Laureaten opstelwedstrijd 2002 / 2003


Ik woon in een spookhuis

Vandaag zijn we met heel de klas naar het Halloweenfestival in Mechelen geweest. Het was kei-cool. Vooral dat ene ding daar. Elke keer dat je voorbij die lelijke auto kwam, sprong er een lijk door de voorruit. Ik vond het echt "bangelijk".

 

"Jasper! Komen eten!" Dat is mama. Het gaat niet zo goed tussen mijn ouders. Elke dag hebben ze ruzie. Over paps'werk, mams'werk, de saus die niet goed is. Altijd is er wel iets te vinden om ruzie over te maken.

"Jasper, uw eten wordt koud!" Weer mama. Al spurtend storm ik de trap af, ik Speedy Gonzales klaar om zijn prooi te verslinden. Vandaag zal hij als eerste aan tafel zitten en als eerste aan zijn zelfgevangen en zelfgeslacht varken kunnen beginnen te eten… Te laat. Iedereen zit al aan tafel. Yes, vandaag een extra lange uitzending van The Simpsons ter gelegenheid van de duizendste uitzending.

 

Gisteren hadden mams en paps weer eens ruziegemaakt. Het duurde tot wel na middernacht. Vandaag was het zover, het moment waar ik nooit aan had durven denken. Papa kwam niet terug van zijn werk. Mama zegt dat hij voor altijd wegblijft. Ik mis hem nu al. Vandaag was het doodstil in huis. Ik hield echt veel van hem. En nu is hij weg, helemaal weg. Nu zie ik hem misschien nooit meer.

Langzaam ga ik de trap af. Alle treden achter mij kraken. Juist zoals het was toen papa achter me de trap afliep. Waarom moesten mama en papa nu uiteengaan? Waarom? Waarom?

Weer barstte ik in tranen uit. Er is geen eten vandaag. Alleen die worst die ik gisteren niet had opgegeten. Vreemd, die ligt er ook niet meer. Misschien heeft paps hem meegenomen. Mama zit boven, al de hele dag. Ze rust en rust en rust.

 

Nu is het 20 november. Ik weet niet wat ik moet doen, het is zo raar in huis: deuren gaan open en toe, Jakie blaft al vier dagen aan een stuk, er verdwijnt eten en andere dingen, soms is het ijskoud binnen en nog geen drie minuten later stik je er van de hitte. En er is al drie keer aan de deur gebeld zonder dat er iemand was.

Ik woon in een spookhuis!

 

Weer storm ik de trap af en weer weerklinken de treden achter mij. Als ik beneden kom, vliegt de deur van de hall meteen toe en de rolluiken zakken meteen naar beneden. De TV springt aan samen met de microgolfoven, de radio, de computer en de playstation 2. Angstig loop ik naar buiten. Vlak achter mij klapt de deur toe en de brievenbus open. Uit de brievenbus vliegt een doodsbericht, springt open en belandt voor mijn voeten. Met grote letters staat er Wim De Kock op. Dat is mijn vader! Dan pas dringt het tot mij door dat hij dood is. Aandachtig lees ik de brief.

 

Wim DE KOCK

Geboren te Lier op 1 maart 1966

En overleden te Lier op 17 november 2002

Na arbeidsongeval op zaterdag 28 oktober 2002

 

Rustig ga ik terug naar binnen. Papa was niet weg omdat hij ruzie had met mama. Hij was dood. Vele tranen rolden over mijn wangen.

Toen ik binnenkwam, zweefde er een krijtje voor het tekenbord, eerst verscheen er een lachend gezichtje J en dan drie hartjes met daaronder: LIEFS PAPA. Hij was het die ik dacht dat een spook was. Hij was het die belde, dingen liet verdwijnen. En dingen op en af zette. Hij wou mijn aandacht trekken!

Nu blijft hij altijd in mijn hart!


Hanne LEMMENS, laureaat 2003, reeks 1

 

Een verborgen wereld: het dodenrijk

Mijn levensverhaal

Als je een kind bent, vertellen ze je allemaal dat je, als je sterft, naar de hel gaat als je stout was, en naar de hemel als je braaf was. Nou ja, ik weet wel beter…

 

Donderdag 12 oktober

"Ik wil sterven." Dat ben ik dus. Toen nog onwetend en verliefd. "Wat een snul!" De snul is mijn vriend. Correctie: was. Hij had het juist uitgemaakt na een maand samenzijn. "De klootzak. Hij heeft zelfs geen goede reden."

Heel die avond zat ik tegen mezelf te praten en te wenen. Eerst zat ik mezelf de schuld te geven. Ik weet nog dat ik tot de conclusie kwam dat hij me niet waard was.

