De voorgeschiedenis
In november 1978 komt Johan Bastiaensen in Oedelem wonen, meer bepaald op de wijk Nieuwendorpe. Hij is logopedist en afkomstig uit de Kempen. Maar. laten we hem zelf aan het woord: " Ik kreeg het idee naar het gemeentehuis te stappen in de hoop dat ze daar enige inlichtingen zouden kunnen geven i.v.m. het verenigingsleven. Daar botste ik op de gemeenteontvanger (Placide Decuyper) en ik vroeg hem of hij mij geen lijst kon bezorgen met de namen van de verschillende verenigingen. Neen, hij kon me niet helpen. Toen vroeg hij: "Is er iets dat u speciaal interesseert?" Ik vroeg hem: "Is er geen toneelgroep waar ik me bij kan aansluiten?" Die was er niet. Maar hij zou mijn vraag en mijn naam overmaken aan het gemeentebestuur en aan de cultuurraad. Zo is dan alles in een stroomversnelling terechtgekomen, en dit dank zij de volle medewerking van enerzijds de gemeente in de persoon van de schepen van cultuur, de heer André Van Belleghem en van de cultuurraad anderzijds in de persoon van Donald Bouchez. Aan deze beide heren is het ook te danken dat Wonnebronne een groep van 'Groot-Beernem' is geworden. Zelf wist ik nog niet eens dat Oedelem gefusioneerd was." Tot hier Johan zelf, in zijn speech tijdens het toneelfeest van mei 1984 als afronding van het eerste lustrum van Wonnebronne.
Mijn eerste contact met de nog op te richten toneelvereniging is een mededeling in het "Brugsh Handelsblad" van begin februari 1979. Onder de hoofding "Beernem" staat tussen ander nieuws uit de gemeente een artikeltje dat ongeveer klinkt als: ".Johan Bastiaensen heeft plannen om alhier een toneelvereniging op te richten. Geïnteresseerden wenden zich tot André Van Belleghem of Donald Bouchez." .
Ik geef mij aan als geïnteresseerde en enkele weken later word ik uitgenodigd voor een eerste vergadering, begin maart 1979, in het gemeentehuis te Beernem. Ik ben echter ziek en kan bijgevolg die allereerste vergadering niet bijwonen. Een 14-tal dagen later wordt een nieuwe vergadering belegd en ditmaal ben ik wel aanwezig.
Na een inleiding door André Van Belleghem en Donald Bouchez komt Johan Bastiaensen aan het woord. Hij heeft al een aantal toneelbrochures meegebracht en op zijn advies wordt reeds de keuze gemaakt voor het allereerste stuk "Ik ben er ... en ik blijf er", een franse komedie. Dezelfde avond worden voor de verschillende rollen reeds een aantal mogelijke kandidaten op papier gezet.
In mei 1979 wordt op het gemeentehuis van Oedelem een vergadering belegd om een bestuur samen te stellen. Het eerste bestuur is samengesteld uit Patrick Brouckaert (secretaris), Herman Van Haelemeersch (werkzaam bij de landelijke politie van Beernem en bijgevolg de ideale persoon voor de public relations), Johan Bastiaensen (stichter) en Caroline Landuyt (ondervoorzitster).
Voor het voorzittersschap denken we aan Valère Vandeweghe, lid van Kunst Adelt te Beernem. Valère is op deze vergadering niet aanwezig, maar is wel zeer geïnteresseerd in de nieuw opgerichte groep.
Laat ik nu terug Johan aan het woord: ".Bij ons eerste contact had ik het gevoel dat hij een beetje voorzichtig was geworden omdat hij ervaren had bij 'Kunst Adelt' hoe moeilijk het geworden was om toneel te brengen. Misschien voelde hij zich ook wat minder jong dan de meeste medestichters en wist hij niet goed welk vlees hij in de kuip had met 'die Limburger'. Patrick en ikzelf zijn toen op een avond Valère gaan opzoeken en hem het voorzittersschap aangeboden en nu vijf jaar later is hij het nog, maar nu gekozen vanaf de eerste stemronde door de leden."
Op de vergadering van mei 1979 werden de rollen voor "Ik ben er. en ik blijf er" definitief toegekend. Begijn september 1979 beginnen de repetities, onder de regie van Johan Bastiaensen, in het Medisch Pedagogisch Instituut in de Beernemstraat te Oedelem.
