morgen op te staan omstreeks 6h00. Dat lukt ons vanaf de eerste echte wandeldag. Het regenen heeft opgehouden en we kunnen ontbijten en onze tent opbreken in het droge. We vertrekken om 7h30 en het begint terug te regenen. Het pad kronkelt zich door een met lage bomen en struikgewas begroeide helling. De regen druipt gretig van de bladeren aan de takken die we met onze handen en benen moeten wegduwen om ons een weg te banen. De regenponcho beschermt enigszins ons bovenlijf maar beneden de broeksriem worden we doornat. Het water sijpelt ook in onze schoenen. Als we 7 km verder de Tarrekaisestugan bereiken staan ook onze stapschoenen volledig onder water. We profiteren van het terras van de stugan om, schuilend voor de regen, even uit te blazen, het water uit onze schoenen te lozen en onze kousen uit te wringen. In de deuropening verschijnt een Duits koppel van rond de 70 jaar. Ze zijn van plan vandaag door te lopen tot Såmmarlappa en morgen tot Tarraluoppal en zich daar te laten oppikken door een helikopter. Ze wachten op een weersverbetering (die er voorlopig niet zit aan te komen). De vrouw beklaagt zich over de muggen. Ik bied mijn diensten aan en bewerk haar gezicht met mijn meest effectieve antimuggenmiddel: de bruine, stinkende pasta. Roger laat blijken dat hij voor het eerst in deze contreien vertoeft door te vragen: ‘can we get some drinking water here?’. Terwijl hoorbaar, op 3 meter afstand, het water zomaar een plastiek darm, die tot ergens hogerop in de rivier is gelegd, in een mooie boog onophoudelijk uitstroomt. We vullen onze handflessen en stappen vlug weer verder door de aanhoudende regen. Het pad loopt nog geregeld door druipend bos en blijft de bedding van de Tarrajåkkå (jåkkå = rivier) volgen. Dat betekent dikwijls door vettige, zompige plekken waar we tot de enkels in de modder zakken, via de ‘plankjes’ over moerassen en om de haverklap over rivieren die vanaf de bergrug naar de Tarrajåkkå toelopen. Die ‘plankjes’ zijn niet altijd ongevaarlijk. In de nattigheid liggen ze er glibberig bij. Sommige liggen niet echt vast en maken onverwachte bewegingen als men er een voet op plaatst. Soms zakken ze voetdiep, of nog dieper, weg in de modder en het water en heeft men er eigenlijk niets aan. Meestal slagen we erin om via grote stenen in de rivieren deze over te steken zonder met onze voeten diep door het water te moeten stappen. Bij de bredere en diepere stromen is dat onbegonnen werk. Onze voeten zijn nu echter zo doornat dat we daar helemaal niet meer om geven en zonder onze schoenen uit te doen kniediep het water doorsteken. Op het pad moeten we ook steeds opletten voor stenen. Bij iedere pas schuilt het gevaar voor een valpartij. We bereiken doornat de Såmmarlappastugan om12h15 en besluiten daar binnen te eten, uit te rusten en ons zo veel mogelijk te laten drogen. Het geld in onze portefeuille, die in onze broekzak stak, is doornat. We moeten het eerst laten drogen om de Stugward te kunnen betalen. Als Roger zijn rugzak onderzoekt komt hij tot de vaststelling dat het merendeel van zijn stafkaarten doorweekt is en doorlopen van de inkt. Ik start meteen een onderzoek naar mijn eigen set kaarten. Die staken in 2 enveloppen. In de ene zaten de kaarten voor de eventuele alternatieven en in de andere de kaarten voor de hoofdroute. De buitenste enveloppe is doornat. Het is gelukkig deze met de alternatieve kaarten. Ik kan ze meteen allemaal weggooien. De andere enveloppe, met de hoofdroutekaarten, is ook aangetast, maar gelukkig nog bruikbaar. Roger zijn (plastiek) kaarthouder is nu overbodig geworden. Al zijn kaarten zijn waarschijnlijk onbruikbaar. Ik sla zijn kaarthouder aan om mijn wat aangetaste kaarten hopelijk vochtvrij in mijn rugzak te kunnen bewaren. Tot zijn ontsteltenis stelt Roger vast dat zijn fototoestel het ook niet meer doet. De lens gaat nog wel open, maar het lcd‑scherm blijft een donkergrijze rechthoek. Voor Roger een halve ramp. Om 14h00 verlaten we, min of meer droog, de Såmmarlappastugan op het ogenblik dat het oudere koppel er vanuit de Tarrekaisestugan aankomt. De vrouw bedankt me onmiddellijk voor het zeer efficiënt gebleken muggenproduct. We blijven de vallei volgen en het pad blijft zijn karakteristieken van deze morgen behouden, zij het met wat minder laag bos. We moeten een paar grote rivieren over. Wiegende hangbruggen maken dat mogelijk. Het blijft regenen en om 15h30 steken we de grens van het Padjalanta National Park over. Hier vermindert het lage struikgewas, de ‘plankjes’ zijn beter onderhouden, en krijgen we voor het eerst prachtige vergezichten voorgeschoteld. Het stopt warempel met regenen en de zon komt af en toe door de wolken Links en rechts horen we het water zich via watervallen naar beneden storten. Soms ontwaren we in de zeldzame breuken van de grijze wolkenmassa de gletsjers of de besneeuwde bergtoppen die deze druisende watermassa’s voeden. We lopen door een prachtig en machtig landschap maar de lage wolken beletten ons van de volle pracht ervan te genieten. Spijtig. De teruggekeerde regen geeft ons geen tijd om te verpozen en we lopen door tot de volgende stugan, de Tarraluoppalstugorna. We hebben dan het bosachtig gedeelte achter ons gelaten en zijn het dal van de Tarrajåkkå uitgeklommen tot een hoogte van 700 meter. We bereiken de stuga om 18h30 en installeren ons in een van de hutten. We zijn er alleen. Er is een hok met een gasradiator dat dient als drooghok. We steken vlug de radiator aan en hangen al onze kleren in het hok om ze te laten drogen. Roger probeert zijn natte kaarten te redden door ze er individueel op te hangen. Ik hang mijn aangetaste kaarten in enkele bundeltjes eveneens aan het droogrek. Tijdens het drogen bereiden we ons avondmaal en eten comfortabel in de stuga. We verwachten een bezoek van de Stugward om de betaling voor het korte verblijf te innen. Het slechte weer, het blijft maar regenen, schrikt hem blijkbaar af want hij verlaat zijn hut niet. De Zweedse stuga’s zijn als volgt ingericht. De Stugward beschikt over een eigen private hut. Voor de wandelaars zijn er 1 of meerdere hutten beschikbaar. Telkens met een keukentje, een centrale plaats met een houtkachel, tafel(s) en stoelen, een droogkamer en een of meerdere kamers met (stapel)bedden. Verder is er nog een afzonderlijke hut waarin het hout voor de houtkachels bewaard wordt. Buiten staan ook de veld‑wc’s. De (drink)watervoorziening is uit een nabije rivier, eventueel via een lange darm hogerop, of een meer bij de stuga. Soms dient het water opgeschept te worden uit een bron of waterput. Om 20h15, zonder de stugward te hebben gezien, trekken we verder. Het heeft opgehouden met regenen en het ziet er naar uit dat dit voor de rest van de avond zo zal blijven. Via een hangbrug steken we de Vássjájåhkå over en beginnen te klimmen. 3 km verder, op een hoogte van 1000 meter, vinden we een vlak en open stuk. Het is 21h30 en we besluiten daar onze tent te zetten. Het begint plots echter weer te regenen en er staat een strakke wind. We staan nog een kwartier in de regen te wachten tot de bui is overgewaaid en zetten er dan onze tent neer.

Foto’s:
- Wegwijzer op kruispunt Padjalantaleden en pad naar de Tarraälvshyddan
- Padjalantapad 500m voorbij kruispunt naar Tarraälvshyddan
- Op de grens tussen Tarradalen en Padjalanta National Park
- De vallei van de Tarrajåkkå

Dag 4: 31/07/2010. Tarraluoppal + 3 km – Staloluokta + 3 km: 29 km.

’s Nachts is het beginnen stormen en regenen. Roger heeft zijn stormlijnen gezet, maar ik heb dat nagelaten. Het wapperen van mijn tent houdt me wakker. Ik hoop maar dat ze niet wegwaait. Volgens plan zouden we om 6h00 opstaan, maar de regen valt zo ongenadig neer dat we maar beter in de tent blijven afwachten. Om 7h00 regent het nog altijd ongenadig op onze tent. Een uur later valt er nog steeds geen verbetering waar te nemen. Om 8h30 stellen we vast dat onze bivakplaats stilaan onder water aan het lopen is en de verankering van onze tent in de week geworden grond aan het loskomen is. Ik roep naar Roger dat we snel wat knäckebröd in onze tent zullen eten en dan, zo vlug we kunnen, onze tent zullen opbreken en door de regen naar de eerstvolgende stuga trekken om daar dan deftig te eten. Na het knäckebröd laden we onze rugzak zoveel mogelijk binnen de tent. Eens uit de tent moeten we elkaar helpen om onze tent opgeplooid te krijgen. Nog steeds in de regen speelt de stormwind zo hard met het tentzeil dat het dreigt weg te waaien. Om 9h00 gaan we op stap. De volgende stuga, de Tuottarstugorna, ligt 8 km verder. We doen er 2 uur over om hem te bereiken. We lopen op een naakte hoogte van rond de 1000 meter, op en neer door een prachtig landschap. De wind heeft er vrij spel en jaagt de regen strak tegen ons aan. Het duurt niet lang of we zijn weer doornat. We moeten een paar rivieren door maar zoeken niet naar een mogelijkheid om via boven water uitstekende stenen de overkant te bereiken. Natter dan ze zijn kunnen onze voeten toch niet meer worden en we willen zo vlug mogelijk in de stuga zijn, schuilen, eten en wat drogen. We blijven 3 uur in de Tuottarstugorna en proberen zo veel mogelijk onze kleren droog te krijgen. Roger probeert vooral zijn fototoestel te drogen. Dat schijnt te lukken. Er komt weer leven in. Het lcd-scherm vertoont echter een blinde vlek. Bij nader onderzoek blijkt dit beperkt te blijven tot het lcd-scherm zelf en zal het op de foto’s zelf geen invloed hebben. Roger is opgelucht. We eten goed en trekken om 14h00 verder. Op de kousen na zijn onze kleren zo goed als droog. We moeten meteen een 100 meter brede rivier over die loopt tussen het Tsiekkimjávrre en het Duottarjávrre. We doen de moeite niet om onze schoenen uit te trekken en stappen er gewoon door. Zelfs onze lange broek stropen we niet op. Die is ondertussen onderaan zo vuil geworden van de modder dat een wasbeurt, in dit geval een doorwading van een rivier, helemaal geen kwaad kan. Van regen en drop zal ze toch snel weer nat worden. Aan de overkant lozen we het water uit onze schoenen en wringen onze kousen, als een natte dweil, uit. 500 meter verder is het weer hetzelfde verhaal en kunnen we de hiervoor beschreven procedure nog eens herhalen. We dalen nu langzaam af naar het 15 km verder gelegen grote meer met de naam Virihávrre op 580 meter. Links van ons liggen de 1500 meter hoge toppen van de Kierkevare bergrug. Ze liggen verscholen in de wolken die er tegenaan duwen en daardoor als een spons worden uitgeknepen. Onder die druipende spons stappen twee mannen verder over een nauwelijks herkenbaar glibberig pad, gepokt met gladde glanzende stenen en doorkruist met talloze rivieren waar ze behendig proberen van steen tot steen over te wippen. Door sporadische scheuren in het wolkendek ontwaren we de met sneeuw bedekte bergtoppen, de gletsjers die hoog op de flanken in uitgesleten kommen lijken te rusten en, steeds smaller wordend naar beneden, uitmonden in donderende watervallen en stormachtig bruisende rivieren. We blijven verder lopen. Een schuilplaats is niet te vinden en halt houden in de regen is geen optie. Om 18h30 komen we op het punt waar de Nordkalottleden van links de Padjalantaleden vervoegt. We zijn nu niet ver meer van de Staloluoktastugorna die we een half uur later bereiken. We merken dat de stuga vol zit met wandelaars die er, wegens het slechte weer en de nauwelijks begaanbare staat van het pad, gestrand zijn en er misschien reeds dagen wachten op een betere gezindheid van de weergoden. We gaan er niet binnen en worden vanachter de stugaramen met verwondering en medelijden bekeken. Het regenen is ondertussen gestopt. We zoeken ons een beschutte plek waar we wat kunnen uitrusten en een tussendoortje eten. De stuga ligt aan het Virihávrre. Aan de oevers is er een Samidorp (groep huizen van Lappen die leven van de visvangst en/of de rendierkweek). Het is er doodstil. De rendieren hebben zich verspreid in de hoger gelegen en noordelijker gebieden en komen pas terug als de winter inzet. Er zijn ook geen wegen en dus, buiten te voet, geen transportmogelijkheden. Ook hier brengt de winter een grote ommekeer. Het meer is dan bevroren en de sneeuw heeft over het ruwe landschap een zacht glooiend wit tapijt gelegd. Met ski’s, of voor de moderne Lap met de sneeuwscooter, komen de autochtonen dan gemakkelijk overal waar ze willen. Er staat een kerkje. Het heeft de vorm van een halve bol. De wanden zijn bedekt met mos. Op de top is een opening waaruit rook opstijgt. Binnen is de vloer bedekt met rendiervellen en op kleine banken liggen missaals verspreid. Achteraan, centraal, staat een altaar. Daarvoor liggen wat takken lichtjes te branden en te smeulen. Het is er gezellig warm. Naast het kerkje staat een eenvoudige constructie als kerktoren. Roger heeft ergens een bordje gezien met daarop een telefoon geschilderd. Hij probeert zijn GSM en krijgt de boodschap dat van hieruit enkel noodoproepen mogelijk zijn. Om 19h30 stappen we op. Er volgt eerst een steile klim om dan langzaam verder opwaarts te lopen naar 800 meter. Om 21h00 bereiken we bij een rivier een geschikte bivakplaats. We kunnen nog eens zonder regen ons avondmaal koken, enkel gestoord door de weergekeerde muggen. Het is opgehouden met regenen maar er staat een strakke wind. Dat bespaart ons het gezelschap van de muggen die bij wind of regen in hun schuilplaats verborgen blijven. We zullen weer onze stormlijnen moeten uitzetten. We checken de staat van onze voeten. De natte kousen en de door de vochtigheid gekrompen leren schoenen hebben hun tol geëist. Roger heeft een paar kleine wonden op de bovenkant van de tenen. Ik heb een stuk weggeschaafde huid op de binnenkant van de linkse hiel. Het valt al bij al nog mee. Maar onmiddellijk ontsmetten en verzorgen is de boodschap.

Foto’s
-
Scheuren in het wolkendek tussen Tuottar en Staluokta
- De Kierkevare bergrug
- Kruising Padjalanta met alternatief pad terug naar Tuottar. Rechts de Kierkevare bergrug
- Brug over de Bållávrjåhkå
- Besneeuwde bergen achter het Virihávrre
- Langs de Gieddejåhkå
- Het Samikerkje van Staloluokta
- Besneeuwde bergen achter het Virihávrre
- Valavond over het Virihávrre
- Afdaling naar de bivakplaats bij Dijddervágge

Dag 5: 1/08/2010. Staloluokta + 3 km – Kisuris – 5 km: 40 km.

De regennacht houdt het voor bekeken een uur voor we om 6h00 onze tent uitkomen. Er staat zowaar een pril maar uitnodigend ochtendzonnetje. Het nabije riviertje kabbelt fris en vrolijk. We nemen er een verkwikkend en opmonterend bad. Om 7h20 gaan we op stap. In de zon ziet alles er nu veel mooier uit en kunnen wij echt ten volle genieten van de omgeving. Om 9h00 bereiken wij de Arasluoktastugorna na via een hangbrug de Arasjåhkå te zijn overgestoken. De stuga is gelegen aan een uitloper van het meer. Er bevindt zich ook hier een Samidorp. Enkele wandelaars maken zich aan de stuga klaar om te vertrekken in tegengestelde richting. We tanken er vers water en gaan verder op het pad dat nu het Virihávrre verlaat. Een half uur verder nemen we een rustpauze bij de hangbrug over de brede rivier Miellädno. Eens over de rivier moeten we klimmen. Van 600 meter naar 900 meter. Vooral op de ‘plankjes’ moet er goed opgelet worden. Roger ondervindt dat al gauw aan de lijve. Op een glad stuk plank gaat hij ineens onderuit. Geen lichamelijke schade maar zijn horlogebandje is afgebroken en niet meer te herstellen. De volgende 5 km gaan weer bergaf naar de Låddejåhkå. Een brede kolkende rivier. De hangbrug erover bevindt zich bij een riviervernauwing en de watermassa stort zich via een waterval een paar verdiepingen naar beneden. We nemen er een pauze voor ons middagmaal. Roger probeert langs de schuine rotswand de rand van de voortjagende watermassa te bereiken om er met zijn plastiek fles water op te halen voor het koken. Het is zijn dagje blijkbaar niet. Hij glijdt onderuit op de steile, gladde rotswand en moet zijn waterfles loslaten om te beletten dat hij in de kolkende watermassa belandt om er misschien niet meer uit te geraken. Hij komt voorzichtig terug naar boven geklauterd. Hij mag zich gelukkig prijzen er vanaf te zijn gekomen met enkele schaafwonden. De waterfles verdwijnt in de rivier en is verloren. Van nu af aan ben ik de enige waterdrager. We hervatten onze tocht die in een langzame bocht naar het oosten klimt. Beneden verbindt de soms 500 meter brede Vuojatädno het Sállohávrre met het Vastenjávrre. Op de hoogte hebben we een prachtig zicht op de beide meren en de brede rivier die hen verbindt. Aan de oevers zijn meerdere Samidorpen te zien. We moeten terug een twaalftal rivieren over of door en dalen af tot bij het punt waar de Vuojatädno het Sállohávrre inloopt. Hier staan 3 hangbruggen dicht bij elkaar. Over de hangbruggen loopt een pad naar Vaisaluokta via de Kutjaurestugan en Karsajaure. We steken de bruggen niet over en vervolgen onze route richting Ritsem na er een half uurtje rust genomen te hebben. Het pad volgt nu verder het dal van de Vuojatädno die een verbindingsrivier is tussen het Kutjaure (jaure = meer) en het Sallohaure. Het mag eigenaardig klinken dat voor hetzelfde onderwerp (‘meer’) verschillende woorden bestaan (jávrre, haure, jaure, ..). Dat komt omdat de Sami dezelfde dingen anders benoemen in functie van de vorm, grootte of andere eigenschappen. Zo zijn er tientallen verschillende benamingen voor bergen, rivieren, meren, sneeuw, regen enz. De Sami beschikken over een zeer rijke en interessante woordenschat. Er liggen nog wat rivieren op ons pad, maar de breedste en diepste zijn voorzien van primitieve bruggetjes. Nabij het punt waar de Vuojatädno het Kutjaure binnenloopt komt ook een riviertje naar het meer toegelopen. Daar slaan we onze tent op. We vinden enkele stukken hout waarmee we een zitbank improviseren. Dat maakt de bereiding van en het avondmaal zelf wat aangenamer. Het aangename gaat vlug voorbij wanneer de muggen weer ten aanval trekken. Roger staat al snel vol beten ondanks een laagje van mijn wonderpasta. De voorkeur van de prikkers voor het bloed van Roger valt voorlopig niet te verklaren. We zoeken dan maar snel weer de tent op. Het begint meteen fiks te regenen en blijft dat doen voor het grootste deel van de nacht.

Foto’s:
- Bivakplaats 32 km voorbij Staloluokta
- Het Virihaure met daarachter besneeuwde bergen
- Samidorp bij Arasluokta
- De Arasjåhkå
- Het Arasluokta met Samidorp
- De col op weg naar de Låddejåhkå
- Dicht bij de col richting Låddejåhkå
- Hangbrug over de Miellädno
- Rustpunt op de col richting Låddejåhkå
- Bloemenpracht op weg naar Låddejåhkå
- Afdaling naar Låddejåhkå
- Hangbrug over de Låddejåhkå
- Het Vastenjaure
- Op weg naar het Sallohaure
- De Vuojatädno bij het Sallohaure
- De Vuojatädno bij het Sallohaure
- Pad bij Sallohaure

Dag 6: 2/08/2010. Kisuris – 5 km - Sitasjaure: 41 km.

De regennacht strekt zich uit over de morgen. We moeten opnieuw eten klaarmaken en ontbijten in onze tent. Eenvoudig is dat niet in een klein eenpersoonstentje. Ik ben de kok van dienst. Eerst ruim ik mijn binnentent op. Slaapzak en slaapmat opplooien en opbergen in de rugzak. Ik haal alles wat ik nodig heb voor het ontbijt uit mijn rugzak en plaats dan de rugzak in mijn binnentent. De voortent is nu vrij om in te koken. Dat doe ik al liggend in mijn binnentent. Roger haalt water. Op ons gasvuurtje kook ik dan water voor thee, chocolademelk of havermout. Als dat klaar is komt Roger zijn helft halen en we eten elk in onze tent. ’s Avonds is dat nog wat ingewikkelder. Ik maak dan eerst soep, daarna de hoofdmaaltijd met pasta of aardappelpuree en tenslotte nog een kom warme drank met een stuk chocolade. Ondertussen doet Roger de afwas en zorgt voor het aanbrengen van water. We ruimen weer snel onze tent op en vertrekken. Het is 6h45. Ik ben mijn bril kwijt. Een zoektocht in de omgeving waar de tent stond levert niets op. Ik vermoed dat ik mijn bril in het tentzakje heb laten zitten en samen met de tent heb opgerold. Ik zie het niet zitten om in de regen terug mijn tent open te rollen en we vertrekken dan maar. Door de nachtelijke regen ligt het pad er zeer drassig bij. Het is moeilijk om een begaanbaar traject te vinden tussen de vele diepe plassen en in de ondergelopen moerassen. Van de muggen hebben wij voorlopig geen last. Die blijven bij dit hondenweer binnen. Naarmate we vorderen vermindert de regen in intensiteit. We volgen een kolkende rivier richting Kisuri en zien door de uitdunnende wolken het gletsjermassief verschijnen van de Västtopparna en de Dubbeltoppen. Wij pauzeren even bij de Kisurisstugan die we om 7h45 bereiken. Tijdens de pauze ontplooi ik opnieuw mijn tent en vind er mijn bril ongeschonden in terug. Om 8h45 trekken we verder in een stilaan uitregenende regen, door modderpaden en over steenpaden. Op de bergtoppen liggen nog grote gletsjers te smelten en zorgen, samen met de aanhoudende zondvloed, voor ontketende rivieren. We steken de brug over de kolkende Vuojatädno over en bereiken om 12h00 de Akkastugorna. Het pad van de brug naar de stuga is herschapen in een modderbrei. We komen een paar wandelaars tegen die er maar triest bijlopen. Sommigen dragen laarzen. Misschien wel goed om deze moddermassa door te komen, maar totaal ongeschikt voor het vervolg van de route. We hebben nog wat tijd voor de boot over het Akkajaure naar Ritsem. Die tijd kunnen we best gebruiken in de Akkastugorna om te eten en ons en onze spullen, voor de zoveelste maal, te drogen. We vernemen gelukkig ook dat de boot vertrekt om 14h25 en niet om 14h40 zoals op mijn routeplan genoteerd. Roger stelt vast dat al zijn nat geworden kaarten onbruikbaar geworden zijn. Ze gaan de houtkachel in. Die hebben we aangestoken en drogen daarrond onze kousen, schoenen en broeken. Met een ingenieus systeem weet Roger zijn fototoestel bij de kachel op te hangen om de laatste waterresten daarin te laten verdampen. We vertrekken op tijd naar de aanlegsteiger en moeten over een pad van slijk en stenen. Een Fransman komt ons tegemoet en zo te zien is zijn moed reeds voor het grootste deel in zijn laarzen gezonken. Als we ons op de boot een plaatsje zoeken zien we ook de Fransman terugkomen. De moed is hem nu reeds helemaal in de laarzen gezakt. Hij gaat terugkeren naar Ritsem en daar de bus nemen naar het kruispunt met de Kungsleden die hij dan maar zal bewandelen. Als ik hem vraag of hij wel weet dat er op die Kungsleden zo nu en dan een meer dient te worden overgeroeid, of zelfs 3-maal indien er maar 1 roeibootje aan de startoever te vinden is, verdwijnt zijn enthousiasme. Hij denkt er ernstig over na om terug naar huis te keren. Hij ziet het hier helemaal niet meer zitten en vraagt zich af wat wij hier in deze hel komen zoeken. De boot kwam hier trouwens vanuit Ritsem toe, afgeladen vol met (eendags)toeristen. Sommigen gewoon op sportschoenen. Er zijn zelfs kleine kinderen bij. Wij vrezen dat zij reeds na de eerste honderd meter zullen uitkijken naar de volgende boot terug. Maar die is pas morgen. Ondertussen heeft het regenen opgehouden en breekt de zon sporadisch door de wolken. De omgeving krijgt opeens meer kleur. Beschut voor de wind genieten wij van de boottocht over het meer. Eerst naar Vaisaluokta en dan terug naar Ritsem. De gletsjers op de bergen rond het meer weerspiegelen zich in het rimpelend watervlak. In Ritsem, waar we om 15h45 aanmeren, neemt de Fransman afscheid van ons. Niet na ons op de hoogte gebracht te hebben van de politieke toestand in ons vaderland. Als we hem moeten geloven is België uiteengevallen in Vlaanderen en Wallonië. Wat dan met Brussel? Hij kijkt ons verwonderd aan. Brussel maakt toch deel uit van het Franstalige Wallonië? We laten hem snel achter op de helling naar het Fjällstation waar we ons dienen te bevoorraden voor de volgende week. Wat eten we zoal per dag:
- ’s morgens 125 gr knäckebröd (450 kcal) met honing of kaas (100 kal)
- ’s middags ½ pakje noedels (100 kcal) met 75 gr knäckebröd (225 kcal)
- ’s avonds ½ pakje pasta of puree (350 kcal) met een doosje sardientjes (300 kcal)
- tussendoor 100 gr chocolade (550 kcal)
Samen dus ongeveer 2500 kcal per dag (met nog wat snuisterijen tussendoor). Veel te weinig om de naar schatting 4 à 5.000 kcal te compenseren die we dagelijks verbruiken.
In het kleine winkeltje kunnen we onze voorraad terug volledig aanvullen. We kunnen zelfs een luchtdicht verpakte forel kopen die we hopen deze avond smakelijk naar binnen te spelen. We zijn nu bijna een week onderweg en hebben nog steeds geen contact kunnen opnemen met het thuisfront. Die zullen daar wel ongerust zijn. Ik heb nog geen enkel sms’je kunnen versturen en Roger is er op gebrand om eindelijk eens naar huis te kunnen bellen. We verwachten dat dit hier in Ritsem zal lukken. Maar geen van ons beiden slaagt erin contact te krijgen met een operator. Waar we ons ook opstellen, zelfs in de buurt van een duidelijk herkenbare zendmast. Navraag bij een winkelende Zweed leert ons dat het netwerk is uitgevallen en dat het nog een paar dagen kan duren vooraleer er een technicus deze kanten uitgestuurd wordt voor herstelling. Diepe ontgoocheling bij Roger. We vatten om 16h30 de tocht aan naar het 22 km verder gelegen Sitasjaure. Dat gaat over een verharde weg. Eerst asfalt en weldra grind. Het loopt lekker. De weg is eigenlijk een private weg van de elektriciteitsmaatschappij die bij het Sitasjaure een waterkrachtcentrale gebouwd heeft. Roger stopt geregeld om toch nog eens te proberen gsm-verbinding te krijgen. Zelfs onder de zendmast die we voorbij lopen. Vruchteloos. Na 2 uur stappen nemen we een rustpauze bij het Autojaure maar worden in onze rust gestoord door een steeds aanzwellende zwerm muggen. Op de top van de Gähtjoajvve zien we een mast staan. Roger hoopt op een gsm-mast, maar dat lijkt me hier onwaarschijnlijk. Als we om 21h30 Sitasjaure bereiken besluiten wij gebruik te maken van de keuken van de stuga. Vanavond en ook morgenvroeg. Dit gezien de omstandigheden. Het laatste uur woog zwaar door. We vonden geen geschikte bivakplaats en moesten dus blijven doorlopen tot bij de stuga, waar steeds een plaats beschikbaar is om een paar tenten te zetten. We zijn trouwens de enige bezoekers. Het is weer lichtjes beginnen regenen en de muggen laten ons geen respijt. Tot onze grote verwondering is hier gsm-bereik. De mast die we onderweg opmerkten is er een van Telenor (Noorwegen). Noorwegen ligt hier slechts een boogscheut vandaan. Zo kunnen we voor het eerst contact opnemen met het thuisfront. We zijn opgelucht dat we hen kunnen op de hoogte brengen van onze toestand en hen vooral gerust stellen. Alles gaat goed. De vis smaakt nu dubbel zo lekker.