 

Vrijdag 13 oktober

Vrijdag, de dertiende. Ze zeggen dat het een ongeluksdag is. Maar niet voor mij. Ik ontmoette een hemelse jongen. Jaja, ik weet het: ik ben een jongenszot. Maar ik ben er trots op. Ik ben zelfs niet zeker dat hij mij opmerkte. Ik zat op een bankje in het park te relaxen. Ineens kwam hij daar voorbij. Jullie denken allemaal: ja, en? Je had erbij moeten zijn. Met zijn elegantie en zelfzekerheid danste hij bijna. Hij had korte bruine krullen en een schattig snoetje. Voor mij was hij net een god.

 

Maandag 16 oktober, op school

Ik slenterde juist de schoolpoort binnen, toen mijn vriendinnen op me toestormden.

"Weet je het al?"

"Wat weten?"

"Het ongeval."

"Wat voor ongeval?"

"Ik heb horen zeggen dat er in het park een ongeval is gebeurd…"

Toen kon het me niet echt schelen. Ik kende die persoon toch niet. Dat dacht ik.

 

Vrijdag 20 oktober

Ik zette me neer op hetzelfde bankje van de vorige week. Weet je wie ik daar zag? Hoe kun je het raden. Mijn god. Maar deze keer liet ik hem niet zomaar passeren. Per ongeluk liet ik mijn boek vallen. Hij was zo'n gentleman en raapte mijn boek op.

"Hoe het je? Ik het Sabrina."

"Kevin. Heb ik je hier vorige week ook niet gezien?"

"Ja hoor. Ik kom hier elke week om na te denken." Correctie: Ik kwam vanaf toen elke vrijdag om hem te zien. Ik reed met mijn fiets naar huis toen hij vertrokken was. Het was al donker. Onderweg kreeg ik een ongeval. Toen ik wakker werd, lag ik op de stoep. Er was niemand in de buurt en ik had helse hoofdpijn. Ik kwam thuis en ging direct naar bed. Ik had het gevoel dat ik vloog.

 

Zaterdag 21 oktober

's Nachts droomde ik fantastisch. Onze wereld die ik zo donker vond, was veel lichter. Kevin kwam ik ook tegen. We kusten zelfs. We gingen samen door een deur. Dan werd ik wakker. Het rare vond ik dat ik geen honger had (wat al niet normaal was) en dat er niemand thuis was. Ik kleedde me maar aan en keek TV. Ik voelde me wel raar. Het was toch geen school, dus ging ik naar het park in de hoop dat Kevin er zou zijn. Hij was er ook. Kevin zat op mijn bankje. Ik zette me naast hem neer. We raakten aan de praat. Ik vertelde hem mijn droom. Hij had net hetzelfde gedroomd en voelde zich ook raar. Dat was heel interessant. Na een tijdje merkte ik op dat we al vele uren hadden zitten praten, al leek het maar een uurtje.
's Nachts had ik weer zo'n geweldige droom.

 

Zondag 22 oktober

's Morgens was het weer hetzelfde als de vorige dag. Ik vond het raar dat niemand me belde. Daarom ging ik weer naar het park.

 

Maandag 23 oktober

De school was stil. Mijn vriendinnen weenden. Niemand sprak tegen me. Ze zagen me niet staan. Had ik iets verkeerds gedaan? Ik schreeuwde bijna mijn longen kapot. Niemand hoorde mij. Wat gebeurde er? Op dat moment zag ik een kaartje in de handen van mijn vriendin. Op de voorkant stond mijn foto en een kruis. Ze liet het kaartje vallen.

Geboren: 26 februari 1989

Overleden: 20 oktober 2002

Mijn adem stokte. Ik viel achterover. Mijn leven flitste voorbij. Mijn eerste tandje, mijn ouders, mijn zus, mijn huisdieren, familie,… Alles wat me dierbaar was. Ze vertellen je dat je leven voorbijflitst in één minuut. Het duurt veel langer dan dat. Je beseft de tijd niet. Het lijkt snel maar tegelijk ook traag. Snap je? Natuurlijk niet, jullie leven nog. Ik kan je wel zeggen: het is het beste gevoel in de hele wereld.
Ik opende mijn ogen en zag Kevin over me heen leunen. Hij zei: "Het is tijd." Hij nam m'n hand vast en ik belandde net in mijn droom. Nu besefte ik dat het geen droom was. De wereld waar ik nu ben is mooier en lichter. Jullie denken nu wel dat het erg moet zijn om je dierbaren achter te laten. Je laat ze niet achter! Elke keer als jullie een frisse wind voelen, als er geen wind is, elke keer als de haartjes van je armen overeind komen staan, zijn wij het. Wees gerust, we doen jullie niets. We komen gewoon nog eens langs om te zien hoe het met jullie gaat.

Als je sterft, ontmoet je terug de mensen waarvan je in je leven op aarde afscheid hebt moeten nemen. In het dodenrijk gaat tijd snel voorbij. Als jullie tijd gekomen is om te sterven, zullen jullie Kevin en mij wel tegenkomen.