Terug Johan: " Ondertussen werd het september 1979. André Van Belleghem en Donald Bouchez namen contact met ons op, ditmaal voor een meer zakelijke aangelegenheid. We hadden al eens laten horen dat om toneel te spelen er zaad in 't bakske moet zijn en wij hadden zelfs nog geen bakske. Men deed ons het volgende voorstel. We zouden 5000fr. krijgen als startpremie van de cultuurraad en ook mochten we de bar uitbaten op de infobeurs die de cultuurraad inrichtte in de spothal te Oedelem ter gelegenheid van de septemberkermis. We hebben dat gretig aanvaard (ik zeg 'we' omdat we toen reeds een erg actief bestuur hadden en ik verklap geen geheimen als ik jullie vertel dat we daar ongeveer 14000 frank aan overhielden.
Hoewel wij in het geheel nog niets gepresteerd hadden vonden we het toch erg zinvol om mee te doen aan de infobeurs en zo de mensen diets te maken dat we bestonden. Hoe zag onze stand eruit? Ik herinner me nog dat Valère samen met nog enkele mensen er een berkenboom had ingezet met een bank en een gekleurd lichtje. Aan de wanden hingen wat toneelkleren, er lagen toneelbrochures en er stond. een ezel. We hadden ook een stencil dat geïnteresseerden konden invullen als ze wensten lid te worden. In die tijd waren we al volop ons eerste stuk aan het inoefenen en we hielden tot groot genoegen van talrijke geïnteresseerden in de ons toegemeten ruimte enkele repetities.
Ook ter gelegenheid van de infobeurs ontstaat de naam van onze toneelvereniging 'Wonnebronne'. Een stand zonder naam, dat kon eigenlijk niet. Na wat heen en weer gepraat waren we het erover eens om een Vlaamse naam te kiezen en liefst iets oud-Vlaams. Ik sprong op mijn fiets en reed om mijn bloemlezing van Gezelle. Iedereen begon te bladeren en te lezen. En we hebben een prachtige keuze gedaan vind ik: 'Wonnebronne'. Het is een woord dat mooi geritmeerd en melodieus is, het heeft ook iets mysterieus en naar inhoud vertelt het dat we het toneel beleven als een bron van vreugde, plezier en zelfs een tikkeltje wellust."
Ondanks het succes van de infobeurs moet toch spaarzaam omgesprongen worden met het moeizaam verdiende geld. Zo worden er geen gedrukte toneelbrochures van 'Ik ben er . en ik blijf er' besteld. In plaats daarvan wordt het exemplaar van Johan overgetypt en gefotokopieerd. Geld om affiches te laten drukken is er ook niet. Onze eerste affiche bestaat dan ook uit twee aan elkaar gekleefde stencils.
De repetities verlopen nogal moeizaam. De meeste spelers hebben immers nog nooit op de planken gestaan en Johan heeft dan ook een engelengeduld nodig om iedereen enkele basisknepen bij te brengen. Daar komt nog bij dat Valère, een maand voor de opvoeringen, wegens te drukke beroepsbezigheden, een hoofdrol (de rol van kardinaal) moet laten liggen. Deze rol wordt door Johan overgenomen.
Toneel spelen is meer dan acteren. Je hebt bijvoorbeeld een technische ploeg nodig die instaat voor de decors, voor de belichting en klank. Zo zorgt Waltrer Deschuyter voor het vakkundig timmeren en Norbert Verbandt neemt klank en licht voor zijn rekening. We beschikken echter nog niet over eigen belichtingsmateriaal. Bij de Provinciale administratieve dienst wordt bijgevolg een minimum aan belichtingsmateriaal gehuurd. We willen op verschillende plaatsen optreden en dus moeten alle decorelementen vervoerd worden. Daarvoor zullen we een vrachtwagen gebruiken die normaal gebruikt wordt om veevoeders te vervoeren.
Dit eerste stuk is nog geen stuk van Groot-Beernem. Er zijn geen spelers van en geen opvoeringen in Sint-Joris. Daarentegen zijn er in Beernem opvoeringen voorzien in Zaal Reigerlo en in Zaal Berenheem. In Oedelem spelen we in de wat afgelegen dancing Den Hoorn.