Foto’s:
- Hangbrug over de Vuojatädno bij Akka
- Op het Akkajaure
- Het Akkajaure met daarachter de Västtopparna en de Dubbeltoppen
- Op weg naar het Autojaure bij het Rijtsemjávrátja (meertje)
- Op weg naar Sitasjaure, langs het Autojaure
- Het Autojaure en de bergen aan de overkant

Dag 7: 3/08/2010. Sitasjaure – Sälka – 10 km: 34 km.

We vertrekken om 7h30 bij een redelijk open hemel die laat vermoeden dat er eindelijk een weersverandering, in dit geval verbetering, op komst is. Wat het pad betreft zijn de vooruitzichten minder goed. We lopen nu op een verbindingspad tussen de Nordkalottleden en de Kungsleden. Het pad is nauwelijks of niet herkenbaar en wordt blijkbaar uiterst zelden gelopen. We merken geen enkel spoor van trekkers die hier recent nog zouden gepasseerd zijn. De eerste kilometers zijn zeer verwarrend. Het pad, of wat we vermoeden dat zijn tracé is, wordt doorkruist door de bandensporen van ‘quads’ of andere ‘4-wheel’-voertuigen. Waarschijnlijk van Sami die hier en daar langs het eerste deel van het traject een hutje hebben staan. Daarenboven hebben motorfreaks zich op dat deel van het pad uitgeleefd en diepe sporen getrokken in de zompige bodem. We moeten steeds kompas en kaart controleren en onze richting corrigeren om het juiste pad, of wat we denken dat het juiste pad is, terug te vinden. De bodem is, zoals reeds gezegd, zeer zompig. Van ‘plankjes’ is hier geen sprake meer. We lopen en zakken de eerste kilometers meestal door en in een moeras. Hier komt pas verbetering in als we na een forse klim de eerste col bereiken. We zien nu ook de eerste steenmannetjes (op elkaar gestapelde stenen als merktekens van het pad) staan. Het komt er nu op aan van het ene naar het andere steenmannetje te stappen. Van een pad kan niet meer gesproken worden. De steenmannetjes staan soms ver uit elkaar en we moeten steeds uitkijken en zoeken naar het volgende. Niet alle steenhopen zijn ‘steenmannetjes’, wat wel eens voor vergissingen zorgt. Blijven de kaart en het kompas raadplegen is de boodschap. Het landschap oogt anders wel prachtig met opeenvolgende groene bergruggen. Plots zien we twee poolvossen voor ons wegvluchten. We dalen af naar de hangbrug over de Áinnajohka maar moeten daarvoor nog tweemaal een rivier doorwaden. Bij de Áinnajohka nemen we een pauze. Het pad wordt nu stenig, nat en glad. We moeten bij elke stap aandachtig zijn als we weer aan het stijgen gaan naar 900 meter. Na een korte afdaling stijgen we nog verder naar 1000 meter om dan af te dalen naar de hangbruggen over de Ráktasjohka. Die rivier stort zijn water in het Kaisejaure. In de rivierbedding ligt de morene opgehoopt van de gletsjers die eeuwen geleden met het einde van hun tong nog tot aan het meer likten. Puinhopen van steenbrokken die elk tonnen zwaar zijn en in grootte variëren van een strandbal tot een megaliet. Over een breedte van 10-tallen tot honderden meters. Van enig herkenbaar pad is hier helemaal geen sprake meer. ‘Steenmannetjes’ zijn er ook niet. Ze zouden trouwens belachelijk lijken tussen al hun reuzegrote familieleden. Behoedzaam en voorzichtig nemen we die gevaarlijke klippen. Roger zoekt telkens een veilige steun met zijn beide stokken. Ik probeer eerder al wippend van de ene naar de andere steenpunt te laveren. Soms zoekend naar een nieuw evenwicht. De zware rugzak trekt ons meer dan eens uit de goede richting. Na al dat labeur nemen we een pauze voor ons middagmaal bij de reeds vernoemde hangbruggen. We stappen verder en laten de Hukejaurestugan links liggen. We steken nog een hangbrug over en komen om 15h50 op het punt waar de Nordkalottleden zich weer samenvoegt met onze route. Het is tijd voor een half uurtje rust. Veel verandert er niet aan het pad dat onbetreden, nauwelijks of niet herkenbaar en zuinig gemarkeerd is. De omgeving is nu helemaal anders maar heeft een zekere charme door zijn ongereptheid en ruwheid. Getekend door de sporen van verdwenen gletsjers, her en der meren en vooral stenen, kolossale stenen. Op de bergflanken liggen nog vrij grote sneeuwvelden waarop groepjes rendieren verfrissing zoeken. Roger kan niet nalaten zijn trekkingsgezel met een sneeuwbal te bekogelen. De moeilijkheidsgraad van het traject heeft ons enthousiasme nog niet afgekoeld. We dalen af naar de vallei van de Čuhčajávri, een wat eigenaardige zijrivier van de Tjäktjajåkka. Hij ligt in een bedding die destijds door een gletsjer van de Kebnekaise is uitgesleten. Soms heeft hij de breedte van een normale rivier en soms lijkt hij eerder op een meer. We zoeken onze weg, bij ontstentenis van enig herkenbaar merkteken. We weten dat we de rivier moeten volgen en ergens oversteken. Waar de rivier terug de allures krijgt van een meer, veronderstellen we dat de stroming matig zal zijn en de diepte gering. Schoenen uit, broek opgestroopt en ‘crocs’ aan steken we zonder problemen de brede waterstrook over. Het is nu 18h40 en we rusten even uit voor we aan de laatste mars van de dag beginnen en een bivakplaats moeten zoeken. Aan de overkant is ook geen pad te vinden. We moeten de rivierbedding blijven volgen. Soms moeten we hogerop een doorgang zien te vinden om de moerassen dicht bij de bedding te vermijden. Een ander richtpunt is de Kebnekaise. De hoogste bergtop van Zweden staat recht voor ons in het oosten, met zijn gletsjertoppen in de wolken gehuld. We sukkelen voort en zoeken ons een bivakplaats. Waar een riviertje naar de Čuhčajávri toeloopt ligt een vrij vlak stuk grasland. Tussen de keutels van weggevluchte rendieren zetten we onze tent. Het is een unieke locatie. Fris en helder water voor de kook en de was. In slaap kabbelend geluid van een lieflijk riviertje. In het verlengde van het dal van de Čuhčajávri torent in het oosten de Kebnekaise door de wolken. Vanuit het westen priemen zonnestralen tussen wolken en bergtoppen door en trekken een gouden streep op de wanden van de voor de Zweden mythische berg. De opstijgende zonnewarmte doet de wolken langzaam over zijn kruin optrekken. Geleidelijk aan zien we de gletsjers te voorschijn komen tot de berg in zijn volle naaktheid al zijn geheimen aan ons bloot geeft. Dan verduistert de zon achter lage grijze wolken. Als we ons avondmaal binnen hebben vallen de eerste lichte avonddruppels en kruipen we mijmerend in onze slaapzak.

Foto’s:
- Het moeras door, op de eerste col op weg naar de Áinnajohka
- Bij de Áinnajohka
- Op de col op weg naar Hukejaure
- Het pad zoekend naar Hukejaure
- Dicht bij de Ráktasjohka
- Bergflank van de Tjuolak
- De laatste col naar de Ráktasjohka
- Dicht bij de Ráktasjohka
- Bloemen tussen water en rotsen
- Over morene tussen Hukejaure en de kruising met de Nordkalottleden
- Bij het Hukejaure
- Even plagen
- Kruispunt Nordkalottleden met pad naar Sitasjaure en Kebnekaise
- In het dal van de Čuhčajávri
- In de verte het Sälkagebergte
- Naast het Sälkagebergte
- Na de oversteek van de Čuhčajávri komt de Kebnekaise in zicht
- Bivakplaats aan de voet van de Kebnekaise
- Laatste streepjes zon op de flank van de Kebnekaise

Dag 8: 4/08/2010. Sälka – 10 km – Alesjaure + 2 km: 37 km.

Onder een zonnige hemel staan we op om 6h00. De top van de Kebnekaise heeft zich weer in de wolken gehuld. Het is het moment om in het riviertje naast onze bivakplaats nog eens een volledig bad te nemen. Fris en verkwikkend. We vervolgen ons pad langs de Čuhčajávri en steken al gauw de hangbrug op de Tjäktjavagge over. Ook hier, bij de brug, zou het een prachtige bivakplaats geweest zijn. We lopen verder richting Kebnekaise en komen aan het kruispunt met de Kungsleden (het Koningspad). Het kruispunt ligt bij een meditatieplaats en aan de westelijke voet van de Kebnekaise. We kunnen de tekst op de meditatiesteen (ARJA OCHA MIN FAT GE MII ARJA) niet echt doorgronden en vragen ons af waarover hier te mediteren valt. Later ontdek ik de waarschijnlijke betekenis: ‘We creëren geen nieuw begin, het is naar ons op zoek’. Deze plaatsen hebben te maken met Dag Hammarskjöld (1905-1961). Een Zweedse diplomaat. Hij was secretaris-generaal van de Verenigde Naties van 1953 tot 1961 en stierf ten gevolge van een vliegtuigongeluk tijdens een vredesmissie in Congo. Hij kreeg in 1961, postuum, de Nobelprijs voor de Vrede. De teksten op de ‘Meditationplats’ komen uit zijn dagboek. Bedenkingen, kleine gedichten en haiku’s. De voorbije dagen ontmoetten we weinig of zelfs geen wandelaars of trekkers. Maar op de Kungsleden treffen we de ene grote groep wandelaars na de andere. De begroeting is steeds: “Hei!”.Het is soms zo druk dat we op de ‘plankjes’ onze beurt moeten afwachten tot de tegenliggers de oversteek gemaakt hebben. Het contrast met vorige week is zo groot dat we spontaan de term ‘massatoerisme’ in de mond nemen. De Kungsleden is dan ook de meest populaire trekkingsroute in Zweden. Iedere Zweed beschouwt het bovendien als een plicht om minstens eenmaal in zijn leven de Kebnekaise te beklimmen. Het pad wordt ook een stuk begaanbaarder en de ‘plankjes’ over de moerassen zijn beter onderhouden. Over de rivieren liggen bruggen zodat niemand zijn voeten hoeft nat te maken. De zon is vandaag volop van de partij en we lopen nu in noordelijke richting in het dal van de Tjäktjavagge dat geprangd ligt tussen het massief van de Kebnekaise en dat van de Sälka. Op beide massieven liggen meerdere gletsjers die talrijke rivieren voeden welke op hun beurt ons pad doorkruisen. We steken een hangbrug over een van die rivieren, de Guobirjohka, komende van de Kebnekaise, over en lopen verder tot bij de eerste stuga, de Sälkastugorna. We installeren ons op een plek wat verwijderd van de drukte omheen de stuga, op wat houten balken, in een stralende zon. Het inspireert Roger om zichzelf op een eerste scheerbeurt te trakteren. Na meer dan een week baardgroei blijkt dat niet zo gemakkelijk te zijn. Het resultaat is maar halfbakken maar voldoende om tussen het soort mensen te komen dat we in deze omgeving ontmoeten. Nadien volgt een klim naar de col tussen de twee bergmassieven. De Tjäktjapasset is het hoogste punt van de Kungsleden op een hoogte van 1125 meter. Ik weet nog dat zich daar een noodhut bevindt. We treffen ze leeg aan. Buiten staan of zitten er nochtans wandelaars maar die weten waarschijnlijk niet dat de hut gebruikt kan worden. In de hut rusten we uit van de forse en lange klim en bezorgen ons een middagmaal. Op deze hoogte is het ondanks de zon vrij koud en waait er bovendien een strakke kille wind. In de hut is het gezellig, met een prachtig uitzicht op het dal langs beide zijden van de col. We krijgen later nog het bezoek van een Zweed die, hoe kan het anders, op weg is naar de Kebnekaise. We geven hem de tip van de unieke bivakplaats aan de voet van de berg. We vertrekken terug om14h20 en treffen nu een veel slechter pad. Kilometers lang is het traject bezaaid met stenen en moeten we over puinhopen van morene. De stuga van Tjäktja lopen we voorbij en komen nu terecht in het dal van de Aliseatnu. Stenen blijven de voornaamste ondergrond van het pad, dat langzaam daalt. We nemen nog tweemaal een rustpauze voor we voorbij de Alesjaurestugorna lopen en daar via een hangbrug de Aliseatnu oversteken. Onderweg lopen we nogmaals een meditatieplaats voorbij met een onvatbare boodschap (MEN FRÅN BORIOM FYLLER NÅGOT MIT VÂTEN MED SITI URSPRUNGS MÔJLIGHET). Het is nu zoeken naar een bivakplekje. Het pad loopt niet ver van en langs het Alisjávri, door moerassig en groen gebied. Met het mooie weer zijn ook de muggen in hun nopjes. Na 2 km vinden we om 20h00 een mooi plekje voor ons bivak, bij een rivier die na vele watervallen komt te sterven in het Alisjávri. In het gezelschap van aandringende muggen maken we snel een avondmaal klaar. Vandaag was het weer uitstekend en de omgeving wondermooi. De mooiste dag tot nog toe. De Kungsleden is, weliswaar geholpen door het weer, zijn naam waardig.

Foto’s:
- De Kebnekaise bij het ontwaken
- De vallei van de Tjäktjavagge
- De Sälka bergketen
- De vallei van de Čuhčajávri
- De vallei van de Čuhčajávri
- Kruispunt van de Nordkalottleden met de Kungsleden
- Op de Kungsleden
- Meditatieplaats op de Kungsleden
- Roger in meditatie
- Ook ik in meditatie
- Op weg naar Sälka
- Bloemen langs de Kungsleden
- Gletsjer op de Sälka bergketen
- Sälkastugorna
- Op weg naar de Tjäktjapasset
- Klimmend naar de Tjäktjapasset
- Op de Tjäktjapasset
- Bij de noodhut op de Tjäktjapasset
- Afdaling van de Tjäktjapasset
- Bloempjes tussen de stenen
- Op weg naar de Tjäktjastugan
- Op weg naar de Tjäktjastugan
- Op weg naar de Tjäktjastugan
- De Kungsleden naar de Tjäktjastugan
- Op weg naar Alesjaure
- In de vallei van de Aliseatnu
- Flank van de Gárddečohkka
- Bergen achter de Gárddečohkka
- Verder in de vallei van de Aliseatnu
- Naar de col naast de Bossosvárráš
- Laatste sneeuw op de bergen achter de Gárddečohkka
- Over de Bossosjohka
- Nog een meditatieplaats
- De Gárddečohkka
- Vallei van de Aliseatnu dicht bij het Alisjávri
- Kruispunt van paden bij Alesjaure
- Alesjaurestugorna
- Het Alisjávri met Samidorp
- Samidorp aan de boorden van het Alisjávri
- Langs het Alisjávri
- Bivak naast een riviertje naar het Alisjávri

Dag 9: 5/08/2010. Alesjaure + 2 km – Abisko via Abisko Östra: 36 km.

Het riviertje naast ons bivak geeft ons de mogelijkheid voor een frisse wasbeurt voor we om 7h15 op pad trekken. Het heeft deze nacht een paar buitjes geplensd en ook deze morgen valt er lichte regen uit de lucht. Niet van aard om ons doornat te maken. Als het even ophoudt droogt de wind alles vrij snel. We geven dit type regen een naam: ‘miezeren’. Het pad loopt verder langs het Alisjávri en we komen terecht in een overwegend moerassig terrein waar weer wat lage begroeiing te vinden is. Waar het Alisjávri versmalt en er even uitziet als een rivier, alvorens weer in een meer over te gaan, is er een aanlegsteiger. Er staat een Samitent. Op aanvraag kan men zich van hieruit per bootje laten overvaren naar de Alesjaurestugorna. Of terug. De tent moet de wachtenden beschutting bieden tegen wind en regen. De afstand van hier naar de stugorna is hoop en al 6 km. Voor de afstand moet men het niet doen en tijdwinst boekt men er ook niet mee. Tegen dat men de bij de steiger geplaatste vlag gehesen heeft, iemand uit het Samidorp aan de overzijde het gemerkt heeft en dan nog met zijn bootje ter plaatse komt zal het grootste deel van de tijdswinst verloren zijn gegaan. Bij natte weersomstandigheden kan het pad naar Alesjaure er zeer slecht en modderig bijliggen. Minder goed geschoeide wandelaars, of wie zijn neus optrekt voor modder, slijk en moerassen, zien we wel een beroep doen op dit gemotoriseerd alternatief. We lopen de tent voorbij en evenzo de noodhut van Rádunjárga die slechts 300m rechts van het pad ligt. Ik had gisteren deze hut nog als mogelijke overnachtingsplaats in gedachten. Om 20h00 waren we daar echter nog 5 km van verwijderd en moe. Ik was ook niet zeker van de toegangsweg vanaf het pad van de Kungsleden naar de hut. Ondertussen klaart de hemel meer en meer uit. Het weer voor de rest van de dag ziet er veelbelovend uit. Voorbij de aanlegsteiger krijgt het meer nu de naam Rádujávri en na nog een vernauwing Miesakjávri. Daar houden we voor het eerst vandaag een rustpauze van een half uur. Het pad begint nu serieus te stijgen terwijl de kwaliteit ervan de dieperik ingaat. Stenen liggen in het pad ingebed en voor iedere stap dient te worden uitgekeken. Op de stenen draaien onze voeten naar alle mogelijke kanten. Het is een kwelling voor de gewrichten en voor de schoenen. Deze laatsten klagen echter niet en zijn nog steeds in voortreffelijke staat. Het pad loopt naar een volgende meditatieplaats. Ik heb nagelaten achterom te zien en na te gaan of Roger wel volgt. Te veel aandacht voor het pad. Bij de meditatieplaats aangekomen heb ik ruimschoots de tijd om te mediteren. Vooral over de zin van het samen op trektocht gaan zonder er voor te zorgen dat men fysisch, binnen bepaalde grenzen in functie van het terrein, contact houdt. Roger heeft een fluitje bij om me desgevallend te verwittigen, maar de afstand was te groot geworden om het fluitsignaal nog te kunnen horen. De meditatieplaats ligt op een hoog punt van waaruit we een prachtig zicht hebben op het meer Abiskojaure. We dalen van hier verder af naar dat meer. Op een mooi plekje, 1 km voor de hangbrug die naar de Abiskojaurestugorna toegang geeft, houden we halt en zorgen voor een middagmaal. Het pad loopt nu verder langs het Abiskojaure dat op het einde versmalt tot een gewone rivier en de naam krijgt Abiskojåhka. Langs de rivier, waar de Nissonjohka erin uitmondt, ligt een kampeerplaats met een schuilhut. We nemen er onze namiddagpauze en wassen de modder uit de pijpen van onze lange broek. We moeten toch wat proper zijn als we straks in Abisko tussen de mensen komen. 100 meter verder verlaten we de Kungsleden en slaan het pad in naar Abisko Östra, dat 2 km ten oosten van het Fjällstation Abisko ligt. De bedoeling is om daar onze bevoorrading voor de volgende etappes in te slaan. Het pad ernaartoe ligt zeer modderig, met grote plassen water. De wasbeurt voor onze broeken wordt al snel ongedaan gemaakt. Een jogger komt ons tegemoet gelopen. Hij is op zoek naar zwammen en geeft ons een uitleg betreffende de hier te vinden eetbare paddenstoelen. We hebben reeds veel van die oranjekleurige paddenstoelen opgemerkt. In het ‘hoedje’ zitten echter dikwijls wormpjes en het is de kunst om er de wormloze exemplaren uit te halen. Als we bijna in Abisko Östra zijn loopt hij ons vanachter terug voorbij en roept ons lachend en welgezind toe: ‘I have my dinner!”. Ik weet dat er in Abisko Östra een grote supermarkt te vinden is, ondanks de schaarse bewoning van dit dorp. De reden hiervoor ligt in Noorwegen. De prijzen liggen daar meer dan de helft hoger dan in Zweden. Daarom komen de Noren massaal, via de weg, vanuit het 150 km verder gelegen Narvik naar hier om hun wekelijkse of maandelijkse inkopen te doen. Het is er steeds zeer druk. Weekdag zowel als zondag. Men kan er betalen zowel met NOKs (Noorse Kronen) als met SEKs (Zweedse kronen). Maar er is geen bank. We kunnen hier dus geen Noorse kronen afhalen. Die zullen we wel nodig hebben voor het vervolg van onze trektocht door Noorwegen. Wij doen er onze inkopen voor de volgende dagen en met een 5kg zwaarder geworden rugzak gaan we over de Rallarvägen naar het 2 km westwaarts gelegen Fjällstation van Abisko. Men is er de voorbereiding aan het treffen voor de Fjällräven klassiek die hier dit weekend wordt gehouden. We zijn net op tijd aan de massale drukte die dat tot gevolg zal hebben te ontsnapt. We gaan hier kamperen in een bosje dat tot het Fjällstation behoort en gaan gebruik maken van de faciliteiten van het jeugdherberggedeelte van het complex. Ik ken hier nog de weg sinds mijn verblijf hier in 2007. Maar eerst gaan we naar het punt waar de Kungsleden begint of eindigt. Voor het obligate kiekje. Onderweg ontmoeten we een uitgelaten groep vrouwen. In uniforme uitrusting van overwegend opvallend blauw. Ze zijn met een stuk of dertig. Ze noemen zich de ‘Israeli Qeens’ en zijn een rondreis aan het maken door het noorden van Finland en stukken van het aangrenzende Zweden en Noorwegen. Joodse vrouwen op tocht zonder hun mannen. Zou dit wel ‘kosjer’ zijn? De manier waarop ze ons begroeten en met ons tateren laat echter vermoeden dat ze alvast geen fundamentele godsdienstovertuiging aanhangen. Integendeel. Het informatiekantoor is reeds gesloten. In het Fjällstation vernemen we dat ook hier geen NOKs te verkrijgen zijn. Ook de broodnodige sleutel voor de Noorse berghutten kan hier niet verkregen worden. We zullen morgen noodgedwongen een reisje naar Narvik moeten maken. Ik wijs Roger de weg naar het jeugdherbergcompartiment waar we beiden een heerlijke warme douche nemen. Daarna gaan we naar de keuken voor ons avondmaal. In de kasten is nog van alles te vinden wat door vorige bezoekers is achtergelaten. Spaghetti en een pakje waaruit ik een ondefinieerbare bruine saus tover. We weten niet precies wat we eten, maar het is alleszins lekker. We laden onze GSM nog eens op. We hebben weer contact met het thuisfront.