Tot binnenkort.

Groetjes. Sabrina (the teenage ghost).


Stephanie WIJNS, laureaat 2003, reeks 2

 

Heksenhart.

Loodgrijze stapelwolken pakken dreigend samen boven het desolate, groene heuvellandschap. De lange, taaie grasstengels ritselen en buigen mee op de onheilspellend huilende windvlagen. Een onweer nadert. Als een trage, roestbruine slang slingert de spoorweg zich verder tussen de groene velden, onderweg kruist zijn pad met een ander treinspoor, waarna hij zijn weg vervolgt. Een smal figuurtje, met flapperende, blonde haren staat eenzaam op de top van een lage heuvel. Haar twee kille, blauwe ogen kijken neer op de spoorwegen. Een verre donder kondigt de nakende storm aan. Het meisje trekt haar azuurblauwe regenjas strakker om haar smalle schouders.

Zijn naam was Bjorn, en hij was de knapste jongen op heel de Summersfieldschool. Zijn ogen hadden de kleur van kastanjes, en zijn diepbruine krullen dansten om zijn slanke gezicht telkens hij bewoog. Aniane wist dat hij onbereikbaar was voor haar, maar dat weerhield haar er niet van om over hem te dagdromen. Toen Bjorn haar op een warme lentedag plots aansprak op de gang, had ze het gevoel gehad dat al haar wensen waren uitgekomen. "Hallo daar." Aniane draaide zich verrast om naar de persoon die haar had aangesproken. Bjorn leunde glimlachend tegen de geeloranje schoolmuur, en wenkte haar vriendelijk. Met een gevoel alsof haar hart uit haar borstkast zou barsten, was ze behoedzaam genaderd. Ze streek nerveus een lange sliert haar uit haar ovale gezicht. "Zin om mee uit te gaan vanavond?"Aniane vergat alle andere mensen op de gang. De wereld bestond enkel nog uit Bjorn en haar. De middagzon wierp warme stralen door de hoge vensters, waardoor Bjorns gezicht een gouden schijn kreeg. Zijn zachte stem en knappe gezichtstrekken brachten haar uit evenwicht. Ze knikte haastig en voelde hoe ze vuurrood werd. Bjorn zag het en lachte vriendelijk. "Ik ken een gezellig danscafé, hier in de buurt... Als je zin hebt..." Hij stapte naar haar toe, kroelde met zijn hand door haar lange haar en kuste haar teder op het voorhoofd.

Een blauwwitte bliksem klieft zowel door de wolken als de dreigende stilte. Het land is in een vreemde schemering gedompeld. Het meisje staat nog steeds doodstil, afwachtend. Dan heft ze met een plechtig gebaar haar rechterhand op, en tekent een vijfpuntige ster in de gespannen lucht. De aarde houdt zijn adem in, terwijl het teken rood oplicht. Met een dreunend geknars verschuift de wissel tussen de twee treinsporen.

"Hij is gewoon fantastisch," vertelde Aniane opgetogen aan haar zus. Auriga fronste haar dunne wenkbrauwen en ging verder met het borstelen van Aniane's haar. De lange, blonde lokken vielen over haar rug. "Grootmoeder zal hier niet blij mee zijn," merkte Auriga op, "volgens haar mogen we ons niet inlaten met de stervelingen." Aniane zuchtte sarcastisch: "Van grootmoeder mogen we ook geen normaal leven leiden! Auri, ik ben er zeker van dat hij me nooit zou kwetsen!"Ze maakte een handgebaar, en haar haarband zweefde van haar bureau naar haar bed. Aniane draaide zich om en keek haar oudere zus in haar schitterend blauwe ogen. "Het is niet omdat we heksen zijn dat we geen vriendje mogen hebben."Aniane deed haar haarband in en pakte haar vestje.  "Ik zal goed oppassen, Auriga, beloofd!" De slaapkamerdeur viel met een klap achter haar dicht.

De wind trekt aan het meisje, dat nog altijd geduldig staat te wachten. Als ze zou kunnen, had ze gehuild. Maar ze heeft al zeeën leeggehuild, en nu zijn haar tranen opgebruikt. In de verte weerklinkt het onheilspellende geluid van een naderende trein.