Foto’s:
- Samischuilhut bij de aanlegsteiger aan het Alisjávri
- De Adnjetjårrobergen achter het Miesakjávri
- Het Alisjávro richting Alesjaure
- Het Adnjetjårrogebergte
- Samihutten aan het Miesakjávri
- Samihut langs het Abiskojaure
- De Njunesgeahči bergrug
- Het pad naar Abisko Östra
- De bergen van de Tjuonatjåkka waarin de Lapporten zich verbergt
- De Torneträsk
- Twee moedige trekkers aan het einde/begin van de Kungsleden in Abisko
- De Lapporten bij valavond in Abisko
- Valavond over de Torneträsk

Dag 10: 6/08/2010. (Abisko – Narvik – Björkliden) - Lappjordhytta: 27 km.

We staan op om 6h00 en gaan opnieuw eten in de keuken van het jeugdherbergcomplex. Zo vroeg zijn we de enige keukenbezoekers. We vinden er koffie en de gepaste keukenuitrusting voor het zetten ervan. We eten voor het eerst weer brood. Dat hebben we gisteren gekocht voor deze morgen. De receptie van het Fjällstation opent slechts om 8h00. Tijdens het wachten merk ik dat we er een dagticket heen en terug naar Narvik kunnen kopen voor slechts 100 SEK. De trein vertrekt hier om 8h25. Bij weinig passagiers wordt de trein echter vervangen door een autobus. Dat is in deze periode het geval en we hoeven slechts naar de weg te gaan en te wachten aan de bushalte juist tegenover het Fjällstation. De bus is stipt op tijd en zet ons af bij het station van Narvik om 10h00. We genoten van het uitzicht onderweg dat ons het beste laat verhopen voor het vervolg van onze tocht. In Narvik zien we dat er een toerismebureau is in het station zelf. Ik veronderstel dat dit maar een bijbureeltje is van het hoofdbureau dat zich, volgens mijn herinnering aan 2007, wat verder naar het centrum van de stad bevindt. Daarnaar op zoek kan ik het niet terugvinden. Terug naar het station. Daar blijkt het toerismebureau verhuisd te zijn van de stad naar het station. Onze eerste bekommernis zijn NOKs. Er is slechts 1 bank waar men SEK (of andere vreemde munten) kan omruilen naar NOK. De ’Sparebank’. Maar daar kan men geen geld (NOK) afhalen. Daarvoor moeten we naar andere bankinstellingen. De tweede bekommernis is het bekomen van een sleutel voor de Noorse berghutten. Die kan men op het ‘Tourist Office’ bekomen mits een waarborg van 100 NOK indien men lid is van de DNT (Noorse Toeristenvereniging). Anders is de waarborg het dubbel en evenzo alle prijzen voor het gebruik van de hutten. Men aanvaardt eerst ons lidmaatschap van de VHJ (Vlaamse Jeugdherbergen) niet, alhoewel dit een internationaal lidmaatschap is. Onze VHJ-lidkaart is evengoed geldig in de jeugdherbergen van de DNT. Maar blijkbaar niet in de Noorse berghutten. Maar het lidmaatschap van de STF (Zweedse Toeristenvereniging) wordt wel aanvaard. Ik argumenteer dat onze VJH-kaart ook aanvaard wordt door de STF en dus als logisch gevolg daarvan ook geaccepteerd zou moeten worden door DNT. Het helpt niet direct. Ik schakel dan maar over op een zeer onderdanige en meelijwekkende benadering en het lieve meisje aan de balie schenkt ons met de glimlach de DNT-sleutel aan de voorwaarden als waren we leden van DNT. Een onzinnige regel bepaalt echter dat we de waarborg slechts terug kunnen krijgen als we de sleutel terug inleveren op de plaats waar we hem bekomen hebben. Narvik dus. We gaan naar de ‘Sparebank’ om onze resterende SEK en EUR te wisselen. Ik hou nog nog wat SEK over omdat we nog even door Zweden zullen passeren. In het centrum halen we nog een bijkomend bedrag NOK op via bankcontact. We wandelen verder nog eens naar het busstation via een industrieweg. Narvik was, en is nog altijd, een belangrijk centrum voor de productie van ijzererts. De daarbijbehorende infrastructuur overheerst de industriële activiteit in deze stad. Tijdens WO II kwam Hitler hier de grondstof halen dat hij nodig had om zijn militaire machine te voeden. Daarbij gebruikten de Duitsers de spoorlijn die nu nog altijd van Narvik naar Kiruna en verder naar Stockholm loopt en waarlangs wij op de nacht tussen dag 1 en 2 naar Murjek reisden. De weg die hiervoor eerst diende te worden aangelegd, voor het transport van het materiaal en de arbeiders, is de Rallarvägen die we gisteren voor een deel gebruikten. Bij de terugkeer van het busstation hou ik vol dat er buiten de industrieweg geen korter alternatief bestaat naar het centrum. Althans, dat is wat het kaartje uit het toerismebureau me vertelt. Maar Roger vindt een trap die rechtstreeks naar het 2 verdiepingen hoger gelegen centrum leidt en zit daar reeds een tijdje rustig op een bankje te wachten tot ik er kom aangestapt. Een extra training omdat we vandaag toch niet veel kilometers kunnen wandelen. Dicht bij het station is er ook een supermarkt. Daar doen we ons eerst te goed aan een middagmaal van zelf belegde broodjes en kopen weer een brood voor de volgende morgen. We beklimmen nog de hoogste heuvel van de stad waar we een mooi vergezicht hebben op de omgeving van de aan zee gelegen stad. Aan het station wachten we de komst van de trein af. Die is aangekondigd om 15h40. Als het zo laat is zien we nog steeds geen trein het station binnenrijden. We weten niet dat er problemen zijn op het spoor en dat de trein ook nu vervangen is door een autobus. Gelukkig doet de chauffeur nog eens de ronde van het stationsgebouw om ons hiervan op de hoogte te brengen. Ei zo na hadden we laatste ‘trein’ richting Abisko gemist. We zijn de laatsten om in te stappen en moeten op een overvolle bus genoegen nemen met het deksel van een materiaalbak als zitplaats. Bovendien is het snikheet in de bus. De zon zorgt voor een serre-effect, er is geen mogelijkheid om een raam of iets anders open te zetten en er is geen airconditioning. Zeker niet gezellig. Het voordeel van de bus is dat je die kunt doen stoppen waar je maar wilt. Voor zover er een stopplaats is langs de weg. Ik volg de rit aandachtig mee op mijn kaart. Het probleem is echter dat ik slechts een kaart heb voor het deel waar het vervolg van onze de tocht, bij Björkliden, begint. Op het ogenblik dat ik vermoed ongeveer op de goede plaats te zijn is de chauffeur echter in gesprek met de begeleider die eerst ook nog eens onze tickets wenst te controleren. Het gevolg is dat we veel te laat langs de kant van de weg afgezet worden. Ik kan de zendmast van het hoger gelegen treinstation van Björkliden lokaliseren en met behulp van mijn kompas bepalen waar we ons bevinden. We zijn 2 km te ver naar het oosten afgezet en moeten dus zo ver over de baan terug. Dat valt nog mee en na minder dan een half uur vinden we de aansluiting met de Nordkalottleden. Het pad loopt eerst vrij steil omhoog en weer omlaag over een stenige ondergrond. Tot aan de hangbrug over de Njuoraeatnu die naar de Torneträsk loopt. We zweten al onder onze zwaar geladen rugzakken als we bij de brug komen. Maar nu volgt een stuk door berkenbos en over nog meer stenen. Nog steiler bergop en nog steiler bergaf. Tot aan de Pålnostugan. Onderweg begeeft een van Roger zijn wandelstokken het tussen de opgestapelde grote steenbrokken. Hij is er het hart van in. We zijn nu doornat van het zweet. De Pålnostugan ligt nochtans aan de rand van de Torneträsk, even hoog als het punt waar we twee en een half uur geleden begonnen te stappen. Op ongeveer 340 meter. We rusten uit in deze noodhut waar Roger het nodige materiaal vindt om een noodherstelling van zijn stok te doen. Een geluk want hij kan, zeker op dit soort terrein, niet zonder zijn twee stokken. We moeten weer steil klimmen, van 340 meter naar 450 meter over minder dan 1 km, naar het grenspunt tussen Zweden en Noorwegen. Onze intussen wat opgedroogde kleren zijn weer drijfnat van het zweet als we de grens oversteken bij grenspaal 272. Over 800 meter moeten we nu nog eens 100 meter stijgen tot bij de Lappjordhytta. Onze bezwete lichamen krijgen geen respijt. Nu kunnen we voor het eerst onze DNT-sleutel gebruiken. We treffen een luxueuze hut aan. Naast de keuken is er een salon met heuse zetels, eettafel en salontafel. Er staat een houtkachel. In de grote kamer staat een stapelbed. Er zijn daarnaast nog twee kamers met elk 2 stapelbedden. In de keukenkast vinden we nagelaten voedselpakketten waardoor we op onze eigen voorraad kunnen besparen. We zijn de enigen in de hut en maken het er ons comfortabel. We kiezen zelfs elk een afzonderlijke kamer voor de nacht. Een zalig gevoel overvalt ons.

Foto’s:
- Wegwijzer in Narvik
- Vanop de hoogste heuvel van Narvik
- Op de hoogste heuvel van Narvik
- De Torneträsk met daarachter de Lapporten vanuit Pålnostugan
- Zwaar vermoeid bij grenssteen 272 tussen Zweden en Noorwegen
- Op weg naar de Lappjordhytta
- In de verte de bergen van Ruovdoaivvit

Dag 11: 7/08/2010. Lappjordhytta - Gaskashytta: 43 km.

Laat gisterenavond, toen we al aan het slapen waren, kwamen nog 2 trekkers de hut binnen. Hun gestommel bij het klaarmaken van hun maaltijd en hun gebabbel brengen ons uit de slaap. Al even erg is dat Roger om half vijf opstaat en de voorbereidingen begint te treffen om ons ontbijt klaar te maken. Hij begrijpt maar niet dat ik, met een half oog open, in bed blijf liggen. Om half zes sta ik dan toch maar op. Ik vraag Roger waarom hij in godsnaam in het midden van de nacht al wil vertrekken. Hij kijkt me verwonderd aan en beseft dan, na nog eens goed zijn uurwerk bekeken te hebben, dat hij zich van uur heeft vergist. We houden het wat stil om de twee wandelaars die gisteren nog toekwamen niet te storen in de diepe slaap waarin ze nog gedompeld zijn. Door de vergissing van Roger zijn we al om 6h30 op pad. We krijgen meteen een stevige klim voorgeschoteld van 540 meter naar 965 meter, waar we de Ganešbáktipas oversteken. We zitten nu ruim boven de boomgrens. We dalen terug een 100‑tal meter en komen terecht in het dal van de Riksoelva, gevolgd door dat van de Láirevággi. Het gaat op en af tussen bergen aan weerszijden van de vallei. We wandelen op een heuvelend plateau en na elke kim verschijnt er steeds weer een ander en verrassend uitzicht. De wind heeft hier vrij spel en we zoeken een beschutte plek voor onze middagpauze. Die vinden we bij een ‘Rengarde’, een installatie van palen en afsluitdraad om de rendieren samen te drijven, te selecteren en op transport (naar het slachthuis) te zetten. Op zo een transportinstallatie zitten we beschut tegen de strakke wind. Water vinden we in een meer wat lager op 100 meter afstand. Ondertussen laten we onze tenten, nog nat van het bivak in Abisko, drogen in de wind. We trekken nu de vallei in van de Salvvasjohka. Aan de andere kant van de rivier zien we precies iemand langzaam de berg oplopen. Bij nader toezien blijkt het een zwarte beer te zijn. Als hij rechtstaat op zijn achterste poten, om de omgeving af te speuren, leek hij even op een mens geladen met een rugzak. Dan valt hij terug op zijn 4 poten en waggelt, links-rechts met zijn kop wiegend, langzaam de helling op. Na een poosje verheft hij zich weer op zijn achterste poten en speurt de helling af. Als hij na weer een waggelsessie een tiental meter verder geklommen is legt hij zich neer om van de inspanning uit te rusten. We laten hem liggen en zetten onze tocht, langs deze kant van de rivier, verder. Het is zeer zonnig, wat extra kleuren aanbrengt in het landschap en het uitzicht verlengt tot de tegen de blauwe hemel afstekende wit gekamde bergen. We dalen dan af naar het stuwmeer bij Innset, op een hoogte van 472 à 489 meter, afhankelijk van de vulling van het meer. 1 km verder ligt de Altevasshytta. Opnieuw een prachtige DNT-hut die meer weg heeft van een chalet als buitenverblijf in de natuur. We zijn hier alleen. Sinds onze laatste rustpauze hebben we meer dan 3 uur gestapt. Het is dus dringend tijd voor een nieuwe rustpauze en, het is dan 14h30, een tussendoortje. Verder stappend treffen we het ene buitenverblijf, in de vorm van een houten chalet(je) naast het andere. Met elkaar verbonden door paadjes en met nog eens extra paadjes naar de grindweg langs het stuwmeer. We raken al vlug het pad bijster en laveren tussen de vele hutten door naar het eindpunt van de grindweg, waar we het pad van de Nordkalottleden terugvinden. We besluiten door te stappen tot de volgende DNT-hut, 15 km verder. Het pad blijft in het vlakke gebied lopen naast het Altavatnet stuwmeer en steekt dan de Koievasselva over, een van zijn voedende rivieren. Een visser staat er te pronken met een mooie zalmforel aan de haak en roept iets naar me. Ik ga hem opzoeken en hoop dat een praatje hem ertoe kan verleiden om me de vis te schenken. Dat zou een lekker avondmaal opleveren. Maar hij wil me alleen het straffe verhaal vertellen over deze vangst na slecht 5 minuten hengelen. Ondertussen is Roger uit zicht verdwenen en het duurt een hele poos voor ik hem weer bijhaal op de flank van de Lifjellet, naast de boord van het meer. Het is nog ver naar de Gaskashytta en ik probeer Roger te overtuigen om nog een korte rustpauze te nemen. Denkende dat de resterende afstand wel zal meevallen stapt hij verder terwijl ik een kwartiertje extra rust neem. Nog ver voor het overbruggen van de Luotnajohka, 1 km voor Gaskashytta, haal ik Roger in. Hij ziet er niet goed uit. Het vertelt me dat hij zich zeer ongerust maakt wegens de aanwezigheid van bloed in zijn urine. Mogelijk een gevolg van een operatie in december vorig jaar. Daarom wilde hij ineens verder gaan naar de laatste hut van de dag. Hij was echter genoodzaakt om de haverklap te stoppen en wat te rusten om het ongemak te laten wegebben. We gaan op het gemak verder tot aan de Gaskashytta en overleggen wat er ons te doen staat. We hebben geen contactmogelijkheden met de buitenwereld. We kunnen terug naar het stuwmeer, 16 km, en daar wachten op een voertuig dat ons wil meenemen naar Innset en verder naar de bewoonde wereld. Verder stappen betekend nog 120 km tot de volgende interventiemogelijkheid in Kilpisjärvi. We besluiten eerst de evolutie tijdens de nacht af te wachten om dan morgen een beslissing te nemen. Een 20-tal meter beneden de hut stroomt de Fiskløyselva. We gaan er onze kleren wassen en nemen er een bad. In de hut treffen we 2 Noorse koppels aan. Te merken aan hun grote voorraad alcoholische drank en groot assortiment voeding, hebben ze deze hut niet al wandelend bereikt, maar zijn met een boot via het meer en de rivier bijna ter plaatste afgezet. We begrijpen dat de DNT-hutten ook gebruikt worden als vakantieverblijf. Zoals wij een chaletje in de Ardennen zouden huren. Voorwaarde is wel dat de hut redelijk gemakkelijk bereikbaar is. Verder volstaat het de sleutel (alle DNT-hutten hebben een identieke sleutel) te huren. Lid zijn van DNT hoeft zelfs niet, maar dan betaalt men wel alles dubbel. De hutten zijn verder onbewaakt. Er liggen de nodige documenten om de betaling te doen (overschrijvingsformulieren, creditcarddocumenten). Eventueel kan cash betaald worden in een zakje dat in een soort afgesloten spaarpot gedeponeerd kan worden. In vergelijking met onze Noorse gezellen eten we een sobere maaltijd en genieten van een zalig bed.

Foto’s:
- Centrale houtkachel in de Lappjordhytta
- Stapelbedden in de Lappjordhytta
- Keuken en eetplaats in de Lappjordhytta
- Salon van de Lappjordhytta
- De Lappjordhytta
- De Čáhppesbákti bergrug
- De pas langs de Ganešbákti
- 'Steenmannetje' als markering op weg naar de Ganešbáktipas
- De valei van de Riksoelva naast de Čáhppesbákti
- Rendieren op een sneeuwveld van de Čáhppesbákti
- Het pad voorbij de Čáhppesbákti
- Afdaling naar de vallei van de Riksoelva
- In de vallei van de Riksoelva
- Oversteek van de Riksoelva
- Gletsjer op de Čáhppesbákti
- Gletsjers op de Čáhppesbákti
- Door de Láirevággivallei
- De Láirevággivallei
- Noors merkteken in de Láirevággivallei
- De Salvvasjohka
- Het stuwmeer bij Innset
- Afdaling naar het stuwmeer bij Innset
- De Lifjellet achter het stuwmeer bij Innset
- Afdaling naar de Koievasselva
- Oversteek van de Koievasselva
- De monding van de Koievasselva
- Avondzon op de Čoalbmoaivi

Dag 12: 8/08/2010. Gaskashytta - Dividalshytta: 39 km.

Zoals steeds zijn we om 6h00 uit de veren en kunnen om 7h00 al op stap. Roger heeft een goede, normale nacht achter de rug en we besluiten onze trektocht volgens plan verder te zetten. De ongerustheid over zijn gezondheid moet het onderspit delven tegen de gedrevenheid en het enthousiasme om deze ‘tocht der tochten’ te voltooien. Van de hut loopt het pad omlaag naar de hangbrug over de Fiskløyselva, over een met berken beboste helling. Een ideale habitat voor muggen. Het mooie, windstille weer heeft deze lieve diertjes hoopvol gestemd en ze zwermen meteen in toenemende horden rondom ons. Ze appreciëren de lekkere hapjes die een wandelaar hen te bieden heeft. We wapenen ons met muggenzalf of –pasta. Het ene al wat effectiever dan het andere, maar Roger blijft het geliefkoosde doelwit van de prikkers. Bij de Fiskløyselva gekomen merken we dat de brug is weggespoeld. De rivier stroomt daar kolkend en woest door een versmalling tussen twee rotsmuren. Iemand heeft er een paar berkenstammen overgelegd, als noodbrug. Maar zonder verder houvast betekent een poging tot oversteek op dit wankel, doorbuigend en ongelijk rondhout zo goed als een poging tot zelfmoord. Het kolkende water stroomt een 5-tal meter dieper en zou ons bij een val meters meesleuren. Met een rugzak van 25 kg op de schouders komt men waarschijnlijk nooit meer tijdig boven water om een verdrinkingsdood te vermijden. We volgen dan maar het advies dat op een klein bordje staat aangegeven. Dat behelst het stroomafwaarts volgen van de rivier over een afstand van 2 km en hem dan proberen te doorwaden. De oevers van de rivier zijn begroeid met berkenbos. Er is daar natuurlijk geen pad te herkennen en de doorgang door het dichte bos vordert tergend langzaam. We zien het niet zitten om dat 2 km lang vol te houden en blijven dicht bij de oever, speurend naar een mogelijkheid om de rivier over te steken. Na 300 meter wagen we onze kans waar de Fiskløyselva al ruim breder geworden is en we denken de stroming, met behulp van onze stok(ken), aan te kunnen. De ‘crocs’ vervangen onze schoenen en bewijzen nogmaals het nut van dit goedkoop en licht schoeisel. Aan de overkant drogen we onze voeten en kleden ons weer aan zoals het een trekker behoort. Het pad vervolgt in de vallei van dezelfde rivier die nu van naam verandert in Gaskkashjohka. We nemen een half uurtje rust vooraleer we de klim aanvangen naar de 1000 meter hoge col tussen de Čoalbmoaivi en de Gaibagáisi. We moeten langzaam klimmen, van steen naar steen, om op de col en de relatieve vlakte daarna nog meer stenen aan te treffen. Dat blijft zo tot we de grens van het ‘Dividal Nasjonalpark’ overschrijden. We nemen er rust. Roger voelt weer de symptomen van het gisteren opgedoken probleem en zijn blik staat op bedenkelijk. We vertrekken terug om 12h00. Het traject blijft bezaaid met stenen en loopt tussen meren verder langs het dal van de brede Geibbajohka. Om 12h45 bereiken we reeds de Vuomahytta. Er is niemand daar om ons te storen in het bereiden van ons middagmaal en het genieten van een lange rustpauze. Om 14h00 vertrekken we voor een stukje bergop om daarna te dalen naar de Anjajohka. Het pad loopt nu weer door berkenbos en is vooral modderig. Dat over zo’n 7 km. Het is hier echt niet aangenaam stappen. Op het punt waar de Vuomajohka uitmondt in de Anjajohka is er een hangbrug. Aan beide zijden van de hangbrug is er een mooie plek om te bivakkeren. Op beide plekken ligt zelfs een stapel hout om een kampvuur te maken. Bij de plek voor de brug is ook een (verroeste) boogzaag en een bijl voorhanden. Roger wil dit plekje op foto vastleggen met mezelf actief als houtkliever. De steel van de plaatselijke bijl die ik daarbij hanteer is een stuk korter dan deze van mijn eigen bijl thuis en daar heb ik geen rekening mee gehouden. In plaats van het hout te klieven scheert de bijl langs en voor de houtblok door, schuift uit mijn handen en vliegt door mijn openstaande benen. Ik besef meteen dat ik enorm veel geluk gehad heb. Had de bijl mijn been geraakt dan had dit voor mij het einde van de tocht (en misschien nog erger) betekend. Weer een les geleerd: niet (te) onnozel doen! Voorbij de brug heeft men het traject hertekend. Het pad verlaat nu de modderige groene zone en loopt op de steile rand naast de dieper stromende Anjajohka. We passeren enkele mooie watervallen. Na 6 gesmaakte kilometers komen we terug op het oude tracé en komt er ons een jong koppel tegemoet. Blijkbaar uit Schotland, afgeleid uit de gerokte jongeman. De kiltdrager blijkt echter een Duitser te zijn en vraagt ons of we geen mooie bivakplaats kennen. Ik verwijs hem naar de plaatsen aan de brug over de Vuomajohka en raad hem aan voorzichtig te zijn met de bijl die daar te vinden is. We steken de hangbrug over de Divielva over en volgen nu de loop van deze rivier. Tot onze verbazing komen we nu terecht in een bos met overwegend dennenbomen. Zolang we langs de rivier lopen moeten we zoeken tussen bomen en stenen en over vele modderige stroken van riviertjes die naar de brede Divielva toelopen, naar het goede pad. Hier en daar zien we op de bomen geverfde rode markeringen die ons bij deze zoektocht helpen. Dan draait het pad plots van zuid naar oost en moeten we 220 meter stijgen over een afstand van anderhalve kilometer. Het zweet parelt al gauw op ons voorhoofd. De grote stenen tussen de dennen maken het klimmen moeilijk. Het pad is bijna niet te herkennen en vereist al onze aandacht. Halfweg, op een open plaats met een mooi uitzicht, treffen we een joelende groep jonge knapen aan. Het is warempel de groep Duitse scouts die met ons op de trein naar Murjek zat. Ze zien er nog gezond en weldoorvoed uit. Zij dalen verder af, terwijl wij de lastige klim nog moeten verder zetten. We zijn nog maar halverwege en hebben de indruk dat hier geen einde aan komt. Ik begin zelfs te twijfelen of er wel een hut staat. Of zijn we die misschien onachtzaam voorbij gelopen? We moeten voortdurend, al klimmend, stenen en takken zien te omzeilen. Plots loop ik hard met mijn hoofd tegen een zware tak aan die juist boven mijn gezichtsveld, op de hoogte van mijn voorhoofd hing. Roger kon er gemakkelijk onderdoor en ik had hem niet gezien. Ik moet even op mijn handen steunen tot de duizeling voorbij gaat. We zijn meer dan opgelucht, maar drijfnat van het zweet, als we dan toch de Dividalshytta bereiken waar we zullen overnachten. Roger ziet nog steeds af maar is vastbesloten door te zetten, hopend op beterschap. Ik probeer hem op te monteren met een grote kop thee, maar die blijkt hem helemaal niet te smaken. Tengevolge van de duizeling in mijn hoofd, na de onzachte aanraking met een dennenboom, heb ik de thee op smaak gebracht met een grote hoeveelheid zout die ik in de keukenkast gevonden had. Ikzelf heb wel iets gesmaakt maar toch mijn thee uitgedronken! Ik ga dan maar snel een bad nemen aan een ijskoude bron bij de stuga om weer tot mijn positieven te komen.

Foto’s:
- Rustpauze voor het afdalen naar het dal van de Gaskkashjohka
- Op weg naar de col tussen de Čoalbmoaivi en de Gaibagáisi
- Over de col en afdalend naar de Geibbajohka
- In het dal van de Geibbajohka
- De Gaibagáisi
- Aan de grens van het Dividal Nasjonal Park
- Langs de Geibbajohka op weg naar Vuomahytta
- Het Vuomajávvri en de Vuomahytta
- Gletsjer op de Gaibagáisi vertrekkend van de Vuomahytta naar de Anjajohka
- Afdalend naar de vallei van de Anjajohka
- Door de berkenbossen langs de Anjajohka
- Bivakplaats bij de Vuomajohka
- De Anjajohka stroomt naar de Divielva
- De Divielva stort zich naar beneden
- De Divielva boort zich een weg tussen de rotsen
- De Divielva
- Zijrivier van de Divielva
- De Divielva

Dag 13: 9/08/2010. Dividalshytta – Rostahytta – 6 km: 36 km.

Zoals gisteren voelt Roger zich, na een rustige nacht, terug fit en kiplekker. We vertrekken om 7h30 en worden onmiddellijk geconfronteerd met een forse klim. Dit is gewoon het vervolg van de eindklim van gisterenavond. We klimmen het bos uit van 570 meter naar 920 meter over een afstand van 1500 meter. Een stijgingspercentage van bijna 20%. Bovendien hangt er een dichte mist. We lopen ons snel in het zweet. Eens boven komen we weer terecht in een omgeving vol stenen. De mist verdunt nauwelijks zodat we, speurend naar ‘steenmannetjes’, traag vorderen. We ronden de flank van de Litje Jerta en moeten nog verder, maar minder steil, blijven klimmen tot 1000 meter. De steenstroken worden afgewisseld met moerasgebied waarin we tot op onze enkels wegzakken. Dan dalen we naar een vallei met links de Litle Jerta en rechts de Jerta. De mist dunt verder uit maar blijft als een grijs deken over de bergtoppen hangen waardoor veel moois in dit prachtig dal voor onze ogen verborgen blijft. 1 km voor we een brede rivier oversteken nemen we rust. Aan de overkant ronden we dan de scherpe flank van de Stuora Nanná na weer 100 meter te zijn geklommen en dalen af naar een moerassige vallei waarbij het pad tussen twee meren doorloopt. Daarna volgt weer een col waarachter de Dáččavággi loopt. Bij de rivier vinden we een ideale plek, op de relatief vlakke rotswanden, voor onze middagpauze. Het pad loopt dan door een dal met verschillende meren die elkaar opvolgen. Voor we de Daertahytta bereiken moeten we nog maar eens door een moerassig gebied. We bereiken de hut om 15h00 en pauzeren er een half uurtje. We hebben de rust meer dan nodig. Daertahytta ligt op 720 meter en we moeten klimmen naar 1030 meter. Over een afstand van 4 km. Een gemiddeld stijgingspercentage van 8%. Maar er zijn natuurlijk een paar zeer steile stukken bij. Daarenboven loopt het pad volledig over losse stenen en op de top bereiken we een schier eindeloos stenenveld waar we pas 3 km verder van verlost worden. We steken dan de Gassavákkejohka over en lopen er langs 2 meren. De zware klim en het gevaarlijke en moeilijke pad eisen hun tol en we moeten, zwaar vermoeid, een rustpauze nemen bij de Gassavákkejohka. Roger heeft het nog steeds moeilijk maar er schijnt nu toch enige beterschap te zijn in vergelijking met gisteren en zeker ten opzichte van de manifestatie van het probleem op het einde van dag 11. De hemel is ondertussen wat uitgeklaard en schenkt ons mooie vergezichten. Het doet ons de stenenmiserie relativeren en aanvaarden als een noodzakelijk kwaad. Vanaf hier gaat het pad hoofdzakelijk in dalende lijn, en we zien de bergmassieven van Goahtemuorgáisi en Moskángáisi die zich achter Rostahytta verheffen. We gaan niet meer verder naar de Rostahytta. We vinden een mooie bivakplaats bij de Áslatjohka. We zetten onze tenten aan deze kant van de rivier en zullen hem morgen eerst doorwaden alvorens onze schoenen aan te trekken. Het is trouwens geleden van Abisko, dag 9, dat we nog eens in onze tent hebben geslapen.

Foto’s:
- Eerste rivier na de klim vanuit Dividalshytta
- Afdaling naar de meren bij Unna Nannáš
- Het pad loopt tussen de meren van Unna Nannáš
- Op weg naar de Dáččavággi
- Het pad naar Daertahytta
- Terugblikkend naar Daertahytta
- Begin van de klim vanaf Daertahytta
- Naar de col
- Links en rechts nog sneeuw op de col
- De laatste meters op de col
- Afdaling over een steentapijt naar de Gassavákkejohka en zijn meren
- Op weg naar de Áslatjohka
- De Regoheapnibergen
- De Moskángáisibergen
- Bivak bij de Áslatjohka

Dag 14: 10/08/2010. Rostahytta – 6 km - Kuohkimajärvi: 38 km.

Alvorens onze schoenen aan te trekken, waden wij door de ijskoude Áslatjohka en maken ons aan de overkant klaar voor wat komen gaat. De zon is reeds vroeg van de partij en we kunnen ten volle genieten van de mooie omgeving. Na anderhalf uur bereiken we de Rostahytta waar we even rusten en ons een warme thee klaarmaken. Als we willen vertrekken is Roger, die zich overigens weer goed voelt, zijn pet van Zwijndrecht kwijt. Zonder ons identiek kenteken kunnen we ons niet op pad begeven. Een intensieve zoekactie kan het hoofddeksel lokaliseren onderaan in de rugzak van Roger. Vanuit de Rostahytta, die gelegen is aan de overkant van de Iselva, volgen we deze laatste rivier naar het oosten. Na 1 km splitst het pad zich in een tak die naar het noorden loopt en een tak die verder naar het oosten de Iselva even volgt maar zich dan meer en meer van zijn oevers verwijdert naar de rand van het Moskánjávri. Het pad is redelijk begaanbaar met een paar moerassige stroken in de omgeving van het meer. Halverwege het meer is er weer een splitsing en de Nordkalottleden buigt er af naar het noordoosten. De afstand naar de Pältsastugan is 19 km in plaats van 12 km zoals op mijn plan staat aangegeven. We nemen daarom een middagpauze als we ongeveer bij het einde van het meer zijn. We steken nog eens een rivier over en lopen al stijgend over de grens met Noorwegen terug Zweden binnen. Daarna daalt het pad weer af naar de Bealčánjohka waarover gelukkig een brug ligt. Aan de overkant ligt de Pältsastugan. Het pad tot aan de stuga was totaal verschillend van aard met dat van gisteren, maar niettemin zeer mooi. De stugward, een oudere man, staat ons hier op te wachten en blijft steeds in onze buurt rondhangen. Alsof hij ons niet vertrouwd of misschien een extraatje wenst te krijgen. In de hut maken we onze lunch klaar. Ik vind in de kast macaroni en een plastiek zakje met gedroogde erwten. Bovendien staat er een fles met geconcentreerd vruchtensap. Ik krijg de erwten niet echt gaar. Maar de maaltijd, met een glaasje aangelengd vruchtensap waarvan we ons inbeelden dat het wijn is, smaakt wel. Het pad loopt nu steeds bergop, soms flink bergop, en bergaf. Het steekt verschillende rivieren over, loopt rakelings langs een paar meren en splitst zich dan in twee delen. Het eerste loopt naar Golddaluokta, aan het Golddajärvi bij Kilpisjärvi. Daar kan men misschien een boot nemen naar Kilpisjärvi. Maar dat is niet zeker. We kiezen voor de andere route die naar het drielandenpunt Zweden-Noorwegen-Finland loopt en verder naar de hut van Kuokkimajärvi in Finland. Dat betekent eerst een stevig klimmetje, gevolgd door een lange afdaling tot bij Treriksröset (drielandensteen). Op minder dan 2 minuten kom ik 2-maal ten val. Eerst op wat uitstekende stenen. Zonder erg. Dan op gladde ‘plankjes’ waarbij ik met mijn derrière in het water van het moeras terecht kom. Tegen dat Roger me heeft recht getrokken loopt het water uit mijn broek. Wat betreft het aantal valpartijen is mijn voorsprong op Roger nu opgelopen tot 5-3.We moeten even zoeken naar het paadje dat naar de grenssteen, die in een meer gelegen is, leidt. We pauzeren even bij het grensmonument en nemen er de obligate foto’s. Daarna trekken we verder op zoek naar de hut. Die bevindt zich in Finland en we maken voor het eerst kennis met het Finse huttensysteem. Deze bestaan uit twee delen: de Varaustupa en de Autiotupa. De Varaustupa is afgesloten en kan gehuurd worden. De Autiotupa is open en vrij toegankelijk. Men treft er een kleine keuken, tafel, stoelen en een houtkachel. Op een van de vloer wat verheven houten vloer kan men slapen. De vloer heeft ongeveer de diepte van een slaapzak en de breedte voor 4 slapers. Soms is er nog een tweede slaapvloer boven de eerste. Buiten vindt men water, hout en de veldtoiletten. In de Autiotupa treffen wij twee Oostenrijkers, Andre en Stefan, die het stuk tussen Saraelv en Kilpisjärvi hebben gebypassed langs de weg, deels liftend, deels met de bus. Ze zeggen ons dat het deel tussen Kautokeino en Saraelv zeer nat en drassig is. Ze hebben eten bij voor 10 dagen maar hebben geen kaart voor het stuk van hier tot de Pältsastugan. Ik laat hen mijn kaarten van dit deel achter, we hebben die nu niet meer nodig, en we geven hen enkele tips over de moeilijkste stukken en de mogelijke bivakplaatsen. Met ons vieren vullen we juist de houten slaapvloer.

Foto’s:
- Op weg naar Rostahytta
- De Láglikkaberg op weg naar Rostahytta
- Het pad naar Rostahytta
- Het pad naar Rostahytta
- Een laatste col naar Rostahytta
- Rostahytta bij de Iselva
- De Isdalsfjella achter Rostahytta
- Gletsjer op de Moskángáisi
- Oversteek van de Iselva
- Op weg naar het Moskánjávri
- Op weg naar het Moskánjávri
- De bergrug van de Moskángáisi
- De Juoksavátnjunnibergrug
- Het Moskánjávri
- De Pältsan
- Op weg naar de Pältsastugan
- Rendieren op het pad bij het verlaten van Pältsastugan
- Langs het Ruovddášvággejávri
- Nog 6 km naar Finland
- Het pad naar Treriksröset
- Afdaling naar Treriksröset
- Treriksröset ligt tussen het Kilpisjárvi en het Golddajárvi
- Wegwijzer bij Treriksröset
- De Treriksröset
- Gedenksteen aan de opening van de Kalottireiti (Nordkalottleden)
- Het Golddajárvi achter de Trerikksröset
- Bij de Treriksröset

Dag 15: 11/08/2010. Kuohkimajärvi - Kuonjarjohki: 36 km.

We keren van de Autiotupa terug naar de plaats waar de wegwijzers ernaar staan. Door het bos omhoog loopt iets wat op een kilometerslange brandgang lijkt. Langs de ene kant is die afgesloten met een 2 meter hoge draadafsluiting. Het is de grenslijn tussen Finland en Noorwegen. De afsluitdraad heeft niet als bedoeling om smokkelaars of landverlaters tegen te houden. Hij heeft als doel de Finse rendieren in Finland te houden en de Noorse in Noorwegen. We lopen langs die grens iets meer dan een kilometer omhoog en draaien dan naar het oosten. We blijven stijgen en komen aan de voet van de Iso-Malla berg boven de boomgrens. Van daar lopen we naar de Pikku-Malla en draaien het bos weer in om af te dalen naar het Siilasjärvi. We steken de verbindingsrivier met het Kilpisjärvi over en bereiken zo de weg (E8). Langs de weg is het 2 km naar het Kilpisjärvi Tourist Station. We zijn nu net over de helft van onze geplande tocht. Na Ritsem en Abisko is dit het derde belangrijke tussenpunt. Er valt dus iets te vieren. We doen dat in het Tourist Station met een kop koffie en een bijhorend stukje taart. Gelegenheid om nog eens contact op te nemen met het thuisfront. Alhoewel ik binnen het bereik zit van een Finse gsm-operator, krijg ik mijn sms’jes niet verzonden. Telefoneren met het thuisfront lukt wel. Ik vermoed dat mijn sms’jes te lang zijn en daarom niet ondersteund worden door de Finse applicatie. Ik snij mijn sms’jes in 2 delen en probeer die dan telkens in 2 opeenvolgende transmissies over te seinen. Het lukt. Veel werk uiteraard want sinds Innset is het geleden dat er nog gsm-bereik was. Eigenaardig toch dat in Finland de lengte van de sms-berichten beperkt is. In Noorwegen en Zweden had ik dit probleem niet. Maar ik vermoed wel dat de Noorse operator voor de langere sms’jes een dubbel of drievoudig tarief aanrekent. We bespreken ook de gezondheid van Roger. Die is blijven verbeteren en van de angstige ogenblikken toen we Innset voorbij waren is geen sprake meer. De toestand is zo goed als genormaliseerd. We besluiten verder te trekken en het thuisfront niet te verontrusten met nieuws of berichten hierover. Ik maak Roger wel duidelijk dat het volgende ‘ontsnappingspunt’ 200 km verder ligt, in Kautokeino. Of eventueel in Saraelv, na 100 km, als we daar tenminste transport zouden vinden. We stappen verder langs de E8 tot het 6 km verder gelegen commercieel gedeelte van Kilpisjärvi. Een supermarkt, een gereedschaps- en bouwmarkt, een tankstation en een paar restaurants. De Oostenrijkers hebben ons verteld dat we hier een lunchbuffet kunnen krijgen voor de prijs van 12 euro. Langs de weg hebben we daar al reclameboodschappen voor gezien. Maar eerst doen we onze inkopen voor de volgende 6 stapdagen. Roger gaat op het laatst ons inkoopmandje nog aanvullen met 2 ‘AA’ batterijtjes. Zijn fototoestel heeft blijkbaar een stroomlek ten gevolge van de natte eerste dagen waardoor de batterijen ervan in versneld tempo leeglopen. Buiten stelt hij vast dat hij voor die 2 povere batterijtjes maar liefst 12 euro betaald heeft. Het blijken herlaadbare batterijen te zijn. Hij loopt snel de winkel weer binnen en veroorzaakt heel wat frustraties aan de kassa. Uiteindelijk komt hij, met 10 euro teruggave, buiten met het goede spul. We proppen onze rugzak vol en gaan een aanpalend restaurant binnen waar ook een lunchbuffet aangeboden word voor 13 euro. Niets ontbreekt op de buffettafel, integendeel. Soep, een assortiment koude groenten, steak van rendier, kip, vis, rijst, pasta, gekookte en gebakken aardappelen. We kunnen onze ogen niet geloven en leggen meermaals de afstand af tussen onze tafel en het buffet. We verwennen ons niet alleen kwalitatief maar ook culinair. Het is allemaal super lekker en smaakt ons enorm. Drank is eveneens in de buffetprijs inbegrepen, evenals de koffie. We worden niet scheef bekeken. Integendeel. De diensters zijn blijkbaar verheugd te zien dat het ons meer dan smaakt. Maar nu zitten we niet alleen opgezadeld met een volle rugzak, maar ook nog eens met een volle maag. Benieuwd hoe dat zal aflopen. We moeten even zoeken naar het toegangspad naar de Kalottireiti die 1 km verder langs de E8 naar het noorden loopt. De Kalottireiti is de Finse benaming voor de Nordkalottleden. Na een goede kilometer over een stenig pad door bos bereiken we, bij het Tjahkaljävri, de Kalottireiti. De markering is hier weer anders. In Zweden werd gemarkeerd met ‘steenmannetjes’ en/of een oranje verfplek. In Noorwegen met ‘steenmannetjes’ of een rode ‘T’ of verfplek. In Finland gebruikt men houten, vierkanten paaltjes die ongeveer een halve meter uit de grond steken en waarop een klein schildje van de Kalottireiti bevestigd is (als het niet door souvenirjagers werd weggenomen). De paaltjes staan ongeveer om de 100 meter. Ook tussen de steenhopen is men er in geslaagd om paaltjes neer te poten. We stijgen en komen weer boven de boomgrens. Bij het Čoahppejávri komen we weer even in Noorwegen, niet langer dan 1 km. Langs dat meer is het niet ver meer naar de Autiotupa van Saarijärvi. Het valt ons op dat de hogere gletsjers uit het landschap verdwijnen. De weinige trekkers die we tegenkomen zijn ook vooral Finnen. Ze vragen ons ook meestal of we naar ‘Halti’ gaan. Het is ons volstrekt onduidelijk wat dat te betekenen heeft. Later leren we dat de ‘Halti’ de hoogste berg van Finland is, gelegen in de noordwestelijke punt van Finland op de grens met Noorwegen. Zoals iedere Zweed eens in zijn leven de Kebnekaise op moet, zo moet iedere Fin voor zijn dood toch eens op de Halti gestaan hebben. En deze Halti ligt een tiental kilometers ten noorden van het punt waar de Kalottireiti afzwaait naar het oosten en Noorwegen. We trekken nu over een licht golvend landschap, met veel stenen die het stappen ernstig bemoeilijken. We pauzeren even in de hut waar een tiental Finnen zijn samengetroept. Deze mensen zijn alles behalve vriendelijk, niet bereid tot een gesprek en vermoedelijk niet gelukkig met de extra bezoekers en gebruikers van keuken en misschien ook slaapvloer. Misschien praten ze gewoon geen Engels. Na wat warms te hebben gedronken gaan we verder naar het doel dat we ons vandaag stelden: de Autiotupa van Kuonjarjoki, nog 9 km. De zon is zowat verdwenen en er staat een strakke noordenwind. De temperatuur is nu bijna tot het vriespunt gezakt en we moeten onze kledij aanpassen. Goed ingeduffeld kunnen wij ons al stappend nog juist warm houden. Het terrein ligt vol verraderlijke stenen. Ik loop vlak achter Roger, raak een grote steen met mijn linkervoet en kom zwaar ten val, met mijn rechterknie op een andere steen. Ik voel direct dat het ernstig is. Ik roep naar Roger die me niet hoort wegens de strakke wind en de kap die hij over zijn hoofd heeft als bescherming tegen de kou. Ik zie hem de helling afdalen en uit zicht verdwijnen. Ik blijf liggen en maak mijn rugzak los. Als ik mijn broek omhoog stroop zie ik een diepe wonde in het midden van mijn knieschijf. Het bloed loopt eruit. Ik open mijn rugzak, haal er alle spullen en dozen uit en neem mijn verbanddoos. Ik giet de wonde vol met een ontsmettingsmiddel en plak ze voorlopig en stevig af om het bloeden te stelpen. Al liggend vul ik terug mijn rugzak en probeer dan recht te staan. Het lukt. Ik probeer mijn knie te plooien en dat lukt ook. Als ik mijn rugzak terug over mijn schouders gooi zie ik Roger terug te helling komen oplopen, ongerust wegens mijn lang wegblijven. Ik begin onmiddellijk te stappen om te vermijden dat de knie stijf wordt. Dat lukt ook. Met wat pijn, een beetje hinkend en onzeker. Over een pad dat bezaaid blijft met stenen bereiken we voorzichtig de Autiotupa van Kuonjarjoki. Opnieuw die afstandelijke Finnen, maar toch ook een jong koppel waarvan het meisje voldoende Engels spreekt voor een gezellige babbel. We bereiden eerst ons avondmaal en daarna doe ik een grondige inspectie van mijn knie. Ik was de wonde nog eens uit en ontsmet ze. De snede is 5cm breed en behoorlijk diep. Het zal een litteken blijven. Het bloeden is nagenoeg opgehouden. Ik plak alles dubbel en dik af. Ik heb geluk gehad. Was de knieschijf geraakt, dan betekende dit het einde van de tocht. Maar hoe zou ik hier weggeraakt zijn? Er is hier geen enkele mogelijkheid tot communicatie. Iemand had moeten terugkeren naar Kilpisjärvi om daar hulp te zoeken. Maar dat blijkt gelukkig niet nodig. Afwachten wat dat morgen zal geven. Er zijn een drietal slaapvloeren in de Autiotupa. Roger heeft een slechte keuze gemaakt en probeert te slapen naast een gewichtige Fin. Die snurkt er de hele nacht op los. Een echte kampioen in dit vakgebied. Roger vlucht midden in de nacht noodgedwongen naar een sas aan de ingang van de Autiotupa, waar hij voor het overblijvend deel van de nacht zalig wegdroomt in de armen van Orpheus.

Foto’s:
- De Kalottireiti loopt langs de grens tussen Finland en Noorwegen
- De Finse hutten
- Wegwijzers van de Kalottireiti bij Kuohkimajärvi
- Mist over het Golddajävri
- Finse markering van de Kalottireiti
- Waterval op weg naar Kilpisjärvi
- Riviertje vanuit de Iso-Malla met waterval
- Het Kilpisjärvi
- Schuihut bij de Pikku-Malla
- Rendieren op de Pikku-Malla en de E8 in de verte
- Rendieren op de Pikku-Malla
- Beneden bij het Kilpisjärvi
- Kalottireitimerkteken op weg naar Saarijärvi
- Bij het Čoahppejärvi
- Links van het Čoahppejärvi
- Even terug naar Noorwegen

Dag 16: 12/08/2010. Kuonjarjohki – Somashytta: 32 km.

We staan om 6h00 op en proberen zo stil mogelijk ons ontbijt klaar te maken, ons boeltje op te ruimen en in te pakken. Er zijn nog 6 slapenden in de hut en die maken nog geen aanstalten om hun slaapzak uit te kruipen. Mijn knie is een beetje stijf. Ik kan hem goed plooien en de pijn daarbij is matig. Het zal me dus wel lukken om verder te stappen. Buiten is het helder en vrij zonnig. Maar ijzig koud. De periode van vriesnachten is aangebroken. Het pad loopt op en neer. Het is minder stenig dan wat we de laatste tijd gewoon zijn en we vorderen vlotjes. We dalen dan af naar het Skadjajärvi waar de hutten staan van Meekonjärvi. Er staan hier meerdere hutten. Een paar ervan zijn Varaustupas waarvan er één in gebruik is door een gezin. Die komen hier vissen in de meren aan de voet van de hutten. Bij een gesloten Varaustupa gaan we schuilen voor de koude wind en proberen ons wat op te warmen. De Autiotupa ligt hier een 500 meter vandaan. Nu wordt het pad weer erg stenig. We moeten verder tussen een steile rotswand en het Meekonjärvi. Van een pad is voorlopig geen sprake meer. We moeten weer van steen tot steen springen. We doen het zeer voorzichtig maar toch kom ik weer ten val. Zonder erg. Ook Roger maakt kennis met de harde ondergrond, ook zonder zich te kwetsen. Het pad blijft de bergflank ronden en loopt verder in het dal van de rivier die van het Meekonjärvi naar het volgende meer loopt, het Vuomskasjärvi. Daar steken we een nijdige bergflank over en dalen weer naar het grote Pihtsusjärvi. Langs de oever van het meer lopen we verder tot de Autiotupa met dezelfde naam. Het is dan 12h30 en we gebruiken de hut voor onze middagpauze. Roger haalt water bij het meer. We vinden weer ons eten in de kast: erwtensoep en pasta. Buiten een jong duo, dat nietsdoende op het terras van de hut zit, zijn we alleen. Het is nog steeds bitter koud wegens de noordenwind die hier van over het meer vrij spel heeft in de langgerekte vallei. De Finnen zijn van hieruit allemaal vertrokken naar de Halti die we in de verte zien opdoemen. Hij ligt hier ongeveer 15 km vandaan, richting noord. Wij gaan hier echter verder naar het oosten. We komen dan ook geen wandelaars meer tegen. De Kalottireiti tussen Kilpisjärvi en Pihtsusjärvi wordt bijna uitsluitend bewandeld door Finnen op weg naar en terug van de Halti. Meteen wordt ons een stevige klim voorgeschoteld. Er staat nog steeds een koude wind. Toch valt het wandelen best mee want de zon blijft ons gezelschap houden. Na de klim volgt een al even stevige afdaling naar het Čahppesjávrrit. Uit dit meer baant een rivier zich een weg door een canyon. Ons pad loopt een honderdtal meter van de rand van de canyon en we horen het onstuimige bruisen van het water. Als we dichterbij komen zien we een prachtige waterval. De canyon verbreedt zich dan en laat ons in zijn vallei verder dalen naar de Autiotupa van Kopmajoki, bij het Somasjärvi. De stenen blijven onze voortgang bemoeilijken maar we kunnen verdere valpartijen vermijden. In de Autiotupa treffen we een eenzame Fin die daar voor een paar dagen zijn verblijfplaats heeft gezocht. Hij houdt er zich onledig met vissen en lezen. Iedere morgen gaat hij zwemmen in het meer. Als we hem mogen geloven natuurlijk. We blijven er enkel om ons een warme thee te bereiden. We zijn hier dicht bij de Fins-Noorse grens en aan de andere kant van de grens, slechts 3 km verder, staat een Noorse hut. Het Somasjärvi strekt zich ook zover uit. Eerst moeten we door een afsluiting die parallel loopt met de grens en dient om de rendieren in hun respectievelijke vaderland te houden. Dan steken we de grens over en verlaten definitief Finland. 1 km verder bereiken we de Somashytta. In de hut hebben ook nog twee Noren een onderkomen gezocht. Dit is geen DNT-hut en dat is ook te merken. Het is er vrij primitief en in de inkomhal ligt een hoop afval opgestapeld. Er is ook geen gasvuur en we bereiden ons avondmaal met ons eigen gasvuurtje en kommetjes. Na een verkwikkend bad en het wassen van de vuilste kleren in het Somasjärvi organizeren we ons voor de nacht. In de hut is er maar één slaapkamer, met twee bedden. Maar er is ook een zolder: een houten slaapvloer vlak onder het dak van de hut. We leggen er twee matrassen en moeten ons diep bukken om onder het dak in onze slaapzak te kunnen kruipen. Maar we slapen er goed.