Aniane en Bjorn waren vier maanden samen, toen Bjorn haar op een schooldag plots vertelde dat het uit was.  Woede, verdriet, ongeloof en verbazing streden om voorrang in haar hart.  "Waarom?" fluisterde ze tenslotte schor. Bjorn stond tegenover haar, zijn handen nonchalant in zijn zakken. Zijn ogen waren niet langer warm en lief.  "Omdat het uit is; daarom! Ik ben je kinderachtig gedoe beu!" Voor Aniane iets kon uitbrengen, keerde hij haar de rug toe en wandelde weg. Een meisje met kort, zwart haar, een zwaar opgemaakt gezicht en een kort rokje liep hem glimlachend tegemoet. Bjorn sloeg zijn arm om haar schouders en verdween zonder één keer om te kijken in de mensenmassa. Aniane draaide zich om en wandelde weg, weg van Bjorn, weg van die slet waar hij nu bij was, weg van alles en iedereen. Pas toen ze ver buiten de school was, welde de eerste snik op in haar keel.

De passagierstrein nadert tegen hoge snelheid. Auriga wrijft in haar verkleumde handen. Nadat Bjorn haar zusje had gedumpt, was Aniane in een diepe depressie weggekwijnd. Tenslotte is ze op een koude herfstdag uit haar slaapkamerraam gesprongen en heeft de dood haar barmhartig omhelsd. Via één van Bjorns vrienden is Auriga erachter gekomen dat hij met zijn vriendin een weekendje naar de kust zal gaan... En hij zal de trein van vijf uur nemen...  Auriga kijkt strak naar de tweede spoorweg. Haar stille gezicht, dat wit aftekent tegen de donkere hemel, fluistert enkele woorden. Een bliksemschicht kartelt door de lucht. De wolken zijn zwanger van de regen. Plotseling verschijnt uit het niets een zwaar beladen goederentrein op de tweede spoorweg, de passagierstrein, met Bjorn aan boord, tegemoet.

Bjorn zakt met een zucht onderuit in de ongemakkelijke, groene treinzetel en speelt afwezig met de sluiting van zijn rugzak. Heleen knijpt in zijn hand. "Ontspan, Bjorn! Dit zal het beste weekend van je leven worden; ik beloof het!" kirt ze geruststellend. Bjorn knikt, in gedachten verzonken. Hij houdt niet van treinreizen, en zeker niet in het eerste compartiment na de locomotief. Hij schiet met een ruk recht wanneer een witte bliksem vlakbij inslaat. Bjorn veegt met zijn mouw over de aangedampte ruit, in een poging om naar buiten te kijken. Even meent hij een meisje met blonde haren te zien staan op een heuveltop vlakbij.

De goederentrein bereikt als eerste de foutieve wissel, en, tot grote angst en verbazing van de machinist, rijdt de trein plots op het verkeerde spoor, recht naar de naderende passagierstrein!  Met een afschuwelijke klap rijden de twee treinen op elkaar in. Het geluid van brekend glas en scheurend metaal vermengt zich met de hoge angstkreten van mensen. Door de kracht van de botsing worden grote stukken ijzer meters ver weg de vlakte ingeslingerd. Het begint eindelijk te regenen. Grote vlagen water storten zich op het afschuwelijke tafereel. Zilveren tranen lijken het wel, die de grond doorweken. Van de twee treinen schiet niet veel meer over. De eerste wagons zijn samengeperst, de rest van de treinen staat in brand of ligt omver. Hier en daar weerklinkt zacht gehuil of geroep.  De oranje vlammen worden weerspiegeld in de kille ogen van het meisje dat kaarsrecht op de heuveltop staat.

Een krakende bliksem verlicht gedurende één seconde haar grauwe gezicht; een ijskoude glimlach staat op haar mond.  Vastgevroren.


Ine Boogmans - laureaat 2003 - reeks 3

 

TOVEREN

Toveren. Dat wil hij kunnen, het jongetje op de rode trap.

Hij wil alleen maar goeie dingen toveren. Zijn papa terugtoveren. Zijn opa terugtoveren. Het huis terugtoveren.

Mama lachte thuis meer. Ze woont niet graag in het kamp, denkt hij. Maar het huis blijft weg zolang hij niet kan toveren. Mama blijft droevig.

Papa blijft weg, opa blijft weg.

Hij wil de tanks wegtoveren. De schieters. Hij wil de mensen die het huis stuk hebben gedaan wegtoveren. Papa wou dat ook. Daarom is papa nu dood.

Hij wil spuitjes toveren. Vroeger was hij daar bang voor, maar sinds hij weet dat zijn broertje sterft als hij geen spuit krijgt, wil hij spuitjes toveren.

Mama zal wenen als ze weet dat papa en opa weg zijn. Hij moet ze terugtoveren.

Maar hij kan niet toveren. Hij kan alleen zijn boterhammetje opeten. Op de trap. De trap, rood van het bloed van zijn papa en zijn opa. Palestijns bloed.

Zijn grote donkere ogen zijn op zoek naar een toverstaf. Wat ze vinden, zijn wapens.


Leen Eeckhout - laureaat 2003 - reeks 4

©  Davidsfonds Heist-op-den-Berg, Oude Liersebaan 75, 2220 Heist-op-den-Berg, BELGIUM