Foto’s:
- Vallei op weg naar Meekonjärvi
- Op weg naar Meekonjärvi
- Het meer van Meekonjärvi
- Een aaneenschakeling van meren bij het Meekonjärvi
- De Binčosjohka stromend naar het Pihtsusjärvi
- Het Pihtsusjärvi
- De Binčosgoržiwaterval op de Binčosjohka
- De laatste kilometers naar de Autiotupa van Pihtsusjärvi
- De Binčosjohka kort bij zijn monding in het Pihtsusjärvi
- Het Pihtsusjärvi tegenover de Autiotupa
- De Autiotupa van Kopmajoki
- Houthok en veld-WC bij de Kopmajoki Autiotupa
- Rendierafsluiting bij de Fins-Noorse grens bij Somasjärvi
- Grenspaal tussen Finland en Noorwegen bij het Somasjärvi

Dag 17: 13/08/2010. Somashytta – Saraelv + 6 km: 38 km.

We laten de Noren slapen en kunnen om 6h45 al vertrekken naar Saraelv, ons doel voor vandaag. De hemel is helder en de koude noordenwind is gaan liggen. Als de zon klimt bezorgt ze ons zelfs een vrij warme dag. In tegenstelling tot de voorbije dagen is het pad vrij goed begaanbaar. Ik schat dat we vorderen aan een gemiddelde van 5 km/h. We lopen door het dal van de Rahpesjohka en kruisen een paar rivieren die er naartoe stromen vanop de Nealgečohkka die links van de rivier de vallei domineert. Als we het einde van het Coalbmejávrrit bereiken moeten we beslissen of we rechtstreeks naar Saraelv zullen gaan of een omweg dienen te maken via Sappen. Afhankelijk van de noodzaak om ons extra te bevoorraden. Onze etensvoorraad is nog voldoende op peil om ons aan de Nordkalottleden te houden. Een ommetje naar Sappen is dus niet nodig. Een paar km verder nemen we een eerste rustpauze. Het pad blijft matig op en neer gaan en we vorderen goed. Om 12h00 bereiken we een riviertje die uit een meer loopt aan de voet van een heuvel, de Meahccevárri. Het is een geschikte plaats voor de middagpauze. Van links komt de Avžegeašjohka en snijdt opeens een diep dal, het Buntadalen, met steile groene randen uit. Aan de overkant van de Buntadalen zien we nog de gletsjers die voeding geven aan een kolkende rivier die via watervallen uitmondt in de diepe canyon. Ten noorden van Saraelv zal die samenvloeien met de Reisaelva. In deze werkelijk mooie en wilde omgeving zien we hoe de natuurkrachten vorm geven, en gaven, aan het landschap waarin we ons als bevoorrechtte toeschouwers bevinden. De zon schildert schitterende lijnen over de glooiende hellingen en tintelende spiegelingen zowel op de rustige meren als op de onstuimige rivieren. We voelen ons als koningen en onze eenvoudige noedels met knäckebröd smaken als koninginnehapjes. We lopen verder op de boomloze hoogte, wat op en dan weer af, en kruisen een paar rivieren die samenvloeien in de Meahccejohka die verder loopt naar de Avžegeašjohka. Die draait nu richting noord, door het Buntadalen, naar Sappen. Ons pad draait naar noordoost, verwijdert zich van het diepe, uitgesneden Buntadalen, en gaat richting Saraelv. We beginnen aan een lange afdaling die ons na 2 km terug tot bij de boomgrens, hier op 500 meter, brengt. We rusten even uit en prepareren ons tegen de muggen die we tussen het groen verwachten. Eerst nog 1 km steile en moeilijke afdaling, daarna 1 km door relatief vlak maar moerassig, drassig en glad terrein en tenslotte een zeer steile, 2 kilometer lange, afdaling naar de grindweg bij Saraelv. Tijdens het dalen komen we 2 stijgende Duitsers tegen. Eén ervan is zeker niet van de magerste en zweet en zwoegt zich in korte stukjes naar boven. Volgens zijn compagnon zijn ze sinds Saraelv reeds 3 uur onderweg. Op mijn kaart zie ik dat er hen nog 2 van de 5 km klim wacht. Ver zullen die vandaag niet meer geraken. Maar ook het dalen kan lastig zijn. Bezweet en moe nemen we, eens op de grindweg, een rustpauze. Het pad loopt nu even over de grindweg om dan, waar de grindweg eindigt, het bos met overwegend berkenbomen en hoge varens in te duiken. Het pad loopt naast de Reisaelva die langzaam voortkabbelt tegen onze staprichting in. In het dal van de Reisaelva heerst een microklimaat omdat zijn steile wanden het beschermen tegen de koude noordenwind. We lopen nog ongeveer 7 km verder langs de rivier over een smal kronkelend pad waar we ons dikwijls een weg moeten knuppelen tussen de hoge varens en het lage struikgewas. Het pad loopt nooit langer dan 10 meter rechtdoor maar draait voortdurend scherp naar links en dan weer naar rechts. Soms op de rand van de Reisaelva waar voortdurend lange, smalle kano’s met buitenboordmotor voorbijvaren. Er wordt op deze rivier veel gevist. Op eilandjes in de rivier zien we tenten staan van vissers die er met hun gezin een weekend op uitgetrokken zijn. Door het veelvuldig kronkelen van het pad hebben we de indruk dat de werkelijke afstand die we lopen veel groter is dan de opgegeven afstand. Na een uur stappen door het verstikkende bos, wanneer we er al beginnen aan te twijfelen nog een goede bivakplaats te vinden, komen we bezweet bij een open plek aan de Reisaelva. Er staat zelfs een bank en we vinden er hout om een kampvuur te maken. Voor ons, op de rivier, houdt nog een visser halt en slaat vruchteloos zijn hengel uit terwijl zijn bootsman met ons een praatje komt slaan. Het is een avond om te mijmeren. De ondergaande zon werpt nog een wazig licht in het dal waar enkel nog het rustig kabbelen van de brede Reisaelva te horen is. De rook van ons kampvuur draait en keert in de zwakke wind die niet meer weet welke richting te kiezen. We staren in de oplaaiende vlammen en schrikken nu en dan van het knetterend vuur. Ieder heeft zijn gedachten en houdt ze in zijn geest besloten. Weinig of geen woorden. Ook het omringende bos heeft zich in een diepe stilte gehuld. We laten ons kampvuur uitdoven en zoeken onze slaapzak op.

Foto’s:
- Vroeg langs de Nealgečohkka
- Bergrug achter de Buntadalen
- Begin van de Buntadalen
- Op weg naar de Meahccevárri
- Bergrug in het noorden
- Dicht bij de canyon van de Buntadalen
- In de verte liggen nog gletsjers te loeren
- Verder langs de canyon van de Buntadalen
- Middagpauze
- Middagpauze
- De Nordkalottleden volgt de Buntadalen
- De Buntadalen wordt verlaten. Het pad vervolgt richting Saraelv
- De Saraelva zoekt zijn weg naar de Reisaelva
- De laatste loodjes van de afdaling naar Saraelv
- De Saraelva stort zich naar beneden
- De Reisaelva
- Het pad naast de Reisaelva
- Bivakplaats naast de Reisaelva
- Avondmaal en kampvuur bij het bivak aan de Reisaelva

Dag 18: 14/08/2010. Saraelv + 6 km – Nedrefosshytta + 9 km: 30 km.

Om 7h00 trekken we verder over dezelfde kronkelende paden langs de Reisaelva, door hetzelfde bos met weelderige plantengroei. De hoge varens laten ons nauwelijks een doorgang. De dauw op hun blaren wrijft ons nat. Voeg daarbij ons zweet in dit besloten vochtige dal en het duurt niet lang of we zijn kletsnat. Na een uurtje stappen, bij Sieimma, stoten we plots op een rotswand die in grote brokken de oever van de Reisaelva afsluit. De strook van stenen en rotsen is maar 500 meter lang maar kost ons een half uur om er door te geraken. Door de vochtigheid zijn de steenvlakken zeer glad. We moeten oppassen om niet te vallen en/of in de Reisaelva terecht te komen. Van wandelen of stappen is absoluut geen sprake meer. We moeten over, op en af rotsen klauteren. Op dit stuk hebben we geen oog voor de rivieren die zich aan beide kanten van de Reisaelva als watervallen over de steile wanden van de vallei naar beneden storten, om er het kalme water van de Reisaelva te vervoegen. Het betere weer heeft ook de muggen weer wakker geschud die ons nu in groten getale belagen. De rotsstrook heeft veel van onze krachten gevergd en we zoeken een plek om uit te rusten. Er is niets comfortabeler te vinden dan een open plek waar alleen een bord staat met informatie betreffende het Reisaelva Nasjonal Park. Het volgende uur kunnen we terug ongeveer 5 km vorderen, steeds langs de rivier. De vochtigheid in het dal en het voortdurend draaien en keren van het pad maken het stappen lastig en onaangenaam. We pauzeren nogmaals op een smal stukje gras op de oever van de Reisaelva. We houden het kort, want de muggen weten ons meteen te vinden. Na 10 minuten vertrekken we. Opnieuw moeten we door een blokkering wegens rotsen en stenen. Nu wat korter dan de eerste keer maar toch lastig. Kort daarna passeren we een hutje ter hoogte van Vuomáddat, tegenover Nikolaistilla. We prijzen ons gelukkig. In de hut zitten we beschut tegen de muggen. Er is wel weinig plaats en nog minder licht, maar het is er gezellig en we blijven er bijna een uur, tot 12h15. Het is geen officiële hut. We veronderstellen dat het vissers zijn die hier soms de nacht doorbrengen en het boeltje wat onderhouden. We trekken dan verder richting Nedrefosshytta, steeds door dichte begroeiing met af en toe rotsen. Het is moeilijk stappen en we komen slechts traag vooruit. Er komt precies geen eind aan dit stuk, tot we in de verte de brug over de Reisaelva opmerken en weten dat aan de voet daarvan de hut gelegen is. In de hut vinden wij toch weer wat goeds voor onze lunch en hebben er gezelschap van Isabel, een sympathieke Noorse meid die wegens blaren op de voeten na de tocht naar hier vanaf de Reisavannhytta, haar vrienden alleen op visvangst bij de Imofossen heeft moeten laten gaan. Ons verblijf in de hut duurt bijna 2 uur. Wat niets met Isabel te maken heeft. We steken de brug over de Reisaelva over en worden onmiddellijk geconfronteerd met een steile stenen wand. Eerst omhoog en dan weer omlaag naar de oever. Waar de Imojohka in de Reiselava vloeit treffen we 4 paden aan. We weten dat een ervan verder loopt richting Reisavannhytta en een ander richting Imofossen. Maar geen enkel signaal vertelt ons welk pad waar naartoe loopt. Ik kies het pad langs de oever en loop me al vlug vast op onoverkomelijke rotsen. Meer dan een pad gebruikt door vissers is dit niet. Terugkerend naar de splitsing wacht ik even op Roger. Die heeft blijkbaar het goede pad gevonden. Alleen, ik weet niet welk. Ik waag me op de steile helling vol stenen en over rotsen. Echt gevaarlijk. Plots zie ik een rode vlek. Het merkteken van de DNT. Op sommige plaatsen zijn stalen kabels aangebracht omdat een doortocht anders onmogelijk of in het beste geval zeer gevaarlijk zou zijn. Het duurt een tijdje voor ik terug bij Roger kom. Al die tijd wist ik niet waar ik Roger terug zou treffen. En Roger was ook in het ongewisse over waar ik gebleven was. Dat schept wat wrevel. Het pad blijft nog verder stijgen en komt terecht in een sparrenbos. We ontmoeten de vrienden van Isabel, op terugtocht van de Imofossen. Ze hebben niets gevangen maar zijn al blij een paar zalmen te hebben gezien. We doen hen de groeten van Isabel wat hen verwonderd doet opkijken. Als we tenslotte de Imofossen bereiken zijn we doodop. De waterval bestaat uit twee delen. Om bij het tweede deel te geraken moet eerst een brede rivier worden overgestoken en daarna over een rotsblok geklommen. Voor dat laatste zijn de benen van Roger net iets te kort. Met mijn langere staken kan ik net die hindernis nog nemen, maar dan wel op handen en voeten. Na wat foto’s te hebben genomen van deze watervallen op de Spanijohka, keren we terug. Niet over hetzelfde, gevaarlijke pad, maar over een alternatief pad dat eveneens terugkeert naar de route tussen Nedrefosshytta en Reisavannhytta. Ondertussen is het beginnen regenen. We vrezen dat dit het einde betekent van een week beter weer. Wij klimmen nu stilaan omhoog, zo’n 200 meter, en laten de Reisaelva achter ons. Isabel had ons verteld dat er een hut zou te vinden zijn in de omgeving van het punt waar we de Ruonasvárijohka kruisen. We speuren de omgeving af, zoeken, maar vinden niets. Ook niets dat op een pad lijkt dat eventueel naar de hut zou lopen. We moeten dus verder. De Ruonasvárijohka over geraken zonder natte voeten is ook al geen gemakkelijke opdracht. Weldra komen we uit boven de boomgrens. We zoeken nu naar een bivakplaats waar ook water te vinden is. Dat hadden we moeten voorzien en hadden moeten bijtanken bij de Ruonasvárijohka. De wind steekt op en blaast nu recht in ons gezicht. Koud en nat. De dag heeft reeds veel van onze krachten geëist en het wordt tijd dat we hem afsluiten. We verlaten tenslotte even het pad en dalen af naar het meertje waarin de Ruonasvárijohka zijn oorsprong vindt. Met wat schaars gevonden hout slagen we erin een schamel kampvuur aan te leggen. Daaraan kunnen we ons wat verwarmen. Roger wil er ook zijn natte sokken drogen. Hij houdt ze helaas iets te dicht bij het vuur en de daardoor geschapen gaten herleiden zijn dure sokken tot wegwerpvodden. Als de korte regenpauze dan ook nog aan zijn einde komt besluiten we snel te eten en de beschutting van de tent op te zoeken. Daarin is het zalig om een zeer lastige dag, die eindigde met regen en een strakke koude wind, af te sluiten in de warme omhelzing van een degelijke slaapzak. Het tokkelen van de regen op het tentzeil deert ons niet. Het klinkt niet als een bedreiging, eerder als een eindeloos slaapliedje.

Foto’s:
- Waterval op de Cissaldat
- Waterval op de Alttarinjoki
- Waterval op de Toornionjoki
- De Mollisfossen
- Brug over de Reisaelva bij de Nedrefosshytta
- De Reisaelva bij het verlaten van de Nedrefosshytta
- De Spanijohka bij de Imofossen
- De Reisaelva bij de Imofossen
- De Reisaelva na de Imofossen
- De Spanijohka bij de Imofossen
- Het pad tussen de berken voorbij Imofossen

Dag 19: 15/08/2010. Nedrefosshytta + 9 km – Kautokeino – 19 km: 40 km.

De nacht bracht regen en stormachtige wind. Als we om 6h00 aanstalten maken om op te staan jaagt de wind nog steeds de regen, als een striemende gesel, op onze tent. We moeten in ons eng onderkomen eten en dan zien om vliegensvlug ons bivak op te breken. Elkaar helpen met het opplooien van de tent is noodzakelijk willen we dit cruciaal onderdeel van onze uitrusting niet door de wind zien meenemen. Wij stappen moeizaam verder over een licht golvend landschap. De wind beukt nu eens pal op onze neus, dan op onze flank. Onze poncho wappert in het rond en vergroot de oppervlakte waar de stormwind vat op heeft. Het kost ons moeite om rechtop te blijven en vooruitgang te boeken in deze noordoostenwind. Na iets meer dan 2 uur stappen bereiken we een klein dal met tijdelijk terug wat begroeiing. De schaarse bomen bieden ons wat beschutting om er even uit te blazen. Na 15 minuten koude en nattigheid besluiten we onze tocht te hervatten. Zoals steeds is Roger vlugger vertrekkensklaar. Als ik het riviertje waarbij we onze pauze namen wil oversteken is hij al uit het zicht verdwenen. De vegetatie is echter zo schaars dat ik er aan twijfel of hij zo snel uit zicht kan verdwenen zijn. Ik kijk nog even rond. Misschien staat hij ergens te plassen of zit ergens doende met een grote boodschap. Ik kijk dus ook nog eens achterom en .... zie Roger, reeds ver, dapper verder stappen in de richting waaruit we gekomen waren. Ik roep me schor, maar de wind blaast mijn geroep terug in mijn gezicht. Met de regenkap over zijn oren kan Roger me onmogelijk horen. Ik moet, met mijn rugzak om, een spurt inzetten om Roger bij te benen en terug op het goede pad te brengen. We stappen nog eens een goede 2 uur verder door een steeds drassiger wordend terrein waarbij meerdere rivieren moeten worden overgestoken. Bruggen hebben we sinds de Reisaelva bij Nedrefosshytta niet meer gezien. Soms moeten we waden met het rivierwater kietelend aan ons kruis. De Ráiseatnu spant hierbij de kroon. Zijn er geen rivieren te doorwaden, dan ploeteren we door moeras. Bij iedere stap onzeker over de diepte waar onze schoenen zullen in wegzinken. Als we de rand van het Ráisjávri bereiken rusten we nog eens een poosje. Het pad loopt nu verder langs het noorden van het Ráisjávri. Zoals verwacht gekenmerkt door moerassen en brede, diepe rivieren. Op 1 km van de Reisavannhytta komen een drietal elektriciteitsleidingen samen bij een transformatorhuisje. In het moeras zien we sporen van trafiek. Er liggen geweven stalen netten op het moeras waarop een lichte 4x4 zou kunnen rijden. We stappen over de netten die onder ons gewicht diep in het moeraswater wegzakken. Een andere keuze, zeker geen betere, hebben we niet om dit doornat gebied te overbruggen. Het is toch al opgehouden met regenen. Nog een laatste rivierdoorwading en 2 km verder bereiken we de Reisavannhytta. Het is 13h45. De hutten zijn privé en gesloten. We kunnen ons installeren op het houten terras waar we beschut zijn tegen de wind. We bereiden er ons middagmaal en stellen vast dat, wegens de koude, de gasdruk van ons kookfornuisje zeer matig is. Schudden helpt weinig of slechts zeer tijdelijk. Hetzelfde geldt voor opwarming via onze lichaamstemperatuur. Maar we krijgen uiteindelijk ons middagmaal gekookt. Tegen dat we om 15h20 weer vertrekken hebben we ruim de tijd gehad om na te denken over het verder zetten van onze tocht. We weten, op basis van onze kaarten, dat de resterende 50 km naar Kautokeino een vervolg betekenen van moerassen, rivieren en ander vocht en nat. Allemaal onderdelen van de Nordkalottleden waar we al meer dan voldoende mee werden geconfronteerd. Om niet te zeggen dat we er de buik vol van hebben. We opteren voor een alternatief pad dat ons vanaf de Reisavannhytta naar een weg moet brengen die vanuit Kautokeino naar het noordoosten loopt en daar na 35 km doodloopt. Het pad laat zich redelijk goed bewandelen. Blijkbaar wordt het ook gebruikt om via de reeds genoemde weg, met een 4x4, de hutten van Reisavannhytta en dus ook de Ráisjávri te bereiken. Dit grote meer biedt mogelijkheden tot visvangst en langs zijn boorden hebben we een aantal hutten opgemerkt. Na 4 km bereiken we de weg die we vervolgens volgen richting Kautokeino. Verkeer op de weg is beperkt tot een 3-tal voertuigen tijdens de 3 uur dat we erop onderweg zijn. We nemen nog 1 rustpauze en moeten dan op zoek naar water voor ons bivak. Het water oogt lichtjes bruin. Dat is te wijten aan het hoge ijzergehalte in de overwegend moerassige ondergrond, maar het is volstrekt drinkbaar. De wind is nu wat gaan liggen. Op ongeveer 19 km van Kautokeino zetten we onze tent op een beboste kleine heuvel naast de weg. Het bosje biedt enige beschutting tegen de wind. We maken een kampvuur om ons te verwarmen. Het wordt bitter koud zodat we niet te lang buiten kunnen blijven zitten. We nemen alvast onze voorzorgen voor een waarschijnlijk zeer koude nacht.

Foto’s:
- We naderen het Ráisjávri
- Doorwaden van de Ráiseatnu
- Laatste km naar het Ráisjávri en de Reisavannhytta

Dag 20: 16/08/2010. Kautokeino – 19 km – Mieron + 3 km: 44 km.

Een dun laagje ijs heeft zich tijdens de nacht op ons tentzeil gevormd. Om 6h00 ’s morgens vriest het nog steeds en we vinden het te koud om buiten te eten. De chocomelk wordt in de tent opgewarmd. We eten in onze tent een ontbijt van knäckebröd met kaas of honing. Om 7h15 gaan we op stap. Veel bijzonders is er niet te melden of te zien. We stappen flink door om ons te verwarmen. Na 2 uur stappen nemen we een eerste pauze in de beschutting van een groene strook loof naast het Stuorajávri. Nog anderhalf uur stappen langs de weg en we zijn in Kautokeino. We lopen niet door tot aan de kruising met de E93, maar slaan 500 meter daarvoor een lokale weg in, richting zuidzuidoost, die ons zuidelijker op de E93 brengt. Hier is het eigenlijke centrum van Kautokeino. Kautokeino is zowat de hoofdstad van de Sami (of Lappen). De meeste Sami verblijven hier buiten het trekseizoen van de rendieren. Ze dragen een eigen specifieke klederdracht maar voor de rest is hun gedrag, levenswijze en comfort niet te onderscheiden van dat van de modale Noor. Er zijn hier scholen en zelfs een heuse Sami-universiteit. Er is een tankstation, een paar cafés en restaurants en een grootwarenhuis. We gaan eerst een kop warme koffie drinken en bij een stuk taart vergeten we de drassige miserie van de voorbije dagen. Hier bereiken we het eindpunt van de Nordkalottleden. Er is dus wel degelijk iets te vieren. Het is nu ook gedaan met de zogenaamde paden, waar dikwijls geen spoor van een pad te vinden is of waar bij iedere stap de ogen naar de grond dienen gericht te zijn. Vanaf nu verwachten we wandelwegen zoals we die dichter bij huis gewoon zijn. Stappen, rondkijken, genieten en gestaag vorderen. Gedaan met het doorwaden van rivieren (denken we). In het grootwarenhuis kopen we eerst een uitgebreid middagmaal. Het is te koud om buiten te eten. In de inkom van het grootwarenhuis staat een tafeltje met twee stoelen te wachten tot we er ons installeren. We trekken ons niets aan van de verbaasde blikken van Lappen en andere Noren die in- en uitlopen. Nadien doen we nog eens de ronde van de supermarkt om onze bevoorrading op peil te brengen. De afstanden naar het volgende bevoorradingspunten zijn vanaf nu korter. We kunnen ons rantsoen nu verdubbelen. Dat is ook nodig. We zijn beiden erg vermagerd en voelen de gevolgen van het gebrek aan reserve. Onze vetreserve is volledig opgebruikt. We volgen niet de E93, maar een zijweg naar Ájonjárga en Govdavuohpenjárga, waar die weer aansluit op de E93. Halfweg proberen we een tussenpad. Dat loopt zich vast op een rendierafsluiting waar geen doorkomen aan is. We zijn verplicht verder te lopen tot Govdavuohpenjárga. Daar moeten we de E93 verder volgen tot waar hij de Čabardasjohka oversteekt. We kunnen daar een aarden zijweg nemen. Bij de kruising staat een typische installatie om rendieren samen te drijven. Er staat ook een tent en een aantal (verlaten) standjes. Een bordje nodigt uit om hier iets te komen drinken. Maar er is geen mens, laat staan een rendier, te bespeuren. Het bordje staat er waarschijnlijk reeds dagen. Bij het Mierojävri komen we terug op de E93 maar kunnen die na een paar kilometer definitief verlaten. We komen terecht op de oude weg van Kautokeino naar Alta. Van deze oude weg blijft niets over dan een aarden spoor van 4m breed. Langs de kant staan hier en daar nog verroeste palen met daarop verroeste plaatjes die respectievelijk de nog af te leggen afstand naar Alta en Kautokeino aangaven. De getallen zijn bijna allemaal door de tand des tijds verorberd. Voor een 4x4 of een quad is deze weg nog berijdbaar. Zei het voorzichtig en soms door een rivierbedding als de brug is ingestort. Maar geen enkel vehikel kruist onze weg. Het landschap waar we doortrekken is de Vidda, wat zoveel wil zeggen als woestenij. Het is een hoogvlakte die tijdens de ijstijd maar matig door de gletsjers is uitgesleten. De afwatering is er slecht zodat tussen de opeenvolgende heuvels veel plassen en meren zijn overgebleven. Het is er droog en koud. Koud omdat de warme luchtstroming vanaf de westkust geblokkeerd wordt door de westelijke bergruggen van Lapland. Droog omdat dezelfde bergruggen de regen uit het westen tegenhouden. De neerslag die er valt doet dat grotendeels onder de vorm van sneeuw. Bij de eerste rivier die we moeten kruisen hebben we al prijs. Geen brug en dus waden. Dat belooft. Roger gaat de rivier doorwaden op blote voeten. Dan hoeft hij zijn rugzak niet af te nemen. Onze crocs zijn namelijk achteraan op onze rugzak vastgebonden. Ik neem de tijd om mijn rugzak af te doen, de crocs aan mijn voeten te binden en terug mijn backpack op mijn rug te zwieren. Toch ben ik als eerste de rivier over. Roger beklaagt zich weldra zijn zere voeten wegens de keien en stenen in de rivierbedding. Terug aangekleed zoekt hij echter tevergeefs zijn handschoenen. Die hebben we wegens de koude reeds de ganse dag aan. Hij vindt ze niet en veronderstelt ze te hebben laten liggen aan de andere kant van de rivier. Nu doet hij wel zijn crocs aan en steekt de rivier voor de tweede keer over. Ginds vindt hij zijn handschoenen niet. Hij had ze onder zijn vest geborgen en was het vergeten. Een derde keer de rivier over, met de crocs. Ondanks de nodeloze extra rivierwandelingen is hij opgewekt wegens de teruggevonden handschoenen. Bij de Roavotjohka vinden we een mooie bivakplaats. Vlak terrein met een beetje gras, vlak naast de rivier. Op het heuveltje daarnaast voldoende hout voor een kampvuur. Daaraan verwarmen we ons nog even voor we snel onze tent induiken voor alweer een ijskoude nacht op de Vidda.

Dag 21: 17/08/2010. Mieron + 3 km – Máze + 3 km: 42 km.

Na weer een vriesnacht vinden we het opnieuw om 6h00 nog te koud om buiten te ontbijten. We nemen dus weer ons ontbijt in onze tent en gaan vlug op stap in de hoop ons zo wat te verwarmen. Lange broek, lichte wollen eerste laag, zware wollen tweede laag, lichte sweater en windstopper zijn nauwelijks voldoende. De kap van de windstopper over onze pet en handschoenen aan. We lopen de eerste kilometer nog tussen lichte begroeiing, maar komen daarna op de kale Vidda, overgeleverd aan de bijtende noordenwind. Langs het Luossajávri komen we terug tussen wat lover dat nauwelijks enige bescherming biedt tegen de wind. Maar daarna is het weer volop Vidda, over de hoogte van Luossačáhca. Langs de kant van de weg zien we een bord met het symbool van een natuurmonument. Maar zonder enige verdere uitleg hebben we het raden naar wat er te zien zou zijn. Er is ook niets merkwaardig te zien. Of toch. Een eind naast de weg merken we een houten kruis geprangd tussen een hoop stenen. Het horizontale dwarsstuk van het kruis heeft de vorm van een pijl en wijst naar het noorden. Honderd meter verder staat er weer zo een. En nog een, allemaal opgesteld langs een denkbeeldige kaarsrechte lijn. We tellen ze, maar houden daar na een poos mee op, want er komt geen einde aan. We lopen op en langs de historische Bæskades bergroute.

Deze belangrijke route tussen het binnenland en de kust bestond reeds in het stenen tijdperk en volgde de Alta-Kautokeino rivier en dwarste de Bæskades hoogvlakte. Tweemaal per jaar (december en april) werd er een markt gehouden in Bossekop (Alta) waar handelaars en reizigers uit de noordelijke delen van Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland naartoe trokken. Tussen Copenhagen en Alta werd een winterpostroute, door Zweden, gerealiseerd bij Koninklijk Besluit van 20 juni 1798. Het deel van de route tussen Lippajærvi in Noord-Finland en Alta liep over Kautokeino en de post werd vervoerd met rendiersleden over de Bæskades. De eerste post verliet Copenhagen op 4 november en Alta op 15 november 1798. In 1896-1898 werden steenhopen geplaatst op de Bæskades om de winterroute te markeren. De pijl, in de vorm van een kruis, wijst naar Alta. Een autoweg naar Kautokeino over Bæskades werd gebouwd in 1928-1939. Het was de eerste weg in Noorwegen die voornamelijk met machines aangelegd werd. In de jaren 1960 werd de nieuwe weg (E93) aangelegd door de Eibydalen vallei. De berghutten van Gargia en Suolovuobme werden gebouwd in het midden van de 19de eeuw. In de zomernacht van 26 op 27 juli 1895 verloren 2 ruiters het leven in een sneeuwstorm op de Bæskades. Ze begeleidden een magistraat op weg van Alta naar Kautokeino voor een rechtszaak. Bæskades is een migratiegebied waar rendierkuddes die tijdens de zomer grazen bij de kust, een halte maken in de lente en de herfst. Bæskades was ook het fourageergebied voor de rendieren van de Sami in Kautokeino. Het brandmerken van de kalveren vindt plaats einde juni, begin juli. De rendieren beginnen te paren midden september.

We lopen dus op een wel zeer historisch traject. Veel verkeer is er niet. Hoogstens een voertuig (quad of 4x4) per uur. Zij die ons voorbijrijden stoppen voor een praatje. Stappers zijn al helemaal een rariteit op deze vergeten weg. Zelf hebben we er nog geen ontmoet. Plots stopt er achter ons een doodgewone auto. In de wagen een oud koppel. Ze wonen in Alta en volgen al 40 jaar deze weg i.p.v. de hoofdbaan. Hoe die wagen het volhoudt op deze slechte weg, met een aantal rivierbeddingen die te doorkruisen zijn, is ons een raadsel. We veronderstellen dat de man het niet aandurft om op de E93 te rijden, met nogal wat zwaar verkeer. Even later zien we in de verte weer een paar aangestoken koplampen aankomen. Gevolgd door nog meer stralende koplampen. Een echte karavaan. Allemaal 4x4 wagens waarop we de Israëlische vlag waarnemen. Het zijn waarempel de ‘Israëli Queens’ waarmee we in Abisko kennis maakten. Ze maken een rondrit door Noord-Lapland en zijn op weg naar Kautokeino en verder terug naar Finland waar hun reis eindigt. Wat een toeval. Later, in de namiddag, rijdt ons van achteren een man op een quad voorbij die echter snel halt houdt en in gebrekkig Engels met ons begint te praten. Hij houdt een plastiek zak omhoog gevuld met kleine, oranje bessen. De grootte van een bosbes. Hij heeft er een groot deel van de dag aan overgehad om ze te verzamelen. Hij wil ze ons absoluut schenken. We nemen ze uiteraard in dankbaarheid aan. We zijn blij met dit vers fruit. De Noor is al even blij ons een plezier te hebben gedaan en vertrekt breed lachend en eindeloos wuivend. Misschien zal zijn vrouw minder blij zijn nu ze geen beleg meer heeft voor haar fruittaart. We verdelen de vruchten onder elkaar. De zak weegt bijna 1kg. De bessen zijn zeer zacht, bijna een brei. Ze smaken zeer, zeer heerlijk. De tocht is voor het overige vrij eentonig. We rusten even uit in de beschutting van een ‘Rengarde’ en lopen langs het uitgestrekte Biggejávri nadat we bij het begin daarvan onze lunch klaargemaakt hebben. Ons volgende rustpunt is bij de oversteek van de Mázejohka. We bereiken de afslag naar Máze om 17h45. Er staat daar een schuilhut zodat we er beschut tegen de wind wat kunnen op adem komen. Dan stappen we nog een uurtje verder tot bij een rivier. Daar hebben we plaats voor onze tent en vinden we water voor de bereiding van ons eten. Snel vluchten we voor de opkomende ijskoude nacht in onze slaapzak.

Foto’s:
- Wegwijzerkruis in stenen basis op de historische Bæskades bergroute
- De historische Bæskades bergroute
- Op de hoogte van Luossačáhca
- Transmissie- en Radarstation op de Biggevárri
- Bij de Mázejohka
- Een milde schenker van onbekende, maar lekkere, bosbessen

Dag 22: 18/08/2010. Máze + 3 km – Gargia fjellstue + 4 km: 42 km.

Het regent flauwtjes als we opstaan om 6h00. Voor dit type neerslag die het midden houdt tussen natte mist en lichte regen hebben we een woord bedacht: ‘miezeren’. Het miezert dus. Het blijkt zelfs een woord te zijn dat deel uitmaakt van onze Nederlandse taal. De betekenis is ‘lichte regen’ of ook nog ‘druilregen’. We hebben dus een woord bedacht dat reeds bestaat en precies betekent wat we bedoelen. We verlaten na een tijd de kale Vidda en belanden in een terrein van meren en moerassen met een dunne begroeiing van lage, magere berken. Een uur voor we de Suolovuopmi fjellstue bereiken rusten we nog even. We bereiken de fjellstue om 10h00. In zijn huidige toestand is de fjellstue, die nu in private handen is, zoiets als een baancafé. Er is drank te verkrijgen, snacks en lichte maaltijden. Maar vooral, het is er warm en men kan er op adem komen en de batterijen weer opladen. We trakteren ons op koffie met een stukje appeltaart. Er komen nog klanten binnen. De fjellstue ligt precies op de kruising van de oude historische weg naar Alta en de E93. Uiteraard komt de klandizie hier van het verkeer op de E93. Een paar trekkers op de oude weg niet in acht genomen. De nieuwe klanten brengen een gevonden pet binnen. Het is die van Roger! 3 km verder zitten we weer boven de boomgrens. Die ligt hier rond de 475m. We passeren meerdere samendrijfplaatsen (‘Rengardes’) op deze oude weg, maar rendieren zijn er niet te zien. Het drijfseizoen is helaas voorbij sinds midden vorige maand. De rendieren die niet werden afgevoerd naar het slachthuis moeten ergens aan het grazen zijn, maar we hebben geen flauw idee waar. Rendieren eten vooral rendiermos. Dat weten ze te vinden onder de sneeuw, als een soort diepvriesvoeding. Ze verwijderen de sneeuw met hun hoeven om eraan te komen. Het is dus logisch dat deze dieren vooral in de besneeuwde noordelijke toendra te vinden zijn. De hoger gelegen sneeuwgebieden worden verafschuwd door de muggen. En de muggen worden verafschuwd door de rendieren. Nog een reden voor hen om een verblijf te gaan zoeken in hoger gelegen en koudere oorden. In de verte bespeuren we besneeuwde toppen van de fjells langs de fjorden. We trekken verder over kale heuvels. Langs het Ákšojárvi, waar we onze middagpauze nemen. Langs het Holgajárvi waarna we de keuze hebben tussen 2 wegen die na 3 km weer samenkomen. Daarna gaat het langzaam in dalende lijn naar de vallei van de Gargiaelva en komen we terug in een begroeide omgeving terecht. De weg begint steeds meer te dalen. De Gargiaelva mondt uit in de Altaelva en heeft daar blijkbaar haast bij. Maar eerst trekken we door Gargia. Het lijkt wel een dorp in de Ardennen. We noteren op z’n minst een vijftal boerderijen. In de vallei ligt veel weiland met weelderig groen gras. Het hooi ligt reeds opgestapeld in witte plastieken balen. Er lopen koeien op de ene weide, schapen op de andere. Het armtierig berkenbos heeft de plaats geruimd voor heuse sparrenbossen. We kunnen nauwelijks geloven dat dit mogelijk is zover boven de poolcirkel. We slaan een veldweg in naar de Altaelva en vinden er een mooie plek, onder de sparren, voor onze tenten. Ook het kampvuur mag niet ontbreken. We zijn nu gezakt tot ongeveer 50m en voelen het verschil in temperatuur. Alta is ook niet zo ver meer en de warme golfstroom in de fjord tilt de temperatuur ook hier een beetje op. We verwachten geen vriesnacht, wat al lang geleden is.

Foto’s:
- Mager berkenbos voorbij de Suolovuobmi fjellstue
- Vanop de hoogste punten van de Vidda zijn de fjells in het westen te zien
- Historische wegwijzer op de hoogte van Bilačorut
- In de verte ligt het Ákšojárvi
- Langs het Holgajárvi
- De fjells in het westen achter het Holgajárvi
- De fjells langs de fjorden in het westen
- De Gargiaelva loopt in een diep uitgesneden dal naar de Altaelva

Dag 23: 19/08/2010. Gargia fjellstue + 4 km - Rafsbotn: 35 km.

Zoals we verwacht hadden bleven we de voorbije nacht gespaard van vorst. We hebben alle twee goed geslapen. We eten ons ontbijt nog eens buiten de tent. Het verschil in temperatuur bij het opstaan is opmerkelijk in vergelijking met de dagen op de Vidda. Om 7h15 zetten we onze afdaling naar Alta verder. Alhoewel, we lopen in het dal van de Altaelva die breed en met nog weinig verval haar weg zoekt naar de Altafjorden. De vallei is geflankeerd door sparrenbossen en waar zich grasland gevormd heeft in het vlakke dal zijn weer kleine boerderijtjes te vinden. Bij Tangen komt de Elbyelva de Altaelva vervoegen. Aan de brug over de Elbyelva nemen we een pauze. Onmiddellijk over de brug stoot onze wandelweg op de E93 die we in Suolovuopmi kruisten. Na 3 km over de E93 komen we aan de oever van de Altaelva. Hier is een brug over de rivier waarover een weg loopt naar Elvebakken die Alta omzeilt. We hebben echter wat logistieke zaken in Alta te doen en lopen nog 2 km verder langs de E93. Dan kiezen we voor praktisch verkeersluwe binnenbaantjes die ons naar het hart van de stad brengen. We arriveren er om 12h00. We gaan eerst naar het ‘Tourist Office’ waar we een kaart van de stad bekomen waarop de zeer gedienstige vrouwelijke beambte de plaatsen aankruist die voor ons van belang zijn. We bekomen ook de dienstregeling van de buslijn tussen Honningsvåg en Alta. Die bevestigt wat we al wisten. Een jeugdherberg is er niet meer in Alta of omgeving. Er is wel een hotel dat korting geeft en een B&B aan een schappelijke prijs. Maar een schappelijke prijs is ons nog veel te duur. Er is een camping niet zo ver van de luchthaven. Dat lijkt ons ideaal om als tussenpunt voor de terugreis vanuit Alta dienst te doen. Onze DNT-sleutel geraken we er niet kwijt. Het ‘Tourist Office’ ligt onmiddellijk bij het moderne en blijkbaar recent gebouwde centrum. Men vindt hier een supermarkt, een overdekt ‘shopping center’ en verder alle diensten die men zoal in een stad verwacht. Maar alles geconcentreerd op een kleine oppervlakte, rond een plein. We zoeken eerst een reisagentschap op en boeken een vlucht van Alta naar Brussel op 28 augustus. 27 augustus is een zaterdag en vanaf 21 augustus rijden er geen bussen meer op zaterdag van Honningsvåg naar Alta. We moeten dus de bus nemen op 26 augustus, waardoor ons 2 overnachtingen in Alta te wachten staan. Het vraagt wat rekenwerk om uit te vissen of we die bus van een dag vroeger wel kunnen halen. Er is die dag echter ook een namiddagbus om 15h20. Zodoende kunnen we die dag, indien nodig, nog gemakkelijk 20 km stappen. Als we een gemiddelde halen van 33 à 34 km/dag moet die planning mogelijk zijn. De extra dag in Alta kunnen we dan gebruiken om ons en onze uitrusting wat proper en deftig te maken voor de terugreis. Volgende opdracht is de bevoorrading. Ons middagmaal schaffen we ons ook in de supermarkt aan. We moeten nog eens terug naar het ‘shopping center’ voor een gasflesje van 250 ml. Ook dat is berekend om net toe te komen tot het einde van de tocht. Overschot aan gas mag toch niet worden meegenomen met de bagage op het vliegtuig. Nog een laatste kop koffie met een stukje taart. Plots schiet me te binnen dat Roger vandaag jarig is. 68 jaar. We eten de taart op zijn gezondheid. Via de gsm krijgt hij nog 3 kussen extra van Katrien. Zo wordt het 14h45 als we verder trekken. We volgen de E6 die eerst naar de Altafjorden loopt. De zon komt al eens piepen en de temperatuur, nu we weer op zeeniveau zijn, is aangenaam. We lopen voorbij de luchthaven en wat verder de brug over waaronder de Altaelva haar levensloop eindigt in de fjord bij Elvebakken. Langs de E6 ligt een fiets- en voetpad tot voorbij Kronstad, waar we ook onze camping voor de laatste dagen opmerken. De weg blijft de wondermooie fjord volgen tot in Rafsbotn, waar we weer een stuk kunnen gebruik maken van een fiets- en voetpad. Dat kunnen we best gebruiken want de trafiek tussen Alta en Rafsbotn is niet gering. Hoe verder van Alta, hoe meer de trafiek uitsterft. Voorbij Rafsbotn is er nog weinig beweging op de E6. Aan de noordkant van de fjord steken we een rivier over en gaan op zoek naar een bivakplaats in zijn nabijheid. De oevers zijn echter te steil en te rotsig om ons een plaatsje te bieden. We vinden dicht bij de rivier toch een braakliggende weide. Een beetje drassig, met redelijk opgeschoten gras. Geen ideale plek, maar we hebben niet veel keuze. Naarmate de avond verder naar het noorden kruipt voelen we, terwijl we ons avondmaal eten, de temperatuur krimpen tot rond het vriespunt. We houden het buiten niet lang vol en verhuizen snel naar onze slaapzak. Rond middernacht merken we voor het eerst dat de duisternis de deemstering verdreven heeft en de nacht maakt tot wat hij bij ons thuis is: donker. De dagen gaan nu in snel tempo afgetopt worden met steeds langer wordende zwarte deksels. Aangezien we noordwaarts gaan zal dit gebeuren nog worden versneld.

Foto’s:
- Grazende koeien langs de Altaelva
- Terrasjesweer in Alta bij 8°C
- De Altafjorden bij Alta Bukta
- Het havengebied van Alta
- Kerk bij de luchthaven van Alta
- Bloemenstrook tussen E6 en fiets- en voetpad van Alta naar Rafsbotn
- De baai van Rafsbotn in de Altafjorden
- Rafnesbukta in de Altafjorden
- Turelva achter de baai van Rafsbotn
- Schemering over de Rafsbotn

Dag 24: 20/08/2010. Rafsbotn – E6x883 + 18 km: 37 km.

De ijslaag op onze tent verklaart waarom we het deze nacht zo koud gehad hebben. Overigens worden we begroet door een lage zon aan een heldere hemel. We warmen ons aan de zonnestralen. De wind zit in het zuiden en verjaagt snel de vrieskou. Onze opgeplooide tent is drijfnat van de rijm en het ijs. We zullen een gelegenheid moeten vinden om die te drogen. We verlaten de fjorden en moeten nu de bergrug van Skáiddeduottar over naar de Porsangerfjorden. We volgen de E6 die nu kilometers lang bergop loopt. Van zeeniveau tot ongeveer 300 meter. Het is een lastige klim wegens zijn lengte. Tot aan het Gáhkkorjávri is er nergens een stuk vlak of bergaf. Aan het einde van dit meer zijn we nat bezweet en toe aan een rustpauze. De zon is nog steeds van de partij en er is voldoende open ruimte om onze natte tent weer uit te laden en te drogen. Er volgt dan een vrijwel vlak deel in de vallei van de Sarvvesjohka die uitmondt in het Ráirrojávri. In de met mos en lage struikjes begroeide vlakte rechts van de weg zien we een paar mensen lopen. Ze komen onze kant uit en bereiken de weg, waar ze hun auto geparkeerd hebben, op het moment dat ook wij daar passeren. Het zijn twee oudere dames. Ze hebben elk een plastiek zak in de hand gevuld met oranje besjes. De besjes die we op weg van Kautokeino naar Alta al leerden kennen. Roger spoedt zich naar de dames en vraagt hen uit over de herkomst van de besjes. Hij is natuurlijk niet alleen nieuwsgierig maar hoopt dat de dames voor zijn charmes zullen bezwijken en ons een deel van hun oogst zullen schenken. Tweemaal halen we bakzeil. We komen niet meer te weten dan dat de besjes ergens op de heuvels te vinden zijn. Met hun oogst gaan ze lekkere taarten maken. Ze hebben juist genoeg voor het taartbeleg dat ze voor ogen hebben. Dat komt neer op de boodschap dat ze geen enkel besje voor ons kunnen missen. Ontgoocheld zien we de dames met hun buit vertrekken. De E6 loopt verder langs het meer om dan vrijwel de bedding van de Stokkdalselva te volgen. Daar verlaten we de E6 en volgen het oude tracé van de baan. Dit tracé wordt niet meer gebruikt en is overgroeid met struikgewas. Het is niet breder dan nodig voor 1 voertuig. We merken sporadisch langs de kant de verroeste palen met daarop de plaatjes waar eens de afstanden van en naar Alta waren op aangegeven. Bij het Bigášjávri loopt de oude baan over een vervallen brug. Aan de overkant staan een paar verlaten hutten. Op het terras van een ervan zitten we in de zon en uit de wind. Water vinden we in de rivier die we net hebben overgestoken. Een ideale plaats voor de middagpauze. Wat verder kruist de oude baan de E6 en volgen we ze verder tot ze doodloopt bij een rivier, de Laudunelva. De brug erover is reeds lang een ruïne van steenbrokken. De rivier oversteken heeft weinig zin want weinig verder moeten we toch weer de E6 over. We merken een pad langs deze kant van de rivier waarover we naar de E6 gaan. 500 meter verder, over de E6, beginnen we aan een avontuur: een ongemarkeerd pad langs de Voggeneselva. De eerste meters ogen vrij goed en volgbaar, maar al vlug stoten we op een dubbele passage door de Voggeneselva die hier van het ene meer naar het andere loopt. Waden is de boodschap. Aan de overkant wordt het pad minder herkenbaar en loopt naar een hoogspanningslijn toe. Vanaf dat punt hebben we maar min of meer die hoogspanningslijn te volgen. Het pad is niet altijd zichtbaar, maar de houten pylonen van de elektriciteitsleiding houden ons in de goede richting zodat we regelmatig het pad terugvinden. Een tweede, brede rivier dient te worden overgestoken. Het lukt ons de Suolojohka te doorkruisen zonder de schoenen uit te doen en toch onze voeten droog te houden. We wandelen door een prachtig gebied waar de rendieren ons als het ware voor de voeten lopen. Het aantal van deze dieren die we hier te zien krijgen overtreft vele malen het aantal dat we tot nog toe, over de ganse tocht samen, hebben waargenomen. De zon geeft veel warmte en door de lage stand ervan gaan onze oorschelpen verbranden. Het pad vervaagt nu meer en meer tot het in het niets schijnt te zijn opgelost. De vele rendieren hebben voor talloze ‘paden’ gezorgd. Die lopen kriskras doorheen en langs de richting die we moeten volgen. Het maakt de navigatie nog ingewikkelder. Op een bepaalde plaats buigt de hoogspanningslijn naar rechts af en steekt de Voggeneselva over. We moeten daar nog een tijdje rechtdoor. Er zou daar ook een kruising moeten zijn met een oude weg. Niets daarvan opgemerkt. We raken nu verstrikt in een bosje en hebben de neiging af te wijken naar de rivier. Daar overheerst moeras. Terug het bosje in. Zwoegend proberen we door de bomen en over de stenen de richting te houden om na 1 km uit het bos te geraken. Dan zien we rechts de Voggeneselva met aan de overkant de hoogspanningslijn. Maar er is geen pad te bekennen. In het moeras liggen graspollen van ongeveer 30 cm hoog zo’n halve meter uit elkaar. We springen van graspol naar graspol en vorderen langzaam door het moeras. Na een half uur merken we het spoor van een quad en wat verder komen we op een veldweg vol grote plassen en met lange stroken modder. Deze veldweg leidt ons door een Rengarde en uiteindelijk naar de E6. Het laatste stuk van deze ongemarkeerde route was een calvarietocht en met het einde in zicht zijn we allebei doodmoe. Er komen ons twee jongeren tegemoet. Zij komen van Nordkapp en zoeken, net zoals wij, alternatieve wegen. Dit zijn de eerste wandelaars die we sinds Kautokeino ontmoeten. Desgevraagd, geven we hen gedetailleerde informatie zodat ze het pad dat we hebben gevolgd in omgekeerde richting ook kunnen volgen. We tippen hen betreffende een mooie bivakplaats bij de Suolojohka.We gaan naar de hoofdweg en vinden een goed plekje voor onze tent bij een leegstaand buitenverblijfje. Er staan zelfs tuinstoelen met tafel en wij kunnen voor ons avondmaal op het terrasje zitten uit de wind. Het wordt snel bitter koud. Van lang nagenieten op het terras is geen sprake. Bibberend zoeken we snel de beschutting van onze tent en de warmte van de slaapzak op.

Foto’s:
- Het Leirbotnvannet of Ráirrojávri
- Het Leirbotnvannet of Ráirrojávri
- Pauze bij een zijrivier van de Stokkdalselva
- Het Bigášjávri
- Op weg naar het Bigášjávri
- Begin alternatief pad over Sennalandet
- Rendieren zijn overvloedig aanwezig in Sennalandet
- Oversteek van een meer in Sennalandet
- Oversteek van de Voggeneselva
- Dicht bij de Suolojohka
- Het pad naast de Voggeneselva voorbij de Suolojohka met de Okseberget

Dag 25: 21/08/2010. E6x883 + 18 km – Skáidi + 10 km: 42 km.

We ontwaken in miezerig weer dat de belofte inhoudt voor een grijze dag. Het wolkendek dat laag over de vlakte hangt zorgt ervoor dat het opvallend minder koud is. Bij Áisaroaivi steken we de Repparfjordelva over. We hadden initieel het plan opgevat om ook hier een alternatief ongemerkt pad te volgen dat in noordoostelijke richting de vallei van de Skadjavárjohka volgt, dan afbuigt naar het noorden om 2 km voor Skáidi terug naar de E6 af te buigen. Onze ervaring met een dergelijk ‘pad’ gisteren en de kaartinformatie die ons laat vermoeden dat het grootste deel ervan door moerassig gebied loopt, doen ons van dit plan afzien. We blijven de E6 volgen die de loop van de Repparfjordelva volgt. Deze rivier wordt stroomafwaarts steeds breder en ligt almaar dieper in een uitgesneden dal. Het is een waterloop die geliefd is bij vissers. Meer bepaald bij de sportvissers op zalm. Ik heb hier ooit meegemaakt dat die hier tegen de avond aankwamen om gans de nacht, die in juli niet donker werd, door te vissen om dan ’s morgens vroeg met de buit, een paar grote zalmen, huiswaarts te trekken voor de zalmbarbecue. Vanuit de Repparfjord komen de zalmen in groten getale de rivier opzwemmen om er kuit te schieten. De rivier is op vele plaatsen niet echt diep. We zien de hengelaars met hun waterdichte broeken door de bedding lopen. Ze zwaaien met hun vislijn over en weer over het wateroppervlak en hebben geen oog voor een paar stappers langs de weg. Waarvan er een is die een beetje hinkend en pijnlijk vordert. Het gaat nu steeds bergaf en misschien daardoor krijgt Roger een stekende pijn in zijn linkerenkel. Bij elke stap. Met een steunverband, een lager tempo en langere en/of extra rustpauzes hopen we op beterschap. We rusten een eerste keer op een picknickplaats naast de weg iets voorbij Ásarnjunni. We zetten ons aan een van de picknicktafels en hebben er een prachtig zicht op de Repparfjordelva die diep beneden ruisend zijn weg naar het noorden vervolgt. Achter ons staat een Spaanse camper. Onze bezoek is blijkbaar storend want ineens wordt de wagen 20 meter verzet. Onze volgende pauze is bij Knottheim, waar de brede Repparfjordelva plots versmalt en in een nog dieper dal stormenderhand verder loopt. Een uurtje verder, waar de Doggejohka de Repparfjordelva komt vervoegen, staan een paar chalets. We horen het getimmer aan nog een paar van die buitenverblijfjes in opbouw. Allemaal Noren die zich hier in de rivier kunnen uitleven in hun favoriete sport: hengelen op zalm. We nemen hier onze middagpauze. We zijn er getuige van hoe een van die vissers zeer behendig en voorzichtig een zalm, die aan zijn haak hangt, naar zich toe brengt. Het dier geeft niet af, pletst met zijn staart in het water en dwingt de visser steeds weer de lijn te vieren. Uiteindelijk zegeviert de mens op het dier. Maar de mens heeft een goed hart. Hij verwijdert de vishaak uit de bek van de zalm en laat het dier lieflijk en zachtjes terug het water inglijden. Langzaam en onbegrijpend zwemt de gekwetste vis terug naar het midden van de rivier. De man beweert dat hij al genoeg vissen gevangen heeft. Het is hem om de sport te doen. We trekken verder naar Skáidi waar we onze bevoorrading aanvullen. Hier is een bushalte waar de bussen richting Alta en richting Hammerfest samenkomen. Er is een hotel, een restaurant en een souvenirshop. We profiteren hiervan en doen ons te goed aan koffie met cake. De avonden zijn nu meestal te koud om nog buiten te eten. We besluiten om, zodra we water vinden, ons avondmaal te eten. Daarna zullen we nog wat verder lopen tot we een bivakplaats vinden om er onze tent te zetten en onmiddellijk te gaan slapen. Om 18h15 kruisen we de Háhttirjohka. Op een zijweg staat, 20 meter terug, een bank en we kunnen er aan water. Het is toch al redelijk koud en de druk op onze gasfles is bijzonder laag. We moeten een klein vuurtje maken, daarin onze gasfles verwarmen en zodoende voldoende druk creëren om te kunnen koken. Aan de andere kant van de E6 loopt de oude weg verder. Volledig begroeid met laag gras en uitdijend struikgewas langs de kanten. Het miezerig weer heeft de aarden weg nat en glibberig gemaakt. We moeten toch een tijdje zoeken vooraleer we een geschikte bivakplaats vinden, ongeveer 1 km verwijderd van de plaats waar we gegeten hebben. Einde van een grijze , druilerige dag. Landschappelijk was er, behalve de Repparfjordelva die zich in een diepe kloof, soms smal en woest, dan weer breed en rustig, een weg baant naar de gelijknamige fjord ten oosten van Hammerfest, niets bijzonders te melden. In het oosten is op de grijze bewolking een heldere witte vacht geschilderd. Als op een met sneeuw bedekte bergrug. Maar daar in het oosten wacht ons de Porsangerfjord. Boven de fjord is het grauwe wolkendek opengescheurd. De zon, die nu laag staat in het westen, beschildert de oostelijke flank van de opening met heldere stralen licht die ons doen hopen op beter weer morgen. We kijken uit naar het weerzien met de fjorden.

Foto’s:
- De Repparfjordelva bij de Doggejohka
- Een hengelaar aan de Repparfjordelva
- De Repparfjordelva vóór Skáidi

Dag 26: 22/08/2010. Skáidi + 10 km – Ytre Nordmannset + 10 km: 38 km.

De nacht was koud en nat, met regen tot tegen de morgen. We eten vanwege de koude in onze tent en vertrekken om 7h00. We vervolgen onze tocht over de oude weg die nog steeds gekenmerkt wordt door een glibberige, met gras begroeide ondergrond en struikgewas dat aan beide kanten hardnekkige pogingen doet om de volledige weg te overwoekeren. We kunnen na een tijd de E6 oversteken waar aan de overzijde de oude weg beter begaanbaar is en vrij van oprukkend gewas. We lopen voorbij het Guonnajávri om 3 km verder terug op de E6 uit te komen waarover we onze weg vervolgen. De weg volgt de vallei van de Leaibevuonjohka en waar die dicht bij de weg komt, op 3 km van Olderfjord, nemen we onze eerste pauze van de dag. Roger heeft nu een dubbel steunverband rond zijn opspelende enkel gelegd en het stappen gaat hem nu beter af, met minder of geen pijn. Naar Olderfjord is het nog slechts een goed half uur lopen. Zoals we hadden ingecalculeerd, stellen we vast dat de voedingswinkel er gesloten is. Het is zondag, vandaar. We deden er goed aan ons in Skáidi te bevoorraden met Honningsvåg als horizon. Op zondag opent de winkel slechts tussen 16h00 en 18h00. Ook Olderfjord is een busstation waar de bussen vanuit Honningsvåg richting Alta of Lakselv elkaar ontmoeten. Vandaar dat hier ook een hotel, restaurant, café en souvenirshop te vinden is. In de souvenirshop kopen we ons wat koekjes voor bij de koffie die we gaan drinken in het café. Daar stellen we vast dat de tweede kop koffie, de zogenaamde refill, maar de helft kost van de eerste. Dat schijnt zo in gans Noorwegen gebruikelijk te zijn. Tussen de weg en de fjord ligt een camping. Het is er zeer rustig. Het lichtverschijnsel dat we gisterenavond opmerkten is er nog steeds. Meer diep in de fjord. Het grijze, maar droge weer is nog steeds ons deel. Maar ondanks die mindere helderheid gaat onze stemming pijlsnel de hoogte is. Het uitzicht over en langs de fjord is indrukwekkend mooi. Ik herinner me een plek bij Smørfjord waar ik in 2007, bij stormweer, genoot van de gastvrijheid van de Samis die me er een slaapplaats aanboden in een authentieke Samihut. Ik vind het plaatsje terug. Het is een soort openluchtmuseum. Het ligt verlaten aan het begin van een zijweg naar het schiereiland Bringnes. Van de hut van destijds blijven slechts de houten palen over die doelloos naar de hemel wijzen. Er staat een bordje waarop het toegangsgeld is aangegeven. Maar geen levende ziel valt hier te bespeuren. Het toerismeseizoen is dan ook al een tijd voorbij. We stappen naar een van de bezienswaardigheden, een bedekt Samihuisje. Het is de perfecte plaats voor onze middagpauze en het bereiden van onze lunch. We stappen verder noordwaarts langs de fjord. Diep ingesneden lagunes doen de weg kronkelen en laten ons de Porsangerfjord uit alle richtingen bewonderen. Na Ytre Nordmannset draaien we de 3 km lange Skarvbergtunnelen in. De Skarvberg stijgt hier praktisch verticaal uit de fjord omhoog naar over de 300 meter. Een tunnel is de enige mogelijkheid om deze hindernis te nemen. We lopen tussen de weg en de schuin omhooglopende rotswand. Er liggen stenen op deze smalle aarden strook en het regent zware druppels uit de met water verzadigde rotsen boven ons. Bij het naderen van een tegenliggend voertuig houden we halt. Doorlopen is te gevaarlijk wegens het risico om over een onopgemerkte steen ten val te komen. Het aantal tegenliggers kunnen we gelukkig op een hand tellen. Het is zondag en daardoor rustiger. Het is ook opmerkelijk dat we bijna geen trafiek zien van campingcars en caravans. Dat is in de maanden juni en juli wel anders. Toch zijn we blij als we terug in open lucht onze tocht kunnen verder zetten na een opluchtende pauze. In de baai van Sittarvuotna nemen we ons avondmaal. We moeten nu nog een bivakplaats vinden. Vanzelfsprekend is dat niet. De bergwand naast de fjord is steil en de smalle strook tussen weg en fjord ligt bezaaid met grote rotsfragmenten. Na nog een korte tunnel komen we aan de lagune van Ytre Sortvik. Er staat een souvenirshop. Of liever een zeshoekige hut waarin tijdens het seizoen souvenirs verkocht worden. Het raam en de deur zijn uitgetrapt. De hut is verder leeg, op een hoop rommel die over de vloer ligt uitgestrooid na. Roger ruimt het boeltje op en we hebben een perfecte slaapplaats. Beschut van regen en wind hoeven we slechts onze ondertent op de grond te spreiden en daarop onze slaapzakken. Slaapwel! Als de baai reeds in het donker ligt worden we plots opgeschrikt door lawaai. Aan de deur staan zes Polen, op tocht met de fiets. Ze beweren deze plaats te kennen en menen op basis daarvan het recht te hebben ons uit dit kraakpand te zetten om er zelf te kunnen overnachten. Ze misrekenen zich aan onze onverzettelijkheid. Na wat heen en weer geargumenteer gaan ze overleggen. Het rumoer blijft nog een tijd aanhouden. Wat kunnen wij tweeën beginnen tegen zes stoere Polen. Gelukkig wordt het dan stil en de volgende morgen blijkt dat ze in de onmiddellijke nabijheid van de hut, waar daarvoor trouwens een ruime geschikte plaats te vinden was, hun tentje opgezet hadden voor de nacht.

Foto’s:
- Op weg naar de Porsangerfjorden
- Olderfjord op de splitsing Alta-Nordkapp-Lakself
- De lagune van Olderfjorden
- Het Samigehucht op Bringnes
- Slaapkamer in de Samiwoning
- Werkplaats in de Samiwoning
- Eetplaats in de Samiwoning
- Samiwoning
- De Skarvberget
- De Skarvbergtunnelen
- De Veastirjohka achter de Skarvbergtunnelen
- Kloof bij Indre Sortvik
- Veelbelovende hemel in het noorden van de Porsangerfjorden
- De Virošgielas ten westen van Ytre Sortvik
- De lagune van Indre Sortvik
- Kraakpand als overnachtingsplaats bij Ytre Sortvik

Dag 27: 23/08/2010. Ytre Nordmannset + 10 km – Kåfjord + 4 km: 39 km.

De grijze wolken zijn boven de fjord blijven hangen. Sporadisch laten ze een straaltje zon door en tussendoor trakteren ze ons op gemiezer. Onze weg loopt verder aan de rand van de Porsangerfjorden. In het oosten is de overzijde van de fjord aan het zicht onttrokken en in het noordoosten gaat de fjord over in de Barentszzee. Op onze westflank rijst steil de Virošgielas omhoog waaruit kleine rivieren langs kloven zich stormenderhand een weg banen naar de fjord om er in een lagune uit te monden. Voor ons steekt een schiereilandje in de vorm van een ‘T’ de Porsangerfjord in. Het is Repvåg. Panelen nodigen ons uit om er te genieten van de specifieke fauna van het eiland. Er is daar een camping en zelfs een hotel. We nemen echter de bocht langs de Vedbotn en, een kilometer verder, langs de Strandbotn welke beide zo’n lagune zijn gevormd door de uitloop van een bergrivier. De ene komt uit het Vedbotnvatna (meer) en de andere uit het Strandvatnet. Het is koud en we zoeken een beschutte plek voor de middag. Links rijst de flank van de Store Børa steil omhoog en rechts helt een steen- en grasvlakte scherp naar de oeverlijn van de fjord. Er staan bij Lomholet hier en daar een paar hutten die gebruikt worden door vissers op de fjord. Achter een van deze kleine houten barakken zitten we beschut tegen de wind die van over de fjord uit het oosten koude en vochtigheid brengt. We dragen wat stenen aan als zitbank en bereiden ons middagmaal met de rug tegen de hut. Onze aanwezigheid blijft niet onopgemerkt. Weldra komt een Noor een praatje slaan. In feite komt hij controleren wat we aan het uitspoken zijn, maar is snel gerustgesteld en stelt daar verder geen vragen over. Hij begint dan maar over zichzelf te vertellen. Op de flank van de Store Børa, niet ver van de weg, heeft hij zijn chalet of zijn buitenverblijf. Hij beschikt er over internet, elektriciteit en TV. Hout haalt hij uit het bos. Verder beschikt hij over een 4x4, skiscooter, vissershuisje met boot enz. Officieel woont hij in Honningsvåg, maar meestal verblijft hij hier. Zijn beroep? Hij leeft van een uitkering wegens ziek. Hij ziet er nochtans fit en gezond uit. Roger zit nog met twee vragen die hem blijven kwellen en hoopt van de Noor een bevredigend antwoord te krijgen. Eerste vraag betreft de oranje besjes. Onze vriend houdt zich duidelijk niet onledig met het op zoek gaan naar deze nietige vruchten en maakt er zich van af met de melding dat die op sommige plaatsen te vinden zijn. Dat zal wel. Het tweede probleem heeft betrekking op de vaststelling dat de nummerplaten van de Noorse auto’s als kleuren zwarte letters en cijfers op een wit veld hebben. Maar niet allemaal. Sommige hebben groene letters en cijfers op een wit veld. Hier heeft de man uit Honningsvåg een uitleg voor. De voertuigen met maximaal 2 zitplaatsen hebben een nummerplaat met groene letters en cijfers. De andere met zwarte. De eerste categorie betaalt minder verkeersbelasting. We vervolgen onze weg en zien de E6 een linkse bocht maken van bijna 180° tegenover de lagune van de Porsangervikelva en dan weer een scherpe rechtse bocht rond een andere lagune van de Kåfjordelva. Tussen beide ligt het schiereiland Kåfjord. Hier was vroeger een veerdienst naar Honningsvåg. Die is er nu niet meer. Men heeft een tunnel gebouwd die onder de Magerøysundet loopt en de verbinding vormt tussen het vasteland en het eiland Magerøya. Het is van dit eiland dat Nordkapp de (toeristische) noordelijkste punt is. De Magerøysundet is de zeestraat tussen de Noordelijke IJszee en de Barentszzee. Vanaf de bocht bij Kåfjord hebben we een mooi zicht op Honningsvåg waar in de Sarnesfjorden bij de haven een gastanker ligt te wachten om gelost te worden. Onze gedachten zijn echter bij de tunnel die we door moeten. Het is reeds te laat om dit vanavond nog te proberen. We moeten fris zijn om deze onaangename doortocht te wagen. ’s Morgens vroeg verwachten we ook minder verkeer, wat onze veiligheid ten goede moet komen. In de laatste bocht voor de tunnel komt de Vestretindelva vanuit de hoogte aangestormd en vormt er een mooie lagune, de Skuohtavuotna. Een uitgelezen bivakplaats. We luisteren naar het rustig kabbelen van de golven die uit het oosten op de oever van de lagune uitsterven. Een miezerige regen waait weldra de heuvels op. Een scherp, onophoudelijk gepiep stoort onze nachtrust. Het is een afschrikkingsgeluid aan de ingang van de tunnel. Dat moet verhinderen dat rendieren het bouwwerk binnenlopen.

Foto’s:
- De lagune van de Vedbotn bij Repvåg
- De Kåfjorden met daarachter het schiereiland Kåfjord
- De Kåfjorden
- De Kåfjordelva
- Namiddagpauze bij de Kåfjordelva
- De Sarnesfjorden bij Honningsvåg
- Honningsvåg zichtbaar over de fjord
- Bivak aan de ingang van de Nordkapptunnelen

Dag 28: 24/08/2010. Kåfjord + 4 km – Nordkapp camping + 13 km: 41 km.

Na het ontbijt in de tent, bij miezerig weer, duiken wij meteen de tunnel in. Roger heeft een flikkerlichtje op zijn voorhoofd gebonden om zo toch een beetje de aandacht te trekken van de aankomende voertuigen. We lopen links tussen de rijbaan en de rotswand. Het pad is geasfalteerd en redelijk breed zodat we vlot kunnen stappen. De rotswanden zijn bepleisterd met een laag beton zodat we ook niet worden bekogeld met waterdruppels. Dat maakt het stappen een stuk gemakkelijker en veiliger dan in 2007. Het eerste deel bestaat uit een afdaling naar 212 m onder zeeniveau. In deze vroege morgen is er nog weinig of geen verkeer. We kunnen dus meestal op het wegdek zelf lopen. Als we het geluid horen van een voertuig achter ons of de lichten van een voertuig voor ons, stappen we opzij naar het strookje onder de rotswand en blijven er verder stappen tot het voertuig gepasseerd is. We vorderen uiteraard zeer snel. Het verwondert me dat ik het helse geluid niet hoor van de ventilatoren. Deze blijken niet te draaien. Een meevaller voor onze gehoororganen. Na 3 km dalen volgt een stukje vlak om dan te beginnen aan de laatste 3 km. Deze gaan nu wel in stijgende lijn en met een constante helling van 10%. We moeten uiteraard onze snelheid temperen. Het wordt steeds lastiger. Vetreserves hebben we niet meer en we voelen onze tank met calorieën leeglopen. Plots gaan ook de ventilatoren draaien. Die worden aangestuurd door de graad van vervuiling in de tunnel. Na een uur is de trafiek toegenomen en met de trafiek ook de vervuiling met uitlaatgassen die we al een tijdje mochten ruiken. De ventilatoren brengen niet alleen hels kabaal. Ze zorgen voor een luchtverplaatsing die voor ons neerkomt op een forse tegenwind. Bergop en tegenwind. Het gaat steeds moeilijker. Er lijkt ook geen einde aan te komen. Van even te rusten kan geen sprake zijn. Als we het flauwe licht zien als voorbode van het einde van de tunnel bijten we nog eens extra op de tanden. Opgelucht kunnen we letterlijk naar adem happen bij de tolhuisjes aan de uitgang. Aangezien hier tijdens het toeristisch seizoen veel verkeer moet zijn, is er een sanitair blok voorhanden. De wc’s zijn zeer ruim en beschikken over warm en koud water. Wat een luxe. We zijn hier nu de enigen die er gebruik van maken. Roger neemt de gewone WC en ik deze voor de gehandicapten. Ruimte zat. We geven ons een complete wasbeurt en scheren ons. Het zweet en het afzien in de tunnel wassen we hiermee ook weg. Na nog een korte rustpauze voelen we ons weer prima in ons vel en stappen het viaduct over dat een inham van de Sarnesfjorden, de Kobbholet, overbrugt. Roger heeft de tunnel nog niet verwerkt. Zijn energietank is volledig leeg. We moeten een extra pauze inlassen bij Sarnes. Er rest Roger nog een ernergiereep meegenomen vanuit België. Met daarbovenop een flink stuk chocolade is hij snel weer gewapend voor het resterend stuk naar Honningsvåg. We bereiken de stad zonder problemen na nog tunnels van 190 en 4000 meter. We moeten niet te ver in de richting van het centrum uitwijken om een supermarkt te vinden. We kopen er ons middagmaal en slaan de bevoorrading in voor de volgende dagen. Alhoewel wij beiden krap bij kas zitten besluiten we te wachten tot onze terugkeer in Honningsvåg om extra geld uit de muur te halen. Dit bespaart ons toch ongeveer 7 km naar en van het centrum. We keren terug en gaan nu definitief richting Nordkapp. Voorbij de airstrip van Honningsvåg komen we terug in een prachtige omgeving langs de Skipsfjorden. De lucht is grijs en laat de zon geen schijn van kans. Toch is het hier zeer mooi. Als dan nog eens een schaarse zonnestraal de flanken van de bergen die de fjord begrenzen doet oplichten staan we even bewonderend stil. Bij de Nordkapp camping doen we navraag om hier binnen een paar dagen een nachtje te camperen. We stellen vast dat geen van ons hiervoor nog over een toereikend aantal NOKs beschikt. We drinken een paar koppen koffie en zetten onze tocht verder. Het gaat nu lang en vrij steil omhoog langs kale hellingen tot wij een hoogplateau bereiken. Beneden ons zien we het afgedamde meer bij Skipsfjord. Aan het Skipsfjordvatna maken we een bocht van 180°. Bomen of enige andere begroeiing is niet meer te bespeuren. De boomgrens ligt hier ongeveer op zeeniveau. Een paar kilometer voorbij de weg naar Gjesvær nemen we nog een pauze. De mooie zichten volgen elkaar op, soms overgoten met een steeds breder wordende streep zon. Rechts zien we de Kamøyfjorden die uitloopt in de Barentszzee. Links zien we de smalle Tufjorden als een lange gestrekte vinger vanuit de Noordelijke Ijszee. Daartussen lopen we nu weer bergaf naar de kruising met de weg naar Skarsvåg. Een paneel duidt aan dat hier de meest noordelijke camping van Europa gelegen is. Maar we weten wel beter. Bij dit kruispunt liggen 2 meren. Het Rundvatnet en het Laksevatnet. Daar maken we ons bivak.

Foto’s:
- Nordkapp tunnelen
- De Sarnesfjorden
- Korte tunnel bij Ole Arntsavika
- Gastanker in de Sarnesfjorden
- De Skipsfjorden
- Langs de Skipsfjorden
- De airstrip van Honningsvåg aan de overkant van de Skipsfjorden
- De Skipsfjorden
- De Duksfjorden
- Het stuwmeer bij Skipsfjord
- Op het plateau voorbij Skipsfjord
- De Tufjorden
- De Duksfjordfjellet

Dag 29: 25/08/2010. Nordkapp camping + 13 km - Knivskjelodden: 27 km.

Zoals we tot nog toe met de regelmaat van de klok gedaan hebben staan we op om 6h00. Deze keer met wat meer spanning dan anders. Dit moet de grote dag worden. Het doel van onze trektocht, de Noordkaap, gaan we vandaag bereiken. Vandaag verjaart Kristianne. Geen betere, of romantischer plaats om haar een verjaardag te wensen dan vanuit Nordkapp. We veranderen daarom onze planning en zullen eerst naar Nordkapp trekken en daarna naar Knivskjelodden om er te kamperen. De lucht ziet er maar somber uit. Na ons ontbijt en het opruimen van ons bivak zijn we om 7h15 klaar om te vertrekken. In het noorden zien we al meer blauwe gaten in het wolkendek en naarmate we verder noordwaarts trekken wringen de zonnestralen zich een steeds grotere opening in de grauwe hemel. Na een lange afdaling gevolgd door weer een lange klim lopen we voorbij het punt waar het pad naar Knivskjelodden de weg verlaat. We inspecteren het begin van het pad en stellen vast dat ook dit niet zo vanzelfsprekend te volgen is. We bevinden ons op een hoogte van iets meer dan 300 meter. Nordkapp ligt op 309 meter. De weg blijft stijgen en dalen tot we het eindpunt voor ons zien. Links de Noordelijke IJszee en rechts de Barentszzee. Daartussen, op de punt, de rotswand van Nordkapp die bijna verticaal 309 meter opstijgt uit de branding. De toegang tot de kaap is afgezet met tolhuisjes. Toegangsprijs per persoon 245 NOK of 35 euro. Dat lijkt ons eerder diefstal dan verantwoord entreegeld. Zoveel geld hebben we trouwens niet bij. Ik probeer het loket voorbij te glippen, maar word teruggefloten door het loketmannetje. Roger volgt op afstand en denkt dat we nu niet alleen het entreegeld maar ook nog een boete zullen moeten betalen. Ik begin mijn verhaal over onze zware en lange voettocht en dat het toch hemeltergend zou zijn dat we op de koop toe nog eens zwaar zouden moeten betalen om, tenslotte te voet, ons einddoel te betreden. Ik vul nog aan met het verhaal over mijn tocht naar hier 3 jaar geleden. De laatste dag in verschrikkelijk weer en dikke mist zodat ik toen niets heb kunnen zien, noch van de omgeving, noch van de Noordkaap. Dat ik toen ook niet hoefde te betalen maar daarentegen zelfs een koffie met een wafel aangeboden kreeg ter compensatie van mijn ontberingen blijkt het mannetje te vermurwen. Als ik hem vertel dat ik, als enige wandelaar naar Nordkapp, zelfs figureer in de promotiefilm over dit oord, gaat hij overstag. We mogen verder, maar niets erover vertellen in het paviljoen. Wat zouden we. Om 10h07 zetten we voet op het (bijna) meest noordelijke punt van Europa. Nordkapp ligt op 71°10’21” noorderbreedte. Roger belt meteen naar zijn vrouwtje om haar te feliciteren met haar verjaardag. 65 jaar, met als toemaat vanaf vandaag ook nog officieel op pensioen. Autocars komen af en aan met toeristen. Ze komen allemaal van Honningsvåg waar ze zijn aangemeerd met de Hurtigruten. De Hurtigruten is een reis per cruiseschip in 10 etappes langs de Noorse kust tussen Bergen en Kirkenes. In de voormiddag arriveert er in Honningsvåg een boot vanuit Hammerfest en in de namiddag een boot vanuit Kirkenes. De passagiers gaan er even aan wal om met de bus een blitzbezoek aan Nordkapp te brengen. Dat levert massa’s toeristen en massa’s inkomsten. Op de vlakte bij de rots hebben we een prachtig zicht op Knivskjelodden en de noordelijke zeeën die voorbij de horizon overgaan in de ijsvlakte van de noordpool. Op het plateau is hier weinig te zien. Men heeft moeite gedaan om een paar gedenkstenen te plaatsen. Het belangrijkste punt is de open wereldbol. Daar wordt aangeschoven om een niet te missen foto te maken. We doen niet anders. Terug in het paviljoen hebben we trek in een kop koffie. Roger gaat die halen en komt terug met een dubbele espresso. Die was goedkoper dan 2 normale koppen koffie. Maar dat we een koffie ter grootte van een grote vingerhoed voorgeschoteld zouden krijgen had hij niet verwacht. Wel een koffie die dubbel zo groot was. We halen onze kookpot van 1 ltr boven, gieten er de espresso in en vullen aan met de melk die in een kan vrij beschikbaar is als koffiemelk. Suiker is er ook vrij te verkrijgen. Uiteindelijk zijn we nog ruim en goedkoop gediend. Om het half uur is er een promotiefilm over Nordkapp en het leven in deze noordelijke uithoek. Het is een prachtige film die de evolutie van de lokale omstandigheden door de seizoenen heen evoceert. Tijdens het zomerseizoen, als de Nordkapp de toeristen aantrekt, zie ik mezelf al stappend op de weg naar Nordkapp. Ik herinner me dat deze shoot gemaakt is de voorlaatste dag van mijn tocht in 2007 toen ik bij de Skipsfjorden passeerde en men er de promotiefilm aan het maken was. Op ontdekkingstocht in het paviljoen passeren we de verlaten champagnebar. Op de toog staat een grabbelbokaal met reclamechocolaatjes van de Rica-hotelketen die de Nordkapp site uitbaat of, anders gezegd, de bezoekers uitbuit. Zelfs deze miniatuurchocolaatjes staan geprijsd aan 1 euro. Zonder afgesproken te hebben blijken we even later beiden, onafhankelijk van elkaar, onze zakken met Rica-chocolaatjes gevuld te hebben. We eten ons middagmaal op de zogezegde camping aan de Nordkapp. Die stelt niet veel voor en is de naam camping onwaardig. Het is niets meer dan een groot parkeerterrein zonder enige andere voorziening. Gelukkig staat er een onbewoond privéhuisje. Op het terras ervan zitten we comfortabel en beschut. We keren terug naar het punt waar het pad naar Knivskjelodden aanvangt. Het pad is 9 km lang en kan beschouwd worden als een samenvatting van alle soorten paden die we tijdens deze lange trektocht doorlopen hebben. Nauwelijks herkenbaar of getraceerd pad, stenig terrein, modder en moeras, rivieren, steile en gladde hellingen en op het einde schuin aflopend, glad graniet tot aan de uiterste punt van het schiereiland. Om 16h56 bereiken we de plaats die gemarkeerd is door een anderhalve meter hoge steen met een opschrift: KNIVSKJELODDEN  71 11 08  VARDER ER REIST AV. Dit is het echte meest noordelijke punt. Wat hogerop vinden we een bus waarin een bezoekersboek. Ik schrijf er onze namen in en noteer de overeenstemmende nummers: 513 en 514. In Honningsvåg kunnen we met dit nummer een diploma bekomen. Of liever, kopen. Niets is hier gratis. Van hieruit hebben we een prachtig zicht op de Nordkappklif. Een Hurtigrutenschip komt vanuit Honningsvåg aangevaren, rondt de Nordkapp en vaart van de Barentszzee de Noordelijke IJszee in. We keren op onze stappen terug, over de gladde schuine rotsen en nadien stenen tot bij de Knivskjelvika die uitmondt in de Knivskjelbukta. We volgen de rivier tot aan de branding en zetten er onze tent op. Op deze meest noordelijke kampeerplaats van Europa, echter door niemand gekend. De zon komt nog even laag tevoorschijn onder de westelijke wolken en zet de klif van de noordkaap in een felle gloed. Aandrijvende wolken vegen de gloed uit en dompelen de avond in regen. In onze tent horen we afwisselend het kabbelen van de Knivskjelvika, het gedreun van de woeste branding in deze baai van de Barentszzee en het getokkel van de regendruppels. Een zalig gevoel. Opdracht volbracht. Morgen begint de terugreis.

Foto’s:
- Gearriveerd
- De Vestfjorden
- Het schiereiland Knivskjelodden
- De klif van Nordkapp
- De trekkers bij het einddoel
- De Tufjorden in de diepte
- De noordkaapklif aan de overzijde van de Knivskjelbukta
- De Knivskjelvika en de branding van de Barentszzee
- Het noordelijkste punt van Europa: Knivskjelodden
- De Hurtigruten op weg naar Hammerfest
- Bivakplaats op Knivskjelodden
- Nordkapp in volle gloed tegenover ons bivak

Dag 30: 26/08/2010. Knivskjelodden - Nordkapp camping: 28 km.

De dag begint in miezerig weer. Dat is bijna een constante de laatste dagen. De top van de noordkaap is gehuld in een laag mist die vanuit het noorden op de klif aandrijft. Daarboven een ononderbroken grijs wolkendek. We prijzen ons gelukkig met de weersomstandigheden die ons gisteren te beurt vielen. We drogen onze tent af voor we ze opplooien en opbergen. Deze wijsheid hebben we onderweg opgedaan. Aangezien alleen de buitentent nat is, heeft het afdrogen ervan als resultaat dat we ’s avonds over een relatief droge tent beschikken. Ook als we overdag geen gelegenheid gevonden hebben om de tent te laten drogen. Die gelegenheid kregen we de laatste dagen niet meer. Wat gisteren een steile afdaling was is nu een steile klim. Door de regen ligt het bergpad erg glad en glibberig. Zeer behoedzaam klimmen we van 0 naar 200 meter op de flank van de Svartrapet. Dan wordt het minder steil en steeds bergop en minder bergaf naar 320 meter juist voor het einde van het pad bij de weg. De stenen onderweg liggen er al even glad bij. We zoeken de minst modderige route en zijn blij als we, besmeurd tot boven de knieën, de hoofdweg bereiken. We zijn dan 2 uur onderweg geweest en rusten een poosje uit in de relatieve beschutting van het informatiepaneel. Alhoewel we de weg nu kennen, aangezien we gisteren uit de andere richting kwamen, zijn we toch verrast door de nog af te leggen afstand en door de lastigheidsgraad. Eerst volgt een afdaling van 320 naar 80 meter bij het Kjeftavatnet. Logisch volgt dan weer een klim. De top ervan ligt tegenover de Tufjorden op 220 meter. We zijn dan weer 2 uur aan het stappen geweest en het is middag. Er staan hier een paar picknicktafels waarvan we gebruik maken voor onze lunch. We hebben nog net water genoeg om voor ieder van ons een pak noedels te koken. We stijgen dan naar 250 meter en blijven een paar kilometer op ongeveer die hoogte lopen om dan eindelijk af te dalen naar Nordkapp camping bij Skipsfjord. We zijn behoorlijk moe als we de camping bereiken om 14h30. Ik mag betalen met mijn resterende SEKs, alhoewel ik er in feite een tiental te kort kom. Roger moet betalen met zijn kredietkaart. We zijn nu helemaal blut. Eerst onze tent zetten en dan een heerlijke warme douche. De lange broek wordt gewassen, maar de sporen van dagenlang modder zijn niet uit te wissen. We kunnen ons hier voor het eerst in ons nakie in de spiegel bekijken. Is me dat schrikken. Flink vermagerd. Het buikje van Roger is verdwenen en daarboven kunnen we onze ribben tellen. Verder slechts spieren over been. We installeren ons in de campingkeuken waar we kennis maken met een oude man uit Duitsland. Die verwijst ons naar de ijskast waar nog van alles in te vinden is. Allemaal achtergelaten door vorige bezoekers, beweert hij. Nu is hij hier nog de enige. Het geeft ons de raad te gebruiken wat nog te eten is en waar we zin in hebben. Niets vermoedend eigenen we ons een pakje brood toe en drinken een glas lekker fris fruitsap uit een achtergelaten brik. Wat later komen er nog 2 Hollandse koppels binnen. Roger heeft onze tafel gedekt en ons alvast een glas fruitsap uitgeschonken voor bij het eten. Tot een van de koppels er ons attent op maakt dat het hun fruitsap is. We hebben er nog niet van gedronken en geven de gevulde glazen aan de rechtmatige eigenaars. Met de nodige excuses en diep geaffronteerd. We kunnen al vermoeden wat die Hollanders van deze Belgen denken.

Dag 31: 27/08/2010. Nordkapp camping – (Honningsvåg – Alta): 8 km.

Wij staan op ons gewone uur, 6h00, op maar nemen rustig de tijd voor ons ontbijt zodat we voor ons laatste tochtje naar Honningsvåg vertrekken om 8h30. Roger heeft zijn wandelstokken opgekuist, ineengeschoven en reeds definitief opgeborgen in zijn rugzak. Elke stok heeft het onderweg, op verschillende momenten, begeven. Met een noodreparatie hebben ze tot het einde hun dienst kunnen bewijzen. Eenmaal thuis hoopt Roger ze degelijk te kunnen herstellen. Ik kan nog geen afscheid nemen van mijn berkenhouten wandelstok. Langs de airstrip, die links van ons de oever van de Skipsfjorden volgt, bereiken we na 8 km het centrum van Honningsvåg. We bezoeken eerst het tourist office. We weten snel waar we een supermarkt, een bank en het postkantoor kunnen vinden. Het busstation is op het plein voor het tourist office. Ik vraag naar het diploma voor het bezoeken van Knivskjelodden. Plots blijkt de procedure daarvoor veranderd te zijn. Niet in Honningsvåg, maar in Lakselv moet men daar nu voor zijn. Geen haar op mijn hoofd dat eraan denkt om daarvoor 150 km heen en weer te reizen. 50 NOKs uitgespaard (voor het diploma). We proberen onze garantie van 100 NOKs voor de sleutel van de DNT-hutten terug te krijgen. Het meisje aan de balie hoort het in Keulen donderen. Ze is ook nog niet lang in dienst en weet niet wat te doen. Onze hoop stijgt. Ze zoekt in wat dossiers maar vindt geen antwoord. Ze begint te beven. Ze doet een telefoontje maar krijgt ook van de andere kant van de lijn geen nuttige informatie. Ze beeft nu nog harder. We stellen haar op het gemak en blijven geduldig wachten. Een tweede telefoon brengt ook geen oplossing. De derde telefoon duurt veel langer. We vrezen al dat aan de andere kant van de lijn iemand hangt die ook de klepel weet hangen. Inderdaad, het meisje vertelt ons wat we al wisten. De sleutel kan enkel ingeleverd worden op de plaats waar we hem bekomen hebben. In Narvik dus. Stupide. We moeten de 100 NOK op onze debetzijde inschrijven. Roger koopt nog de nodige ansichtkaarten voor zijn familie. Allemaal dezelfde zodat er geen kritiek kan komen. We gaan dan nog een koffie drinken en Roger schrijft er zijn kaartjes. Logisch vervolg is een bezoek aan het postkantoor om het pakketje te verzenden. We zullen eerder thuis zijn dan de kaartjes. We gaan voor de laatste keer geld ophalen bij de bank zodat we een bezoek kunnen brengen aan de supermarkt. Bevoorraden hoeven we niet meer, enkel een middagmaal kopen. We kuieren nog wat rond in het centrum en de haven. Er liggen 2 cruiseschepen in de haven. De ene is aangemeerd aan de kade. Het is een schip van de Hurtigruten. Een ander ligt in de baai van de fjord. De passagiers ervan worden in navettes naar de kade gebracht, recht een souvenirwinkel in. Wat verder staan de bussen te wachten die hen even naar Nordkapp zullen brengen. We gaan een kop koffie drinken. We ontmoeten er onze Duitse vriend van op de camping. Hij toert hier zomaar wat rond met de fiets. Hij wacht de komst af van zijn vrouw. Ze arriveert een van de komende dagen met een Hurtigrutenschip. Dan zullen ze samen per schip verder reizen en ten slotte met een huurauto terug naar Duitsland. Bij de koffie vernemen we dat hij een dominee op rust is. Echt een toffe kerel en net als Roger 68 jaar. Het is nog lang wachten op de bus die vertrekt om 15h20. Ik probeer 50% korting te krijgen als gepensioneerde. De chauffeur vraagt of ik daarvoor een bewijsstuk heb. Ik weet dat men in Noorwegen gepensioneerd is vanaf 67 jaar. Dus moet ik passen. Roger haalt zijn paspoort boven en verdient daarmee 200 NOK. Hij betaalt 222 NOK tegenover de 420 die ik moet ophoesten. De reis verloopt vlot en wij volgen grotendeels de weg die wij te voet, in tegengestelde richting, hebben afgelegd. Dit roept herinneringen op aan plaatsen waar we gerust of geslapen hebben, prachtige of merkwaardige dingen gezien hebben of in moeilijkheden verkeerden. We verwonderen ons over de grote afstanden die wij dagelijks aflegden. Er wordt nog eens halt gehouden in Olderfjord en Skáidi waar er mogelijkheid is een aansluitende busverbinding te nemen naar Lakselv of Hammerfest. Uiteindelijk zit de bus afgeladen vol. De chauffeur is bereid te stoppen niet ver van onze camping in Alta. In principe kan je hier de bussen overal halt laten houden waar er naast de weg gelegenheid is om dit veilig te doen. We moeten hoop en al 100 meter stappen naar de camping. We hoeven hier slechts de helft van het tarief te betalen en installeren onze tent in de nabijheid van het keukentje. Het is er allemaal vrij primitief. We zijn hier echter, op een fietsende Duitser na, de enige gasten. De fietser is op weg naar de noordkaap. Het is onvoorstelbaar wat die allemaal aan eten bij heeft. Hij komt zeker een paar weken toe. Het is ons opgevallen dat de fietsers, ten opzichte van ons, steeds overladen zijn. Ze kunnen ruimere afstanden per dag afleggen, volgen meestal de autoweg en zijn dus veel frequenter in de mogelijkheid om inkopen te doen. Toch sleuren ze eten mee in hoeveelheden die we onmogelijk met de rugzak zouden kunnen torsen. Ieder zijn goesting. De lage zon speelt verstoppertje tussen de bomen op het tentterrein voor het keukengebouwtje. Op het terras ervan staat een zetel. Ingeduffeld halen we er nog wat herinneringen op. We schuiven op de zetel mee met de laatste zonnestralen van de dag.

Foto’s:
- Cruiseschip van de Hurtigruten in de haven van Honningsvåg
- Met een navette worden de passagiers van een cruiseschip aan wal gebracht

Dag 32: 28/08/2010. Alta camping – Alta - Alta Camping: 14 km.

Onze camping ligt in Kronstad, naast de Tverelva die wat verder in de Altafjorden uitmondt. We staan op het gewone uur op en nemen ruim de tijd voor het ontbijt. We nemen afscheid van de Duitse fietser die, een tros bananen nog uitpuilend uit een van zijn fietszakken, vertrekt richting noordkaap. Hem wacht nog een zware tocht. Vele lange stukken bergop in weersomstandigheden die alsmaar grijzer en kouder worden. Ik heb mijn lange broek gisterenavond nog eens extra gewassen en deze morgen is die nog niet droog. Ik moet in korte broek op stap. We stappen eerst naar de luchthaven zodat we weten hoelang we daar morgen ongeveer zullen op stappen. We vertrekken om 8h20 en staan voor de deur van de luchthaven om 9h00. 40 minuten staptijd. De luchthaven ligt er totaal verlaten bij. Op de tarmac staan 2 vliegtuigjes aan de grond met wapperende linten aan de vleugels. Van daar naar het centrum slaan we, onachtzaam, een rond punt te vroeg af en verdwalen een beetje in een groene buitenwijk van de stad. Roger gaat ergens de weg vragen en met behulp van het kaartje van Alta dat we nog sinds onze eerste doortocht hier bij hebben, vinden we de weg naar het centrum. Vanaf de luchthaven zijn we drie kwartier onderweg geweest. We dolen wat rond in het shopping center en drinken een koffie. Het is merkwaardig hoe leeg de stad is. In de bar zitten wat jonge mensen. Ze komen er ontbijten of, wat later, lunchen. Wij bekijken de menukaart met verbaasde blik. De prijzen swingen hier de pan uit. Ongeveer het dubbele van bij ons. Onze keuze is dan ook selectief en op prijs georiënteerd. Maar die jonge gasten, nog studenten, hebben daar blijkbaar geen probleem mee. De lonen van hun ouders zijn blijkbaar in verhouding met de prijzen van de voedingswaren. We lopen het shopping center nog eens door van onder naar boven en van voor naar achter. Tot het tijd wordt om aan eten te denken. Maar eerst proberen we nog een laatste keer onze DNT-sleutel verkocht te krijgen in het tourist office. Vergeefse moeite. We kopen ons middagmaal in de supermarkt en willen lunchen aan een tafeltje met twee stoelen bij de ingang. Een stoel is bezet door een trol. Roger bezet de andere stoel. Ondertussen hebben we gemerkt dat de trol in feite een vrouw is die blijkbaar op haar man zit te wachten. Het duurt een tijdje voor die terugkomt. We zijn nu met vieren voor twee stoelen. Uiteindelijk staat de trol op en verlaat de supermarkt. De plek ziet er nu veel gezelliger uit en we storten ons op ons middagmaal. Als we de terugweg aanvangen is de zon definitief door een grijs wolkendek verborgen. In mijn korte broek heb ik geen overschot want het is nu vrij koud. We stappen flink door om ons warm te houden. Bij een supermarkt op onze terugweg doen wij onze laatste inkopen voor vandaag en morgen en gaan dan terug naar de camping. Het is nog maar 15h00 en we moeten zien de tijd te doden met herinneringen ophalen en nog maar eens onze rugzak in orde te brengen. We beginnen wat vroeger aan ons laatste avondmaal en nadien volgt een speciale ceremonie. We hebben een pak hout verzameld en maken een kampvuur. We gaan mijn wandelstok verbranden. Hem meenemen kan ik spijtig genoeg niet en ik wil niet dat iemand anders de stok erft die waarschijnlijk meermaals mijn leven tijdens deze tocht gered heeft. We laten hem langzaam terugkeren naar zijn oorsprong: as. Tot uit het laatste overblijvend stukje ervan de vlammen doven en er nog slechts een stompje gloeiende houtskool overblijft waaruit donkere wolkpluimpjes met de wind meedansen. Het knetteren van het kampvuur sterft uit. We worden zwijgzaam en overdenken een maand van avontuur, afzien, ontbering en veel euforische momenten. We denken ook aan morgen, het terugzien van onze dierbaren en de terugkeer in een goed georganiseerde maatschappij waar overvloed de gewoonste zaak van de wereld lijkt.

Foto’s:
- Roger steekt de vlam aan mijn wandelstok
- Ceremoniële verbranding van mijn wandelstok

Dag 33: 29/08/2010. Alta Camping – (Alta – Oslo – Zaventem – Zwijndrecht): 4 km.

We kunnen het niet laten: we staan op om 6h00. Na een uitgebreid ontbijt volgt een uitgebreide en grondige waspartij. Niet wetende wat te doen vertrekken we om 7h30 naar de luchthaven. De deuren zijn er nog gesloten en we moeten buiten wachten tot de deuren om 9h00 opengaan. We zijn er de eerste reizigers. We maken onze rugzak bagageklaar en checken in. Onze vlucht naar Oslo vertrekt om 11h20 en we hebben dus ruim de tijd voor een kop koffie. In de wachtzaal worden we lastig gevallen door een onguur uitziend persoon. Hij neemt aanstoot aan de blikken die we in zijn richting werpen. De manier waarop hij gekleed en getooid is vraagt echter om aandacht. Bij het inchecken staan we in de rij met een groep sportief geklede jonge dames. Al lachend zeg ik tegen Roger: ‘The footballteam of Alta’. Het blijkt nog juist te zijn ook. Als zich bij de groep een potige meid aansluit vervolg ik: ‘this must be the goalkeeper’. Weer de nagel op de kop. We zijn getuige van een voor ons nieuw technisch hoogstandje. Bij het inchecken zijn er twee toegangen. De ene is voor degene die hun identiteit moeten bewijzen met hun identiteitskaart of iets evenwaardig. Bij de andere staat een vingerafdruklezer. Wie bij het kopen van zijn ticket zijn vingerafdruk elektronisch heeft laten lezen, gebruikt die toegang. De vinger wordt op een elektronische lezer gelegd en de deur gaat open. Vlot en feilloos. Tenzij men het probeert met een afgehakte vinger. De vlucht met SAS naar Oslo verloopt feilloos en we landen om13h20. We hebben nu tot 16h15 de tijd voor de aansluiting naar Brussel. We hebben ons middagmaal in Alta klaargemaakt en meegenomen. We moeten enkel nog een kop koffie gaan kopen. Hier is de refill van de koffie zelfs gratis. De SAS vlucht vertrekt stipt en landt in Zaventem om 18h00. Marc, de zoon van Roger, komt ons afhalen. Kristianne is er bij en kan haar ogen niet geloven. Ze moet de fel vermagerde Roger langdurig betasten om er zeker van te zijn dat het wel degelijk haar Roger is. Ook ik kan hier en daar een kneep niet ontwijken. Op weg naar huis worden we al uitgevraagd en kunnen we niet onderuit aan het beginnen vertellen van een verhaal zonder einde.

Foto’s:
- De luchthaven van Alta
- De luchthaven van Alta
- SAS bracht ons naar huis